direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Burdaard - Wierewei 15
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1722.20150419-VA01

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Ten zuiden van het dorp Burdaard in het buitengebied van de gemeente Ferwerderadiel is een agrarisch bedrijf gevestigd aan de Wiereweg 15. Voor dit bedrijf is een milieuvergunning verleend voor 46 stuks melkvee en 40 stuks jongvee. De eigenaar van het bedrijf heeft het voornemen om het aantal schapen uit te breiden naar 250 stuks (in de huidige situatie 150 schapen en 240 lammeren). Hiervoor heeft de initiatiefnemer het voornemen de bedrijfsvoering uit te breiden met een nieuw te bouwen flexstal.

De beoogde uitbreiding past niet in het geldende bestemmingsplan die voor het plangebied van toepassing is (zie ook 1.3). In het voorgaande bestemmingsplan Buitengebied had het perceel de bestemming 'Agrarisch'. Echter in het huidige bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden' gekregen. Dit in de veronderstelling dat de agrarische bedrijfsfunctie vervallen was, welke feitelijk gezien nooit geheel is beëindigd. De gemeente Ferwerderadiel wil dan in principe ook medewerking verlenen aan de ontwikkeling. In het bestemmingsplan Buitengebied is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een woonbestemming te wijzigen naar de bestemming 'agrarisch'. Dit wijzigingsplan geeft een invulling aan deze wijzigingsbevoegdheid.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied betreft het perceel Wiereweg 15. Dit perceel ligt op ongeveer 1 kilometer ten zuiden van Burdaard. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op het gewenste agrarisch bouwvlak. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1722.20150419-VA01_0001.png"

Figuur 1 De ligging van het plangebied

1.3 Planologische regeling

Het bestaande perceel is nu juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied, dat is vastgesteld op 13 februari 2014.

Het plangebied heeft daarin de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden'. Hier is het oprichten van gebouwen en het gebruik van de gronden ten behoeve van een agrarisch bedrijf niet toegestaan.

Tevens valt het gebied in een radarverstoringsgebied. Dit is aangeven met de aanduiding 'vrijwaringszone radarverstoringsgebied'. Deze gronden zijn bestemd voor het vrijhouden van een goed radarbeeld van het luchtruim. Dit regelt dat bouwwerken een maximale bouwhoogte mogen hebben. Met een maatvoering is bepaald dat de maximale bouwhoogte ter plaatse 75 meter mag bedragen.

In het bestemmingsplan Buitengebied is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het woonperceel weer te wijzigen naar de bestemming 'Agrarisch', met inbegrip van het aanbrengen van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf”, inclusief het daarbinnen gelegen bouwvlak. Aan het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is een aantal voorwaarden verbonden, namelijk:

  • na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de regels van de bestemming 'Agrarisch' van overeenkomstige toepassing zijn;
  • de oppervlakte van het bouwvlak ten hoogste 3,00 hectare zal bedragen;
  • bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid tot een omvang van het bouwvlak van ten hoogste 1,50 hectare de criteria genoemd in 'Vergroten bouwvlak tot 1,5 hectare' van overeenkomstige toepassing zijn;
  • bij toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid tot een omvang van het bouwvlak van ten hoogste 3,00 hectare de methodiek uit het Werkboek De Nije Pleats in Fryslân 2009 zal worden toegepast;
  • geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden, de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • de waterbeheerder om advies is gevraagd in verband met de waterhuishoudkundige situatie en de maximaal te hanteren afvoernorm.

Deze toelichting gaat op deze voorwaarden in.

1.4 Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk van dit wijzigingsplan wordt het plan beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de nieuwe situatie. Daarna wordt de nieuwe situatie getoetst aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst dat relevant is voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op het provinciaal en gemeentelijk beleid. Onderwerp van hoofdstuk 4 zijn de omgevingsaspecten waaraan de nieuwe ontwikkeling is getoetst. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Dit is opgesplitst in maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid. Ten slotte is in hoofdstuk 6 de juridische regeling opgenomen.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en initiatief

De beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor dit wijzigingsplan en wordt in dit hoofdstuk beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. De inpassing in de huidige situatie wordt ook behandeld. Ten slotte wordt uitleg gegeven over de wijzigingscriteria zoals gesteld in paragraaf 1.3

2.1 Huidige situatie

Dit wijzigingsplan heeft betrekking op een agrarisch bedrijf dat solitair in het open agrarisch gebied ligt. Binnen een straal van 400 meter komen dan ook geen andere functies voor.

Het bedrijf ligt aan de Wiereweg. Deze weg heeft voornamelijk een functie als ontsluitingsweg voor de agrarische -en woonfuncties langs de Wiereweg. Het woonperceel heeft in de huidige situatie een oppervlakte van circa 10.000 m2. Een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving is reeds weergegeven in figuur 1.

Binnen het plangebied worden in de huidige situatie 150 schapen en 240 lammeren gehouden. Deze worden in de huidige situatie gehuisvest in de bestaande stal. Grenzend aan de stal is de bedrijfswoning gelegen. Verder staat aan de noordzijde van het plangebied een garage en bevindt zich aan de westzijde een ondergrondse gierkelder. De bestaande bebouwing wordt in de huidige situatie omgeven door dichte beplanting in de vorm van boomsingels.

afbeelding "i_NL.IMRO.1722.20150419-VA01_0002.png"

Figuur 2 Beeld van de huidige situatie

2.2 Het initiatief

Het initiatief betreft de uitbreiding van het bedrijf aan de westzijde. Op de plaats van de ondergrondse gierkelder wordt een flexstal gerealiseerd met een oppervlakte van circa 12 bij 12 meter. De hoogte van de nieuwe stal bedraagt 6 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1722.20150419-VA01_0003.png"

Figuur 3 Aanzichten nieuw te bouwen flexstal

Door de beoogde bouwrichting ontstaat er een gesloten en compact boerenerf dat de openheid van het landschap niet nadelig beïnvloedt De stal wordt ontsloten op de bestaande erfverharding. De beoogde inrichting van het bedrijf is weergegeven in figuur 4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1722.20150419-VA01_0004.png"

Figuur 4 Beoogde inrichting

2.3 Landschappelijke inpassing

De beoogde uitbreiding is aan de westzijde van het plangebied gesitueerd. Het bedrijf staat in het open agrarisch landschap. Het is wenselijk de bestaande en geplande bebouwing op een goede manier in te passen. Functioneel past het bedrijf in de omgeving. Ruimtelijk moet het bedrijf echter ook goed ingepast worden in de omgeving. In de huidige situatie is de bestaande bebouwing afgeschermd van zijn omgeving door middel van zeer dichte beplanting. De bouw van de schuur vindt plaats binnen de contouren van het plangebied. Er is geen sprake van uitbreiding van het plangebied. Tevens wordt dicht tegen de bestaande bebouwing gebouwd. Hierdoor ontstaat een concentratie van bebouwing. Het perceel is in de huidige situatie dan ook al landschappelijk goed ingepast. Door de bestaande erfbeplanting rondom de nieuw te bouwen schuur door te trekken is er in de nieuwe situatie ook sprake van een goede landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt de bestaande karakteristieke beplanting op het erf versterkt.

Het erf vormt een eilanderf in het open landschap. De breedte van het erf is beperkt. Rondom het erf ligt een watergang. Vanuit het woongedeelte blijft zicht op het landschap. De beplanting langs de watergang bestaat uit bosplantsoen, met inheemse soorten, es, els en wilg. De onderlinge plantafstand bedraagt 4 meter.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.1722.20150419-VA01_0005.jpg"

Figuur 5 Erfinrichtingsplan

2.4 Planologische inpasbaarheid

De wijziging naar een agrarische bedrijfskavel wordt planologisch mogelijk gemaakt door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 31.7.3 van het bestemmingsplan Buitengebied. Hiermee kan het bestemmingsplan door Burgemeester en Wethouders, overeenkomstig artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wro, worden gewijzigd. Aan de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor het wijzigen naar een agrarisch bedrijfskavel zijn enkele voorwaarden verbonden:

Oppervlakte van het bouwvlak is ten hoogste 3,0 hectare

In de huidige situatie heeft het perceel een oppervlakte van circa 10.000 m2. In de nieuwe situatie is er geen sprake van een uitbreiding van het perceel. Het bouwvlak bedraagt in de nieuwe situatie circa 5.000 m2. Aan het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid van een bouwvlak tot ten hoogste 3,0 hectare wordt dus ruimschoots voldaan. Hierop zijn de regels van artikel 3.7.1 van het bestemmingsplan van toepassing. De voorwaarden die aan dit artikel verbonden zijn tezamen met de voorwaarden zoals benoemd in artikel 31.7.3 worden hierna beschreven en onderbouwd.

Landschappelijke inpassing welke geen afbreuk aan natuurlijke en landschappelijke waarden doet

De landschappelijke inpassing van het bouwplan sluit aan bij de bestaande kernkwaliteiten van het aanwezig landschap, zoals beschreven in de Beeldkwaliteitsplan Buitengebied van de gemeente Ferwerderadiel. Dit is in paragraaf 2.3 beschreven. Tevens is aan de regels van dit wijzigingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren van het erfinrichtingsplan zoals beschreven en weergeven in paragraaf 2.3.

De vergroting van het agrarisch bedrijf geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het bestaande wegennet;

De vergroting van het agrarisch bedrijf heeft geen onevenredig negatieve gevolgen voor het bestaande wegennet. Het aantal vervoersbewegingen en daarmee de verkeersintensiteit zal na de totstandkoming van de stal niet toenemen.

Geen onevenredige afbreuk aan de milieusituatie

Het perceel ligt in een gebied dat voornamelijk wordt gebruikt als agrarisch productielandschap. De dichtstbijzijnde woonfunctie bevindt zich op ruim 400 m afstand. Het perceel wijzigt zich niet in de richting van milieugevoelige functies. Met de bouw van de stal ontstaat geen onwenselijke milieusituatie. Voor de uitbreiding van het aantal dieren is in het kader van de Natuurbechermingswet op 11 december 2015 een vergunning verleend. In hoofdstuk 4 wordt nader op de milieutechnische inpasbaarheid van de ontwikkeling ingegaan.

Geen onevenredige afbreuk aan geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden

Op de plek van de uitbreiding is geen sprake van archeologische verwachtingen. De wijziging doet dan ook geen afbreuk aan archeologische waarden. In paragraaf 4.6 wordt nader op de archeologische en cultuurhistorische waarden ingegaan. Tevens worden de vormen van het landschap niet aangetast. Er is geen sprake van ontgrondingen of verhogingen in het landschap. De stal wordt gebouw op de bestaande gierkelder.

Geen onevenredige afbreuk aan de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Het voorgenomen plan doet geen afbreuk aan de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Het betreft hier slechts een beperkte uitbreiding van de bedrijfsvoering. De dichtstbij gelegen woonsituatie bevindt zich op 400 m afstand. De bestemmingswijziging heeft hierop geen invloed.

Wateradvies

De waterbeheerder is om advies gevraagd in verband met de waterhuishoudkundige situatie en de maximaal te hanteren afvoernorm. Hierop wordt in paragraaf 4.4 verder op ingegaan.

Conclusie

Geconstateerd kan worden dat de wijziging van de bestemming aan alle daarvoor gehanteerde criteria voldoet. Er zijn dan ook geen belemmeringen voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In het bestemmingsplan Buitengebied is binnen de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden ' ruimte gelaten voor het oprichten van gebouwen en het gebruik van de gronden ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Deze planologische ruimte, die hier wordt benut, past binnen het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Bij realisatie van nieuwe ontwikkelingen moet, met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan, worden onderzocht of in de toekomst sprake is van een goede omgevingssituatie. Daarbij wordt getoetst aan de sectorale wet- en regelgeving op het gebied van o.a. milieu, ecologie, archeologie en water.

4.1 Vormvrije Mer-beoordeling

In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Met een toename van 100 schapen overschrijden de bedrijfsmatige activiteiten bij lange na nog niet de drempelwaarde van 2000 schapen, zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.


Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter (uibreiden met 100 schapen) in vergelijking met de plandrempels uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project (in vergelijking tot de afstand van het dichtstbijzijnde natuurgebied en woonperceel) en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor het wijzigingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Voor het bestemmingsplan Buitengebied is een planMER en een Passende Beoordeling uitgevoerd. Met de regels die in het bestemmingsplan zijn opgenomen, is geconstateerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is in relatie tot de Natuurbeschermingswet. De wijziging maakt na onherroepelijk worden deel uit van het bestemmingsplan Buitengebied. De daarin opgenomen regels zijn daarmee van toepassing op het gewijzigde perceel. Die regels zorgen er voor dat er geen sprake kan zijn van een situatie op grond waarvan een afzonderlijke merbeoordeling plaats zou moeten vinden.

4.2 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (zoals woningen) noodzakelijk. In de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn richtafstanden tussen bedrijfsactiviteiten en woningen opgenomen. Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rustige woonomgeving en een gemengd gebied.

Voor een schapenhouderij (milieucategorie 3.1) geldt een richtafstand van 50 meter ten opzichte van milieugevoelige functies. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie van derden betreft een bedrijfswoning bij een ander bedrijf, die op ruim 400 meter afstand staat. Daarmee is er sprake is van een verantwoorde milieuzonering.

Qua geurzonering valt het bedrijf onder het Activiteitenbesluit. Voor verblijven van dieren (zonder geuremissiefactor) geldt buiten de bebouwde kom een afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige bedrijven. Aan dit afstandscriterium wordt ruimschoots voldaan.

4.3 Wegverkeerslawaai

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Dit geldt ook voor spoorwegen. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige functies (zoals woningen) enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds.

Dit wijzigingsplan stelt geen nieuwe geluidsgevoelige functies voor. Er ontstaan dan ook geen strijdigheden met de Wgh. Wat betreft geluid zijn dan ook er geen belemmeringen voor dit wijzigingsplan.

Ten aanzien van geluidhinder van landbouwinrichtingen, zijn de regels van het Activiteitenbesluit van toepassing. Wanneer wordt verwacht dat inrichtingen leiden tot hinder bij geluidsgevoelige bestemmingen, kan door het bevoegd gezag (de gemeente) worden gevraagd om een akoestisch rapport op te stellen. In dit geval ligt dat niet voor de hand, omdat de beoogde uitbreiding op ruime afstand van omliggende woningen is gelegen en een stal een relatief lage geluidemissie kent.

Zonder nader onderzoek kan daarom worden gesteld dat het uitbreiding van het agrarisch bedrijf niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van omliggende woningen.

4.4 Water

Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.

Ter invulling van de watertoets is het plan aangemeld via www.dewatertoets.nl. Na het doorlopen van een aantal standaardvragen is gebleken dat voor het plan de korte procedure moet worden doorlopen. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan kan worden opgevangen met standaard maatregelen. Met de uitvoering van het plan wordt hier rekening meegehouden. Hieronder wordt kort op de maatregelen in gegaan. De watertoets is opgenomen in de bijlage.

Voor het afvoeren van regenwater is in de omgeving van het plangebied sprake van voldoende open stukken gras waar het regenwater kan worden afgevoerd. Daarnaast is het perceel omgeven door oppervlakte water. Bij de bouw van de stal wordt rekening gehouden met het gebruik van schone bouwmaterialen. Ten slotte zal geen sprake zijn van grondwateroverlast daar de stal op bestaande verharding wordt gebouwd.

4.5 Bodem

Het uitgangspunt wat betreft de bodemkwaliteit in het projectgebied is dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn, dat er geen risico's voor de volksgezondheid ontstaan.

Er is recentelijk geen bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. Op grond van het huidige gebruik van de bodem kan het als 'niet - verdacht' worden aangemerkt en wordt er van uit gegaan dat de kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor het toekomstige gebruik.

4.6 Archeologie en cultuurhistorie

4.6.1 Archeologie

Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet in werking treden. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De wet verplicht gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen en projecten rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden.

Om te achterhalen of mogelijk archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn, geeft de provinciale FAMKE informatie. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in twee tijdvakken ijzertijd-middeleeuwen en steentijd-bronstijd. Voor het plangebied geldt voor de periode ijzertijd-middeleeuwen een karterend onderzoek 2 (ingrepen groter dan 2.500 m2) onderzoek nodig is. Voor de periode steentijd-bronstijd is geen onderzoek nodig. De ontwikkeling voorziet in de bouw van een stal van 144 m2. Onderzoek is daarom niet nodig.

Indien bij bodemingrepen archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 53 van de Monumentenwet een meldingsplicht.

4.6.2 Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan worden beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het plangebied.

Het perceel en de directe omgeving heeft geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing of landschapselementen. Het project heeft dan ook geen invloed op de cultuurhistorische waarden.

4.7 Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming.

4.7.1 Gebiedsbescherming

Met betrekking tot de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en/of om gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied.

Het plangebied ligt op ruime afstand van beschermde natuurgebieden en grenst niet aan de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Er is een NBW-vergunning verleend voor het houden van 250 schapen. Dit is een afname van de depositie ten opzichte van het gehouden melkvee. Er zijn daarom ook NH3-rechten aan derden verkocht (voor 1 juli).

Er worden geen nieuwe belastende functies voorgesteld.

Gezien de aard en de omvang van de voorgestelde ontwikkelingen en de afstand van het plangebied tot beschermde gebieden, kan worden gesteld dat dit wijzigingsplan geen (significante) effecten op de natuurwaarden in de omgeving heeft.

4.7.2 Soortenbescherming

De soortenbescherming vindt primair plaats via de Flora- en faunawet. Op grond van deze wet mogen er geen beschermde planten en dieren (en hun verblijfs-plaatsen), die in de wet zijn aangewezen, verstoord worden. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst soorten zijn deze voorwaarden zeer streng.

In het plangebied worden geen erfsingels gekapt, sloten gedempt of gebouwen gesloopt. De uitbreiding vindt plaats op een betonplaat waaronder een gierkelder zit. Eventueel aanwezige soorten hebben voldoende mogelijkheden om te vluchten of elders te foerageren. Het uitvoeren van ecologisch onderzoek is daarom niet nodig.

Voor alle soorten is de algemene zorgplicht van kracht. Bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.

4.8 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2020) geldt in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde fijn stof concentratie (PM10) van minder dan 18 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van minder dan 10 µg/m3. De norm voor beide stoffen ligt op 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus goed.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan bedraagt slechts een uitbreiding in de vorm van een nieuwe schuur.

Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.9 Kabels en leidingen en radargebied

In de buurt van het plangebied lopen geen kabels of leidingen die van belang zijn voor dit wijzigingsplan. Wel ligt over het plangebied een vrijwaringszone radarverstoringsgebied. Hiervoor geldt dat deze gronden gevrijwaard moeten worden van bouwwerken die een goed radarbeeld van het luchtruim belemmeren. De maximale bouwhoogte van bouwwerken bedraagt ten hoogste de bestaande bouwhoogte. De te bouwen schuur wordt 6 meter hoog. In het huidige bestemmingsplan is een maatvoering van 75 meter hoogte bepaald voor de vrijwaringszone. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten van het radarverstoringsgebied.

4.10 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie.

Voor een inzicht in de externe risico's in de omgeving van het plangebied is de risicokaart Friesland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied zich niet binnen het invloedgebied van risicobronnen bevindt.

Bovendien vindt er binnen het plangebied geen toename van het aantal personen plaats, waardoor er geen sprake is van effecten op de externe veiligheidssituatie. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan geen belemmeringen voor het wijzigingssplan.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het wijzigingsplan doorloopt de procedure zoals vastgelegd in artikel 3.6 lid 1 sub a Wet ruimtelijke ordening (Wro). Door het voeren van de genoemde procedure, met de daar bijhorende zienswijzen-, c.q. beroepsprocedure, wordt de maatschappij betrokken bij het plan. In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Beluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wijzigingsplan eerst voorgelegd aan de betrokken overleginstanties. Hoofdstuk 7 gaat hier nader op in.

Met ingang van 13 augustus 2015 heeft het ontwerpwijzigingsplan gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze zes weken is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn/haar zienswijzen tegen het ontwerpwijzigingsplan kenbaar te maken. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 17 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders het plan (ongewijzigd) vastgesteld. Het vaststellingsbesluit is als los onderdeel bij het (digitale) wijzigingsplan gevoegd. Uiteindelijk is tegen het wijzigingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

De kosten en eventuele planschade die zijn gemoeid met de realisering van het plan, komen ten laste van de initiatiefnemer. Hiervoor wordt een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het plan vastgelegd.

Het doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van een overeenkomst. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.

In dit wijzigingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. In dergelijke gevallen dient een grondexploitatieplan opgesteld te worden tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

In dit plan is er sprake van een particulier initiatief waarbij de gemeente geen financiële bemoeienis heeft. De plankosten worden via leges op de initiatiefnemer verhaald. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is verder een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht.

Hoofdstuk 6 Juridische regeling

6.1 Systematiek

Het wijzigingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om ruimtelijke plannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe plannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt.

6.2 Verbeelding

Bij het wijzigingsplan Burdaard - Wiereweg 15 hoort een verbeelding. Op deze verbeelding is het plangebied met de toekomstige bestemming weergegeven. Voor dit gebied vervangt het wijzigingsplan de bestemming van de gronden in het bestemmingsplan Buitengebied. Na onherroepelijk worden van het wijzigingsplan maakt de verbeelding deel uit van het bestemmingsplan Buitengebied.

6.3 Regels

De regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Ferwerderadiel, zoals vervat in de bestandenset met planidentificatie NL.IMRO.1722.1211606-0003 met de bijbehorende regels (en bijlagen), zijn onverkort van toepassing na het onherroepelijk worden van dit wijzigingsplan. Het wijzigingsplan heeft formeel alleen betrekking op een wijziging van de verbeelding. Voor de ontwikkeling wordt aanvullend rekening gehouden met de gewenste inpassing zoals die in paragraaf 2.3 beschreven is. Er zijn daarom gebruiksregels opgenomen om de inpassing juridisch af te dwingen.

Hoofdstuk 7 Inspraak en overleg

In het kader van het vooroverleg heeft het wijzigingsplan met ingang van 13 augustus 2015 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens de ter inzage legging zijn geen inspraakreacties ingediend. Ten aanzien van de overlegpartners hebben de volgende partners gereageerd:

  • Gasunie. De Gasunie heeft geen aanleiding tot het plaatsen van een reactie.
  • Alliander. Alliander heeft aangegeven dat de bedrijfsvoering van Alliander niet wordt belemmerd door het wijzigingsplan.
  • Provincie Fryslân. Alleen van de Provincie Fryslân is een inhoudelijke reactie ontvangen. Hieronder wordt op de verschillende opmerkingen ingegaan.

Opmerking 1. Landschappelijke inpassing

De provincie constateert dat er sprake is van een nieuw agrarisch bouwvlak. De provincie geeft aan dat op basis van artikel 6.1.5 lid 2 van de provinciale Verordening Romte 2014 de landschappelijke inpassing moet worden opgesteld volgens de methodiek Nije Pleats. De provincie stelt voor om bouwvlak aan te passen binnen de landschappelijke contouren van het perceel.

Reactie gemeente:

In overleg met de initiatiefnemer van het plan is besloten om het bouwvlak te verkleinen. Hierop heeft de provincie aangegeven te kunnen instemmen met het verkleinen van het bouwvlak. Omdat het bouwperceel circa 0,5 hectare wordt vindt de provincie het niet noodzakelijk dat een Nije Pleats sessie wordt gehouden voor de landschappelijke inpassing. De verbeelding is aangepast op basis van het verkleinen van het bouwvlak. De provincie heeft geen bezwaar als de groenstrook aan de zuidzijde in de toekomst wordt verwijderdt ten behoeve van een verdere uitbreiding. In de regels dient dit gewaarborgd te worden.

Voor de ontwikkeling is daarom een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die de landschappelijke inpassing waarborgt.

Opmerking 2. Archeologie

De provincie geeft aan dat de conclusie dat archeologisch onderzoek niet aan de orde is, niet correct is. De provincie geeft aan dat archeologisch onderzoek wel aan de orde kan zijn aangezien het bouwvlak in het voorontwerp wijzigingsplan circa 1 hectare bedraagt.

Reactie gemeente:

In overleg met de initiatiefnemer van het plan is besloten om het bouwvlak te verkleinen. De provincie heeft hierin ingestemd en aangegeven dat de opmerking met betrekking tot archeologie hierbij komt te vervallen.

Opmerking 3. Weidevogelkansgebied

De provincie merkt op dat het plangebied in een weidevogelkansgebied ligt. De provincie geeft aan dat bekeken moet worden in hoeverre sprake is van extra verstoring in het weidevogelkansgebied als gevolg van het voorliggende wijzigingsplan.

Reactie gemeente:

In overleg met de initiatiefnemer van het plan is besloten om het bouwvlak te verkleinen. De provincie heeft hierin ingestemd en aangegeven dat de opmerking met betrekking tot het weidevogelkansgebied hierbij komt te vervallen.

Opmerking 4. Natuurbeschermingswet

De provincie geeft aan dat in de toelichting duidelijk moet worden gemaakt in hoeverre sprake is van een toename van ammoniakdepositie.

Reactie gemeente:

In de toelichting zal ten aanzien van de natuurbeschermingswet een aanvulling gemaakt worden. In dit kader is reeds een Natuurbeschermingswet vergunning verleend.


Voor de volledige overlegreacties wordt verwezen naar 2 bij deze toelichting.