| Plan: | Buitengebied, De Hel 5 en 7, Randwijk |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0260BUITdehel5-VSG1 |
De initiatiefnemer wil op het perceel De Hel 5-7 te Randwijk het bestaande loonwerkbedrijf legaliseren en heeft hiertoe een verzoek bij de gemeente Overbetuwe ingediend. De hoofdactiviteiten van het bedrijf bestaan uit grondbewerking en bemesting van gronden voor boeren en kwekers. Het betreft een agrarisch hulpbedrijf. Voor het loonwerkbedrijf maakt gebruik van het bestaande erf en de bestaande bebouwing op het perceel. Er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. De twee aanwezige bedrijfswoningen De Hel 5 en 7 blijven gehandhaafd en zullen blijven functioneren als bedrijfswoningen.
Om het verzoek mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan 'Buitengebied, De Hel 5 en 7, Randwijk' voorziet in het planologisch-juridisch kader om de vestiging van een loonwerkbedrijf mogelijk te maken.
Het plangebied betreft het perceel De Hel 5-7 te Randwijk en ligt in het buitengebied van Overbetuwe, ca. 1,9 kilometer ten noordwesten van de kern Zetten en ca. 2,4 kilometer ten zuidwesten van de kern Randwijk. Op afbeelding 1 is de globale ligging van het plangebied zichtbaar. Het plangebied ligt in een hoofdzakelijk agrarische omgeving, met diverse agrarische bedrijven aan de weg De Hel. Dit betreft voornamelijk (boom)kwekerijen. Tevens zijn er enkele weilanden in de omgeving aanwezig. Ruim 200 meter oostelijk van het plangebied stroomt het Lingekanaal.
|
| Afbeelding 1: ligging van het plangebied |
Het plangebied zelf betreft een agrarische bedrijfslocatie (kwekerij) met twee bedrijfsgebouwen van het lonwerkbedrijf. Tevens zijn de bedrijfswoningen De Hel 5 en 7 met bijbehorende bijgebouwen en erven aanwezig. Aan de noordkant van het perceel is een verharde toegangsweg aanwezig. Tegen de westelijke en oostelijke perceels-/plangrenzen zijn watergangen aanwezig. In afbeelding 2 is de huidige situatie in en rondom het plangebied weergegeven. De exacte begrenzing van het plangebied is op de verbeelding bij het bestemmingsplan af te lezen.
|
| Afbeelding 2: huidige situatie en begrenzing van het plangebied |
In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', vastgesteld op 5 maart 2013. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch' met een bouwvlak dat een groot deel van het perceel beslaat en dat aanmerkelijk ruimer is dan de aanwezige bebouwing. In het plangebied zijn verder de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' en de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' opgenomen. In afbeelding 3 is een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan opgenomen.
|
| Afbeelding 3: uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' |
Het exploiteren van een loonwerkbedrijf past niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Een loonwerkbedrijf wordt immers niet als een agrarisch bedrijf aangemerkt, maar als een agrarisch hulpbedrijf. Een herziening van het bestemmingsplan met een wijziging van de bestemming is dan ook noodzakelijk. Omdat voor het bedrijf uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de bestaande legale bebouwing, is het plan niet in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan. De voorliggende bestemmingsplanwijziging betreft dan ook een functionele wijziging. Daarbij wordt de bestemming gewijzigd van 'Agrarisch' naar 'Bedrijf'.
Allereerst wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op het beleid dat van toepassing is op de onderhavige ontwikkeling. Daarna worden in hoofdstuk 3 de milieu- en omgevingsaspecten beschreven die van toepassing zijn. Het daarop volgende hoofdstuk bevat de planbeschrijving (huidige en toekomstige situatie alsmede verkeer en parkeren). Hoofdstuk 5 bevat de juridische vertaling van de gewenste ontwikkeling. Daaropvolgend wordt de financiële en economische haalbaarheid van het plan toegelicht. Afgesloten wordt met het hoofdstuk over de te volgen procedure (hoofdstuk 7).
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt een loonwerkbedrijf mogelijk binnen de bestaande bebouwing op een agrarisch bouwperceel. Deze ontwikkeling speelt zich, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd wordt dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.
In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (thans: Natuurnetwerk Nederland), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling speelt zich, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd wordt dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet, voor zover nieuwe stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden, een verantwoording opgenomen worden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de 'ladder voor duurzame verstedelijking'). De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De beide vervolgstappen uit de genoemde ladder hebben betrekking op vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden en als dat niet mogelijk is op andere locaties, die vooral goed ontsloten moeten zijn.
Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt een loonwerkbedrijf mogelijk binnen de bestaande bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel. De twee aanwezige bedrijfswoningen blijven behouden en blijven als zodanig functioneren. Er wordt geen bebouwing toegevoegd en het huidige agrarisch bouwvlak wordt aanmerkelijk verkleind. Derhalve is er sprake van een afname van het ruimtebeslag. Dit bestemmingsplan maakt dan ook geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op het bestemmingsplan.
Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Gelderland op 9 juli 2014 vastgesteld. Nadien zijn nog enkele actualisatieplannen vastgesteld, waarvan de meest recente op 1 maart 2017 is vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.
De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland. In deze regio streven de provincie en haar partners naar de volgende vier speerpunten:
Conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan het voorliggende initiatief moet worden getoetst, onder meer met betrekking tot het als zodanig aangeduide waardevol open landschap. De provincie is wat betreft dit aspect normerend middels de Omgevingsverordening.
Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. De meest recente actualisatie van de verordening dateert van 1 maart 2017.
De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.
Het plangebied is geheel of gedeeltelijk gelegen binnen de volgende aanduidingen:
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het wijzigen van een agrarische bedrijfsbestemming naar een bedrijfsbestemming ten behoeve van een agrarisch hulpbedrijf. Er wordt geen bebouwing toegevoegd. Bovengenoemde aanduidingen met betrekking tot veehouderij, glastuinbouw en intrekgebieden zijn voor deze ontwikkelingen niet van belang. De voor dit bestemmingsplan relevante aanduidingen en thema's uit de verordening worden hierna beschreven.
Romeinse Limes
Dit bestemmingsplan voorziet in een functionele wijziging. Er wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt. Daarom kan worden gesteld dat de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes niet worden aangetast.
KWO-vrije en boringsvrije zone
Binnen de boringsvrije en KWO-vrije zones mogen geen schadelijke vloeibare stoffen zwaarder dan water (direct of indirect) in de bodem te brengen. Daarvan is gezien de beoogde bestemmingen (loonwerkbedrijf, een toegangsweg en onbebouwde agrarische gronden) geen sprake.
Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt..
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van de gemeente Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt..' vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De geschetste identiteit kan bijdragen aan het behouden en aantrekken van inwoners en bedrijven. De visie kan mensen inspireren en motiveren die werken aan stedenbouw, sport, ondernemerschap, onderwijs, openbare ruimte, welzijnswerk en dergelijke. De visie is tenslotte ook een duidelijke positionering naar andere gemeenten en partners; het geeft Overbetuwe een eigen gezicht in de regio. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 van de Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de toekomstvisie zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten.
Conclusie
Het plangebied ligt in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap in een gebied, dat tevens als waardevol open gebied is aangemerkt. Het oeverwallenlandschap is verdicht en kleinschalig, met een afwisselend landgebruik in onregelmatige blokverkaveling. Kenmerkend is verder de veelheid aan landelijke wegen met clusters aan vrijstaande woningen en (voormalige) boerderijen. De oeverwallen zijn in de afgelopen 60 jaar grootschaliger en opener geworden. De kwaliteit van het karakteristieke landschap wordt hierdoor bedreigd. Belangrijk is dat de kleinschaligheid van het landschap behouden blijft. Ook de contrasten tussen de open agrarische landschappen en de verdichte bebouwingsclusters zoals buurtschappen, dienen behouden te blijven of te worden versterkt.
Dit bestemmingsplan maakt een functionele wijziging mogelijk van een agrarisch bedrijf naar een agrarisch hulpbedrijf binnen de bestaande bebouwing. De planologische bouwmogelijkheden worden verminderd, omdat het bouwvlak aanmerkelijk wordt verkleind en beperkt tot de bestaande bebouwing. Ook wordt het bestemmingsvlak 'Bedrijf' beperkt gehouden; een gedeelte van het perceel wordt als 'Agrarisch' (zonder bouwvlak) en 'Verkeer' bestemd. Hierdoor wordt bijgedragen aan het voorkomen van grootschalige ontwikkelingen op de oeverwallen.
Verder is de omgeving van het plangebied aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied. Deze aanduiding wordt in het onderhavige bestemmingsplan doorvertaald met een gebiedsaanduiding. De voorgenomen functiewijziging heeft geen negatief effect op de kwaliteit van het grondwater en is daarom passend in het grondwaterbeschermingsgebied.
Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Toekomstvisie+.
Beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied'
De beleidsregel 'Functiewijziging en nieuwvestiging in het buitengebied' uit 2008 bestaat uit regels, een toelichting en een gebiedstypenkaart. De beleidsregel bevat het toetsingskader voor concrete verzoeken om functiewijzigingen in het buitengebied.
Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging in het buitengebied: de huidige agrarische bedrijfsbestemming wordt gewijzigd in een niet agrarisch bedrijfsbestemming in de vorm van een loonwerkbedrijf. Het plangebied ligt in een agrarisch gebied. Artikel 7 van de beleidsregel bevat regels voor dit gebiedstype.
Artikel 7.2 van de beleidsregel bevat de kaders voor wijzigingen naar niet agrarische bedrijvigheid. Uitgangspunt is dat de functiewijziging plaatsvindt in de bestaande bebouwing, met een maximum van 500 m². Wanneer één gebouw groter is dan dit maximum, mag het volledige gebouw worden gebruikt, mits ofwel de totale bebouwde oppervlakte met minimaal 50% wordt gereduceerd, ofwel op een andere wijze verevening plaatsvindt. In dit geval vindt de beoogde functiewijziging plaats met behoud van de bestaande bebouwing. Deze bestaat uit twee gebouwen, met een omvang van ca. 1.250 en 400 m². Er wordt geen bebouwing gesloopt. Daarom dient op een andere, passende wijze verevening plaats te vinden. Onderzocht is in de eerste plaats of verevening binnen het plangebied kan plaatsvinden. Op het perceel zijn echter onvoldoende mogelijkheden aanwezig om verevening te realiseren, omdat de initiatiefnemer de bestaande bebouwing en het erf volledig voor de nieuwe functie wil gebruiken. Daarom is gekozen voor verevening in de vorm van een financiële bijdrage van €12.450,-, waarmee de gemeente op een andere locatie landschappelijke verevening kan realiseren. Deze vorm van verevening is mogelijk, indien andere vormen van vereveing redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Met de financiële bijdrage, kan de gemeente elders binnen de gemeente een natuurvriendelijke oever realiseren en daarvoor de benodigde gronden verwerven. Beoogd daarvoor is een andere locatie waar functieverandering plaatsvindt, namelijk Hollanderbroeksestraat 45 te Elst.
Met de voorgestelde verevening wordt voldaan aan de uitgangspunten van de beleidsregel. Omdat er in het plangebied geen toename van bebouwing is, maar juist planologische bouwmogelijkheden worden geschrapt, én er een financiële bijdrage wordt geleverd aan ruimtelijke kwaliteitsverbetering elders binnen de gemeente, draagt het plan in voldoende mate bij aan ruimtelijke kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Overbetuwe.
Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 geeft de gemeente aan hoe in de komende jaren aandacht wordt bsteed aan natuur en landschap. Hiertoe zijn in hoofdstuk 2 algemene doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling betreft het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. De doelstellingen zijn concreter uitgewerkt in de landschapsvisie (hoofdstuk 3).
Conclusie
Het plangebied ligt in deelgebied 1b (Oeverwal Opheusden). Concrete doelstellingen in dit deelgebied zijn onder meer de volgende:
Overige doelstellingen hebben betrekking op specifieke delen van het gebied, zoals de Romeinse Limes en het Wiel de Oude Waai (beide noordelijk van het plangebied gelegen) en het Lingekanaal (oostelijk van het plangebied gelegen). Met de onderhavige ontwikkeling, kan niet worden bijdragen aan deze doelstellingen.
Een algemene doelstelling voor de oeverwallen, die in het LOP wordt geformuleerd is het nastreven van een kleinschalig gevarieerd landschap. Het kleinschalige beeld wordt versterkt door relatief veel beplanting langs wegen en op erven en door afwisseling in grondgebruik. Laanboom- en fruitteelt creëren ook een zekere mate van beslotenheid en kleinschaligheid en dragen daarom ook bij aan het gewenste beeld op de oeverwallen. Ontwikkelingsmogelijkheden voor deze sectoren in de betreffende gebieden, met name de hogere oeverwallen, moeten dan ook worden behouden volgens het LOP. De voorgenomen ontwikkeling van een loonwerkbedrijf in het plangebied is ondersteunend aan deze gewenste ontwikkelingsrichting. De activiteiten van het bedrijf zien namelijk vooral op grondbewerking en bemesting van kwekers en boeren. Gezien de aanwezigheid van diverse boomkwekerijen nabij het plangebied, bestaat hiermee een directe relatie.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling passend is binnen de in het LOP gestelde kaders en bijdraagt aan het versterken van de kleinschaligheid in het deelgebied.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten zoals het onderhavige beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.
Beoordeling
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.
Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt een functiewijziging binnen de bestaande bebouwing op een agrarische bedrijfslocatie mogelijk. De agrarische bedrijfsbestemming (geen intensieve veehouderij) wordt daarbij gewijzigd in een loonwerkbedrijf (agrarisch hulpbedrijf) en de twee bedrijfswoningen blijven behouden. Zoals in bovenstaande opsomming blijkt, is er gezien de kleinschalige omvang van de ontwikkeling geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden en zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen. Ook behoort het plangebied niet tot een gevoelig gebied.
Gezien het voorgaande is het dan ook niet noodzakelijk om een m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Voor het plangebied is uitsluitend het wegverkeerslawaai relevant. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van:
Op grond van de Wgh geldt een voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels vanwege het wegverkeer van 48 dB (artikel 82 lid 1). Indien de geluidbelasting hoger is, dient een nadere afweging plaats te vinden en kan een ontheffing voor een hogere geluidbelasting worden verleend (artikel 82 lid 2). De maximale ontheffingswaarde voor nieuwbouw buiten de bebouwde kom bedraagt 53 dB.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar een loonwerkbedrijf mogelijk. Tevens blijven de twee bestaande bedrijfswoningen intact. Het plan voorziet daarmee niet in een nieuw geluidsgevoelig object zoals bedoeld in de Wgh. De bestaande toegangsweg binnen het huidige agrarische bouwvlak wordt bestemd als 'Verkeer'. Gezien de functie van de weg, namelijk uitsluitend als toegangsweg tot het perceel De Hel 5-7, is daarmee geen sprake van een 'reconstructie' in de zin van de Wgh. Akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie
Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de beoogde functiewijzigingen. Akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen is beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een functiewijziging mogelijk van een agrarisch bedrijf in een loonwerkbedrijf binnen de bestaande bebouwing. Er wordt geen bebouwing toegevoegd. De vestiging van een loonwerkbedrijf wordt niet genoemd in de regeling NIBM. De omvang van deze ontwikkeling is echter in vergelijking met projecten die volgens de regeling NIBM beschouwd worden als 'niet in betekenende mate' bijdragend aan de luchtkwaliteit, veel geringer. Voorbeelden daarvan zijn een woonwijk met 1.500 woningen of een kantorenlocatie met een oppervlakte van 33.333 m². De verkeersaantrekkende werking van dergelijk projecten is vele malen groter dan die van een functiewijziging zoals de onderhavige. Hierbij kan ook worden opgemerkt dat het loonwerkbedrijf in belangrijke mate gerelateerd is aan de boomkwekerijen in de direct omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Dit maakt de verkeersaantrekkende werking ook relatief gering. De ontwikkeling draagt dan ook zonder meer niet in betekenende mate bij.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bij het vaststellen van een bestemmingsplan dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde 'Lijst van Bedrijfsactiviteiten' (VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009). Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht genomen worden. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering (afstand) tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
Onderscheid wordt gemaakt in twee omgevingstypen, uitgaande van het principe van functiescheiding: rustige woonwijk c.q. rustig buitengebied en gemengd gebied. In gemengd gebied worden de richtafstanden één afstandsstap verlaagd.
Beoordeling
Het plangebied behoort, gezien de beperkte mate van bedrijvigheid, functiemenging en bebouwing en de ligging aan rustige lokale wegen, tot het gebiedstype 'rustig buitengebied'. Derhalve zijn de reguliere richtafstanden van toepassing.
Binnen het plangebied wordt de bestemming 'Agrarisch' (grondgebonden agrarisch bedrijf) omgezet naar de bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van een loonwerkbedrijf. Een grondgebonden agrarisch bedrijf behoort maximaal tot milieucategorie 3.2 (akker-/tuinbouw in combinatie met niet-intensief houden van dieren). Daarbij behoort een richtafstand van 100 meter in rustig buitengebied. Een loonwerkbedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m² behoort tot milieucategorie 3.1 (richtafstand 50 meter). Geconcludeerd wordt dan ook dat de functiewijziging waarin dit bestemmingsplan voorziet, leidt tot potentieel minder milieubelastende activiteiten.
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe gevoelige functies mogelijk. De bestaande bedrijfswoningen blijven behouden en op dezelfde plaats aanwezig. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot belemmeringen voor omliggende functies.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling en omgekeerd zorgt deze ontwikkeling niet voor belemmering van omliggende bedrijven.
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om geurhinder veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening.
De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.
Naast de Wgv is sinds 1 januari 2013 ook het Activiteitenbesluit milieubeheer van belang in het kader van de omgekeerde werking. De meeste veehouderijen vallen sindsdien onder de werking van het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit vormt voor wat betreft de 'omgekeerde werking' het toetsingskader voor deze veehouderijen.
Beoordeling
De onderhavige bestemmingsplanwijziging maakt een functiewijziging mogelijk van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een loonwerkbedrijf. Er worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De Wgv staat dan ook niet in de weg aan de realisatie van de nieuwe woning.
Conclusie
Er zijn vanuit het aspect geurhinder geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. Ook in het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit een belangrijke afweging. Daarnaast bevat de Bouwverordening een verbod voor het bouwen van bouwwerken, waarin mensen permanent of nagenoeg permanent verblijven (zoals woningen) op verontreinigde grond.
Beoordeling
De onderhavige bestemmingsplanwijziging maakt een functiewijziging mogelijk van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een loonwerkbedrijf. Deze functiewijziging leidt niet tot een gevoeliger functie en er worden geen nieuwe gebouwen gerealiseerd, waarin van permanent verblijf sprake is. Verkennend onderzoek naar de bodemkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie
Er zijn vanuit het aspect bodemkwaliteit op voorhand geen belemmeringen voor het voorgenomen gebruik als loonwerkbedrijf te verwachten. Een verkennend bodemonderzoek wordt in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk geacht.
Beleid en normstelling
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico
Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.
Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een functiewijziging mogelijk van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een loonwerkbedrijf. Er worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Zowel in de huidige als de toekomstige situatie heeft de bebouwing in het plangebied een bedrijfsmatige functie en zijn er daarnaast twee bedrijfswoningen aanwezig. Het aantal verblijvenden in het plangebied neemt dan ook niet of slechts zeer beperkt toe.
Vanuit een ogpunt van een goede ruimtelijke ordening, is op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 4 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.
|
| Afbeelding 4: uitsnede uit de Risicokaart (raadpleging op 10 maart 2017), met het plangebied in zwart kader weergegeven |
Uit de informatie van de risicokaart, kan worden opgemaakt dat in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen gelegen zijn. Het meest nabij gelegen risicovolle object is de Bevi-inrichting aan de Hemmensestraat 14, op afbeelding 4 nog net zichtbaar. Deze bevindt zich meer dan 800 meter ten oosten van het plangebied. Het plangebied ligt buiten de risicocontouren en invloedsgebieden van risicobronnen.
Conclusie
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontouren 10-6 en invloedsgebieden van inrichtingen, hogedruk aardgasleidingen en transportroutes. Derhalve zijn er wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de beoogde functiewijziging aanwezig.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.
Conclusie
In het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en/of leidingen gelegen. Er zijn in dit opzicht dan ook geen belemmeringen aanwezig.
Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.
Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet, die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe wij voor de planperiode de uitvoering van acties zien om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
In het kort zijn de belangrijkste doelstellingen voor de planperiode:
Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.
Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is zijn vastgelegd in de legger wateren.
Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.
Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vastgesteld. Het waterbeheerplan van het waterschap is recent geactualiseerd (zie hierboven), eveneens in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden echter naast elkaar.
In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
In het waterplan is een RO-attentiekaart per kern opgenomen en een overzichtskaart van de gehele gemeente.
Watertoets
Dit plan voorziet in een functiewijziging binnen de bestaande bebouwing op een agrarisch bouwperceel. De twee aanwezige bedrijfswoningen met bijgebouwen blijven behouden. Het bouwvlak, dat in de huidige situatie aanmerkelijk ruimer ligt dan de feitelijk aanwezige bebouwing, wordt verkleind en strak rondom de bestaande bebouwing gelegd. Ook wordt het bestemmingsvlak 'Bedrijf' kleiner dan het huidige agrarische bouwvlak. Het verhard oppervlak blijft feitelijk gelijk, terwijl de planologische mogelijkheden voor het toevoegen van bebouwing en verharding afnemen. Waterhuishoudkundig is de ontwikkeling dan ook voordelig te noemen.
Aan de westelijke en oostelijke randen van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van sloten. Deze blijven behouden; de planontwikkeling heeft geen invloed op het oppervlaktewater.
Conclusie
Waterhuishoudkundig zijn er geen bezwaren of voorwaarden verbonden aan het plan. Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding.
Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. Deze vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wet vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), dat op provinciaal niveau is uitgewerkt (Gelders Natuurnetwerk).
De Wet natuurbescherming heeft enerzijds betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.
Anderzijds heeft de wet betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hoeft echter alleen rekening gehouden te worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2' en 'tabel 3' en met vogels. Voor deze soorten moet een ontheffing worden aangevraagd wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot schade aan de soort of verstoring van leefgebied. Voor soorten van 'tabel 3' en vogels geldt hierbij een strenger afwegingskader dan voor soorten van 'tabel 2'. Voor soorten van 'tabel 2' en vogels geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging van agrarisch bedrijf naar een loonwerkbedrijf (agrarisch hulpbedrijf) binnen de bestaande bebouwing.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in de directe omgeving van beschermde natuurgebied. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied is 'Rijntakken' op ca. 1,3 kilometer ten noorden van het plangebied bij de Nederrijn en ruim 3 kilometer ten zuiden van het plangebied bij de Waal. Ca. 280 meter ten zuiden van het plangebied aan de Gesperdensestraat bevindt zich een solitair perceel, dat tot het Gelders Natuurnetwerk behoort. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling (uitsluitend een functionele wijziging met een beperkte toename van transportbewegingen; geen uitbreiding van ruimtebeslag) en de afstand tot de beschermde natuurgebieden, zijn significant negatieve effecten op deze gebieden redelijkerwijs uit te sluiten.
Soortenbescherming
Dit bestemmingsplan voorziet uitsluitend in functionele wijzigingen op een bestaande agrarisch bedrijfsperceel en binnen de bestaande bebouwing. Er wordt geen bebouwing gesloopt of toegevoegd en er vindt geen uitbreiding van het ruimtebeslag plaats. Er worden dan ook geen nest- of verblijfsplaatsen van eventueel aanwezige beschermde soorten aangetast. De toekomstige functie loonwerkbedrijf leidt niet tot een toename van verstoring van eventueel aanwezige beschermde soorten. Negatieve effecten op beschermde soorten kunnen op voorhand dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten.
Conclusie
Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zijn op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten. Mits wordt voldaan aan de algemene zorgplicht, zijn negatieve effecten op beschermde soorten niet te verwachten. Het aspect flora en fauna leidt niet tot belemmeringen of beperkingen in het kader van dit bestemmingsplan.
Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Gelderland blijft hierbij bestemmingsplannen (en afwijkingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan1 en een archeologische beleidsadvieskaart2 vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.
Beoordeling
Het gemeentelijk archeologiebeleid is in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' doorvertaald door middel van dubbelbestemmingen. In het plangebied zijn twee dubbelbestemmingen aanwezig: 'Waarde - Archeologische verwachting 2' (westelijk deel, buiten de bebouwing) en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' (rest van het plangebied). Op basis van deze dubbelbestemmingen geldt een onderzoeksplicht, indien er bouwwerkzaamheden of andere werkzaamheden waarbij de bodem geroerd wordt plaatsvinden met een omvang van meer dan 100 m² respectievelijk 500 m² en een diepte van 0,30 meter. Dit bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een functiewijziging en maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk. De drempelwaarden voor archeologisch onderzoek worden dan ook niet overschreden. De archeologische dubbelbestemmingen worden in dit bestemmingsplan opgenomen. Op deze wijze worden eventueel aanwezige archeologische waarden voldoende beschermd.
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied. Op de verbeelding en in de regels zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' opgenomen ter waarborging van de toekomstige bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden.
Het plangebied aan De Hel 5-7 te Randwijk betreft een agrarisch bedrijfsperceel (voormalige rundveehouderij) in een omgeving met voornamelijk boomkwekerijen en enkele weilanden. Sinds enkele jaren is op het perceel een loonwerkbedrijf gevestigd. Het perceel heeft een eigen toegangsweg vanaf de weg De Hel en ligt ca. 275 meter van deze weg af. Op het perceel zijn twee bedrijfswoningen (De Hel 5 en 7) en twee bedrijfsgebouwen aanwezig. De bedrijfsgebouwen hebben een oppervlakte van ca. 1.250 en ca. 400 m². Aan de westelijke en oostelijke perceelsranden zijn watergangen aanwezig.
|
| Afbeelding 5: huidige situatie, met de bedrijfswoningen (rood) en bedrijfsgebouwen (blauw) aangegeven. |
De initiatiefnemer wil de juridisch-planologische situatie in overeenstemming brengen met het sinds enkele jaren bestaande gebruik als agrarisch hulpbedrijf in de vorm van een loonwerkbedrijf. Hiertoe wordt de bestemming gewijzigd van een agrarische bedrijfsbestemming naar een (specifieke) bedrijfsbestemming. De hoofdactiviteiten van het bedrijf bestaan uit grondbewerking en bemesting van gronden voor zowel kwekers als agrarische bedrijven. Soms wordt hiervoor ter plaatse mest opgeslagen.
Voor deze bedrijfsactiviteiten zijn alle gronden van het perceel benodigd, met uitzondering van de gronden ten noorden van de toegangsweg en het perceelsgedeelte ten westen van het grote bedrijfsgebouw. Tevens worden de bestaande bedrijfsgebouwen aangewend voor het loonwerkbedrijf, onder meer voor stalling van materieel en voor tijdelijke mestopslag. Nieuwe bebouwing is niet benodigd.
Er is een (doodlopende) verharde toegangsweg aanwezig vanaf het perceel De Hel 5-7 richting de weg De Hel, ca. 275 meter westelijk. Deze wordt uitsluitend gebruikt ten behoeve van dit perceel en de aan de toegangsweg grenzende boomkwekerijgronden. Het loonwerkbedrijf kan na de juridisch-planologische wijziging gebruik blijven maken van deze toegangsweg. Er zijn geen infrastructurele aanpassingen benodigd. Een wezenlijke toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de functionele wijziging, valt niet te verwachten. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen, dat meerdere boomkwekerijen in de directe nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Het loonwerkbedrijf zal in belangrijke mate ondersteunend zijn aan deze bedrijven.
Wat betreft het parkeren, is op de beide te behouden woonpercelen (bedrijfswoningen) voldoende parkeergelegenheid voor de woningen aanwezig. De wijziging van een kwekerij naar een loonwerkbedrijf levert geen toename van de parkeerbehoefte op. Beide bedrijfstypen zijn bezoekersextensief. Op het perceel is voldoende ruimte aanwezig om te parkeren ter plaatse van de bestaande verharding.
Vanuit een oogpunt van verkeer en parkeren zijn er dan ook geen belemmeringen voor het plan te verwachten.
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels). Het bestemmingsplan 'Buitengebied, De Hel 5 en 7, Randwijk' bestaat uit de volgende onderdelen:
De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.
De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Agrarisch', 'Bedrijf', 'Verkeer', en 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' opgenomen met de daarbij behorende aanduidingen. Waar nodig worden deze in paragraaf 5.2 nader toegelicht.
De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is gezien de ligging in het buitengebied zoveel mogelijk aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Vanwege de concreetheid van het initiatief en omdat uitbreidingsmogelijkheden uit tuimrelijk-stedenbouwkundig en milieu-higiënisch oogpunt niet wenselijk worden geacht, is gekozen voor een planvorm met een beperkte mate van flexibiliteit. De bouwvlakken zijn strak om de bestaande bebouwing gelegd en de bestemmingsgrens is niet te ruim gelegd.
Bouwplan
Indien een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. De opgenomen bestemmingen worden hierna kort toegelicht.
Agrarisch
De perceelgedeelten ten noorden van de toegangsweg en het zuidwestelijke gedeelte waar geen bedrijfsmatige activiteiten van het loonbedrijf zullen worden verricht, behouden de bestemming 'Agrarisch'. Er is, in tegenstelling tot de huidige situatie, geen bouwvlak opgenomen.
Gebruik
De gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor grondgebonden agrarische activiteiten, hobbymatig agrarisch grondgebruik, extensieve dagrecreatie en bijbehorende voorzieningen.
Bouwen
Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan ten behoeve van de bestemming toegestaan met een maximale bouwhoogte van 1 meter.
Bedrijf
Het grootste deel van het plangebied heeft de bestemming 'Bedrijf' gekregen.
Gebruik
Deze gronden zijn bestemd voor een bedrijf, uitsluitend in de vorm van een loonwerkbedrijf. Verder zijn twee bedrijfswoningen toegestaan. De situering daarvan is met de aanduiding 'bedrijfswoning' vastgelegd. Verder zijn op deze gronden bijbehorende voorzieningen en functies zoals water en voorzieningen, ontsluitingsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen en erven toegestaan.
Bouwen
Binnen het bouwvlak zijn gebouwen in de vorm van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen (inclusief aan- en uitbouwen) toegestaan. Bedrijfswoningen zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'bedrijfswoning' toegestaan. Andersom zijn ter plaatse van deze aanduiding geen bedrijfsgebouwen toegestaan. Buiten de bouwvlakken zijn uitsluitend bijgebouwen bij de bedrijfswoningen, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
Verkeer
De bestaande ontsluitingsweg van het perceel, die momenteel nog binnen het agrarisch bouwvlak valt, wordt bestemd als 'Verkeer'. Dit komt overeen met het aansluitende gedeelte van het weggetje, ten westen van het plangebied. De gebruiksmogelijkheden sluiten daar op aan. Gebouwen zijn niet toegestaan, met uitzondering van nutsvoorzieningen.
Waarde - Archeologische verwachting 2 en 3
Op de verbeelding zijn met het oog op de archeologische verwachtingswaarden (zie nader paragraaf 3.11) twee dubbelbestemmingen opgenomen. Op basis van deze dubbelbestemmingen is archeologisch onderzoek nodig indien sprake is van bodemverstorende ingrepen groter dan 100 m² respectievelijk 500 m² en dieper dan 30 cm-Mv. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog een hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn dan beide van toepassing. Bij strijd tussen deze regels prevaleren de regels van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is uitsluitend toegestaan daar waar bovengronds gebouwen aanwezig danwel toegestaan en in maximaal één bouwlaag ondergronds.
Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan voor alle opgenomen bestemmingen.
Algemene aanduidingsregels
In het plangebied is, overeenkomstig het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' opgenomen. De gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening. Een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' kan uitsluitend worden verleend indien advies van het waterleidingbedrijf is verkregen.
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.
Algemene procedureregels
Dit artikel beschrijft de procedure, die bij toepassing van een in het plan opgenomen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid, danwel het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken moet worden gevolgd.
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen.
De kosten worden verhaald middels een met de initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst. Middels deze overeenkomst is het kostenverhaal voldoende verzekerd.
Financiële haalbaarheid
Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden die binnen het plangebied gelegen, is tevens een planschadeovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten, dit is daarin op afdoende wijze vastgelegd.
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
Artikel 3.1.1 van het besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Gezien de geringe omvang en impact van de voorgenomen ontwikkelingen heeft vooroverleg niet plaatsgevonden.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken vanaf 25 mei 2017. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan.
Het plan is vervolgens ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad van Overbetuwe op 24 oktober 2017.
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.