direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Wijzigingsplan Broekhovenseweg 14, Riethoven
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1724.WPUbrk0035-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor het perceel Broekhovenseweg 14 te Riethoven is de intentie om het bestaande agrarische bedrijf te beëindigen. Bedoeling is om het perceel te gaan benutten voor een bedrijf dat zich richt op (groot)handelactiviteiten. Deze activiteiten zijn alleen mogelijk als gebruik gemaakt wordt van de wijzigingsbevoegdheid, die hiervoor is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Bergeijk 2011'. Om deze reden is onderhavig wijzigingsplan opgesteld.

1.2 Plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Broekhovenseweg 14 te Riethoven en bestaat uit het huidige agrarische bouwvlak.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied Bergeijk 2011'. Dit plan is op 7 juli 2011 vastgesteld. Op het plan is een reactieve aanwijzing van de provincie gegeven, die is vastgesteld op 9 augustus 2011.

Voor het plangebied vigeren de enkelbestemming 'Agrarisch met landschapswaarden 1", met daarbij behorend de aanduiding 'bouwvlak" en de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - attentiegebied EHS', 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde' Als aanduidingen zijn voor het plangebied de gebiedsaanduidingen 'Reconstructiewetzone - Extensiveringsgebied' en 'groen blauwe mantel' van toepassing.

Tevens is het bestemmingsplan 'Herziening Buitengebied Bergeijk 2014'van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan geldt voor een gedeelte van het perceel de dubbelbestemming 'waarde - archeologie 4.1'. Ook de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' is van toepassing.

1.4 Bij het plan behorende stukken

Dit wijzigingsplan bestaat uit drie delen:

  • een verbeelding, waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven;
  • regels, waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen;
  • en voorliggende toelichting, waarin de keuzes die in het wijzigingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord worden. Hierin staat ook beschreven wat het vigerend beleid inhoudt en hoe bij de ontwikkeling met (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.

De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het wijzigingsplan.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven, waarna in hoofdstuk 3 het geldende beleidskader aan bod komt. In hoofdstuk 4 worden diverse milieuhygiënische en planologische aspecten verantwoord. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de juridische aspecten en in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt aandacht geschonken aan de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Het initiatief wordt beschreven, inclusief de inpassing in de directe omgeving. Tot slot wordt aangegeven hoe de vertaling in het wijzigingsplan heeft plaatsgevonden.

2.1 Bestaande situatie

Op het perceel aan de Broekhovenseweg 14 te Riethoven is in de huidige situatie sprake van een veeteeltbedrijf. De bedrijfsopstallen inclusief de bedrijfswoning zijn gelegen binnen het bouwvlak dat een oppervlakte van 6.000 m2 heeft. De voormalige bewoner had een leeftijd bereikt waarop hij wilde stoppen met het bedrijf. Dit heeft tot verkoop van het bedrijf geleid. De huidige eigenaar wil ter plekke een (groot)handelsbedrijf vestigen.

2.2 Het initiatief

De huidige eigenaar heeft het voornemen, om het agrarische bedrijf beëindigd te houden en ter plekke een (groot)handelsbedrijf in gereedschappen te beginnen. Ter plaatse zal dit voornamelijk bestaan uit het opslaan van goederen en beperkt verrichten van administratieve handelingen.

Dit betekent, dat een gedeelte van de aanwezige voormalige agrarische bedrijfsgebouwen zal worden geamoveerd. De resterende oppervlakte (400 m²) wordt aangewend voor het (groot)handelsbedrijf.

Daarnaast zal de huidige eigenaar de bestaande bedrijfswoning, bestaande uit een cultuurhistorisch waardevolle boerderij met een inhoud van 1.280 m³ , gaan verbouwen. Daarbij zal hij de cultuurhistorische waarden respecteren en behouden en waar mogelijk gaan herstellen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied moet passen binnen het vigerend beleid op zowel nationaal, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau. Voor de ontwikkeling en het plangebied zijn verschillende beleidsstukken relevant. Gezien de beperkte aard en omvang van het planvoornemen worden er op nationaal niveau geen uitspraken gedaan ten aanzien van het voorliggend initiatief. Hierna zijn derhalve de belangrijkste bevindingen uit het provinciaal en gemeentelijk beleid beschreven en wordt aangegeven hoe de ontwikkeling van het plangebied hierop inspeelt.

3.1 Provinciaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Noord-Brabant

Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. De SVRO bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Eén van deze instrumenten is de provinciale verordening. In de Verordening Ruimte zijn de kaderstellende elementen uit de SVRO vertaald in concrete regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De SVRO gaat in op de ruimtelijke kwaliteiten van de provincie Noord-Brabant. Mens, markt en milieu zijn binnen de provincie in evenwicht. Daarom kiest de provincie in haar ruimtelijke beleid tot 2025 voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en voor een kennisinnovatieve economie met als basis een klimaatbestendig en duurzaam Brabant. Het principe van behoud en ontwikkeling van het landschap is in de structuurvisie de 'rode' draad die de ruimtelijke ontwikkelingen stuurt. De provincie wil het contrastrijke Brabantse landschap herkenbaar houden en verder versterken. Daarom wordt ingezet op de ontwikkeling van robuuste landschappen, een beleefbaar landschap vanaf het hoofdwegennet en behoud en versterking van aanwezige landschapskwaliteiten. Voor heel Noord-Brabant zijn gebiedspaspoorten opgesteld. In de gebiedspaspoorten is aangegeven welke landschapskenmerken bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of een landschapstype. Daarnaast zijn de provinciale ambities weergegeven voor de ontwikkeling van de landschapskwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen kunnen een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nieuwe en gebiedseigen kwaliteiten.

Tenslotte zet de provincie in op het behouden van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in het buitengebied. Hiermee wordt het cultuurhistorische erfgoed zo veel mogelijk behouden.

Relatie met het bestemmingsplan

Het planvoornemen voorziet in omzetting van een agrarische bestemming in een kleinschalige bedrijfsbestemming. Dit is in lijn met het bovenvermelde beleid.

3.1.2 Verordening Ruimte Noord-Brabant 2014

In de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014, zoals vastgesteld door provinciale Staten op 14 maart 2014, zijn regels opgenomen waaraan gemeentelijke bestemmingsplannen en daarmee gelijk te stellen ruimtelijke planvormen (zoals hier het geval) in principe moeten voldoen. Op de planlocatie is een aantal rechtstreeks werkende regels , structuren en aanduidingen en de daarbij van toepassing zijnde regels van de verordening van toepassing.

Algemene rechtstreeks werkende regels

Het betreft hier regels omtrent mestverwerking, en beperking van veehouderijen. Aangezien met het planinitiatief geen sprake is van een uitbreiding of v verandering van een veeteeltbedrijf, noch van het oprichten van een installatie voor mestverwerking zijn deze bepalingen niet van belang.

Algemene regels voor bevordering van ruimtelijke kwaliteit

Wat betreft de regels voor de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit (zoals vervat in artikel 3.1 van de provinciale verordening) kan wat betreft behoud/bevordering van ruimtelijke kwaliteit en in bijzonder wat betreft zorgvuldig ruimtegebruik het volgende over voorliggend plan worden opgemerkt:

  • Er wordt gebruik gemaakt van bestaande bebouwing c.q. een bestaand bouwperceel. Er vindt sanering plaats van een gedeelte van de bestaande bedrijfsbebouwing, te weten 290 m², waarmee er nog een totaal aan bedrijfsbebouwing van 400 m² resteert. De bebouwing zal, indien toepassing wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid, uitsluitend mogen worden opgericht in het nieuwe verkleinde bouwvlak.
  • het plan heeft in verschillende opzichten ofwel geen gevolgen voor de locatie en omgeving ofwel wordt daarmee, voor zover dat (zeer beperkt) wel het geval is, op verantwoorde wijze rekening gehouden, met name ook waar het gaat om bodemkwaliteit, waterhuishouding en/of ecologische, aardkundige en landschappelijke waarden; (voor zover dat speelt wordt daarop nog nader ingegaan in hoofdstuk 4).
  • Het plan past in de omgeving voor wat betreft het aspect milieu en volksgezondheid. In het vervolg zal hier nog nader op worden ingegaan.
  • Voldaan wordt aan de eis dat de ontwikkeling moet zijn afgestemd op de bestaande infrastructuur. Het plangebied grenst direct aan de openbare weg. Het vervoer van goederen en personen is beperkt vanwege de aard en de omvang van de functie.

Daarmee wordt aan de betreffende regel van de verordening voldaan.

Met betrekking tot de regels voor de kwaliteitsverbetering van het landschap (zoals vervat in artikel 3.2) kan in relatie tot het plan het volgende opgemerkt worden:

  • Er is sprake van het opheffen van een agrarisch bouwblok met een oppervlak van 6.000 m² binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden 2' en het realiseren, binnen de contouren van dit bouwblok van een bedrijfsbestemming van 5000 m².
  • Voorts wordt kwaliteitsverbetering doorgevoerd door toepassing van maatregelen, zoals genoemd in artikel 3.2 Vr door:
  • Het zodanig verbouwen van de huidige boerderij, dat de cultuurhistorische waarden worden gerespecteerd, behouden en waar mogelijk hersteld.
  • Het amoveren van 290 m² aan huidige bedrijfsopstallen.
  • Handhaven van de huidige erfbeplanting en aanvullend aanplanten van erfbeplanting, beide ter plaatse van de aanduiding "groen".

Om op een toereikende wijze aan deze voorwaarden te voldoen heeft de gemeente Bergeijk met de provincie in het RRO afspraken gemaakt. Op basis van deze afspraken dient te worden berekend, welke waardevermeerdering er optreedt door het veranderde gebruik in het plangebied. Vervolgens dient 20 % van deze waardevermeerdering besteed te worden aan ruimtelijke kwaliteitsverbetering. In paragraaf 3.2.3 van deze toelichting is in beeld gebracht welke maatregelen worden toegepast en wat de hiermee gepaard gaande kosten zijn. Inzichtelijk is gemaakt dat meer dan 20% van de waardevermeerdering wordt bijgedragen aan ruimtelijke kwaliteitsverbetering.

In de planregels van het voorliggende wijzigingsplan zal een voorwaardelijke verplichting worden opgenomen, zodat de landschappelijke kwaliteitsverbetering bestuursrechtelijk kan worden geborgd en gehandhaafd.

Daarmee wordt ook aan deze regel van de verordening voldaan.

Op de planlocatie gelden de provinciale structuur 'gemengd landelijk gebied' en de aanduidingen 'attentiegebied ecologische hoofdstructuur' en 'beperkingen veehouderij'.

In de planregels van de provinciale verordening is verder bepaald, dat indien er meerdere structuren en/of aanduidingen op een bouwperceel van toepassing zijn, het zwaarste regime geldt.

Hierna zal nader worden ingegaan op de regels van de betreffende structuur en aanduidingen.

Structuur: gemengd landelijk gebied

De regels die gelden voor gronden waarop deze structuur van toepassing is, onderscheiden een tweetal deelgebieden. Een daarvan is een gebied met een gemengde plattelandseconomie met daarbij passende bestemmingen.

In de omgeving van de planlocatie is sprake van een menging van functies. Zo zijn in de directe nabijheid burgerwoningen gelegen, maar ook (agrarische) bedrijven. Daarnaast zijn de ongebouwde grondenaangewezen voor agrarische doeleinden. Op een wat grotere afstand liggen gronden met een landschappelijke functie en waterstaatkundige functie.

Het toekennen van een bedrijfsmatige functie met het behouden van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing draagt voorts bij aan de aanwezige ruimtelijke kwaliteit.

Met betrekking tot de bedrijfsmatige functie kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de regels zoals die zijn opgenomen in artikel 7.10.

Sprake is van een (groot)handelsbedrijf. Op grond van de 'bedrijven en milieuzonering' kunnen deze activiteiten worden geschaard onder milieucategorie 2. Met het wijzigingsplan wordt namelijk het bouwvlak verkleind naar 5000 m². Voor de overige gronden komt het bouwvlak te vervallen.

Een substantieel gedeelte van de bebouwing wordt gesloopt. De bedrijfsbebouwing blijft beperkt tot 400 m². Daarmee kan worden gesproken van een kleinschalige ontwikkeling.

Aan de betreffende regels wordt voldaan.

Aanduiding: attentiegebied ecologische hoofdstructuur

De betreffende regels bepalen dat in aanvulling op de regels van de structuur gemengd landelijk gebied er geen negatief effect op de waterhuishouding mag plaatsvinden. Dit dient te worden geborgd door het opnemen van regels ten aanzien van:

  • het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet;
  • de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage;
  • het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;

In het geldende bestemmingsplan bij de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - attentiegebied EHS' zijn regels opgenomen die hieraan voldoen.

Aangezien de betreffende dubbelbestemming gehandhaafd blijft voldoet het planinitiatief ook aan deze regels.

Aanduiding: beperking veehouderij

Aangezien er geen sprake is van een ontwikkeling van een veehouderij zijn de regels van deze aanduiding op de planlocatie niet van toepassing.

3.1.3 Conclusie

Op basis van voorgaande punten kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan de regels van de provinciale Verordening ruimte 2014 voor zover die van toepassing zijn op de ontwikkeling die met voorliggend plan beoogd wordt.

3.2 Gemeentelijk beleid

3.2.1 Bestemmingsplannen 'Buitengebied Bergeijk 2011' en 'Buitengebied herziening 2014'

Het gemeentelijk beleid dat relevant is voor het plangebied is verwoord in het vigerende plan 'Buitengebied Bergeijk 2011' en het bestemmingsplan 'Buitengebied herziening 2014'.

Voor het plangebied vigeert op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011" de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1'. Middels het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2014" zijn de regels die op deze bestemming van toepassing zijn gedeeltelijk gewijzigd.

Binnen de bestemming is in artikel 5.7.10 aangegeven dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vestiging van niet-agrarische functies, waarbij moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden.

Hieronder worden deze voorwaarden aangegeven en wordt vermeld hoe aan de voorwaarden voldaan wordt.

  • a. Wijziging is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het bouwvlak

Het plangebied van onderhavig wijzigingsplan betreft het vigerende bouwvlak dat is gesitueerd op het perceel Broekhovenseweg 14, Riethoven.

  • b. Deze wijziging is niet toegestaan op bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'.

Ter plaatse is de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' van toepassing.

  • c. Het bouwvlak wordt verwijderd en de oppervlakte van het bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan 5.000 m² waarbinnen de voormalige agrarische bedrijfswoning met bijbehorende verhardingen en bebouwing ten behoeve van de niet agrarische functie is gesitueerd.

Binnen de contouren van het vigerende agrarische bouwblok is een bedrijfsbestemming gesitueerd met een oppervlakte van 5.000 m². Binnen het bestemmingsvlak bevinden zich de voormalige agrarische bedrijfswoning en de voormalige agrarische opstallen, die hergebruikt worden ten behoeve van de niet-agrarische functie met omliggende verhardingen.

Rondom het bestemmingsvlak 'bedrijf' blijft de vigerende onbebouwde bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1'.gehandhaafd.

  • d. In afwijking van het bepaalde onder c mag de omvang van het bestemmingsvlak ten behoeve van een agrarisch technisch hulpbedrijf, agrarisch verwant bedrijf, horeca, dagrecreatieve en/of maatschappelijke voorziening niet meer bedragen dan 1.5 ha, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'groenblauwe mantel'/ 'overige zone - groenblauwe mantel' waar de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan 5.000 m².

Deze situatie is bij onderhavig initiatief niet aan de orde. Immers de oppervlakte van de bedrijfsvoering beperkt zich tot 5.000 m².

  • e. De oppervlakte aan bebouwing ten behoeve van de niet-agrarische functies per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot de onder g genoemde oppervlakte, waarbij cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en monumenten ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' gehandhaafd dienen te blijven. Nieuwbouw ten behoeve van de niet-agrarische functie is toegestaan, met dien verstande dat het in totaal op het perceel aanwezige bebouwd oppervlak als gevolg van de nieuwbouw niet mag toenemen.

De bestaande gebouwen zullen worden teruggebracht tot een oppervlakte van 400 m² aan bedrijfsgebouwen. Verder zal tot een maximum van 100 m² aan bijgebouwen bij de bedrijfswoning in stand worden gelaten. Door de sloop wordt op aantoonbare wijze een bijdrage geleverd aan de vereiste ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De huidige bedrijfswoning bevat cultuurhistorische waarden. Deze zullen worden behouden en waar mogelijk worden hersteld. Dit wordt eveneens als voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan.

  • f. De volgende niet-agrarische functies en bijbehorende maximale oppervlakte zijn toegestaan:
  • 1. statische (binnen)opslag, waarbij de oppervlakte van de bebouwing ten behoeve van opslag niet meer mag bedragen dan 1.000 m²;
  • 2. recreatie, waarbij de oppervlakte van de bebouwing ten behoeve van recreatie niet meer mag bedragen dan 500 m², waarbij een oppervlakte van 100 m² gebruikt mag worden ten behoeve van ondergeschikte horeca;
  • 3. een bedrijf in categorie 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten (zie bijlage 1) of een naar aard en invloed hiermee gelijk te stellen bedrijf, waarbij de oppervlakte van de bebouwing ten behoeve van het bedrijf niet meer mag bedragen dan 400 m²;
  • 4. zorgboerderijen, kinderboerderijen, educatieve en sociale voorzieningen, waarbij de oppervlakte van de bebouwing ten behoeve van deze voorzieningen niet meer mag bedragen dan 400 m², waarbij een oppervlakte van 100 m² gebruikt mag worden ten behoeve van ondergeschikte horeca.

Zoals aangegeven blijven, naast de bedrijfswoning, een aantal opstallen tot een maximum van 400 m² gehandhaafd voor de uitoefening van de bedrijfsfunctie. Aldus kan geconstateerd worden dat aan de bepalingen onder f voldaan wordt.

  • g. Buitenopslag en opslag in kassen is niet toegestaan

Er is uitsluitend binnenopslag voorzien en niet in kassen.

  • h. Detailhandel en/of een zelfstandige kantoorvoorziening met baliefunctie zijn niet toegestaan, uitgezonderd productiegebonden detailhandel tot maximaal 100 m² ten behoeve van activiteiten zoals genoemd in g onder 4.

Niet van toepassing voor onderhavig initiatief.

  • i. De niet-agrarische functie mag geen onevenredige beperkingen opleveren voor de bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven.

De nieuwe bedrijvigheid in het plangebied heeft krachtens de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' een maximale richtafstand van 30 m (omgevingstype 'rustig buitengebied'). Gevoelige bebouwing rondom het plangebied bevindt zich op meer dan 30 m van de bedrijfsbestemming, zodat het bedrijf geen beperkingen ondervindt.

  • j. De niet-agrarische functie mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben.

Het nieuwe bedrijf betreft een (groot)handelsbedrijf in gereedschappen zonder personeel. Dit bedrijf is aan te merken als een arbeidsextensief (eenmansbedrijf) en bezoekersextensief bedrijf. Ingevolge de brochure 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW (brochure 317, oktober 2012) is de verkeersgeneratie voor een dergelijk bedrijf in het buitengebied gemiddeld 4.8 motorvoertuigen per 100 m² B.V.O. Het bedrijf heeft een B.V.O. van 400 m². De verkeersgeneratie bedraagt daarmee in theorie ca. 20 motorvoertuigen/etmaal, inclusief vrachtverkeer. In praktijk zal dit aantal beduidend kleiner zijn, namelijk 5 personenauto's per dag. Daarnaast zal het bedrijf maximaal 2 x per week worden bezocht door bestelauto's en/of kleine vrachtwagens met een laadvermogen van maximaal 10 ton.

Er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. augustus 2012 (bijlage 3). In deze toelichting wordt er vanuit gegaan, dat voor het planinitiatief sprake is van de categorie in de landschapsinvesteringsregeling waar de zwaarste inspanning moet worden geleverd om te kunnen voldoen aan de ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Voor deze categorie is een methodiek vastgesteld op basis waarvan kan worden bepaald welke tegenprestatie moet worden geleverd. Deze tegenprestatie kan bestaand uit een of meerdere activiteiten die tot een verbetering van de kwaliteit van het landschap leiden.

Dit zijn onder meer:

  • Slopen van overtollige bebouwing
  • Aanleggen van groenelementen
  • Herstellen van cultuurhistorische waarden
  • Verkleinen van bouwblok

Met het planinitiatief wordt in deze vier onderdelen geïnvesteerd.

Allereerst wordt bepaald hoe hoog deze investering dient te zijn. Daartoe dient onderstaande berekening:

Functie 1   Oppervlakte   Waarde/m²   Totaal  
Agrarisch bouwblok met bedrijfswoning   6.000   € 25,--   € 150.000,--  
Functie 2   Oppervlakte   Waarde/m²   Totaal  
Agrarisch onbebouwd   1.000   € 5,--   € 5.000,--  
Bedrijven   5.000   € 80,--   € 400.000,--  
      € 405.000,--  
Waardevermeerdering       € 255.000,--  
Bijdrage lir   20% waardevermeerdering     € 51.000,--  

Onderstaand volgt vervolgens een berekening van de investering die met het planinitiatief wordt gedaan in de verbetering van de kwaliteit van het landschap:

Activiteit   Oppervlakte/stuks   Inbreng per m²/stuk   Waardedaling per m²   Kosten   Waarde  
Slopen bebouwing   290 m²   € 25,--       € 7.250,--  
Bosplantsoen/hakhoutsingel   400 m²     € 6,20     € 2.480,--  
Beplanting   500 stuks   € 1,50       € 1.042,50  
Herstellen cultuurhistorische waarden         Zie begroting   € 85.375,--  
Inbreng           € 96.146,50  

In bijlagen 1 en 2 wordt inzichtelijk gemaakt wat de bestaande situatie is, hoeveel vierkante meter aan bedrijfsgebouwen wordt gesloopt en wat de nieuwe situatie zal worden. Daaruit blijkt ook het aantal te slopen vierkanten meters aan bebouwing.

Op dit moment bevindt zich al grotendeels een beplantingssingel rondom de bedrijfskavel. Daarnaast zal deze singel worden uitgebreid aan de zuidzijde en gedeeltelijk aan de oostzijde en zal deze worden aangeplant met inheemse beplanting. Deze erfbeplanting kan mede worden aangemerkt als een bijdrage aan de landschappelijke inpassing van het bedrijf, zoals ook verplicht is gesteld vanuit de provinciale verordening. Bovendien wordt de instandhouding van deze erfbeplanting als voorwaardelijke verplichting opgenomen in het bestemmingsplan. Het erfbeplantingsplan is als bijlage 3 aan deze onderbouwing toegevoegd.

In bijlage 4 is een kostenbegroting opgenomen waaruit de investering in het herstellen van de cultuurhistorische waarden blijkt.

  • k. De verwezenlijking, het behoud en het beheer van het (zoekgebied voor) een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'zoekgebied ecologische verbindingszone'/ 'overige zone - zoekgebied ecologische verbindingszone' mag niet worden belemmerd of aangetast.

In de omgeving van het plangebied zijn geen gebieden gelegen met een dergelijke aanduiding. Gelet op de wijziging (van agrarisch bedrijf naar een niet agrarisch bedrijf inclusief amoveren van overtollige bebouwing), en het completeren van de erfbeplanting zal er geen negatief effect uitgaan naar de gebieden met de genoemde aanduidingen, maar eerder worden versterkt.

  • l. Indien de wijziging plaatsvindt op een locatie welke gelegen is binnen de aanduiding 'groenblauwe mantel'/ 'overige zone - groenblauwe mantel',, dient een positieve bijdrage geleverd te worden aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische, hydrologische en landschappelijke waarden en kenmerken door ten minste 10% van de oppervlakte van het bouwvlak aan te wenden voor landschappelijke inpassing rondom de locatie danwel elders in het plangebied van dit bestemmingsplan.

Binnen de bedrijfsbestemming wordt 10% benut voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze kwaliteitsverbetering wordt verkregen door sloop van de overtollige bebouwing (ruim 280 m²) en het herstel van de cultuurhistorische waarden van de boerderij. Rondom de bedrijfskavel wordt de erfbeplanting gecompleteerd. Op de verbeelding is dit oppervlak opgenomen onder de functieaanduiding 'groen'. Daarmee is ruimschoots voldaan aan de eis van kwaliteitsverbetering.

  • m. De wijziging dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat.

Het betreffende bedrijf zal geen beperkingen opleveren voor het gebruik van de naastgelegen woningen, noch voor het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen. Immers deze mogen maximaal 20 meter van deze woningen zijn verwijderd. Hiervan uitgaande, is de afstand tussen het bijgebouw en het nieuwe bedrijf nog ruim 40 meter.

Met het wijzigen van een agrarische bestemming in een bestemming voor een milieucategorie2-bedrijf zal het woon- en leefklimaat in de directe omgeving zelfs nog verbeteren aangezien het agrarische bedrijf een grotere milieu-planologische hinder naar de omliggende woningen met zich meebrengt.

Voor de overige milieu-hygienische aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 4.

  • n. Indien de wijziging samenvalt met de bestemming 'Leiding - Gas', dient vooraf schriftelijk advies te worden ingewonnen bij de leidingbeheerder.

Binnen het plangebied is hier geen sprake van.

Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2014"geldt voor een gedeelte van het perceel de dubbelbestemming 'waarde - archeologie 4.1'.

Ook de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' is van toepassing.

Het gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid vanuit het bestemmingsplan 'buitengebied Bergeijk 2011' heeft geen gevolgen voor deze dubbelbestemming en aanduiding.

3.2.2 'Landschapsinvesteringsregeling De Kempen'

3.2.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er voor het initiatief vanuit provinciaal en gemeentelijk beleid geen belemmeringen aanwezig zijn en wordt voldaan aan de provinciale en gemeentelijke eisen van investeren in de kwaliteit van het landschap.

Hoofdstuk 4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording

Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een bestemmingsplan of daarmee vergelijkbare planvorm verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk is een verantwoording voor deze aspecten opgenomen.

4.1 Bodem

De voorgenomen functiewijziging leidt niet tot een gevoeliger gebruik in relatie tot de bodem- en grondwaterkwaliteit en/of tot een intensievere mogelijkheid tot het oprichten van bebouwing. Het gebruik van de bestaande bedrijfsbebouwing verandert weliswaar, maar zal tot een extensiever verblijf van personen leiden. De verblijfstijd zal in het algemeen korter dan 2 uur zijn.

De bebouwing zal bestaan uit een gedeelte van de huidige bedrijfsgebouwen. Mogelijkheden op grond van de nieuwe bestemming leiden niet tot het kunnen oprichten van bebouwing op plaatsen waar dat op grond van de huidige bestemming niet is toegestaan en ook niet tot oppervlaktes die nu mogelijk zijn..

4.1.1 Conclusie

Vanwege bodem- en grondwaterkwaliteit zijn er geen belemmeringen aanwezig voor het initiatief.

4.2 Water

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is het opstellen van een waterparagraaf verplicht gesteld, mede in relatie tot de watertoets. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding.

4.2.1 Vigerend beleid waterschap

Het plangebied valt onder het beheer van waterschap de Dommel.

Het waterschap heeft als uitgangspunt hydrologisch neutraal bouwen. De constatering dat we te maken krijgen met klimaatveranderingen, zeespiegelstijging, bodemdaling en verdere verstedelijking leidt tot het besef dat we anders moeten omgaan met water. Dit besef leidt tot de bekende trits 'vasthouden, bergen, afvoeren'. Alle waterbeheerders kiezen samen voor het principe dat een overschot aan water wordt opgevangen waar dit ontstaat. Dat betekent dat we het water proberen vast te houden. Daarmee voorkomen we problemen met wateroverlast in lager gelegen gebieden en tegelijkertijd met watertekort in het eigen gebied. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen we het water. Pas als het niet anders kan, voeren we het water af naar een ander gebied. Hydrologisch neutraal bouwen past in deze trits en voorkomt dat versnelde afvoer vanuit de bebouwde omgeving plaatsvindt. In de notitie 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk' maakt het waterschap inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om de negatieve hydrologische consequenties te compenseren.

Uitgangspunten bij hydrologisch neutraal ontwikkelen:

  • Bij nieuwe plannen wordt altijd onderzocht hoe omgegaan kan worden met hemelwater volgens de voorkeursvolgorde: hergebruik - infiltreren - bufferen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar RWZI.
  • De hydrologische situatie in de nieuwe situatie dient minimaal gelijk te blijven aan de oorspronkelijke situatie (vóór de nieuwe stedelijke ontwikkeling) in een gemiddeld nat jaar en in een situatie die 1 maal per 10 jaar voorkomt (T=10 (+10%)). Hierbij mag de oorspronkelijke afvoer uit het gebied niet overschreden worden en de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) niet worden verlaagd.

Concreet betekent dit dat:

  • de afvoer uit het gebied niet groter is dan in de referentiesituatie;
  • de omvang van grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
  • de grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;
  • de (grond)waterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf;
  • het plangebied zo moet worden ingericht, dat de gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving, die van invloed zijn op de (grond)waterstanden, niet leiden tot knelpunten in het plangebied.
  • Daarnaast mag er door de voorgenomen ontwikkeling in of buiten het plangebied in een T=100 situatie geen schade ontstaan als gevolg van inundatie.
  • De infiltratie- /bergingsvoorziening dient plaats te vinden boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG).

Ter ondersteuning van deze punten is een methodiek (toetsingsinstrumentarium) ontwikkeld waarmee een plan relatief eenvoudig getoetst kan worden op hydrologische neutraliteit. Het instrumentarium geeft een indicatie van de benodigde omvang van de infiltratie- en bergingsvoorziening en het daaraan gekoppelde ruimtebeslag.

Bij alle bouwplannen is het uitgangspunt een scheiding van vuil water en (schoon) hemelwater. Dit is ook het geval indien nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer worden zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de kwaliteitstrits "schoonhouden - scheiden - zuiveren" worden in alle gevallen, en zeker in geval van nieuwbouw, de mogelijkheden van bronmaatregelen (schoonhouden) onderzocht. Bronmaatregelen zijn bijvoorbeeld een zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen, zonder toepassing van uitloogbare materialen), het voorkomen van de blootstelling van bouwmetalen aan regenwater en verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer).

4.2.2 Huidige waterhuishoudkundige situatie

De planlocatie ligt op een hoogte van 25m + NAP (www.ahn.nl), waarbij de gemiddelde hoogste grondwaterstand zich bevindt op een diepte van 40 cm onder maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstand 120 cm onder maaiveld (Watertoetsviewer De Dommel).

4.2.3 Toets planontwikkeling aan het beleid

Algemeen

Bij de bouw zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van niet-uitloogbare materialen. Zo wordt verontreiniging van bodem en grondwater voorkomen.

Afvalwater

Het beleid van het waterschap is erop gericht om zoveel mogelijk gebruik te maken van een gescheiden rioleringsstelsel. Het beleid van de gemeente sluit hierbij aan. Een van de eisen van de gemeente is dan ook de aanleg van een gescheiden rioolafvoer.

Met de voorgenomen wijziging zullen zowel de bouwmogelijkheden als de mogelijkheden tot het aanbrengen van verharding substantieel afnemen. Er is geen sprake van een nieuwe ontwikkeling ten opzichte van de referentiesituatie en daarmee geen noodzaak tot aanpassing van de huidige rioolvoorzieningen.

Hemelwater

Ingevolge het actuele waterbeleid c.q. de toetsing van waterschap De Dommel dient bij nieuwe ruimtelijke situaties/plannen met betrekking tot het duurzaam omgaan met water nagegaan te worden of:

  • 1. Opvang en hergebruik van regenwater mogelijk is (i.p.v. gebruik van leiding- of bronwater);
  • 2. (vervolgens) infiltratie van (het resterende) schoon water in de ondergrond plaats kan vinden;
  • 3. Als dat niet mogelijk is, een gereguleerde afvoer naar oppervlaktewater plaats kan vinden;
  • 4. Indien bovengenoemde maatregelen niet mogelijk zijn, afvoer via de riolering in een verbeterd gescheiden rioolsysteem plaats kan vinden.

Het planinitiatief voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen ten opzichte van de op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane mogelijkheden binnen het bouwvlak. Ten opzichte van de bestaande situatie zal de feitelijke bebouwing verminderen. Ten opzichte van de huidige toegestane bebouwing is er sprake van een afname van ruim 5.300 m². Ook met betrekking tot de aanwezige verharding zal geen verandering plaatsvinden. De ruimtelijk toegestane mogelijkheden tot het aanbrengen van verharding zal met 1.000 m² afnemen. Vanwege deze substantiële afname van bebouwingsmogelijkheden en aanbrengen van verharding kan in alle redelijkheid geen sprake zijn van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Dit betekent, dat er uitsluitend een met betrekking tot het aspect 'hemelwater' positieve wijziging optreedt ten opzichte van de referentiesituatie. en dat de op te richten bebouwing m.b.t. de opvang van het hemelwater hier niet verder wordt beoordeeld. Derhalve voldoet het planvoornemen aan het principe 'Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen'.

4.2.4 Conclusie

Met de keuze van de bouwmaterialen wordt verontreiniging van bodem en grondwater voorkomen. M.b.t. het hemelwater vindt er een substantiële verbetering op ten opzichte van de referentiesituatie.

Gelet op de huidige situatie zal het wijzigingsplan op de planlocatie uitsluitend een positieve invloed hebben op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.

4.3 Geluid

4.3.1 Wegverkeerslawaai

Conform de Wet geluidhinder (Wgh) dient een akoestisch onderzoek te worden verricht indien er sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een geluidzone wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Uitzondering hierop vormen wegen in een 30 km-zone.

In het plangebied worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd. Conform de Wet geluidhinder geldt geen eis tot akoestisch onderzoek.

4.3.2 Conclusie

Er zijn geen akoestische belemmeringen voor het wijzigingsplan aan de orde.

4.4 Luchtkwaliteit

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit') bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:

  • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit;
  • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven;
  • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht;
  • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Het voorliggende wijzigingsplan maakt de vestiging mogelijk van een (groot)handelsbedrijf Dit bedrijf is aan te merken als een arbeidsextensief (eenmansbedrijf) en bezoekersextensief bedrijf. Ingevolge de brochure 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW (brochure 317, oktober 2012) is de verkeersgeneratie voor een dergelijk bedrijf in het buitengebied gemiddeld 4.8 motorvoertuigen per 100 m² B.V.O. Het bedrijf heeft een B.V.O. van bijna 400 m². De verkeersgeneratie bedraagt daarmee in theorie ca. 20 motorvoertuigen/etmaal, inclusief vrachtverkeer. In praktijk zal dit aantal beduidend kleiner zijn.

Geconstateerd kan worden dat dit aantal zich ver onder de grens van 7500 verkeersbewegingen bevindt, die gehanteerd wordt als bovengrens voor 'niet in betekenende mate'.

4.4.1 Conclusie

Aangezien de verkeersaantrekkende werking van dit plan gelijk is aan circa 20 verkeersbewegingen per etmaal, kan gezien het voorgaande geconcludeerd worden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Op basis van artikel 5.16, lid 1, aanhef en onder c van de Wet milieubeheer kan het project zonder nader onderzoek doorgang vinden.

4.5 Externe veiligheid

4.5.1 Algemeen

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (o.a. van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden.

Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (o.a. l.p.g.- tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (o.a. aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).

Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

4.5.2 Risicovolle inrichtingen

Op de kruising Broekhovenseweg/Stevertsebaan is weliswaar een LPG-station gelegen, maar de grens van de plaatsgebonden risicocontour is op rum 280 meter van de grens van het plangebied gelegen. Aannemelijk is dat het plangebied daarmee dus ook buiten contour van het groepsrisico ligt. Overigens wijzigt de bestemming niet dusdanig dat er sprake is van een toenemend risico t.o.v. genoemd LPG-station. In de omgeving van de planlocatie zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen.

4.5.3 Besluit externe veiligheid transportroutes

Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) ontstaan. Dit besluit is per 1 april 2015 in werking getreden. Tevens is de regeling Basisnet vastgesteld die op dezelfde datum in werking is getreden.

Op grond van het Bevt dient een ruimtelijk plan met betrekking tot de plaatsgebonden contour een afstand in acht te nemen, zoals die in de regeling Basisnet is opgenomen.

Er ligt geen plaatsgebonden contour op grond van deze regeling over de planlocatie.

Er zijn geen risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen aanwezig in de nabijheid van het plangebied.

4.5.4 Conclusie

Vanwege externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het initiatief.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

4.6.1 Wet Geur en veehouderij

Binnen de geurcontour van een nabijgelegen agrarisch bedrijf worden geen geurgevoelige objecten geprojecteerd. Immers op de planlocatie is sprake is van een woning die deel uitmaakte van een agrarisch bedrijf en na 19 maart 2000 ophoudt deel uit te maken van een agrarisch bedrijf. Daarmee zijn de normen gelijk aan die van de woning van een agrarisch bedrijf.

Met andere woorden de betreffende veehouder wordt niet in zijn bedrijfsvoering beperkt, maar ook niet in zijn uitbreidingsmogelijkheden.

Vanuit de omgekeerde werking van de normering van de Wet geur en veehouderij dient ook de vraag beantwoord te worden of er ter plaatse van de woning sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

In de huidige situatie is sprake van een afstand van 50 meter ten opzichte van de aanwezige stallen van het nabijgelegen agrarische bedrijf ten opzichte van de woning op de planlocatie.

Aangezien het nabijgelegen agrarische bedrijf op grond van de regelgeving vanuit de provinciale verordening niet dichter bij de woning op de planlocatie zal mogen bouwen is de afstand van 50 meter gewaarborgd.

Ter zake is een tweetal uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State relevant te weten zaaknummer 200706894/1 van 26 november 2008 en zaaknummer 200705084/1 van 4 maart 2009.

4.6.2 Bedrijven en milieuzonering

Er dient een noodzakelijke ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de leefkwaliteit. De milieuhinder van bedrijven dient te worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Indien milieubelastende functies in het plangebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt.

De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009). In deze brochure is een bedrijvenlijst opgenomen die informatie geeft over de milieukenmerken van typen bedrijven.

Vervolgens wordt in de lijst op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, gevaar en verkeer) een indicatie gegeven van de afstanden tussen bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals rustig buitengebied), waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden.

Deze afstand is gebaseerd op de grootste indicatieve afstand. De lijst is algemeen geaccepteerd als uitgangspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het (groot)handelsbedrijf waarvan in het initiatief in onderhavig wijzigingsplan sprake is, is ingevolge de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' aan te merken als een milieucategorie 2 bedrijf. Ingevolge onderhavig wijzigingsplan is het mogelijk om door middel van een afwijkingsbesluit ook andere, dan dit specifieke groothandelsbedrijf toe te staan. In de staat van inrichtingen die bij het wijzigingsplan is gevoegd, is de milieucategorie die maximaal wordt toegelaten categorie 2.

Het omgevingstype, waarin het plangebied zich bevindt, kan worden gekwalificeerd als een omgevingstype 'rustig buitengebied' Voor bedrijvigheid in een rustig buitengebied gelden de volgende richtafstanden tot hindergevoelige functies. Voor milieucategorie 2 bedrijven geldt binnen het omgevingstype 'rustig buitengebied' een richtafstand van 30 m tot hindergevoelige functies.

Geconstateerd kan worden dat geen hindergevoelige functies op meer dan 30 m van de bedrijfsbestemming binnen het plangebied zijn gesitueerd.

Met het wijzigen van een agrarische bestemming in een bestemming voor een milieucategorie2-bedrijf zal het woon- en leefklimaat in de directe omgeving verbeteren. Het betreffende bedrijf zal geen beperkingen opleveren voor het gebruik van de naastgelegen woningen, noch voor het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen. Immers deze mogen maximaal 20 meter van de woning zijn verwijderd. In het voorliggende wijzigingsplan wordt bovendien bepaald dat de bebouwing van het bedrijf minimaal 5 meter uit de zijdelingse perceelsgrens moet blijven en ook nog eens 18 meter uit de as van de weg. Uitgaande van deze laatste twee bouwbeperkingen, zal de afstand van het bedrijfsgebouw dat op grond van de bedrijfsbestemming kan worden opgericht, al minimaal 38 meter van de achterzijde van de dichtstbijzijnde woning zijn gelegen. Overigens is dit meetpunt de meest ongunstige plek om bedrijfsbebouwing op te richten en zal dat vanuit praktische overwegingen ook al niet plaatsvinden, te meer omdat het meest zuidelijke gedeelte van het bedrijfsperceel vanaf de gevel van de woning tot de perceelsgrens amper 10 meter is. Uitgaande van een realistisch scenario, namelijk bedrijfsbebouwing ten noorden van de bedrijfswoning, zal er een minimale afstand zijn van 30 meter van deze bebouwing tot de bestemmingsgrens van de dichtstbijzijnde burgerwoning.

Met het wijzigingsplan zal de situatie ter plekke niet alleen verbeteren ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden, maar zal zelfs volledig worden voldaan aan het principe van het scheiden van milieugevoelige en milieubelastende activiteiten.

4.6.3 Conclusie

De bedrijvigheid die mogelijk wordt gemaakt middels onderhavig wijzigingsplan levert geen hinder op voor gevoelige functies die rond het plangebied zijn gelegen.

4.7 Kabels en leidingen

In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7.1 Conclusie

Er zijn geen belemmeringen vanuit aanwezige kabels en leidingen.

4.8 Verkeer en parkeren

Het gebied wordt aan de bestaande openbare weg ontsloten via de bestaande inrit. Voor de interne ontsluiting wordt gebruik gemaakt van de bestaande verharding op het terrein. Het parkeren wordt volledig op eigen terrein opgevangen. Uitgaande van de parkeerrichtlijnen in de brochure 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW (brochure 317, oktober 2012) bedraagt het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf gemiddeld 1.1 parkeerplaats per 100 m² B.V.O. Het (groot)handelsbedrijf heeft een B.V.O. van bijna 400 m². Daarmee zou ingevolge de parkeerkencijfers een aantal van 4,4 parkeerplaatsen nodig zijn vanwege de bedrijfs- en opslagactiviteiten. Vanwege de woning komt daar nog een aantal van 2,4 parkeerplaatsen bij.

De vraag is of dit aantal parkeerplaatsen daadwerkelijk nodig zal zijn. Echter op het terrein is momenteel al ruim voldoende verharding aanwezig om hierin te voorzien, zonder dat de verharding hoeft te worden uitgebreid.

Ingevolge de brochure 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW (brochure 317, oktober 2012) is de verkeersgeneratie voor het nieuwe bedrijf in het buitengebied gemiddeld 4.8 motorvoertuigen per 100 m² B.V.O. De verkeersgeneratie bedraagt daarmee in theorie ca. 20 motorvoertuigen/etmaal, inclusief vrachtverkeer. In praktijk zal dit aantal beduidend kleiner zijn, namelijk 5 personenauto's per dag. Daarnaast zal het bedrijf maximaal 2 x per week worden bezocht door bestelsauto's en/of kleine vrachtwagens met een laadvermogen van maximaal 10 ton.

4.8.1 Conclusie

Met betrekking tot de aspecten verkeer en parkeren zijn geen problemen te verwachten.

4.9 Flora en fauna

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving, met name de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna.

Ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan is enerzijds beoordeeld of het opnemen van de geldende bestemming tot onoverkomelijke bezwaren stuit door effecten op beschermede natuurgebieden en/of flora en fauna. Dit bleek niet het geval te zijn. Ook is destijds al beoordeeld of hiervan sprake zou kunnen zijn bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid. Ook daarvan is niet gebleken. Aangezien de situatie in de omgeving niet is gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van het vaststellen van het geldende bestemmingsplan is er geen reden om te veronderstellen dat deze eerdere conclusie op dit moment niet meer gerechtvaardigd zijn.

Ondanks bovenstaande wordt hieronder nog nader ingegaan op de mogelijke gevolgen voor diersoorten.

In het kader van de Flora- en Faunawet, die sinds 1 april 2002 van kracht is, zijn activiteiten die een schadelijk effect hebben op beschermde soorten, verboden, tenzij daarvoor een ontheffing of een omgevingsvergunning kan worden verkregen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de eventuele aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied. Dit betekent concreet dat geïnventariseerd dient te worden of er beschermde planten en dieren voorkomen, of er een ontheffing noodzakelijk is en zo ja, of het aannemelijk is dat die ontheffing ook kan worden verkregen. Is dit laatste niet het geval dan zou een ruimtelijke ontwikkeling niet plaats kunnen vinden. Een globale beoordeling van dit aspect maakt daarom deel uit van de ruimtelijke onderbouwing.

De locatie ligt in de lintbebouwde structuur van de Broekhovenseweg en grenst aan het buitengebied. Er is geen sprake van ligging in de EHS of in een VHR-gebied.

Op basis van de huidige inrichting van het plangebied is op voorhand niet geheel uit te sluiten dat het plangebied een foerageergebied of vaste verblijfplaats is voor de mol, huismuis, het konijn en de vleermuis. Het konijn, en de mol zijn beschermd volgens de tabel 1 van de Flora- en Faunawet. Voor deze algemeen voorkomende soorten is geen ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet noodzakelijk.

In geval van de aanwezigheid van de vleermuis dient verstoring te worden voorkomen. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dan dienen kansrijke mitigerende of compenserende maatregelen te worden aangedragen, alvorens een project mag of kan worden uitgevoerd.

Niet uit te sluiten is dat er in het plangebied vleermuizen voorkomen. Echter hun leef- en foerageergebied worden met de bestemmingswijziging niet aangetast. Immers ter plekke worden geen nieuwe gebouwen geplaatst of bomen gekapt en er worden weliswaar bijgebouwen geamoveerd, maar deze zijn ongeschikt als verblijfplaats voor de vleermuis. Alle te amoveren bijgebouwen zijn enkelwands. Daarnaast zijn zij beperkt in de ruimte. Bij inspectie rondom de te amoveren gebouwen zijn verder geen uitwerpselen van de vleermuis aangetroffen. Daarmee kan worden aangenomen dat door de planontwikkeling er geen verstoring van de vleermuis zal plaatsvinden.

Indien en voorzover al desalniettemin een van de te amoveren gebouwen eerder als verblijfplaats door de vleermuis is gebruikt, dan zijn er in het plangebied nog voldoende gebouwen aanwezig die zeker zo geschikt zullen zijn als toekomstige verblijfplaats.

Op basis van de huidige inrichting van het plangebied is niet op voorhand geheel uit te sluiten dat een zeer beperkt deel van het plangebied een tijdelijke rustplaats is voor diverse algemene vogelsoorten, zoals de zwarte kraai, kauw, ekster, merel, pimpelmees, koolmees en de huismus. Alle vogelsoorten zijn beschermd volgens de Flora- en Faunawet. De mogelijkheid dat deze vogelsoorten binnen het plangebied, in het appartementencomplex of op de plek waar de bebouwing in beperkte mate wordt vergroot aanwezig zijn, is vanwege het ontbreken van geschikte broedplaatsen of bosschages nagenoeg uitgesloten. Bovendien zullen de werkzaamheden die mogelijke effecten kunnen hebben op de broedplaatsen, buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Daarnaast is in de directe omgeving van het plangebied voldoende en veelal ook geschikt foerageergebied voor de genoemde vogels aanwezig.

4.9.1 Conclusie

De conclusie is dat een nader onderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en Faunawet niet noodzakelijk is en het toepassen van de wijzigingbevoegdheid op voorhand niet tot een onuitvoerbaar plan zal leiden.

4.10 Archeologie en cultuurhistorie

4.10.1 Archeologie

Vanwege het initiatief wordt bestaande bebouwing gesloopt. Vanwege deze activiteiten zal geen verstoring van eventueel bodemarchief plaatsvinden. De bodem onder de bestaande bebouwing is in het verleden reeds verstoord vanwege de aanleg van funderingen.

4.10.2 Cultuurhistorie

Om de cultuurhistorische waarden van de boerderij vast te stellen is een bouwhistorische verkenning met waardestelling uitgevoerd (bijlage 5)

De uitvoerige beschrijving geeft aan, hoe de boerderij in de loop der geschiedenis aangepast is en levert de motivering welke elementen van de boerderij cultuurhistorische waarden hebben en daarmee de moeite waard zijn om behouden te blijven.

De bouwhistorische verkenning met waardestelling zal dan ook als basis dienen voor de voorwaardelijke verplichting om de cultuurhistorische waarden in stand te houden t.b.v. de functie "bedrijf" van de gronden en opstallen binnen het plangebied.

4.10.3 Conclusie

Nader archeologisch onderzoek kan achterwege blijven. Vanwege archeologie zijn er geen belemmeringen aanwezig voor het initiatief, dat door dit wijzigingsplan wordt mogelijk gemaakt. Het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden worden voldoende geborgd door de voorwaardelijke verplichting.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Inleiding

Voorliggend wijzigingsplan 'Broekhovenseweg 14' voorziet in een adequate juridisch-planologische regeling voor het perceel met dit adres.

5.2 Plansystematiek

Voor dit wijzigingsplan is inhoudelijk aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Bergeijk 2011'.

Bij het opstellen van het onderhavige wijzigingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels.

5.3 Bestemmingen

Agrarisch met waarden -Landschapswaarden 1

Deze bestemming betreft de vigerende bestemming voor het plangebied, die in onderhavig wijzigingsplan is toegepast voor het gedeelte waar geen bedrijfsbestemming is gesitueerd. De bebouwingsmogelijkheden zijn van deze bestemming afgehaald, zodat het een onbebouwbare agrarische bestemming wordt. Ter plaatse van de te handhaven erfbeplanting is de aanduiding 'groen' aangegeven. De instandhouding daarvan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van het gebruik van de gronden met de bestemming "bedrijf".

Bedrijf (B)

Deze bestemming is toegekend aan de niet-agrarische bedrijvigheid en de bijbehorende bedrijfswoning binnen het plangebied.

In de doeleindenomschrijving is aangegeven dat het gaat om een groothandelsbedrijf in gereedschappen in de milieucategorie 2 ingevolge de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' zoals opgenomen in de bij het wijzigingsplan behorende staat van inrichtingen, met bijbehorende voorzieningen. Ook is aangegeven dat het aantal toegestane bedrijfswoningen niet meer bedragen mag dan één en zijn de maximaal toegestane oppervlakte bebouwing en de maximaal toegestane nok- en goothoogte opgenomen. Voorts zijn aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven, groenvoorzieningen in de vorm van erfbeplanting, paden en wegen en parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak.

Ook zijn er gebruiksregels opgenomen, waarin is aangegeven welk gebruik niet past binnen de gegeven bestemming (strijdig gebruik) en nadere regels over de maximum te gebruiken oppervlakte voor een bepaalde functie.

Daarnaast is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van een functiewijziging naar een anderssoortig bedrijf met bijbehorende voorzieningen in de bij het wijzigingsplan opgenomen staat van inrichtingen.

Ter plaatse van de woning is de aanduiding "karakteristiek" aangegeven. In de planregels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de aanwezige cultuurhistorische waarden, conform de bouwhistorische verkenning met waardestelling, in stand moeten worden gehouden ten behoeve van het gebruik van de gronden met de bestemming "bedrijf".

Ook is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot het in stand houden van de aan te brengen erfbeplanting en met betrekking tot de te saneren 290 m² aan overtollige bedrijfsbebouwing.

Daarnaast is een omgevingsvergunning opgenomen t.b.v. het slopen van de bebouwing met de aanduiding "karakteristiek".

Als laatste is een tweetal voorwaardelijke wijzigingsbevoegdheden opgenomen t.b.v. 'wonen' en t.b.v. 'het verwijderen van de aanduiding 'karakteristiek'.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van de ontwikkeling aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en de te doorlopen procedures weergegeven.

6.1 Financieel

6.1.1 Uitvoerbaarheid

De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen

6.1.2 Kostenverhaal

Wanneer voor gronden een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan (zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening) is voorgenomen, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

6.1.3 Conclusie

In voorliggend geval is het kostenverhaal vastgelegd door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer, zodat een exploitatieplan niet noodzakelijk is.

6.2 Maatschappelijk

Het ontwerpwijzigingsplan 'Broekhovenseweg 14' is in het kader van de zienswijzenprocedure met ingang van …….. gedurende zes weken ter inzage gelegen en is daarnaast digitaal toegankelijk gemaakt.

In deze periode zijn we/geen zienswijzen ingediend.

PM

Het wijzigingsplan is op …………… ongewijzigd/gewijzigd vastgesteld.