direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Baarlesebaan 2
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1723.TAMBaarlesebaan2-VS01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een ontwikkeling aan ter plaatse van de agrarische locatie 'Baarlesebaan 2 te Alphen'. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) in het omgevingsplan van de gemeente Alphen-Chaam. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Alphen-Chaam. Dus:

  • hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22a, paragraaf 1;
  • hoofdstuk 2 (Functies) moet worden gelezen als hoofdstuk 22a, paragraaf 2;
  • hoofdstuk 3 (Thema's) moet worden gelezen als hoofdstuk 22a, paragraaf 3;
  • hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22a, paragraaf 4;
  • hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22a, paragraaf 5.
  • bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage 22a.1

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan.
  • De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in bijlage 1 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

  • de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
  • de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg.
  • het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.
  • het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.
  • de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren.
  • de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  • de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
  • de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
  • de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  • de bouwhoogte van een windmolen: vanaf het peil tot en met de as van de molen.
  • de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  • peil:
    • 1. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg;
    • 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Baarlesebaan 2 te Alphen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1723.TAM-TAMBaarlesebaan2-VS01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 4 Agrarisch - Landelijke gebieden

4.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Agrarisch - Landelijke gebieden'.

4.2 Toegestande gebuiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • a. het telen van gewassen in de vorm van akkerbouw- en vollegrondstuinbouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
    • b. beweiden van landbouwhuisdieren; en,
    • c. extensief recreatief verblijven
  • 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • a. wegen;
    • b. voet- en rijwielpaden;
    • c. verkeervoorzieningen;
    • d. straatmeubilair;
    • e. openbare nutsvoorzieningen;
    • f. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en,
    • g. groen- en speelvoorzieningen.

4.3 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 4.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • 1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  • 2. motorcrossen;
  • 3. grootschalige openluchtevenementen;
  • 4. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf;
  • 5. het stallen van kampeermiddelen;
  • 6. het gebruik voor parkeren.

4.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • a. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 4.2;
  • b. de bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzineingen niet meer bedraagt dan 2,5 meter en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de in de gebruiksactiviteiten omschreven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
    • 2. de oppervlakte aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mag per bestemmingsvlak en per agrarisch bedrijf niet meer dan 2,5 ha bedragen.
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 m.

4.5 Verboden bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in 4.4 ten behoeve van de agrarische functie als bedoeld in dit artikel.
  • 2. het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van:
    • a. paardenbakken;
    • b. trayvelden;
    • c. permanente teeltondersteunende voorzieningen;
    • d. foliemestbassins; en,
    • e. kassen.

Artikel 5 Agrarisch - Agrarisch bedrijf

5.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'.

5.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
5.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • a. het exploiteren van een grondgebonden agrarisch bedrijf;
    • b. het exploiteren van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';
    • c. het wonen in één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
    • d. het exploiteren van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven;
    • e. productiegebonden detailhandel, waarbij de totale gezamenlijke verkoopvloeroppervlakte per agrarisch bedrijf niet meer mag bedragen dan 100 m2;
    • f. kleinschalig logeren, waarbij de bruto-vloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m2;
    • g. opslag, bewerking en verwerking van dierlijke mest, afkomstig uit de eigen bedrijfsvoering tot maximaal 25.000 m3 op jaarbasis.
  • 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • a. één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
    • b. paden, wegen en parkeervoorzieningen;
    • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
    • d. groenvoorzieningen;
    • e. landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 3 van de regels, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landschappelijke inpassing'.
  • 3. Gebruik van ruimten binnen de bedrijfswoning en in de bijgebouwen bij de bedrijfswoning ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • a. Maximaal 35% van de oppervlakte van het vloeroppervlak van de bedrijfswoning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen mag tot ten hoogste in totaal 50 m² worden gebruikt voor de aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. Waarbij geldt dat in gemeentelijke en rijksmonumenten de maximale oppervlakte 100 m² mag bedragen.
    • b. Degene die de activiteiten uitvoert, dient tevens de bewoner van de woning te zijn.
    • c. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.
    • d. Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan in milieucategorie 1 van de als bijlage opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten.
    • e. Er mag geen detailhandel plaatsvinden.

5.2.2 Voorwaardelijke verplichting
  • 1. Het (doen/laten) gebruik(en) voor de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 5.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 3 van de regels, is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden;
5.2.3 Omgevingsvergunning wijzigen landschappelijk inpassingsplan

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 3 als bedoeld in sublid 5.2.2 onder 1 te wijzigen. De omgevingsvergunning voor het gewijzigd landschappelijk inpassingsplan wordt verleend als het gewijzigde landschappelijke inpassingsplan:

  • 1. minimaal gelijk is aan het in bijlage 3 opgenomen landschappelijk inpassingsplan;
  • 2. voorziet in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden;
  • 3. is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken.

5.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag activiteiten te exploiteren die afwijken van het bepaalde in lid 5.2 onder 1 voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten. De omgevingsvergunning voor andere gebruiksactiviteiten wordt verleend als:

  • 1. De agrarische functie op het perceel als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar blijft.
  • 2. Voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten geldt dat de volgende functies bij het agrarische bedrijf zijn toegestaan:
    • a. semi-agrarische bedrijven tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m²;
    • b. zorgboerderijen en kinderboerderijen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m²;
    • c. sociale en educatieve voorzieningen tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m².
    • d. recreatieve doeleinden en kleinschalige dagrecreatie tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 400 m²;
    • e. inpandige statische opslag tot een maximum gezamenlijke oppervlakte van 500 m²;
    • f. bij cumulatie van functies mag de maximale gezamenlijke oppervlakte niet meer bedragen dan 600 m²;
  • 3. Ondergeschikte horeca is toegestaan bij de verbrede landbouw/nevenactiviteiten zoals genoemd in sub b onder 2 waarbij de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m² en bij boerenterrassen niet meer mag bedragen dan 100 m².
  • 4. Buitenopslag ten behoeve van de verbrede landbouw/nevenactiviteiten is niet toegestaan.
  • 5. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • 6. De verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben, dit mede in relatie tot de aard van de omgeving en de weg waaraan de locatie gelegen is.
  • 7. De parkeerplaatsen moeten gerealiseerd worden op eigen terrein.
  • 8. De verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven.
5.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
5.4.1 Algemene beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • 2. De bebouwing ten behoeve van maximaal één agrarisch bedrijf wordt opgericht;
  • 3. De afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder bedraagt dan 15m;
  • 4. De afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen niet minder bedraagt dan 2m;
  • 5. Bouwwerken ten behoeve van reële agrarische bedrijven worden gebouwd;
  • 6. Gebouwen innen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van (teeltondersteunende) kassen die ook op het bestemmingsvlak mogen worden gebouwd.
5.4.2 Beoordelingsregels bedrijfsgebouwen

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. De goothoogte niet meer bedraagt dan 8 m.
  • 2. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 13 m.
5.4.3 Beoordelingsregels bedrijfswoningen

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. De inhoud van de woning niet meer bedraagt dan 750 m³; indien de bestaande inhoud meer bedraagt dan 750 m³ mag de bestaande inhoud niet worden uitgebreid.
  • 2. In afwijking van het bepaalde onder a mogen woonboerderijen in hun geheel als bedrijfswoning worden benut.
  • 3. De goothoogte niet meer bedraagt dan 5 m.
  • 4. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 9 m.
5.4.4 Beoordelingsregels bijgebouwen van bedrijfswoningen

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. Bijgebouwen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning worden gebouwd.
  • 2. De gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m².
  • 3. De goothoogte niet meer bedraagt dan 3 m.
  • 4. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 6 m.
5.4.5 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 1 m.
  • 2. De bouwhoogte van lichtmasten, silo's en windmolens niet meer bedraagt dan 15 m.
  • 3. De bouwhoogte van sleufsilo's en mestzakken niet meer bedraagt dan 2 m.
  • 4. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 m.

Artikel 6 Groen - Landschappelijke inpassing

6.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Groen - Landschappelijke inpassing'.

6.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

De volgende voorzieningen ten behoeve van de functie zijn toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen conform landschappelijk inpassingsplan bijlage 3;
  • b. in- en uitritten en paden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. waterhuishoudkundige voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • e. bouwwerken geen gebouw zijnde.

6.3 Toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde te realiseren mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 m.
  • b. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7 Gebruik

7.1 Verboden gebruiksactiviteiten
  • 1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met de aan locatie toegedeelde functie(s) in hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
  • 2. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
  • 3. Gebruiksactiviteiten die op grond van dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.

Artikel 8 Bouwen

8.1 Algemene bepalingen
8.1.1 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

8.1.2 Bestaande maatvoering toegestaan
  • a. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden.
  • b. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden.
  • c. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is dit uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

8.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
8.2.1 Algemene beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten
  • 1. In afwijking van de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten ook verleend als de daarvoor voorgeschreven maatvoerings- en situeringseisen met ten hoogste 10% worden overschreden mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen.
  • 2. Onverminderd de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van ondergrondse bouwwerken verleend als:
    • a. onder bovengrondse bebouwing, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen en direct aansluitende inritconstructies;
    • b. met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 3,5 meter onder peil.
  • 3. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatie- en rookkanalen, voorzieningen voor (hemel)waterafvoer, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, galerijen, reclamevoorzieningen, schoorstenen, balkons en overstekende daken, te realiseren, in stand te houden en te gebruiken buiten beschouwing gelaten mits de overschrijding van maatvoeringsnormen niet meer dan 1 meter bedraagt en plaatsvindt binnen het bouwperceel.
8.2.2 Inwinning advies welstand

Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt beslist, wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit over de welstandsaspecten.

8.3 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de toegelaten en vergunningplichtige bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2 en 3.

Hoofdstuk 4 Procesregels

Artikel 9 Algemene bepalingen

9.1 Rangorde

De regels in dit TAM-omgevingsplan gaan – voor zover deze in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet - voor op het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

9.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning
  • 1. De aanvrager van een omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project.
  • 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  • 3. het e-mailadres (voor zover beschikbaar) van de melder of aanvrager; en,
  • 4. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding.

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM- omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

10.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie en dat als gevolg van dit TAM-omgevingsplan in strijd is met de gebruiksregels in hoofdstuk 2 ten 3, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM- omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met de voorheen geldende gebruiksregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

10.3 Eerbiedige werking overige activiteiten
  • 1. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als vergunning- of meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een onherroepelijke ontheffing of vergunning zoals die luidde direct voor die regeling als een omgevingsvergunning respectievelijk melding voor die activiteit.
  • 2. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een melding of kennisgeving zoals ingediend voor die regeling als een melding voor die activiteit.
  • 3. Op activiteiten anders dan bedoeld in de artikelen 10.1 en 10.2 die op het moment van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan direct van toepassing.