| Plan: | Hallum - Jouwsmabuorren 1 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1722.20171423-VA01 |
Bij de gemeente Ferwerderadiel is het verzoek ingediend om medewerking te verlenen aan de bedrijfsverplaatsing van het loonbedrijf, de "Leanwurker" naar het perceel aan de Jouwsmabuorren 1 te Hallum (hierna: het plangebied). De huidige locatie van het loonbedrijf aan de Doniaweg is voor een deel niet langer bruikbaar, daarnaast is de woning aan de Doniaweg gesloopt. Dit maakt de bedrijfsverplaatsing noodzakelijk.
De gemeente Ferwerderadiel is in principe positief over de bedrijfsverplaatsing en de beoogde nieuwe bedrijfslocatie. Echter op basis van het geldende bestemmingsplan is deze ontwikkeling niet mogelijk. Hierdoor is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Ferwerderadiel, ten noordoosten van het dorp. De afstand van het plangebied tot aan de eerste woning van het dorp Hallum bedraagt circa 70 meter.
De begrenzing van het toekomstige plangebied is afgestemd op het huidige bedrijfsperceel en wijzigt niet. De ligging en begrenzing van het plangebied zijn weergegeven in figuur 1.
Figuur 1. Ligging en begrenzing van het plangebied (bron: Geoweb)
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied. Dit is vastgesteld op 13 februari 2014. Een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan is weergeven in figuur 2. In het bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Sport-Manage' en de functieaanduiding 'recreatie- campers'. Op basis van deze bestemming en aanduiding, is de exploitatie van een manage alsook het recreatief overnachten met een camper op het ter plaatse gesitueerde parkeerterrein mogelijk. De vestiging van een agrarisch loonbedrijf is daarentegen niet toegestaan.
Tenslotte is onderhavig perceel voorzien van de aanduiding 'vrijwaringszone-radarverstoringsgebied'. De realisatie van bebouwing hoger dan 65 meter is ingevolge deze bestemming niet mogelijk. Een goed radarbeeld van het luchtruim is daarmee gewaarborgd.
Figuur 2. Uitsnede geldend bestemmingsplan Buitengebied
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg over de juridische regeling van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
De beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor dit bestemmingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. Tot slot komt de inpassing in de huidige situatie aan bod.
Het plangebied ligt in het buitengebied van Ferwerderadiel aan de Jouwsmabuorren 1 te Hallum. Op het perceel zijn op dit moment de voorzieningen voor een manege en een bedrijfswoning aanwezig. De verplaatsing is noodzakelijk geworden doordat de huidige locatie van het loonbedrijf, door uitbreiding van het bedrijventerrein aan de Doniaweg voor een deel niet langer bruikbaar is. Daarnaast is de woning aan de Doniaweg door deze uitbreiding gesloopt.
De locatie van de manege aan de Jouwsmabuorren 1, is geschikt voor de bedrijfsverplaatsing. Het ligt in het werkgebied van het loonbedrijf, daarnaast is er een bedrijfswoning, waardoor er gewoond kan worden. Het plangebied is met een bomenrij afgeschermd aan de wegzijde (west) en aan de zuidzijde. Tussen de Jouwsmabuorren en het plangebied ligt een greppel, die zorgt voor een duidelijke scheiding tussen het plangebied en de Jouwsmabuorren. Het plangebied is te betreden via een toerit en afrit naar de Jouwsmabuorren. In plangebied staat één bedrijfswoning van 3 bouwlagen, het vloeroppervlak van de bedrijfswoning bedraagt circa 100m2. Op het perceel is verder een stal aanwezig ten behoeve van de manege van circa 1500m2 en links van de stal een buitenbak van 700m2(zie figuren 3 en 4).
Figuur 3. Overzicht huidige situatie (bron: Google Maps)
Figuur 4. Aanzicht op de boerderij (bron: Google Streetview)
De verplaatsing van het loonbedrijf de Leanwurker is noodzakelijk omdat een deel van de huidige bedrijfslocatie en de woning gesloopt moesten worden voor de uitbreiding van het bedrijventerrein aan de Doniaweg.
Om deze redenen is gezocht naar een passende locatie met een bedrijfswoning, binnen het werkgebied van het bedrijf. Het perceel van de manege aan de Jouwsmabuorren is een uitstekende locatie voor het loonbedrijf. De locatie kent een gebouw dat uitstekend kan functioneren t.b.v. een loonbedrijf. De machines kunnen er gestald worden en er is ruimte voor opslag. Bij de huidige manege is een bedrijfswoning aanwezig die geschikt is voor de familie en waarmee toezicht op de locatie gegarandeerd is.
De bestaande bebouwing is geschikt voor het loonbedrijf en groot genoeg voor het loonbedrijf. De machines kunnen makkelijk worden gestald in de huidige stal en er is voldoende ruimte voor opslag. De familie zal gebruik gaan maken van de bedrijfswoning waarmee voldoende toezicht op de locatie gegarandeerd is. In de toekomst heeft het bedrijf niet direct een uitbreidingswens. Dat wat nodig is, kan op het huidige bedrijfsperceel plaatsvinden. Voor de vestiging van het loonbedrijf in het plangebied zijn geen bouwwerkzaamheden nodig. Het bestaande bouwvlak is toereikend voor het loonbedrijf.
Het loonbedrijf heeft vier tractoren en twee shovels. De machines worden in de huidige stal geparkeerd om verrommeling van het terrein te voorkomen. Het bedrijf heeft 4 werknemers waaronder de eigenaar. Hierdoor kunnen ze maximaal 4 voertuigen per keer meenemen. Deze verkeersbewegingen vinden maximaal 4 keer per dag tussen 07:00 en 19:00 plaats. Tijdens oogstwerkzaamheden vinden enkele verkeersbewegingen in de avonduren plaats. Hiervoor wordt de aan-afrij-route zoveel mogelijk buiten de kern om gekozen en vinden er geen verkeersbewegingen plaats tijdens de school aanvangs- en sluitingstijden. Potentieel gevaarlijke situaties worden hiermee voorkomen. In de huidige situatie, zijn de verkeersbewegingen 7 dagen per week van 08:00 tot 22:00 in verband met de lestijden van de manege. De manege heeft een vergunning voor 12 verkeersbewegingen overdag, 12 verkeersbewegingen 's avonds, 1 vrachtwagen per week. Daarnaast zijn er nog twee parkeerplaatsen voor campers op het terrein.
Ten opzichte van de huidige situatie, neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het perceel dus af. Om te kunnen garanderen dat het aantal verkeersbewegingen ook daadwerkelijk minder wordt, levert het loonbedrijf de geldende milieuvergunning van de manege in. Hiermee wordt gegarandeerd dat ook het grote aantal vergunde rijbewegingen en het verruimde tijds venster verdwijnen.
De bedrijfsvoering is ondersteunend aan de agrarische sector, gezien de bedrijfsactiviteiten hoofdzakelijk zijn gericht op agrarisch loonwerk. Dit maakt dat het bedrijf in het buitengebied past. De bedrijfsverplaatsing heeft geen invloed op het bestaande agrarische landschap omdat er geen nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd en zoals beschreven in paragraaf 2.2.2 het bedrijf alleen gebruik maakt van de bestaande bebouwing heeft de bedrijfsverplaatsing geen invloed op het agrarisch landschap
.
In dit hoofdstuk is ingegaan op het beleid dat van toepassing is op het plangebied. Hierbij is eerst gekeken naar het rijksbeleid, vervolgens naar het provinciale beleid en tot slot het gemeentelijk beleid. Het beleid geeft mogelijk aanvullende uitgangspunten waarmee in dit bestemmingsplan rekening gehouden moet worden.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Voor het bestemmingsplan zijn geen nationale belangen van belang. Eén van de aspecten die is opgenomen, betreft de zones rond radarstations. Door het plangebied loopt een radarverstoringsgebied. Er geldt hierbij een verbod op bouwwerken hoger dan 65 meter. Hier is in het plangebied geen sprake van. Om dit te garanderen, is voor het radarverstoringsgebied een beschermende regeling opgenomen in het bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan worden geen bouwwerken mogelijk gemaakt groter dan 65 meter. Het plangebied ligt in de buurt van de Waddenzee en de waddengebieden, hierdoor heeft dit bestemmingsplan rekening te houden met het nationaalbelang 'Waddenzee en waddengebieden'. Dit beleid gaat vooral over nieuwe bebouwing in het waddengebied. Gezien in dit bestemmingsplan het alleen om een functiewijziging gaat en niet om nieuwe bebouwing, vormt het rijksbeleid dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke
ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Het artikel is op 12 mei 2017
gewijzigd. Deze wijziging is op 1 juli 2017 in werking getreden. Voor dit plan wordt getoetst aan deze
nieuwe regeling, die inhoudt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke
ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het
bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens
gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden
voorzien.
Het plan om een agrarisch loonbedrijf te verplaatsten naar een bestaande locatie wordt niet gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro (artikel 3.1.6.).
Het agrarisch loonbedrijf blijft namelijk gevestigd in de regio rondom Hallum. Alle bedrijfsactiviteiten vinden plaats rondom en in de regio van Hallum. Hierdoor is het bedrijf economisch verbonden aan de regio. De hoofdwerkzaamheden (agrarisch loonwerk) van het bedrijf hebben betrekking op het buitengebied. Dit maakt het aannemelijk om het bedrijf te vestigen in het buitengebied in plaatst van in het stedelijk gebied. Tevens is gekozen voor een bestaande locatie met geschikte bebouwing waardoor er geen extra of nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd in het buitengebied.
Het provinciale beleid is uiteengezet in het Streekplan "Om de kwaliteit van de romte" (structuurvisie). De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in bestemmingsplannen rekening mee gehouden moet worden.
Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is onder meer neergelegd in het Streekplan Fryslân, vastgesteld op 13 december 2006. Inmiddels is de provincie gestart met het proces om te komen tot een Omgevingsvisie 2025-2030. Deze vervangt op termijn het streekplan.
De provincie geeft aan dat het landelijk gebied primair bestemd is voor functies die een ruimtelijk-functionele relatie met het landelijk gebied hebben. Het gaat daarbij vooral om de functies landbouw, recreatie, natuur en waterberging, bestaande woon- en werkfuncties en voorzieningen. Voor de andere nieuwe functies, waaronder nieuwe woningen, niet-agrarische bedrijven, detailhandel en andere publiekstrekkende functies, gelden randvoorwaarden. Twee daarvan zijn dat hiervoor ruimte gezocht moet worden in of aansluitend op kernen en dat een goede landschappelijke inpassing gewaarborgd is.
Functiewijziging, gebiedsinpassing
Het loonbedrijf is gericht op agrarisch loonwerk. Echter het is zelf geen agrarisch bedrijf, wel is er sprake van bedrijfsactiviteiten ondersteund aan de agrarische sector. Hierdoor is het voor het loonbedrijf noodzakelijk in de directe nabijheid van zijn klanten in het buitengebied te bevinden. Het loonbedrijf is om economische redenen en vanwege de aan het buitengebied gerelateerde werkzaamheden, het best op zijn plaats in het buitengebied.
De provincie zet in op het in stand houden en verder ontwikkelen van de belangrijke landschappelijke kwaliteiten en waarden in de provincie. Hiervoor heeft de provincie op 26 maart 2014 de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' vastgesteld. Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied 'kleigebied Oostergo'. Voor dit gebied is een aantal kernkwaliteiten (ofwel: provinciale belangen) aangewezen. Radiale structuren, lineaire buurten en bebouwingslinten, die vanaf de terp de wegen, het water en de dijken volgen moeten gerespecteerd worden. De puntvormige verdichtingen van de terpen en terpdorpen in het landschap moeten in stand worden gehouden en worden beschermd. De functiewijziging, die dit plan voorstelt, doet geen afbreuk aan de provinciale belangen. Gezien geen nieuwe bebouwing plaats vindt en het perceel behalve de functiewijziging onveranderd blijft, blijft de huidige structuur van het landschap intact.
Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. Deze verordening behelst een aanpassing van de op 15 juni 2011 vastgestelde verordening en is op 16 augustus 2014 in werking getreden. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor bestemmingsplannen.
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 1)
De provincie is terughoudend met het toestaan van stedelijke functies in het landelijk gebied. Uitbreidingen aansluitend op bestaand bebouwd gebied zijn wel (onder voorwaarden) toegestaan. Het plangebied valt buiten de dorpskom van Hallum en is daarmee landelijk gebied.
Over het algemeen geldt dat in een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied geen bouwmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies. In afwijking (artikel 1.2.1 lid 1) kunnen in een ruimtelijk plan nieuwe stedelijke functies worden toegestaan wanneer sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen. Hier zijn bedrijven behorende bij milieucategorieën 1, 2 en 3 toegestaan (artikel 1.2.1 lid 2 sub d), mits deze ruimtelijk en functioneel passen in de karakteristiek van de omgeving. In het plangebied is sprake van hergebruik van bestaande bebouwing, omdat een functieverandering van een manege plaatsvindt. Hierbij wordt volledig gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing waarbij extra bebouwing niet nodig is. Met het bestemmingsplan wordt alleen een agrarisch loonbedrijf mogelijk gemaakt en geen ander bedrijf. Hiermee is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.
Landbouw (artikel 6)
Op grond van artikel 6.2.2 kunnen in het landelijk gebied bedrijfsactiviteiten worden toegestaan die niet in hoofdzaak bedrijfseigen zijn en ook agrarische hulpbedrijven. De vestiging hiervan moet plaats vinden op een bestaand bouwperceel van een voormalig (agrarisch) bedrijf. Bij een agrarisch hulpbedrijf worden overwegend producten en diensten geleverd aan agrarische bedrijven.
In onderhavige situatie is sprake van vestiging op een voormalig bedrijf. Het loonbedrijf is een agrarisch hulpbedrijf, omdat het zich hoofdzakelijk richt op agrarisch loonwerk. Hiermee wordt voldaan aan de provinciale verordening.
De gemeente Ferwerderadiel heeft met de structuurvisie (2002) een ruimtelijk beleidskader geformuleerd waaraan ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst. Centraal in de visie staat de ambitie om de identiteit en de ruimtelijke kwaliteit van Ferwerderadiel te behouden en te versterken.
De identiteit van Ferwerderadiel wordt gekenmerkt door de elementen ruimte, rust, historie en natuur. Het behouden van deze identiteit is een uitgangspunt voor het ruimtelijke beleid van de gemeente. Bij dit bestemmingsplan blijven de bestaande kwaliteiten van de omgeving behouden doordat er alleen sprake is van een functiewijziging. Het is daarom inpasbaar binnen de uitgangspunten van de structuurvisie
Het omgevingsplan moet worden gezien als een beleidsspoorboekje waarmee de gemeente (ruimtelijke) initiatieven snel kan beoordelen. Het huidige beleid is geformuleerd in diverse aanwezige beleidsplannen waaronder de Structuurvisie (zie paragraaf 3.3.1) die zijn vastgesteld door de raad. Het omgevingsplan bevat een totaaloverzicht van alle Vrom-beleidsvoornemens, waarbij het beleid uit de huidige plannen waar nodig is geconcretiseerd en/of geactualiseerd. Verder zijn in het Omgevingsplan nieuwe beleidsuitgangspunten opgenomen en uitgewerkt, die aanvullend op het eerder vastgesteld beleid zijn. Tot slot geeft het Omgevingsplan de (deels wettelijke) randvoorwaarden aan, waarbinnen deze eerder vastgestelde beleidsplannen kunnen worden uitgevoerd.
Voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied worden in dit beleid geen concrete aanwijzingen of voorwaarden gegeven. Alleen dat er flexibel met vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing moet worden omgegaan. Het voorliggende plan past goed binnen dit uitgangspunt. Gezien er met dit bestemmingplan een nieuwe invulling wordt gegeven aan de vrijkomende bedrijfsbebouwing in het buitengebied.
Bij realisatie van nieuwe ontwikkelingen moet, met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan, worden onderzocht of in de toekomst sprake is van een goede omgevingssituatie. Daarbij wordt getoetst aan de sectorale wet- en regelgeving op het gebied van o.a. milieu, ecologie, archeologie en water.
In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen.
In bijlagen D van het Besluit m.e.r. (D11) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject genoemd. Als drempelwaarden gelden een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlak van meer dan 200.000m2. Het loonbedrijf betreft een functiewijziging van een bestaand pand en valt onder de aangegeven drempelwaarde van 200.000m2. Het bedrijf is daarom niet planmer-plichtig. Wel is een vormvrije m.e.r-beoordeling van belang. Door middel van de toetsing aan de verschillende milieuaspecten in de hierna volgende paragrafen wordt voorzien in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming worden de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gebruikt. Een richtafstand is daarbij de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs uit te sluiten is. In geval van een gemengd gebied wordt gewerkt met een kleinere richtafstand.
De manege is een bedrijf met een milieucategorie 3.1 met een minimaal aan te houden afstand van 50 meter, waarbij het aspect geur een rol speelt (mestopslag). Voor het loonbedrijf is dit niet van toepassing. Het loonbedrijf is tevens een bedrijf uit milieucategorie 3.1 met een minimaal aan te houden afstand van 50 meter. Ten opzichte van de huidige situatie is er wat betreft de milieuzonering geen veranderingen. De dichtstbijzijnde woningen (gevoelige objecten) bevinden zich op 65 meter afstand, waarmee wordt voldaan aan de richtafstanden. Dit valt buiten de contouren van het loonbedrijf. In paragraaf 2.2.3 wordt ingegaan op het aantal verkeersbewegingen van het loonbedrijf, hieruit blijkt dat er geen verkeerstoename zal plaatst vinden.
Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden gehouden met de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn beide aspecten geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierbij dient te worden aangetoond dat als gevolg van de geplande activiteiten de gunstige staat van instandhouding van waardevolle dier- en plantensoorten niet in het geding komt.
De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. Wanneer ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN).
In de omgeving van het plangebied is geen sprake van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 5 kilometer noordelijk van het plangebied, dit is de Waddenzee. Noard-Fryslân Bûtendyks is een NNN-gebied dit ligt op 2.5 kilometer afstand van het plangebied. De ontwikkeling in het plangebied heeft geen nadelige effecten omdat met dit plan alleen een functieverandering plaatsvindt.
Een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen is ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor een aantal soorten zijn deze voorwaarden zeer streng. Voor meer algemeen voorkomende soorten zijn deze soepeler. Een onderzoek naar beschermde soorten is voor de ontwikkeling in het plangebied niet nodig, omdat deze slechts een functiewijziging van bestaande bebouwing betreft.
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een snelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting op de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
De Jouwsmabuorren is een weg met een geluidzone. Binnen deze geluidzone is een geluidgevoelig object in de vorm van de bedrijfswoning aanwezig. Omdat het een bestaande situatie betreft, is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk en wordt voldaan aan de Wet geluidhinder.
Van groot belang voor de ruimtelijke ordening is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.
Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân (kenmerk: 20171006-2-16168). Het plan heeft geen of een geringe invloed op de waterhuishouding. Voor de ontwikkeling wordt (aangezien het een functiewijziging betreft) daarom de procedure 'Geen waterschapsbelang' gevolgd. Dit houdt in dat verder overleg met het waterschap niet nodig is. Het waterschap geeft hiermee een positief wateradvies. Een samenvatting van de watertoets is opgenomen in bijlage 1. Het aspect water vormt geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordening met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit Nibm) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland 2017 is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit. Het plan valt bovendien binnen de grenzen van het Nibm, omdat geen sprake is van uitbreiding van bedrijvigheid maar alleen een functiewijziging.
Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Bro stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. In het kader van het aspect cultuurhistorie wordt zowel ingegaan op de zichtbare cultuurhistorische waarden als op het erfgoed onder de grond in de vorm van archeologie.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Het aspect archeologie geeft geen belemmeringen en uitgangspunten voor dit bestemmingsplan. In eerste instantie omdat dit plan slechts een functiewijziging mogelijk maakt, waarvoor geen grond verstorende werkzaamheden plaatsvinden. Anderzijds omdat in het bestemmingsplan Buitengebied geen archeologische (dubbel)bestemmingen zijn opgenomen voor het plangebied die in dit bestemmingsplan overgenomen moeten worden.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een bestemmingsplan worden beschreven hoe rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het plangebied.
Binnen het plangebied is geen aanduiding opgenomen van cultuurhistorische waarden in de vorm van panden, objecten of landschapswaarden. Ten aanzien van de bestaande situatie vinden er geen ingrepen op het perceel plaats, waardoor de cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied onveranderd blijven.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, is ten minste een verkennend bodemonderzoek nodig. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. Deze wet regelt dat, ter plaatse van ernstige verontreinigingen, sanering noodzakelijk is.
Op Basis van de bodemkwaliteitskaart valt de locatie onder de kwaliteit 'achtergrondwaarde'. Daarnaast betreft de ontwikkeling een functiewijziging van een bestaand perceel waarvoor geen grondwerkzaamheden nodig zijn. Een bodemonderzoek is voor de vestiging van het loonbedrijf niet noodzakelijk. Het aspect bodem geeft geen belemmeringen of uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over “externe veiligheid” om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
In de directe omgeving van de ruimtelijke ontwikkeling zijn geen weg, spoor- en vaarwegen aanwezig waarover (relevant) transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook transportleidingen van aardgas en brandbare vloeistoffen zijn gelegen op voldoende afstand. Aan de Ljouwerterdyk bevindt zich een LPG-tankstation. Het plangebied ligt op 250 meter en ligt daarmee op voldoende afstand (buiten het invloedsgebied) van het tankstation. Het plangebied ligt ook niet in het invloedsgebied van een risicovol bedrijf, een transportroute voor gevaarlijke stoffen en/of een hogedruk aardgasleiding. Daarnaast wordt met dit bestemmingsplan ook geen bedrijf mogelijk gemaakt waarbij sprake is van een risicovolle inrichting. Het aspect externe veiligheid geeft voor dit bestemmingsplan dan ook geen beperkingen en levert geen uitgangspunten op.
In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleveren voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hieronder vallen onder andere hoogspanningsverbindingen en waterleidingen. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht, veiligheid en bescherming. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid.
In en rond het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig waarmee in dit bestemmingsplan rekening gehouden moet worden. Wel heeft het plangebied zijn eigen kleinere huisaansluitingen voor bijvoorbeeld gas, water en riool, maar hiervoor is een specifieke regeling in het bestemmingsplan niet nodig.
Wel ligt over het gebied een gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - radarverstoringsgebied". Voor een goed functioneren van de radar (vliegbasis Leeuwarden) mogen gebouwen maximaal 65 meter hoog worden. Dit geeft echter geen beperkingen voor het bestemmingsplan, omdat het nieuwe loonbedrijf in de bestaande bebouwing wordt gerealiseerd. De bestaande regeling voor het radarverstoringsgebied wordt wel overgenomen, om deze voor de toekomst te kunnen handhaven.
Dit hoofdstuk beschrijft de juridische planopzet van dit bestemmingsplan. Daarbij is sprake van een algemene opbouw waaraan ieder bestemmingsplan in Nederland moet voldoen. Per bestemmingsplan is echter ook sprake van maatwerk. Dit komt onder meer tot uiting in de in het plan gehanteerde bestemmingen en regelingen die daarbij horen. De algemene opbouw en de toelichting per bestemming staan in dit hoofdstuk.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Verder sluit de regeling in dit bestemmingsplan zo veel mogelijk aan bij het bestemmingsplan 'Buitengebied', zodat een zo eenduidig mogelijke regeling voor het hele buitengebied ontstaat.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven. De wijze van bestemmen is afgestemd op het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'.
Het plangebied krijgt de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf'. Binnen de bestemming is één bedrijfswoning, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep toegestaan. In dit bestemmingsplan is het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' leidend. De bestemmingsplanregeling is hierop afgestemd.
Om te zorgen voor een goede werking van de radar van de vliegbasis Leeuwarden en de radarpost Wier is de aanduiding vrijwaringszone - radarverstoringsgebied opgenomen. Binnen de aanduiding is een maximale bouwhoogte van 65 meter toegestaan.
Het is van belang de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan te tonen. Dit vindt enerzijds plaats via de toetsing aan het beleid en de omgevingsaspecten, zoals in voorgaande hoofdstukken beschreven. Daarnaast is ook het aantonen van de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan van belang. Deze staan in dit hoofdstuk beschreven.
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting.
Inspraak en overleg
De gemeente wil de belanghebbenden betrekken bij de planvorming. Met die rede heeft het plan op basis van de inspraakverordening 6 weken voor inspraakreacties ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen inspraakreacties ingediend.
Overleg na voorontwerp
In het kader van overleg zoals bedoelt in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zijn de overlegpartners verzocht om reactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan. Alleen de provincie Fryslân heeft gereageerd op 20 maart 2018. De provincie Fryslân stemt in met het voorontwerpbestemmingsplan (Bijlage 2). Conform de reactie van de provincie is de ontheffingsmogelijkheid voor kleine windturbines uit het plan gehaald.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan “Hallum - Jouwsmabuorren 1 heeft vanaf 24 mei 2018 gedurende zes weken ter visie gelegen. Tijdens deze termijn heeft een ieder de mogelijkheid gehad om schriftelijk dan wel mondeling een zienswijze naar voren te brengen. Gedurende deze termijn zijn er geen zienswijzen ingediend.
Vaststellingsfase
De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan op 13 september 2018 vastgesteld.
De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt bepaald door de financiële haalbaarheid en de grondexploitatieregeling. Bij de ontwikkeling in het plangebied gaat het om een particulier initiatief. De initiatiefnemer zorgt voor de ontwikkeling van het loonbedrijf op de nieuwe locatie en heeft hiervoor voldoende financiële middelen beschikbaar. De gemeente draagt geen financiële verantwoordelijkheid en risico's. Het plan is financieel haalbaar.
De gemeente moet, volgens de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de gemaakte gemeentelijke kosten verhalen op de initiatiefnemers van de ontwikkeling indien er sprake is van een bouwplan, zoals gedefinieerd in het Bro.
Bij het plan voor het loonbedrijf is geen sprake van een bouwplan, zoals opgenomen in de wet. Het betreft immers slechts een functiewijziging, waarvoor externe bouwactiviteiten niet nodig zijn. De grondexploitatieregeling is niet van toepassing. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst wordt gewaarborgd dat de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan en eventuele kosten die voortkomen uit planschade voor rekening van de initiatiefnemer zijn.