| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22ab, Vlagheideweg 5 Vorstenbosch |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1721.TAM22ab-VG01 |
Voorliggend plan betreft een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Bernheze met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ten behoeve van de wijziging van het huidige bouwvlak.
In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Vanwege de eisen vanuit de Provinciale wetgeving dient de inrichting aan de Vlagheideweg 5 verder aangepast te worden. Om dit in het kader van milieu en dierenwelzijn duurzaam te kunnen doen, worden er oude stallen gesloopt en vervangen door twee grotere nieuwe stallen. Deze stallen zijn hetzelfde qua opzet als de laatst gebouwde stallen. Alle stallen zullen voorzien worden van de best beschikbare technieken.
Binnen de inrichting worden 7.620 gespeende biggen, 900 opfokzeugen en 2.964 vleesvarkens aangevraagd. Voor bouwen van de stallen (gedeeltelijk) buiten het bouwvlak is al een tijdelijke vergunning verleend.
Door het bouwvlak van vorm te veranderen vallen de stallen binnen het aangepaste bouwvlak. Hierbij wordt benadrukt dat het bouwvlak alleen van vorm veranderd en niet van grote. Het gaat hierbij dus niet om een vergroting van het bouwvlak.
De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege wordt gedaan met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren voor de fysieke leefomgeving.
De projectlocatie is gelegen aan de vlagheideweg 5 en ligt aan de noordkant van Vorstenbosch in het landelijk gebied van gemeente Bernheze. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Nistelrode, sectie K, nummer 517 In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordeningen) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de zogenaamde bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan.
Het voorheen geldende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 8 oktober 2014. Daarnaast geldt het bepaalde in het voormalige bestemmingsplan 'Vrijkomende Agrarische Bebouwing Bernheze 2018' dat op 18 april 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad.
Ter plaatse zijn de volgende functies van toepassing:
Uitsnede verbeelding geldend omgevingsplan van rechtswege.
Bron: Omgevingsloket
Ter plaatse is sprake van de nieuwbouw van nieuwe varkensstallen. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het bepaalde in het geldende omgevingsplan op de volgende punten:
Middels wijziging van het bestaande bouwvlak komen de stallen binnen het bouwvlak te liggen. Het bouwvlak wordt hiermee niet vergoot, de omvang blijft hetzelfde.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Bernheze.
De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische bedrijven en dan voornamelijk intensieve veehouderijen. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.
In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen.
Op de locatie is momenteel een varkenshouderij gevestigd. Ter plaatse worden 6432 vleesvarkens en 1040 gespeende biggen gehouden, verdeeld over 4 stallen.
Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 1,72 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de drie oostelijk gelegen stallen te saneren en twee nieuwe stallen te realiseren. De bouw van de nieuwe stallen zijn noodzakelijk om te voldoen aan het provinciaal milieubeleid. Hierin worden duurzaamheidseisen gesteld en met de nieuwe stallen kan door de nieuwste technieken worden voldaan aan het Brabants beleid.
Er is sprake van de bouw van twee nieuwe stallen ter plaatse van de sloop van de oude stallen, dit is middels een tijdelijke vergunning vergund. Er wordt nu slechts vormverandering van het bouwvlak aangevraagd. Hierbij is geen sprake van een vergroting van het bouwvlak ten opzicht van de huidige situatie.
Er zal geen sprake zijn van wijzigingen aan de infrastructuur en/of de vorm van bedrijvigheid op het bedrijf. Aan de uiterlijke verschijningsvorm van het bedrijf zal daarmee niets wijzigen.
In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen.
Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.
Ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en in de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.
Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: hv8
Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting.
Hiermee wordt ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing.
De gemeente Bernheze sluit voor ruimtelijke ontwikkelingen aan bij de regionale uitgangspunten voor toepassen kwaliteitsverbetering van het landschap Noord-Brabant. Daarin wordt onderscheid gemaakt in een drietal categorieën, namelijk:
Om te bepalen in welke categorie een owntikkeling valt is het van belang te kijken naar de impact van de ontwikkeling op het landschap. Het gaat daarbij om de balans tussen de ontwikkeling en de tegenprestatie die daarvoor wordt geleverd. Tevens wordt daarbij gekeken of een ontwikkeling passend is in het gebied en de omgeving. De gemeente Bernheze sluit zich aan bij het regionale Afsprakenkader kwaliteitsverbetering landschap. Gezien het feit dat het bij de voorgenomen ontwikkeling gaat over de vormverandering van het bouwvlak, is er sprake van een categorie 2 ontwikkeling. Bij een ontwikkeling in categorie 2 volstaat een goede landschappelijke inpassing. Gezien het voorgaande wordt met de opgestelde landschappelijke inpassing voor dit initiatief voldaan aan de regionale uitgangspunten voor toepassing van kwaliteitsverbetering van het landschap Noord-Brabant.
In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de voorbereiding op het TAM-omgevingsplan dat nodig is om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen in de procedure al zijn gezet ter voorbereiding van het TAM-omgevingsplan.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet al uitvoerig overleg met de gemeente plaatsgevonden. De gemeente Bernheze heeft hierbij aangegeven in principe medewerking te willen verlenen voor de voorgenomen ontwikkeling. Hiervoor is eerst een tijdelijke vergunning aangevraagd en vergund. Deze tijdelijk afwijking wordt door middel van het wijzigen van de vorm van het bouwvlak, definitief vastgelegd.
Gedurende de procedure voor de herziening van het destijds geldende bestemmingsplan is gebleken dat door de beoordeling van de stukken en de lange proceduretijd de termijn van het in procedure brengen van het plan onder het voormalige recht (de Wet ruimtelijke ordening) niet haalbaar was. Derhalve is met de gemeente in overleg getreden over de te volgen procedure onder de Omgevingswet. Omdat ter plaatse de functie en het bouwvlak gewijzigd dienen te worden kan de voorgenomen ontwikkeling formeel niet met een buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA) mogelijk worden gemaakt. Daarom is in feite een wijziging van het omgevingsplan nodig. Omdat de gemeente Bernheze nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld kan het omgevingsplan nog niet worden gewijzigd. Wel is sprake van een "omgevingsplan van rechtswege" dat wel kan worden gewijzigd. In zorgvuldig overleg met de gemeente kan dit met toepassing van een zogenaamde tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), waarbij het TAM-omgevingsplan wordt voorbereid in afstemming op de systematiek van de Omgevingswet, maar nog wordt gepubliceerd onder de voorheen gebruikte technieken vanuit de Wet ruimtelijke ordening.
Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met de ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling.
Voorafgaand aan deze procedure is een omgevingsdialoog gevoerd. Hiervoor heeft de initiatiefnemer de omwonenden op de hoogte gebracht van onderhavig initiatief. Uit de reacties zijn geen bezwaren naar voren gekomen. Men ziet de voordelen van de ontwikkeling en is meedenkend. Hiervoor wordt verwezen naar bijlage 3.
Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de visie voor de lange termijn van de Rijksoverheid op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de duurzame leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen.
Een van de belangrijkste uitgangspunten uit de NOVI is de nieuwe aanpak voor (ruimtelijke) vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Deze nieuwe aanpak richt zich op het uitgangspunt om te werken met een integrale aanpak in plaats van verschillende vraagstukken sectoraal op te pakken. Om te komen tot deze integrale aanpak omschrijft de NOVI vier thema's welke prioriteit hebben:
Vanuit de NOVI geeft de Rijksoverheid kaders en richting voor de nationale belangen, maar legt de verantwoordelijkheid voor het behalen van de doelstellingen bij alle partijen samen. Gemeenten krijgen meer verantwoordelijkheden en meer mogelijkheden om eigen beleid te maken binnen de kaders die de Rijksoverheid biedt. Vanuit de Rijksoverheid wordt gestreefd naar de regie op de samenwerking tussen de verschillende partijen en op het bewaken van de nationale belangen.
De Rijksoverheid streeft naar een zogenaamd "omgevingsinclusief" beleid. Daarbij staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal. Om ruimtelijke vraagstukken integraal te kunnen afwegen werkt de NOVI met drie afwegingsprincipes. Deze principes ondersteunen bij het maken van de juiste belangenafweging. Het gaat om de volgende drie principes:
Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van de Rijksoverheid niet worden tegengewerkt wordt de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten gegeven en is er geen sprake van een ontwikkeling in strijd met de NOVI.
Het initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen gevolgen voor de nationale belangen die zijn opgenomen in de NOVI en werkt de ambities van de Rijksoverheid niet tegen. Het initiatief is daarom niet in strijd met de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid.
Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden. Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen.
Het Bkl bestaat uit instructieregels (voor programma's, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten), omgevingswaarden, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Provincies, gemeenten en waterschappen dienen de regels uit het Bkl door te vertalen in hun beleid. Een verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt dan ook plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente.
In het Bkl is verder de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit houdt in dat wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de betreffende ontwikkeling.
De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Het initiatief voorziet niet in de ontwikkeling van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en/of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Een verdere afweging van de (kwalitatieve en kwantitatieve) behoefte is daarmee dan ook niet nodig.
De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, een nieuwe Omgevingsvisie opgesteld waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar zijn wel de basis van het ruimtelijke beleid.
De omgevingsvisie gaat over twee vragen:
De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.
De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.
Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.
Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.
Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.
Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.
Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:
Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.
In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en dat rekening wordt gehouden met klimaatsveranderingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt slechts de vorm van het bouwvlak gewijzigd.
Ten slotte is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 2 van deze toelichting), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
Op 5 december 2023 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld met toepassing van een tijdelijeke algemene maatregel (TAM). Daarmee hebben zij de omgevingsverordening, zoals eerder vastgesteld op 11 maart 2022, in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet. Voor publicatie in het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) heeft de provincie per 1 januari 2024, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant gepubliceerd. Daarin wordt voor de actuele regels en geometrie verwezen naar de TAM-Omgevingsverordening. Voor toetsing aan de regels van het provinciale beleid is daarom de TAM-versie van de Omgevingsverordenig leidend.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het bouwvlak gewijzigd, zonder dat deze wordt vergroot.
Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'diep grondwaterlichaam', 'geen attentiezone waterhuishouding', 'aardkundige waarden', 'landelijk gebied', 'beperking grootschalige logistiek', 'stalderingsgebied', 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied' en 'aardkundige waarden'.
Gebieden 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied':
Voor gebieden met de aanduiding 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied' gelden aanvullende regels voor regionale wateren. Daarvan is bij de voorgenomen geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn.
Gebieden 'diep grondwaterlichaam':
Voor gebieden met de aanduiding 'diep grondwaterlichaam' geldt een verbod op het uitvoeren van onconventionele winning van koolwaterstoffen. Ook daarvan is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden eveneens niet van toepassing zijn.
Gebied 'geen attentiezone waterhuishouding':
Voor deze gebieden zijn in de verordening geen aanvullende regels opgenomen.
Gebied 'beperking grootschalige logistiek':
Voor gebieden met de aanduiding 'beperking grootschalige logistiek' gelden aanvullende regels voor grootschalige logistiek. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van grootschalige logistiek, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Gebied 'aardkundige waarden':
Deze aanduiding ligt slechts op een klein gedeelte van de locatie, te weten de hoek van het perceel waar de bedrijfswoning is gelegen. Ter plaatse van dit gebied vinden er geen wijzigingen plaats waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Binnen het stalderingsgebied gelden aanvullende regels voor een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is hier sprake van, er wordt namelijk uitgebreid met stallen met een oppervlakte van maximaal 3.000 m2 voor het houden van varkens:
"Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen:
Lid 1
Een omgevingsplan ter plaatse van Stalderingsgebied bepaalt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren alleen is toegestaan als bewijs is overgelegd dat:
Lid 2
Bij het bepalen van de oppervlakte op te richten of te saneren dierenverblijf, tellen de inpandige voorzieningen van een dierenverblijf mee.
Lid 3
Het bewijs dat aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens Gedeputeerde Staten."
Ten behoeve van de tijdelijke vergunning is eerder binnen hetzelfde stalderingsgebied 3.600 m2 staloppervlak gesaneerd. Hiervoor is namens de provincie een voorlopig stalderingsbewijs afgegeven (zie bijlage 4). Hiermee wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden horende bij artikel 5.66.
Binnen het landelijk gebied gelden specifieke regels voor bepaalde ontwikkelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van vormverandering van het bouwvlak ten behoeve van een veehouderij. Hiervoor dient er getoetst te worden aan de volgende artikelen:
"Artikel 5.63 Veehouderij in Landelijk gebied
Lid 1
Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan op een bestaand bouwperceel voorzien in de ontwikkeling van een veehouderij, als:
Lid 2
Een veehouderij treft voldoende maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als bedoeld in het eerste lid, onder a, als is voldaan aan de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij.
Lid 3
In afwijking van het eerste lid, onder e, kan een omgevingsplan voorzien in mestbehandeling van elders geproduceerde mest in de vorm van mestvergisting tot ten hoogste 25.000 m3 mest per jaar als:
"Artikel 5.64 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf:
Lid 1
Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied bepaalt voor een veehouderij dat:
Lid 2
Er is sprake van maatregelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1, die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij."
Naast de specifieke voorwaarden voor veehouderijen in het landelijk gebied, gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen:
" Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Lid 1
Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een
veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.
Lid 2
Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan:
Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen in de genoemde artikelen (5.8, 5.9 en 5.10).
Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen:
" Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:
Lid 2
Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden."
Ad artikel 5.8, lid 1, sub a:
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een vormverandering van het bouwvlak. Er is sprake van een reeds bestaand bouwperceel en dat bouwperceel wordt niet uitgebreid, slechts van vorm veranderd. Hierdoor kan de bebouwing die nu tijdelijk vergund is buiten het bouwvlak, worden gevestigd binnen het aangepaste bouwvlak. De (fysieke) ruimtebeslag blijft onveranderd. Op basis van het begrip "bouwperceel" wordt uitgegeaan van het bouwvlak en de omliggende gronden waarop bebouwing is toegestaan. Omdat er een tijdelijke vergunning is voor de realisaite van (een deel van) de stal buiten het bouwvlak mag op die plek, buiten het bouwvlak, worden gebouwd en hoort dit dus feitelijk bij het bouwperceel zoals wordt bedoeld. Formeel gezien wordt alleen het bouwvlak, en niet ook het bouwperceel, van vorm veranderd.
Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.
Ad artikel 5.8, lid 1, sub b:
Zoals reeds omschreven in het voorgaande is sprake van een ontwikkeling binnen het bestaand ruimtebeslag. De aanwezige ruimte wordt maximaal benut en niet voor de hand liggende plekken binnen het huidige bouwvlak vervalt de bebouwingsmogelijkheid.
Er is daarmee een afweging gemaakt van intensivering en/of meervoudig ruimtegebruik.
Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.
Ad artikel 5.8, lid 1, sub c:
Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 4.1.2) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.
Ad artikel 5.8, lid 1, sub d:
Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Het bouwvlak wordt van vorm veranderd zodat alle bebouwing hier binnen komt te liggen. Daarbij is gekozen voor een meer compact bouwvlak, zodat sprake is van een meer compacte inrichting van het erf en er geen sprake zal zijn van te veel verspreid liggende bebouwing op het erf.
Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.
Ad artikel 5.8, lid 1, sub e:
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een splitsing van het bouwperceel. Er is sprake van één bedrijf op één bouwperceel en dit zal zo blijven.
Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.
Ad artikel 5.8, lid 2:
Er is sprake van een ontwikkeling binnen bestaand ruimtebeslag. Een uitbreiding van het ruimtebeslag is daarmee niet noodzakelijk. De bepalingen uit het tweede lid zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.
Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen:
" Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering
Lid 1
Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:
Lid 2
Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:
Lid 3
Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de
lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste
ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en
toekomstbestendigheid."
Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijke) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.
Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen:
" Artikel 5.10 Meerwaardecreatie
Lid 1
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:
Lid 2
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering
landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie."
Zoals gesteld kan de fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.11 deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In artikel 5.11 is het volgende opgenomen:
" Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap
Lid 1
Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat
die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het
gebied of de omgeving.
Lid 2
Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door:
Lid 3
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten:
Lid 4
Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in
een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in
het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken."
Met de vormverandering van het bouwvlak ter plaatse wordt een compactere vorm en inrichting van het erf geborgd. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 5.11 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie.
Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
Op 7 maart 2024 is de omgevingsvisie van de gemeente Bernheze vastgesteld.
In de visie wordt onderscheid gemaakt tussen drie deelgebieden met voor elk van deze gebieden een eigen ontwikkelingsperspectief. Deze gebieden zijn als volgt in de visie omschreven:
" Drie deelgebieden met drie ontwikkelperspectieven
De visie maakt onderscheid in drie deelgebieden.
De locatie is gelegen in het Dekzandgebied. Dit gebied is aangemerkt als 'ruimte voor intensieve grootschalige (voedsel)productie', zie ook onderstaande uitsnede uit de ontwerp-omgevingsvisie.
Uitsnede Omgevingsvisie
Bron: Ontwerp-omgevingsvisie Bernheze
Het voorgenomen initiatief om de drie oostelijk gelegen stallen te saneren en twee nieuwe stallen te bouwen, sluit naadloos aan op de omgevingsvisie van de gemeente Bernheze. Het project anticipeert op de specifieke doelstellingen van de omgevingsvisie, met een sterke nadruk op innovatie, duurzaamheid en dierenwelzijn, wat benadrukt wordt in de behaalde resultaat van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore (BZV, zie bijlage ).
De nieuwe stallen zijn ontworpen en worden geïmplementeerd met het oog op vitale en duurzame landbouw die voldoet aan de meest recente eisen met betrekking tot ammoniakemissie, dierenwelzijn en duurzaamheid. Allereerst wordt bij de stalindeling rekening gehouden met het welzijn van de dieren, waarbij er onder andere voldoende ruimte en comfort wordt geboden. het gebruik van duurzame materialen in de bouw draagt bij aan een duurzame benadering. In het kader van duurzaamheid en een gezonde leefomgeving worden geavanceerde technieken geïntrigeerd, waaronder een luchtwasser, waarmee emissies zoals ammoniak en fijnstof verminderd worden. deze technologie draagt niet alleen bij aan de naleving van de normen, maar toont ook inzet voor een gezoner leefklimaat voor zowel dieren als omwonenden.
Wat betreft dierenwelzijn gaat het initiatief verder dan de minimale eisen, waarbij extra certificaten zijn behaald zoals de Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV). Dit omvat bijvoorbeeld maatregelen zoals verrijkte stalomgevingen en zorgvuldig beheerde licht- en temperatuurcondities om het welzijn van de dieren te optimaliseren.
Hoewel een beperkte toename van geur mogelijk is, worden geurbeperkende maatregelen strikt geïntegreerd om de impact op de omgeving tot een minimum te beperken, zoals blijkt uit de geurberekeningen. De locatie is gelegen op > 625 meter van de dichtstbijzijnde burgerwoning.
De combinatie van deze specifieke maatregelen op het gebied van dierenwelzijn en duurzaamheid, samen met de naleving van Brabantse Zorgvuldigheidsscore en aanvullende certificeringen, maakt het voorgenomen initiatief niet alleen passend bij de omgevingsvisie, maar ook een voorbeeld voor veehouderijen binnen de regio Bernheze.
In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie "Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet" met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden. Er wordt daarbij vooral ingegaan op "Geluid door activiteiten" en "Geur", uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is.
In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde "geluidruimte zones" en "geurruimte zones" opgenomen. Binnen deze zones zijn in de publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige gebouwen die binnen de "geluidruimte zone" en "geurruimte zone" van die activiteit gelegen zijn. De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader.
In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als "rustige woonwijk/rustig buitengebied" en gebieden die zijn aan te merken als "gemengd gebied". Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten.
De locatie is gelegen in een gebied dat niet kan worden gezien als een "gemengd gebied". Daarom wordt het gebied waarin de locatie is gelegen aangemerkt als "rustige woonwijk" of "rustig buitengebied".
Het initiatief betreft een varkenshouderij, vanuit de tabel met activiteiten van de VNG valt deze activiteit onder geluidruimte zone 2 en onder geurruimte zone 3. Omdat de locatie in een "rustige woonwijk/rustig buitengebied" is gelegen is de geluidruimte zone 50 meter en de geurruimte zone 100 meter groot. Uit de publicatie volgt dat deze handreiking niet van toepassing is op geur die wordt veroorzaakt door agrarische activiteiten in het buitengebied. Dit is reeds op een andere wijze afdoende gereguleerd, dit komt naar voren in paragraaf 5.1.2.
Wanneer binnen deze afstanden van de locatie voor geluid en/of geur gevoelige gebouwen zijn gelegen dan moet worden gekeken of met de activiteit aan de maximale waarden voor geur en geluid kan worden voldaan.
Het dichtstbijzijnd gevoelig object bevindt zich op een afstand van ongeveer 110 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak(dit is ook direct de maximaal planologische situatie)), te weten de bedrijfswoning aan de Vlagheideweg 6. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat binnen de geluidruimtezone en de geurruimte zone van het bedrijf geen gevoelige gebouwen zijn gelegen.
Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan gevoelige gebouwen in de omgeving dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige gebouwen een aanvaardbare omgevingskwaliteit op het gebied van geur kan worden geborgd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig gebouw. Er is daarmee geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.
Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.
De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geur hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Om aan te tonen of aan de normen voor geur uit het geldende omgevingsplan kan worden voldaan is een geurberekening gemaakt ten behoeve van de aanvraag voor de tijdelijke vergunning (zie bijlagen 6, 7, 8 en 9). Daarmee is een verdere toetsing aan het woon- en leefklimaat ten aanzien van geur niet noodzakelijk.
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen onevenredige hinder aan gevoelige gebouwen in de omgeving veroorzaken.
De gemeente Bernheze heeft de normen voor geur vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Deze verordening valt onder de zogenaamde "bruidsschat" en daarmee onder het "omgevingsplan van rechtswege". In de VFL zijn normen opgenomen voor verschillende deelgebieden. De locatie is gelegen in het deelgebied "extensiveringsgebied kernen, extensiveringsgebied natuur, woon-werk ontwikkelingsgebieden", waarvoor een geurnorm geldt op geurgevoelige gebouwen van 8 odeurunits per kubieke meter lucht (ouE/m³).
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig gebouw. Er is daarmee geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.
Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.
Gemeenten moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten:
Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied.
Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de ontwikkeling van een intensieve veehouderij waarbij het bouwvlak van vorm verandert.
De locatie is wel in een aangewezen aandachtsgebied gelegen. Voor bedrijven is het van belang om te onderzoeken of deze kunnen leiden tot een verhoging van de concentratie binnen de aandachtsgebieden. Indien sprake is van een zogenaamde NIBM ontwikkeling dan is geen nadere toetsing nodig. De NIBM-regels gelden niet altijd voor veehouderijen. Enkele plekken zijn uitgezonderd van de NIBM-regels. Daar is de fijnstofconcentratie (PM10) hoog, vooral als gevolg van de intensieve veehouderij. Het gaat om de aandachtsgebieden. De uitbreiding of bouw van een veestal kan op deze locaties leiden tot (dreigende) overschrijdingen van een rijksomgevingswaarde voor PM10. Dit kan ook als de toename niet in betekenende mate is. Daarom moet getoetst worden of de rijksomgevingswaarden voor PM10 overschreden worden of de rijksomgevingswaarden voor PM10 overschreden worden, ook als de toename NIBM is. Deze toets aan de rijksomgevingswaarden is nodig voor veehouderijen in de aandachtsgebieden, mits ze jaarlijks meer dan 800 kg PM10 uitstoten.
In de huidige situatie is er sprake van vergunde situatie van 994.230 gram fijnstof per jaar. In de beoogde situatie zal deze fijnstofemissie ongeveer halveren naar 444.912 gram fijnstof per jaar. Door de enorme afname van fijnstofemissie zal de concentratie fijnstof naar de omgeving ook sterk afnemen. Er is dan ook geen negatief effect op luchtkwaliteit te verwachten.
Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.
In onderhavig geval is sprake van alreeds vergunde tijdelijke vergunning voor de realisatie van de twee nieuwe stallen en de verandering van dierenaantallen. De verkeerbewegingen die hierbij horen zijn hiermee ook al vergund en veranderen ten opzichte hiervan niet.
Figuur: Lichte en zware verkeersbewegingen
Bron: DLV Advies
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen nieuwe gevoelig object gebouwen. Er is daarmee geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.
Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.
Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Omgevingswet bevat geen concreet toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Wel dient sprake te zijn van een gezonde leefomgeving.
Mensen kunnen in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht.
Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht.
Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de gemeentelijke verordening fysieke leefomgeving (VFL) en de bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een varkenshouderij. Rondom bepaalde vormen van veehouderij, waaronder varkenshouderij, lopen onderzoeken naar de mogelijke effecten op de volksgezondheid. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de beoordeling uitvoert, dan wel dat een GGD-advies wenselijk wordt geacht. Dit stappenplan is voor het voorgenomen initiatief al doorlopen ten behoeve van de m.e.r.-aanmeldnotitie. Daarop is ook een m.e.r. besluit genomen waaruit de volgende conclusie volgt: "Op grond van toetsing aan de Handreiking is geen sprake van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Er is daarom geen reden om de GGD om advies te vragen."
Hiermee zijn met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen ten aanzien van de handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2.0.
Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 2.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkens- en pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 1.000 meter.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het houden van varkens. Binnen 200 meter van de locatie is alleen de bedrijfswoning van de Vlagheideweg 6 gelegen. Echter is ook in het m.e.r. besluit aangetoond dat er geen sprake is van een verhoogd risico ten aanzien van volksgezondheid in realtie tot de varkenshouderij.
Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen nieuwe gevoelig object gebouwen. Er is daarmee geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.
Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van geiten. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige gebouwen.
Er is daarmee bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van geitenhouderijen.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen nieuwe gevoelig object gebouwen. Er is daarmee geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.
Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan.
De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
In het geldende omgevingsplan zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek wordt gevraagd. Dit betreffende volgende activiteiten:
Bij het initiatief wordt slechts het bouwvlak gewijzigd. Voor de activiteiten die plaats vinden op de locatie is eerder al een tijdelijke vergunning verleend op basis van een akoestisch onderzoek. Dit akoestisch ondezoek is opgenomen in bijlage 11.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen nieuwe gevoelig object gebouwen. Er is daarmee geen sprake van een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.
Daarmee worden op de locatie geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de verschillende aspecten op het gebied van geluid.
Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Externe veiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.
Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over externe veiligheid. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van externe veiligheid wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico:
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, mits goed gemotiveerd, van afwijken.
De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed gemotiveerd, maatwerk toepassen.
Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen.
Groepsrisico:
Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.
De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor externe veiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het voormalige Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van vormverandering van het bouwvlak van een intensieve veehouderij. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet aan te merken als een risicovolle inrichting.
Verder dient te worden onderzocht of nabij de locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle inrichtingen en transportroutes zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende figuur is een uitsnede uit deze kaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle activiteiten nabij de locatie zijn opgenomen.
Uitsnede Risicokaart.
Bron: Atlas van de Leefomgeving
Op de eigen locatie zijn twee propaantanks aanwezig met bijbehorende risico-contouren. Met het initiatief (het orichten van de twee stallen) is sprake van het oprichten en/of wijzigen van beperkte kwetsbare gebouwen conform bijlage VI van het BKL. De wijziging zorgt echter niet voor een verandering van het risicoprofiel. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL).
Nabij de locatie zijn, zoals te zien in de voorgaande figuur, geen risicovolle inrichtingen gelegen. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting gelegen.
Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen.
Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied dient een aanvullende afweging te worden gemaakt ten aanzien van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen.
De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtszones is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd.
Ook de aandachtsgebieden zijn geïnventariseerd en in beeld gebracht in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Zoals te zien in de uitsnede van deze kaart, zoals is opgenomen in de paragraaf "Plaatsgebonden risico" (paragraaf 5.1.6.1), is de locatie niet binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden gelegen.
Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van het groepsrisico.
Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is een belangrijk uitganspunt het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en aantastingen. Daarnaast is een afweging nodig van de balans tussen milieu- en gezondheidsrisico's enerzijds en maatschappelijk gewenste activiteiten anderzijds wanneer sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit.
Gemeenten dienen hiervoor regels in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving inzake bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
De gemeente Bernheze heeft ter voorbereiding op het omgevingsplan aanvullende regels voor bodem vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Deze verordening valt onder de zogenaamde "bruidsschat" en daarmee onder het "omgevingsplan van rechtswege". In de VFL zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt vanuit de VFL een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem.
Binnen de inrichting zijn de volgende bodembedreigende activiteiten reeds vergund of gemeld:
Met de voorgenomen ontwikkeling veranderen bovenstaande bodembedreigende activiteiten niet. Daarnaast vindt ter plaatse van de gebruikslocatie geen wijziging plaats naar een bodemgevoelige functie. Ook vinden er geen wijzigingen plaats in het kader van bedrijvigheid.
De activiteiten die plaats gaan vinden binnen de inrichting zijn reeds voor het grootste gedeelte vergund. Er heeft een vooronderzoek (NEN 5725) plaatsgevonden, de resultaten van dit onderzoek zijn als volgt:
"Op basis van het historisch onderzoek wordt de onderzoekslocatie in principe als verdacht beschouwd voor bodemverontreiniging met asbest ter plaatse van de voormalige druppelzones. De bovengrond ter plaatse is echter allemaal verwijderd tijdens de sloop van de stallen met onderkeldering. De druppelzones zijn derhalve niet meer aanwezig. Hiermee is de verdachtheid van de locatie komen te vervallen.
Op basis van het bovenstaande wordt de onderzoekslocatie derhalve als onverdacht beschouwd met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Vervolgonderzoek wordt derhalve niet zinvol geacht."
Het gehele rapport is terug te vinden in bijlage 12.
Daarmee zal de kwaliteit van de bodem en van het grondwater geschikt zijn voor de gewenste activiteiten en is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende afgewogen.
In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige gebouwen alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan.
Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige gebouwen is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige gebouwen. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend.
Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang:
Gemeenten dienen in het omgevingsplan voorwaarden op te nemen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Vanuit de Omgevingswet kunnen daarbij geen generieke spuitzones worden aangewezen. Wel kan voor specifieke combinaties van gebruikte middelen en een bepaalde teelt spuitzones worden aangewezen. Een gemeente kan in het omgevingsplan wel aanvullende regels opnemen zoals bijvoorbeeld een verplichting tot het aanbrengen van een groenblijvende haag tussen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en een gevoelig gebouw.
De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor gewasbeschermingsmiddelen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
In de zogenaamde "bruidsschat" zijn geen aanvullende regels opgenomen over gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen dient de afweging plaats te vinden op basis van de huidige inzichten.
Nabij de locatie is sprake van akkerbouw en mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Echter worden er met de voorgenomen ontwikkeling geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. In zowel de huidige als toekomstige situatie is sprake van een bedrijf met bedrijfswoning. De bedrijfswoning is gevoelig in het kader van gewasbeschermingsmiddelen. Het planvoornemen wijzigt de bedrijfswoning en haar tuin niet. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.
De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld.
Nabij de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.
Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.
Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.
Het initiatief maakt slechts de vormverandering van een bouwvlak mogelijk. Daarbij worden activiteiten uitgevoerd die zijn opgenomen in de lijst uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er zullen echter geen activiteiten worden uitgevoerd waarvoor direct een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage gelden. Wel is sprake van een activiteit waarvoor vanuit de lijst een beoordelingsplicht geldt.
Omdat sprake is van activiteiten waarvoor de beoordelingsplicht geldt dient te worden beoordeeld of de activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Om dit in beeld te brengen is voor het initiatief een aanmeldingsnotitie opgesteld. Daarin zijn de verschillende mogelijke effecten op het milieu zorgvuldig afgewogen. Voor de volledige aanmeldnotitie wordt verwezen naar bijlage 10 van deze toelichting. Op basis van deze aanmeldingsnotitie heeft de gemeente Bernheze op 8 augustus 2023 besloten dat geen aanvullende milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld.
Het TAM-Omgevingsplan is een kaderstellend plan voor de besluitvorming over een mer-beoordelingsplichtig project (namelijk besluitvorming over de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit) en is daarmee plan-mer-plichtig. Echter, omdat sprake is van een klein lokaal project, op een klein gebied waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (opgesteld aan de hand van de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn).
Daarmee zijn de milieueffecten voldoende afgewogen en is geen sprake van een initiatief dat zal leiden tot aanzienlijke milieueffecten.
De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden valt daarmee onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen op in de eigen omgevingsvisie. Daarnaast kunnen provincies nadere regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan.
Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij eveneens het Natuurnetwerk Nederland beschermd dient te worden.
Om de natuur te beschermen, geeft de Rijksoverheid regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Zoals de specifieke zorgplicht en een informatieplicht bij ongewone voorvallen. Ook kan een vergunningplicht gelden.
Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn.
Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt wel eens de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd.
Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Wanneer een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig.
Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant.
Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Vlijmens Ven) is gelegen op een afstand van ongeveer 16 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand zijn nadelige gevolgen als de uitstraling van licht, geluid en/of trillingen uit te sluiten. Deze zullen in de betreffende gebieden op een dergelijke afstand immers niet merkbaar zijn. Wel kunnen mogelijk nadelige gevolgen optreden als gevolg van de depositie (neerslag) van stikstof in de betreffende gebieden.
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wijzigt slechts de vorm van het bouwvlak. Hierdoor is er geen sprake van wijzigingen in stikstofemissies ten opzichte van vergunde situatie. De Aerius berekeningen van deze situatie is opgenomen in bijlage 13, bijlage 14 en bijlage 15. Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.4.2) niet onevenredig toenemen. Er is daarmee geen sprake van een toenemende emissie van stikstof bij de voorgenomen ontwikkeling. Daarmee zal de depositie van stikstof in de betreffende gebieden niet toenemen.
Voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling is een Aerius berekenig gemaakt om te bekijken wat de effecten zijn van de aanlegfase. Deze berekening is opgenomen in bijlage 16.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.
De Omgevingswet geeft regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand.
In feite gelden de regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen.
Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden als uitzondering vanuit het Bal.
Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels vanuit de Omgevingswet over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
In de Omgevingswet worden regels gesteld voor de bescherming van flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd.
Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wijzigt alleen het bouwvlak van vorm. Er worden geen gebouwen opgericht op gesloopt. Op basis hiervan zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna.
Omdat de natuur vanuit de Omgevingswet deel uitmaakt van de fysieke leefomgeving en voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden een algemene zorgplicht geldt dient ook voor gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming.
Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.
Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.
Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.
Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. Provincies stellen daarbij zelf regels op ter bescherming van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en heeft ten behoeve van het behoud en de bescherming van deze gebieden specifieke regels vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordening.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 100 meter.
Uitsnede kaart NNN.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
Het NNN heeft geen externe werking. De regels die worden gesteld ter bescherming van het NNN hebben daarom alleen betrekking op ontwikkelingen die in het gebied plaatsvinden. Echter kan een ruimtelijke ontwikkeling, wanneer deze binnen 250 meter van een NNN gebied plaatsvindt, mogelijk effecten hebben op deze gebieden. Het gaat daarbij dan voornamelijk om licht, geluid en fijnstof.
Omdat de locatie binnen 250 meter van het provinciaal NNB gebied is gelegen moet worden aangetoond dat de uitstraling van licht, de uitstraling van geluid en de emissie van fijnstof vanuit de locatie niet zal leiden tot een aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden. Als sprake is van een mogelijke aantasting dan moeten de nadelige effecten op de ecologische waarden en kenmerken worden gecompenseerd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een vormverandering van het bouwvlak. Door de wijziging van vorm komt het bouwvlak verder van het NNN gebied af te liggen. Op het gebied van licht, geluid en ammoniak vinden er geen wijzigingen plaats ten opzichte van de vergunde tijdelijke vergunning.
Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. het gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen.
De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Daarbij wordt de zorg voor cultureel erfgoed en voor cultuurgoederen in bezit van de overheid gereguleerd in de Erfgoedwet en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Onder het cultureel erfgoed wordt onder andere verstaan de archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden.
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.
In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. Daarom zal de gemeente de vrijstelling ook met archeologisch-inhoudelijke redenen moeten onderbouwen.
Gemeenten nemen deze vrijstellingsgrenzen in het omgevingsplan op, afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor archeologisch onderzoek hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
De gemeente Bernheze heeft nadere regels voor archeologie vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Deze verordening valt onder de zogenaamde "bruidsschat" en daarmee onder het "omgevingsplan van rechtswege". In de VFL is een verbod opgenomen om de bodem te verstoren ter plaatse van een archeologisch monument of in een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht.
Om te bepalen of sprake is van een gebied waarin archeologische vondsten kunnen worden verwacht heeft de gemeente in het voormalige bestemmingsplan "Buitengebied", dat deel uitmaakt van het "omgevingsplan van rechtswege" verwachtingswaarden opgenomen voor archeologie. Het aangepaste bouwvlak komt niet op gronden te liggen met een archeologische verwachtingswaarde, zie ook onderstaand figuur.
Uitsnede Omgevingsplan
Bron: DSO
De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige effecten hebben op archeologische monumenten en/of op gebieden met archeologische verwachtingswaarde.
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.
De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Het initiatief zal dan ook niet leiden tot een mogelijke aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.
Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
Zoals te zien op de bovenstaande afbeelding is de locatie gedeeltelijk gelegen in het gebied was aangeduid als aardkundig waardevol gebied. Dit betreft echter het gebied waar de bedrijfswoning is gelegen. Op deze plek vinden geen wijzigingen plaats.
Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen aardkundige waarden worden geschaad.
Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Vlagheideweg. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.
Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee is geen sprake van aantasting van de bestaande infrastructuur.
In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt.
De gemeente Bernheze heeft in haar parkeernota het parkeerbeleid vastgesteld. In het parkeerbeleid is aangegeven dat CROW publicatie wordt gevolgd en dat voor het buitengebied het gemiddelde wordt aangehouden van het minimum en maximum van het aantal parkeerplaatsen.
Voor een intensieve varkenshouderij specifiek zijn geen parkeernormen opgenomen in de CROW publicatie. De categorie bedrijf arbeidsextensief en bezoekersexentief sluit het beste aan. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,05 parkeerplaats per 100 m2 bvo. In totaal is er sprake van 935 m2 toename in stal oppvervlak. Dit komt neer op een toename van (afgerond) 10 parkeerplekken. In de praktijk is echter geen behoefte aan dit aantal (extra) parkeerplaatsen. Vrachtwagens die langskomen, komen slechts langs om te laden en te lossen en hebben geen parkeerplaats nodig. De overige bezoekers/adviseurs etc. blijven gelijk aan de huidige situatie. Hierdoor is er geen sprake van een toegenomen parkeerbehoefte.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een varkenshouderij. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet wijzigen.
Er is sprake van de volgende verkeersbewegingen per etmaal:
Deze bewegingen zijn toe te bedelen aan de volgende activiteiten:
Aanvoer:
Afvoer:
Het zwaardere verkeer ontsluit via de nistelrodesedijk om vervolgens via de oprit van de A50 de snelweg te betreden.
Gezien het aantal verkeersbewegingen niet zal wijzigen zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.
Het watersysteem is een essentieel onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het bescheremen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater.
Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang cnetraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moet gemeente rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor de gevolgen voor het beheer van watersystemen.
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken.
De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas. Daarmee is het waterschap Aa en Maas de waterbheerder diet de gemeente de opvattingen van het waterschap bij het opstellen van het omgevingsplan te betrekken.
Gemeenten en provincies dienen omgevingsvisies op te stellen voor het eigen grondgebied. Waterschappen stellen zelf geen omgevingsvisie op. Ze hebben wel beleidsdoelen. Het is de bedoeling dat ze hun beleid inbrengen als provincies hun omgevingsvisies opstellen. Het waterschap kan als waterbeheerder zijn ambities en beleidskeuzes wel in een visie of ander beleidsdocument aangeven. Daarnaast stelt het waterschap een waterschapsverordening vast. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied.
Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024:
Met de invoering van de Omgevingswet is het beleid zoals is opgenomen in de Waterschapsverordening Aa en Maas 2024 in werking getreden. De waterschapsverordening bevat aanvullende bepalingen voor wateractiviteiten in het belang van:
Verder zijn in de waterschapsverordening aanvullende regels opgenomen voor activiteiten in de aangewezen beperkingsgebieden en zijn gevallen aangewezen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist.
In de waterschapsverordening is een verbod opgenomen voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam en voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam. Voor de afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater is hiervoor een aantal uitzonderingen opgenomen. Het betreffende verbod geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m³ water per uur wordt geloosd en/of voor het afvoeren van hemelwater van verhard oppervlak naar het oppervlaktewater als:
De rekenregel voor het afvoeren van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak bij een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is daarbij als volgt:
"benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> (normwaarde in geo-object) x 0,06 (in m)"
Waterbeheerplan:
Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s:
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur:
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
Legger:
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gbeied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur
De keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Bij de voorgenomen activiteit is sprake van het bouwen van twee nieuwe varkensstallen. Door de realisatie van de twee nieuwe varkensstallen is er sprake van een toename van verhard oppervlak. Echter leidt het plan niet tot een toename van meer dan 500 m2 aan verhard oppervlak.
Het beleid van Waterschap Aa en Maas zegt het volgende:
''Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m², of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast. Bij een toename van minder dan 500 m² is geen extra compensatie nodig.''
Daarnaast heeft de gmeente Bernheze het programma Water en Riolering genaamd 'Zonder water geen later' vooor 2024 t/m 2027 vastgesteld. Hierin zijn spcifieke regels opgenomen voor hemelwater bij nieuwbouw.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt slechts het bouwvlak gewijzigd, hierdoor is er geen sprake van toename van verhard oppervlak. Met de tijdelijke vergunning zijn hiervoor al compenserende maatregelen getroffen. Voor een toename van 935 m2 gold een compenserende waterberging van 19 m3.
Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.
Tevens is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het dempen van watergangen en/of het aanbregen van dammen of duikers in de watergangen. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
Aan de noord- en oostzijde van de locatie is een A-watergang gelegen, zie onderstaand figuur. Voor A-watergangen geldt een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden van de sloot. Binnen de beschermingszone van de A-watergang vinden geen werkzaamheden plaats.
Uitsnede leggerkaart Waterschap Aa en Maas
Bron: Waterschap Aa en Maas
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:
De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op duurzame wijze ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (voor het bijdragen aan de energiedoelstellingen) en klimaatadaptatie.
Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het van belang te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar wordt gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten.
Gemeenten kunnen in de regels van het omgevingsplan vastleggen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij kunnen bijvoorbeeld regels worden opgenomen over het bergen van water, het natuurinclusief bouwen of het voorkomen van hittestress door hittebestendig te bouwen. Daarnaast kan een gemeente in het omgevingsplan omgevingswaarden vastleggen. Dit is een norm die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving (of een deel daarvan) vastlegt als beleidsdoel. Dit kunnen duidelijk meetbare doelen zijn, zoals bijvoorbeeld dat er binnen een bepaalde termijn een bepaald aantal windmolens en/of een bepaald aantal hectare aan zonnepanelen gerealiseerd moet zijn.
De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor duurzaamheid zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.
De gemeente Bernheze heeft nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid vastgelegd in een voorheen geldend bestemmingsplan of in een specifieke verordening. Ook in de gemeentelijke Verordening Fysieke Leefomgeving zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met duurzaamheid en duurzaam ontwikkelen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bouwvlak van vorm gewijzigd. Op deze manier wordt een situatie waar een tijdelijke vergunning voor is verleend, definitief gemaakt. Zodoende wordt er ingezet op een toekomstbestendige en daarmee duurzame bedrijfsvoering. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van het ruimtebeslag.
Er is daarmee sprake van een duurzame ontwikkeling.
De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om de kosten te verhalen op de initiatiefnemers.
De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen.
De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag.
Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan). Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst (zoals bedoeld in artikel 13.13 Ow) gesloten. Het is daardoor niet noodzakelijk om kostenverhaalsregels op te stellen. Het verhaal van kosten is anderszins verzekerd.
Ingeval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakende besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende schade leiden. De gemeente verhaalt de kosten die zij hiervoor maakt middels de hiervoor genoemde anterieure overeenkomst. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd (zoals bedoeld in artikel 13.3C Ow).
Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Staat een schadeoorzaak niet in artikel 15.1 dan is voor taken en bevoegdheden van de Omgevingswet ook de Awb-regeling niet mogelijk. Schadeoorzaken zijn bijvoorbeeld:
Als een omgevingsplan regelt dat voor een activiteit een omgevingsvergunning nodig is, is niet het omgevingsplan de schadeoorzaak. Dat is in die situatie de omgevingsvergunning.
Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Bernheze met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM).
Gemeenten stellen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan normaal gesproken op volgens de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met bijhorende toepassingsprofielen (TPOD). De TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. De TAM moet voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.
In de tijdelijke situatie worden met de voormalige techniek (voormalige planapplicaties) via de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro)-standaard (IMRO-standaard) wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekendgemaakt (conform inhoudelijke eisen Omgevingswet). In deze situatie vindt bekendmaking niet plaats via publicatie naar de LVBB, maar op de huidige gebruikelijke wijze. Dit betekent dat het vaststellingsbesluit via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad wordt gepubliceerd, en het met IMRO vormgegeven plandeel op ruimtelijkeplannen.nl. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen. Dit tijdelijke alternatief wordt aangeduid als de TAM-IMRO.
De wijziging van een omgevingsplan met de TAM vindt plaats in een aantal fasen. Deze zijn als volgt:
Voorbereiding:
Tijdens de voorbereiding wordt de opdracht tot wijziging vastgesteld, afstemming georganiseerd en andere input opgehaald. Op basis hiervan worden de uitgangspunten voor het ontwerpbesluit van de omgevingsplanwijziging opgesteld.
Ontwerpen:
In de fase ontwerpen wordt op basis van de uitgangspunten uit de voorbereiding het ontwerpbesluit opgesteld. Tegelijkertijd worden de daarmee corresponderende (toepasbare) regels opgesteld of gewijzigd.
Besluiten:
Bij het besluiten wordt de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgevoerd en wordt het besluit vastgesteld.
Bekendmaking:
Bij de bekendmaking wordt het besluit gepubliceerd en worden belanghebbenden geïnformeerd. De noodzakelijk toepasbare regels worden aangeleverd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Rechtsbescherming:
In de fase rechtsbescherming kunnen belanghebbenden tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Met het doorlopen van de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel, waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij participatie heeft plaatsgevonden en waarbij wordt bijgedragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet, wordt de voorgenomen ontwikkeling maatschappelijk uitvoerbaar geacht.
Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. Bebouwing oprichten buiten het bestaande bouwvlak op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied Bernheze', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.
Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22ab van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 1 - algemene bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels aaleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling van de vormverandering van het bouwvlak. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsscat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdleen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbaplingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.
Hoofdstuk 2 - functies en activiteiten
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig voorbeeld-TAM-omgevingsplan voor de vormverandering van het bouwvlak is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan gemeente Bernheze (bestemmingsplan Buitengebied Bernheze). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.
Hoofdstuk 4: Overgangsrecht
In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht.
Echter, in onderhavig voorbeeld TAM-omgevingsplan wordt een bestaande functie wegbestemd (agrarisch zonder bouwvlak), waarvoor agrarisch met bouwvlak in de plaats komt. Daarom zijn er overgangsrechtelijke bepalingen kopgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.
Bijlagen bij de regels
Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan is er wel een bijlage opgenomen bij de regels.
Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies alszijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.
VERBEELDING
Bij het nemen van een besluit op een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan gelden in ieder geval de volgende criteria:
Redenen voor de gemeente om het omgevingsplan niet te wijzigen zijn dan bijvoorbeeld:
De aanvrager dient bij zijn aanvraag de gegevens aan te leveren die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en die hij redelijkerwijs kan krijgen. De gemeente Bernheze mag besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aangeleverde stukken (ook na aanvulling) onvoldoende zijn. Zie de artikelen 3:10, derde lid, 4:2, tweede lid en 4:5 en Awb.
De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. Uit artikel 1.2 van de Omgevingswet volgt welke activiteiten in elk geval tot de fysieke leefomgeving behoren.
Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waarop de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren.
De gemeente Bernheze beoordeelt aan de hand van de gegevens of er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie hoofdstuk 6).
Gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving is er voor de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Bernheze waarmee dit initiatief wordt mogelijk gemaakt sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De conclusie is dat alles overwegende de ontwikkeling aanvaardbaar is.
Vóór 2032 moet dit TAM-IMRO omgevingsplan worden omgezet naar het integrale omgevingsplan in STOP. Voor het omzetten moet een wijzigingsbesluit in STOP worden genomen. Het ministerie van BZK heeft de intentie uitgesproken om in de wet- en regelgeving vast te leggen dat regels in het STOP omgevingsplan die inhoudelijk gelijk zijn aan het TAM-IMRO plan niet opnieuw appellabel worden bij het overbrengen.