Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22ad, Rukven 5a H-D
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1721.TAM22ad-VA01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie en vormt
juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22ad) van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22ad van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22ad gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22ad’ gelezen worden.

1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Tijdelijk omgevingsplan - Wro-plannen

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan;

1.3 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22ad, Rukven 5a H-D', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1721.TAM22ad-VA01.

Artikel 2 Begripsbepalingen

 

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 2.2 daarvan is afgeweken.

2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.7 gehanteerd.

2.3 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22ad, Rukven 5a H-D.

2.4 Omgevingsplan:

Het omgevingsplan van de Gemeente Bernheze.

2.5 Verbeelding

De digitale weergave van het TAM-omgevingsplan als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1721.TAM22ad-VA01.

2.6 Peil

  1. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang vermeerderd met maximaal 20 cm;
  2. in andere gevallen: de hoogte van de weg ter plaatse van de toegang tot het gebouw vermeerderd met 2 cm per meter afstand van het gebouw tot die weg (hemelsbreed gemeten);
  3. deze bepaling geldt niet voor bouwwerken geen gebouwen zijnde; hiervoor wordt de hoogte gemeten vanaf het aansluitende maaiveld.

2.7 Omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Omgevingsplanactiviteit bestaande uit:
  1. een bouwactiviteit;
  2. het in stand houden van een bouwwerk; en
  3. het gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen,

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 t/m 3.7
                                   

3.1 Afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

De maat tussen de zijdelingse grens van een (bouw)perceel en een bepaald punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is.

3.2 Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.3 Dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.4 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.5 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.6 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.7 Oppervlakte van een overkapping

Tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Agrarisch

4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Groen. 

4.2 Toedeling van functies aan locatie

Een als Groen aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. agrarisch grondgebruik;
  2. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:
    1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf');
    2. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf', en tevens ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf');
  3. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - sleufsilo-ruwvoeropslag": uitsluitend de opslag van ruwvoer in onder andere sleufsilo's;
  4. nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf en aan huis gebonden beroep in de bestaande aard en omvang;
  5. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  6. groenvoorzieningen;
  7. behoud van landschapselementen;
  8. extensieve dagrecreatie;
  9. doeleinden van openbaar nut;
    een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden en sloten.

4.3 Gebruiksactiviteit - specifieke functieregels

4.3.1 Aan huis verbonden beroep
Aan huis verbonden beroepen zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden:
  1. er maximaal 100 m² van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
  2. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.
4.3.2 Nevenactiviteit agrarisch bedrijf
Als specifieke nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf zijn de volgende activiteiten toegestaan onder de volgende voorwaarden:
  1. de verkoop van streek- of bedrijfseigen producten tot een verkoopvloeroppervlak van max. 100 m², evenals de verkoop van streek- of bedrijfseigen producten met een bestaand verkoopvloeroppervlak van meer dan 100 m²;
  2. mestbewerking als nevenactiviteit ten behoeve van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat mestbewerking voor derden niet is toegestaan.

4.4 Gebruiksactiviteit - verboden

4.4.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies en niet voldoet aan het gestelde in 4.3.
4.4.2 Specifiek
Binnen de als Groen aangewezen locaties geldt een verbod op:
  1. het binnen gebouwen houden van dieren, al dan niet in hokken, niet op de grond, onverlet voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  2. het gebruik van de gronden buiten het bouwvlak ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor zover deze geen bouwwerken zijn;
  3. het in gebruik nemen van gebouwen die niet in gebruik zijn voor de uitoefening van een veehouderij, voor de uitoefening van een veehouderij;
  4. het gebruik van gronden en bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende inrichting;
  5. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  6. het gebruik van gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering;
  7. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie;
  8. het gebruik van de gronden die daar niet voor zijn aangewezen als standplaats voor kampeermiddelen;
  9. het gebruik van de gebouwen of kampeermiddelen voor de huisvesting van seizoensarbeiders;
  10. het gebruik van bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen ten behoeve van bewoning;
  11. het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning;
  12. het gebruik van gronden voor de beoefening van lawaaisporten;
  13. de aanleg van blijvende ondersteunende voorzieningen voor teelt van gewassen vrij van de grond.

4.5 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit - bouwwerken

4.5.1 Algemeen
  1. bouwen op deze gronden is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de in 4.2 genoemde functies;
  2. alleen de volgende bouwwerken zijn toegestaan:
    1. hoofdgebouwen;
    2. bijbehorende bouwwerken;
    3. bouwwerken geen gebouwen zijnde;
    4. teeltondersteunende voorzieningen.
4.5.2 Beoordelingsregels die voor alle bouwwerken gelden
  1. gebouwen worden uitsluitend opgericht binnen het bouwvlak;
  2. buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2 meter;
  3. per bouwvlak is ter plaatse van de aanduiding 'aantal bedrijfswoningen' ten hoogste het op de verbeelding aangegeven aantal bedrijfswoningen toegestaan;
  4. vervangende nieuwbouw van de (bedrijfs)woning, al dan niet in combinatie met vervanging van het overige deel van het hoofdgebouw waar de bedrijfswoning onderdeel van uitmaakt, is toegestaan binnen de bestaande fundamenten, tot een maximale inhoudsmaat van 750 m3 danwel overeenkomstig de bestaande (grotere) inhoud;
  5. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen de bestaande fundamenten van gebouwen;
  6. rijbakken zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan;
  7. vergroting van de bebouwing ten behoeve van een geiten- of schapenhouderij, welke op de peildatum 12 december 2009 aanwezig of in uitvoering was, is niet toegestaan;
  8. er mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van een doelmatig, reëel agrarisch bedrijf waarbij geldt dat overtollige of leegstaande bebouwing en reeds verstrekte vergunningen worden betrokken bij de beoordeling van de doelmatigheid en de noodzaak van de bebouwing.
4.5.3 Beoordelingsregels voor hoofdgebouwen
Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:
  1. bij de aanvraag voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen dient inzichtelijk te worden gemaakt dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd ten behoeve van deze functie. Voldoende parkeerplaatsen betekent dat wordt voldaan aan de normen in de gemeentelijke beleidsregels behorende bij de 'Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze', vastgesteld op 18 april 2024, of later te volgen rechtsopvolgers. De afmeting van een parkeerplaats dient tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang te zijn.
  2. het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning dan wel het gebruiken van een woning is uitsluitend onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 8 toegestaan waarbij tevens aan de Doelgroepenverordening gemeente Bernheze 2023 dient te worden getoetst.
  3. voor bedrijfsgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. goothoogte max. 6 m
    2. bouwhoohte max. 12 m
    3. afstand tot bestemming Verkeer min. 15 m
    4. afstand tot zijdelingse perceelsgrens min. 5 m
    5. afstand tot voorgevelrooilijn min. 2 m
  4. voor bedrijfswoningen inclusief aangebouwde bijgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. goothoogte max. 6 m
    2. bouwhoohte max. 10 m
    3. inhoud max. 750 m3
    4. afstand woning tot bedrijfsgebouwen min. 3 m
    5. afstand tot zijdelingse perceelsgrens min. 5 m
    6. afstand bijgebouwen tot voorgevelrooilijn min. 2 m
  5. een vergroting van maximaal 10% van de onder c t/m d genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen, percentages en afstandseisen is toegelaten, mits:
    1. dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid; en
    2. de toegestane maximale inhoudsmaat niet wordt overschreden; en
    3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      1. het straat- en bebouwingsbeeld;
      2. de milieusituatie;
      3. de verkeersveiligheid;
      4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      5. de sociale veiligheid;
      6. de externe veiligheid.
  6. geringe mate van afwijking van de onder c t/m d genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen, percentages en afstandseisen is toegelaten, mits deze noodzakelijk zijn in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
4.5.4 Beoordelingsregels voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning
Vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning voldoen aan de volgende kenmerken:
  1. goothoogte max. 3 m
  2. bouwhoohte max. 6 m
  3. afstand tot zijdelingse perceelsgrens min. 5 m
  4. gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen max. 100 m2
  5. afstand tot bedrijfswoning min. 3 m. en max. 20 m
  6. afstand bijgebouwen tot voorgevelrooilijn min. 2 m
  7. een vergroting van maximaal 10% van de onder a, b, c, e en f genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen, percentages en afstandseisen is toegelaten, mits:
    1. dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid; en
    2. de toegestane maximale inhoudsmaat niet wordt overschreden; en
    3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      1. het straat- en bebouwingsbeeld;
      2. de milieusituatie;
      3. de verkeersveiligheid;
      4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      5. de sociale veiligheid;
      6. de externe veiligheid.
  8. geringe mate van afwijking van de onder a t/m f genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen, percentages en afstandseisen is toegelaten, mits deze noodzakelijk zijn in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing.
 
4.5.5 Beoordelingsregels voor overige bouwwerken
Bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, sleufsilo's en teeltondersteunende voorzieningen voldoen aan de volgende kenmerken:
  1. de bouwhoogte van bouwwerken voor het verkrijgen van duurzame energie zoals zonnecollectoren en windturbines bedraagt maximaal 10 m;
  2. de bouwhoogte van sleufsilo's bedraagt maximaal 3 m;
  3. teeltondersteunende voorzieningen voldoen aan de volgende kenmerken:
    1. bouwhoogte overige teeltondersteunende voorzieningen max 4,5 m;
    2. bouwhoogte tijdelijke vraat- en hagelnetten en regenkappen max 4,5 m.
4.5.6 Beoordelingsregels bouwwerken geen gebouw zijnde
bouwwerken geen gebouw zijnde voldoen aan de volgende kenmerken:
  1. bouwhoogte erfafscheidingen max. 2 m., vóór de voorgevelrooilijn max. 1 m.
  2. carport/overkapping:
    1. bouwhoogte max. 3 m
    2. gezamenlijk oppervlakte max. 30 m2
    3. maximaal aantal: 2 
  3. bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 12 m.

4.6 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vergunningvoorschriften danwel maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de verkeersveiligheid;
  3. het woonmilieu van de omgeving, waaronder in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden.

4.7 Omgevingsplanactiviteit - binnenplans afwijken

4.7.1 Aanwijzing afwijkende bouwwerken
Een omgevingsvergunning is vereist voor de volgende activiteiten:
  1. het bouwen op een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens;
  2. het bouwen van een gezamenlijke oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning met een grotere oppervlakte dan 100 m²;
  3. voor het oprichten van gebouwen op een kleinere afstand tot de bestemming 'Verkeer',
  4. voor het oprichten van erfafscheidingen, waaronder mede worden begrepen terreinomheiningen en open hekwerken, buiten het bouwvlak tot een maximum hoogte van 2 m;
  5. voor het oprichten van vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning buiten de bestaande fundamenten;
  6. voor het oprichten van een rijbak t.b.v. hobbymatig gebruik met een maximale oppervlakte van 800 m².
  7. de uitoefening van verbrede landbouw, of recreatieve nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf').
  8. bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') de bestaande opstallen gebruiken voor de niet-agrarische nevenactiviteit in de vorm van inpandige statische opslag van caravans, boten en daarmee vergelijkbare objecten.
  9. de gronden bij een agrarisch bedrijf (functietype 'agrarisch bedrijf') gebruiken als kampeerterrein.
4.7.2 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken
  1. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.7.1 sub a (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
    2. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.
  2. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.7.1 sub b (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. in geval van sloop van overtollige bebouwing (overmaat) mag maximaal 75% van het te slopen oppervlak worden vervangen tot een maximum oppervlakte van 500 m². 
  3. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.7.1 sub c (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. er geen onevenredige aantasting is van de open structuur van de omgeving.
  4. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.7.1 sub d (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
    2. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast. 
  5. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.7.1 sub e (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. dit stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  6. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.7.1 sub f (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit bouwwerken) gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan achter de voorgevelrooilijn, aansluitend op het bouwvlak;
    2. de hoogte van de omheining maximaal 1,5 m mag bedragen;
    3. lichtmasten niet zijn toegestaan;
    4. de afstand tot de woningen op omliggende percelen minimaal 25 m bedraagt;
    5. de rijbak landschappelijk wordt ingepast; 
  7. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.7.1 sub g (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit) gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. de activiteit blijft ondergeschikt aan het bestaand gebruik van het perceel;
    2. de activiteit qua aard en omvang dient te passen bij de specifieke agrarische kwaliteit en schaal van de omgeving;
    3. de maximale oppervlakte voor de recreatieve nevenactiviteit niet groter mag zijn dan 500 m²;
    4. de activiteit niet mag leiden tot toename van bebouwing;
    5. de activiteit geen onevenredige (extra) hinder of belemmeringen mag veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
    6. de activiteit qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur;
    7. ondergeschikte en ondersteunende horeca is toegestaan, met een inpandige oppervlakte van maximaal 30 m2 en  een buitenpandige oppervlakte van maximaal 70 m2;
    8. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    9. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;
    10. sprake is van een goede ruimtelijke uitstraling;
  8. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.7.1 sub h (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit) gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. de opslag niet mag plaatsvinden in kassen;
    2. de vloeroppervlakte van de bestaande bebouwing welke wordt aangewend voor de nevenactiviteit niet meer mag bedragen dan 1000 m²;
    3. detailhandel ten behoeve van deze niet-agrarische nevenactiviteit niet is toegestaan;
  9. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 4.7.1 sub i (Aanwijzing omgevingsplanactiviteit) gelden de volgende beoordelingsregels;
    1. het maximaal 25 kampeerplaatsen betreft;
    2. kampeermiddelen tot maximaal 50 m. van de grens van het agrarisch bouwvlak geplaatst mogen worden;
    3. ten behoeve van het kampeerterrein geen extra bebouwing en/of verharding ten behoeve van het kleinschalig kamperen mag worden opgericht;
    4. de kleinschalige kampeerplaats zorgvuldig dient te worden ingepast in het landschap;
    5. geen onevenredige (extra) hinder of belemmeringen wordt veroorzaakt voor omliggende bedrijven of woningen;
    6. het kampeerterrein qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur;
    7. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    8. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;
    9. voor het kamperen geen stacaravans worden gebruikt;
    10. ondergeschikte en ondersteunende horeca is toegestaan, met een inpandige oppervlakte van maximaal 30 m2 en een buitenpandige oppervlakte van maximaal 70 m2;
    11. sanitaire voorzieningen zijn uitsluitend binnen bestaande bebouwing toegestaan.
  10. Een in lid 4.7.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    2. de verkeersveiligheid;
    3. het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
    4. de waterhuishoudkundige situatie.

Artikel 5 Groen

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Groen. 

5.2 Toedeling van functies aan locatie

Een als Groen aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. behoud en ontwikkeling van landschapselementen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in bijlage 1;
  2. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
  3. water en voorzieningen voor de waterhuishouding.

5.3 Gebruiksactiviteit - verboden

5.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 5.2 genoemde functies van de gronden.

5.4 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit - bouwwerken

5.4.1 Algemeen
Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
5.4.2 Beoordelingsregels bouwwerken geen gebouw zijnde
Bouwwerken geen gebouw zijnde voldoen aan de volgende kenmerken:
  1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m;
  2. de bouwhoogte van lichtmasten en kunstwerken bedraagt maximaal 6 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 3

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 3. 

6.2 Toedeling van functies aan locaties

Een als Waarde - Archeologie 3 aangewezen locatie heeft als functie het beschermen en veiligstellen van gronden van archeologische waarde en gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

6.3 Beoordelingsregels bouwwerken

De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken:
  1. voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.
  2. indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan de vergunningverlener één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  3. indien uit het in sub b genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in sub b genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Een omgevingsvergunning is vereist voor de volgende activiteiten:
  1. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  2. het bodemverlagen of afgraven van gronden;
  3. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld;
  4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  5. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  6. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
6.4.2 Uitzonderingen
De in lid 5.4.1 opgenomen vergunningsplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
  1. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 2.500 m2 en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld;
  3. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
  4. de werken en werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  5. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  6. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;
  7. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.
6.4.3 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

3 Algemene regels over functies

Artikel 7 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op en als dit nader is bepaald in afwijking van de regels in Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 8 Aanvraagvereisten

  1. de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. In het bijzonder geldt dat:
    1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden in dit plan; en
    2. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.
  2. in aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Artikel 9 Specifieke beoordelingsregels bouwen

Bij de beoordeling van het bepaalde ten aanzien van het bouwen in Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan worden buiten beschouwing gelaten:
  1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevelen kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

 

10.1 Parkeren

  1. er dient voldoende parkeergelegenheid voor auto's in stand gehouden te worden ten behoeve van deze functie als bedoeld in 4.1. Voldoende parkeerplaatsen betekent dat wordt voldaan aan de normen in de gemeentelijke beleidsregels behorende bij de 'Nota Parkeerbeleid gemeente Bernheze', vastgesteld op 18 april 2024, of later te volgen rechtsopvolgers;
  2. de afmeting van een parkeerplaats dient tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang te zijn.

10.2 Hemelwaterberging

Het gebruiken en/of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken binnen het plangebied is alleen toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden conform de uitgangspunten van hydrologisch neutraal bouwen:
  1. de ontwikkeling niet leidt tot een versnelde afvoer van het regenwater op het oppervlaktewater;
  2. de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit;
  3. de compensatie tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd wordt;
  4. de compensatie in de openbare ruimte tenminste 70 mm per m2 verharding bedraagt;
  5. de compensatie bij particuliere berging 20 mm per m² verharding bedraagt;
  6. de waterhuishoudkundige voorzieningen welke strekken tot de berging van het hemelwater als opgenomen in de omgevingsvergunning bouwen of de omgevingsvergunning werken en werkzaamheden danwel een voorziening die een daarmee vergelijkbaar resultaat bewerkstelligt, uiterlijk binnen één jaar na de bouw van het project wordt gerealiseerd en in stand gehouden.
 

10.3 Landschappelijke inpassing

Het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken binnen het plangebied is alleen toegestaan, mits voldaan wordt aan de voorwaarde dat de (landschappelijke) inrichting die is opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan, dat als bijlage 1 onderdeel uitmaakt van dit TAM-omgevingsplan geheel is uitgevoerd binnen twee jaar na realisatie van de bouwwerken en als zodanig in stand wordt gehouden.

10.4 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

10.5 milieuzone - boringsvrije zone

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone' zijn gronden mede bedoeld voor bescherming van de daarin aanwezige beschermde kleilaag. De regels ter bescherming van de boringsvrije zone, zoals vermeld in de Provinciale Milieuverordening zijn van toepassing.