direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Terover 6 & 8, Alphen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1723.BP01565-VS01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een herziening van het bestemmingsplan van gemeente Alphen-Chaam ten behoeve van een bestemmingswijziging.

Ter plaatse van Terover 6 wordt het agrarische bedrijf met de functieaanduiding intensieve veehouderij gewijzigd in een woonbestemming. Dit vanwege de deelname aan de Saneringsregeling varkenshouderijen. Het bedrijf was te kleinschalig om in de toekomst een rendabel en volwaardig bedrijf te exploiteren. Tevens waren de stallen verouderd en zou het noodzakelijk zijn deze te vernieuwen. Een uitbreiding op deze locatie is vanwege de ligging in de bebouwingsconcentratie en de aangescherpte milieuwetgeving niet voorstelbaar. Het gebied is de afgelopen jaren in een transitie geweest waarbij de agrarische functie afneemt en steeds meer wordt gemengd met burgerwoningen. Zo zijn er in de straat al meerdere agrariers gestopt en omgeschakeld naar woonbestemmingen.

De initiatiefnemer van Terover 6 heeft niet de intentie om op de locatie nog bedrijfsmatige activiteiten voort te zetten. Vandaar dat een herbestemming van het agrarische bedrijf naar 'Wonen' gewenst is. De voormalige bebouwing van Terover 6 is recent al gesloopt.

De locatie Terover 8 kent ook een agrarische bestemming, echter is het agrarsiche bedrijf op deze locatie al reeds gesaneerd. Omzetting naar burgerwoning was ten tijde van stoppen niet mogelijk in verband met de milieuhinder van Terover 6. Er is geen agrarische bebouwing meer aanwezig. Daarmee is hier alleen sprake van een niet passende bestemming bij het huidige gebruik. Vandaar dat het herbestemmen van de locatie naar 'Wonen' gewenst is.

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van Terover 6 is noodzakelijk om een aantal redenen.

  • De locatie biedt te weinig mogelijkheden voor het voortzetten van een volvaardige intensieve veehouderij;
  • De huidige varkenshouderij veroorzaakt een grote geurhinder op de burgerwoningen in de omgeving. Met het saneren van de varkenshouderij neemt de geurbelasting op de nabije omgeving sterk af. Daarbij wordt een knelsituatie opgelost;

De voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van Terover 8 is noodzakelijk om een aantal redenen.

  • De locatie biedt geen mogelijkheden voor het ontwikkelen van een agrarisch bedrijf;
  • Het gebruik ter plaatse is niet in overeenstemming met het bestemmingsplan;

De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2 Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan Terover 6 & 8 te Alphen en ligt ten zuidoosten van de kern Alphen in het gemengd landelijk gebied van gemeente Alphen-Chaam.

De locatie Terover 6 ligt in de bebouwingsconcentratie aansluitend op het lintdorp Terover. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Alphen en Riel, sectie M, nummer 369. Het perceel heeft een oppervlakte van 13.170m². In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.


afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

De locatie Terover 8 ligt in de bebouwingsconcentratie aansluitend op het lintdorp Terover. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Alphen en Riel, sectie M, nummer 678. Het perceel heeft een oppervlakte van 3350m². In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0002.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Terover 6:

Ter plaatse is het bestemmingsplan "Buitengebied Alphen 2001" van de gemeente Alphen-Chaam, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 22-02-2001, onverkort van toepassing.

Aan de bedrijfslocatie zijn de enkelbestenmming 'Agrarisch met waarden - landschappelijke waarde' en de dubbelbestemming 'Agrarische bedrijfsdoeleinden' toegekend.

Terover 8:

Ter plaatse is de verbeelding uit het bestemmingsplan "Buitengebied Alphen-Chaam 2010" en voor de regels is de 'Corectieve herziening Buitengebied Alphen Chaam 2010' van de gemeente Alphen-Chaam, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 10-12-2015, onverkort van toepassing.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de functieaanduiding 'Bedrijfswoning' van toepassing. En de volgende gebiedsaanduidingen 'overig- bebouwingsconcentratie 4' en 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend van circa 3.300m².

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0003.png"

De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit de geldende bestemmingsplannen. In de geldende bestemmingsplannen is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk de geldende bestemmingsplannen gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
  • Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel

De locatie is gelegen in het buitengebied van gemeente Alphen-Chaam. De planlocatie is gelegen in een bebouwingslint waar zowel burgerwoningen als (agrarische) bedrijven dicht bijelkaar liggen.

De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.

In de directe omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Daarnaast zijn er enkele (agrarische) bedrijven en horeca functies gelegen.

2.1.2 Ruimtelijke structuur

Terover 6:

Op de locatie ter plaatse van Terover 6 was een varkenshouderij gevestigd. Ter plaatse mochten volgens de laatste vigerende vergunning 1.728 varkens gehouden worden. Ter plaatse is de volgende bebouwing aanwezig:

  • Woonboerderij (woning met achterhuis)
  • Vrijstaande schuur behorende bij de woning (320 m²)

De voersilo's en varkensstallen zijn reeds gesloopt in het kader van de beëindigingsregeling waar aan deelgenomen is.

Op de locatie zijn 2 inritten aanwezig. Deze worden momenteel allebei gebruikt, waarbij de meest zuidelijke inrit alleen wordt gebruikt ten behoeve van de bedrijfswoning.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 10.000 m² groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0004.png"

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

Terover 8:

Ter plaatse van Terover 8 is de locatie is geen sprake meer van een agrarisch bedrijf. De locatie is reeds in gebruik als burgerwoning. Op de locatie is een woning met aaneengebouwde schuur aanwezig. Er is geen sprake van overtollige bebouwing. Het bouwblok terplaatse betreft circa 3300m².

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0005.png"

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemers zijn voornemens ter plaatse de bestemming te wijzigen naar 'Wonen'.

Ter plaatse van Terover 6:

De initiatiefnemer neemt deel aan de Saneringsregeling varkenshouderij en heeft niet de intentie om op de locatie nog bedrijfsmatige of agrarische activiteiten voort te zetten.

De bedrijfsbebouwing met een omvang van circa 2.493 m² is reeds gesloopt.

De woonboerderij (woning inclusief achterhuis) en vrijstaande bijbehorende schuur van circa 320 m² zullen worden behouden en worden herbestemd tot 'Wonen'. De achtergelegen gronden krijgen de bestemming agrarisch en worden weer landbouwgronden, net zoals de omliggende gronden.

De noordelijke oprit wordt behouden als toegangsweg naar de achtergelegen landbouwgronden en krijgt eveneens de bestemming 'Agrarisch'.

De woonbestemming zal opnieuw worden ingericht. Zie hiervoor het landschappelijk inrichtingsplan in paragraaf 2.2.2 Landschappelijke inpassing

Het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' zal circa 3200 m² bedragen. Dit is in lijn met de overige naast gelegen bestemmingen. De overige gronden zullen worden teruggebracht naar de bestemming 'Agrarisch' onbebouwd en worden gebruikt als landbouwgrond.

Ter plaatse van Terover 8:

Ter plaatse van Terover 8 is geen sprake meer van een agrarisch bedrijf. De locatie is reeds in gebruik als burgerwoning. Op de locatie is geen overtollige bebouwing aanwezig. Fysiek vinden er geen veranderingen plaats op deze locatie. Enkel de bestemming wordt gewijzigd in een woonbestemming. De omvang van het bestemmingsvlak en bouwvlak blijven daarbij ongewijzigd.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. De onwikkeling moet voldoen aan artikel 3.9 'Kwaliteitsverbetering van het landschap' uit de interim omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant. Voorliggende ontwikkeling valt in categorie 2. Dit betekent dat het bestemmingsvlak moet worden verkleind tot maximaal 5000 m². Overtollige voormalige bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt en er mag maximaal 500 m² aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing resteren. Categorie 2 houdt in dat er een goede landschappelijke inpassing wordt vereist.

Door een landschapsdeskudige is er een landschapsplan opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. De bijbehorende tekening is in de volgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0006.png"

Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: Van Dooren Landschap

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 1 van deze onderbouwing.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.

Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven.

Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking

Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:

"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

Aan de hand van deze definitie kan gesproken worden van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt.

Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daarmee verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie, Omgevingsplan of Omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De ontwerp Omgevingsvisie gaat over twee vragen:

  • Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien?
  • Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken?


De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.


De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.


Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.


Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.


Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.


Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.


Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendigd bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.


Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • Werken aan de slimme netwerkstad;
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie.


Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.


Bij de beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse van Terover 6 zal de uitstoot van fijn stof, stikstofoxiden, koolstofdioxide en methaan afnemen. Tevens neemt het energie- en watergebruik van de locatie af. Een intensieve veeehouderij heeft een aanzienlijk grotere energie- en waterbehoefte dan een woning. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de provincie. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant. Eenzelfde motivatie geldt voor Terover 8. Door het planologisch toegestane gebruik in overeenstemming te brengen met het feitelijke gebruik is het niet meer mogelijk om agrarsiche bedrijvigheid op deze locatie te vestigen.

3.2.2 Verordening Ruimte, Omgevingsverordening of Provinciale verordening

Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd.

Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'Gemengd landelijk gebied', 'stalderingsgebied' en 'gebied beperkingen veehouderij'.

Binnen het gebied dat is aangemerkt als stalderingsgebied en gebied beperkingen veehouderij gelden aanvullende voorwaarden voor (de ontwikkeling van) veehouderijbedrijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen spake van een (ontwikkeling van een) veehouderijbedrijf. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied en het gebied beperkingen veehouderij zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Voor wat betreft wonen in het landelijk gebied zijn in de omgevingsverordening specifieke regels opgenomen. Vanuit de omgevingsverordening zijn alleen bestaande burgerwoningen in het buitengebied toegestaan. Nieuwe burgerwoningen zijn in beginsel uitgesloten. Echter is in de omgevingsverordening in artikel 3.69 een afwijking op dit verbod opgenomen die de omschakeling van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk maakt. Aan de voorwaarden voor omschakeling van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning wordt voldaan.

Naast de specifieke voorwaarden voor het vestigen van een niet-agrarische ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Artikel 3.5 t/m 3.8 van de verordening hebben hier betrekking op.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de veehouderij aan Terover 6 worden beëindigd en zal de veehouderij aan Terover 8 blijvend beëindigd blijven. Een veehouderij heeft een grote uitstoot van geur, fijnstof, stikstofoxiden, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen beëindiging zal de uitstoot van het bedrijf in zijn geheel worden beëindigd. Dit heeft een aanzienlijke meerwaarde op het gebied van milieu en natuur. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee worden verbeterd.

Met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), zal worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiervoor is het regionale beleidskader kwaltiteitsverbetering van het landschap van toepassing. Binnen dit kader wordt er onderscheid gemaakt tussen categorie 1,2 en 3 ontwikkelingen. Deze ontwikkeling betreft een categorie 2 ontwikkeling aan deze voorwaarden wordt voldaan in paragraaf 2.2.2 Landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Ten slotte is met de voorgenomen ontwikkeling de verouderde bedrijfsbebouwing gesloopt. De te slopen bebouwing heeft een oppervlakte van circa 2.800 m². Sloop van bebouwing is in artikel 3.9 van de verordening eveneens opgenomen als mogelijkheid voor kwaliteitsverbetering van het landschap en is derhalve ook aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie.

Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Gemeentelijke structuurvisie

De gemeente Alphen-Chaam heeft op 27-02-2014 de Structuurvisie Alphen-Chaam vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd.

De locatie bevindt zich in het het gebied dat zich karakteriseerd als jonge open zandontginning en is gelegen in een bebouwingsconcentratie(type 4). Dit karakter typeerd zich als grootschalig en open. De gemeente zet zich in voor verbreding in het buitengebied. Initiatieven die een meerwaarde hebben zullen dan ook zoveel mogelijk worden gefacaliteerd.

Inhoudelijk sluit de ambitie van de structuurvisie aan bij de Agenda van de Toekomst AlphenChaam 2020:

1. Versterking en verbreding van het economisch profiel door betere benutting van de toeristisch-recreatieve mogelijkheden.
2. Inzet op leefbaarheid in de kernen door een aandacht voor zowel woningbouw, voorzieningen, verkeer en openbare ruimte/groen.
3. Versterking van de demografische balans door gerichte aandacht aan alle bevolkingsgroepen.
4. Positiebepaling in het bestuurlijk krachtenveld op basis van eigen kracht en identiteit en het open benaderen van samenwerking, alliantievorming en eventuele opschaling met andere gemeenten.

Dit initiatief verbetert de leefbaarheid van de omgeving aanzienlijk. De agrarische locatie aan Terover 6 wordt beëindigd en de reeds beëindigde veehouderij aan Terover 8 wordt herbestemd overeenkomstig het feitelijke gebruik. Daarmee komt de uitstoot van milieubelastende stoffen te vervallen. Hierdoor verbetert de luchtkwaliteit in de omgeving. Ook heeft dit een positief effect op de volksgezondheid door een afname van de verspreiding van zoönosen en fijnstof.

Daarnaast draagt deze ontwikkeling bij aan een verbetering van de ruimtelijke- en beeldkwaliteit. De sterk verouderde varkensstallen zijn gesloopt. Door deze gebiedsontsierende bebouwing te verwijderen gaat de beeldkwaliteit en de openheid van de omgeving erop vooruit. Ook de ruimtelijke karakteristiek wordt versterkt doordat de locatie na de sloop beter in het lint past. Tevens zal de locatie landschappelijk worden ingepast. Vandaar dat er sprake is van een duurzame meerwaarde creatie op de omgeving.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de structuurvisie van gemeente Alphen-Chaam.

3.3.2 Landschappelijk beleidskader gemeente

De Structuurvisie van de gemeente Alphen Chaam vormt een richtlijn voor nieuwe ontwikkelingen. Uitgangspunt bij het opstellen van de zorgvuldige landschappelijke inpassing is een goede visueel-ruimtelijke inpassing van het erf. Een nadere uitwerking voor het bestaande lint 'Terover' is opgenomen in de stuctuurvisie. De ruimtelijke kwaliteit van dit gebied behoeft niet direct verbetering, maar de eenheid zou verstekt kunnen worden door landschappelijke inpassing van grote gebouwen. Grootschalige bedrijvigheid past in dit grootse open landschap.

De huidige percelen omvatten reeds veel landschappelijk kwaliteiten met de aanleg van de elementen in het verleden. Vanuit de structuurvisie is een goede landschappelijke inpassing van de bestaande bebouwing wenselijk. Vandaar dat er een landschappelijk inpassingsplan is opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 1.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten zoals zijn verwoord in de structuurvisie van de gemeente Alphen-Chaam.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen:

- Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer.

- Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid.

Vanwege de ligging van het plangebied in het bebouwingslint aan de Terover kan worden gesteld dat de locaties zijn gelegen in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies zoals o.a. veehouderijen, een paardenhouderij, een hondenhouderij, bedrijvigheid, een recreatiebedrijf e.d. Hierdoor is dus reeds sprake van een verhoogde milieubelasting. Kleinere afstanden zijn te rechtvaardigen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen de locaties worden herbestemd naar wonen. Dit betreft al bestaande bedrijfswoningen welke worden herbestemd tot burgerwoning. Dit betreft een gevoelig object. De dichtsbijzijnde bedrijvigheid betreft het aan de noordzijde gelegen agrarische bedrijf.

Voor overige bedrijven in de omgeving geldt dat er reeds andere woningen dichter bij zijn gelegen. Hierdoor zullen deze woningen de bedrijven altijd meer beperken in hun ontwikkelingsmogelijkheden dan de woning van Terover 6 en 8.

Op de locatie Terover 4 is een kwekerij gevestigd. Dit is in de lijst opgenomen als een categorie 2 bedrijf. Hiervoor zijn in de handreiking de volgende maximale richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 10 meter.
  • Stof: 10 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 10 meter.

Deze afstanden kunnen met een factor worden verkleind vanwege de ligging in het gemengd gebied. Daardoor kan het bedrijf gezien worden als categorie 1 en dient er een richtafstand van 10 meter gehanteerd te worden. De afstand van de gevel van de woning van Terover 6 tot de bestemmingsgrens van het bedrijf betreft circa 4 meter. Daarmee wordt er niet voldaan aan de richtafstanden en moet nader gemotiveerd worden waarom het bedrijf niet verder beperkt wordt in zijn ontwikkelingsmogelijkheden.

De kwekerij wordt niet beperkt in haar ontwikkelingsmogelijkheden. De bedrijfswoning aan Terover 6 wordt een burgerwoning. Beiden zijn bestemd voor het verblijf van mensen en kent een gelijk beschermingsregime.

Op eenzelfde wijze kan gemotiveerd worden dat er ondanks de overschrijding van de richtafstand er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse. Zowel een bedrijfswoning als een burgerwoning is een gevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. Beide kennen bescherming van geluidsoverlast van naburige bedrijven. Aangezien er heden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal dit na herbestemming ook zo zijn.

4.1.2 Geur

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.

De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het varkensbedrijf ter plaatse van Terover 6 beeindigt. Dit heeft een afname van geuremissie tot gevolg. Met deze ontwikkeling is er een verbetering van het woon- en leefklimaat binnen en aansluitend aan het plangebied.

Beide bedrijfswoningen aan Terover 6 en Terover 8 worden herbestemd naar een burgerwoning. In de directe omgeving (< 50 meter van de grens van het plangebied) zijn geen veehouderijbedrijven van derden gelegen. Ter plaatse is op grond van de vaste afstanden sprake van een goed woon- een leefklimaat en omliggende bedrijven worden niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden belemmert.

Uit de achtergrondkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant blijkt dat de achtergrondgeurbelasting oftewel het woon- en leefklimaat ter plaatse vooral beinvloed wordt door de geuremissie van het te saneren bedrijf aan Terover 6. Waarneer dit bedrijf wordt beëindigt is het aannemelijk dat binnen het plangebied een maximale geurbelasting van 13 ouE/m³ en dit is aanvaardbaar. Zie hiervoor onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0007.png"

Bron: Omgevingsdienst Zuidoost Brabant

4.1.3 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting

De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Er zal na de sanering van de varkenshouderij aan Terover 6 enkel een burgerwoning overblijven. Deze woning was voorheen de bedrijfswoning en het daarbij horende achterhuis. Deze woonboerderij en de vrijstaande bijbehorende schuur blijven behouden. Door de sanering van het bedrijf zal de luchtkwaliteit ter plaatse verbeteren. De uitstoot van fijnstof en stikstof vanuit het bedrijf zal hiermee komen te vervallen, hierdoor is er sprake van een grote milieuwinst. Ter plaatse van Terover 8 was de agrarische bedrijfsvoering al beëindigd en blijft de situatie ongewijzigd.

Daarnaast dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat in de omgeving aanvaardbaar kan worden geacht. Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentratie aan fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NOx) niet meer dan 40 micorgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedraagt. Voor de fijnere deeltjes fijnstof (PM2,5) is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentratie niet meer dan 20 µg/m³ bedraagt. In Noord-Brabant is de norm bijgesteld naar 31,2 µg/m³

Zoals te zien in de volgende figuren bedraagt de achtergrondconcentratie in de omgeving, volgens gegevens van de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin ook de resultaten uit de Monitoringstool NSL zijn opgenomen, ter plaatse voor fijnstof en stikstofoxiden ongeveer 19 (PM10) en 14,5 (NOx) µg/m³. De achtergrondconcentratie van fijnere deeltjes fijnstof (PM2,5) bedraagt in de omgeving ongeveer 11,7 µg/m³. Dit is ruimschoots onder de normen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de omgeving is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit. Omdat de voorgenomen ontwikkeling een ontwikkeling betreft die zal bijdragen aan een verbetering van de achtergrondconcentratie zal ook na realisatie van de ontwikkeling sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiermee kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving worden geborgd.


afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0008.png"

Fijnstof pm10: 19,2µg/m3

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0009.png"

NO2: 14,5µg/m3

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0010.png"

Fijnstof pm2,5:11,7µg/m3

Bron: atlas van leefomgeving

De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling afnemen. Door het saneren van de veehouderij verbetert het woon- en leefklimaat ter plaatse. De luchtkwaliteit zal verbeteren door de sanering van de veehouderij.

4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen

Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen neemt namelijk af. Hiermee neemt ook de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen af en valt de ontwikkeling onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

4.1.4 Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc..

Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:

  • Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg.
  • Woonwagenstandplaatsen.

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai

Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. De woningen zijn namelijk reeds aanwezig, daarmee is er geen sprake van een nieuw gevoelig object. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.

4.1.4.2 Industrielawaai

Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) afnemen.

Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.5 Externe veiligheid

Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.

In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.

4.1.5.1 Risicovolle inrichtingen

Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0011.png"

Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).

4.1.5.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen)

Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.

De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen.

4.1.5.3 Groepsrisico

Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.

De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.

4.1.6 Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.

Op de locatie Terover 8 vinden geen ontwikkelingen plaats die een bodemonderzoek noodzakelijk maken. De functie van de woning en omliggende gronden wijzigt niet. Dit is echter wel het geval bij de locatie Terover 6. Op deze locatie zijn stallen gesloopt, mogelijk bodemverontreinigende activiteiten gestaakt en het bouwvlak wordt deels herbestemd ten behoeve van burgerbewoning en deels wordt het plangebied agrarische landbouwgrond. Om uit te sluiten dat de bodem verontreinigd is en niet geschikt voor de beoogde functie is er een bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd. Uit dit onderzoek, zie bijlage 2, blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor onderhavig plan.

4.1.7 Voortoets MER-beoordeling

Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een tweetal agrarische bedrijfswoningen naar een burgerwoning. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 2.000 woningen. Daarnaast is de drempelwaarde alleen van toepassing wanneer sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename met 2.000 of meer woningen en is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee de voorgenomen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2 Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.

De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.

Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

4.2.1.1 Gebiedsbescherming

Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout is gelegen in Belgie op een afstand van ongeveer 2,7 kilometer van de locatie. Het dichtsbijzijnde Natura 2000 gebied in Nederland betreft Regte heide & Riels Laag en is gelegen op een afstand van circa 3,1 kilometer. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beeindigt. Hiermee is er sprake van een afname van de ammoniakemmisie vanuit de locatie, de vergunde ammoniakemissie betreft 2.306 kg NH3/j. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen afnemen. Er is immers geen transport meer nodig ten behoeve van de veehouderi. Tevens is er geen sprake van een nieuwe ontwikkeling. Dit project betreft enkel het voortgezet gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning. Hiermee heeft de voorgenomen ontwikkeling geen nadelig effect op de Natura 2000 gebieden. Er is sprake van een positief effect gezien door het saneren van de varkenshouderij de uitstoot van milieubelastende stoffen wordt beeindigt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0012.png"

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Natura2000

Bij de voorgenomen ontwikkeling is spraken van sloop van de bestaande varkensstallen waar ammoniak emissie plaatsvindt. Tevens zal er ammoniak uitstoot plaatsvinden bij de gebruiksfase van de twee woningen. Echter zal de depositie van stikstof in de betreffende gebieden niet toenemen.

Om dit aan te tonen is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling met het rekenprogramma Aerius Calculator berekend of sprake is van een projecteffect dat mogelijk leidt tot significante effecten. Uit de berekeningen (aanleg- en gebruiksfase), waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 5 en 6 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar).

Naast de depositie van stikstof zijn aspecten als licht, geluid en trillingen mogelijk van invloed op Natura 2000 gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen werkzaamheden plaats met een structurele uitstraling van licht, geluid en/of trillingen.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

4.2.1.2 Houtopstanden

Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

  • buiten de bebouwde kom-boswet liggen;
  • een oppervlakte hebben van 10 are of meer;
  • rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen;

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1.3 Soortenbescherming

De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.

  • Vogelrichtlijn:
    Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort).
  • Habitarichtlijn:
    Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Nationaal beschermde soorten:
    Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Zorplicht:
    Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren.

Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.

Er is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van sloop van bebouwing. Om te onderzoeken of de sloop mogelijk schadelijk zou kunnen zijn voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is voorafgaand aan de sloop een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen effecten te verwachten zijn die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen soorten of mogelijk aanwezige soorten. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag was dan ook niet nodig en de sloop van bebouwing is afgerond. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 800 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0013.png"

Uitsnede kaart NNN.
Bron: Provincie Noord-Brabant

Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Alphen-Chaam voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Waarde - Archeologie 2'.


afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0014.png"

Uitsnede archeologische verwachtingskaart.
Bron: Gemeente Alphen-Chaam.

Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 750 m².

Voor aanvang van de sloopwerkzaamheden is een omgevingsvergunning verleend voor deze werkzaamheden. Hiermee is verzekerd dat er geen archeologische waarden worden geschaad door de sloop van bebouwing.

4.3.2 Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0015.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant

De locatie is in het cultuurhistorisch gebied De Baronie gelegen. Dit gebied is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door Beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaik van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. De omgeving van de locatie wordt gekenmerkt door het open akkercomplex. De locatie is gelegen in het jonge zandontginnings gebied waar openheid van het landschap een van de kernkwaliteiten is. Bij de ontwikkeling is de bedrijfsbebouwing aan Terover 6 gesloopt en wordt het bouwvlak verkleind, daarmee wordt de openheid versterkt. Tevens past de woonmassa en functie na realisatie van het project beter bij het bebouwingslint. De bebouwingsomvang aan Terover 8 is al passend binnen ditzelfde lint. Daarnaast is in het landschappelijk inpassingsplan rekening gehouden met het behoud van de openheid en de kwaliteiten van het gebied. De beoogde ontwikkeling sluit daarmee aan bij de ontwikkelingsstrategie van de regio De Baronie.

De sterk verouderde stallen die uitsteken in het landschap zijn gesloopt. Daarmee verbetert de beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Dit versterkt de beleving van het historisch waardevolle landschap.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.


afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BP01565-VS01_0016.png"

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Provincie Noord-Brabant

Gezien de planlocatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4 Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Terover. De locaties Terover 6 en 8 zijn beiden voorzien van twee inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om de woning en achtergelegen gronden te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Ter plaatse van Terover 6 zal de meest zuidelijke inrit ten behoeve van de woning worden gebruikt. De meest noordelijke inrit heeft een ontsluitingsfunctie van de achtergelegen agrarische gronden. Deze inrit is in de huidige situatie ook al als zodanig in gebruik. Ter plaatse van Terover 8 verandert de verkeerskundige situatie niet.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Binnen het plangebied is op eigen terrein op beide erven voldoende gelegenheid om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling aan Terover 6 is sprake van een herbestemming van een varkenshouderij welke wordt gesaneerd middels de Saneringsregeling Varkenshouderij. Het planvoornemen is om de bedrijfsloctie te slopen en het wonen in de voormalige bedrijfswoning voort te zetten. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Gezien de bedrijvigheid die ter plaatse volledig wordt beëindigd zal er sprake zijn van een afname van verkeersbewegingen. Enkel de verkeersbewegingen behorende bij de woning voor privëdoeleinden resteren en dit aantal is gelijk aan het aantal verkeersbewegingen behorende bij de agrarische bedrijfswoning.

Ter plaatse van Terover 8 wordt enkel de planologische regeling in overeenstemming gebracht met het feitelijke situatie. Het huidige verkeersbeeld blijft ongewijzigd.

Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt, maar zelfs afneemt, zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast in de omgeving.

4.5 Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.

De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap).

Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en waterkwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer.

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de zogenaamde grensgemeentes die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen.

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.

De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken.

Voor een optimale inpassing van plannen met een uitbreiding van het verhard oppervlak is het noodzakelijk het waterschap in een vroeg stadium te betrekken. Dit geldt zowel voor kleine als grote plannen. Alleen op deze wijze kunnen waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk zorgen voor het behoud van de robuustheid van het watersysteem en kan wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk worden beperkt.

4.5.1 Voorgenomen activiteit

Bij de voorgenomen ontwikkeling is ter plaatse van Terover 6 sprake van beëindiging van een intensief veehouderijbedrijf, waarbij de huidige agrarische bedrijfsbebouwing is gesloopt. Ter plaatse van Terover 8 is de locatie reeds in gebruik als burgerwoning en is geen sprake van een verandering in de feitelijke situatie.

Afkoppeling van het hemelwater vindt plaats middels een gescheiden stelsel. Hierbij wordt het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen:

Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m², of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Bij een toename van minder dan 500 m² is geen extra compensatie nodig.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Door de sloop van de oorspronkelijke bedrijfsbebouwing neemt het verharde oppervlakte af met circa 3.000 m². Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.


Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:

  • zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen;
  • duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast;
  • een bergingsvoorziening gerealiseerd.

De locaties zijn voorzien van riolering, waar het afvalwater van de woningen op wordt geloosd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken afgevoerd naar bestaande bergingsvoorzieningen en/of oppervlaktewateren. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten.

Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Alphen-Chaam.

Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Alphen-Chaam 2010" van gemeente Alphen-Chaam en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.2.1 Omgevingsdialoog

Met de omwonenden is een schriftelijke omgevingsdialoog gevoerd. De omwonenden zijn door de initatiefnemer zelf benaderd. Er is aan de omwonenden een informatieblad verstrekt met daarop onder andere in het kort een uitleg. Dit informatieblad is door de initiatiefnemer verder mondeling toegelicht indien gewenst. Het verslag van deze dialoog is bijgevoegd als bijlage 4 bij deze toelichting. De gevoerde omgevingsdialogen met de direct omwonenden geven vooralsnog geen aanleiding om het beoogde plan aan te passen. Het staat eenieder vrij om in de vervolgprocedure bij de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijzen in te dienen of bij vaststelling beroep in te dienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.2.2 Vooroverleg en inspraak

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners, Waterschap Brabantse Delta en de provincie Noord Brabant.

5.2.3 Ontwerpbestemmingsplan

In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.2.4 vastgesteld bestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan van Terover 6 & 8 heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft het college van de gemeente Alphen-Chaam tijdens de openbare vergadering op 13 april 2023 besloten om het bestemmingsplan ongewijzigd aan te bieden aan de gemeenteraad ter vaststelling.

5.3 Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Alphen-Chaam vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen

6.1 Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:

  • 1. goede ruimtelijke ordening;
  • 2. uitvoerbaarheid.

Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.

Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en;
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:

  • 1. het bebouwen van de gronden;
  • 2. het verrichten van werken (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting

De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).

Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.

Bijlagen bij de toelichting:

Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.

Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels:
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald;
  • 2. Bestemmingsregels:
    In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
  • 3. Algemene regels:
    In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;
  • 4. Overgangs- en slotregels:
    In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

Bijlagen bij de planregels:

Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3 Voorliggend bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Agrarisch', ter plaatse van de landbouwgronden
  • 'Wonen', ter plaatse van de burgerwoningen en hun tuinen

Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden:

  • Ter plaatse van Terover 6 wordt het bouwvlak t.b.v. wonen verkleind t.o.v. het huidige (agrarische) bouwvlak. Dit is op de bij het plan horende verbeelding weergegeven.
  • Er is een grotere oppervlakte aan bijgebouwen toegestaan; ter plaatse van Terover 6 wordt de schuur van 320 m² behouden als bijgebouw van de woonboerderij en ter plaatse van Terover 8 blijft de schuur welke aan de woning vast is gekoppeld van 260 m² behouden. In de planregels is dit verankert.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).