| Plan: | Hallum - Memerdastate 16-18 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1722.20160109-VA01 |
Een groot deel van de woningen aan de Doniaweg-West in Hallum is opgekocht in verband met de herstructurering van het bedrijventerrein aan de Doniaweg. Aan de eigenaren van deze woningen zijn door de gemeente toezeggingen gedaan om medewerking te verlenen aan het faciliteren van eventuele nieuwbouwplannen voor een vervangende woningen. Gemeente wil het perceel tussen Memerdastate 16 en 18 in Hallum daarvoor beschikbaar stellen.
De ontwikkeling van de gewenste woning past niet in het geldende bestemmingsplan 'Grote dorpen'. Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel de bouw van een vrijstaande woning mogelijk te maken.
Het plangebied betreft het perceel tussen Memerdastate 16 en 18 in Hallum. Dit perceel ligt in het nieuwbouwplan Oer de Feart aan de zuidzijde van het dorp. Het perceel is aan de noord- en zuidzijde begrensd door woonpercelen. Aan de westzijde is de straat Memerdastate de grens, aan de oostzijde een watergang, met daarachter de weilanden. In de volgende afbeeldingen zijn de locatie en de begrenzing van het plangebied aangegeven.
De locatie van het plangebied (bron: Bing Maps)
De begrenzing van het plangebied (bron Bing Maps)
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan 'Grote Dorpen' , dat is vastgesteld op 19 november 2009. De gronden zijn daarin bestemd als 'Groen' en 'Archeologisch waardevol gebied - 1'. In de volgende afbeelding staat een fragment van het geldende bestemmingsplan voor het plangebied en omgeving.
Geldende planologische situatie plangebied bestemmingsplan Grote Dorpen
De bestemming 'Groen' staat geen woningen toe. Het bestemmingsplan biedt bij de algemene wijzigingsregels wel een mogelijkheid van de wijziging van de bestemming naar 'Wonen - 1' of 'Wonen - 2'. Hiervan kan in dit geval echter geen gebruik worden gemaakt, omdat niet voldaan wordt aan de voorwaarde dat de aanduiding "herstructureringsgebied" moet zijn aangegeven. Ook biedt het bestemmingsplan geen afwijkingsbevoegdheid voor de realisatie van woningen binnen deze bestemming.
De bestemming 'Archeologisch waardevol gebied - 1' heeft tot gevolg dat een archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Dit geldt alleen bij ontwikkelingen die dieper gaan dan 0,30 m onder het maaiveld. Bij dit plan wordt uitgegaan van een fundering die dieper gaat. De gevolgen voor archeologie zijn dan ook onderzocht en opgenomen in paragraaf 4.6 van deze toelichting.
Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan, hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van de bestaande en gewenste situatie in en rond het plangebied. De gewenste ontwikkeling moet op een goede manier ingepast worden in de omgeving, dat wordt ook in dit hoofdstuk beschreven.
Het plangebied maakt deel uit van het nieuwbouwplan Oer de Feart aan de zuidzijde van het dorp Hallum. De realisatie van deze buurt is gestart in de jaren ' 90 van de vorige eeuw. Inmiddels is het plan volgebouwd.
Deze woonbuurt bestaat uit grondgebonden woningen. Dit zijn hoofdzakelijk vrijstaande en geschakelde of twee-onder-één-kapwoningen. De woningen zijn deels projectmatig gebouwd. Een deel betreft ook individuele invulling van vrije kavels. De woningen in de buurt variëren dan ook in architectonische uitstraling.
De buurt is aan drie zijden omgeven door groen. Aan de zuidwest- en zuidoostzijde betreft het agrarisch gebied (grasland). Aan de noordwestzijde is een parkachtig groene omgeving aangelegd, met een wandelpad erin. Hier is ook de ontsluiting van de buurt gesitueerd; via de Luniastate. Aan de noordzijde ligt de Hallumertrekvaart. Een groot deel van de woningen ligt aan een zijtak van deze watergang, die de buurt ingetrokken is. Een dergelijke watergang ligt ook aan de overzijde van het plangebied aan de Memerdastate.
Het plangebied is destijds onbebouwd gelaten omdat er werd uitgegaan dat er nog een vijfde bouwfase zou volgen ten oosten van het reeds gerealiseerde deel van de wijk. Het perceel zou dan gebruikt worden om de bestaande waterpartij richting het oosten door te trekken. Op dit moment wordt verdere ontwikkeling in die richting echter niet meer verwacht en kan de straatwand aan Memerdastate worden gesloten.
Het plangebied is nu nog een leeg perceel dat bestaat uit goed onderhouden (gemaaid) grasland en in gebruik is als speel-/trapveldje voor jeugd. Direct rond het plangebied zijn, zoals eerder aangegeven, vooral woonpercelen met grondgebonden woningen aanwezig.
De buurt is planmatig opgezet; waardoor een duidelijke en overzichtelijke ruimtelijke hoofdstructuur ontstaat. De woningen in de omgeving staan bijvoorbeeld allemaal in een vaste afstand vanaf de rand van de weg. Daarnaast bestaan de woningen allemaal uit één bouwlaag met een kap. De goothoogte en bouwhoogte van de woningen is redelijk uniform.
De overwegende kapvorm is een zadeldak, al wijkt de woning direct ten zuiden van het plangebied hier vanaf met een piramidedak. Elders in de buurt is deze kapvorm (en andere kapvormen) ook aanwezig. De richting van de zadeldaken is afwisselend langs en dwars op de weg. In de volgende foto's is het ruimtelijke beeld direct rond het plangebied aangegeven.
Het ruimtelijk beeld rondom het plangebied in noordelijke en zuidelijke richting (bron: Google Streetview)
Achter de woningen zijn aan- en uitbouwen en bijgebouwen slechts in een beperkt gebied toegestaan. Het doel van deze regeling in het geldende bestemmingsplan was te voorkomen dat erfbebouwing op de achterperceelsgrens zou worden geplaatst. Dit was niet gewenst met het oog op het water dat achter de woningen zou worden aangelegd in het kader van fase 5 van Oer de Feart. In het landelijk gebied achter het plangebied was fase 5 van Oer de Feart gepland (echter planologisch nog niet geregeld). Inmiddels wordt zoals gezegd verwacht dat fase 5 en ook het bedoelde water niet gerealiseerd worden, in verband met de huidige situatie op de woningmarkt. Om die reden is de bebouwingsvrije zone achter de woningen ook niet meer reëel. In de praktijk is in deze zone inmiddels ook al het nodige gebouwd (wat onder meer mogelijk is geworden door een versoepelde regeling met betrekking tot vergunningvrij bouwen op het achtererf).
Wel is direct ten zuiden van het perceel Memerdastate 16 een deel van de ontsluitingsweg voor fase 5 reeds gerealiseerd. Het plangebied zelf heeft hiervoor geen functie.
Aan de oostzijde van het plangebied ligt agrarisch grasland. Tussen het plangebied en dit grasland ligt een kleine watergang. Aan de overzijde van de Memerdastate ligt het open vaarwater van de buurt, dat aansluit op de Hallumertrekvaart.
Gemeente wil graag een nieuwe grondgebonden vrijstaande woning mogelijk maken op het perceel tussen Memerdastate 16 en 18. Het is belangrijk dat de nieuwe woning goed wordt ingepast in de bestaande woonbuurt. Daarvoor zijn de geldende bestemmingsregels voor de omliggende woningen de basis. Voor de inpassing van de woning en daarbij horende bouwwerken zijn de volgende voorwaarden het meest van belang:
Deze voorwaarden voor de gewenste situatie zijn overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Daarmee kan gegarandeerd worden dat het straat- en bebouwingsbeeld na realisatie van de woning niet onevenredig wordt verstoord.
In dit hoofdstuk wordt het voor het plangebied en de daarin voorziene ontwikkeling van belang zijnde beleid beschreven. Daarbij worden de beleidsuitgangspunten voor dit bestemmingsplan genoemd, wanneer dit van toepassing is. Daarbij wordt ingegaan op rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.
De ontwikkeling in het plangebied is dusdanig kleinschalig van aard dat dit geen invloed heeft op de nationale belangen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Voor het bestemmingsplan zijn de nationale belangen 'Waddenzee en waddengebied' van belang. Hiervoor geldt dat het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden en het Werelderfgoed (de Waddenzee) als opgave voor het SVIR.
In artikel 2.5.12 van het Barro is de bebouwing in het waddengebied opgenomen. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het Waddengebied moet regels stellen die ervoor moeten zorgen dat de maximaal toelaatbare bouwhoogten aansluiten bij de hoogte van de bestaande bebouwing. In dit plan wordt in dat opzicht ruimtelijk en functioneel aangesloten bij de bestaande bebouwing (zie ook paragraaf 2.3). De ontwikkelingen binnen dit plan passen dan ook binnen het Barro.
In de SVIR is ook de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt.
Om dit te bewerkstelligen is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met ingang van 1 oktober 2012 gewijzigd en wel de artikelen 1.1.1. en 3.1.6. In deze artikelen wordt ingegaan op de definitie van bestaand stedelijk gebied.
Op de gewenste woningbouw is de Ladder niet van toepassing. Het betreft een inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied en het gaat slechts om één woning. De toepassing van de Ladder is pas bij een woningbouw ontwikkeling vanaf 11 woningen van toepassing (uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State).
Het provinciale beleid is uiteengezet in het Streekplan "Om de kwaliteit van de romte" (structuurvisie). De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in bestemmingsplannen rekening mee gehouden moet worden.
Het Streekplan Fryslân 2007 is op 13 december 2006 door Provinciale Staten vastgesteld. In het Streekplan wordt het provinciaal omgevingsbeleid verwoord. De provincie Fryslân zet meer dan voorheen in op de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit bij veranderingen in het gebruik en de inrichting van de ruimte. Ruimtelijke kwaliteit dient zowel voor economische, sociale als culturele belangen en is daarmee voor alle functies in Fryslân essentieel. De structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte!' vormt voor dit onderdeel een uitwerking.
In het Streekplan staan de relaties tussen stad en platteland centraal, waarbij sprake is van een wisselwerking tussen beide gebieden. De provincie zet in op een concentratie van verstedelijking (wonen, werken en voorzieningen) in de stedelijke gebieden, zonder dat dit ten koste gaat van de vitaliteit van het omringende platteland.
Om het toekomstige ruimtebeslag van wonen te beperken, worden nieuwe woningen zoveel mogelijk eerst in het 'bestaand stedelijk gebied' van kernen opgevangen. Door het dit gebied optimaal te benutten wordt bijgedragen aan een efficiënt gebruik van de ruimte en daarmee aan een duurzame ruimtelijke inrichting. Hier wordt ook onder verstaan dat rekening wordt gehouden met de ruimtelijke kwaliteiten en milieukwaliteiten in het bestaande bebouwde gebied. Aan gemeenten wordt de taak toebedeeld de herstructureringsopgave te bekijken in relatie tot de totale kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwopgave.
Het plangebied maakt deel uit van 'bestaand stedelijk gebied'. Hierover wordt in paragraaf 3.2.3 verder ingegaan. De gewenste woning is een vorm van inbreiding binnen 'bestaand stedelijk gebied' en past daarmee binnen het Streekplanbeleid.
In het Streekplan worden de kernkwaliteiten van het cultuurhistorische erfgoed en het landschap beschreven. Onder kernkwaliteiten wordt verstaan: 'die ruimtelijke eigenschappen die zo typisch zijn voor het Friese landschap, dat zij tezamen de ruimtelijke identiteit van Fryslân vormen'. Het Streekplan bevat een beschrijving van welke kernkwaliteiten er zijn en kondigt een nadere uitwerking en waardering aan van deze kernkwaliteiten. De thematische structuurvisie Grutsk op 'e Romte, zoals vastgesteld op 26 maart 2014, vormt deze uitwerking en geeft de provinciale belangen en ontwikkelingsrichting ten aanzien van de kernkwaliteiten.
Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied in het kleigebied Oostergo, in een kleiterpenlandschap op de kweldervlakte en verder op de rand van een terp. Voor het gebied is een aantal kernkwaliteiten c.q. provinciale belangen bepaald. Voor dit plan is de relatie tussen de vorm van de nederzetting en het type landschap van belang. De vorm, oriëntatie, schaal en architectonische vormen in een dorp zeggen veel over de historie. Radiale structuren, lineaire buurten en bebouwingslinten, die vanaf de terp de wegen, het water en de dijken volgen moeten gerespecteerd worden. De puntvormige verdichtingen van de terpen en terpdorpen in het landschap moeten in stand worden gehouden en worden beschermd door:
Het plan tast de specifieke kernkwaliteiten van het kleilandschap Oostergo niet aan. De nieuwbouw vindt plaats binnen de bestaande bebouwde kom van Hallum en voegt zich in deze bebouwde omgeving.
Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. Deze verordening behelst een aanpassing van de op 15 juni 2011 vastgestelde verordening en is op 16 augustus 2014 in werking getreden. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor bestemmingsplannen. In artikel 1 van de verordening worden regels gegeven gericht op het bundelen van stedelijke functies in stedelijk gebied. Indien dit niet mogelijk is, kan aansluitend op bestaand stedelijk gebied een uitbreidingslocatie worden toegestaan.
Zoals eerder aangegeven valt het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling van één woning past binnen de regels van de verordening waar het gaat om bestaand stedelijk gebied. De verordening geeft verder geen regels voor het plangebied en de daarin gewenste ontwikkeling.
Het Woonplan geeft een beleidsvisie op de toekomst van het wonen binnen de gemeente Ferwerderadiel. In het plan wordt ingegaan op de trends en het nieuwe beleid. Dit is vertaald naar algemeen woonbeleid en een programma en uitwerking per kern.
Voor Hallum is in het Woonplan onder meer de woonbuurt Oer de Feart - waar het plangebied in ligt - aangegeven als uitbreidingslocatie. Ook de uitbreiding van fase 5 is hierin voorzien. De nieuwbouw past dan ook binnen dit woonbeleid. Het woonplan Ferwerderadiel is echter sterk verouderd. De aantallen woningen voor de dorpen zijn vastgesteld tot en met het jaar 2008. Hieruit valt dan niet meer op te maken of er wel of geen ruimte is om nieuwe woningen te bouwen. Een nieuw woonplan is nog in voorbereiding.
Overigens neemt het aantal woningen in Hallum met de realisatie van de woning per saldo niet toe, omdat gelijktijdig meerdere woningen aan de Doniaweg worden gesloopt. Bovendien vindt met de (sloop en) nieuwbouw een kwalitatieve verbetering van het woonbestand plaats.
De gemeenten Dantumadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel en Kollumerland c.a. (DDFK) zijn bezig met een ambtelijke fusie om op de langere termijn een gemeentelijke herindeling vorm te geven. De gemeenten zijn daarom bezig om een gezamenlijke beleidsvisie Wonen op te stellen met daarin beleidsuitgangspunten op basis van de actuele ontwikkelingen. Het doel van het woonbeleid is om een toekomstbestendige gedifferentieerde woningvoorraad te ontwikkelen die is afgestemd op de woonwensen van de inwoners. Een prettige, aantrekkelijke en leefbare woonomgeving maakt daar deel van uit. Niet het realiseren van een woning maar het realiseren van een goed woon- en leefklimaat staat centraal. De woningvoorraad verversen door te verbouwen, te vervangen en te verdunnen en door nog nauwelijks toe te voegen, is de hoofdlijn van het beleid.
De gemeente voegt, vanwege een beperkte groei in huishoudens, nog maar in zeer geringe mate nieuwe woningen toe. De periode tot 2020 met een bescheiden groei moet benut worden voor het bouwen in segmenten waar binnen de bestaande voorraad onvoldoende van aanwezig zijn of beschikbaar komen. Dit zijn vooral de woningtypen gericht op de kleine huishoudens en de senioren. Woningen in dit segment zijn duurzaam en levensloopbestendig.
De lopende nieuwbouwplannen willen de gemeenten verder in de komende 5 jaar afronden. De invulling met een woning binnen het plan Oer de Feart kan in die zin worden bechouwd als onderdeel van één van die nieuwbouwplannen die de gemeente Ferwerderadiel wil afronden.
De structuurvisie geeft een integrale visie op wonen, werken en recreëren in de gemeente Ferwerderadiel. Kern van de visie is het behoud van de identiteit van de gemeente die gekenmerkt wordt door de elementen ruimte, rust, historie, natuur en vitaliteit. Ferwerderadiel kiest voor het behoud en de versterking van de leefbaarheid en vitaliteit in de kernen. Daarnaast wil de gemeente de werkgelegenheid zo veel mogelijk behouden en liefst bevorderen. Tot slot kan de de toeristisch-recreatieve sector zich verder ontwikkelen en wordt het bovenliggende wegennet (de niet-gemeentelijke wegen) verbeterd.
Voor de ontwikkeling van de nieuwe woning in Hallum worden in het beleid geen specifieke uitgangspunten genoemd. De ontwikkeling van de woning past wel binnen het beleid van de versterking van de leefbaarheid en vitaliteit in de kern. Door een woning aan de Memerdastate toe te staan, blijven de bewoners van de (te slopen) woning aan de Doniaweg wel in het dorp wonen.
De welstandsnota heeft tot doel het welstandstoezicht voor iedereen inzichtelijk en begrijpelijk te maken. Met behulp van de welstandsnota kunnen particulieren, opdrachtgevers en architecten zich in een vroeg stadium op de hoogte stellen van de haalbaarheid van een bouwplan. In de gemeente Ferwerderadiel is sprake van algemeen welstandsbeleid en gebiedsgericht welstandsbeleid.
Bij het gebiedsgericht welstandsbeleid is sprake van verschillende deelgebieden met ieder een eigen beoordelingskader. Met behulp van deze kaders wordt bij de welstandsbeoordeling aangegeven welke gewaardeerde karakteristieken in het ontwerp moeten worden gebruikt om het gebouw of bouwwerk in zijn omgeving te laten passen.
Het plangebied ligt in het welstandsgebied Woonwijken gebouwd na 1950. In de welstandsnota staan de gebiedskenmerken van dit gebied beschreven. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende voorwaarden van belang:
Deze voorwaarden zijn overgenomen in de regels van de nieuwe bestemming voor het plangebied (zie ook paragraaf 5.2). De welstandsnota geeft daarnaast nog richting aan de aanzichten, de opmaak en andere esthetische aspecten. Daar wordt bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning aan getoetst.
Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.
Ter bescherming van de kwaliteit van de (leef)omgeving wordt naast specifieke (milieu)wetgeving de ruimtelijke ordening ingezet. In de volgende paragrafen worden deze aspecten per thema onderzocht.
Het bestemmingsplan moet rekening houden met het beleid en de wetgeving voor de natuurbescherming. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Uitgangspunt is dat met beide geen strijdigheid ontstaat.
De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Natuurbeschermingswet. Indien ontwikkelingen (mogelijk) negatieve effecten op de natuurwaarden binnen deze gebieden hebben, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid over de Ecologisch Hoofdstructuur (EHS, ook bekend als Natuurnetwerk Nederland). Beide typen gebieden zijn niet in de directe omgeving van het plangebied aangewezen. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied is het gebied Waddenzee op ongeveer 3 km afstand. Dit is ook het dichtstbij gelegen aangewezen EHS gebied. Dichter bij het plangebied liggen kleinere aangewezen natuurgebieden die buiten het beschermingsregime van de EHS vallen.
De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de genoemde natuurgebieden. Enerzijds omdat het plan deel uitmaakt van een groter nieuwbouwplan. Voor dit nieuwbouwplan is beoordeeld dat het geen negatieve effecten heeft op de natuurgebieden. Daarnaast is de ontwikkeling zelf kleinschalig van aard en zijn effecten op de natuurgebieden daarmee uit te sluiten.
Op grond van de Flora- en faunawet geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk.
Voor de ontwikkeling van de woning in het plangebied wordt geen verstoring van beschermde soorten verwacht. Het plangebied is momenteel in gebruik als speel- en trapveldje voor jeugd en wordt vaak gemaaid, waardoor beschermde plantensoorten niet kunnen groeien in het gebied. Beschermde diersoorten hebben hierdoor ook geen beschermde vestigings- of broedplaats. Daarnaast worden er geen sloten gedempt en/of bomen gekapt. Uitgangspunt is wel dat de achterliggende sloot wordt verbreed in verband met noodzakelijke watercompensatie. Deze sloot is echter feitelijk onderdeel van het perceel dat zoals gezegd jarenlang openbaar is geweest en in gebruik als onder andere speelterrein. Het gebied, inclusief de sloot, is zo strak onderhouden dat er geen bijzondere biotopen worden verwacht.
Aanvullend onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Uiteraard wordt bij de uitvoering van het project de gedragscode met betrekking tot de Flora- en faunawet nageleefd.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (zoals wonen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand.
De woning komt in een bestaande woonbuurt. Woningen hebben geen milieuzone en geven ten opzichte van elkaar dan ook geen hinder. Direct in de nabijheid van het plangebied is verder geen sprake van (agrarische) bedrijven die mogelijk hinder veroorzaken voor de gewenste ontwikkeling. Dit aspect geeft geen uitgangspunten en belemmeringen voor het plan.
De Wet geluidhinder heeft als belangrijkste doel het bestrijden en voorkomen van geluidhinder. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening.
De gewenste woning is een geluidgevoelig object. Deze komt echter in een woonbuurt, waarin geen sprake is van wegen met een wettelijke geluidzone. De zone die wel van toepassing is op de Ljouwerterdyk ten westen van de woonbuurt Oer de Feart ligt te ver weg om invloed te hebben op de gewenste ontwikkeling. Ook zijn in de nabijheid van het plangebied geen geluidproducerende bedrijven aanwezig die daar invloed op hebben. Het aspect geluid geeft geen uitgangspunten en belemmeringen voor het plan.
Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.
Ter invulling van de watertoets is het bestemmingsplan aangemeld via www.dewatertoets.nl. Na het doorlopen van een aantal standaardvragen is gebleken dat voor het plan de normale procedure moet worden doorlopen. Dit heeft geleid tot een Wateradvies van Wetterskip Fryslân, dat is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting.
Het Wetterskip adviseert onder meer om watercompensatie toe te passen in de vorm van verbreding van de sloot die achter het plangebied langs loopt. Deze sloot is en blijft gemeentelijk eigendom. De gemeente zal er voor zorgdragen dat er voldoende watercompensatie worden gerealiseerd in verband met de uitvoering van het voorliggende plan. Ook de overige in het Wateradvies opgenomen adviezen zullen ter harte worden genomen.
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang.
Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) daarbij vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:
Dit plan, waarbij slechts één woning wordt gerealiseerd, valt onder de Regeling Nibm. Dit aspect geeft geen uitgangspunten en belemmeringen voor het plan.
De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Bro stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. In het kader van het aspect cultuurhistorie wordt zowel ingegaan op de zichtbare cultuurhistorische waarden als op het erfgoed onder de grond in de vorm van archeologie.
Ter implementatie van het Verdrag van Malta, is de Monumentenwet gewijzigd. De kern van Monumentenwet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van gemeentelijk of provinciaal beleid bepaald. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een bestemmingsplan worden beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het plangebied.
Uit Raadpleging van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) blijkt dat het plangebied (beide locaties) zich bevindt binnen het advies: waarderend onderzoek (terpen). In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. Voor de periode steentijd - bronstijd is geen onderzoek nodig. De volgende afbeelding geeft een uitsnede van de FAMKE kaart voor de periode ijzertijd - middeleeuwen.
Fragment FAMKE (periode ijzertijd - middeleeuwen)
De provincie beveelt hierbij aan om bij ingrepen van meer dan 50 m² een waarderend booronderzoek uit te laten voeren. De woning heeft een oppervlakte van ongeveer 150 m2, een onderzoek is hiervoor dus nodig.
Uit het waarderend onderzoek dat in 2016 is uitgevoerd (zie Bijlage 2) blijkt dat de bovenste halve meter van de bodem uit een vergraven of opgebracht kleipakket bestaat. Hieronder zijn gelaagde getijde-afzettingen aanwezig die naar beneden toe overgaan in matig slappe, ongerijpte klei. Zowel deze klei als de erboven gelegen getijde-afzettingen zijn nooit geschikt geweest voor bewoning. Nergens zijn in het plangebied lagen aangetroffen die geinterpreteerd zouden kunnen worden als terplagen. Overige archeologische indicatoren ontbreken eveneens volledig. De resultaten van het onderzoek geven daarom geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn archeologische resten gevonden waarmee tijdens de verdere planvorming rekening zou moeten worden gehouden.
Daarmee vormt het aspect archeologie geen belemmering voor uitvoering van het plan.
Een wijziging van de Monumentenwet betreft de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De MoMo geeft vooral aanwijzingen voor monumenten. In het plangebied is geen sprake van monumenten en het ligt niet in een gebied dat een wettelijke bescherming kent met betrekking tot cultuurhistorie. Dit aspect geeft geen uitgangspunten en belemmeringen voor het plan.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd.
Voor de realisatie van de woonbuurt Oer de Feart - rondom het plangebied - is de bodem onderzocht. Bij de vergunningverlening voor de woningbouw is geconcludeerd dat hier sprake is van een goede bodemkwaliteit. De bodem is voldoende schoon voor de gevoelige woonfunctie. De verwachting is bovendien dat de bodem in de loop van de jaren niet vervuild is geraakt, omdat in en direct rond het plangebied niet sprake is van bodemvervuilende activiteiten.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over “externe veiligheid” om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in of nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen en transportroutes (wegverkeer) aanwezig zijn.
Wel ligt onder de Memerdastate, op ongeveer 40 meter ten noorden van het plangebied, een hoofdgastransportleiding. Door deze buis wordt aardgas getransporteerd met een druk van 40 bar en een diameter van 18 inch. Rond een dergelijke leiding is een veiligheidszone aanwezig, waarbinnen geen grondwerkzaamheden mogen plaatsvinden zonder de leidingbeheerder hierin te consulteren. Deze zone is als dubbelbestemming in het plan Grote Dorpen opgenomen en ligt niet over het plangebied heen.
De leiding heeft verder een plaatsgebonden risicocontour en een inventarisatieafstand in verband met de beoordeling van het groepsrisico. De plaatsgebonden risicocontour ligt direct op de leiding en niet over het plangebied heen. In het kader van het invloedgebied van de buisleiding zijn verschillende effectringen te onderscheiden. Het plangebied ligt in de eerste effectring van de leiding. Als gevolg van een mogelijk incident met de buisleiding komen mensen te overlijden en is sprake van een onherstelbare schade. Evacuatie bij een incident is niet mogelijk, de omwonenden moeten dus zelf kunnen vluchten (zelfredzaamheid is belangrijk). De functie wonen is in beginsel een zelfredzame functie. Het betreft in het plangebied slechts één woning die in een bestaande woonwijk wordt gerealiseerd. De Brandweer Fryslân heeft geen aanvullenden maatregelen voor de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid. De toename van het aantal bewoners in de (woon)omgeving is dusdanig gering dat hiermee het groepsrisico niet toeneemt. Dit aspect geeft geen uitgangspunten en belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
Behalve de in 4.8 genoemde gastransportleiding zijn in en direct rond het plangebied geen hoofdtransportleidingen aanwezig. De aansluiting van de nieuwe woning vindt plaats op de bestaande waterleiding en riolering die onder de straat loopt.
Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van de juridische regeling van dit bestemmingsplan in het algemeen en over de gehanteerde regeling (bestemmingen, gebruiks- en bouwregels) specifiek.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de plankaart en in de regels zijn opgenomen, beschreven. De manier van bestemmen is afgestemd op het geldende bestemmingsplan Grote Dorpen. De uitgangspunten hiervoor zijn weergegeven in paragraaf 2.3.
De nieuwe woonkavel krijgt de bestemming 'Wonen - 1'. Binnen deze bestemming wordt voorzien in de bouw van een woonhuis, eventueel in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis. De plaats van de gewenste woning is vastgelegd door een bouwvlak.
Buiten het bouwvlak is ruimte voor bijbehorende bouwwerken, waarbij de regeling daarvoor is afgestemd op de gebruikelijke erfbebouwingsregeling binnen de gemeente Ferwerderadiel.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
Door middel van het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure kan de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan worden aangetoond. Tijdens deze procedure hebben instanties, belanghebbenden en omwonenden op verschillende manier de mogelijkheid hun mening op het plan kenbaar te maken. Deze zijn hierna beschreven.
De gemeente wil belanghebbenden betrekken bij de planvorming en heeft daarom, op basis van de Inspraakverordening, inspraak verleend op het voorontwerpbestemmingsplan. Deze inspraakperiode vond plaats met ingang van 5 mei 2016. Tijdens deze periode zijn 2 inspraakreacties binnengekomen. Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan heeft in deze periode ook het vooroverleg plaatsgevonden met de overlegpartners. De inspraak- en vooroverlegreacties zijn in hoofdstuk 7 samengevat en voorzien van een reactie. De reacties hebben geleid tot wijzigingen in de toelichting. De verbeelding en regels zijn ongewijzigd.
Vervolgens heeft het ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon een ieder zienswijzen omtrent het bestemmingsplan kenbaar maken. Van deze mogelijkheid is door de bewoners van de Memerdastate 20 gebruik gemaakt. Zij vrezen voor aantasting van hun privacy en woongenot, en voor waardevermindering van hun woning als gevolg van de uitvoering van dit bestemmingsplan. Bovendien refereren zij aan toezeggingen die de ontwikkelaar destijds heeft gedaan bij de verkoop van hun woning.
Zij voeren daarbij dezelfde argumenten aan die ook als inspraakreactie zijn voorgelegd, en beantwoord. Wederom wordt gesproken over de toekomstige ontwikkeling van een woonwijk die nu 'op slot' wordt gezet. Er is op dit moment geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat die toekomstige ontwikkeling nog gerealiseerd zal worden. Er wordt dus niets op slot gezet, integendeel, een ongebruikte ruimte in een woonstraat wordt op normale wijze gevuld met een woning, een gat in de gevelwand wordt gesloten. Het straatbeeld verandert daarmee in een aanzicht dat in een dorp te doen gebruikelijk is, zelfs wenselijk.
Dat een vijfde fase er niet zou komen is overigens al enkele jaren geleden algemeen bekend geworden, met het faillissement van bouwbedrijf Van der Werff en de opheffing van de VOF "Oer de Feart". Dat er tien jaar geleden nog rekening gehouden werd met een mogelijke doorontwikkeling van woningbouw heeft op de huidige situatie geen enkele betrekking meer. Een ieder, de gemeente maar ook de omwonenden, moet handelen op grond van de feiten zoals die nu voorliggen. Overigens heeft de gemeente bij verkoop van gronden in Oer de Feart op geen enkele wijze toezeggingen gedaan over mogelijke verdere ontwikkelingen; wat de ontwikkelaar al dan niet 'bevestigd' heeft blijft tussen dat bedrijf en de indiener van de zienswijze.
Met privacy en woongenot is in de opstelling van dit plan op normale wijze rekening gehouden. In een woonwijk is het volkomen acceptabel dat woningen vrijstaan op een eigen erf dat grenst aan het erf van een buurman, waarbij voldoende ruimte tussen erfgrenzen en woningen wordt gewaarborgd.
Mocht desalniettemin worden aangetoond dat daardoor sprake is van waardevermindering van vastgoed, dan kan die worden vergoed als planschade als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening.
Naar aanleiding van de zienswijzenprocedure besluit de gemeenteraad over de vaststelling van het bestemmingsplan. De ingediende zienswijze leidt niet tot een gewijzigde vaststelling. De raadsstukken zijn te vinden bij het digitale bestemmingsplan op www.ruimtelijkeplannen.nl.
Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds aangetoond via de financiële haalbaarheid van het plan en anderzijds door de grondexploitatieregeling. Deze komen hierna gecombineerd aan bod.
In dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. In dergelijke gevallen moet samen met het bestemmingsplan een grondexploitatieplan vastgesteld worden. Deze verplichting vervalt wanneer het kostenverhaal anderszins verzekerd is.
In dit geval gaat het om gronden die in eigendom zijn bij de gemeente. Zij levert de grond bouwrijp op aan een initiatiefnemer. De kosten die de gemeente hiervoor moet maken worden, evenals de benodigde plankosten, via de gronduitgifte op de initiatiefnemer verhaald als onderdeel van de grondprijs. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en wordt van het vaststellen van een exploitatieplan afgezien.
Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van de inspraakverordening ter inzage gelegd voor inspraak. Daarnaast is het bestemmingsplan toegezonden aan de vooroverlegpartners in het kader van het wettelijk vooroverleg (3.1.1 Bro). Tijdens de inspraak- en overlegperiode zijn twee inspraakreacties en twee overlegreacties binnen gekomen. Deze worden in dit hoofdstuk samengevat en beantwoord. Daarbij wordt aangegeven wat de gevolgen van de reacties voor het bestemmingsplan zijn.
De insprekers hebben via een brief op 17 mei 2016 gereageerd op het voorontwerpbestemmingsplan. Zij geven daarbij aan graag op de hoogte gehouden te willen worden over de stand van zaken van het plan en de procedure. Daarbij vinden zij het vooral belangrijk te weten wanneer de mogelijkheid is voor het aantekenen van bezwaar.
Reactie:
Via de bekende kanalen (internet, lokale krant, etc) bericht de gemeente over het bestemmingsplan en de daarbij horende procedure. Op de ingediende inspraakreactie krijgen de insprekers een schriftelijke reactie. Het vervolg van de procedure en de manieren waarop insprekers ook in het vervolg van de procedure kunnen reageren op het plan staat beschreven in hoofdstuk 6 van de toelichting.
De insprekers vrezen met de komst van de woning een belemmering van hun uitzicht.
Reactie:
Vanuit de ruimtelijke uitvoerbaarheid en aanvaardbaarheid van het plan is de belemmering van het uitzicht geen toetsingskader. Het huidige uitzicht van de insprekers via het plangebied naar het achterliggende buitengebied wordt op dit moment bovendien al beperkt door aanwezige beplanting in de vorm van een hoge rietkraag (op maaiveldhoogte) en een bestaande boom (zie volgende afbeelding).
Bestaande beplanting langs de Memerdastate tegenover het plangebied
De insprekers hebben op 8 juni 2016 per brief een inspraakreactie ingediend. In deze reactie geven zij aan bezwaar te hebben tegen de bebouwing van het plangebied. Deze groenstrook moest aanvankelijk open vaarwater worden. Dit is niet gerealiseerd.
Reactie:
Het doel was inderdaad om door het plangebied een doorsteek te maken naar de achter het perceel liggende (oostelijk) nieuwbouw. Deze nieuwbouw is echter niet gerealiseerd, waardoor de noodzaak voor de doorsteek ook niet aanwezig is. Dit is de reden dat het plangebied nog steeds een groenstrook is.
Daarnaast wordt de eventuele volgende fase “Doumastate” met de realisatie van de woning volledig op slot gezet.
Reactie:
Voorlopig is van de uitbreiding van woningbouw in de volgende fase geen sprake. De economische situatie en marktomstandigheden laten dit niet toe. De verwachting is dat deze fase in het geheel niet meer gerealiseerd wordt. Om die reden wil de gemeente meewerken aan de nieuwe woning in het plangebied.
De insprekers ervaren met de nieuwe woning een vermindering in privacy, woongenot en woningwaarde va de woning.
Reactie:
Aspecten als privacy, woongenot en woningwaarde zijn niet direct te toetsten aan de ruimtelijke en functionele uitgangspunten van het bestemmingsplan. Deze aspecten zijn daarom bij het opstellen van het bestemmingsplan niet aan de orde. Wel is de gemeente van mening dat door de ligging van het bouwvlak ten behoeve van de woning voldoende rekening is gehouden met de belangen van omwonenden.
Daarnaast bestaat de mogelijkheid voor de insprekers om een verzoek om planschadevergoeding in te dienen. De procedure hiervoor is op te vragen.
De insprekers hebben op 9 juni 2016 per brief een inspraakreactie ingediend. In deze reactie geven zij aan bezwaar te hebben tegen de bebouwing van het plangebied. Deze groenstrook moest aanvankelijk open vaarwater worden. Dit is niet gerealiseerd.
Reactie:
Het doel was inderdaad om door het plangebied een doorsteek te maken naar de achter het perceel liggende (oostelijk) nieuwbouw. Deze nieuwbouw is echter niet gerealiseerd, waardoor de noodzaak voor de doorsteek ook niet aanwezig is. Dit is de reden dat het plangebied nog steeds een groenstrook is.
Met de bouw van de woning vrezen de insprekers een aantasting van de privacy en het woongenot. Ze verwachten dat hun woning in waarde verminderd door de komst van de woning.
Reactie:
Aspecten als privacy, woongenot en woningwaarde zijn niet direct te toetsten aan de ruimtelijke en functionele uitgangspunten van het bestemmingsplan. Deze aspecten zijn daarom bij het opstellen van het bestemmingsplan niet aan de orde. Wel bestaat de mogelijkheid voor de insprekers om een verzoek planschade in te dienen. De procedure hiervoor is op te vragen.
Via een brief heeft de Provincie Fryslân in mei 2016 een reactie gegeven op het voorontwerpbestemmingsplan. Inhoudelijk richt de provincie zich op het aspect archeologie. De provincie geeft daarbij aan dat op grond van de Famke een archeologisch onderzoek moet plaatsvinden als een ingreep in de bodem dieper gaat dan 0,30 m onder maaiveld. Dat is bij de bouw van een woning het geval. Het onderzoek moet nog in het bestemmingsplan worden ingevoegd. De provincie heeft dit onderdeel nog niet kunnen beoordelen en stemt daarom onder voorbehoud in met het bestemmingsplan.
Reactie:
Het archeologisch onderzoek is inmiddels ontvangen (maart 2016). Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen indicatoren zijn aangetroffen die wijzen op archeologische waarden. Een nader onderzoek is niet nodig. De resultaten van het onderzoek worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het onderzoek zelf wordt als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.
Via een brief heeft de Brandweer Fryslân een advies gegeven met betrekking tot het voorontwerpbestemmingsplan. De brandweer heeft in de brief een specifiek advies gegeven met betrekking tot de veiligheid in relatie tot de gasleiding ten noorden van het plangebied. Daarbij geeft zij aan dat in het bestemmingsplan gesproken wordt over een buisleiding met een diameter van 4 inch en een druk van 40 bar. Deze buis heeft echter volgens de risicokaart een diameter van 18 inch. Dit heeft tot gevolg dat de in de toelichting opgenomen inventarisatieafstand voor het groepsrisico niet juist is opgenomen en aangepast moet worden.
Reactie:
De constatering van Brandweer is juist. Uit een nadere beoordeling van de risicokaart blijkt dat de buis meer zuidelijk de kleinere diameter heeft. De buisleiding die het meest nabij het plangebied ligt heeft een diameter van 18 inch en een druk van 40 bar. De tekst in de toelichting wordt hierop aangepast.
De Brandweer gaat er bij de nieuwe woning vanuit dat hierin zelfredzame personen komen. Dit betekent dat de bewoners zelf kunnen vluchten wanneer sprake is van een incident met de buisleiding. De toename van het aantal bewoners in de omgeving is laag, het gaat om slechts één woning, en er is sprake van een bestaande woonomgeving. De Brandweer ziet geen noodzaak voor aanvullende maatregelen voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Reactie:
De reactie wordt ter kennis aangenomen. Het advies van de Brandweer wordt als extra toelichting in de bijlagen bij het bestemmingsplan opgenomen.