| Plan: | Buitengebied, Leedjes ongenummerd, Driel (realisatie natuur) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0222BUITleedjes-VSG1 |
De gemeente Overbetuwe heeft in 2009 het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) vastgesteld. Het LOP beschrijft het landschapsbeleid van de gemeente en vormt het kader voor de uitvoering daarvan. Het doel van het LOP is het waarborgen van het behoud en ontwikkeling van de kwaliteiten van het landschap, onder de voorwaarde dat het landschap voldoet aan de economische gebruiksfuncties van het gebied. Het LOP dient ervoor om alle ontwikkelingen in het buitengebied, die te maken hebben met landschap, te begeleiden en om initiatieven van diverse partijen (particulieren, instanties en de geemeente zelf) te stimuleren. In het LOP is voorts een aantal opgaven op het gebied van landschappelijke ontwikkeling, natuurontwikkeling en ruimtelijke kwaliteitsverbetering opgenomen. Het gaat om enkele algemene opgaven en om gebiedsspecifieke opgaven. In het deelgebied 't Vlot, waarin het plangebied gelegen is, zijn de volgende gebiedsspecifieke opgaven voor de gemeente opgenomen:
Het deelgebied 't Vlot betreft de zone in het buitengebied tussen de de oostelijke gemeentegrens van Overbetuwe (rand van de uitbreiding van de kern Arnhem) en de kern Driel in het noordoosten van de gemeente. Het gebied kenmerkt zich als lagere oeverwal. Andere kenmerkende elementen zijn de ecologische verbindingszone langs de rand van Arnhem en het halfopen landschap met diversiteit aan beplantingen. De toenemende druk op het deelgebied als stedelijk uitloopgebied is een belangrijk knelpunt. De beschreven gebiedsspecifieke opgaven hangen daarmee samen. Het deelgebied dient een bufferzone te blijven tussen de uitbreiding van de kern Arnhem en de kern Driel, waarin het kleinschalige besloten landschap wordt behouden en waarin verdere ontwikkeling van natuur plaatsvindt.
Om de opgaven uit het LOP te realiseren is een uitvoeringsprogramma opgesteld (hoofdstuk 5). Hierin zijn zowel concrete projecten als algemene uitvoeringsmaatregelen opgenomen. Om de gebiedsspecifieke opgaven voor het deelgebied 't Vlot te realiseren, is de ontwikkeling van kleinschalige natuurgebieden in het gebied noodzakelijk. Het plangebied is hiervoor geschikt. Door het plangebied te ontwikkelen in twee kleinschalige natuurgebieden, wordt voorzien in een deel van de realisatie van de gewenste ecologische verbindingszone. Tevens wordt het kleinschalige besloten landschap nabij de kern Driel versterkt.
Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse is 'Buitengebied Overbetuwe'. Dit bestemmingsplan laat de voorgestane ontwikkeling niet toe, aangezien de gronden de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Recreatie' hebben. De voorgestane ontwikkeling wordt juridisch-planologisch mogelijk gemaakt door middel van de onderhavige partiële bestemmingsplanherziening.
Het plangebied voor de natuurontwikkeling beslaat twee percelen aan de weg Leedjes ongenummerd, in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe. De percelen liggen op korte onderlinge afstand en zijn beide thans in gebruik als weiland. De locatie ligt ten noordoosten van de kern Driel (gemeente Overbetuwe) en ten noordwesten van de wijk Schuytgraaf (gemeente Arnhem). De begrenzing van de beide percelen volgt uit de feitelijke begrenzing van de weilanden en, deels, uit de kadastrale begrenzing. Het noordelijk gedeelte van het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de weg Leedjes (bestemming 'Verkeer') en aan de oostzijde door de kadastrale grens. Aan de zuid- en westzijde wordt het perceel begrensd door de feitelijke begrenzing van het weiland (dit grenst deels aan de woonpercelen Leedjes 23-25, deels aan het volkstuinencomplex en deels aan een agrarisch onbebouwd perceel). Het zuidelijk gedeelte van het plangebied volgt grotendeels de kadastrale begrenzing en grenst aan de noord- en zuidzijde aan twee doodlopende wegen (beide genaamd Leedjes) en aan de westzijde aan de Baltussenweg. De oostgrens wordt bepaald door de erfafscheiding ten opzichte van het naastgelegen agrarisch onbebouwde perceel.
Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied in zijn nabije omgeving te zien. Tevens is een indicatieve begrenzing van de twee percelen die het plangebied beslaat te zien. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.
|
|
| Afbeelding 1: Ligging en globale begrenzing plangebied (rode kaders) |
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (vastgesteld op 5 maart 2013). Het plangebied heeft in het bestemmingsplan de bestemmingen 'Agrarisch met waarden' en 'Recreatie' met functieaanduiding 'volkstuin'. Laatstgenoemde bestemming betreft slechts een beperkt gedeelte van het plangebied (zuidoostelijke gedeelte van het noordelijke gedeelte van het plangebied). Verder geldt in het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' alsmede de gebiedsaanduiding 'ehs verbinding'.
De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' hebben geen bouwvlak en zijn bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, hobbymatig agrarisch grondgebruik en extensief recreatief medegebruik. De gronden met de bestemming 'Recreatie' zijn bestemd voor volkstuinen. Ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied geldt de genoemde archeologische dubbelbestemming. De gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'ehs natuur' zijn daarnaast mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de landschappelijke en hydrologische kwaliteiten en omgevingscondities van het gebied.
De voorgestane ontwikkeling betreft de ontwikkeling van natuur en past niet binnen de bestemmingen 'Agrarisch met waarden' en 'Recreatie', maar is wel passend binnen de gebiedsaanduiding 'ehs natuur'. Het is wenselijk om de bestemming te wijzigen naar 'Natuur'. Dit gebeurt middels de onderhavige bestemmingsplanherziening.
Allereerst wordt ingegaan op het beleid wat van toepassing is op onderhavige ontwikkeling. Daarna worden in hoofdstuk 3 de milieu- en omgevingsaspecten beschreven die van toepassing zijn. Het daarop volgende hoofdstuk bevat de planbeschrijving. De huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling komen hier aan bod. Hoofdstuk 5 bevat de juridische vertaling. Daaropvolgend wordt de financiële en economische haalbaarheid van het plan aangeduid. Afgesloten wordt met het hoofdstuk voor de te volgen procedure.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Voor de regio Oost-Nederland (bestaande uit de provincies Overijssel en Gelderland) zijn de volgende opgaven van nationaal belang:
Conclusie
De voorgestane ontwikkeling speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat de ontwikkeling niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.
In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
Conclusie
De voorgestane ontwikkeling speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat de ontwikkeling niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de "ladder duurzame verstedelijking"). De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De beide vervolgstappen uit de genoemde ladder hebben betrekking op vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden en als dat niet mogelijk is op andere locaties, die vooral goed ontsloten moeten zijn.
Conclusie
De in het plan voorziene ontwikkeling kan niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Gelderland op 9 juli 2014 vastgesteld. Op 25 februari 2015 heebben Provinciale Staten een herziening van de Omgevingsvisie vastgesteld. Deze is op 18 juni 2015 gepubliceerd. Op 8 juli 2015 is een tweede actualisatie (natuur en water) gedeeltelijk vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.
De provincie en haar partners streven samen naar een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. In de Groene Ontwikkelingszone (GO), waarbinnen het plangebied gelegen is, heeft de provincie de volgende doelstellingen:
Bij een uitbreiding voor de overige functies gaat het om het 'per saldo' niet significant aantasten (bij een beperkte uitbreiding) dan wel om het substantieel versterken (bij een grote uitbreiding) van de kernkwaliteiten. In dat saldo zijn een vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang een belangrijke randvoorwaarde. De kernkwaliteiten zijn:
Conclusie
Het plangebied is op de natuurbeheerkaart aangeduid als Groene Ontwikkelingszone. Kenmerk is een schakeling van elementen met natuurwaarden in een multifunctioneel gebied. De voorgestane ontwikkeling past in het streven naar het creëren van samenhang en overgang tussen de (bestaande) natuurgebieden (versterken Gelders Natuurnetwerk). Gezien de aard en omvang van de locatie (twee relatief kleine gebieden) ligt het model IJsvogelvlinder als inrichtingsprincipe in dit geval ten grondslag aan het voorstel voor inrichting van het plangebied.
Model ijsvogelvlinder
Dit model bestaat uit grote en kleine stapstenen bestaande uit bos met veel variatie in de structuur, in een landschapszone. Het is met name bedoeld voor organismen die niet zozeer uitgestrekte bossen nodig hebben, als wel bos met een hoge kwaliteit: bos met veel variatie in de structuur. Bijvoorbeeld de kleine ijsvogelvlinder en de grote weerschijnvlinder profiteren van dit model. Tevens dient het model om kleine, geïsoleerde maar waardevolle bosjes uit hun isolement te halen. Het plangebied wordt ingericht met twee kleine bosjes en bospaden.
Gezien het bovenstaande kan gesteld worden dat met de voorgestane ontwikkeling de kernkwaliteiten van het gebied substantieel versterkt worden en de ontwikkeling bijdraagt aan het bereiken van de doelstellingen binnen de Groene Ontwikkelingszone. Zodoende is de ontwikkeling in overeenstemming met het provinciale beleid uit de Omgevingsvisie.
Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. Een actualisatie van deze verordening is vastgesteld op 8 juli 2015 en gepubliceerd op 21 augustus 2015.
De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De voorschriften in de verordening zijn gebaseerd op de hierboven beschreven provinciale Omgevingsvisie.
2.7.2 Beschermingsregime Groene Ontwikkelingszone (GO)
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij:
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kunnen nieuwe kleinschalige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, mits:
Conclusie
De voorgestane ontwikkeling betreft de realisatie van natuur. Er is geen sprake van een grootschalige ontwikkeling. Er is ook geen sprake van de aantasting van de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone, maar juist van behoud en versterking van de kernkwaliteiten. Voor een nadere onderbouwing wordt verwezen naar het Landschapsontwikkelingsplan in paragraaf 2.3 (Gemeentelijk
beleid).
Regionaal Plan 2005-2020, Stadsregio Arnhem-Nijmegen
Het 'Regionaal Plan 2005-2020' is de opvolger van het 'Regionaal Structuurplan KAN 1995-2005' en is in 2006 door de Stadsregio Arnhem-Nijmegen vastgesteld met als doel bewoners, bedrijven en bezoekers aan de regio te binden door het verbeteren van condities voor 'het goede leven': het bieden van mogelijkheden voor prettig wonen en succesvol werken in een mooi, aantrekkelijk landschap en waar men zich snel en comfortabel kan verplaatsen. Het Regionaal Plan zet hiervoor de hoofdlijnen uit en biedt andere partijen aanknopingspunten om de komende jaren hieraan samen te werken.
Het Regionaal Plan signaleert een grote vraag naar landelijke woonmilieus. Deze behoefte kan grotendeels worden opgevangen door inbreiding en uitbreiding van de dorpen. Ruimtelijke ontwikkelingen vormen wel een bedreiging voor de ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de dorpen. Bij uitbreidingsplannen worden karakteristieke, streekeigen dorpsstructuren maar zelden als drager of inspiratiebron gebruikt. De ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de regio dreigt hiermee verloren te gaan. Daarom dient met uiterste zorgvuldigheid om te worden gegaan met nieuwbouw in en uitbreiding van kernen.
Conclusie
In de bij het Regionaal Plan behorende beleidskaart is ter plaatse van het plangebied geen aanduiding opgenomen. Het plangebied ligt niet binnen de woningbouwcontouren of zoekgebieden voor uitbreiding daarvan en voorziet ook niet in uitbreiding van of nieuwbouw in een kern. Een van de (algemene) kernpunten van beleid is het behouden van de karakteristiek van het gebied. De karakteristiek van het gebied blijft met de voorgestane ontwikkeling bewaard. Geconstateerd kan worden dat de ontwikkelingen niet conflicteert met het regionaal ruimtelijk ordeningsbeleid.
Kadernota 'Visie op ruimte'
In 2004 is door de gemeente Overbetuwe de kadernota 'Visie op ruimte' opgesteld. Deze kadernota biedt een landschappelijk en stedenbouwkundig kader, de criteria die de geschiktheid en beperkingen van gebieden voor verschillende vormen van grondgebruik aangeven en een handleiding voor de toepassing van die criteria. De kadernota kent twee uitgangspunten. Allereerst zal binnen de gemeente Overbetuwe, voordat uitbreiding voor woningbouw aan de orde komt, eerst gezocht worden naar mogelijkheden voor inbreiding binnen bestaande kernen. Het tweede uitgangspunt betreft de toenemende druk op de gemeente Overbetuwe om de stedelijke ontwikkeling van de Stadsregio Arnhem Nijmegen verder vorm te geven in het oostelijk deel van de gemeente. De grens van de verstedelijking is op de kaart 'landschappelijk kader' aangegeven en ligt ten westen van de woonwijk Schuytgraaf in Arnhem. De bedoeling is uitdrukkelijk dat Anrhem en de kern Driel niet aan elkaar groeien.
Het plangebied bevindt zich in het gebied dat is aangeduid als Parel van de Overbetuwe en verder is het plangebied en omgeving aangeduid met de aanduiding 'kleinschaligheid'. De Parels zijn de mooiste plekken van Overbetuwe en zijn cultuurhistorisch zeer waardevolle gebieden met een sterke eigen identiteit.
Conclusie
Het onderhavige plan betreft de realisatie van natuur. Er zijn in principe geen bouwmogelijkheden opgenomen. Het gebied biedt de mogelijkheid voor extensieve recreatie (wandelen) en de ontwikkeling van kleinschalige natuur. De kenmerkende kleinschaligheid ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving blijft behouden en voorts past de ontwikkeling binnen het streven om een zone tussen de wijk Schuytgraaf en de kern Driel als landelijk gebied te behouden. De ontwikkeling past derhalve binnen het beleid van de Kadernota.
Landschapsontwikkelingsplan
In hoofdstuk 2 van het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) uit 2009 zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. De hoofddoelstelling betreft het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. Om dit hoofddoel te realiseren is een vijftal doelstellingen geformuleerd en beschreven:
Het plangebied ligt binnen het als oeverwal aangegeven gebied en in besloten gebied. Verder is de ligging nabij de bufferzone tussen Driel en het stedelijk gebied van Arnhem van belang. Aan de 5 genoemde algemene doelstellingen zijn telkens meerdere opgaven gebonden (zie pag. 62 van het LOP). Eén van de opgaven is het behouden en versterken van het onderscheid tussen de kleinschaligheid van de oeverwallen en de openheid en grootschaligheid in de gebieden daarbuiten. Het kleinschalige landschap in en rondom het plangebied blijft behouden. Andere relevante opgaven, waaraan dit plan bijdraagt, zijn het stimuleren van de aanleg van gebiedsspecifieke beplanting, het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van de (dorps)randen en (dorps)entrees, het ontwikkelen van een landschapszone/bufferzone en het stimuleren van recreatieve routes.
Naast de genoemde algemene doelstellingen en opgaven, zijn ook gebiedsspecifieke kenmerken en doelstellingen van belang. Het plangebied ligt in het deelgebied 13a ('t Vlot). Dit gebied kenmerkt zich als lagere oeverwal, de ecologische verbindingszone langs de rand van Arnhem en het halfopen landschap met diversiteit aan beplaningen. De toenemende druk op het deelgebied als stedelijk uitloopgebied is een belangrijk knelpunt. Daarom zijn de volgende gebiedsspecifieke opgaven opgenomen:
Verder is in de landschapsvisie (hoofdstuk 3) de gewenste landschappelijke structuur voor de gemeente opgenomen. Het gebied waartoe het plangebied behoort heeft de aanduiding 'behoud ruimtelijke afwisseling en versterking kleinschaligheid hoge oeverwallen'. Het plangebied en de omgeving zijn verder aangeduid als 'EHS, verbindingszone', aandachtsgebied voor recreatieve uitloopgebieden en aandachtsgebied voor ruimtelijke kwaliteit overgangszone.
Conclusie
Uit zowel de algemene als de gebiedsspecifieke opgaven voor 't Vlot blijkt primair het belang van het behoud van dit gebied als bufferzone tussen de stedelijke uitbreiding van Arnhem en de kern Driel. Daarmee samenhangend wordt ingezet op realisatie en ontwikkeling van de ecologische verbindingszone in dit gebied en het behoud en de versterking van het kleinschalige, besloten en gevarieerde landschap op de oeverwal. In par. 3.3.2 van het LOP wordt beschreven dat het behoud van ruimtelijke afwisseling en versterking van de kleinschaligheid op de oeverwallen kan worden bereikt door onder meer afwisseling in grondgebruik en relatief veel beplanting langs wegen, op erven en in overhoekjes. Nagestreefd wordt een kleinschalig gevarieerd landschap met grillige bebouwings- en verkavelingspatronen. De onderhavige ontwikkeling draagt aan deze doelstelling bij en beoogt de hiervoor benoemde opgaven verder te realiseren. Het plangebied en de directe omgeving vormen na realisatie van de beoogde kleinschalige natuur en gevarieerd ensemble van verschillende functies, die allen door kleinschaligheid worden gekenmerkt. Het ontwikkelen van kleinschalige natuur past ook in deze doelstelling en draagt bij aan de ontwikkeling van een samenhangend netwerk van natuurgebieden en het behoud van het gebied als bufferzone richting het stedelijk gebied. De ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van de overgangszones tussen de kernen en het buitengebied is een ander belangrijk aandachtspunt dat uit het LOP volgt (par. 3.3.5). Het onderhavige plan draagt bij aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de overgangszone tussen de kern Driel en het buitengebied (de oeverwal en de bufferzone ten opzichte van de uitbreiding van Arnhem).
Dit bestemmingsplan vormt dan ook een belangrijke stap in de realisatie van de uit het LOP volgende gebiedsopgaven en aan de centrale doelstelling, het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit met behoud van de landschappelijke waarden, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking.
Toekomstvisie+ 'Overbetuwe verbindt'
De Toekomstvisie is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020 en is een overkoepelend beleidsdocument dat richting geeft aan het beleid en handelen van de gemeente. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De geschetste identiteit kan bijdragen aan het behouden en aantrekken van inwoners en bedrijven.
Een van de opgaven voor de gemeente is om eigenheid en kenmerken van het landschap te behouden en te versterken De kenmerkende waarden en de eigenheid van de gemeente Overbetuwe moeten beschermd, behouden en daar waar mogelijk versterkt worden. Bestaande landschapstypen vormen de basis van de (historische) identiteit van de gemeente Overbetuwe. Deze landschapstypen zijn uitgangspunt en worden gebruikt als afwegingskader voor verdere ontwikkelingen. De kenmerken van de oeverwallen worden behouden en versterkt. Verdichting langs oude verbindingswegen is ongewenst. De kenmerkende openheid en grootschaligheid van de komgebieden moeten ook behouden en versterkt te worden, zodat de komgronden een tegenstelling vormen ten opzichte van de oeverwallen. Ook de uiterwaarden met rivierstrangen, wielen, kades, baksteenindustrie en hoge natuurwaarden verdienen aandacht. Verder zijn de stroomgeulen bijzondere elementen in het landschap, waar we zorgvuldig mee omgaan. Bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied is slechts ruimte voor extensieve recreatie, agrarisch gebruik passend bij het landschap, natuurontwikkeling, landgoederen en waterbeheersing.
Conclusie
Het plangebied ligt in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap naar de EHS-verbindingszone. Kenmerkend voor dit landschap zijn de veelheid aan landelijke wegen met clusters vrijstaande woningen of boerderijen en de kleinschaligheid met karakteristieke elementen als fruitbomen, boomgaarden, laanbeplanting en elzensingels. Kwaliteit is daarbij het verschil in gradiënten: open-dicht, hoog-laag, droog-nat tussen stuwwallen en uiterwaarden, stroomruggen-kommen. Op de stroomruggen is dus kleinschalig verdichten gewenst als tegenhanger van de open, natte komgebieden. Met de voorgestane inrichting van het plangebied (zie Hoofdstuk 4 Planbeschrijving en hierboven bij 'Landschapsontwikkelingsplan') wordt de karakteristiek van het landschap behouden en versterkt. Daarmee past het plan in de Toekomstvisie+.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.
Conclusie
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.
Een m.e.r.-beoordeling is gezien het voorgaande niet noodzakelijk.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:
Conclusie
In het onderhavige plan worden geen geluidgevoelige objecten gerealiseerd. Het betreft immers uitsluitend het aanleggen van natuur. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Conclusie
In het onderhavige plan wordt de aanleg van natuur mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling is niet opgenomen in de regeling NIBM. Uit de aard en omvang van de ontwikkeling volgt dat de verkeersaantrekkende werking aanzienlijk minder zal zijn dan de drempelwaarden van de ontwikkelingen die in de regeling NIBM worden genoemd. Om die reden kan geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan.
Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende enerzijds de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen en anderzijds te voorkomen dat bedrijven en andere functies onevenredig worden beperkt of belemmerd. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten (publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009). Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht genomen worden.
Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering (afstand) tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan maakt enkel de ontwikkeling van natuur mogelijk. Voor deze functie is toetsing aan het aspect bedrijven en milieuzonering niet aan de orde.
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Voor het plangebied en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld.
Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan maakt enkel de ontwikkeling van natuur mogelijk. Er worden geen geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Om deze reden is nadere toetsing aan het aspect geurhinder niet aan de orde.
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. Ook in het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging.
Conclusie
In dit geval betreft de voorgestane ontwikkeling enkel de realisatie van natuur. Er is geen sprake van bouwontwikkelingen en er worden geen gevoelige objecten of functies toegevoegd. Ook gaan er geen mensen (permanent) verblijven binnen het plangebied. Daarom is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden twee normstellingen gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers: bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6-contour. Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege:
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Het beleid is verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In bovenstaande besluiten is vastgelegd dat voldaan moet worden aan de eisen van het besluit bij nieuwe activiteiten / situaties. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld.
Conclusie
De voorgestane ontwikkeling maakt geen nieuwe gevoelige objecten mogelijk, immers de ontwikkeling betreft slechts de realisatie van natuur. Het aantal personen dat in het plangebied verblijft is zeer beperkt en neemt niet toe. Het behoeft geen betoog dat in het plangebied voorts geen risicovolle functies mogelijk worden gemaakt. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is gezien het voorgaande niet aan de orde.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, hoogspanningslijnen, hoogspanningskabels, warmwaterleidingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. In het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen gelegen.
Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding.
Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht op duurzame waterveiligheid en zoetwatervoorziening.
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe wij voor de planperiode de uitvoering van acties zien om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
In het kort hier de belangrijkste doelstellingen voor de planperiode:
Beleid Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2010-1015
Het plan, vastgesteld op 30 oktober 2009, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland in de periode 2010-2015 gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden.
Keur Waterschap Rivierenland 2009
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.
Gemeentelijk beleid
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe het Waterplan vastgesteld. In het waterplan wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
In het waterplan is een RO-attentiekaart per kern opgenomen en een overzichtskaart van de gehele gemeente.
Watertoets
Het plangebied is in de overzichtskaart beoordeeld als weinig geschikt voor bebouwing. Het is in de huidige situatie geheel onverhard. De voorgenomen ontwikkeling laat geen verharding toe, het betreft immers de realisatie van natuur. Er zijn uitsluitend onverharde paden toegestaan binnen de op te nemen bestemming 'Natuur'. Daardoor wijzigt er niets voor wat betreft het verhard oppervlak. Er geldt dus geen wateropgave. Waterhuishoudkundig gezien is de ontwikkeling neutraal. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.
Conclusie
Wat betreft water zijn er geen bezwaren of voorwaarden verbonden aan het ruimtelijk plan.
Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van de ecologische hoofdstructuur (EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is uitgewerkt.
De Natuurbeschermingswet 1998 heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.
De Flora- en faunawet heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hoeft echter alleen rekening gehouden te worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2' en 'tabel 3' van de Flora- en faunawet, en met vogels. Voor deze soorten moet een ontheffing worden aangevraagd wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot schade aan de soort of verstoring van leefgebied. Voor soorten van 'tabel 3' en vogels geldt hierbij een strenger afwegingskader dan voor soorten van 'tabel 2'. Voor soorten van 'tabel 2' en vogels geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode. Momenteel zijn echter nog geen algemeen toepasbare gedragscodes voorhanden.
Resultaten gebiedsbescherming
Het plangebied valt buiten de invloedssfeer van de voor de Natuurbeschermingswet 1998 aangewezen gebieden. Aan de overzijde van de Nederrijn, ca. 875 meter noordwestelijk van het plangebied, ligt het Natura 2000-gebied De Veluwe. Op kortere afstand, rondom de Nederrijn, bevindt zich de EHS. Het plangebied ligt in een gebied dat is aangeduid als 'ehs-verbinding'. De gronden binnen deze aanduiding zijn mede bedoeld voor het beschermen en ontwikkelen van de landschappelijke en ecologische kernkwaliteiten van deze gebieden. Nu de onderhavige ontwikkeling het ontwikkelen van natuur betreft, is deze ontwikkeling passend binnen dit gebieden. Er worden geen ingrepen verricht die een negatieve invloed op beschermde gebieden of op de doelstellingen van de EHS-verbinding kunnen hebben.
Resultaten soortenbescherming
Gezien de bestaande situatie binnen het plangebied en de aard van de voorgestane ontwikkeling zal deze geen negatieve invloed hebben op de flora en fauna, maar veeleer positief bijdragen aan de bescherming van soorten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Conclusie
Wat betreft natuurwetgeving en beleid zijn er geen bezwaren of voorwaarden verbonden aan dit ruimtelijk plan.
Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Gelderland blijft hierbij bestemmingsplannen (en afwijkingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.
Conclusie
Op de archeologische beleidsadvieskaart ligt het perceel binnen de zone die is aangeduid als AWV categorie 4: gebieden met een hoge archeologische verwachting. Dit betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm-Mv, bij een oppervlakte van minimaal 100 m², archeologisch onderzoek verplicht is. Omdat de voorgestane ontwikkeling in dit bestemmingsplan enkel het ontwikkelen van natuur betreft, vinden er geen bodemverstorende ingrepen met een oppervlakte van meer dan 100 m² plaats. Daarom is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. In onderhavig bestemmingsplan is ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' opgenomen conform het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. De archeologische waarden die eventueel in het plangebied aanwezig zijn, worden middels deze dubbelbestemming voor de toekomst beschermd. Bij bodemverstorende activiteiten boven de genoemde drempelwaarden, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden.
Beide delen van het plangebied zijn momenteel in gebruik als weiland. Er zijn geen gebouwen aanwezig in het plangebied. Wel wordt het plangebied omgeven door erfafscheidingen. Er is geen oppervlaktewater aanwezig.
De voorgestane ontwikkeling betreft het ontwikkelen van beide delen van het plangebied met natuur. Hiervoor is een inrichtingsplan opgesteld, zie afbeelding 2. Beide gebiedjes worden centraal ingericht als kleinschalig bos met winterlindes en bosplantsoen, bestaande uit douwbraam, hazelaar, kardinaalsmuts, rode kornoeltje, sleedoorn en wilde kamperfoelie. Aan de randen rondom de bosjes worden de gebiedjes ingericht met bloem- en kruidenrijk gras, een enkele solitaire boom (winterlinde, els, hazelaar). In beide gebiedjes wordt een onverhard wandelpad (informeel bospad) gerealiseerd. In de zuidwesthoek van het zuidelijke gebiedje wordt een kleine picknickvoorziening aangebracht.
|
| Afbeelding 2: inrichtingsplan Leedjes |
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en de regels).
Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Leedjes ongenummerd, Driel (realisatie natuur)' bestaat uit de volgende onderdelen:
De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
De bestemmingsregels
In de bestemmingsregels zijn de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn voor zover nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.
De verbeelding
Op de verbeelding is de enkelbestemming 'Natuur' opgenomen. Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' opgenomen, alsmede de gebiedsaanduiding 'ehs verbinding'.
De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Bij de voorgenomen ontwikkeling is weinig flexibiliteit nodig. Er zijn dan ook geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Omdat het gehele plangebied is beoogd voor dezelfde doeleinden, namelijk het ontwikkelen van natuur, is slechts één enkelbestemming opgenomen, 'Natuur'. Verder zijn de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en de gebiedsaanduiding 'ehs verbinding' opgenomen.
Natuur
Gebruik
Deze gronden zijn bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van landschappelijke, ecologische waarden en natuurwaarden, extensieve dagrecreatie en waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen. Tevens zijn bijbehorende voorzieningen zoals bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden toegestaan.
Bouwen
Op deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van natuurobservatieposten met een maximale oppervlakte van 6 m² en een maximale bouwhoogte van 2 m.
Omgevingsvergunning werken en werkzaamheden
Er is een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van diverse werken en werkzaamheden. Hieraan is, op basis van de gebiedsaanduiding 'ehs verbinding' de voorwaarde verbonden dat er geen sprake is van een significante aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities van het gebied. Dit is opgenomen in artikel 7, algemene aanduidingsregels. Een uitzondering op de omgevingsvergunningplicht is opgenomen voor de werkzaamheden die voor de realisatie van het inrichtingsplan nodig zijn. Het uitvoeren van deze ingrepen is immers in dit bestemmingsplan verantwoord.
Waarde - Archeologische verwachting 2
In het plan is deze dubbelbestemming opgenomen, ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de hoofdbestemming 'Natuur'. De bepalingen van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn dan beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemming bevat een omgevingsvergunningplicht voor bodemingrepen groter dan 100 m² en met een diepte van meer dan 30 cm-Mv.
Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Met onderhavig bestemmingsplan wordt echter geen bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt, zodat de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet geldt.
Financiële haalbaarheid
De gemeente Overbetuwe is zelf de initiatiefnemer van de voorgenomen ontwikkeling en beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Gebleken is dat er geen onvoorziene hoge kosten te verwachten zijn. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
De Wet ruimtelijke ordening zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor het onderhavige bestemmingsplan heeft gezien de zeer geringe omvang en de aard en impact van de voorgenomen ontwikkeling geen inspraak plaatsgevonden.
Artikel 3.1.1 van het besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Gezien de geringe omvang en de aard en impact van de voorgenomen ontwikkeling heeft vooroverleg niet plaatsgevonden.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Het plan wordt daarna, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.