direct naar inhoud van Regels
Plan: Forest Village Bergeijk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1724.BPUzwa0080-VAST

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 Plan

het bestemmingsplan Forest Village Bergeijk met identificatienummer NL.IMRO.1724.BPUzwa0080-VAST van de gemeente Bergeijk.

1.2 Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 Aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 Afhankelijke woonruimte

een bijbehorend bouwwerk bij een woning of een deel van de woning, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met die woning en waar een gedeelte van de huishouding, zoals gehuisvest in die woning, uit een oogpunt van mantelzorg is ondergebracht.

1.6 Archeologische waarden

waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.

1.7 Archeologische verwachting

de verwachting die aan een gebied is toegekend in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.

1.8 Bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.9 Bedrijfsmatige exploitatie

het via één recreatiebedrijf voeren van de exploitatie en het beheer van een complex van recreatiewoningen.

1.10 Bedrijfs- c.q. beheerderswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of terrein in overeenstemming met de bestemming.

1.11 Bestaand(e situatie)
  • a. t.a.v. bebouwing:

bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan (legaal gerealiseerd) op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning;

  • b. t.a.v. gebruik:

het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.12 Bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.13 Bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.14 Bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk, met een dak.

1.15 Bodemingrepen

werken en werkzaamheden waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten.

1.16 Bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.17 Bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.18 Bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.19 Bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel.

1.20 Bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.21 Bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.22 Centrale sportvoorzieningen

gemeenschappelijke en/of ondergeschikte sport- en speelvoorzieningen ten dienste van het ter plaatse gevestigde recreatiebedrijf, waaronder in ieder geval worden begrepen: zwembad, speelvoorzieningen, een midgetgolfbaan, sport- en speelvelden, squash-/saunaruimte, service-, opslag- en onderhoudsgebouwen.

1.23 Centrale voorzieningen

gemeenschappelijke en/of ondergeschikte voorzieningen ten dienste van het ter plaatse gevestigde recreatiebedrijf, waaronder een binnenzwembad, speelvoorzieningen, een midgetgolfbaan, sport- en speelvelden, horecavoorzieningen, squash-/saunaruimte, bowlingbanen, zaal- en congresaccommodatie, winkel, alsmede bijbehorende voorzieningen, zoals receptiegebouw, service-, opslag-, kantoor- en onderhoudsgebouwen.

1.24 Dagrecreatie

het verblijf ten behoeve van recreatieve doeleinden zonder dat op het terrein een overnachting plaatsvindt.

1.25 Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg

een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische monumentenzorg.

1.26 Detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.27 Dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

1.28 Extensief recreatief medegebruik

een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de bestemmingsomschrijving van de bestemmingen gegeven doeleinden zoals wandelen, fietsen en dergelijke.

1.29 Gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.30 Hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.31 Hotel

een voorziening, die tot hoofddoel heeft het op commerciële basis bieden van overnachtingsmogelijkheden met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse.

1.32 Hoofdverblijf

de plaats die gedurende een aaneengesloten halfjaar tenminste 2/3 van die tijd als woning in gebruik is en fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene en welke een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats is, dat tenminste bestaat uit een keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid.

1.33 Hydrologisch neutraal ontwikkelen

het nemen van volledig compenserende maatregelen om afstromend hemelwater te verwerken waar het verharde oppervlak toeneemt of verhard oppervlak wordt afgekoppeld en hierbij de onderstaande waterkwantiteitstrits toe te passen voor schoon hemelwater, afkomstig van verhard oppervlak:

  • 1. Hergebruik;
  • 2. Vasthouden / infiltreren;
  • 3. Bergen;
  • 4. Afvoeren naar oppervlaktewater;
  • 5. Afvoeren naar een rioolstelsel.
1.34 Kunstobject

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met artistieke waarde.

1.35 Landschapswaarden/landschappelijke waarden

bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang.

1.36 Lokale ontsluitingsweg

wegen met een functie voor de afwikkeling van al dan niet gemotoriseerd verkeer voor ten hoogste 40 recreatiewoningen, alsmede calamiteitenroutes en ontsluitingen ten behoeve van het laden en lossen en/of parkeren voor personeel.

1.37 Natuurwaarden

waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid voor het gebied.

1.38 Ondergronds bouwwerk

een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil.

1.39 Opgraven/opgraving

de ontsluiting van een vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling beschikkend over een opgravingvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet en werkend volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

1.40 Overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een vrijstaande dakconstructie met maximaal één wand.

1.41 Permanente bewoning

bewoning van een gebouw of recreatiewoning als hoofdverblijf.

1.42 Prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.43 Recreatie-appartement

een (gedeelte van een) gebouw, geen recreatiewoning, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, zodanig dat deze boven dan wel beneden en naast elkaar zijn gesitueerd, bestemd voor recreatieve doeleinden, uitsluitend door een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben en daar gedurende een aaneengesloten halfjaar tenminste 2/3 van die tijd wonen.

1.44 Recreatiebedrijf

een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon dat de centrale bedrijfsmatige exploitatie verzorgt van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein.

1.45 Recreatiewoning

een gebouw, geen recreatie-appartement, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd voor recreatieve doeleinden, uitsluitend door een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben en daar gedurende een aaneengesloten halfjaar tenminste 2/3 van die tijd wonen.

1.46 Seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.47 Veranda

al dan niet overdekte buitenruimte, zonder eigen wand, gebouwd aanpandig aan een recreatiewoning.

1.48 Verblijfsrecreatie

het verblijf ten behoeve van recreatieve doeleinden dat gepaard gaat met één of meer overnachtingen op het terrein.

1.49 Voorzieningen van algemeen nut

voorzieningen ten behoeve van een op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.

1.50 Water

het oppervlakte aan water zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen.

1.51 Waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater.

1.52 Waterpeil

de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag van de omgevingsvergunning of bestemmingswijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwater.

1.53 Werk

een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde.

1.54 Woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de afstand tot de bouwperceelsgrens:

tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

2.2 het (totaal) bebouwd oppervlak:

de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen.

2.3 het bebouwingspercentage:

het oppervlak dat met bouwwerken mag worden bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.6 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.7 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.8 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:

vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

2.9 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.10 peil:
  • a. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. voor gebouwen anders dan bedoeld onder a.: de hoogte ter plaatse van de hoofdtoegang van het betreffende gebouw;
  • c. indien in het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil;
  • d. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
2.11 ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, balkons, luifels en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Recreatie - Vakantiecentrum

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Vakantiecentrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. veblijfsrecreatie;
  • b. één recreatiebedrijf voor de centrale bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen, alsmede bijbehorende voorzieningen;
  • c. dagrecreatieve en centrale voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en centrale voorzieningen';
  • d. dagrecreatieve en centrale sportvoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen';
  • e. maximaal één bedrijfs- c.q. beheerderswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • f. parkeervoorzieningen, in elk geval ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein', een en ander met inachtname van het bepaalde in artikel 3.3.2;
  • g. voorzieningen voor verkeer en verblijf, met dien verstande dat ontsluitingen voor gemotoriseerd verkeer met een functie van de afwikkeling van gemotoriseerd verkeer op het in de omgeving aanwezige aansluitende wegennet, alsmede een verzamelfunctie voor de afwikkeling van verkeer van meerdere lokale ontsluitingswegen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' mogen worden gesitueerd;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'water' ten minste 2.000 m² water gerealiseerd dient te worden;
  • j. extensief recreatief medegebruik;
  • k. speelvoorzieningen;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'groen', uitsluitend voor groenvoorzieningen, paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - bufferzone', uitsluitend voor groenvoorzieningen, paden ten dienste van de ontsluiting van bestaande recreatiewoningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, in- en uitritten en maximaal één lokale ontsluitingsweg per aanduidingsvlak;

alsmede voor:

  • n. tuinen, erven, paden en verhardingen;
  • o. de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen en de daarmee verband houdende landschappelijke waarden conform de als Bijlage 1 Landschappelijke inrichtingsprincipes opgenomen landschappelijke inrichtingsprincipes.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
  • a. Het bebouwd oppervlak van alle gebouwen binnen de bestemming mag niet meer bedragen dan 26.000 m²;
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - bufferzone' zijn geen gebouwen toegestaan.

3.2.2 Centrale voorzieningen en dagrecreatie

Voor het bouwen van gebouwen ten dienste van dagrecreatie en/of centrale voorzieningen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en centrale voorzieningen';
  • b. het bebouwd oppervlak van de in de aanhef bedoelde gebouwen mag niet meer bedragen dan 4.000 m², een en ander met inachtname van het bepaalde in lid 3.2.1;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 10 m, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)', waarbij binnen het maatvoeringsvlak waar een afwijkende goothoogte is opgenomen, de maximum goothoogte wordt gemeten op de noordoostelijke grens van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en centrale voorzieningen';
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 15 m, tenzij op de verbeelding anders aangegeven ter plaatse van de aanduiding ''maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)', waarbij binnen het maatvoeringsvlak waar een afwijkende bouwhoogte is opgenomen geldt dat:
    • 1. de dakhelling conform onderstaande afbeelding wordt vormgegeven dan wel;
    • 2. er een dak met een hellingshoek van maximaal 60° toegestaan is:

afbeelding "i_NL.IMRO.1724.BPUzwa0080-VAST_0001.png"  

3.2.3 Centrale sportvoorzieningen

Voor het bouwen van gebouwen ten dienste van dagrecreatie en/of centrale sportvoorzieningen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen';
  • b. het bebouwd oppervlak van de in de aanhef bedoelde gebouwen mag niet meer bedragen dan 25 m², een en ander met inachtname van het bepaalde in lid 3.2.1;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m.

3.2.4 Recreatiewoningen

Voor het bouwen van recreatiewoningen gelden de volgende regels:

  • a. recreatiewoningen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoningen' met in achtneming van het bepaalde in artikel 3.1 onder l.;
  • b. het aantal recreatiewoningen binnen de bestemming mag niet meer dan 340 bedragen en het totaal aantal bedden in de recreatiewoningen binnen de bestemming mag niet meer dan 1.850 bedragen;
  • c. het totaal bebouwd oppervlak van de recreatiewoningen, inclusief bijbehorende bouwwerken, binnen de bestemming mag niet meer dan 22.000 m² bedragen, waarbij de oppervlakte per recreatiewoning niet meer dan 70 m² mag bedragen, met dien verstande dat:
    • 1. maximaal 200 recreatiewoningen een oppervlakte groter dan 70 m² per recreatiewoning mogen hebben; en
    • 2. van de in sub 1. bedoelde recreatiewoningen maximaal 5 recreatiewoningen een oppervlakte groter dan 150 m² per recreatiewoning mogen hebben, waarvan 4 met een maximum van 200 m² en één met een maximum van 225 m²;
    • 3. het bepaalde in lid 3.2.1 onverkort van toepassing is;
  • d. de goothoogte van recreatiewoningen mag niet meer dan 5 m bedragen, met dien verstande dat over maximaal 70% van de totale gevellengte per recreatiewoning een goothoogte van maximaal 6 m is toegestaan;
  • e. de bouwhoogte van recreatiewoningen mag niet meer dan 7,5 m bedragen, met dien verstande dat maximaal één recreatiewoning een bouwhoogte van niet meer dan 8 m mag hebben;
  • f. er zijn zowel geschakelde als vrijstaande recreatiewoningen toegestaan;
  • g. een omgevingsvergunning voor het bouwen van een recreatiewoning, voor zover er op het moment van aanvraag, dan wel na verlening van de aanvraag, meer dan 75 recreatiewoningen binnen de bestemming gebouwd en/of vergund zijn, wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat ten tijde van de betreffende aanvraag tevens een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouw ten dienste van centrale voorzieningen is verleend, dan wel een ontvankelijke aanvraag daartoe is ingediend. Het betreffende gebouw ten dienste van centrale voorzieningen dient te bestaan uit een binnenzwembad en ten minste 1 van de navolgend opgesomde functies:
    • 1. speelvoorzieningen;
    • 2. midgetgolfbaan;
    • 3. sport- en/of speelvelden;
    • 4. horecavoorziening(en);
    • 5. squash- en/of saunaruimte;
    • 6. bowlingbanen;
    • 7. zaal- en/of congresaccommodatie;
    • 8. winkel;
    • 9. receptiegebouw;
  • h. een omgevingsvergunning voor het bouwen van een recreatiewoning, voor zover er op het moment van aanvraag, dan wel na verlening van de aanvraag, meer dan 250 recreatiewoningen binnen de bestemming gebouwd en/of vergund zijn, wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat ten tijde van de aanvraag tevens een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouw ten dienste van centrale voorzieningen is verleend, dan wel een ontvankelijke aanvraag daartoe is ingediend. Het betreffende gebouw ten dienste van centrale voorzieningen dient te bestaan uit een binnenzwembad en ten minste 3 van de navolgend opgesomde functies:
    • 1. speelvoorzieningen;
    • 2. midgetgolfbaan;
    • 3. sport- en/of speelvelden;
    • 4. horecavoorziening(en);
    • 5. squash- en/of saunaruimte;
    • 6. bowlingbanen;
    • 7. zaal- en/of congresaccommodatie;
    • 8. winkel;
    • 9. receptiegebouw;

3.2.5 Bedrijfswoning

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. bedrijfswoningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' worden gebouwd;
  • b. binnen de bestemming is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet minder dan 250 m³ en niet meer dan 750 m³ bedragen;
  • d. de goothoogte van de bedrijfswoning mag niet meer dan 4,5 m bedragen;
  • e. het bepaalde in lid 3.2.1 is onverkort van toepassing.

3.2.6 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels;

  • a. de gezamenlijk oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 50 m² per bedrijfswoning bedragen, een en ander met inachtname van het bepaalde in lid 3.2.1;
  • b. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 4,5 m bedragen.

3.2.7 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij recreatiewoningen

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij recreatiewoningen gelden de volgende regels:

  • a. per recreatiewoning is maximaal één terras, vlonder, pergola of veranda toegestaan met een maximale oppervlakte van:
  • 1. 15 m² voor zover het betreft recreatiewoningen met een oppervlakte van minder dan 150 m²;
  • 2. 25 m² voor zover het betreft recreatiewoningen met een oppervlakte van 150 m² of meer;
  • 3. met dien verstande dat de oppervlakte van de voorzieningen zoals genoemd in sub a niet meetellen voor het bepalen van het bebouwd opervlak zoals bedoeld in lid 3.2.4 sub c;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij recreatiewoningen mag niet meer dan 3,5 m bedragen, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte van veranda's niet meer mag bedragen dan de goot- en bouwhoogte van de recreatiewoning.

3.2.8 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan bedoeld in lid 3.2.7, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen met dien verstande dat erf- en terreinafscheidingen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'wetgevingszone - wijzigingsgebied hotel', 'ontsluiting', 'parkeerterrein', 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en/of centrale voorzieningen', 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen';
  • b. de bouwhoogte van lichtmasten ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en centrale voorzieningen', 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen' en 'parkeerterrein' mag niet meer dan 18 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer dan 8 m bedragen;
  • d. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van dagrecreatie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en centrale voorzieningen' en 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen', waaronder in ieder geval begrepen glijbanen, duikplanken, bassin van een buitenbad en ballenvangers bedraagt ten hoogste 15 m;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitkijktoren' is maximaal één uitkijktoren toegestaan, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 25 m en de oppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van duurzame energie-opwekking toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m mag bedragen;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'water' zijn steigers toegestaan, met dien verstande dat de oppervlakte niet meer dan 200 m² en de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m mag bedragen;
  • h. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer dan 3,5 m bedragen.
3.3 Specifieke gebruiksregels
3.3.1 Algemeen
  • a. Verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen is uitsluitend toegestaan met een centrale bedrijfsmatige exploitatie.
  • b. Het gebruik van recreatiewoningen is slechts toegestaan wanneer deze gezamenlijk bedrijfsmatig worden geëxploiteerd als één recreatiebedrijf, zoals bedoeld in artikel 3.1 sub b.
  • c. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval verstaan de huisvesting van arbeidsmigranten in gebouwen.
  • d. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval verstaan een gebruik van permanente bewoning van gebouwen, met uitzondering van een bedrijfswoning.

3.3.2 Parkeren

Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels of wordt voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid. Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient binnen het plangebied ten behoeve van het parkeren van auto's en het stallen van fietsen te worden voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid.
  • b. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient binnen het plangebied ten behoeve van het parkeren van auto's en het stallen van fietsen te worden voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid.
  • c. Voor het bepalen van de benodigde parkeer- en stallingsgelegenheid dient te worden voldaan aan de Nota Parkeernormen 2017, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 23 februari 2017. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan het gewijzigde parkeerbeleid zoals geldend ten tijde van de aanvraag voor een omgevingsvergunning.
  • d. Het is toegestaan om in afwijking van het bepaalde onder c., de volgende parkeernormen te hanteren:
    • 1. recreatiewoningen met maximaal 4 bedden: 1 parkeerplaats;
    • 2. recreatiewoningen met minimaal 5 en maximaal 8 bedden: 2 parkeerplaatsen;
    • 3. recreatiewoningen met minimaal 9 en maximaal 10 bedden: 3 parkeerplaatsen;
    • 4. recreatiewoningen met minimaal 11 en maximaal 12 bedden: 4 parkeerplaatsen;
    • 5. recreatiewoningen met minimaal 13 en maximaal 16 bedden: 5 parkeerplaatsen;
    • 6. recreatiewoningen met minimaal 17 en maximaal 20 bedden: 6 parkeerplaatsen;
    • 7. recreatiewoningen met minimaal 21 en maximaal 24 bedden: 8 parkeerplaatsen;
    • 8. 0,09 parkeerplaatsen per recreatiewoning ten behoeve van personeel;
  • e. De parkeer- en stallingsvoorzieningen als bedoeld onder a tot en met d dienen in stand te worden gehouden.
  • f. Te allen tijden dient ten minste 50% van de totale parkeerbehoefte van de binnen het plangebied aangewezen gebouwen en functies ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' te worden opgevangen.

3.3.3 Groen
  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing, zoals bedoeld in lid 3.2.2, 3.2.3 en/of 3.2.4 wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat binnen de bestemming conform een uitgewerkt inrichtingsplan, dat voldoet aan het als Bijlage 2 opgenomen landschappelijke inpassingsplan, groenvoorzieningen worden aangelegd en in stand gehouden, waarbij gefaseerde aanleg naar evenredigheid van het te realiseren areaal is toegestaan;
  • b. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruiken van gronden en bebouwing ten dienste van de in artikel 3.1 sub a en b bedoelde doeleinden zonder:
    • 1. de aanleg van de onder a bedoelde groenvoorziening, uiterlijk binnen één jaar na ingebruikname van de betreffende bebouwing waarvoor een omgevingsvergunning is verleend;
    • 2. duurzame instandhouding van de onder sub a bedoelde groenvoorzieningen;
  • c. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruiken van de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen', 'parkeerterrein', 'ontsluiting' en/of 'water' conform de in lid 3.1 opgenomen doeleinden zonder:
    • 1. de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen conform een uitgewerkt inrichtingsplan, dat voldoet aan het als Bijlage 2 opgenomen landschappelijke inpassingsplan, waarbij gefaseerde aanleg naar evenredigheid van het te realiseren areaal is toegestaan;
    • 2. duurzame instandhouding van de onder 1. bedoelde groenvoorzieningen.

3.3.4 Ingebruikname recreatiewoningen na ingebruikname centrale voorzieningen

Ten aanzien van het gebruik van verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen gelden de volgende regels:

  • a. het in gebruik nemen van een recreatiewoning, voor zover er op het moment van ingebruikname meer dan 75 recreatiewoningen binnen de bestemming in gebruik zijn, is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat ten tijde van de betreffende ingebruikname tevens een gebouw ten dienste van centrale voorzieningen, bestaande uit een binnenzwembad en ten minste 1 van de navolgend opgesomde functies, in gebruik is genomen:
    • 1. speelvoorzieningen;
    • 2. midgetgolfbaan;
    • 3. sport- en/of speelvelden;
    • 4. horecavoorziening(en);
    • 5. squash- en/of saunaruimte;
    • 6. bowlingbanen;
    • 7. zaal- en/of congresaccommodatie;
    • 8. winkel;
    • 9. receptiegebouw;
  • b. het in gebruik nemen van een recreatiewoning, voor zover er op het moment van ingebruikname meer dan 250 recreatiewoningen binnen de bestemming in gebruik zijn, is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat ten tijde van de betreffende ingebruikname tevens een gebouw ten dienste van centrale voorzieningen, bestaande uit een binnenzwembad en ten minste 3 van de navolgend opgesomde functies, in gebruik is genomen:
    • 1. speelvoorzieningen;
    • 2. midgetgolfbaan;
    • 3. sport- en/of speelvelden;
    • 4. horecavoorziening(en);
    • 5. squash- en/of saunaruimte;
    • 6. bowlingbanen;
    • 7. zaal- en/of congresaccommodatie;
    • 8. winkel;
    • 9. receptiegebouw;
  • c. tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt gerekend:
    • 1. het gebruiken van meer dan 75 recreatiewoningen voor verblijfsrecreatie zonder het gebruiken van een gebouw ten dienste van centrale voorzieningen binnen de bestemming, zoals bedoeld onder a.;
    • 2. het gebruiken van meer dan 250 recreatiewoningen voor verblijfsrecreatie zonder het gebruiken van een gebouw ten dienste van centrale voorzieningen binnen de bestemming, zoals bedoeld onder b.

3.3.5 Voorwaardelijke verplichting hemelwaterberging

Alvorens de gronden binnen het plangebied in gebruik genomen worden voor de doeleinden als bedoeld in lid 3.1 sub a t/m g, dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden:

  • a. aangetoond dient te zijn dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater vanwege het toevoegen van verharding voorafgaand gecompenseerd wordt in een waterberging met voldoende capaciteit conform een norm van 60 mm/m² verharding, waarbij de waterberging na realisatie in stand moet worden gehouden;
  • b. de compensatie dient ten minste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden;
  • c. in afwijking van het bepaalde in sub a zijn alternatieven toegestaan, mits deze gelijkwaardig zijn met de doelstelling van hydrologisch neutraal ontwikkelen.
3.4 Afwijken van de gebruiksregels
3.4.1 Afwijken ten behoeve van gelijkwaardige landschappelijke inpassing

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.3.3 ten behoeve van een afwijkende invulling van de noodzakelijke landschappelijke inpassing en inrichting, zoals bedoeld in lid 3.3.3, mits:

  • a. dit geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in het plangebied en de omgeving aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische, waterhuishoudkundige en/of ecologische waarden;
  • b. voldaan wordt aan de in Bijlage 1 beschreven inrichtingsprincipes.
3.5 Wijzigingsbevoegdheid
3.5.1 Hotel of recreatie-appartementen

Het bevoegd gezag kan het plan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied hotel' wijzigen ten behoeve van het toestaan van een recreatie-appartementengebouw dan wel een hotel, dan wel het omzetten van recreatie-appartementen naar een hotel, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het aantal bedden mag niet meer dan 200 bedragen;
  • b. het bebouwd oppervlak mag niet meer bedragen dan 1.500 m², met dien verstande dat tevens voldaan moet worden aan het bepaalde in lid 3.2.1 alsmede aan het bepaalde in 3.2.4 sub c aanhef;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 13 m;
  • e. in afwijking van het bepaalde in sub c mag de goothoogte 13 meter bedragen over maximaal 75% van het bebouwd oppervlak;
  • f. het bouwen en/of gebruiken van de gronden voor zowel een hotel als recreatie-appartementen is niet toegestaan;
  • g. voldaan wordt aan het bepaalde in lid 3.3.2;
  • h. aangetoond is dat er een actuele behoefte aan recreatie-appartementen dan wel een hotel bestaat;
  • i. er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd inrichtingsplan.

Artikel 4 Waarde - Archeologie

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden.

4.2 Bouwregels
  • a. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en een diepte van meer dan 0,3 m onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a is geen rapportage vereist in geval van herbouw op dezelfde locatie.
  • c. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.
    • 2. De verplichting tot het doen van opgravingen.
    • 3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  • d. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder b genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  • e. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  • f. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wint zij schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.3.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden op de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, over een oppervlakte van 500 m² of meer:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden (waaronder begrepen het aanleggen van drainage) dieper dan 0,3 m onder maaiveld;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • c. het egaliseren van gronden;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  • f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  • h. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,3 m onder maaiveld.

4.3.2 Uitzonderingen
  • a. Het in lid 4.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  • b. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • c. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • d. in het kader van archeologisch onderzoek of het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • e. op de bestaande fundering of binnen een afstand van niet meer dan 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk worden uitgevoerd.

4.3.3 Toelaatbaarheid
  • a. De in lid 4.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  • b. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder a genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  • c. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  • d. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 4.3.1 wint deze schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
4.4 Wijzigingsbevoegdheid
  • a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan zodanig wijzigen dat een bestemmingsvlak:
    • 1. naar ligging wordt verschoven;
    • 2. naar omvang wordt vergroot of verkleind;
    • 3. wordt verwijderd;

voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.

  • b. Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder a worden uitgevoerd, wordt archeologisch advies ingewonnen bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6 Algemene bouwregels

6.1 Ondergronds bouwen
  • a. Ondergronds bouwen is toegestaan, met uitzondering van de gronden als bedoeld in artikel 8.1 en met dien verstande dat de maximale maten zoals genoemd in de bestemmingen in Hoofdstuk 2 van toepassing blijven. Daar waar bovengronds geen gebouwen aanwezig zijn, dient de oppervlakte van het ondergrondse bouwwerk met bijbehorende toegang(en) te worden meegerekend in de maximaal toegestane oppervlakte aan gebouwen, met uitzondering van in- en uitritten ten behoeve van ondergrondse bouwwerken.
  • b. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan 4 m.
6.2 Afwijken ondergronds bouwen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 en toestaan dat ondergronds wordt gebouwd op de in artikel 8.1 bedoelde gronden en/of tot een verticale diepte van 6 m, mits:

  • a. er geen bezwaren zijn uit oogpunt van de waterhuishouding;
  • b. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

7.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  • b. het gebruik en laten gebruiken van bijbehorende bouwwerken zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  • c. het permanent bewonen of laten bewonen van recreatiewoningen of hotelkamers.
7.2 Ondergeschikte functie

Een ondergeschikte functie mag een omvang hebben van niet meer dan 30% van de vloeroppervlakte van de bebouwing.

Artikel 8 Algemene aanduidingsregels

8.1 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied
8.1.1 Omschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening.

8.1.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
a Verbod uitvoeren werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning het volgende werk, geen bouwwerk zijde, of werkzaamheden ter plaats van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' uit te voeren:

  • 1. het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden;
  • 2. het uitvoeren van diepe grondbewerkingen;
  • 3. het verrichten van bodemonderzoek;
  • 4. het infiltreren van water;
  • 5. het uitvoeren van werken in het kader van ontwatering, bronnering of grondwaterwinning;
  • 6. het aanbrengen van ondergrondse leidingen, constructies en apparatuur.
b Weigeringsgronden

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.1.2 onder a mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van het werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van het grondwater voor de drinkwatervoorziening en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.

c Advies

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.1.2 onder a wordt niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover advies heeft ingewonnen van het waterwinbedrijf, tenzij voor het werk, geen bouwwerk zijnde, al een vergunning op grond van de Provinciale Milieu Verordening is verleend.

d Uitzondering

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.1.2 onder a is niet vereist voor:

  • a. werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden die behoren tot het normale onderhoud en beheer;
  • b. werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een voor dat moment geldende dan wel aangevraagde vergunning.
8.2 Veiligheidszone - installatie
8.2.1 Omschrijving

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - installatie' is geen nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, toegestaan.

8.2.2 Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om af te wijken van het bepaalde in 8.2.1 voor het toestaan van een (beperkt) kwetsbaar object, indien de installatie met een extern veiligheidsrisico verwijderd dan wel buiten gebruik gesteld is.

8.2.3 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen en de aanduiding 'veiligheidszone - installatie' geheel of gedeeltelijk te verwijderen of te veranderen, indien gewijzigde wetgeving dat mogelijk maakt dan wel de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van:

  • a. de in de regels aangegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, voor zover daarvoor in deze regels geen bijzondere afwijkingsbevoegdheden zijn opgenomen;
  • b. de regels en toestaan dat bebouwingsgrenzen in geringe mate worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • c. de regels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstobjecten, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    • 1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer zal bedragen dan 20 m²;
    • 2. de bouwhoogte niet meer zal bedragen dan 3,5 m;
  • d. de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
    • 1. ten behoeve van kunstobjecten, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 15 m;
    • 2. ten behoeve van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 40 m;
  • e. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;
  • f. de regels ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen wordt verhoogd ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, mits:
    • 1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen;
    • 2. de bouwhoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
10.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 11 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Forest Village Bergeijk.