direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zetten, Beatrixstraat
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0303ZTTNbeatrixstr-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De Woonstichting Valburg wil aan de Beatrixstraat 2-12 te Zetten de bestaande woningen slopen en vervangen door nieuwbouw. De nieuwbouw bestaat uit een appartementengebouw met 18 huurwoningen en drie grondgebonden woningen. Ten minste 17 woningen betreffen sociale huurwoningen. Verder worden er bijbehorende voorzieningen, zoals parkeren, groen, openbare ruimte en een toegangsweg gerealiseerd.

Om de nieuwe woningen te kunnen realiseren, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan, 'Zetten, Beatrixstraat', stelt de kaders vast waarbinnen de ontwikkeling van de woningen en bijbehorende voorzieningen in het plangebied kan worden toegestaan.

1.2 Ligging en beschrijving plangebied

Het plangebied ligt aan de rand van het centrum van Zetten (zie figuur 1.1). Het plangebied beslaat de percelen Beatrixstraat 2-12, kadastraal bekend gemeente Zetten, sectie B, perceelnummer 2068 en heeft een oppervlakte van circa 2.520 m². Het plangebied wordt aan de noordkant begrensd door de Beatrixstraat, aan de oostkant door de woonpercelen Damstraat 3, 4 en 4a, aan de zuidkant door een parkeerterrein en het perceel Beatrixstraat 2a (schietvereniging) en aan de westkant door de percelen Hoofstraat 30a t/m 32c (detailhandel met bovenwoningen). In het plangebied zijn momenteel in totaal acht woningen aanwezig, bestaande uit twee twee-aaneengebouwde woningen en twee blokken met twee boven- en benedenwoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0303ZTTNbeatrixstr-VSG1_0001.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0303ZTTNbeatrixstr-VSG1_0002.png"  
Figuur 1.1: ligging en begrenzing plangebied (bron: Bing Maps)  

1.3 Huidig bestemmingsplan

In het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Zetten - Hemmen', dat op 24 oktober 2017 is vastgesteld. Het plangebied heeft de bestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Er zijn drie bouwvlakken opgenomen. Op de achtererven is de aanduiding 'bijgebouwen' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0303ZTTNbeatrixstr-VSG1_0003.png"  
Figuur 1.2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Zetten - Hemmen'  


Het initiatief bestaat uit het oprichten van een nieuw appartementengebouw aan de zuidwestkant van het plangebied en drie grondgebonden woningen aan de noordoostkant. Dit voornemen past niet binnen het huidige bestemmingsplan, omdat op deze plekken geen bouwvlakken opgenomen zijn. Daarnaast is er sprake van een toename van het aantal woningen en wordt een deel van het plangebied als openbaar gebied ingericht. Op basis van de huidige bestemmingen is het oprichten van de woningen met bijbehorende infrastructuur en openbaar gebied ruimtelijk en functioneel niet toegestaan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan voor het plangebied noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. In hoofdstuk 8 is de procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

In de huidige situatie zijn in het plangebied acht woningen met bijbehorende percelen aanwezig (Beatrixstraat 2-12), verdeeld over drie bouwmassa's. De woningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap (zie figuur 2). De bijbehorende gronden zijn ingericht als tuin, met parkeervoorzieningen en bijgebouwen. De woonpercelen worden ontsloten op de Beatrixstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0303ZTTNbeatrixstr-VSG1_0004.png"  
Figuur 2: woningen Beatrixstraat 6-8, gezien vanaf de Beatrixtraat (bron: Google Streetview)  

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

De Woonstichting Valburg wil de bestaande woningen en bijgebouwen slopen, het terrein herinrichten en twee nieuwe woonblokken realiseren. Aan de oostkant van het plangebied worden drie grondgebonden woningen (aaneengebouwd) opgericht, evenals een aantal bergingen. De woningen krijgen een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter. Aan de zuidkant van het plangebied wordt een appartementengebouw met 18 appartementen opgericht. Het gebouw krijgt een maximale goot- en bouwhoogte van 11 meter en zal bestaan uit drie bouwlagen. Zowel de gestapelde als de grondgebonden woningen zijn primair bedoeld als sociale huurwoningen. Ten minste 17 woningen (minimaal 80%) zullen als sociale huurwoning worden gerealiseerd. Hiermee voorziet het plan in een belangrijke maatschappelijke behoefte. De woningen zullen levensloopbestendig en als nultredenwoningen worden uitgevoerd. Daarnaast worden de woningen duurzaam uitgevoerd (nul op de meter).

Het omliggende terrein wordt ingericht met parkeervoorzieningen, groen en infrastructuur. Centraal aan de Beatrixstraat is een open ruimte voorzien, die aansluiting zoekt met het centrumgebied aan de overzijde van de Beatrixstraat. Het plan voorziet ook in een voetpad tussen de Beatrixstraat en het parkeerterrein ten zuiden/zuidoosten van het plangebied. Figuur 3 geeft een indruk van de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0303ZTTNbeatrixstr-VSG1_0005.png"  
Figuur 3: mogelijke toekomstige situatie  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Beoordeling en conclusie
Het plangebied ligt niet in de nationale hoofdstructuur en omvat een ontwikkeling van lokaal belang, namelijk de ontwikkeling van sociale woningbouw. Het beleid met betrekking tot het realiseren van de woningen wordt neergelegd bij de decentrale overheden. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.

Beoordeling en conclusie
Het initiatief betreft een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).

In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en een motivering, dat de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt: “De toelichting bij een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt in totaal 21 woningen in het plangebied mogelijk (18 appartementen en drie grondgebonden woningen). Het betreft 17 sociale huurwoningen en 4 huurwoningen in de vrije sector. In de huidige situatie zijn in het plangebied in totaal 8 sociale huurwoningen aanwezig. Het plan leidt tot een netto toevoeging van 13 woningen. Volgens de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, is er bij een ontwikkeling van deze omvang sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is een ladderonderbouwing opgesteld, waarin aangetoond is dat er behoefte is aan de beoogde woningen (Bijlage 1). Onderstaand worden de conclusies besproken. Voor de volledige onderbouwing wordt verwezen naar de bijlage.

Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied in de bebouwde kom van Zetten. In het huidige bestemmingsplan heeft het plangebied al een woonbestemming.

In de ladderonderbouwing is ingegaan op zowel de kwalitatieve als kwantitatieve behoefte in het verzorgingsgebied. Geconcludeerd wordt, dat het initiatief in lijn is met de regionale en gemeentelijke woningbehoefte en –programmering, in het bijzonder om de volgende redenen:

  • In het initiatief is opgenomen dat 17 van de 21 geplande woningen sociale huurwoningen (< € 586) zijn. Vanuit zowel het beleid van de (sub)regio's als het beleid van de gemeente blijkt dat er veel behoefte is naar sociale huurwoningen. Daarnaast wordt er in het gemeentelijke beleid ingezet op de toevoeging van betaalbare en middeldure huurwoningen in het dorp Zetten.
  • Het streven van de gemeente is om de woningbehoefte in te vullen met een minimaal programma van circa 160 – 180 woningen per jaar in de jaren tot 2025. 30% procent hiervan moet sociale huur zijn. Dit zijn circa 55 sociale huurwoningen in de gemeente. Het plan geeft door het toevoegen van 9 extra sociale huurwoningen een belangrijke, significante invulling aan deze opgave.
  • Het is vanuit beleidsmatig oogpunt een pré wanneer een deel van de woningen ingevuld wordt als aanpasbare (levensloopbestendige) woningen. Het beoogde plan ziet op levensloopbestendige woningen en draagt dus eveneens bij aan deze doelstelling.

Het initiatief voorziet zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht in een behoefte.

Conclusie
Het bestemmingsplan maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. De ontwikkeling is in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een behoefte aan de geplande woningen en de opgave wordt binnen bestaand stedelijk gebied ontwikkeld.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben op 9 juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Daarna zijn nog enkele actualisatieplannen vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • een duurzame economische structuur(versterking);
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.


Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en de kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat met een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Dit betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland.

Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen aanduidingen, die voor dit bestemmingsplan van belang zijn. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 28 december 2017.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt in totaal 21 woningen in het plangebied mogelijk (18 appartementen en drie grondgebonden woningen). Het betreft 17 sociale huurwoningen en 4 huurwoningen in de vrije sector, die allen levensloopbestendig zijn.

Thema 'wonen'
De verordening bevat concrete regels met betrekking tot het thema wonen. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan wanneer dit past in het huidige door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma. Hetzelfde geldt voor de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de regio (artikel 2.2.1.1). De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgelegd in de Woonagenda 2020. Op regionaal niveau is de Regionale Woningmarktanalyse Regio Arnhem-Nijmegen (2017) opgesteld. In dit bestemmingsplan worden netto 13 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling van deze woningen past binnen het kwantitatief woningbouwprogramma, zoals vastgelegd is in de Woonagenda. In paragraaf 4.3 wordt hierop nader ingegaan en in de ladderonderbouwing (Bijlage 1) is onderzoek verricht naar de kwantitatieve behoefte in het verzorgingsgebied, regio Arnhem.

Daarnaast is van belang, dat er gebruik wordt gemaakt van een inbreidingslocatie in het bestaand stedelijk gebied. De woningbouwontwikkeling op deze locatie past ook in dit opzicht in de uitgangspunten van de Omgevingsverordening en de Woonagenda (herstructurering en inbreiding gaan voor op uitbreiding van het bebouwd gebied). De beoogde woningbouw past binnen de kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwopgave van de regio. In dit opzicht is het plan in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

Overige thema's en aanduidingen
Voor het overige zijn er geen relevante aanduidingen en thema's uit de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing op het plan.

Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

4.3 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt..
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt..' (hierna: de Toekomstvisie+) vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de Toekomstvisie+ zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten.

In de gemeente Overbetuwe zijn 11 kernen van verschillende grootte en met verschillende identiteiten aanwezig. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen is een speerpunt in het beleid.

Een andere belangrijke ontwikkeling is het kleiner worden van huishoudens. Hierdoor zijn, ook bij een gelijk blijvend aantal inwoners, meer woningen nodig en is dus meer ruimte nodig. Ook het toenemende belang van de kwaliteit van de woonomgeving leidt tot een grotere ruimtebehoefte voor wonen. Extra aandacht moet worden besteed aan kwaliteitsaspecten, zoals een attractief, gezond en veilig woonmilieu. Verder moet rekening worden gehouden met de sterker wordende wens om op een herkenbare en 'eigen' plek te wonen. Ten slotte leiden de ontwikkelingen op de woningmarkt tot extra aandacht voor levensloopbestendige woningen.

Beoordeling
Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Zetten. Op deze locatie worden in totaal 21 woningen gerealiseerd in de vorm van gestapelde en grondgebonden woningen. In de huidige situatie zijn 8 woningen in het plangebied aanwezig (twee twee-aaneengebouwde woningen en twee blokken met boven- en onderwoningen). Het gemeentelijk beleid is gericht op kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en op het benutten van mogelijkheden voor inbreiding en intensivering in bestaand stedelijk gebied. Met het initiatief worden de bestaande woningen van matige kwaliteit vervangen door nieuwbouw van 18 gestapelde woningen en drie grondgebonden woningen. Hiermee wordt de bestaande locatie in het centrum van de kern Zetten optimaal benut en wordt een kwaliteitsverbetering van de woningen bereikt. Dit past binnen de gemeentelijke ambitie op het gebied van woningbouw. Er is bovendien sprake van een geschikte woonlocatie met kwaliteiten, in het bijzonder een goede bereikbaarheid en de ligging in het centrum.

Conclusie
Dit bestemmingsplan past in de met de Toekomstvisie+ gewenste beleidslijn. Ook is er sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik door het optimaal invullen van een bouwperceel aan de rand van het centrum.

Woonagenda Overbetuwe 2020
In de Woonagenda 2020 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een opgavennotitie opgesteld. Deze woningmarktanalyse geeft zicht op huidige en toekomstige kansen en knelpunten en is het startpunt voor de uitwerking van de woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. De ontwikkelingen die de komende jaren afkomen op de gemeente (vergrijzing, gezinsverdunning) vragen om meer variatie in het woonaanbod. Over het algemeen zijn inwoners tevreden over hun woonsituatie. Niet voor iedereen is het echter even makkelijk om een woning naar wens te vinden. De gemeente wil over voldoende woningen met de juiste kwaliteit beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief.

Accentpunten zijn:

  • Aandacht voor urgente huisvestingsnood: inzetten op geschikte woningen voor bijzondere doelgroepen;
  • Betaalbaarheid en beschikbaarheid: meer betaalbare huurwoningen beschikbaar;
  • Wijs omgaan met de bestaande woningvoorraad: inzetten op verduurzaming;
  • Een levensloopvriendelijke gemeente: langer thuis wonen en er op uit;
  • Een gezonde woningmarkt in balans: prioriteren én versnellen van onze woningbouwplannen.

Het aantal huishoudens binnen de gemeente neemt in de periode 2015-2040 naar verwachting toe met ca. 2.250. Tot 2025 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 1.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en voor het opvangen van de autonome huishoudengroei.

Variatie in het woonaanbod is bij de realisatie van nieuwbouw een speerpunt. De grootste vraag bestaat naar woningen voor starters en ouderen. Een ander uitgangspunt is dat nieuwe woningen zoveel mogelijk levensloopbestendig worden gebouwd. De gemeente legt het accent op het bestaande bebouwde gebied: kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad en mogelijkheden voor inbreiding en intensivering, bijvoorbeeld door functieverandering. Daarnaast blijft nieuwbouw nodig om in te spelen op de ambities. Doel van de nieuwbouw is om, naast het in de pas lopen met de groei van het aantal huishoudens, meer variatie in het woonaanbod te realiseren en beter aan te sluiten op de kwalitatieve behoefte.

Beoordeling
In de Woonagenda heeft de gemeente haar woningbouwprogramma niet alleen kwalitatief, maar ook kwantitatief vastgelegd voor de periode tot en met 2020. Dit programma vormt een uitwerking van het door Gedeputeerde Staten van Gelderland vastgesteld Kwalitatief Woonprogramma en de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave voor wonen in de regio. Op regionaal niveau zijn afspraken gemaakt met betrekking tot het toevoegen van woningen per gemeente in de regio Arnhem-Nijmegen. In de ladderonderbouwing (Bijlage 1) is ingegaan op de woningbouwopgave voor Overbetuwe en de resterende capaciteit na aftrek van de bestaande plancapaciteit. Uit de woningbouwopgave, die in hoofdstuk 8 van de Woonagenda is vastgelegd en gebaseerd is op de regionale afspraken, blijkt dat er in de periode 2015-2025 een opgave is om circa 1.000 woningen te realiseren. De gemeentelijke woningbehoefte bedraagt ongeveer 167 tot 183 woningen per jaar tot aan 2025. De (resterende) woningbouwopgave wordt regelmatig geactualiseerd op zowel regionaal als gemeentelijk niveau. Enerzijds komt de woningbehoefte voort uit de veranderende samenstelling van de bevolking (gezinsverdunning), maar er is ook een woningbehoefte vanuit instroom van buiten de gemeente. Deze behoefte doet zich vooral voor in het oostelijk deel van de gemeente, met de kernen Elst, Oosterhout en Valburg. Voor de kern Zetten is er onvoldoende plancapaciteit om aan de kwantitatieve behoefte te voldoen en daarom draagt het plan bij aan het realiseren van deze opgave.

Het plan voorziet grotendeels in sociale huurwoningen (17 van de 21 woningen). Alle woningen zijn levensloopbestendig. Wanneer wordt gekeken naar de specifieke behoefte aan de woningen, volgt uit de ladderonderbouwing, dat er specifiek behoefte bestaat aan sociale huurwoningen binnen de gemeente. Uit de Woonagenda blijkt, dat er momenteel 5.870 huishoudens tot de sociale doelgroep (huishoudensinkomen tot € 36.165, prijspeil 2017) horen. De gemeente heeft bijna 4.200 sociale huurwoningen. Volgens raming van de gemeente neemt dit aantal toe tot 7.430 in 2030, dat is een groei van 1.560 huishoudens. Daarnaast is er tot 2030 ook sprake van huishoudensgroei. Als gevolg van vergijzing en gezinsverdunning dalen de gemiddelde huishoudinkomens. Er wordt daarom tot en met 2020 een behoefte tussen 350 en 400 sociale huurwoningen (goedkoop en betaalbaar), met tot 2030 een groei tussen 400 en 600 verwacht. Het initiatief voorziet dan ook in een specifieke behoefte. Concreet blijkt dat in vanaf juli 2017 nog ruimte is voor 24 goedkope huurwoningen. Dit project is daarnaast binnen het rapport van de Woningbouwprioritering (2017) opgenomen als één van de 'prioritaire projecten november 2017'.

Uit de Woonagenda in samenhang met onder meer de hiervoor beschreven Toekomstvisie+ volgt, dat inbreiding prevaleert boven uitbreiding van bestaand stedelijk gebied. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een inbreidingslocatie binnen de bebouwde kom van Zetten, waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande bouwpercelen, die al een woonbestemming hebben. Ook in dit opzicht past de ontwikkeling binnen de uitgangspunten van het (woningbouw)beleid.

Conclusie
De ontwikkeling is in kwalitatieve en kwantitatieve zin in overeenstemming met de gemeentelijke Woonagenda 2020.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Milieueffectrapportage

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.

Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' heeft mogelijk gevolgen voor dit bestemmingsplan. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn wijzigt de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 21 nieuwe woningen mogelijk, terwijl in de huidige situatie 8 woningen in het plangebied aanwezig zijn. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden.

  Activiteiten   Gevallen   Besluit  
D.11.2   De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.   In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
1: een oppervlakte van 100 hectare of meer,
2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of
3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.  
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan  

Geconcludeerd kan worden, dat de ontwikkeling van het gebied met 21 woningen ver beneden de drempelwaarde ligt, zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit betekent, dat voordat het plan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer.

Aan de hand van een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld.

Er is een aanmeldingsnotitie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (Bijlage 2), waarbij is ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Voor de volledige beoordeling wordt verwezen naar deze bijlage. De conclusie is, dat er sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij ieder plan is sprake van invloed op het milieu. In dit geval is deze invloed niet zodanig, dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats, zijn naar aard en omvang beperkt. Hierdoor wordt geconcludeerd, dat het plan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Geadviseerd wordt daarom om geen MER op te stellen.

Conclusie
Met dit bestemmingsplan wordt een stedelijk ontwikkelingsproject mogelijk gemaakt. Op basis van de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden vastgesteld dat de invloed op het milieu zeer beperkt is. Daarom is het opstellen van een MER niet noodzakelijk.

5.2 Geluid

Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:

  • de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
  • de aanleg van een nieuwe weg;
  • de reconstructie van een bestaande weg.


De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor moet met een ontheffing een hogere waarde worden vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen in stedelijk gebied is 63 dB.

Daarnaast heeft de gemeente een beleidsnota voor het toepassen van hogere waarden opgesteld. Daarin is een zogenaamde ambitiewaarde opgenomen. Deze bedraagt 43 dB (in plaats van 48 dB volgens de Wgh). Het gemeentelijk beleid gaat uit van een maximale ontheffingswaarde van 58 dB (in plaats van 63 dB volgens de Wgh).

Beoordeling
Het bestemmingsplan maakt nieuwe geluidsgevoelige objecten (woningen) mogelijk. Het plangebied ligt buiten de geluidzones van wegen. Op de omliggende wegen geldt namelijk een maximumsnelheid van 30 km/uur. Ook wat betreft de verkeersintensiteiten op deze wegen, is er geen noodzaak om vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening akoestisch onderzoek te verrichten.

Conclusie
Het plan voldoet aan de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.

5.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.

Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

  • het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
  • het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3).

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt in totaal 13 extra woningen binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk ten opzichte van de huidige situatie. De planontwikkeling behoort tot een in de Regeling NIBM genoemde categorie van gevallen (woningen) en blijft ruimschoots onder de drempelwaarde van 1.500 woningen. Daarom kan worden gesteld, dat de luchtkwaliteit met het initiatief niet in betekenende mate wordt aangetast en dat een luchtkwaliteitonderzoek niet noodzakelijk is.

Conclusie
De ontwikkeling valt zonder meer onder de regeling NIBM. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4 Bedrijven en milieuzonering

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Ten slotte kan sprake zijn van gebieden met een sterke functiemenging (functiemengingsgebieden), zoals stads- en dorpscentra en horecaconcentratiegebieden. In deze gebieden is een andere categorie-indeling van toepassing.

Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe gevoelige functies, namelijk 21 woningen binnen twee bouwvlakken, mogelijk in het plangebied. Het plangebied heeft in de huidige situatie al een woonbestemming, maar de situering van de hoofdgebouwen wijzigt. Daarom is onderzocht of er in de omgeving milieubelastende functies aanwezig zijn.

Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Zetten, aan de rand van het centrum. Gezien de ligging aan de rand van het centrum, waar diverse functies aanwezig zijn, kan de omgeving van het plangebied als 'gemengd gebied' worden aangemerkt. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende functies aanwezig:

Adres   Functie   Milieucat.   Richtafstand   Afstand  
Beatrixstraat 2a   Schietvereniging   4.1   100 m   ca. 5 m  
Hoofdstraat 30 a-c   Detailhandel   1   0 m   ca. 5 m  
Hoofdstraat 32   Detailhandel   1   0 m   ca. 5 m  

Uit het overzicht blijkt, dat de woningbouw binnen de richtafstand tot de schietvereniging op Beatrixstraat 2a wordt voorzien. Het maatgevende aspect is akoestiek. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn opgenomen in Bijlage 3.

Uit het onderzoek blijkt, dat het langtijdgemiddelde geluidniveau op het onderzochte, akoestisch meest ongunstige meetpunt maximaal 25 dB(A) bedraagt (avondperiode, 4,5 meter hoogte). Het maximale geluidniveau bedraagt 46 dB(A). De gemeten waarden voldoen ruimschoots aan de norm van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddelde geluidniveau in gemengd gebied en van maximaal 70 dB(A) voor het maximale geluidniveau. Indirecte hinder is niet onderzocht, omdat komend en gaand verkeer uitsluitend op de openbare weg komt en zich hiermee niet onderscheidt van ander verkeer.

De aanwezigheid van de schietvereniging zorgt, gezien de onderzoeksresultaten, niet voor een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de woningen. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voldoende gewaarborgd. De beoogde nieuwbouw levert geen belemmeringen voor de schietvereniging op.

Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' levert geen belemmeringen voor de ontwikkeling op.

5.5 Geurhinder

Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.

Beoordeling
In de ruime omtrek van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Daarom is uitgesloten dat er vanuit het aspect geurhinder belemmeringen voor de ontwikkeling van de woningen in het plangebied optreden.

Conclusie
Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voldoende gegarandeerd en er worden geen agrarische bedrijven belemmerd. Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling in het plangebied.

5.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.

Beoordeling
In dit bestemmingsplan worden 21 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daarmee is er sprake van nieuwe gevoelige functies en van bebouwing waarin voortdurend mensen verblijven. Daarom is een verkennend bodemonderzoek voor het plangebied uitgevoerd (Bijlage 4). Hierna worden de onderzoeksresultaten beschreven.

In de bodem zijn lichte verontreinigingen met cadmium, koper, kwik, nikkel, lood, zink en PAK-totaal aangetroffen. Omdat het uitsluitend lichte verontreinigingen betreft, is nader onderzoek niet noodzakelijk. De aangetroffen gehalten vormen geen belemmeringen voor het toekomstige gebruik.

In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetroffen. Dit geeft geen aanleiding tot nader onderzoek.

Ter plaatse van één inspectiegat is asbesthoudend materiaal aangetroffen. Daarnaast zijn in de achtertuinen van de huidige woningen opstallen met een asbesthoudende dakbedekking aangetroffen. Op basis van deze bevindingen wordt nader asbestonderzoek geadviseerd, voordat de huidige bebouwing wordt gesloopt. Na sloop van de bebouwing wordt geadviseerd om een nader bodemonderzoek asbest uit te voeren om vast te stellen of er sprake is van een ernstige bodemverontreiniging met asbest bij het inspectiegat.

Conclusie
De milieuhygiënische bodemkwaliteit in het plangebied is voldoende voor de beoogde functies in het plangebied. Wel is een nader asbestonderzoek voorafgaand aan de sloop van de huidige opstallen nodig, gevolgd door een nader bodemonderzoek asbest. Het aspect bodemkwaliteit vormt op voorhand geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.

5.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
Het plan betreft het slopen van 8 woningen, waarvoor 21 nieuwe woningen worden teruggebouwd. Het betreft 18 appartementen en 3 grondgebonden woningen. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In figuur 5.1 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0303ZTTNbeatrixstr-VSG1_0006.png"  
Figuur 5.1: uitsnede provinciale risicokaart Beatrixstraat 2-12 te Zetten, geraadpleegd op 2 oktober 2018 (zwarte cirkel = ligging plangebied)  

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op:
Rondom de planlocatie zijn geen buisleidingen en inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. De op de afbeelding zichtbare aardgasleiding, ligt op ruim 850 meter afstand van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 en het invloedsgebied van de leiding reiken niet tot het plangebied.

Verder liggen op ongeveer 1.440 meter ten zuiden van het plan de Betuweroute en de snelweg A15 en op ongeveer 3.760 meter ten oosten de snelweg A50. Op basis van de Regeling basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan binnen het invloedsgebied van de Betuweroute, de snelweg A15 en A50. Ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de afstand tussen het plan en deze risicobronnen groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid.

Verantwoording groepsrisico
Het plan ligt in het invloedsgebied groepsrisico van drie risicobronnen. Volgens de huidige wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute, de snelweg A15 en A50. Omdat het plan op meer dan 200 meter van deze transportroutes ligt, hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hieronder een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dichtbij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dichtbij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.

Conclusie
De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute, de snelweg A15 en A50. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

5.8 Explosieven

Het plangebied is verdacht op de aanwezigheid van explosieven die afkomstig zijn uit de Tweede Wereldoorlog. Om die reden moet voorafgaand aan bodemroerende werkzaamheden nader onderzoek worden uitgevoerd. In dit geval is de bodem na-oorlogs (gedeeltelijk) aantoonbaar geroerd. Voorafgaand aan bodemroerende werkzaamheden, moet worden onderzocht in hoeverre de bodem reeds is geroerd en of nader onderzoek naar explosieven noodzakelijk is. In het kader van dit bestemmingsplan zijn er geen belemmeringen.

5.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Beoordeling en conclusie
In het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.

5.10 Waterparagraaf

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Beoordeling (watertoets)
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe bebouwing (18 appartementen en drie grondgebonden woningen met bijgebouwen) en verhardingen mogelijk. De toekomstige bebouwing heeft een gezamenlijke oppervlakte van circa 820 m². Momenteel zijn in het plangebied 8 woningen aanwezig. Het plan leidt tot een toename van het verhard oppervlak. Met het waterschap heeft voortijdig afstemming plaatsgevonden. De benodigde watercompensatie is financieel gecompenseerd. De planlocatie maakt namelijk onderdeel uit van het afkoppelplan voor het centrum van Zetten. Op deze wijze vindt een adequate hemel- en vuilwaterafvoer plaats. Het waterschap is akkoord met het plan.

Hydrologisch is de ontwikkeling neutraal. Van belang is dat schoon hemelwater en vuilwater in de toekomstige situatie gescheiden worden afgevoerd. Er kan worden voldaan aan de verplichting om vuilwater en hemelwater gescheiden af te voeren.

Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Ingrepen in het kader van dit bestemmingsplan, zullen geen bodemlagen aantasten die het grondwatersysteem kunnen veranderen. Ook ligt het plangebied niet in de nabijheid van een waterkering. Het plan heeft dan ook geen invloed op waterkeringen.

Ten slotte zijn negatieve effecten op oppervlaktewater niet aan de orde, omdat in het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is.

Conclusie
De ontwikkeling, waarin dit bestemmingsplan voorziet, is hydrologisch neutraal. Er is sprake van een geringe toename van verhard oppervlak. Hiervoor zijn adequate voorzieningen opgenomen in het afkoppelplan voor het centrum van Zetten. Schoon hemelwater en vuilwater worden in de toekomstige situatie gescheiden afgevoerd, waar dit momenteel nog niet het geval is. Negatieve effecten op oppervlaktewater of op de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten.

Gezien het bovenstaande heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en vormt het aspect water dan ook geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.

5.11 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn;
  • 3. de bescherming van overige soorten.

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Beoordeling
In de huidige situatie is het plangebied ingericht met woonpercelen. Vanwege de sloop van de bestaande bebouwing, herinrichting van het terrein en het oprichten van nieuwe gebouwen, heeft de planvorming mogelijk effecten op beschermde flora en fauna. Daarom is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Hierna worden de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek weergegeven.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. Het meest nabijgelegen gebied is het Natura 2000-gebied Rijntakken, dat op ongeveer 2,8 kilometer afstand van het plangebied ligt. Dit gebied behoort ook tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Verder bevindt zich op ongeveer 450 meter van het plangebied een GNN-gebied.

Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 21 woningen mogelijk, waarmee netto 13 woningen worden toegevoegd. Gezien de aard van de wijziging, de beperkte omvang van de ontwikkeling, de aard van de omgeving (bebouwde kom) en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten op deze gebieden in de vorm van licht- of geluidverstoring en stikstofdepositie op voorhand worden uitgesloten. Een passende beoordeling of een vergunning op basis van de Wnb is niet aan de orde.

Ook negatieve effecten op (overige) GNN-gebieden, die op ten minste 450 meter van het plangebied liggen, zijn op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten. Nadere toetsing aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening ten aanzien van deze gebieden, is daarom niet aan de orde.

Vanuit een oogpunt van gebiedsbescherming bestaan er geen belemmeringen voor het plan.

Soortenbescherming
Vogels
Het plangebied is in gebruik als nestlocatie voor de jaarrond beschermde huismus. De bestaande bebouwing is bovendien geschikt als broedlocatie voor de eveneens jaarrond beschermde gierzwaluw en kan onderdak bieden aan algemene, niet-jaarrond beschermde vogelsoorten (merel, zanglijst, et cetera). De nesten van de laatst genoemde soorten zijn alleen beschermd op het moment dat deze in gebruik zijn.

Naar de aanwezigheid van huismussen en gierzwaluwen is in het seizoen 2018 nader veldonderzoek uitgevoerd. Er zijn 13 huismusnesten en 2 gierzwaluwnesten aangetroffen.

Vleermuizen
De bestaande bebouwing is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen (dwergvleermuis, laatvlieger) en kan dienst doen als zomer-, kraam- en baltsverblijf. Het plangebied is beperkt geschikt als foerageergebied voor vleermuizen en vormt geen belangrijk foerageergebied. In de directe omgeving is meer geschikt foerageergebied aanwezig. Het aanbod aan foerageermogelijkheden zal daarom niet in het geding komen.

Naar de aanwezigheid van vleermuizen is in het seizoen 2018 nader veldonderzoek uitgevoerd vanwege de geschiktheid van het plangebied voor vleermuizen. Er is één zomerverblijfplaats van twee gewone dwergvleermuizen en één zomerverblijfplaats van de laatvlieger aangetroffen.

Zoogdieren
Het plangebied vormt een geschikte habitat voor een aantal licht beschermde grondgebonden zoogdiersoorten (egel, mol, rosse woelmuis). Verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingrepen niet aangetast. Streng beschermde zoogdiersoorten zijn in het plangebied niet te verwachten en niet aangetroffen. Er zijn geen concrete maatregelen nodig in het kader van de zorgplicht. Wel wordt speciale aandacht ten aanzien van de egel aanbevolen.

Overige soortgroepen
Voor overige soortgroepen, zoals amfibieën, reptielen, vaatplanten, vissen en ongewervelden is op voorhand vasgesteld, dat er geen streng beschermde soorten of functies voor dergelijke soorten aanwezig zullen zijn. Overtreding van de Wnb is voor deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten. Wel geldt te allen tijden de algemene zorgplicht. Speciale aandacht ten aanzien van bruine kikker en gewone pad wordt daarbij aanbevolen.

Projectplan en ontheffing
Naar aanleiding van de bevindingen uit de quickscan flora en fauna, is nader veldonderzoek verricht, zoals hierboven omschreven. Met deze bevindingen is een projectplan opgesteld voor het realiseren van compensatiemaatregelen vanwege het verdwijnen van nesten en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, rosse dwergvleermuizen en een laatvlieger. Ook ziet het projectplan op de wijze waarop het plangebied ongeschikt wordt gemaakt als nest- en verblijfplaats. Daarvoor zal een ecologisch werkprotocol worden opgesteld. Er zal tevens een ontheffing Wet natuurbescherming worden aangevraagd, voorafgaand aan de sloop van de bestaande bebouwing.

Het projectplan is uitvoerbaar bevonden en het is reëel dat de benodigde ontheffing tijdig zal worden verkregen. De aanwezigheid van de aangetroffen beschermde soorten zorgt niet voor belemmeringen in de uitvoerbaarheid van het plan.

Conclusie
Het aspect flora en fauna levert geen belemmering voor de realisatie van het plan op. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of soorten zijn op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten. Wel moet bij het uitvoeren van de werkzaamheden en van het plan rekening worden gehouden met de aanwezigheid van broedvogels, behoud van de foerageermogelijkheden van vleermuizen aan de rand van het plangebied en de aanwezigheid van één potentiële verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. Daarnaast geldt voor alle werkzaamheden de algemene zorgplicht.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.

De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling
In en nabij het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, gebieden of andere elementen aanwezig. Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er dan ook geen belemmeringen.

Het plangebied ligt volgens de archeologische beleidskaart in een gebied met archeologische verwachtingswaarden en heeft in het huidige bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' . Deze bestemming geeft aan, dat er van een hoge verwachtingswaarde sprake is. Voor bodemingrepen dieper dan 0,30 meter en met een oppervlakte van minimaal 50 m² is volgens deze dubbelbestemming een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Met de beoogde werkzaamheden zullen de drempelwaarden worden overschreden. Daarom is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (bureau- en inventariserend veldonderzoek). De onderzoeksrapportage is in de bijlagen opgenomen (Bijlage 6).

Uit het onderzoek blijkt, dat in het plangebied archeologische sporen te verwachten zijn in de cultuurlaag (130-180 dikte) of daaronder. Eventuele archeologische sporen en resten zijn naar verwachting goed geconserveerd. De cultuurlaag moet daarom worden gewaardeerd. Dit kan met een proefsleuvenonderzoek. Voordat wordt gestart met de bouwwerkzaamheden, zal in het plangebied een proefsleuvenonderzoek moeten worden uitgevoerd. De huidige archeologische dubbelbestemming blijft daarom gehandhaafd.

Conclusie
Het plangebied ligt in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde. Deze is door middel van een verkennend onderzoek in kaart gebracht. De verwachtingen zijn daarin bevestigd. Vervolgonderzoek is noodzakelijk, voordat de geplande woningbouw kan plaatsvinden. Met het opnemen van archeologische dubbelbestemming in dit bestemmingsplan, wordt de bescherming van de archeologische waarden gewaarborgd. Voordat de bouwwerkzaamheden en/of andere grondingrepen worden verricht, moet een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd.

5.13 Verkeer en parkeren

Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft parkeernormen vastgesteld in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Het plangebied behoort tot het gebied Elst-Zetten, centrum. Op basis van de Nota bedraagt de parkeerbehoefte voor de toekomstige functies als volgt:

Woningtype   Aantal   Parkeernorm   Benodigd p.p.  
Appartementen (huur, etage, goedkoop)   18   1,5/woning   27  
Huurhuis, sociale sector   3   1,7/woning   5,1  
Totaal   21     32,1  

In totaal zijn (afgerond) 33 parkeerplaatsen voor de woningen benodigd. In de huidige situatie is de parkeerbehoefte in het plangebied 6 x 1,7 = 10,2, afgerond 11 parkeerplaatsen. De toename van de parkeerbehoefte bedraagt dus 22 parkeerplaatsen. Een deel van de planlocatie heeft een Centrumbestemming, maar vanwege het ontbreken van een bouwvlak zijn er geen zelfstandige centrumfuncties, die een parkeerbehoefte genereren, mogelijk.

De Nota schrijft voor, dat de parkeervraag van een ontwikkeling in principe op eigen terrein wordt opgelost, maar daarvan kan worden afgeweken. In het plangebied worden 5 parkeerplaatsen gerealiseerd aan de Beatrixstraat (zie figuur 5.2). De parkeerbehoefte kan dus niet volledig op eigen terrein worden opgevangen. Dit houdt in, dat er nog 28 parkeerplaatsen elders beschikbaar moeten zijn. In de als Bijlage 7 opgenomen notitie is ingegaan op de parkeeroplossing. Hierna worden deze bevindingen samengevat weergegeven.

Er kan gemotiveerd worden afgeweken van het parkeren op eigen terrein op basis van de volgende voorkeursoplossingen:

  • 1. parkeren opvangen door benutting bestaande parkeerruimte;
  • 2. aanleg parkeerplaatsen in de openbare ruimte;
  • 3. gemotiveerd afwijken van de parkeereis.

In het eerste geval moet binnen acceptabele loopafstanden voldoende parkeerruimte beschikbaar zijn. De bezettingsgraad in de omgeving mag daarbij niet hoger dan 85% worden om zoekverkeer tegen te gaan. De 33 parkeerplaatsen in de toekomstige situatie zijn nodig als alle bewoners aanwezig zijn, normaliter in de nachtperiode. Overdag is de parkeerdruk, die door de bewoners wordt veroorzaakt veel lager (50% op basis van de Nota). In december 2017 is door Mobycon een parkeertelling uitgevoerd op zes momenten per onderzoeksdag, gedurende drie dagen. In Bijlage 7 zijn de resultaten van de parkeertelling opgenomen. Het onderzoeksgebied beslaat het plangebied en de straten binnen circa 100 meter afstand van het plangebied. Een dergelijke afstand wordt volgens de richtlijnen van het CROW in principe als een acceptabele loopafstand beschouwd.

De parkeerplaats achter de huidige bebouwing, ten zuidoosten van het plangebied, heeft 36 parkeerplaatsen. De maximale bezettingsgraad is 44% gebleken. Uitgaande van een maximale bezetting van 85%, betekent dit, dat op het drukste moment nog 14 vrije parkeerplaatsen overblijven. Daarmee resteert nog een opgave van 28 minus 14 = 14 parkeerplaatsen.

Voor de resterende parkeeropgave wordt een terrein aansluitend op de bestaande parkeervoorziening beoogd, aan de toegangsweg van deze parkeerplaats richting de Irenestraat (perceelnummer 2925), zie figuur 5.2 rechtsonder. Binnen deze strook kunnen 11 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarnaast kunnen drie parkeerplaatsen aan de toegangsweg tot het parkeerterrein worden aangelegd. Hiermee wordt voldaan aan de resterende opgave van 14 parkeerplaatsen.

In totaal zijn er met de beschreven oplossing 33 parkeerplaatsen binnen het plangebied en de directe omgeving beschikbaar. Deze oplossing verdient uit ruimtelijk oogpunt de voorkeur boven het opvullen van het beoogde groen binnen het plangebied. Op de voorgestelde wijze kan op een acceptabele loopafstand worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. De oplossing is ook in lijn met het beleid, zoals vastgelegd in de Nota.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0303ZTTNbeatrixstr-VSG1_0007.png"  
Figuur 5.2: beschikbare parkeerplaatsen in het plangebied en directe omgeving in de toekomstige situatie  


Verkeer
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie, kan gebruik worden gemaakt van de kencijfers van CROW-publicatie 381. In een worst case scenario, bedraagt de verkeersgeneratie per sociale huurwoning (huurhuis, sociale huur, matig stedelijk, centrum) 4,7 mvt/etmaal en voor de appartementen (huur, etage, goedkoop) 3,6 mvt/etmaal.

In de huidige situatie met 8 sociale huurwoningen in het plangebied, komt de totale maximale verkeersgeneratie neer op 38 mvt/etmaal (afgerond). In de toekomstige situatie (3 sociale huurwoningen en 18 sociale huurappartementen) is de totale verkeersgeneratie vanwege de woningen in het plangebied afgerond 79 mvt/etmaal, een toename van maximaal 41 mvt/etmaal.

Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen belemmeringen te verwachten om de toekomstige 79 verkeersbewegingen op te vangen. Het verkeer wordt grotendeels afgewikkeld via de Irenestraat en voor een kleiner gedeelte via de Beatrixstraat. Dit zijn beide 30 km/uur-wegen. De meest recente ASVV-richtlijnen (2012) geven geen houvast voor een maximale verkeersintensiteit van dergelijke wegen. De huidige intensiteit van de Irenestraat is naar verwachting laag, omdat het geen doorgaande route is, maar een woonstraat met alleen eengezinswoningen. De Beatrixstraat is een drukkere straat, waaraan meer diverse functies liggen. Voor deze straat verandert de verkeersafwikkeling echter niet of nauwelijks, omdat een vergelijkbaar aantal verkeersbewegingen via deze straat zal worden afgewikkeld.
Op basis van de voorgaande overwegingen zijn er geen verkeerskundige belemmeringen te verwachten voor de geringe verkeerstoename vanwege het plan. De omliggende infrastructuur is, wat betreft inrichting en verkeersintensiteiten, geschikt om de toekomstige aantallen verkeersbewegingen zonder problemen te verwerken.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkeling (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Zetten, Beatrixstraat' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
Deze bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen en algemene regels die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Centrum', 'Verkeer - Verblijf' en 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' opgenomen. Voor de woningen zijn bouwvlakken opgenomen met enkele maatvoeringsaanduidingen.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor inwoners en voor de overheid. Inhoudelijk is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan voor het plangebied, 'Zetten-Hemmen', maar is het plan ingepast in de SVBP-standaarden, die bij het huidige bestemmingsplan niet volledig van toepassing waren.

Gekozen is voor een concreet, gedetailleerd plan, omdat sprake is van een concreet initiatief. De bestemmingen zijn zo opgezet, dat de inrichting van het openbaar gebied relatief flexibel kan worden ingevuld.

Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

6.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Centrum
Het plangebied grenst aan het centrumgebied van Zetten. In het huidige bestemmingsplan hebben de Beaxtrixstraat en de gronden aan de overzijde (noordzijde) van deze straat de bestemming 'Centrum'. Met het initiatief wordt een openbare ruimte voorzien, die aansluiting zoekt op de Beatrixstraat en het centrumgebied. Daarom is ervoor gekozen om de bestemming 'Centrum' voor het noordelijk deel van het plangebied op te nemen. De gebruiksmogelijkheden komen overeen met die van de aangrenzende gronden. De gronden zijn bestemd voor verkeers- en verblijfsvoorzieningen (waaronder wegen, pleinen, parkeren, groen), voorzieningen ten behoeve van centrumfuncties, evenementen, speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, terrassen, (beeldende) kunstwerken en straatverkoop, tuinen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan, maar uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Verkeer - Verblijf
De gronden ter plaatse van de beoogde doorgang naar het parkeerterrein, tussen de beide woongebouwen in, zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijf'. Deze gronden zijn bedoeld voor verkeers- en verblijfsvoorzieningen (waaronder wegen, pleinen, parkeren), groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en voor tuinen.

Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan, maar uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Wonen
De bestemming 'Wonen' is opgenomen voor de twee woongebouwen in het plangebied en de daarbij behorende, omliggende gronden. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bedoeld voor wonen in woningen met daarbij behorende tuinen, erven en parkeervoorzieningen. Bij het wonen is een kleinschalige beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis toegestaan. De voorwaarden daarvoor, zijn in de regels beschreven.

Hoofdgebouwen (woningen) mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de bouwvlakken. Deze mogen volledig worden bebouwd. De eisen ten aanzien van de goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding weergegeven. In de planregels is opgenomen, dat ten minste 80% van de woningen in het plangebied uit sociale huurwoningen moet bestaan.

Verder zijn in de bouwregels regels opgenomen voor het bouwen van bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bijgebouwen zijn toegestaan binnen de bouwvlakken en de zone 'bijgebouwen', waar bergingen voor de woningen zijn voorzien.

Wijzigingsbevoegdheid
In het gemeentelijke woningbouwprogramma is nog maar beperkt ruimte voor nieuwe woningbouwinitiatieven, terwijl een deel van de beschikbare ruimte in het woningbouwprogramma is ingevuld met plannen waarvoor al meer dan een paar jaar een vastgesteld bestemmingsplan aanwezig is maar die niet tot uitvoering komen. Om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen en om alleen nog ruimte te bieden aan initiatieven die ook echt worden uitgevoerd, geldt op grond van de systematiek 'Woningbouwprogrammering gemeente Overbetuwe' (vastgesteld door B&W 7 november 2017, actualisatie 9 november 2018) nu een realisatietermijn voor nieuwe woningbouwinitiatieven die in principe drie jaar bedraagt. Die termijn gaat lopen vanaf het moment dat het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Ter uitvoering van de beleidsnotitie wordt in bestemmingsplannen, die de bouw van nieuwe
woningen mogelijk maken, een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Daarmee kunnen
burgemeester en wethouders het bestemmingsplan wijzigen door de mogelijkheden voor
woningbouw te verwijderen als na de termijn de betreffende woningen niet zijn gerealiseerd en
ook nog niet in aanbouw zijn. De programmatische ruimte die daardoor vrijkomt, kan vervolgens
worden aangewend voor een andere woningbouwontwikkeling. Voorwaarde voor toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid is, naast het verstreken zijn van de termijn van één jaar, uit rechtszekerheidsoogpunt ook dat eventueel verleende omgevingsvergunningen voor het oprichten van woningen zijn ingetrokken.

Waarde - Archeologische verwachting 1
In het plan is de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' opgenomen, ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Deze dubbelbestemmingen komen overeen met de archeologische beleidskaart van de gemeente. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemming bevat een omgevingsvergunningplicht en een plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld, met een oppervlakte van meer dan 50 m². Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, moeten de archeologische waarden voldoende zijn vastgesteld.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan. Ook is een regeling ten aanzien van bestaande maten opgenomen.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering en overschrijdingen van de bouwgrenzen.

Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat specifieke gebruiksregels voor evenementen.

Overige regels
Dit artikel bevat een regeling over het parkeren.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, ook brengt het niet met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Financiële toelichting

Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een bouwplan.
 
De woningen worden ontwikkeld door de Woonstichting Valburg. Met de Woonstichting is een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is hiermee voor de gemeente geborgd en is anderszins verzekerd. Ook is een planschadeovereenkomst afgesloten.

Financiële haalbaarheid
De Woonstichting beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

 

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie over het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

8.2 Inspraak

De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft geen inspraak plaatsgevonden.

8.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Het bestemmingsplan is tijdig aan de betrokken vooroverlegpartners gestuurd.

8.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken vanaf 4 april tot en met 15 mei 2019. Gedurende deze periode kon een ieder zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn twee zienswijzen ingediend. Deze zijn samengevat en beantwoord in het rapport 'zienswijzen en ambtshalve wijzigingen ontwerpbestemmingsplan Zetten, Beatrixstraat'. De zienswijzen hebben geleid tot één aanpassing in de toelichting bij het bestemmingsplan (paragraaf 5.13 'Verkeer en parkeren'). Daarnaast zijn ambtshalve enkele wijzigingen op de verbeelding en in de planregels doorgevoerd. Ook deze zijn beschreven in de genoemde rapportage.

Het plan is vervolgens op 3 september 2019 gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad.

8.5 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.