direct naar inhoud van Artikel 3 Bedrijf
Plan: Lommelsedijk 9
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1724.BPUlom0022-VAST

Artikel 3 Bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalassemblagebedrijf': een metaalassemblagebedrijf tot ten hoogste milieucategorie 3.1 met ondergeschikte kantoren;
  • b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', één bedrijfswoning;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'tuin', een tuin;
  • d. aan-huis-verbonden bedrijven of beroepen;


met de daarbij behorende:

  • e. voorzieningen voor verkeer en verblijf;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. parkeervoorzieningen;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. tuinen, erven en verhardingen;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Algemeen
  • a. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één bedrijf toegestaan;
  • b. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen mag niet minder bedragen dan 5 m.

3.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing bedraagt 2.644 m²;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte'.

3.2.3 Bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m3;
  • b. de goothoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 5,5 m;
  • c. de bouwhoogte van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' zijn bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning toegestaan;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 100 m² per bedrijfswoning;
  • f. de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • g. de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5,5 m;
  • h. vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 2,5 m achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd;
  • i. de dakhelling van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet minder bedragen dan 15º en niet meer dan 45º.

3.2.4 Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 15 m²;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter.

3.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende voorwaarden:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat buiten het bouwvlak uitsluitend stellages ten behoeve van buitenopslag zijn toegestaan;
  • b. de maximale bouwhoogte van stellages mag niet meer bedragen 4 m;
  • c. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m, met dien verstande dat de hoogte vóór de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw niet meer mag bedragen dan 1 m;
  • d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – keermuur' zijn keermuren toegestaan, waarvan de maximale bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4 m;
  • e. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • f. voor overkappingen gelden de regels genoemd onder lid 3.2.3.

3.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 3.2.1 onder c voor het bouwen binnen 5 m van de zijdelingse en/of achterste perceelgrens mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. lid 3.2.5 onder d voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een hogere bouwhoogte tot 6 m;
  • c. lid 3.2.5 onder b voor het bouwen van terreinafscheidingen met een hoogte van maximaal 2 m vóór de voorgevellijn, mits hierdoor het stedenbouwkundig/ruimtelijk beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast.

3.4 Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor:

  • a. geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
  • b. detailhandel;
  • c. een verkooppunt voor motorbrandstoffen (inclusief lpg);
  • d. seksinrichtingen;
  • e. opslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn.

3.4.2 Aan-huis-verbonden beroep of bedrijf

Binnen deze bestemming is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de bedrijfswoning, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing van de bedrijfswoning en/of bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 75 m²;
  • b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  • c. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd detailhandel in beperkte, ondergeschikte mate, in direct verband met de uitoefening van aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten;
  • d. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 onder a ten behoeve van:

  • a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1, 2 en 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en zelfstandige kantoren;
  • b. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, die hoewel gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 3.1 onder a maar niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten wordt genoemd.


Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitworp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking.

3.6 Wijzigingsbevoegdheid

3.6.1 Wijzigen naar 'Wonen'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het bedrijf ter plaatse is beëindigd en hergebruik is niet langer mogelijk;
  • b. het totale bestemmingsvlak, inclusief het vlak dat een relatie heeft met de bedrijfswoning wordt verkleind tot de gronden van de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende tuinen, erven en verhardingen en de wijziging gelijktijdig plaatsvindt met de wijziging van de overige gronden naar de aangrenzende bestemming 'Groen – Landschappelijke inpassing', waarbij deze worden bestemd overeenkomstig de genoemde aangrenzende bestemming;
  • c. de voormalige bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt waarbij geldt dat 20% van de oppervlakte van de voormalige te slopen bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de bestaande oppervlakte aan bijgebouwen tot maximaal 200 m²;
  • d. de woning mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering/ bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven;
  • e. de woning dient aanvaardbaar te zijn uit een oogpunt van een milieuhygiënisch verantwoord woon- en leefklimaat;
  • f. de wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap en/of cultuurhistorische en/of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied.