| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22M Oranjekanaal N.Z. 19 Zwiggelte |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1731.TAMOranjeknlNZ19ZW-VST1 |
Dit wijzigingsbesluit heeft betrekking op de bedrijfswoning en omliggend erf op de locatie Oranjekanaal N.Z. 19 te Zwiggelte. Op dit perceel geldt op dit moment een agrarische bestemming. Het regulier bewonen van de bedrijfswoning is daarmee niet toegestaan. Initiatiefnemer is voornemens om de huidige agrarische bestemming op het perceel te wijzigen in een woonfunctie. De bijbehorende agrarische dienstwoning wordt dan een reguliere woning.
Om het voornemen mogelijk te maken moet het (tijdelijke) omgevingsplan worden gewijzigd. Binnen het huidige tijdelijke deel van het omgevingsplan (voorheen: bestemmingsplan) is de realisatie van het voornemen namelijk niet mogelijk. De voorliggende Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) wijziging van het omgevingsplan biedt het juridisch-planologische kader voor het omzetten van de geldende bestemming. Deze motivering behandelt alle nodige aspecten hiervoor.
Het plangebied is gelegen aan het Oranjekanaal N.Z. 19, ten noordoosten van Zwiggelte en betreft de kadastrale percelen WTB00-R-83 en WTB00-R-736. Het plangebied wordt aan de noord- en westkant begrenst door Bungalowpark Het Hart van Drenthe. Ten oosten van het plangebied is onbebouwde agrarische grond gelegen. Ten zuidoosten zijn, parallel aan het Oranjekanaal een aantal woningen gelegen. Op de onderstaande figuur is de globale begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1. Globale begrenzing plangebied (bron: kadastralekaart.com)
Voor het plangebied geldt het gemeentelijke omgevingsplan van gemeente Midden-Drenthe. Uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn de regels van het bestemmingsplan 'Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022' (vastgesteld op 30 juni 2022) van toepassing. Dit veegplan grijpt uiteindelijk terug op het eerdere bestemmingsplan 'Buitengebied Midden-Drenthe' (vastgesteld op 26 januari 2012).
Op basis van het geldende bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - 1' en de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Tevens geldt er voor een deel van het plangebied de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf' en de bouwaanduiding 'karakteristiek'. Verder gelden er in het plangebied de gebiedsaanduidingen 'Milieuzone - hydrologische beïnvloeding' en 'Vrijwaringszone - radiotelescoop 2'.
Figuur 1.2. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022' (bron: Omgevingsloket)
In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op basis van artikel 4.9, sub i, waardoor het mogelijk is om de agrarische bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning. Hiervoor dient voldaan te worden aan de voorwaarden gesteld onder de onderdelen 1 t/m 7 uit artikel 4.9, sub i. Deze voorwaarden betreffen:
Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden.
In Hoofdstuk 2 van deze motivering wordt het voornemen beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het relevante beleid van rijk, provincie en gemeente. In Hoofdstuk 4 worden de aspecten van de fysieke leefomgeving besproken. Hoofdstuk 5 behandelt de juridische vormgeving van de wijziging omgevingsplan. Hoofdstuk 6 gaat in op de financieel economische uitvoerbaarheid van het voornemen. Tot slot wordt de voorbereiding en participatie behandeld in Hoofdstuk 7.
In de huidige situatie bevindt zich in het plangebied een woonboerderij (bedrijfswoning), een schuur en een tuinhuisje. De woonboerderij is op basis van het bestemmingsplan als karakteristiek aangewezen. Voor het overige is het plangebied onbebouwd. Hoewel het plangebied een agrarische bestemming kent is het niet meer als zodanig in gebruik. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7430 m2. Op de onderstaande figuren is de huidige situatie in het plangebied weergegeven.
Figuur 2.1. Indicatieve weergave huidige situatie (bron: Google Maps)
Figuur 2.2. Indicatieve weergave huidige situatie (bron: Google Street View)
Het planvoornemen betreft alleen een functiewijziging. De agrarische bestemming van het plangebied wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Verder blijft de toekomstige situatie onveranderd. De woonboerderij en de bijgebouwen blijven ongewijzigd. De woonfunctie wordt in de toekomstige situatie ondergebracht in het bestaande voormalige boerderijpand. Het voormalige boerderijpand blijft daarmee als landschappelijk waardevolle verschijningsvorm en als karakteristiek pand gehandhaafd.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
Het initiatief raakt geen nationale belangen die directe betrokkenheid van het Rijk vereisen. Het initiatief is derhalve niet strijdig met de NOVI.
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).
Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen.
In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders.
Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden:
Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van:
Toetsing
In hoofdstuk 4 worden alle aspecten behandeld die relevant zijn voor het aantonen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van de relevante instructieregels zoals genoemd in het Bkl.
Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Daarbij gelden uiteraard grenzen:
Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, is het mogelijk dat er maatwerkregels kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan, bijvoorbeeld om cumulatie van de gevolgen van effecten van Bal-activiteiten te beperken. Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels of waarmee een nadere invulling of concretisering wordt gegeven van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan, zoals bij de eisen aan Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG). Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels.
De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer. Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken. Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden.
Toetsing
Waar van toepassing worden de Bal-/Bbl-regels behandeld in Hoofdstuk 4.
Het initiatief is niet in strijd met beleid en regelgeving op rijksniveau.
De Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2022 (28 september 2022) is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de provincie Drenthe. Met deze visie zet de provincie in op "het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten." De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe.
Het gaat om: rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen); noaberschap; kleinschaligheid (Drentse schaal); menselijke maat; veiligheid. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten.
In de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar concrete indicatoren gemaakt, namelijk voor landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Aanvullend geeft de provincie aan dat 'zuinig ruimtegebruik' en het bewaken van een goede 'milieu- en leefomgevingskwaliteit' van provinciaal belang zijn.
Toetsing
Archeologie
Het provinciaal beleid voor de Drentse archeologie is gericht op instandhouding, bescherming, beleven en benutten. Het archeologisch erfgoed behoort tot het ruimtelijk erfgoed en is een belangrijke bouwsteen van de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van Drenthe (kernkwaliteit archeologie). Voor het plangebied geldt geen archeologische verwachting. Het algemene uitgangspunt is dat alle behoudenswaardig archeologische vindplaatsen (waarden) die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Drenthe staan en de nieuw ontdekte behoudenswaardige vindplaatsen niet ongezien kunnen verdwijnen.
In gebieden of terreinen met een archeologische verwachting op de archeologiekaarten, wordt gestuurd op een goede uitvoering van archeologisch onderzoek. Niet voor alle bodemingrepen is archeologisch onderzoek vereist. Dit hangt af van de omvang en aard van de ingreep, de waarde/verwachting van de locatie en het vrijstellingenbeleid zoals dat is uitgewerkt in de gemeentelijke archeologiekaarten. Het plangebied kent op grond van de provinciale omgevingsvisie de Waarde-Archeologie 3. Met het voornemen wordt geen grond geroerd. De kernkwaliteit archeologie is niet in het geding.
Kernkwaliteit landschap
Het plangebied is gelegen binnen het esdorpenlandschap. Het provinciaal beleid is gericht op het behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting. Ook is het beleid gericht op het behoud van het open landschap en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting. Het planvoornemen betreft een functiewijziging waarbij het landschap en de uitstraling van het gebied niet wijzigt. De kernkwaliteit landschap is niet in het geding.
Kernkwaliteit cultuurhistorie
Op grond van de kernkwaliteit Cultuurhistorie behoort het plangebied tot het deelgebied 'De velden in centraal Drenthe Drentse Hoofdvaart'. De volgende karakteristieken zijn van provinciaal belang:
De provincie Drenthe stuurt op:
Met het planvoornemen worden de cultuurhistorische structuren gerespecteerd. De kernkwaliteit 'Cultuurhistorie' wordt niet aangetast door het planvoornemen.
Kernkwaliteit aardkundig erfgoed
Op grond van de kernkwaliteit Aardkundige waarden geldt voor het plangebied een generiek beschermingsniveau. In deze gebieden kunnen aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron bij ontwikkelingen worden gebruikt. De provincie Drenthe verwacht van gemeenten dat zij in deze gebieden nagaan welk kenmerkend aardkundig erfgoed aanwezig is en dat zij hieraan bescherming geven via de gemeentelijk omgevingsvisie en plannen en initiatieven daarop beoordelen.
Met het planvoornemen worden geen bouw of sloopwerkzaamheden uitgevoerd. Bodemingrepen zijn dus niet nodig. Aardkundige waarden worden met het planvoornemen dus niet aangetast.
Rust
Bij de kernkwaliteit Rust zijn ‘stilte’ en ‘duisternis’ als indicatoren aangegeven. Bij elk gebied past een bepaalde hoeveelheid geluid en licht, van natuurlijke of menselijke oorsprong. De provincie stimuleert het bewustzijn van het belang van duisternis. Het plangebied is niet gelegen in een specifiek stiltegebied.
Conclusie
Het voornemen is in overeenstemming met de provinciale omgevingsvisie.
In de Omgevingsverordening provincie Drenthe (29 oktober 2024) is het beleid uit de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2023 vertaald naar concrete regels. In de vorige paragraaf 3.2.1 is het plan aan de kernkwaliteiten getoetst.
Toetsing
Het plangebied ligt binnen de gebiedsaanwijzing 'Landelijk Gebied'. Op basis van artikel 3.16, lid 5 uit de POV kan een omgevingsplan in het landelijk gebied voorzien in een woonfunctie voor gronden met bebouwing die zijn functie verloren heeft, mits:
Met het voornemen wordt een bedrijfswoning omgezet in een enkele reguliere woning. Verder blijft de toekomstige situatie onveranderd. Er kan worden voldaan aan de bovenstaande voorwaarden.
Het voornemen is niet in strijd met provinciaal beleid en regelgeving.
In de Omgevingsvisie Midden-Drenthe (vastgesteld in juni 2022 ter vervanging van de Structuurvisie Midden-Drenthe 2030 "Platteland Leeft!" uit 2012) geeft de gemeente antwoorden op diverse vragen: Hoe willen we dat onze gemeente er in de toekomst uitziet? Welke ontwikkelingen komen er op ons af en wat is er nodig om de komende jaren prettig te kunnen wonen, werken en recreëren? Daarvoor is de gemeente voor een groot deel afhankelijk van initiatieven. Om initiatieven samen voor elkaar te krijgen, is de uitnodiging zo open mogelijk met zo min mogelijk beperkingen. Tegelijkertijd blijft sturing nodig. De gemeente wil dat ontwikkelingen elkaar bij voorkeur versterken en niet beperken. Bovendien is het belangrijk om het DNA van Midden-Drenthe te behouden: de identiteit van Midden-Drenthe en de kwaliteiten waar men trots op is. De gemeente is verantwoordelijk voor het bewaken van de samenhang en de kwaliteit. De gemeente kan initiatieven stimuleren en ontwikkelingen mogelijk maken, door integraal te werken en vooral in samenwerking met inwoners, ondernemers, (semi) overheden, organisaties en overige belanghebbenden. Zij kiest er met deze omgevingsvisie voor om meer ruimte te bieden en niet alles vast te leggen. Dit doet de gemeente door ambities per thema en per deelgebied te benoemen, zonder precies aan te geven waar wat moet komen.
In Midden-Drenthe is de ruimte. Streven voor Midden-Drenthe in 2035 is dan ook ruimte:
Wat betreft de ruimte om te wonen wordt het volgende gesteld. Het is een groene gemeente, met volop ruimte om van dat groen te genieten. De gemeente combineert natuur en wonen. Het woningaanbod past bij de veranderingen in de samenstelling van de bevolking. Er zijn dus voldoende woningen beschikbaar voor jong en oud. De gemeente zet sterk in op aantrekkelijk wonen voor jonge gezinnen. Daardoor blijft er een goede balans tussen jonge mensen en de groeiende groep ouderen. Goede voorzieningen, samenwerking met verschillende partners en naoberschap zorgen er voor dat ouderen langer thuis kunnen blijven wonen. Daarom ondersteunt de gemeente ook mantelzorgers waar mogelijk. Keuzes over wonen baseert de gemeente op goede woonkwaliteit voor iedereen en kansen om verschillende groepen in de samenleving te verbinden. De woonomgeving is groen, gemoedelijk en uitnodigend. Dat draagt er aan bij dat inwoners van verschillende generaties en groepen elkaar ontmoeten; naar buiten gaan en in beweging komen is gratis en laagdrempelig.
De omgevingsvisie is een ruimtelijke visie met een link naar gezondheid en legt de beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. Duidelijk moet zijn wat de gemeente wil bereiken. Uit de brede participatie zijn vier thema’s naar voren gekomen die de samenleving belangrijk vindt en die de visie centraal stelt. Die thema’s zijn vertaald in de ruimtelijke stip op de horizon, te weten: een groen, gezond, leefbaar en duurzaam Midden-Drenthe. Dit zijn thema's die voor het hele grondgebied gelden.
Specifiek met betrekking tot het planvoornemen staat in de omgevingsvisie dat de gemeente om leegstand te voorkomen functieverandering voor leegstaande en vrijgekomen (agrarische) bebouwing stimuleert. Het planvoornemen sluit daarmee aan bij de Omgevingsvisie Midden-Drenthe.
De gemeenteraad heeft op 1 februari 2018 de Welstandsnota Midden-Drenthe 2018 vastgesteld. Met de welstandsnota is een deel van het beleid voor de openbare ruimte vastgelegd. In de welstandsnota gaat het daarbij om de vraag hoe allerlei bouwwerken 'eruit zien'. Op zichzelf, maar ook kijkend naar de gebouwen er om heen en naar de openbare ruimte (de straat, het groen en dergelijke). Het gaat de gemeente om de kwaliteit van de ruimtelijke omgeving. De welstandsnota draagt bij aan het versterken van deze kwaliteit.
Door de hele welstandsnota heen loopt als rode draad de richtlijn: houd bij het bouwen rekening met de omgeving. Daarmee verbindt de gemeente de sociale en ruimtelijke component in de gemeente. Midden-Drenthe is een gemeente waarin naoberschap aanwezig is. Dat wil ze zo houden en zo mogelijk uitbouwen. Dat naoberschap betekent ook dat inwoners bij bouwplannen rekening houden met de gevolgen voor de omgeving.
Het planvoornemen zorgt niet voor de realisatie van nieuwe bouwwerken. Het is daarmee niet in strijd met de Welstandsnota Midden-Drenthe 2018.
Het voornemen is niet in strijd met gemeentelijk beleid.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen en projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen en projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Archeologie
In het geldende omgevingsplan is voor het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. Bij ingrepen groter dan 1000 m2, en de activiteit op een grotere diepte dan 30 cm wordt uitgevoerd is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Het voornemen betreft een functiewijziging. De bodem wordt niet geroerd. Archeologisch onderzoek voor het voornemen is daarmee dus niet noodzakelijk.
Cultuurhistorie
Er vinden met het planvoornemen geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats. De woonboerderij en bijgebouwen blijven ongewijzigd. Het voormalige boerderijpand blijft daarmee als landschappelijk waardevolle verschijningsvorm en als karakteristiek pand gehandhaafd. De cultuurhistorische waarden van het gebied worden met het initiatief niet aangepast.
De aspecten archeologie, cultuurhistorie en landschap vormen geen belemmering voor het voornemen.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."
Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:
Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:
1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
De eerste vraag bij de Laddertoets is of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt men door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
Gezien het feit dat het planvoornemen betrekking heeft op een functiewijziging van slechts één agrarisch perceel naar een woonbestemming mag er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat het hier geen stedelijke ontwikkeling betreft en dat een ladderonderbouwing niet van toepassing is.
Met het planvoornemen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Een nadere ladderonderbouwing is daarmee niet van toepassing.
Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden.
Verkeer
Als gevolg van het voornemen kan de verkeersgeneratie toenemen. Het planvoornemen betreft een functiewijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een woonfunctie. In de huidige situatie is er op het perceel reeds een (bedrijfs)woning aanwezig. Het feitelijke gebruik binnen het plangebied verandert niet. Het plan zal daarmee niet leiden tot een toename van verkeersbewegingen. Er hoeven geen aanpassingen in de verkeersontsluiting te worden getroffen.
Parkeren
Naast een verkeersaantrekkende werking kan de parkeerbehoefte in het gebied als gevolg van het voornemen ook toenemen. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van CROW publicatie 381 – Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen, december 2018. Hierbij is uitgegaan dat het plangebied in het buitengebied is gelegen in een niet stedelijke gemeente. Voor een vrijstaande woning bedraagt de parkeerbehoefte minimaal 2 parkeerplekken. De parkeerbehoefte kan op eigen erf worden opgelost.
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmeringen voor het voornemen. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft verkeer en parkeren.
De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd.
De meeste inhoudelijke regels over natuurbescherming komen, ingedeeld naar doelgroep, terecht in een van de volgende drie besluiten:
Soortenbescherming
Het planvoornemen betreft een functiewijziging waarbij geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Ecologisch onderzoek is daarmee niet noodzakelijk.
Gebiedsbescherming
Het plangebied is geen onderdeel van en grenst niet aan een beschermd gebied in het kader van de Omgevingswet. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied is het Natura-2000 gebied Elperstroomgebied op circa 3 km. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied betreft een strook grond direct ten noorden van het plangebied. NNN-gebieden kennen in de provincie Drenthe geen externe werking. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden, de aard van de ontwikkeling en de huidige terreinomstandigheden van het plangebied zijn geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten.
Stikstof
Het planvoornemen betreft slechts een functiewijziging. Er vinden met het initiatief geen sloop- en/of bouwwerkzaamheden plaats. Ook verandert het gebruik van het plangebied niet, aangezien de woning in de huidige situatie al in gebruik is als (bedrijfs)woning. Er vindt dus geen toename van de stikstofdepositie plaats. Nader onderzoek naar het aspect stikstof in dus niet noodzakelijk.
Het milieuaspect ecologie (inclusief stikstof) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit planvoornemen.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Midden-Drenthe is niet aangewezen als concentratiegebied.
Het planvoornemen betreft een functiewijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een woonfunctie. In de huidige situatie is er op het perceel reeds een (bedrijfs)woning aanwezig. Het feitelijke gebruik binnen het plangebied verandert niet. Het plan zal daarmee niet leiden tot een toename van verkeersbewegingen. Het plan kan daarmee als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd.
Het project kan worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.
Op de locatie is al een (bedrijfs)woning aanwezig. Het initiatief maakt geen nieuwe geluidsgevoelige bebouwing mogelijk. Ook wijzigt de gevel van de woning niet qua ligging. Een akoestisch onderzoek is daarmee niet noodzakelijk.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geluid.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.
Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De aandachtsgebieden zijn onder te verdelen in:
Brandaandachtsgebieden (BAG)
Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt.
Explosieaandachtsgebied (EAG)
Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot:
Gifwolkaandachtsgebied (GAG)
Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikelen 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Een gemeente mag hier wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties de volgende aspecten van belang:
Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn.
Het planvoornemen betreft de functiewijziging van een bestaand kwetsbaar gebouw. Er worden geen nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd. In het kader van het planvoornemen is de Signaleringskaart EV geraadpleegd om te onderzoeken of in de nabijheid van het plangebied activiteiten zijn gelegen die een risico voor de omgevingsveiligheid kunnen veroorzaken. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Signaleringskaart EV weergeven.
Figuur 4.1. Risicobronnen (bron: signaleringskaart EV, d.d. 13-12-2024)
Buisleidingen
Op een afstand van circa 600 meter ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een bundel aardgasbuisleidingen. Het plangebied bevindt zich buiten het aandachtsgebied van deze aardgasbuisleidingen.
Transportroutes
In of nabij het plangebied bevinden zich geen wegen en spoor- of waterwegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied ligt buiten het aandachtsgebied van deze transportroutes.
Andere bronnen
In de omgeving van het plangebied zijn geen overige inrichtingen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft omgevingsveiligheid.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Het planvoornemen betreft een functiewijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woonfunctie. In de huidige situatie is er op het perceel reeds een (bedrijfs)woning aanwezig waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen (langer dan twee uur per dag) verblijven. Er worden met dit initiatief geen bodemingrepen uitgevoerd en ook is er geen bodemverontreiniging bekend. Daarom is een bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het voornemen.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening.
Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Verplichte omgevingswaarden
Het planvoornemen is ingediend bij Waterschap Drents Overijsselse Delta (zie Bijlage 1). Het planvoornemen betreft alleen een functiewijziging van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Er is geen waterschapsbelang.
Het milieuaspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit planvoornemen.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl).
Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4).
Geluid door activiteiten
Voor de beoordeling van geluid door activiteiten wordt gebruik gemaakt van de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024. Dit is de opvolger van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Net als de oude handreiking maakt de nieuwe handreiking onderscheid tussen twee gebiedstypen: rustig woongebied en gemengd gebied met wonen. Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. In deze gebieden is functiemenging mogelijk tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke activiteiten. Het gaat daarbij over het algemeen om kleinschalige bedrijven die met name (productie-)werkzaamheden inpandig in de dagperiode uitvoeren.
Gebiedstypering
Ten eerste is het noodzakelijk om te bepalen met wat voor type gebied er bij dit voornemen sprake is. Het is immers van belang of sprake is van het gebiedstype 'rustige woonwijk' of 'gemengd gebied'. Rondom het plangebied is sprake van verschillende agrarische, recreatieve en woonbestemmingen. Ook Geconstateerd mag worden dat het plangebied in een gemengd gebied ligt.
Beoordeling aanvaardbaar woon- en leefklimaat
In de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering zijn de volgende mogelijkheden opgenomen om te beoordelen of een plan inpasbaar is in de omgeving:
Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving
In de omgeving bevinden zich diverse functies die potentieel geluidhinder kunnen veroorzaken. Om na te gaan of het geluid door activiteiten op het projectgebied aanvaardbaar is, is de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering geraadpleegd. Hierbij is specifiek gekeken naar het hulpmiddel in bijlage A5. Daarin staan veel bedrijfsactiviteiten met een bepaalde 'positie' per hinderkolom (geur en geluid). De posities kunnen vervolgens vertaald worden naar de richtafstanden uit de 2009 VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De volgende bedrijvigheid is relevant voor deze beoordeling:
Het voornemen veroorzaakt geen beperking van omliggende bedrijfsvoering, terwijl omliggende geen onaanvaardbare geluidhinder veroorzaken voor de te realiseren woningbouw.
Hinder als gevolg van het onderhavige plan
Het project betreft een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. Een woning leidt van zichzelf niet tot hinder voor omliggende functies.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geluid door (bedrijfsmatige) activiteiten.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geur (paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl). Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming.
Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies. Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de Bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten:
Voor andere activiteiten bepaalt het Bkl dat een ruimtelijk besluit ervoor moet zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld.
Er worden geurgevoelige gebouwen opgericht met dit initiatief. In paragraaf 4.10 is beschreven dat wordt aangesloten bij de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024. Hierbij is specifiek gekeken naar het hulpmiddel in bijlage A5. Daarin staan veel bedrijfsactiviteiten in met een bepaalde 'positie' per hinderkolom (geur en geluid). De posities kunnen vervolgens vertaald worden naar de richtafstanden uit de 2009 VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De volgende bedrijvigheid is relevant voor deze beoordeling:
Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Te zijner tijd worden in het omgevingsplan ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid omgevingswaarden vastgelegd. Deze worden gebaseerd op het gemeentelijke beleid zoals verwoord in hoofdstuk 3 (Transitievisie Warmte, Groenvisie en Klimaatvisie).
Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden.
Duurzaamheid
Het planvoornemen betreft een functiewijziging. Met de functiewijziging van het plangebied wordt waar mogelijk aangesloten op de gemeentelijke ambities op het gebied van een gezonde leefomgeving en duurzaamheid.
Gezondheid
De inrichting van de openbare ruimte kan bijdragen aan de gezondheid van nieuwe bewoners en omwonenden. Bij dit initiatief wordt met name gekeken naar een gezond leefmilieu (aanwezigheid van geur, geluid, goede riolering en waterkwantiteit en -kwaliteit). Ook aspecten zoals biodiversiteit, natuurinclusief bouwen, het tegengaan van verspreiding van bestrijdingsmiddelen en vermesting, een schone bodem zijn relevante onderdelen van een gezond leefmilieu. Zaken zoals geur, geluid, bodem en water zijn in de vorige paragrafen nader aan de orde gekomen.
Het voornemen is in lijn met de doelen van een duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in de Omgevingswet. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft duurzaamheid.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Of een besluit over een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor mer-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.
Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.
Het project wordt niet beschouwd als een stedelijke ontwikkeling in het kader van het Omgevingsbesluit. Een mer-beoordeling is daarom niet noodzakelijk.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie [TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22M Oranjekanaal N.Z. 19 Zwiggelte], waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand [NL.IMRO.1731.TAMOranjeknlNZ19ZW-VST1] zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. De regels zoals opgenomen in het Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022 worden vervangen door de regels in dit TAM-Omgevingsplan. De wijziging heeft tot gevolg dat de locatie wordt voorzien van de functie 'Wonen - Voormalige boerderijen' en 'Agrarisch met waarden - 1'. Ook wordt de locatie ook aangewezen als 'Waarde – Archeologie 2', 'Milieuzone - hydrologische beïnvloeding' en 'Vrijwaringszone - radiotelescoop 2'.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN
Het artikel over het toepassingsbereik moet worden overgenomen om te voorkomen dat er meerdere regels op een locatie gaan gelden. Het TAM-IMRO-plan ponst namelijk niet. Met het artikel wordt ook bepaald op welke locaties het TAM-IMRO-plan ziet.
In dit artikel wordt bepaald hoe dit plan gelezen moet worden met het oog op het Omgevingsplan Midden-Drenthe.
In 1.1 wordt bepaald dat de besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet niet van toepassing zijn voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3 (zie hieronder).
In 1.2 wordt bepaald dat de regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
In 1.3 worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen geledende begrippen. Ook zijn in dit artikel begrippen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan zijn. Alleen het opnemen van locaties met functies (voorheen bestemmingen) is daarom onvoldoende om het handelen in strijd met die functies te verbieden of vergunningplichtig te maken. Dit betekent dat het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO-plan in dat plan nadrukkelijk vergunningplichtig moet stellen of verbieden. Om die reden is er een algemeen gebruiksverbod opgenomen in de regels.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
Artikel 5 Agrarisch met waarden - 1
Het plangebied kent deels de bestemming 'Agrarisch met waarden - 1'. Hiervoor is de bestemming 'Agrarisch met waarden - 1' uit het Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022 als basis gebruikt. Binnen deze functie zijn (beoordelings)regels gegeven voor omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (bouwregels) en gebruiksactiviteiten. Ook zijn binnen deze functie een aantal vergunningplichten en maatwerkvoorschriften opgenomen.
Artikel 6 Wonen - Voormalige boerderijen
Het plangebied is deels aangewezen als 'Wonen - Voormalige boerderijen'. Hiervoor is de bestemming 'Wonen - voormalige boerderijen' uit het Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022 als basis gebruikt. Binnen deze functie zijn (beoordelings)regels gegeven voor omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (bouwregels) en gebruiksactiviteiten. Ook zijn binnen deze functie een aantal vergunningplichten opgenomen. Dit geldt onder andere voor bepaalde bedrijfsactiviteiten, kinderdagverblijf/buitenschoolse opvang, bedrijfsmatige opslag van caravans, woningsplitsing en het slopen van karakteristieke bebouwing.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 8 Bestaande maatvoering
In dit artikel is geregeld dat indien bestaande maatvoering afwijkt van de regels in dit omgevingsplan, de bestaande maten toegestaan zijn en als maximum gelden.
In dit artikel zijn de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning die op grond van dit omgevingsplan vereist is geregeld.
Artikel 10 Algemene omgevingsplanactiviteiten
In dit artikel zijn algemene regels voor omgevingsplanactiviteiten geregeld. Dit gaat zowel algemene regels over bouwwerken als over gebruiksactiviteiten. Hierbij gaat het onder ander over beoordelingsregels voor bouwwerken zoals zonnepanelen.
Onder 'Functies en activiteiten' zijn specifieke gebruiksverboden opgetekent.
HOOFDSTUK 4 REGELS TER BESCHERMING VAN WAARDEN EN OBJECTEN
Artikel 12 Waarde – Archeologie 2
Ter plaatse van de aanduiding 'Waarde – Archeologie 2' zijn de gronden, naast de andere voor die gronden aangewezen functie, bedoeld voor het behoud van de mogelijk te verwachten archeologische waarden en mogelijk archeologische waarden in niet gekarteerde gebieden.
Deze functie bevat specifieke beoordelingsregels, aanvraagvereisten en vergunningvoorschriften voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken binnen dit functievlak. Daarnaast is er een vergunningplicht voor diverse aanlegwerkzaamehden. Dit komt voort uit het Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022.
Artikel 13 Milieuzone - hydrologische beïnvloeding
Binnen deze aanduiding geldt dan die gronden - naast de aangewezen functies - tevens zijn aangewezen voor het herstel, behoud en ontwikkeling van de hydrologische waarden. Er is een vergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Dit komt
Artikel 14 Vrijwaringszone - radiotelescoop 2
Binnen deze aanduiding geldt dat gronden - naast de aangewezen functies - tevens zijn aangewezen voor de bescherming tegen mogelijke storing van de Westerbork Synthese Radiotelescoop met bijbehorende instrumenten. Op gronden met deze aanduiding gelden specifieke beoordelingsregels voor omgevingsplanactiviteiten bouwwerken. Ook zijn aanvullende beoordelingsregels ter bescherming van de radiotelescoop opgenomen.
HOOFDSTUK 5 OVERGANGSREGELS
Artikel 15 Overgangsrecht
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken en functioneel gebruik.
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).
Nadeelcompensatie
In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
De kosten die gepaard gaan met het plan worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten die ook uit dit plan kunnen voortvloeien, zijn aanvragen voor een tegemoetkoming in schade. Aanvragen om tegemoetkoming in schade kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. De gemeente zal daarom met de initiatiefnemer een overeenkomst sluiten. Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap de kosten moet betalen die worden gemaakt in het belang van de aanvrager. Een exploitatieplan is niet nodig.
In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning om bij de aanvraag aan te geven:
Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. Er is één uitzondering. De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie een verplichte aanvraagvereiste is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college bevoegd gezag is (artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet). Als de aanvrager bij zo'n aangewezen geval niet of onvoldoende aan participatie heeft gedaan, kan het college de aanvraag buiten behandeling laten.
Er is aan participatie gedaan. Er is een gesprek geweest met de directe buren, op nr. 20. Deze hebben geen probleem met de voorgenomen wijziging van het Omgevingsplan. Ook is de parkbeheerder van het naastgelegen vakantiepark Hart van Drenthe benaderd en op de hoogte gebracht van de plannen. De parkeerbeheerder verwees de initiatiefnemer door naar de voorzitter van de VVE van het vakantiepark. Er is meermaals gepoogd (telefonisch) contact op te nemen met de voorzitter van de VVE, ook door middel van het achterlaten van een voicemail. Tot op heden heeft initiatiefnemer geen reactie hierop mogen ontvangen. Daaruit trekt initiatiefnemer de conclusie dat er geen bezwaar is. In ieder geval zijn beide direct aanliggende partijen van het voornemen in kennis gesteld en is er een gelegenheid geweest daarop te reageren.
Op basis van artikel 2.2 Omgevingswet houdt een bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af. Gezien de aard van de ontwikkeling is alleen overleg gevoerd met het waterschap. Resultaten daarvan zijn terug te vinden in de waterparagraaf.
Burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe maken bekend, dat het ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22M Oranjekanaal N.Z. 19 te Zwiggelte, met de daarop betrekking hebbende stukken, met ingang van 25 december 2025 gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen. Iedereen heeft daarbij de mogelijkheid gehad binnen die termijn te reageren op het ontwerpplan door middel van het indienen van een zienswijze. Er zijn geen zienswijzen ingediend en daarmee is het plan ongewijzigd vastgesteld en wordt gepubliceerd.
Een wijziging van een omgevingsplan treedt in beginsel in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. Na vaststelling van het omgevingsplan staat gedurende zes weken beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.