4.8 Bodemkwaliteit
Kader
Indien functiewijziging plaatsvindt en met name naar gevoelige functies, dan is het verrichten van bodemonderzoek noodzakelijk. De onderzoeken zijn uitgevoerd in verband met het opstellen van een bestemmingsplanwijziging en de daaruit voortvloeiende aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.
Onderzoek uitgeefbaar gedeelte plangebied
Onderzoek
Er is bodemonderzoek verricht voor het overgrote deel van de locatie door IDDS (Rapport betreffende een verkennend bodemonderzoek Leemskuilen 21A te Bladel; 1204E297/DBI/rap1, 31 juli 2012). De rapportage is opgenomen in Bijlage 5. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met het opstellen van een bestemmingsplanwijziging en de daaruit voortvloeiende aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.
Onderzoeksopzet
Doel van het onderzoek is vast te stellen of het voormalige, dan wel het huidige, gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt het verkrijgen van inzicht in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem.
Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de norm NEN 5740 (onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek, NNI, januari 2009) gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en eventueel vrijkomende grond.
Conclusies
Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.
-
Bovengrond
In de bovengrond zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemd materiaal (puin en baksteen) waargenomen. Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
De bovengrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen, PCB en minerale olie, matig tot sterk verontreinigd met kobalt, koper, lood en zink en is niet verontreinigd met de overige onderzochte zware metalen en PAK.
De aangetoonde matige/sterke verontreinigingen zijn vermoedelijk te relateren aan de bijmengingen met bodemvreemd materiaal.
-
Ondergrond
In de ondergrond zijn zeer plaatselijk bijmengingen met bodemvreemd materiaal (puin en baksteen) waargenomen. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.
De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte zware metalen, PCB’s, PAK en minerale olie.
-
Grondwater
Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie en is niet verontreinigd met de overige onderzochte zware metalen, vluchtige aromaten en VOCl. De gehalten kobalt, koper, lood en zink overschrijden respectievelijk de betreffende tussen- en interventiewaarden. Dergelijke verhoogde gehalten geven, ingevolge de Wet bodembescherming, aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek naar de omvang en mate van de verontreiniging.
In het kader van het bestemmingsplan is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in afdoende mate vastgesteld.
Aanbevelingen
- Geadviseerd wordt de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag, zijnde Gemeente Bladel, om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en de conclusies.
- Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden.
- Geadviseerd wordt in eerste instantie op korte termijn (in verband met de beperkte termijn dat de monsters nog aanwezig zullen zijn in het laboratorium) de mengmonsters, waarin de matige/sterke verhogingen zijn aangetoond, uit te splitsen. Dit teneinde de verspreiding (plaats van voorkomen) en mate van de verhogingen specifieker in kaart te brengen.
- Bij handhaving van het huidige gebruik van het terrein worden geen te nemen acties voorzien.
- Door de aanwezige verhardingen zijn geen risico's/contactmogelijkheden aanwezig. Bij herinrichting van het terrein vormen de aangetoonde verhogingen een aandachtspunt. Aanvullende acties zijn mogelijk noodzakelijk (een en ander is afhankelijk van de herinrichting). In dit kader wordt tevens geadviseerd met het bevoegd gezag af te stemmen hoe hiermee om te gaan.
Vervolg
De initiatiefnemer zal in overleg met het bevoegd gezag het bodemonderzoek laten uitwerken zodat meer inzicht wordt verkregen in de bodemkwaliteit. Voor zover nodig worden maatregelen getroffen.
Bodemonderzoek parallalweg zuidrand plangebied
Onderzoek
Voor de nieuwe parallelweg aan de zuidkant is door Econsutancy onderzoek verricht (Infrastructureel onderzoek Leemskuilen (ong.) te Bladel, gemeente Bladel, BLA.RAI.CIV; Rapportnummer 12061572, Eindrapportage, 31 juli 2012). De rapportage is opgenomen in Bijlage 6.
Onderzoeksopzet
Het infrastructureel onderzoek omvat een verkennend bodemonderzoek, verkennend onderzoek asbest, civieltechnisch onderzoek van de bodem, alsmede een doorlatendheidsonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een reconstructie, waarbij de openbare ruimte binnen het plangebied opnieuw wordt ingericht. Hierbij vindt tevens aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel plaats. In het kader van duurzaam waterbeheer zal het hemelwater, indien mogelijk, in de bodem worden geïnfiltreerd. Bij deze werkzaamheden zullen (verhardings)materialen en grond vrijkomen.
- Het onderzoek richt zich op de funderingslagen, de bovengrond, de onderliggende bodem, het grondwaterniveau en de doorlatendheid van de bodem. Op basis van de huidige informatie is derhalve geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming" (VED-HE). Dit in verband met het gebruik van de locatie als weg en het feit dat de locatie grotendeels verhard is met klinkers met daaronder mogelijk een (puin)funderingslaag. Verwacht wordt, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK, minerale olie en asbest.
- Er zijn tijdens de visuele inspectie maaiveld/toplaag (maaiveldinspectie) op het maaiveld géén asbestverdachte materialen aangetroffen. Het wegtraject is verhard met klinkers. Direct onder de klinkers van het wegtraject bevindt zich plaatselijk een laagje zwak siltig, matig fijn tot zeer grof zand. Plaatselijk is deze laag sterk grindhoudend. Onder deze laag bevindt zich een funderingslaag. De funderingslaag op het oostelijk deel bestaat volledig uit puin met een dikte van circa 20 cm. Onder het overige wegtraject bevindt zich een funderingslaag bestaande uit beton(brokken), grind en plaatselijk slakken.
- Het noordelijk deel van de onderzoekslocatie is eveneens verhard met klinkers. De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak siltig, zeer fijn tot zeer grof zand. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak tot matig grindig en/of zwak humeus. De bovengrond van het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit zwak siltig matig fijn zand en is plaatselijk tevens zwak humeus en/of zwak leemhoudend en/of zwak grindhoudend. De ondergrond van de onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit zwak siltig, zeer fijn tot zeer grof zand. De ondergrond is tevens plaatslijk zwak grindhoudend.
Conclusies
-
Verkennend bodemonderzoek
De bovengrond is plaatselijk (MM3) licht verontreinigd met zink, minerale olie en PCB. In de overige mengmonsters van de bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het gehalte PCB overschrijdt tevens de achtergrondwaarden van de gemeente Bladel. In overleg met de gemeente is, gezien de marginale overschrijding van de door de gemeente gestelde achtergrondwaarde van de parameter PCB, geen uitsplitsing verricht.
In de ondergrond is, in 1 mengmonster (MM1), een lichte verontreiniging met PCB aangetoond. Het gehalte PCB overschrijdt tevens de achtergrondwaarden van de gemeente Bladel. In het overige mengmonster van de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In overleg met de gemeente is, gezien de marginale overschrijding van de door de gemeente gestelde achtergrondwaarde van de parameter PCB, geen uitsplitsing verricht.
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de reconstructie van de onderzoekslocatie.
-
Verkennend onderzoek asbest
Ter plaatse van de gegraven asbestinspectiegaten en de verrichte boring zijn tijdens de veldwerkzaamheden zintuiglijk (fractie > 16 mm) geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In het geanalyseerde monster MMasb-1 (volledige puinlaag) en MMasb-2 (volledig beton, zwak slakhoudend) (beide > 20 % bodemvreemd materiaal) zijn géén verontreinigingen met hechtgebonden of niet-hechtgebonden asbest (fractie < 16 mm) aangetoond.
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" met betrekking tot de parameter asbest dient te worden beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen, waardoor gesteld kan worden dat de locatie onverdacht en niet verontreinigd is met asbest.
-
Indicatieve kwaliteit puinfundering
Uit de indicatieve toetsing van organische parameters van de fundatiematerialen aan de maximale samenstellingswaarden van het Besluit Bodemkwaliteit blijkt dat analytisch geen van de parameters zich boven de samenstellingswaarden bevinden. Het funderingsmateriaal is beoordeeld als mogelijk herbruikbaar.
-
Civieltechnische herbruikbaarheid bodem
Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het zwak siltig, zwak grindig, matig fijn tot matig grof zand alsmede het zwak siltig, zwak humeus zeer fijn zand herbruikbaar is als "zand in aanvulling of ophoging".
-
Doorlatendheidsonderzoek
De doorlatendheid van de zwak siltige, matig fijne bodemlagen wordt over het algemeen geclassificeerd als vrij goed doorlatend, waarbij k-waarden van 0,9 m/dag zijn aangetoond. De doorlatendheid van de zwak siltige, matig grove zandlaag bedraagt 2,8 m/dag en wordt derhalve als goed doorlatend geclassificeerd.
Op basis van de onderzoeksresultaten kan over het algemeen worden gesteld dat de onderzochte bodemlagen geschikt zijn voor de infiltratie van hemelwater. Econsultancy adviseert om de keuze voor de omgang met het hemelwater af te stemmen met de gemeente Bladel en het Waterschap De Dommel.