direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, Dopheiweg 1 HD
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Bernheze met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ten behoeve van de beëindiging van de intensieve veehouderij aan de Dopheiweg 1 te Heeswijk-Dinther en deze om te schakelen naar een niet agrarisch bedrijf voor het uitvoeren van statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf.

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Ontwikkelingen in de agrarische sector volgen elkaar in hoog tempo op. Met name in de (intensieve) veehouderij sector worden de eisen die aan de bedrijven worden gesteld door steeds strenger wordende wet- en regelgeving steeds strenger. Er moeten door veehouders daardoor vaak forse investeringen worden gedaan om aan deze strenge eisen te kunnen voldoen. Voor de initiatiefnemer is het niet langer wenselijk en rendabel gebleken deze investeringen in het bedrijf te blijven doen, waardoor deze de intensieve veehouderij wenst te beëindigen. Om op de locatie te kunnen blijven voorzien in voldoende inkomsten dient aan de locatie echter een nieuwe invulling te worden gegeven.

De initiatiefnemer ziet in de omgeving een groeiende vraag naar ruimte voor opslag. Hier wil de initiatiefnemer aan tegemoet komen door een deel van de bestaande bedrijfsgebouwen in te zetten voor opslagruimtes. Het gaat daarbij om het verhuren van ruimte voor opslaan/stallen van onder meer statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf. Hiermee wordt goed ingespeeld op de vraag naar opslagruimte in de omgeving en ontstaat voor de initiatiefnemer een nieuwe, passende bron van inkomsten.

Reeds zijn door gemeente Bernheze vergunningen verleend om de opslag in de loodsen te kunnen realiseren. Er is een tijdelijke vergunning voor de realisatie van de landbouwloodsen verleend. Hiermee wordt de uitvoering van de gewenste activiteiten in de te bouwen loodsen, zijnde statische opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, tijdelijk vergund. Ook is er een vergunning verleend voor tijdelijk gebruik in strijd met het omgevingsplan van rechtswege voor een kleinschalig aannemersbedrijf, waarbij de activiteiten vooral bestaan uit opslag van bedrijfsmaterialen en verreikers in één van de vergunde bedrijfsgebouwen, zijnde een loods van ongeveer 1.000 m². Daarmee kan de initiatiefnemer voorzien in voldoende neveninkomsten om alsnog een rendabel en volwaardig bedrijf uit te voeren.

Vanuit het geldende omgevingsplan van rechtswege is aan de locatie echter een agrarische functie toegekend die het mogelijk maakt een intensieve veehouderij uit te voeren. Het is vanuit de regels van het geldende omgevingsplan niet mogelijk om binnen de agrarische functie de gewenste activiteiten uit te voeren. De gewenste ontwikkeling past daarmee niet binnen het bepaalde in het geldende omgevingsplan. Het is voor de initiatiefnemer wenselijk de tijdelijk vergunde activiteiten vast te leggen in een passende functie op de locatie.

Voor de gewenste functie is daarnaast een wijziging (en verkleining) van het bouwvlak wenselijk.

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege wordt gedaan met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren voor de fysieke leefomgeving.

1.2 Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Dopheiweg 1 te Heeswijk-Dinther en ligt aan de noordkant van Heeswijk-Dinther in het landelijk gebied van gemeente Bernheze. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Heeswijk, sectie D, nummers 606,1813,1951 en 1952. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3 Geldende omgevingsplan

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordeningen) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de zogenaamde bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan.

Het voorheen geldende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 8 oktober 2014. Daarnaast geldt het bepaalde in het voormalige bestemmingsplan 'Vrijkomende Agrarische Bebouwing Bernheze 2018' dat op 18 april 2019 is vastgesteld door de gemeenteraad.

Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de functie 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden' en de functie 'Waarde - Archeologie 3' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'intensieve veehouderij', 'maximum aantal bedrijfswoningen - 1' en 'milieuzone - boringsvrije zone' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0002.png"

Uitsnede verbeelding geldend omgevingsplan van rechtswege.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

Vanuit het voormalige bestemmingsplan zijn ter plaatse van de agrarische functie uitsluitend agrarische (bedrijfs)activiteiten toegestaan. De gewenste bedrijvigheid, zijnde statische opslag en een kleinschalig aannemersbedrijf, betreft niet langer agrarische bedrijvigheid en past derhalve niet binnen de agrarische functie.

Daarnaast is voor de gewenste functie een wijziging (en verkleining) van het huidige bouwvlak wenselijk.

De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen de bepalingen uit het geldende omgevingsplan van rechtswege. Om deze reden is het noodzakelijk het omgevingsplan van rechtswege gedeeltelijk te herzien. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren ten aanzien van de fysieke leefomgeving. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op het gebied van de fysieke leefomgeving.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de voorbereiding en participatie van het plan. Hierbij is beschreven welke stappen zijn gezet tijdens de voorbereiding van het plan en op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op beleidsmatige afweging. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van de Rijksoverheid, de provincie en de gemeente.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de toetsing van het plan aan de mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Bernheze.

De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden met her en der enkele bosschages. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde verkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.

In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. Op grotere afstand van de locatie zijn enkele bosschages gelegen die als bosgebied zijn bestemd.

Op de locatie is momenteel een agrarische intensieve veehouderij gevestigd, zijnde een pluimveehouderij. Ter plaatse mogen volgens de vigerende vergunning 30.900 scharrelkippen of 16.500 (groot)ouderdieren voor slachtkuikens aanwezig zijn. Deze dieren werden gehuisvest in de ter plaatse voorheen aanwezige stallen. De voormalige stallen (van ongeveer 3.350 m²) zijn inmiddels in zijn geheel gesloopt.

In het kader van de op handen zijnde bedrijfsbeëindiging heeft de initiatiefnemer, omdat ruimtelijke procedures voor de wijziging van een omgevingsplan vaak erg lang duren, vast een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het voormalige bestemmingsplan aangevraagd om in een nog nieuw te bouwen loods een kleinschalig aannemersbedrijf (voornamelijk voor de opslag van bedrijfsmaterialen en verreikers) uit te voeren. Deze tijdelijke omgevingsvergunning is inmiddels verleend. De loods van ongeveer 1.000 m², waarvoor eveneens reeds een vergunning is verkregen, is inmiddels deels gebouwd ter plaatse van een deel van de reeds gesloopte pluimveestallen.

Daarnaast heeft de initiatiefnemer een aanvullende omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het voormalige bestemmingsplan aangevraagd voor het uitvoeren van statische opslag in twee nog te bouwen landbouwloodsen. Ook deze tijdelijke vergunning is inmiddels verleend. De nieuwe te bouwen loodsen, in totaal ongeveer 1.550 m², zullen in plaats van de reeds gesloopte pluimveestallen worden gebouwd.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0,87 hectare groot. In de volgende figuur is een situatieschets opgenomen van de vergunde (huidige) situatie. De volledige situatietekening op schaal is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0003.png"

Situatietekening huidige vergunde situatie ter plaatse.
Bron: DLV Advies.

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer heeft twee tijdelijke omgevingsvergunningen verkregen voor het uitvoeren van niet-agrarische activiteiten in de vorm van statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf in de deels nog te bouwen loodsen ter plaatse van de reeds gesloopte pluimveestallen. De vergunde activiteiten zijn niet-agrarisch van aard en zijn middels een tijdelijke omgevingsvergunning ter plaatse toegestaan voor een periode van maximaal 10 jaar. De initiatiefnemer is echter niet voornemens om de agrarische bedrijfsvoering nog langer uit te voeren en/of weer op te gaan starten en wenst de tijdelijk vergunde situatie goed vast te leggen in een concreet omgevingsplan. De tijdelijke vergunningen zijn in feite alleen aangevraagd om vast te kunnen starten met de gewenste activiteiten, omdat anders, gezien de lange tijd die procedures voor het wijzigen van de functie vergen, over een te lange periode niet voldoende inkomsten uit de locatie zouden kunnen worden verkregen. Om de vergunde activiteiten in overeenstemming te brengen met het omgevingsplan is het noodzakelijk het geldende omgevingsplan van rechtswege te wijzigen met toepassing van de tijdelijke algemene maatregel (TAM).

Daarnaast is voor de gewenste functie en situering van de bedrijfsgebouwen een wijziging van het bouwvlak wenselijk. Het bouwvlak zal daarbij niet worden vergroot, maar verkleind tot een passende omvang bij de gewenste situering van de gebouwen en voorzieningen op het erf. Daarbij zal het bouwvlak worden verkleind tot een oppervlakte van ongeveer 0,77 hectare.

Het kleinschalige aannemersbedrijf zal plaatsvinden in een loods van ongeveer 1.000 m². Deze is deels gerealiseerd ter plaatse van een deel van de reeds gesloopte pluimveestallen. De reguliere statische opslag zal plaatsvinden in twee loodsen met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 1.550 m². Ook deze worden gerealiseerd ter plaatse van de reeds gesloopte pluimveestallen. Ten slotte zal achter de bedrijfswoning een bedrijfsgebouw worden opgericht met een oppervlakte van ongeveer 94 m². Dit bedrijfsgebouw zal worden voorzien van een kantoor en een kantine voor het bedrijf.

De initiatiefnemer wenst te voorzien in een ruimer bijgebouw bij de woning. Momenteel is er sprake van een bijgebouw van ongeveer 50 m². Daarbij is het de wens van de initiatiefnemer te voorzien in een bijgebouw bij de woning van maximaal 250 m². Een deel van de reeds gesloopte bebouwing is daarbij ingezet voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning volgens de zogenaamde sloop-bonus regeling van de gemeente Bernheze.

In de volgende figuur is een situatieschets opgenomen van de gewenste situatie. De volledige situatietekening op schaal is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0004.png"

Tekening gewenste situatie ter plaatse.
Bron: DLV Advies.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en in de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0005.png"

Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: h8 Ontwerpbureau.

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting.

Aan de oostzijde van het perceel is gekozen om meer ruimte te houden tussen de landschappelijke inpassing en de bedrijfsgebouwen. Dit is gedaan om de bomen in de landschappelijke inpassing aan die zijde meer ruimte te geven om te groeien. Als deze aan die kant dichterbij de bedrijfsgebouwen zouden komen te staan dan belemmeren zij de inval van zonlicht op de zonnepanelen. Aan de westzijde van het perceel kunnen de bomen wel dichterbij de bedrijfsgebouwen worden aangelegd, omdat aan die kant van de bedrijfsgebouwen geen zonnepanelen worden gelegd die kunnen worden belemmerd.

De gemeente Bernheze sluit voor ruimtelijke ontwikkelingen aan bij de regionale uitgangspunten voor toepassen kwaliteitsverbetering van het landschap Noord-Brabant. Daarin wordt onderscheid gemaakt in een drietal categorieën, namelijk:

  • Categorie 1: Deze initiatieven hebben geen impact op de omgeving, of leiden op zichzelf al tot een versterking van het landschap. Geen aanvullende inspanning vereist.
  • Categorie 2: een relatief kleinschalige ontwikkeling met een beperkte impact op de omgeving. Tegenover deze ontwikkeling dient een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer te staan.
  • Categorie 3: Deze initiatieven zijn van relatief grote omvang en hebben een grote impact op de omgeving en het landschap. Tegenover deze ontwikkelingen dient een berekende kwaliteitsverbetering te staan; daarbij wordt uitgegaan van een bijdrage van minimaal 20% van de winst die wordt behaald met de functiewijziging (waarde functie plan minus waarde functie nu). Een aanpak waarbij altijd een goede landschappelijke inpassing wordt gevraagd, aangevuld met een berekening op basis van een beargumenteerd vast bedrag per m² en eventuele andere aanvullende maatregelen zoals een sloopverplichting, wordt gezien als gelijkwaardig. Hierover maken gemeente en provincie afspraken.

Om te bepalen in welke categorie een ontwikkeling valt is het van belang te kijken naar de impact van de ontwikkeling op het landschap. Het gaat daarbij om de balans tussen de ontwikkeling en de tegenprestatie die daarvoor wordt geleverd. Tevens wordt daarbij gekeken of een ontwikkeling passend is in het gebied en de omgeving.

In beginsel past de omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf minder goed in het agrarisch landschap. Echter is de locatie gelegen in een gebied waarin reeds een transformatie heeft plaatsgevonden van overwegend agrarisch gebied naar een meer gemengd gebied, waarin verschillende functies naast elkaar voorkomen. In de directe omgeving van de locatie zijn twee agrarische bedrijven, een recreatief bedrijf, een bedrijf voor detailhandel en een burgerwoning gelegen. Er is daarmee niet langer sprake van een overwegend agrarisch gebied, waardoor de ontwikkeling aansluit bij de transformatie die al gaande is in het gebied en het gemengde karakter daarvan. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die passend is in de directe omgeving en het gebied waarin de locatie is gelegen.

Het bedrijf heeft reeds geruime tijd de positie in het landschap die het nu heeft. Het bouwvlak zal met de gewenste ontwikkeling niet worden uitgebreid, maar worden verkleind, waarmee het maximale ruimtebeslag op de locatie niet zal toenemen, maar juist zal afnemen. Dit betekent dat de ontwikkeling niet zal leiden tot een toenemende impact op het landschap. Daarnaast zal het bebouwde oppervlak afnemen. De voormalige pluimveestallen (ongeveer 3.350 m²) zijn in zijn geheel gesloopt. In plaats daarvan wordt ongeveer 2.644 m² aan nieuwe bedrijfsbebouwing opgericht. De bebouwde oppervlakte neemt daarmee met ongeveer 706 m² af. Tevens wordt voorzien in een duurzame, bij de omgeving passende bedrijfsbebouwing welke voor wat betreft uitstraling en kwaliteit aansluit bij de bebouwing in de omgeving. De impact die het voorgenomen initiatief heeft op het landschap is daarmee (zeer) beperkt.

Gezien de beperkte impact van het initiatief op het landschap en het feit dat de ontwikkeling passend is in het gebied en de omgeving waarin de locatie is gelegen is de voorgenomen ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling in categorie 2. Dit is door de gemeente bevestigd. Dit houdt in dat voor het gewenste initiatief een goede landschappelijke inpassing dient plaats te vinden op basis van een goedgekeurd landschapsplan.

Zoals reeds omschreven in het voorgaande in deze paragraaf is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld door een landschapsdeskundige. Daarin is, naast de indeling van de landschappelijke elementen, opgenomen op welke manier de uitvoering en het onderhoud van de landschappelijke elementen wordt geborgd. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling wordt daarmee voorzien in een goede landschappelijke inpassing op basis van een landschapsplan, waarmee wordt voldaan aan de kwaliteitsverbetering die wordt gevraagd bij ontwikkelingen in categorie 2.

De provincie Noord-Brabant vindt echter dat de voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een ontwikkeling in categorie 3 omdat het agrarisch bedrijf wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf, zonder vergroting van het bouwvlak en dit in de lijst is opgenomen bij categorie 3. Bij een ontwikkeling in categorie 3 is naast een goede landschappelijke inpassing een aanvullende investering in de ruimtelijke kwaliteit nodig. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een berekening gemaakt waarin de waardestijging van de locatie is berekend en waarin is berekend hoeveel moet worden bijgedragen en hoeveel wordt/is geïnvesteerd.

Volgens de uitgevoerde berekening, welke is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting, blijkt dat er een investering van minimaal € 34.155,- moet worden gedaan.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn alle voormalige pluimveestallen, ongeveer 3.350 m², gesloopt. Echter worden ook nieuwe bedrijfsgebouwen teruggebouwd. De oppervlakte van de nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen, ongeveer 2.644 m², bedraagt echter minder dan de oppervlakte aan de te slopen bedrijfsgebouwen. Het deel dat wordt gesloopt en niet wordt teruggebouwd, nog ongeveer 706 m², mag worden meegerekend als kwaliteitsverbetering. Daarvoor mag voor de sloop van bedrijfsbebouwing een bedrag van € 44,- per te slopen m² worden gerekend. De gesloopte stallen waren voorzien van asbest dat op de juiste wijze is gesaneerd. Daarmee wordt met de sloop van de extra bedrijfsbebouwing een investering gedaan van € 26.928,- gedaan. In de regels behorende bij dit plan is het aantal m² aan bedrijfsgebouwen vastgelegd, waarmee is geborgd dat de gesloopte bebouwing welke niet wordt terug gebouwd en welke is meegerekend voor kwaliteitsverbetering ook op langere termijn niet kan worden terug gebouwd.

Daarnaast wordt met het initiatief voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. De aanleg en het beheer en onderhoud (voor een periode van 6 jaar) mag eveneens worden meegerekend als investering in de ruimtelijke kwaliteit. De landschapsdeskundige die het landschappelijk inrichtingsplan heeft opgericht heeft daarbij een berekening gemaakt van de investering die met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt behaald. Deze berekening is opgenomen in het landschappelijk inrichtingsplan, zoals is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting. Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt een investering van € 7.312,88 gedaan.

In totaal wordt daarmee een investering van € 34.240,88 gedaan in de ruimtelijke kwaliteit.

Met het initiatief wordt daarmee voldoende geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit, waarmee aan de eisen voor een ontwikkeling in categorie 3 wordt voldaan.

Gezien het voorgaande wordt voldaan aan de regionale uitgangspunten voor toepassing van kwaliteitsverbetering van het landschap Noord-Brabant.

Hoofdstuk 3 Voorbereiding en participatie

In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de voorbereiding op het TAM-omgevingsplan dat nodig is om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen in de procedure al zijn gezet ter voorbereiding van het TAM-omgevingsplan.

3.1 Vooroverleg met de gemeente

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet al uitvoerig overleg met de gemeente plaatsgevonden. De gemeente Bernheze ziet het belang van het saneren van de intensieve veehouderij op de locatie en de meerwaarde die dit biedt voor de verbetering van de fysieke leefomgeving. De gemeente is derhalve voornemens mee te werken aan het voorgenomen initiatief.

Omdat het traject voor het wijzigen van de functie op de locatie al in gang is gezet voor de inwerkingtreding van de Omgevingwet is in de eerste instantie ingestoken op een partiële herziening van het destijds geldende bestemmingsplan. Omdat dergelijke procedures echter erg lang kunnen duren heeft de initiatiefnemer vooruitlopend op deze procedure alvast een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het destijds geldende bestemmingsplan aangevraagd en verleend om de realisatie van de landbouwloodsen en het gebruik daarvan voor statische opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven mogelijk te maken. Daarnaast is eveneens een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het destijds geldende bestemmingsplan aangevraagd en verleend voor een kleinschalig aannemersbedrijf in één van de vergunde bedrijfsgebouwen, zijnde een loods van ongeveer 1.000 m².

De gewenste uit te voeren activiteiten zijn daarmee reeds vergund en toegestaan op de locatie. De initiatiefnemer wil de reeds tijdelijk vergunde activiteiten vast te leggen in een definitief plan. Derhalve is destijds gekozen om het voorheen geldend bestemmingsplan te herzien.

Gedurende de procedure voor de herziening van het destijds geldende bestemmingsplan is gebleken dat door de beoordeling van de stukken en de lange proceduretijd de termijn van het in procedure brengen van het plan onder het voormalige recht (de Wet ruimtelijke ordening) niet haalbaar was. Derhalve is met de gemeente in overleg getreden over de te volgen procedure onder de Omgevingswet. Omdat ter plaatse de functie en het bouwvlak gewijzigd dienen te worden kan de voorgenomen ontwikkeling formeel niet met een buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA) mogelijk worden gemaakt. Daarom is in feite een wijziging van het omgevingsplan nodig. Omdat de gemeente Bernheze nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld kan het omgevingsplan nog niet worden gewijzigd. Wel is sprake van een "omgevingsplan van rechtswege" dat wel kan worden gewijzigd. In zorgvuldig overleg met de gemeente kan dit met toepassing van een zogenaamde tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), waarbij het TAM-omgevingsplan wordt voorbereid in afstemming op de systematiek van de Omgevingswet, maar nog wordt gepubliceerd onder de voorheen gebruikte technieken vanuit de Wet ruimtelijke ordening.

Het voorliggende document betreft de toelichting van het TAM-omgevingsplan, waarin het voorgenomen initiatief op de verschillende van belang zijnde aspecten is getoetst en afgewogen om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.2 Participatie

Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met die ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling.

Voorafgaand aan deze procedure is er een omgevingsdialoog gevoerd. Hiervoor heeft initiatiefnemer omwonenden mondeling op de hoogte gebracht van onderhavig plan. Uit de gevoerde gesprekken is het beeld gekomen dat de omwonenden geen bezwaar hebben tegen het voorliggende plan en zij zelfs de voordelen zien van de nieuwe situatie. Van de dialoog is een verslag gemaakt. Dit is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. Vanuit privacy-overwegingen zijn de persoonsgegevens in dit verslag onherkenbaar gemaakt.

Hoofdstuk 4 Beleidsmatige afweging

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de visie voor de lange termijn van de Rijksoverheid op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de duurzame leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen.

Een van de belangrijkste uitgangspunten uit de NOVI is de nieuwe aanpak voor (ruimtelijke) vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Deze nieuwe aanpak richt zich op het uitgangspunt om te werken met een integrale aanpak in plaats van verschillende vraagstukken sectoraal op te pakken. Om te komen tot deze integrale aanpak omschrijft de NOVI vier thema's welke prioriteit hebben:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • Sterke en gezonde steden en regio's.
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Vanuit de NOVI geeft de Rijksoverheid kaders en richting voor de nationale belangen, maar legt de verantwoordelijkheid voor het behalen van de doelstellingen bij alle partijen samen. Gemeenten krijgen meer verantwoordelijkheden en meer mogelijkheden om eigen beleid te maken binnen de kaders die de Rijksoverheid biedt. Vanuit de Rijksoverheid wordt gestreefd naar de regie op de samenwerking tussen de verschillende partijen en op het bewaken van de nationale belangen.

De Rijksoverheid streeft naar een zogenaamd "omgevingsinclusief" beleid. Daarbij staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal. Om ruimtelijke vraagstukken integraal te kunnen afwegen werkt de NOVI met drie afwegingsprincipes. Deze principes ondersteunen bij het maken van de juiste belangenafweging. Het gaat om de volgende drie principes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • Afwentelen wordt voorkomen.

Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van de Rijksoverheid niet worden tegengewerkt wordt de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten gegeven en is er geen sprake van een ontwikkeling in strijd met de NOVI.

Het initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen gevolgen voor de nationale belangen die zijn opgenomen in de NOVI en werkt de ambities van de Rijksoverheid niet tegen. Het initiatief is daarom niet in strijd met de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid.

4.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden. Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen.

Het Bkl bestaat uit instructieregels (voor programma's, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten), omgevingswaarden, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Provincies, gemeenten en waterschappen dienen de regels uit het Bkl door te vertalen in hun beleid. Een verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt dan ook plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente.

In het Bkl is verder de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit houdt in dat wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling er een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de betreffende ontwikkeling.

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van een niet-agrarisch bedrijf. Daarbij is het de vraag of dit kan worden gezien als een nieuw bedrijventerrein. Daarbij is vooral de omvang van het terrein en de aard van het gebied waarin het terrein is gelegen van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een solitair bedrijf in het landelijk gebied. Omdat sprake is van een solitair bedrijf is er geen sprake van een bedrijventerrein. Er is immers geen sprake van een terrein waarop zich meerdere, al dan niet aaneengesloten, bedrijven kunnen vestigen. Tevens worden de mogelijke bedrijfsactiviteiten die ter plaatse mogen worden uitgevoerd beperkt tot statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf. Er worden daarmee niet dezelfde ruime mogelijkheden geboden als op een bedrijventerrein.

De locatie is daarnaast gelegen in het landelijk gebied en niet aansluitend aan een bestaand bedrijventerrein. De locatie is ook niet gelegen aansluitend aan het stedelijk gebied of in een gebied waarin een verdere verstedelijking zal gaan plaatsvinden. Het betreft daarmee een solitair bedrijf in het landelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling is, gezien de omvang van de ontwikkeling en de aard van het gebied waarin de locatie is gelegen, niet aan te merken als een ontwikkeling van een bedrijventerrein, waarmee geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, een nieuwe Omgevingsvisie opgesteld waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar zijn wel de basis van het ruimtelijke beleid.

De omgevingsvisie gaat over twee vragen:

  • Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien?
  • Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken?

De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • Werken aan de slimme netwerkstad;
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.

In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en dat rekening wordt gehouden met klimaatsveranderingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Met het beëindigen van de intensieve veehouderij komen de emissies vanuit het bedrijf vrijwel geheel te vervallen. Daarmee zal de milieuhinder aan de omgeving aanzienlijk afnemen, waarmee de kwaliteit van de leefomgeving in de omgeving (aanzienlijk) zal verbeteren. Een kleinschalig bedrijf voor statische opslag en een kleinschalig aannemersbedrijf heeft immers een aanzienlijk lagere milieubelasting dan een volwaardige intensieve veehouderij. Dit draagt bij aan een verbeterde omgevingskwaliteit.

Daarnaast zal de emissie van broeikasgassen afnemen met de voorgenomen ontwikkeling. Er zal bij de voorgenomen ontwikkeling namelijk niet langer sprake zijn van het houden van dieren, waarmee de emissie van broeikasgassen (koolstofdioxide en methaan) vanuit de gehouden dieren in zijn geheel zal komen te vervallen. Daarnaast is het bij een volwaardige intensieve veehouderij van belang dat de stallen op de juiste temperatuur worden gehouden, waarmee in de koudere maanden verwarming van de stallen nodig is. Voor statische opslag en en voor een kleinschalig aannemersbedrijf is de temperatuur niet van belang, waarmee verwarming van de bedrijfsgebouwen niet langer, of in ieder geval in aanzienlijk mindere mate, noodzakelijk is. Daarnaast is het niet langer nodig om de bedrijfsgebouwen mechanisch te ventileren, waarmee het energieverbruik zal afnemen.

Met de verminderde uitstoot van broeikasgassen en de afname van de energiebehoefte die worden behaald door de omschakeling zal de voorgenomen ontwikkeling bijdragen aan de energie- en klimaatdoelstellingen van de overheid.

Ten slotte is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 2 van deze toelichting), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

4.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 5 december 2023 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld met toepassing van een tijdelijke algemene maatregel (TAM). Daarmee hebben zij de omgevingsverordening, zoals eerder vastgesteld op 11 maart 2022, in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet. Voor publicatie in het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) heeft de provincie per 1 januari 2024, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant gepubliceerd. Daarin wordt voor de actuele regels en geometrie verwezen naar de TAM-Omgevingsverordening. Voor toetsing aan de regels van het provinciale beleid is daarom de TAM-versie van de Omgevingsverordening leidend.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag. Daarbij zal eveneens worden voorzien in een kleinschalig aannemersbedrijf.

Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'boringsvrije zone', 'diep grondwaterlichaam', 'geen attentiezone waterhuishouding', 'waterwinning voor menselijke consumptie', 'landelijk gebied', 'beperking grootschalige logistiek', 'stalderingsgebied' en 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied'.

Gebieden 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied':

Voor gebieden met de aanduiding 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied' gelden aanvullende regels voor regionale wateren. Daarvan is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn.

Gebieden 'diep grondwaterlichaam':

Voor gebieden met de aanduiding 'diep grondwaterlichaam' geldt een verbod op het uitvoeren van onconventionele winning van koolwaterstoffen. Ook daarvan is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden eveneens niet van toepassing zijn.

Gebieden 'waterwinning voor menselijke consumptie':

Voor gebieden met de aanduiding 'waterwinning voor menselijke consumptie' gelden aanvullende regels voor het uitvoeren van milieubelastende activiteiten. Daarbij moet worden voorkomen dat de bodem en het zich daarin bevindende grondwater wordt verontreinigd door gebruik, het lozen en de uitspoeling van schadelijke stoffen. Daarnaast moeten werkzaamheden in de bodem die verstorend werken op de kwaliteit van het grondwater worden beperkt en moeten de diepere watervoerende pakketten worden beschermd door het voorkomen dat de beschermende kleilaag wordt doorboord.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het gebruik van de stoffen die vanuit de aanvullende regels worden beschouwd als schadelijke stoffen. Daarnaast is geen sprake van werkzaamheden die verstorend werken op de kwaliteit van de grondwater en wordt de beschermende kleilaag niet doorboord. De aanvullende regels voor deze gebieden zijn daarmee verder niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Gebied 'boringsvrije zone':

Voor gebieden met de aanduiding 'boringsvrije zone' gelden aanvullende regels voor activiteiten in de bodem met een diepte van 10 meter of meer en voor activiteiten voor het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan grondwater. Van dergelijke activiteiten is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Gebied 'stalderingsgebied':

Binnen de gebieden met de aanduiding 'stalderingsgebied' gelden aanvullende regels voor een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een veehouderijbedrijf waarop hokdieren worden gehouden. De aanvullende regels met betrekking tot deze gebieden zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Gebied 'geen attentiezone waterhuishouding':

Voor deze gebieden zijn in de verordening geen aanvullende regels opgenomen.

Gebied 'beperking grootschalige logistiek':

Voor gebieden met de aanduiding 'beperking grootschalige logistiek' gelden aanvullende regels voor grootschalige logistiek. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van grootschalige logistiek, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Binnen het landelijk gebied gelden specifieke regels voor bepaalde ontwikkelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf. Vanuit de verordening wordt dit gezien als een vestiging van een niet-agrarische functie. Voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied zijn in de verordening in artikel 5.78 specifieke regels opgenomen. Deze luiden als volgt:

" Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteit

Lid 1

Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan bepalen dat de ontwikkeling van een niet-agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel mogelijk is als:

  • a. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12;
  • b. aanwezige, overtollige bebouwing wordt gesloopt; en
  • c. dit geen betrekking heeft op:
    • 1. een kantoor met baliefunctie;
    • 2. het toelaten van een nieuwe lawaaisport; en
    • 3. een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking.

Lid 2

Het omgevingsplan regelt:

  • a. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan en tot welke omvang;
  • b. dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in Artikel 5.12;
  • c. dat een ontwikkeling naar een functie met grote publieksaantrekkende werking is uitgesloten;
  • d. dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve als de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; en
  • e. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a.

Lid 3

Als uitgangspunt voor een bij de omgeving passende omvang als bedoeld in het tweede lid geldt voor:

  • a. een bedrijfsmatige activiteit, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;
  • b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;
  • c. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

Lid 4

Een omgevingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.75 Mestbewerking, als dat vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving."

Ad. 5.78, lid 1, sub a:

Vanuit artikel 5.12 zijn voor het bepalen of een ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied de volgende zaken van belang:

  • welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
  • welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 5.2 , mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
  • op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en
  • op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.

De gemeente Bernheze heeft bij het opstellen van het omgevingsplan van rechtswege (het voormalige bestemmingsplan voor het buitengebied) voor verschillende gebieden onderzocht welke functies in de gebieden passend en wenselijk zijn.

De locatie is gelegen in het beekdallandschap, waarin de landbouw minder mogelijkheden heeft voor intensivering. Het doorontwikkelen van een volwaardige intensieve veehouderij is in dit gebied minder passend. Voor de gemeente staat in dit gebied de ontwikkeling van het watersysteem en de natuur met extensieve landbouw en recreatie centraal. Aan overige ontwikkelingen wordt vanuit de ontwikkelingsrichting uit de gemeentelijke visie ruimte geboden, mits zij de ontwikkelingsdoelen voor het beekdallandschap niet in de weg staan.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee zal de emissie van ammoniak vanuit de veehouderij in zijn geheel komen te vervallen. Dit zal een positief effect hebben op (de ontwikkeling van) de natuur in het gebied. Daarnaast zal het bebouwd oppervlak ter plaatse afnemen. Dit heeft een positief effect op de waterhuishouding. Verder zal de voorgenomen ontwikkeling de verdere ontwikkeling van natuurlijke en recreatieve waarden en doelen niet in de weg staan. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de richtlijnen die de gemeente heeft opgenomen in de omgevingsvisie voor wat betreft het beekdallandschap.

Niet-agrarische bedrijvigheid is daarmee mogelijk in het gebied waarin de locatie is gelegen vanuit de ontwikkelingsrichting van het gebied die de gemeente heeft verwoord in de gemeentelijke omgevingsvisie. Daarbij geldt als aanvullende voorwaarde dat het landschap waarin de locatie is gelegen niet onevenredig mag worden aangetast. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Omgevingsvisie Bernheze 2040" (paragraaf 4.3.1) zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van het landschap waarin de locatie is gelegen en past de voorgenomen ontwikkeling daarmee in het gebied en de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling wordt daarmee als passend in het gebied gezien.

Verder dient een afweging te worden gemaakt of het logisch is om in het gebied waarin de locatie is gelegen een niet-agrarisch bedrijf mogelijk te maken.

Het gebied waarin de locatie is gelegen betreft een gebied dat, zoals in het voorgaande beschreven, minder mogelijkheden biedt voor een verdere intensivering van de agrarische sector. Voor agrarische bedrijven, en in het bijzonder intensieve veehouderijen, zijn er daardoor minder mogelijkheden om op een passende wijze verder te ontwikkelen. Daardoor is het gebied waarin de locatie is gelegen in de afgelopen jaren getransformeerd van een overwegend agrarisch gebied naar een meer gemengd en multifunctioneel gebied. In het gebied waarin de locatie gelegen is zijn daarom meerdere functies dan alleen agrarische functies gelegen, waaronder burgerwoningen, maatschappelijke of recreatieve voorzieningen en andere niet-agrarische bedrijven.

Normaal gesproken is het gebruikelijk om niet-agrarische functies te vestigen op een bedrijventerrein of in het bestaand stedelijk gebied. Echter is met het initiatief sprake van een bedrijvigheid die gezien de aard daarvan meer aansluiting heeft bij het buitengebied. Daarnaast is sprake van een voormalige agrarische bedrijfslocatie die, als daaraan geen nieuwe passende invulling kan worden gegeven, leeg komt te staan en verpaupert. Omdat een agrarische functie vanwege het gebied waarin de locatie is gelegen niet tot een rendabele mogelijkheid behoort is het noodzakelijk een andere invulling aan het bedrijf te geven dan een agrarische functie. Met de gewenste invulling van het bedrijf wordt verdere leegstand en verpaupering voorkomen.

Een niet-agrarisch bedrijf past, mits dit kleinschalig is en niet de omvang heeft van een bedrijf op een industrieterrein, in het gebied waarin de locatie is gelegen. Het is namelijk de verwachting dat het gebied de komende jaren steeds meer en verder zal transformeren naar een meer gemengd en multifunctioneel gebied, waarin steeds meer niet-agrarische functies tot uitvoering zullen komen. De vestiging van het gewenste niet-agrarische bedrijf op de locatie is, gezien het voorgaande en de relatie van het bedrijf met het buitengebied, daarmee een logische ontwikkeling.

Tevens speelt bij veel gemeenten in het oosten van Noord-Brabant een situatie waarin men kampt met geuroverlast door intensieve veehouderijen. Vele gemeenten wensen daarom geuremissie van bedrijven in het landelijk gebied te verminderen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve pluimveehouderij beëindigd, waarmee de geurbelasting, alsmede de milieubelasting vanuit de andere milieuaspecten, op de omgeving aanzienlijk zal afnemen. Dit past binnen de doelstellingen die de gemeente heeft voor dit gebied. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen de omgeving.

Zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk "Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de in de omgeving aanwezige functies en/of waarden. Tevens zal met de voorgenomen beëindiging van de intensieve veehouderij sprake zijn van een aanzienlijke afname van de geurbelasting en van de emissie van fijnstof, stikstofoxiden, ammoniak en broeikasgassen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling een positief effect hebben op de leefbaarheid in de omgeving.

Vanuit de maatschappij wordt volksgezondheid steeds meer gezien als belangrijke factor voor het woon- en leefgenot van de mens. Met de maatschappelijke discussie die momenteel speelt rondom volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en door de campagnes van dierenrechtenorganisaties wordt het beeld op intensieve veehouderijen steeds negatiever. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee wordt een deel van de angst bij omwonenden op risico's voor de volksgezondheid vanuit de veehouderij weggenomen. Er zal immers niet langer meer sprake zijn van een veehouderij met de mogelijk daarbij behorende gezondheidsrisico's.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Activiteiten en milieuzonering" (paragraaf 5.1.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden en/of bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven. Tevens zullen ook geen andere functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. Er is daarmee geen sprake van een belemmering van de agrarische ontwikkeling van het gebied.

Een intensieve veehouderij heeft een grote energiebehoefte. Daarnaast heeft een intensieve veehouderij een grote geurbelasting en grote uitstoot van fijnstof, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de intensieve veehouderij ter plaatse worden beëindigd. Daarbij zal deze worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf. De geurbelasting van het bedrijf komt daarmee in zijn geheel te vervallen. Ook zal de emissie van fijnstof, ammoniak en stikstofoxiden afnemen.

De geluidhinder zal met de gewenste ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, maar eerder afnemen, omdat niet langer sprake zal zijn van statische geluidsbronnen als de ventilatoren op de stallen. De toename van het aantal verkeersbewegingen is beperkt, waarmee de geluidbelasting vanuit het verkeer van en naar de locatie niet onevenredig zal toenemen.

Een dergelijk niet-agrarisch bedrijf heeft daarnaast een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan een volwaardig intensief veehouderijbedrijf. Het energieverbruik op de locatie zal daarmee aanzienlijk lager worden dan in de huidige situatie. Dit komt ten goede aan het klimaat en aan het milieu.

Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling de uitstoot van broeikasgassen (aanzienlijk) afnemen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van het klimaat. Door een verminderde uitstoot van broeikasgassen zal minder sprake zijn van een bijdrage aan de klimaatsverandering en de opwarming van de aarde.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 5.4), geen sprake van aanpassingen aan of van een aantasting van de infrastructuur ter plaatse. Tevens zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden. Het aantal verkeersbewegingen zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Daarmee zal er geen sprake zijn van nadelige gevolgen op de mobiliteit in het gebied.

De gewenste ontwikkeling betreft geen bedrijfsvoering die zal concurreren met functies op het bedrijventerrein. Een bedrijf voor statische opslag is doorgaans niet op een bedrijventerrein gevestigd, maar op voormalige agrarische bedrijven in het buitengebied. Dit komt voornamelijk door de grote hoeveelheid aan beschikbare voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied. Daarnaast is de agrarische grond aanzienlijk goedkoper dan grond op een bedrijventerrein, waardoor het voor veel ondernemers op een bedrijventerrein niet interessant genoeg is om grote gebouwen neer te zetten op bedrijfsgronden voor statische opslag.

De voorgenomen ontwikkeling komt met de statische opslag, zoals in het voorgaande omschreven, tegemoet aan een maatschappelijke vraag naar opslagruimte. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe invulling gegeven aan voormalig agrarische bedrijf. Wanneer aan voormalige agrarische bedrijven geen nieuwe invulling wordt gegeven dan blijven de voormalige bedrijfsgebouwen vaak leeg staan. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt leegstand en verpaupering van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen voorkomen. Ook daarmee wordt invulling gegeven aan een maatschappelijk vraagstuk waar veel gemeenten en provincies in Nederland mee kampen.

De statische opslag sluit daarnaast aan bij de recreatieve sector. De locatie is gelegen in een gebied waarin de ontwikkeling van het watersysteem en de natuur met extensieve landbouw en recreatie centraal staan vanuit de gemeentelijke visie en de door de gemeente gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied. Door de aansluiting op de recreatieve sector kan extensieve recreatie meer worden gestimuleerd, wat aansluit bij de visie van de gemeente.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven en verder is uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), sprake zijn van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en de omgeving. Vanuit artikel 5.11 van de omgevingsverordening wordt landschappelijke inpassing aangemerkt als maatregel voor meerwaardecreatie in het landelijk gebied ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Verder wordt er aan het agrarische bedrijf een nieuwe invulling gegeven. Wanneer dat niet het geval is dan komt de voormalige agrarische bebouwing vaak leeg te staan en verpaupert deze vaak. Met de voorgenomen ontwikkeling, waarbij wel een nieuwe invulling aan een (voormalig) agrarisch bedrijf wordt gegeven, wordt leegstand en verpaupering van bebouwing in het buitengebied voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de beeldkwaliteit en omgevingskwaliteit van het landelijk gebied.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn de voormalige pluimveestallen in zijn geheel gesloopt. De overige te behouden bebouwing en de nieuwe bebouwing zal geheel worden benut voor de gewenste bedrijfsvoering. Er is daarmee geen sprake van overtollige bebouwing in de gewenste situatie. De overtollige bebouwing is immers geheel gesloopt.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied zoals is bedoeld in artikel 5.12 van de verordening.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 1, sub b:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is reeds een grote oppervlakte aan (voormalige) pluimveestallen gesloopt. In ruil daarvoor worden nieuwe bedrijfsgebouwen opgericht, maar deze zijn in oppervlakte kleiner dan de voormalige stallen. Er is daarmee sprake van sloop van overtollige bebouwing.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 1, sub c:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de vestiging van of de omschakeling naar een kantoorfunctie met een baliefunctie, van activiteiten ten behoeve van een lawaaisport en/of van de bewerking van mest.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 2, sub a:

De gewenste activiteiten, zijnde statische opslag en een kleinschalig aannemersbedrijf, worden in de regels behorende bij dit plan nader afgekaderd. Het voorliggende plan maakt daarmee niet meer mogelijk dan de activiteiten die worden aangevraagd.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 2, sub b:

Zoals reeds omschreven bij de toetsing aan lid 1, onder a past de voorgenomen ontwikkeling binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin de locatie is gelegen.

De locatie is daarnaast gelegen in een gebied dat geleidelijk aan het transformeren is naar een meer gemengd gebied in plaats van een overwegend agrarisch gebied. Er zijn immers verschillende agrarische bedrijven in de omgeving reeds beëindigd en omgeschakeld naar een nieuwe, niet-agrarische functie. De verwachting is dat meer agrarische bedrijven op termijn zullen gaan stoppen, waardoor het gebied verder zal transformeren naar een meer gemengd gebied waarin verschillende functies naast de agrarische functies voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling sluit goed aan op deze trend.

Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling ook op langere termijn binnen het gebied waarin de locatie is gelegen.

Ad. 5.78, lid 2, sub c:

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.4.2) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen en/of bezoekers. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende en/of publieksaantrekkende werking.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 2, sub d:

De voorgenomen activiteiten, zijnde statische opslag en een kleinschalig aannemersbedrijf, zullen geheel in bebouwing plaatsvinden. Er zal geen sprake zijn van buitenopslag.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 2, sub e:

Bij de gewenste ontwikkeling wordt voorzien in een omvang die ook op termijn voldoende ruimte biedt voor een duurzaam en volwaardig bedrijf. Indien de aangevraagde omvang op de lange termijn niet langer toereikend blijkt te zijn en de maximaal toegestane omvang niet voldoende blijkt dan zal in plaats van een verdere uitbreiding worden gekeken naar een alternatieve locatie.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 3, sub a:

Er is sprake van kleinschalige bedrijvigheid wanneer de bedrijvigheid een relatief kleine weergave betreft van de bedrijvigheid van het gebied en wanneer het oppervlaktebeslag een relatief kleine weergave betreft van het totale gebied.

De gewenste oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ongeveer 0,77 hectare. De locatie is gelegen in een gebied met landbouw- en bedrijfskavels met een relatief grote oppervlakte. Vrijwel elk van deze bedrijven heeft een vergelijkbare of grotere omvang dan het bedrijf van de initiatiefnemer. Ook de omvang van de gebouwen is bij de omliggende bedrijven vaak vergelijkbaar of groter dan de gewenste bedrijfsgebouwen van de initiatiefnemer. De huidige bebouwing is passend in de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal geen sprake zijn van een uitbreiding van de bebouwing, maar van een afname. Tevens heeft de gemeente eisen gesteld aan de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen op de locatie. De maximaal toegestane oppervlakte wordt door de gemeente aanvaardbaar en passend geacht in het gebied. Door de afname van het bebouwde oppervlak ter plaatse zal de impact op de ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit in de omgeving eveneens afnemen.

Het directe gebied waarin de locatie is gelegen, het gebied dat is afgekaderd door de dichtstbijzijnde wegen (Dopheiweg, Rukven, Meerstraat, Heibloemsedijk en Kaathovensedijk) heeft een oppervlakte van ruim 73 hectare. Dit gebied betreft daarnaast slechts een zeer klein deel van het gehele (agrarisch) gebied waarin de locatie is gelegen. De oppervlakte van de locatie betreft daarmee nog geen 1,1% van het door de dichtstbijzijnde wegen afgekaderde gebied en een nog veel kleiner percentage van het totale agrarisch gebied waarin de locatie is gelegen. Er is daarmee sprake van een oppervlaktebeslag dat slechts een kleine weergave betreft van het totale gebied.

Op de locatie bevindt zich daarnaast reeds een bedrijf met de daarbij behorende bedrijfsbebouwing. Het bedrijf heeft daarmee al geruime tijd de positie in het landschap die het nu heeft. De oppervlakte aan bedrijfsbebouwing zal met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen, maar juist afnemen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredig toenemende impact op het landschap. Met de afname van het bebouwd oppervlak en het maximale ruimtebeslag op de locatie wordt bijgedragen aan ontstening van het halfopen landschap waarin de locatie is gelegen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het behoud van het landschap en aan de ruimtelijke kwaliteit.

Zoals beschreven in het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige verkeersaantrekkende en/of publieksaantrekkende werking. Het aantal bezoekers van het bedrijf is dusdanig klein dat sprake is van een kleinschalige bedrijvigheid.

De werkzaamheden op het bedrijf zelf beslaan het plaatsen, verplaatsen of uitrijden van gestalde objecten en het in-en uitrijden van de bedrijfsmaterialen en verreikers. Daarmee ligt de arbeidsintensiteit op het bedrijf relatief laag. Daarnaast vindt kleinschalig onderhoud aan de objecten plaats. Hierbij moet worden gedacht aan het tijdig wassen van de gestalde objecten en wellicht een keer het controleren van de bandenspanning (en daarbij als nodig lucht bijvullen in de banden). Ook dit betreft geen zeer arbeidsintensieve activiteiten. De arbeid kan ter plaatse worden uitgevoerd door één of twee personen, waarmee geen sprake is van een arbeidsintensief bedrijf. De bedrijvigheid is daarmee aan te merken als kleinschalig.

Verder dient te worden bekeken of het doelmatig is om het bedrijf op een bedrijventerrein te vestigen. De gewenste bedrijvigheid beslaat uit statische opslag en een kleinschalig aannemersbedrijf, waarbij voornamelijk sprake is van de opslag van bedrijfsmaterialen en verreikers. De statische opslag is, vanwege de stalling van kampeervoertuigen, sterk gerelateerd aan de recreatieve sector. De recreatieve sector is grotendeels aan het buitengebied gebonden. De gewenste statische opslag, welke een groot deel van de gewenste bedrijfsvoering beslaat, past daarmee beter in het buitengebied.

De locatie is gelegen in een gebied dat vanuit de gemeentelijke omgevingsvisie is aangemerkt als een gebied met mogelijkheden voor functiemenging. Daarnaast heeft de gemeente opgenomen dat bedrijventerreinen voornamelijk bedoeld zijn voor de uitplaatsing van bedrijven uit de kernen, de groei van lokale bedrijven en voor starters. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daar geen sprake van, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet past binnen de gemeentelijke visie voor de bedrijventerreinen.

Tevens zou vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein betekenen dat er geen nieuwe passende invulling kan worden gegeven aan het voormalige agrarische bedrijf. Als ter plaatse niet kan worden voorzien in een passende nieuwe invulling van de locatie dan komt de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op de locatie leeg te staan. Dit past niet binnen de doelstellingen om de leegstand van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te verminderen. Daarnaast betekent leegstand van de bebouwing dat deze niet (goed) meer wordt onderhouden, waardoor verpaupering van de bebouwing optreedt. Daarmee zal de beeldkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving verslechteren. Tevens komt het vaak voor dat leegstaande voormalige agrarische bebouwing wordt gebruikt voor illegale en soms zelfs criminele activiteiten. Dit is op de locatie niet wenselijk. Het toekennen van de gewenste nieuwe functie aan het bedrijf zal dit voorkomen.

Verder is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 4.1.2), met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee vestiging in stedelijk gebied niet voor de hand ligt.

De initiatiefnemer heeft de grond waarop de gewenste ontwikkeling zal plaatsvinden reeds in eigendom. Als de initiatiefnemer zou moeten verplaatsen naar een bedrijventerrein dan zouden hiervoor nieuwe gronden op een bedrijventerrein moeten worden aangekocht. De gronden op een bedrijventerrein zijn vaak erg duur. Dit zou betekenen dat de initiatiefnemer een aanzienlijke investering zou moeten doen om te kunnen verplaatsen naar een bedrijventerrein. Deze investering is, gezien de prijs van de gronden op een bedrijventerrein, voor de initiatiefnemer niet haalbaar om daarna te leiden tot een rendabele bedrijfsvoering. Zelfs als de huidige locatie verkocht zou worden dan zouden de opbrengsten van de verkoop van de locatie niet voldoende zijn om de aankoop van een locatie op een bedrijventerrein rendabel te maken. Daarmee is de vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein financieel niet haalbaar voor de initiatiefnemer.

Het is daarmee niet doelmatig om het gewenste bedrijf van de initiatiefnemer op een bedrijventerrein te vestigen.

Het bouwvlak en de overige gronden worden vastgelegd in concrete functies op de bij dit omgevingsplan behorende verbeelding. De maximale oppervlakte die gebruikt kan worden voor de gewenste bedrijvigheid wordt daarmee vastgelegd en geregeld in een omgevingsplan.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 3, sub b:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een voorziening voor detailhandel.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 3, sub c:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 5.78, lid 4:

Het vierde lid voorziet in mogelijkheden voor een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit in landelijk gebied. Daarvan is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Het vierde lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Aan de voorwaarden voor vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied zoals zijn opgenomen in artikel 5.78 van de omgevingsverordening wordt daarmee voldaan.

Naast de specifieke voorwaarden voor het vestigen van een niet-agrarische ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen:

" Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Lid 1

Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

Lid 2

Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8;
  • b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9; en
  • c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10."

Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen in de genoemde artikelen (5.8, 5.9 en 5.10).

Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen:

" Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;
  • b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling;
  • c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en
  • e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.

Lid 2

Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden."

Ad artikel 5.8, lid 1, sub a:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een toedeling van een functie binnen het huidige ruimtebeslag. Er is immers sprake van een reeds bestaand bouwperceel en dat bouwperceel wordt niet uitgebreid, maar juist verkleind. Tevens zal de totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing afnemen.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub b:

Zoals reeds omschreven in het voorgaande is sprake van een ontwikkeling binnen het bestaand ruimtebeslag. Er is geen sprake van een intensivering van het bestaand ruimtebeslag, het bebouwd oppervlak neemt immers af en het bouwvlak wordt niet uitgebreid, maar juist verkleind.

In zekere mate is sprake van meervoudig ruimtegebruik. De locatie betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie waaraan een nieuwe invulling wordt gegeven. Daarbij wordt ter plaatse enerzijds voorzien in statische opslag en anderzijds in een kleinschalig aannemersbedrijf. Daarmee is sprake van meerdere functies binnen het bedrijf. Met de nieuwe invulling van het bedrijf wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie opnieuw in gebruik genomen voor een nieuwe functie.

Er is daarmee een afweging gemaakt van intensivering en/of meervoudig ruimtegebruik.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub c:

Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 4.1.2) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub d:

Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Het bouwvlak wordt van vorm veranderd (en verkleind) zodat alle bebouwing hier binnen komt te liggen. Daarbij is gekozen voor een meer compact en smaller bouwvlak, zodat sprake is van een meer compacte inrichting van het erf en er geen sprake zal zijn van te veel verspreid liggende bebouwing op het erf.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub e:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een splitsing van het bouwperceel. Er is sprake van één bedrijf op één bouwperceel en dit zal zo blijven.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad artikel 5.8, lid 2:

Er is sprake van een ontwikkeling binnen bestaand ruimtebeslag. Een uitbreiding van het ruimtebeslag is daarmee niet noodzakelijk. De bepalingen uit het tweede lid zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen:

" Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering

Lid 1

Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:

  • a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en
  • b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.

Lid 2

Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:

  • a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden;
  • b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en
  • c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

Lid 3

Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid."

Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen:

" Artikel 5.10 Meerwaardecreatie

Lid 1

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en
  • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie."

Zoals gesteld kan de fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.11 deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In artikel 5.11 is het volgende opgenomen:

" Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap

Lid 1

Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Lid 2

Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door:

  • a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan; of
  • b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken.

Lid 3

Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten:

  • a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;
  • b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;
  • c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken;
  • d. het wegnemen van verharding;
  • e. het slopen van bebouwing ;
  • f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone; of
  • g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4

Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken."

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf. Bij de huidige intensieve veehouderij, zijnde een pluimveehouderij, is sprake van een hoge geurbelasting aan de omgeving en van een grote emissie van fijnstof, ammoniak en stikstofoxiden. Het gewenste niet-agrarische bedrijf heeft geen geurbelasting, geen emissie van ammoniak en een (aanzienlijk) lagere emissie van fijnstof en stikstofoxiden. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan het verminderen van de milieuhinder aan de omgeving en daarmee aan een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmee tot een verbetering van de omgevingskwaliteit.

Daarnaast is in de huidige intensieve veehouderij sprake van de uitstoot van een grote hoeveelheid aan broeikasgassen. Enerzijds door de uitstoot van de gehouden dieren (koolstofdioxide en methaan) en anderzijds omdat de temperatuur in de stallen van belang is en het met name in de koudere maanden noodzakelijk is om de stallen te verwarmen. In de gewenste situatie is de temperatuur van de bedrijfsgebouwen nagenoeg niet meer van belang, waardoor verwarming niet langer noodzakelijk is. Daarmee zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een afname van de uitstoot van broeikasgassen. Dit draagt bij aan de klimaatdoelstellingen van de overheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, zijnde de stallen, gesloopt. Er is sprake van nieuwbouw van bedrijfsgebouwen, maar de oppervlakte daarvan is kleiner dan de gesloopte oppervlakte aan voormalige stallen. Daarmee zal sprake zijn van een afname van het bebouwd oppervlak op de locatie. Daarnaast wordt met de vormverandering en verkleining van het bouwvlak ter plaatse een compactere vorm en inrichting van het erf en een afname van het (maximale) ruimtebeslag geborgd. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan ontstening van het landschap. Tevens is sloop van voormalige agrarische bebouwing in artikel 5.11 opgenomen als vorm van kwaliteitsverbetering en is derhalve aan te merken als meerwaardecreatie.

Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 5.11 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Zoals eveneens nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt met het initiatief in voldoende mate geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit volgens het gemeentelijk beleid met betrekking tot kwaliteitsverbetering van het landschap.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in voldoende meerwaardecreatie.

Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Bernheze 2040

Gemeente Bernheze heeft, in het kader van de Omgevingswet, een nieuwe omgevingsvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente vastgesteld. In de omgevingsvisie heeft de gemeente de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange(re) termijn opgenomen. De omgevingsvisie is niet juridisch bindend, maar biedt de kaders voor het ruimtelijk beleid zoals is opgenomen in het omgevingsplan.

In de visie wordt onderscheid gemaakt tussen drie deelgebieden met voor elk van deze gebieden een eigen ontwikkelingsperspectief. Deze gebieden zijn als volgt in de visie omschreven:

" Drie deelgebieden met drie ontwikkelperspectieven

De visie maakt onderscheid in drie deelgebieden.

  • 1. De hoog gelegen Peelhorst (de rug) met de Maashorst als kenmerkend natuurgebied. De westgrens van de Peelhorst is de kenmerkende Peelrandbreuk met de wijstgronden. In een ‘levendige schil’ rondom het natuurgebied extensiveert de landbouw en bieden we mogelijkheden voor meer bos en andere natuur.
  • 2. De Dekzandgebieden (de flank) waar de intensieve veehouderij bijdraagt aan grootschalige en innovatieve voedselproductie. Hier ontwikkelen we ook kansen voor nieuwe verdienmodellen op het gebied van bijvoorbeeld de productie van biobased grondstoffen, natuur en landschap in perceelsranden, toerisme en recreatie, klimaatadaptatie (zoals tijdelijke waterberging), lokaal voedsel et cetera.
  • 3. Het Beekdallandschap van de Aa en de Leijgraaf, waar het watersysteem van afvoeren ombuigt naar water vasthouden in combinatie met natuurontwikkeling en extensieve landbouw."

De locatie is gelegen in het beekdallandschap, waarin de landbouw minder mogelijkheden heeft voor intensivering. Het doorontwikkelen van een volwaardige intensieve veehouderij is in dit gebied minder passend. In dit gebied staat de ontwikkeling van het watersysteem en de natuur met extensieve landbouw en recreatie centraal. Aan overige ontwikkelingen wordt ruimte geboden, mits zij de ontwikkelingsdoelen voor het beekdallandschap niet in de weg staan.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee zal de emissie van ammoniak vanuit de veehouderij in zijn geheel komen te vervallen. Dit zal een positief effect hebben op (de ontwikkeling van) de natuur in het gebied. Daarnaast zal het bebouwd oppervlak ter plaatse afnemen. Dit heeft een positief effect op de waterhuishouding. Verder zal de voorgenomen ontwikkeling de verdere ontwikkeling van natuurlijke en recreatieve waarden en doelen niet in de weg staan. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de richtlijnen die de gemeente heeft opgenomen in de omgevingsvisie voor wat betreft het beekdallandschap.

Verder wordt in de visie onderscheid gemaakt in vijf thema's. Bij de uitwerking van deze thema's worden de opgaven die de gemeente vertaald naar ambties en doelen. De vijf thema's zijn:

  • 1. Gezonde leefomgeving.
  • 2. Leefbare kernen.
  • 3. Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit.
  • 4. Vitale en duurzame landbouw en economie.
  • 5. Kwaliteit landschap en erfgoed.

Gezonde leefomgeving:

Vanuit het thema gezonde leefomgeving wordt ingezet op de verbetering van de kwaliteit van de lucht, de bodem en het water. Daarnaast is het wenselijk de overlast door geur, geluid en dergelijke in en nabij de kernen terug te dringen, alsmede de eventuele risico's van zoönosen.

Verder wordt vanuit dit thema ingezet op zogenaamde "groene gezonde structuren" (GGS), waarin de ambities van onder meer gezondheid, recreatie, bewegen in aantrekkelijk groen en blauw, meer biodiversiteit, klimaatadaptatie en biologisch voedsel worden gebundeld. Daarmee kan verstandig worden omgegaan met de ruimtedruk.

Daarnaast wordt ingezet op toegankelijkheid en inclusiviteit van de openbare ruimte. Daarbij wordt voorzien in bijvoorbeeld prikkelarme zones en aantrekkelijke (speel)plekken.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf. Daarbij zullen de emissies van geur, fijnstof en ammoniak in zijn geheel komen te vervallen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de gemeente voor een gezonde leefomgeving. Ook zal met het verdwijnen van de veestapel sprake zijn van het vervallen van de emissies van eventuele zoönosen vanuit de veehouderij. Ook dit draagt bij aan een gezonde leefomgeving.

Verder zal de voorgenomen ontwikkeling de doelstellingen die de gemeente heeft ten aanzien van een gezonde leefomgeving niet in de weg staan. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de doelstellingen van de gemeente ten aanzien van het thema gezonde leefomgeving.

Leefbare kernen:

Vanuit het thema leefbare kernen wordt ingezet op kernen waar het fijn wonen is voor een goede leeftijd mix aan mensen. Hiervoor zijn verschillende doelstellingen verwoord in de visie. Omdat deze echter allen betrekking hebben op de verdere ontwikkeling van de kernen en de locatie in het buitengebied is gelegen hebben deze doelstellingen geen raakvlakken met de voorgenomen ontwikkeling. Ook zal de voorgenomen ontwikkeling de doelstellingen die de gemeente heeft voor de leefbare kernen niet in de weg staan.

Klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit:

Vanuit het thema klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit is voorbereiding op verdroging en (extreme) wateroverlast nodig. Bij inrichting van de ruimte wordt gestuurd op bodem en water, waarbij zoveel mogelijk ingericht wordt op vasthouden van water. Daarmee wordt het grondwaterpeil verhoogd zodat er een buffer ontstaat voor in de droge perioden.

In het beekdallandschap wordt ingezet op het vertraagd afvoeren van water door bijvoorbeeld het terugbrengen van de oorspronkelijk meanderende beek en het inrichten van natuurvriendelijke oevers en overstromingsgebieden.

Voor het hetstel van de biodiversiteit wordt ingezet op natuurgebieden en natuurinclusief werken. Daarbij wordt gezocht naar nieuwe verdienmodellen voor agrariërs bij het inrichten van bloemrijke perceelsranden en weidevogelgebieden en het beheren en in stand houden van zoogdieren. Daarnaast wordt ingezet op bewustwording van gedrag zodat het meer vanzelfsprekend wordt om bij te dragen aan duurzame oplossingen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarbij het bebouwde oppervlakte zal afnemen. Dit draagt bij aan de vermindering van de versnelde afvoer van hemelwater en daarmee aan een verduurzaming van het watersysteem. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5) ingezet op extra waterberging, waarmee wordt ingezet op het langer vasthouden van water. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de gemeente ten aanzien van klimaatadaptatie en het vasthouden van water.

Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Daarin wordt voorzien in nieuwe landschappelijke elementen en groene randen langs het perceel. Dit draagt bij aan de versterking van de biodiversiteit.

De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee aan op de doelstellingen van de gemeente ten aanzien van het thema klimaatadaptatie en herstel biodiversiteit.

Vitale en duurzame landbouw en economie:

Vanuit het thema vitale en duurzame landbouw en economie wil de gemeente inzetten op het samen met agrarische ondernemers de uitdagingen aan gaan die de sector voor zich heeft en het zoeken naar kansen om een sterke en vitale sector te behouden. Daarbij wordt ingezet op verduurzaming en meer extensieve vormen van landbouw. Alleen in de dekzandgebieden blijft ruimte voor meer intensieve vormen van landbouw.

Daarnaast zijn er in de gemeente veel lokale sterke bedrijven die zorgen voor werkgelegenheid en die voortdurend aan het innoveren zijn. Dit is ook nodig om in de veranderende vraag te voorzien. De bestaande bedrijventerreinen volstaan vooralsnog en indien nodig worden deze geschikt gemaakt voor lokale bedrijvigheid. Regionale bedrijven zijn niet (meer) wenselijk.

Er worden mogelijkheden geboden aan agrarische ondernemers die met het bedrijf willen stoppen. Daarbij wordt wel de afweging gemaakt of een nieuwe functie mogelijk is op het erf. Wanneer dat niet het geval is dan wordt samen met de gemeente gezocht naar een nieuwe mogelijke locatie.

Verder is de economie sterk afhankelijk van energie. De gemeente werkt daarom hard aan het voldoen aan de opgave uit de regionale energie strategie (RES). Deze opgaven lijken te worden gaan behaald met zonnepanelen op daken en parkeerplaatsen en met zonneparken. Voor agrariërs en energiecoöperaties liggen er kansen voor experimenten om energie op te slaan. Deze worden door de gemeente gestimuleerd. Met windmolens wordt nog afgewacht vanwege de nieuwe normen van de Rijksoverheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf. De doelstellingen voor de agrarische sector zijn derhalve niet meer van belang voor de voorgenomen ontwikkeling. Aan de locatie wordt een op het erf passende nieuwe invulling gegeven. Er is sprake van een kleinschalig bedrijf en de vestiging daarvan op een bedrijventerrein ligt niet voor de hand. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de doelstellingen voor bedrijvigheid.

Verder staat de voorgenomen ontwikkeling de doelstellingen vanuit het thema vitale en duurzame landbouw en economie niet in de weg, waarmee de voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen in dit thema.

Kwaliteit landschap en erfgoed:

Vanuit het thema kwaliteit landschap en erfgoed wordt ingezet op het unieke en diverse landschap met eigen unieke karakteristieken en cultuurhistorische kenmerken, zichtlijnen en waardevol erfgoed. Daarnaast is het wenselijk het erfgoed en andere kenmerkende gebouwen in en rondom de kernen meer toegankelijk en beleefbaar te maken.

Verder wil de gemeente ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen die de historie niet uitwissen, maar daar juist op voortbouwt.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Daarmee wordt aangesloten op bestaande landschappelijke structuren en wordt bijgedragen aan de kwaliteit van het landschap.

Er is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Cultureel erfgoed" (paragraaf 5.3) geen sprake van een mogelijke aantasting van erfgoed en/of andere historische waarden.

De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de doelstellingen die de gemeente heeft gesteld vanuit het thema kwaliteit landschap en erfgoed.

Zoals blijkt uit het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de vijf thema's die de gemeente heeft opgenomen in de omgevingsvisie. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen en beleidsuitgangspunten van de gemeente die zij hebben opgenomen in de Omgevingsvisie Bernheze 2040.

Hoofdstuk 5 Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving

5.1 Milieu

5.1.1 Activiteiten en milieuzonering

In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie "Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet" met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden. Er wordt daarbij vooral ingegaan op "Geluid door activiteiten" en "Geur", uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is.

In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde "geluidruimte zones" en "geurruimte zones" opgenomen. Binnen deze zones zijn in de publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige objecten die binnen de "geluidruimte zone" en "geurruimte zone" van die activiteit gelegen zijn. De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader.

In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als "rustige woonwijk/rustig buitengebied" en gebieden die zijn aan te merken als "gemengd gebied". Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten.

De locatie is gelegen in een gebied dat niet kan worden gezien als een "gemengd gebied". Daarom wordt het gebied waarin de locatie is gelegen aangemerkt als "rustige woonwijk" of "rustig buitengebied".

Het initiatief maakt een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf. Dit is het meest vergelijkbaar met de activiteiten verhuur opslagruimte (opslaggebouwen) en kleinschalig aannemersbedrijf.

De activiteiten verhuur van opslagruimte (opslaggebouwen) en kleinschalig aannemersbedrijf (met bruto vloeroppervlak niet meer dan 1.000 m²) vallen beiden, vanuit de tabel met activiteiten van de VNG, onder geluidruimte zone 1 en onder geurruimte zone FM. Omdat de locatie in een "rustige woonwijk/rustig buitengebied" is gelegen is de geluidruimte zone 30 meter en de geurruimte zone 10 meter groot. Wanneer binnen deze afstanden van de locatie voor geluid en/of geur gevoelige gebouwen zijn gelegen dan moet worden gekeken of met de activiteit aan de maximale waarden voor geur en geluid kan worden voldaan.

Binnen zowel de geluidruimte zone als de geurruimte zone die voor de activiteit geldt zijn geen gevoelige gebouwen gelegen. Het dichtstbijzijnde gevoelig gebouw betreft de agrarische bedrijfswoning aan de Dopheiweg 2 te Heeswijk-Dinther en is gelegen op een afstand van ongeveer 34 meter van de locatie. Het is daarmee niet te verwachten dat het initiatief zal leiden tot een overschrijding van de maximale waarden voor geluid en geur die het mag veroorzaken op de daarvoor gevoelige gebouwen.

Echter kan vanuit de inrit van het bedrijf van de initiatiefnemer sprake zijn van geluidhinder van de auto's en verreikers die het erf op of af rijden. In dat geval dient vanuit het begin van de inrit van de initiatiefnemer gemeten te worden. In het geldende omgevingsplan van rechtswege (het voormalige bestemmingsplan) is opgenomen dat bedrijfswoningen niet nieuw mogen worden gebouwd en dat vervangende nieuwbouw alleen binnen de bestaande fundamenten mogelijk is. Daarmee kan de woning aan de Dopheiweg 2 niet dichterbij de inrichting van de initiatiefnemer worden geplaatst dan in de huidige situatie. Dit betekent dat voor de afstand gemeten mag worden vanuit de inrit van de initiatiefnemer tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de huidige woning aan de Dopheiweg 2. Deze afstand bedraagt ongeveer 39 meter, waarmee eveneens geen sprake is van de ligging van deze woning binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het bedrijf van de initiatiefnemer.

De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen onevenredige hinder aan gevoelige gebouwen in de omgeving veroorzaken.

Als sprake is van het oprichten van een nieuw gevoelig gebouw of als een bestaand gevoelig gebouw van functie verandert dan is het belangrijk dat dit nieuwe of gewijzigde gevoelige gebouw niet zal leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig gebouw. Wel zal de bestaande bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een reguliere bedrijfswoning. Dit kan mogelijk van invloed zijn op omliggende bedrijven. Derhalve wordt voor de om te schakelen bedrijfswoning alsnog een nadere afweging gemaakt of sprake is van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de inrichtingen in de omgeving.

In de nabije omgeving van de locatie zijn de volgende inrichtingen gelegen:

  • Dopheiweg 2: Detailhandelsvoorziening.
  • Dopheiweg 2a: Burgerwoning.
  • Rukven 3: Recreatiebedrijf in de vorm van een vakantiegroepsverblijf.
  • Rukven 4: Agrarisch bedrijf, niet zijnde veehouderij.
  • Rukven 5a: Agrarisch bedrijf, zijnde een melkrundveehouderij.

Dopheiweg 2:

Aan de Dopheiweg 2 is een voorziening voor detailhandel gevestigd. Voor een dergelijke inrichting geldt vanuit de VNG handreiking een geluidruimte zone en een geurruimte zone van 10 meter. De afstand van de detailhandelsvoorziening aan de Dopheiweg 2 tot aan de locatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak) bedraagt ongeveer 34 meter, waarmee de locatie niet binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van de betreffende detailhandelsvoorziening zijn gelegen. De betreffende detailhandelsvoorziening zal daarmee niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

Dopheiweg 2a:

Aan de Dopheiweg 2a is een burgerwoning aanwezig. Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving en worden niet verder beperkt door nieuwe of andere gevoelige gebouwen. De voorgenomen verplaatsing van de bedrijfswoning zal daarmee niet leiden tot een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de betreffende burgerwoning.

Rukven 3:

aan de Rukven 3 is een recreatiebedrijf met vakantiegroepsverblijf (groepsaccommodatie) gevestigd. Voor een dergelijke inrichting geldt vanuit de VNG handreiking een geluidruimte zone van 50 meter en een geurruimte zone van 30 meter. De afstand van het betreffende recreatiebedrijf aan de Rukven 3 tot aan de locatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak) bedraagt ongeveer 97 meter. Daarmee is de locatie niet binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het betreffende recreatieverblijf zijn gelegen, waarmee het betreffende recreatiebedrijf niet in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden beperkt.

Rukven 4:

Aan de Rukven 4 is een agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij gevestigd. Voor een dergelijke inrichting geldt vanuit de VNG handreiking een geluidruimte zone van 30 meter en een geurruimte zone van 10 meter. De afstand van het betreffende agrarische bedrijf aan de Rukven 4 tot aan de locatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak) bedraagt ongeveer 100 meter, waarmee de locatie niet binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van het betreffende agrarische bedrijf is gelegen. Het betreffende agrarische bedrijf zal daarmee niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. In de handreiking van de VNG is echter opgenomen dat de systematiek voor agrarische bedrijven niet geheel toereikend is omdat deze sector eigen regels en aandachtspunten heeft. Om die reden is verderop in deze toelichting op de aspecten geur en geluid alsnog een nadere afweging gemaakt die voldoet aan de geldende regelgeving voor agrarische bedrijven.

Rukven 5a:

Aan de Rukven 5a is een agrarisch bedrijf, zijnde een melkrundveehouderij gevestigd. Vanuit de VNG handreiking geldt voor een dergelijke inrichting een geluidruimte zone van 30 meter en een geurruimte zone 100 meter. De afstand van de betreffende melkrundveehouderij tot aan de locatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak) bedraagt ongeveer 179 meter, waarmee de locatie niet binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van de betreffende melkrundveehouderij gelegen. Het betreffende melkrundveehouderijbedrijf wordt daarmee niet in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. In de handreiking van de VNG is echter opgenomen dat de systematiek voor agrarische bedrijven niet geheel toereikend is omdat deze sector eigen regels en aandachtspunten heeft. Om die reden is verderop in deze toelichting op de aspecten geur en geluid alsnog een nadere afweging gemaakt die voldoet aan de geldende regelgeving voor agrarische bedrijven.

5.1.2 Geur

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geur hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft de normen voor geur vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Deze verordening valt onder de zogenaamde "bruidsschat" en daarmee onder het "omgevingsplan van rechtswege". In de VFL zijn normen opgenomen voor verschillende deelgebieden. De locatie is gelegen in het deelgebied "extensiveringsgebied kernen, extensiveringsgebied natuur, woon-werk ontwikkelingsgebieden", waarvoor een geurnorm geldt op geurgevoelige gebouwen van 8 odeurunits per kubieke meter lucht (ouE/m³).

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bedrijf voor statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf. Een dergelijke inrichting veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. De geurnorm zal daarmee niet worden overschreden. Met de

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij. Daarmee zal de grote geuremissie van de intensieve veehouderij in zijn geheel komen te vervallen, waarmee de geurbelasting aan de omgeving juist aanzienlijk zal afnemen. Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving alleen maar verbeteren. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee een positief effect hebben op het aspect geur.

De activiteiten zijn daarnaast reeds vergund met een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het voorheen geldende bestemmingsplan en daarmee van het "omgevingsplan van rechtswege". Bij de aanvraag van deze vergunning zijn de activiteiten reeds getoetst aan de verschillende milieuaspecten. De vergunning zou niet verleend zijn als er milieuhygiënische belemmeringen te verwachten zouden zijn. Omdat de betreffende vergunning is verkregen zijn geen belemmeringen ten aanzien van de verschillende aspecten op het gebied van milieu te verwachten.

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten op het gebied van geur. Echter wordt wel een bestaande agrarische bedrijfswoning omgeschakeld naar een niet-agrarische bedrijfswoning. Omdat dit gevolgen kan hebben voor omliggende bedrijven dient voor de om te schakelen bedrijfswoning alsnog een afweging te worden gemaakt.

Omdat sprake is van de verplaatsing van een woning die behoort of op of na 19 maart 2000 heeft behoord tot een veehouderij hoeft voor wat betreft de voorgrondbelasting alleen te worden getoetst aan de vaste afstanden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Omdat beide locaties gelegen zijn buiten de bebouwde kom geldt dat de afstand tussen de emissiepunten van de dierenverblijven van veehouderijen tot aan de gevel van de te verplaatsen woning minimaal 50 meter moet bedragen en de afstand van de gevels van dierenverblijven van veehouderijen tot aan de gevel van de te verplaatsen woning minimaal 25 meter moet bedragen.

De gemeente Bernheze heeft in de VFL echter afwijkende vaste afstanden opgenomen. Vanuit de VFL moet de afstand tussen de emissiepunten van de dierenverblijven van veehouderijen tot aan de gevel van de te verplaatsen woning minimaal 25 meter bedragen. De afstanden tussen de gevels van een dierenverblijf en de gevel tussen de te verplaatsen woning moet wel nog steeds 25 meter bedragen.

De dichtstbijzijnde veehouderij betreft de melkrundveehouderij aan de Rukven 5a. De afstand van deze veehouderij tot aan de locatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak) bedraagt ongeveer 179 meter, waarmee ruimschoots aan de vaste afstanden wordt voldaan.

Verder dient te worden aangetoond dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Hiertoe is gekeken naar de achtergrondbelasting geur in het gebied.

De gemeente Bernheze heeft in 2013, gelijktijdig met de vastgestelde geurgebiedsvisie, de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder vastgesteld. Vanuit deze beleidsregel is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondbelasting op gevoelige objecten in het buitengebied niet meer dan 20 odeurunits per kubieke meter lucht (ouE/m³) bedraagt. De achtergrondbelasting ter plaatse bedraagt minder dan 20 ouE/m³, waarmee ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) heeft de voor het gehele grondgebied van de provincie Noord-Brabant berekend wat de actuele achtergrondbelasting is op basis van het huidige vergunningenbestand. De resultaten van deze berekeningen hebben zij in een kaart verwerkt waarop de actuele achtergrondbelasting is weergegeven. Zoals te zien in de volgende figuur bedraagt de achtergrondbelasting ter plaatse tussen de 7 en 13 ouE/m³. Gezien sprake is van een achtergrondbelasting van minder dan 20 ouE/m³ kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden geborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0006.png"

Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur.
Bron: ODZOB.

Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur.

5.1.3 Luchtkwaliteit

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.

Gemeenten moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten:

  • die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of
  • waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied.

Gemeenten dienen de normen voor luchtkwaliteit in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor luchtkwaliteit hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij) naar een niet-agrarisch bedrijf. Voor bedrijven is het van belang om te onderzoeken of deze kunnen leiden tot een verhoging van de concentratie binnen de aandachtsgebieden. Indien sprake is van een zogenaamde NIBM ontwikkeling dan is geen nadere toetsing nodig. Voor bedrijven geldt echter dat het aan de gemeente of initiatiefnemer is om aan te tonen of het betreffende bedrijf een NIBM ontwikkeling betreft.

De locatie is niet in of nabij een aangewezen aandachtsgebied voor zowel stikstofoxiden als fijnstof gelegen. De gehele gemeente Bernheze is echter wel aangemerkt als aandachtsgebied voor fijnstof. Om deze reden moet de gemeente voor fijnstof de zogenaamde rijksomgevingswaarden in acht nemen. Dit hoeft niet als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij, zijnde een pluimveehouderij beëindigd. Pluimveehouderijen hebben een grote emissie van fijnstof. Deze emissie zal met de voorgenomen beëindiging van het bedrijf in zijn geheel komen te vervallen. Daarmee zal de achtergrondcentratie in de omgeving aanzienlijk afnemen, waarmee de voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee juist een positief effect hebben op de luchtkwaliteit.

In de huidige situatie is sprake van het houden van pluimvee. Volgens de vigerende vergunning bedraagt de emissie van fijnstof van het huidige bedrijf 2.595.600 gram per jaar. Deze emissie komt met de voorgenomen ontwikkeling in zijn geheel te vervallen. Het bedrijf voor statische opslag en het kleinschalig aannemersbedrijf hebben zelf geen emissie van fijnstof. Wel heeft het verkeer een emissie van fijnstof. Zoals echter verderop in deze paragraaf is aangetoond heeft het verkeer een emissie die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van fijnstof (en stikstofoxiden). Daarmee zal de emissie van fijnstof als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling aanzienlijk afnemen, waarmee sprake is van een NIBM ontwikkeling.

Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

In onderhavig geval is sprake van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. Daarbij is uitgegaan van de totale verkeersgeneratie ten behoeve van de gewenste situatie en niet alleen van de toename. Hiermee kan in voldoende mate worden aangetoond of de gewenste activiteiten kunnen worden gezien als een NIBM-project.

De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0007.png"

Resultaten berekening NIBM-tool.
Bron: InfoMil.

Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen.

De activiteiten zijn daarnaast reeds vergund met een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het voorheen geldende bestemmingsplan en daarmee van het "omgevingsplan van rechtswege". Bij de aanvraag van deze vergunning zijn de activiteiten reeds getoetst aan de verschillende milieuaspecten. De vergunning zou niet verleend zijn als er milieuhygiënische belemmeringen te verwachten zouden zijn. Omdat de betreffende vergunning is verkregen zijn geen belemmeringen ten aanzien van de verschillende aspecten op het gebied van milieu te verwachten.

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten op het gebied van luchtkwaliteit. Echter is bij de voorgenomen ontwikkeling wel sprake van het omschakelen van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een niet-agrarische bedrijfswoning. Omdat dit mogelijk gevolgen heeft voor omliggende bedrijven wordt voor deze woning alsnog een afweging gemaakt. Daarbij is het van belang dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.

Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor fijnstof wanneer de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedragen dan:

  • stikstofoxiden (NO2): 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) als kalenderjaargemiddelde;
  • fijnstof (PM10): 40 µg/m³ als kalenderjaargemiddelde en 50 µg/m³ als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden;
  • Fijnstof (PM2,5): 25 µg/m³ als kalenderjaargemiddelde.

Volgens gegevens uit de Altas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gegevens uit de Monitoringstool van het NSL zijn verwerkt, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden, zoals weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse van de locatie ongeveer 16,1 (fijnstof) en 10,9 µg/m³ (stikstofoxiden). De achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) bedragen daarmee ter plaatse (aanzienlijk) minder dan 40 µg/m³. Het aandeel fijnstof PM2,5 is meegenomen in de concentratie van de fijnstof PM10. Omdat de concentratie van fijnstof PM10 al minder bedraagt dan 25 µg/m³ kan de concentratie van PM2,5 eveneens niet meer bedragen dan 25 µg/m³, waarmee aan de normen wordt voldaan. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0008.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM10).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0009.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden (NO2).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

5.1.4 Volksgezondheid

Vanuit de Omgevingswet moet sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van activiteiten in beeld worden gebracht en waar mogelijke zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Daarbij moet gevaar voor besmetting zoveel mogelijk worden voorkomen.

Vooral veehouderijen kunnen mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden. Dit speelt vooral bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. De gevolgen op de gezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via direct contact met de dieren, via de lucht, via de mest of via dierlijke voedingsmiddelen. Als sprake is van een veehouderij dan is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen van die veehouderij op de volksgezondheid in beeld worden gebracht.

De Omgevingswet bevat geen specifieke normen voor volksgezondheid. Wel is het belangrijk dat sprake is van een gezonde leefomgeving. Er is echter nog geen duidelijk resultaat uit de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. Het is daarom nog niet duidelijk op welke manier veehouderijen eventueel kunnen leiden tot mogelijke gevolgen voor de gezondheid. Tot dat er op basis van een duidelijk onderzoek een specifieke norm wordt vastgelegd moeten gemeenten zelf normen voor volksgezondheid opnemen in het geldende omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Totdat de gemeente een omgevingsplan vaststelt met daarin de normen voor volksgezondheid opgenomen zijn de huidige richtlijnen die worden gevolgd door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) het uitgangspunt voor het in beeld brengen van de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. De GGD volgt de uitgangspunten uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid”, het “Endotoxine toetsingskader” en het “onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”. Deze uitgangspunten zijn verwerkt in het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid”.

5.1.4.1 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid aan de omgeving

De gemeente Bernheze heeft in het geldende omgevingsplan geen specifieke normen opgenomen voor volksgezondheid, waarmee gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde “Handreiking veehouderijen en volksgezondheid” voor het in beeld brengen van de mogelijke effecten van veehouderijen op de volksgezondheid. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een veehouderij of wanneer bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten, wijzigen en/of uitbreiden van een veehouderij. Daarnaast is geen sprake van het houden van geiten of een combinatie van meerdere diersoorten en vindt geen bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaats. Verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) is daarmee niet nodig.

De GGD heeft, als aanvulling op de handreiking, de portaal omgevingsadvies gemaakt, waarin voor verschillende activiteiten een algemeen advies kan worden ingewonnen. Voor niet-agrarische bedrijvigheid geeft de GGD een aantal advieswaarden. Wanneer deze advieswaarden niet kunnen worden behaald dan is mogelijk een aanvullend advies op maat nodig. Het algemeen advies ziet toe op de volgende aspecten:

Luchtkwaliteit:

Voor fijnstof en stikstofoxiden worden daarbij als advieswaarden de volgende waarden voor de achtergrondconcentratie aangehouden:

  • Fijnstof (PM10): 15 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³).
  • Fijnstof (PM2,5): 5 µg/m³.
  • Stikstofoxiden (NO2): 10 µg/m³.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 5.1.3) bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden meer dan de advieswaarden. Echter zal de emissie van fijnstof en stikstofoxiden met de voorgenomen ontwikkeling met de beëindiging van de pluimveehouderij aanzienlijk afnemen. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verlaging van de achtergrondconcentraties.

De hinder aan de omgeving vanuit de pluimveehouderij is vele malen groter dan vanuit het gewenste niet-agrarische bedrijf. Met de voorgenomen ontwikkeling zal de hinder aan de omgeving daarmee juist alleen maar afnemen. Daarnaast wordt bij de gewenste bedrijvigheid waar mogelijk gebruik gemaakt van de best beschikbare technieken om overlast aan de omgeving te voorkomen. Daarnaast worden voldoende maatregelen getroffen om te voorkomen dat stoffen via ramen of deuren de panden verlaten.

Op dit punt is daarmee geen nader advies nodig.

Geur:

Vanuit de portaal omgevingsadvies geeft de GGD aan dat ook rekening moet worden gehouden met eventuele industriële geur. Daarbij worden de volgende advieswaarden gegeven:

"Een situatie wordt gezondheidskundig als goed beschouwd als er geen hinder is (streefwaarde). Als richtwaarde wordt 12% hinder en 0-3% ernstige hinder gehanteerd (nieuwe situatie). En als bovenwaarde wordt 20% hinder en 10% ernstige hinder gehanteerd (bestaande situatie)."

Met de voorgenomen ontwikkeling is echter geen sprake van activiteiten die leiden tot een emissie van (industriële) geur. Daarmee is geen sprake van een mogelijke overschrijding van de advieswaarden als gevolg van de uit te voeren activiteiten. Er zal daarmee geen sprake zijn van geurhinder aan de omgeving, ook niet als gevolg van industriële geur.

Op dit punt is daarmee eveneens geen nader advies nodig.

Geluid en trillingen:

De GGD adviseert daarnaast voldoende rekening te houden met geluid en trillingen. Voor geluid hanteert de GGD daarbij de volgende advieswaarden:

  • Maximaal (cumulatief) geluidsniveau van 50dB Lden op de gevel, ter bescherming van de gezondheid.
  • Maximaal (cumulatief) geluidsniveau van 40dB Lnight op de gevel gedurende de nacht om slaapverstoring zoveel mogelijk te voorkomen.
  • Maximaal geluidniveau binnen: 33dB Lden.

Zoals te zien in de volgende afbeelding bedraagt de geluidbelasting van alle bronnen op de woningen in de omgeving volgens de kaart "Geluid in Nederland" uit de Atlas Leefomgeving van het RIVM niet meer dan 50 dB. De geluidbelasting in de omgeving wordt, zoals te zien in de volgende afbeelding, uitsluitend veroorzaakt door het wegverkeer in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0010.png"

Uitsnede kaart "Geluid in Nederland" van de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

Volgens de kaarten "Geluid van wegverkeer" en "Geluid van wegverkeer 's nachts", zoals weergegeven in de volgende afbeeldingen, bedraagt de gemiddelde geluidbelasting (Lden) niet meer dan 50 dB en de geluidbelasting in de nacht (Lnight) niet meer dan 40 dB. Daarmee wordt aan de advieskundige waarden in de omgeving voldaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0011.png"

Uitsnede kaart "Geluid van wegverkeer" van de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0012.png"

Uitsnede kaart "Geluid van wegverkeer 's nachts" van de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

De voorgenomen ontwikkeling leidt daarnaast niet tot een toenemende geluidhinder aan de omgeving, maar, zoals omschreven in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 5.1.5) eerder tot een afname van de geluidhinder aan de omgeving.

Voor trillingen bestaat geen gezondheidskundige advieswaarde, omdat er nog onvoldoende wetenschappelijke inzichten zijn om een blootstelling-effect relatie af te leiden. Met het initiatief is echter geen sprake van activiteiten die leiden tot onevenredige trillingen aan de omgeving.

Op dit punt is daarmee eveneens geen nader advies nodig.

Bodem:

Vanuit de portaal omgevingsadvies adviseert de GGD om ook in voldoende rekening te houden met de bodem. Daarbij moet verontreiniging van de bodem en het grondwater zoveel mogelijk worden voorkomen.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Bodem" (paragraaf 5.1.7) is met het initiatief geen sprake van activiteiten die de bodem verontreinigen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verontreiniging van de bodem en/of het grondwater.

Op dit punt is daarmee eveneens geen nader advies nodig.

Duurzaamheid en water:

Ten slotte geeft de GGD in het algemeen advies aan dat gestreefd moet worden naar een duurzame ontwikkeling en goed omgaan met water. Daarbij wordt met name ingezet op hergebruik van stoffen, verantwoord energiegebruik, voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie, hittestress en het klimaatbestendig inrichten van bedrijventerreinen.

Met het initiatief is, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Duurzaam ontwikkelen" (paragraaf 5.6), sprake van een duurzame ontwikkeling waarbij in voldoende mate rekening is gehouden met duurzaamheid, energietransitie en klimaatadaptatie.

Op dit punt is daarmee eveneens geen nader advies nodig.

Het initiatief zal, gezien het voorgaande, geen mogelijke gevolgen hebben voor de volksgezondheid en wordt dan ook als aanvaardbaar beschouwd.

5.1.4.2 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie

Als nieuwe gevoelige gebouwen of locaties worden opgericht of als gevoelige gebouwen of locaties worden gewijzigd dan kan mogelijk sprake zijn van gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Het is in dat geval dan belangrijk om te bekijken of er sprake is van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid en zo ja, of deze dan aanvaardbaar zijn of dat deze kunnen worden beperkt.

Het is daarbij vooral van belang of in de omgeving van de locatie veehouderijen aanwezig zijn en/of bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt. Ligt de locatie nabij een veehouderij of een installatie voor de bewerking of verwerking van mest dan moet een verdere afweging worden gemaakt van de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Hiervoor moet een gemeente normen opnemen in het omgevingsplan.

In sommige gevallen kan een gemeente advies vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), waaruit dan moet blijken of sprake is van een aanvaardbare situatie.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten van gevoelige gebouwen en/of locaties. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Er wordt een bestaande agrarische bedrijfswoning omgeschakeld naar een niet-agrarische bedrijfswoning. Dit is en blijft echter een bestaande woning, waarmee geen sprake is van een verandering van de woonsituatie ter plaatse of een toename van het aantal personen op de locatie.

Daarmee zal geen sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie en wordt het initiatief als aanvaardbaar beschouwd.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Geluid vanuit activiteiten

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek wordt gevraagd. Dit betreffende volgende activiteiten:

  • Activiteiten waarbij tussen 19:00 en 7:00 per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen met een gewicht (voertuig inclusief lading) van meer dan 3.500 kilogram en binnen 50 meter van geluidgevoelige gebouwen (anders dan bij een tankstation of horecagelegenheid). Wanneer sprake is van agrarische activiteiten dan geldt deze verplichting alleen tussen 19:00 en 6:00.
  • Het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter (als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving).
  • Het overslaan van metalen in bulk in de buitenlucht of het mechanisch bewerken van metalen in de buitenlucht.
  • Het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden.
  • Het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken.
  • Het vervaardigen van betonmortel of betonwaren.
  • Een binnenschietbaan op minder dan 50 meter van een geluidgevoelig gebouw.
  • Een buitenschietbaan voor zover sprake is van een civiele of militaire schietbaan of militair springterrein (voor traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden is geen onderzoek nodig).
  • Activiteiten waarbij muziek ten gehore wordt gebracht dat een equivalent geluidsniveau veroorzaakt van 70 decibel in- of aanpandig met geluidgevoelige gebouwen en van 80 decibel in andere gevallen of wanneer muziek ten gehore wordt of zal worden gebracht in de buitenlucht.

Bij het initiatief worden geen van de voorgaande activiteiten uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van activiteiten ter plaatse waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Wel moet met de het initiatief aan de normen die gelden voor geluid uit het geldende omgevingsplan worden voldaan.

Binnen de geluidruimte zones, zoals zijn opgenomen in de handreiking van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor het aspect geluid bij bedrijven voor opslag en verhuur van opslagruimte en kleinschalig aannemersbedrijf, welke 30 meter bedraagt, zijn geen geluidgevoelige gebouwen gelegen. Daarmee kan de inrichting, ook met een eventuele marginale toename van het ter plaatse geproduceerde geluid, blijven voldoen aan de gangbare normen voor geluid. Eventuele hinder naar de omgeving is, mede gezien de grote afstand tot gevoelige objecten (in ieder geval buiten de geluidruimte zone van 30 meter), dan ook niet te verwachten.

Hiermee is het aannemelijk dat aan de normen kan worden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige gebouwen in de omgeving.

De activiteiten zijn daarnaast reeds vergund met een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het voorheen geldende bestemmingsplan en daarmee van het "omgevingsplan van rechtswege". Bij de aanvraag van deze vergunning zijn de activiteiten reeds getoetst aan de verschillende milieuaspecten. De vergunning zou niet verleend zijn als er milieuhygiënische belemmeringen te verwachten zouden zijn. Omdat de betreffende vergunning is verkregen zijn geen belemmeringen ten aanzien van de verschillende aspecten op het gebied van milieu te verwachten.

5.1.5.2 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Wanneer een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie verandert dan dient te worden bekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen dient binnen de aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw geluidgevoelig gebouw. Echter is bij de voorgenomen ontwikkeling wel sprake van de omschakeling van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een niet-agrarische bedrijfswoning. Omdat de bedrijfswoning wordt omgeschakeld wordt hiervoor alsnog een afweging gemaakt.

Ter plaatse van de huidige bedrijfswoning is sprake van een aanvaardbare geluidbelasting op de gevels. Bij de voorgenomen ontwikkeling komt de bedrijfswoning na omschakeling niet op kortere afstand van de weg en mogelijke andere geluidsbronnen te staan, waarmee geen sprake zal zijn van een hogere geluidbelasting op de gevels van de woning. Daarnaast is de locatie niet binnen een aandachtsgebied voor geluid gelegen van een weg, spoorweg of industrieterrein. Daarmee zal in de gewenste situatie eveneens sprake zijn van een aanvaardbare geluidbelasting op de gevels, en daarmee aan de normen worden voldaan.

Gezien het voorgaande is geen sprake van mogelijke belemmeringen op het aspect geluid.

5.1.6 Externe veiligheid

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Externe veiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.

Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over externe veiligheid. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van externe veiligheid wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico:

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, mits goed gemotiveerd, van afwijken.

De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed gemotiveerd, maatwerk toepassen.

Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen.

Groepsrisico:

Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor externe veiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het voormalige Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

5.1.6.1 Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van statische opslag en een kleinschalig aannemersbedrijf. Er is daarbij geen sprake van de opslag van gevaarlijke stoffen. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet aan te merken als een risicovolle inrichting.

Wel is op de locatie een tank voor de opslag van propaan met een inhoud van 2,5 m³ aanwezig. De opslag van propaan wordt vanuit bijlage VII van het Bkl wel gezien als een risicovolle activiteit. Voor tanks voor de opslag van propaan met een inhoud van minder dan 5 m³ en niet meer dan 5 bevoorradingen per jaar geldt een plaatsgebonden risicocontour van maximaal 25 meter. Binnen deze contour van de tank zijn geen (zeer/beperkt) kwetsbare gebouwen van derden gelegen, waarmee geen sprake is van onevenredige risico's voor gevoelige gebouwen in de omgeving.

Verder dient te worden onderzocht of nabij de locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle inrichtingen en transportroutes zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende figuur is een uitsnede uit deze kaart weergegeven, waarop de plaatsgebonden risisocontouren van mogelijke risicovolle activiteiten nabij de locatie zijn opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0013.png"

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

Nabij de locatie zijn enkele bedrijven gelegen met een plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour). Elk van deze bedrijven heeft een aangewezen PR-10-6-contour vanwege een op dat bedrijf aanwezige propaantank. Zoals te zien in de voorgaande figuur is de locatie buiten de PR-10-6-contour van de betreffende bedrijven en de propaantanks gelegen.

De locatie is eveneens niet binnen een PR-10-6-contour van een andere risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van het plaatsgebonden risico.

De activiteiten zijn daarnaast reeds vergund met een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het voorheen geldende bestemmingsplan en daarmee van het "omgevingsplan van rechtswege". Bij de aanvraag van deze vergunning zijn de activiteiten reeds getoetst aan de verschillende milieuaspecten. De vergunning zou niet verleend zijn als er milieuhygiënische belemmeringen te verwachten zouden zijn. Omdat de betreffende vergunning is verkregen zijn geen belemmeringen ten aanzien van de verschillende aspecten op het gebied van milieu te verwachten.

5.1.6.2 Groepsrisico

Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of transportroute moet een aanvullende afweging worden gemaakt van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen.

De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtsgebieden is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van statische opslag en een kleinschalig aannemersbedrijf. Er is daarbij geen sprake van de opslag van gevaarlijke stoffen. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen activiteit die is opgenomen in bijlage VII van het Bkl en is daarmee niet aan te merken als een risicovolle inrichting.

Wel is op de locatie een tank voor de opslag van propaan met een inhoud van 2,5 m³ aanwezig. De opslag van propaan wordt vanuit bijlage VII van het Bkl wel gezien als een risicovolle activiteit. Tanks voor de opslag van propaan met een inhoud van minder dan 5 m³ en niet meer dan 5 bevoorradingen per jaar hebben een brandaandachtsgebied van maximaal 25 meter en een explosieaandachtsgebied van maximaal 30 meter. Binnen de aandachtsgebieden van de betreffende tank zijn geen (zeer/beperkt) kwetsbare gebouwen van derden gelegen, waarmee geen sprake is van onevenredige risico's voor gevoelige gebouwen in de omgeving.

Ook de aandachtsgebieden zijn geïnventariseerd en in beeld gebracht in de kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Zoals te zien in de uitsnede van deze kaart, zoals is opgenomen in de volgende afbeelding, is de locatie niet binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0014.png"

Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.
Bron: RIVM.

Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van het groepsrisico.

De activiteiten zijn daarnaast reeds vergund met een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het voorheen geldende bestemmingsplan en daarmee van het "omgevingsplan van rechtswege". Bij de aanvraag van deze vergunning zijn de activiteiten reeds getoetst aan de verschillende milieuaspecten. De vergunning zou niet verleend zijn als er milieuhygiënische belemmeringen te verwachten zouden zijn. Omdat de betreffende vergunning is verkregen zijn geen belemmeringen ten aanzien van de verschillende aspecten op het gebied van milieu te verwachten.

5.1.7 Bodem

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is een belangrijk uitgangspunt het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en aantastingen. Daarnaast is een afweging nodig van de balans tussen milieu- en gezondheidsrisico’s enerzijds en maatschappelijk gewenste activiteiten anderzijds wanneer sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit.

Gemeenten dienen hiervoor regels in het omgevingsplan op te nemen. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor bodem hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving inzake bodem en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft ter voorbereiding op het omgevingsplan aanvullende regels voor bodem vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Deze verordening valt onder de zogenaamde "bruidsschat" en daarmee onder het "omgevingsplan van rechtswege". In de VFL zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt vanuit de VFL een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het gebruik van stoffen die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Een mogelijke uitzondering daarop is het eventueel lekken van olie uit de ter plaatse gestalde voertuigen. De vloeren in de bedrijfsbebouwing worden echter geheel vloeistofdicht uitgevoerd, waardoor er geen olie de bodem in kan lekken. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke bodemverontreiniging als gevolg van de uitgevoerde activiteiten.

Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van een nieuwe functie waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is echter wel sprake van de verplaatsing van de bestaande bedrijfswoning. Omdat de agrarische bedrijfswoning wordt omgeschakeld naar een niet-agrarische bedrijfswoning wordt deze beschouwd als een nieuwe verblijfsruimte. Daarvoor geldt dat deze niet mag worden opgericht op gronden die mogelijk verontreinigd zijn.

Om aan te tonen of sprake is van een mogelijke verontreiniging is door een deskundig bureau een historisch en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de mogelijk verdachte plaatsen op het erf. Uit dit onderzoek, waarvan het volledige rapport is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting, blijkt dat de bodem ter plaatse geschikt is voor de gewenste functies en dat er geen aanleiding is voor een vervolgonderzoek.

De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee geen betrekking op activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen en vindt niet plaats ter plaatse van een mogelijk verontreinigde bodem Er zijn daarmee ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijke belemmeringen te verwachten ten aanzien van het aspect bodem.

De activiteiten zijn daarnaast reeds vergund met een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het voorheen geldende bestemmingsplan en daarmee van het "omgevingsplan van rechtswege". Bij de aanvraag van deze vergunning zijn de activiteiten reeds getoetst aan de verschillende milieuaspecten. De vergunning zou niet verleend zijn als er milieuhygiënische belemmeringen te verwachten zouden zijn. Omdat de betreffende vergunning is verkregen zijn geen belemmeringen ten aanzien van de verschillende aspecten op het gebied van milieu te verwachten.

5.1.8 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige gebouwen is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de Gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat er op dit moment nog geen toereikend onderzoek beschikbaar is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige gebouwen. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en het hiermee mogelijk voorkomende risico voor de volksgezondheid is onbekend. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen het perceel waarop de teelt plaatsvindt en een te realiseren nieuwe gevoelige functies, zoals woningen, kan worden gehanteerd.

Verder is het belangrijk een afweging te maken of bij een perceel waarop (mogelijk) het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen);
  • de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid;
  • de frequentie van het spuiten;
  • de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting);
  • de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter).

Gemeenten dienen in het omgevingsplan voorwaarden op te nemen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Vanuit de Omgevingswet kunnen daarbij geen generieke spuitzones worden aangewezen. Wel kan voor specifieke combinaties van gebruikte middelen en een bepaalde teelt spuitzones worden aangewezen. Een gemeente kan in het omgevingsplan wel aanvullende regels opnemen zoals bijvoorbeeld een verplichting tot het aanbrengen van een groenblijvende haag tussen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en een gevoelig gebouw.

De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor gewasbeschermingsmiddelen hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige wetgeving en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In de zogenaamde "bruidsschat" zijn geen aanvullende regels opgenomen over gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen dient de afweging plaats te vinden op basis van de huidige inzichten.

Nabij de locatie is geen sprake van bomenteelt die wordt uitgevoerd en/of van akkerbouw met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.

Echter moet worden uitgegaan van de planologische mogelijkheden van de omliggende gronden. De gronden hebben een agrarische functie. Bomenteelt is vanuit het geldende omgevingsplan uitsluitend toegestaan ter plaatse van een specifieke aanduiding daarvoor. De omliggende gronden hebben deze niet, waarmee bomenteelt op de omliggende gronden is uitgesloten. Wel kan nog sprake zijn van het telen van andere gewassen met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het geldende omgevingsplan biedt daaraan geen verdere beperkingen.

Feitelijk worden de omliggende gronden niet gebruikt voor de teelt van gewassen met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en is dit in het verleden eveneens niet gebeurd. Vanuit jurisprudentie vanuit de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt dat als geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en in voldoende mate aannemelijk kan worden gemaakt dat verandering van het bestaande gebruik van die gronden onwaarschijnlijk is, geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Gezien het huidige gebruik en het gebruik van de gronden voor de teelt van gewassen zonder daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is het niet waarschijnlijk dat het gebruik van deze gronden zal veranderen. Het is daarmee niet aannemelijk dat op de omliggende gronden gewasbeschermingsmiddelen zullen worden gebruikt.

Daarnaast is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van nieuwe gevoelige functies. Daarmee zal geen sprake zijn van een mogelijk verhoogd risico ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen.

De activiteiten zijn daarnaast reeds vergund met een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het voorheen geldende bestemmingsplan en daarmee van het "omgevingsplan van rechtswege". Bij de aanvraag van deze vergunning zijn de activiteiten reeds getoetst aan de verschillende milieuaspecten. De vergunning zou niet verleend zijn als er milieuhygiënische belemmeringen te verwachten zouden zijn. Omdat de betreffende vergunning is verkregen zijn geen belemmeringen ten aanzien van de verschillende aspecten op het gebied van milieu te verwachten.

5.1.9 Hoogspanningsverbindingen

De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld.

Nabij de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.

5.1.10 Voortoets MER-beoordeling

Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.

Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een de omschakeling van een intensieve veehouderij naar een niet-agrarisch bedrijf. Bij de gewenste bedrijfsactiviteiten worden geen activiteiten uitgevoerd die voorkomen op de lijst uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor niet-agrarische bedrijvigheid waar geen activiteiten worden uitgevoerd die op de lijst uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit voorkomen geldt verder alleen een beoordelingsplicht als sprake is van een industrieterrein of van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een solitair bedrijf in het landelijk gebied. Omdat sprake is van slechts één bedrijf is er geen sprake van een bedrijventerrein. Er is namelijk geen sprake van een terrein waarop zich meerdere, al dan niet aaneengesloten, bedrijven kunnen vestigen. Daarnaast is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 4.1.2), geen sprake van een stedelijke ontwikkeling of van een stedelijk ontwikkelingsproject. Verder is geen sprake van aansluiting op een stedelijke ontwikkeling en is geen sprake van een verdere verstedelijking van het gebied.

Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een activiteit die aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee dan ook niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

5.2 Ecologie

De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden valt daarmee onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen op in de eigen omgevingsvisie. Daarnaast kunnen provincies nadere regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij eveneens het Natuurnetwerk Nederland beschermd dient te worden.

5.2.1 Natura 2000-gebieden

Om de natuur te beschermen, geeft de Rijksoverheid regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Zoals de specifieke zorgplicht en een informatieplicht bij ongewone voorvallen. Ook kan een vergunningplicht gelden.

Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn.

Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt wel eens de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd.

Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Wanneer een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig.

Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant.

Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek) is gelegen op een afstand van ongeveer 10,5 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand zijn nadelige gevolgen als de uitstraling van licht, geluid en/of trillingen uit te sluiten. Deze zullen in de betreffende gebieden op een dergelijke afstand immers niet merkbaar zijn. Wel kunnen mogelijk nadelige gevolgen optreden als gevolg van de depositie (neerslag) van stikstof in de betreffende gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0015.png"

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een veehouderij en/of een activiteit met een emissie van ammoniak. Er wordt juist een intensieve veehouderij met de daarbij behorende emissie van ammoniak beëindigd. Daarbij zal de emissie van ammoniak aanzienlijk afnemen. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden zal daarmee eveneens afnemen.

Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 5.4.2), niet onevenredig toenemen. De afname van de depositie van stikstof door de beëindiging van de emissie van ammoniak zal groter zijn dan de eventuele toename van de depositie door een mogelijk toenemende emissie van stikstofoxiden vanuit de verkeersbewegingen. Er is daarmee geen sprake van een toenemende emissie van stikstof bij de voorgenomen ontwikkeling. Daarmee zal de depositie van stikstof in de betreffende gebieden niet toenemen.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is met het rekenprogramma Aerius Calculator berekend of sprake is van een projecteffect dat mogelijk leidt tot significante effecten. Uit de berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 6 en 7 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar).

Gezien het voorgaande is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een activiteit die nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden.

De activiteiten zijn daarnaast reeds vergund met een omgevingsvergunning voor het tijdelijk afwijken van het voorheen geldende bestemmingsplan en daarmee van het "omgevingsplan van rechtswege". Bij de aanvraag van deze vergunning zijn de activiteiten reeds getoetst aan de voorheen geldende Wet natuurbescherming. De vergunning zou niet verleend zijn als er significante effecten op de betreffende gebieden te verwachten zouden zijn. Omdat de betreffende vergunning is verkregen zijn geen belemmeringen ten aanzien van de Natura 2000-gebieden te verwachten.

5.2.2 Houtopstanden

De Omgevingswet geeft regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand.

In feite gelden de regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen.

Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden als uitzondering vanuit het Bal.

Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels:

  • Houtopstanden op erven of in tuinen.
  • Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld.
  • Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen.
  • Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar.
  • Kweekgoed.
  • Populieren of wilgen van:
    • 1. wegbeplantingen;
    • 2. beplantingen langs waterwegen;
    • 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
  • Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen, bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand.
  • Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden:
    • 1. het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats;
    • 2. de beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid;
    • 3. een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken;
    • 4. de beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013.
  • Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel.
  • houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels vanuit de Omgevingswet over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Verder heeft de gemeente Bernheze aanvullende regels vastgesteld over de kap van bomen. Bij elke ontwikkeling gelden de regels zoals zijn opgenomen in het bomenbeleidsplan en het Handboek bomen, van waaruit eveneens de bomenposter "Werken rondom bomen" van toepassing is. Vanuit deze documenten mogen geen gemeentelijke bomen worden gekapt voor het gewenste initiatief.

Met het gewenste initiatief zal geen sprake zijn van de kap van gemeentelijke bomen. Er is daarmee geen sprake van strijdigheid met de aanvullende regels van de gemeente met betrekking tot de kap van bomen.

5.2.3 Soortenbescherming

In de Omgevingswet worden regels gesteld voor de bescherming van flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd.

Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

De grond op de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden en gronden op een agrarisch erf en is regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen soorten planten bevinden.

Binnen het projectgebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen diersoorten zullen bevinden.

Binnen het projectgebied zijn geen broedplaatsen van vogels aanwezig. De werkzaamheden zullen daarnaast buiten het broedseizoen plaatsvinden.

Er zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van het dempen van sloten. Het is daarmee niet aannemelijk dat soorten worden geschaad die zich in sloten hebben gevestigd.

Voor de sloop van de (voormalige) stallen is reeds een omgevingsvergunning verkregen en deze stallen zijn al gesloopt. Daarbij is het onderdeel flora en fauna reeds voldoende onderzocht. Het is daarmee niet aannemelijk dat het slopen van de bebouwing heeft geleid tot een mogelijke aantasting van beschermde soorten.

Het bestaande bijgebouw, zijnde een schuurtje bij de bedrijfswoning, zal op termijn worden gesloopt en worden vervangen door een nieuw bijgebouw. Mogelijk heeft de sloop van het schuurtje gevolgen voor soorten flora en fauna. Om dit te voorkomen wordt in de regels behorende bij dit plan voor deze locatie een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin het verplicht wordt gesteld om voorafgaand aan het slopen van het betreffende bijgebouw een onderzoek te doen naar mogelijk voorkomende soorten flora en fauna en de eventuele effecten daarop. Daarmee is in voldoende mate geborgd dat de sloop niet kan plaatsvinden voor de mogelijke effecten op soorten flora en fauna voldoende zijn afgewogen.

Op basis hiervan zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna. Er is daarmee geen sprake van een activiteit met mogelijk nadelige gevolgen voor soorten flora en fauna.

5.2.4 Natuurnetwerk Nederland

Omdat de natuur vanuit de Omgevingswet deel uitmaakt van de fysieke leefomgeving en voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden een algemene zorgplicht geldt dient ook voor gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming.

Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. Provincies stellen daarbij zelf regels op ter bescherming van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en heeft ten behoeve van het behoud en de bescherming van deze gebieden specifieke regels vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordening.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 300 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0016.png"

Uitsnede kaart NNN/NNB.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Indien een ontwikkeling niet binnen het NNN/NNB plaatsvindt dan dient te worden gekeken of de activiteit een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het betreffende gebied. Wanneer sprake is van een dergelijke mogelijke aantasting dan dienen de negatieve effecten waar mogelijk te worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten te worden gecompenseerd. Dit geldt niet voor eventuele effecten door de verspreiding van stoffen in de lucht of in het water.

Deze nadelige effecten treden met name op binnen een afstand van 250 meter van een NNN/NNB gebied. Wanneer er binnen deze afstand activiteiten worden uitgevoerd dan kan dit mogelijk leiden tot nadelige effecten op de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. Het gaat dan voornamelijk om effecten door de uitstraling van licht en geluid en door de emissie van fijnstof.

De locatie is niet binnen 250 meter van een NNN/NNB gebied gelegen. Gezien met de voorgenomen ontwikkeling geen ontwikkelingen in een NNN/NNB gebied en/of binnen 250 meter van een NNN/NNB gebied plaatsvinden zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

5.3 Cultureel erfgoed

Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen.

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Daarbij wordt de zorg voor cultureel erfgoed en voor cultuurgoederen in bezit van de overheid gereguleerd in de Erfgoedwet en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving in de Omgevingswet. Onder het cultureel erfgoed wordt onder andere verstaan de archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en aardkundige waarden.

5.3.1 Archeologie

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. Daarom zal de gemeente de vrijstelling ook met archeologisch-inhoudelijke redenen moeten onderbouwen.

Gemeenten nemen deze vrijstellingsgrenzen in het omgevingsplan op, afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden. De gemeente Bernheze heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor archeologisch onderzoek hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft nadere regels voor archeologie vastgelegd in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Deze verordening valt onder de zogenaamde "bruidsschat" en daarmee onder het "omgevingsplan van rechtswege". In de VFL is een verbod opgenomen om de bodem te verstoren ter plaatse van een archeologisch monument of in een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht.

Om te bepalen of sprake is van een gebied waarin archeologische vondsten kunnen worden verwacht heeft de gemeente in het voormalige bestemmingsplan "Buitengebied", dat deel uitmaakt van het "omgevingsplan van rechtswege" verwachtingswaarden opgenomen voor archeologie. De locatie is gelegen ter plaatse van de verwachtingswaarde "Waarde - Archeologie 3".

Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 2.500 m² en dieper dan 40 centimeter onder maaiveld.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch bedrijf. Daarbij zijn de (voormalige) pluimveestallen in zijn geheel gesloopt en worden ter plaatse van de voormalige stallen nieuwe (in oppervlakte kleinere) bedrijfsgebouwen opgericht.

De nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen zijn reeds vergund en mogen worden gebouwd volgens de daarvoor verkregen omgevingsvergunningen. Ook voor de sloop van de reeds gesloopte stallen is eerder reeds een omgevingsvergunning verkregen. Deze vergunningen kunnen alleen worden verkregen indien in voldoende mate zeker is gesteld dat ter plaatse geen sprake is van een mogelijke aantasting van archeologische resten en/of waarden. Gezien de vergunningen reeds zijn verkregen zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een mogelijke aantasting van archeologische resten en/of waarden.

Tevens vindt de nieuwbouw en sloop plaats ter plaatse van de bestaande bebouwing. Deze is in het voorheen geldende bestemmingsplan niet voorzien van een verwachtingswaarde, omdat de gronden daar reeds zijn onderzocht en/of verstoord. De ingrepen in de bodem vinden daarmee niet plaats binnen de verwachtingswaarde.

Nader onderzoek wordt gezien het voorgaande niet noodzakelijk geacht.

De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige effecten hebben op archeologische monumenten en/of op gebieden met een archeologische verwachtingswaarde.

5.3.2 Cultuurhistorie

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0017.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Enkele wegen in de omgeving zijn aangemerkt als historisch geografische lijnen in het landschap met een redelijk hoge waarde. Het is van belang dat deze lijnen niet onevenredig worden aangetast. Nabij de locatie is verder een historische groenstructuur aangewezen. Ook hierbij is het van belang dat deze niet onevenredig wordt aangetast. Daarbij is het belangrijk dat het landschap ter plaatse van de historische groenstructuur niet onevenredig wordt geschaad.

Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden de activiteiten en werkzaamheden plaats op een reeds bestaand bedrijf op het daarbij behorende bestaande erf. Het initiatief heeft geen aanpassingen en/of wijzigingen aan de infrastructuur in de omgeving tot gevolg en zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de omliggende wegen. Daarmee zullen de betreffende wegen niet worden aangetast. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van de historisch geografische wegen in de omgeving.

Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een mogelijke aanpassingen en/of wijzigingen aan de structuur van het landschap en/of de verkaveling. Daarmee zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de betreffende historische groenstructuur. Verder zal, zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), ter plaatse worden voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing welke aansluit bij de bestaande groene en landschappelijke structuren in de omgeving. Daarmee wordt het historisch groen eerder versterkt dan aangetast. Ten slotte is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij. Daarbij komt de uitstoot van mogelijk voor de natuur schadelijke stoffen in zijn geheel te vervallen, waardoor de voorgenomen ontwikkeling eerder een positief effect zal hebben op de betreffende als historisch aangemerkte groenstructuren in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van het historisch groen in de omgeving.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorisch waardevolle elementen worden aangetast.

5.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden

Vanuit de Omgevingswet moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook de aardkundig waardevolle gebieden. Voor deze gebieden nemen de provincies aanvullende regels op in de omgevingsverordening. Deze regels moeten gemeenten in acht nemen bij het opstellen van het omgevingsplan.

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0018.png"

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Provincie Noord-Brabant.

Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

5.4 Verkeer en parkeren

5.4.1 Infrastructuur en parkeren

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Dopheiweg. De locatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur en de bestaande inritten. Hierbij wordt rekening gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee is geen sprake van aantasting van de bestaande infrastructuur. De gemeente heeft daarbij aangegeven dat de weg geschikt is voor het gewenste initiatief.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt.

De gemeente Bernheze heeft in het parkeerbeleid parkeernormen opgenomen voor verschillende activiteiten. Voor opslaggebouwen geldt er vanuit het beleid een norm van 1,1 parkeerplaatsen per 100 m² vloeroppervlak. De opslag zal in totaal ongeveer 2.600 m² beslaan. Dit houdt in dat voor de opslag voorzien dient te worden in minimaal 29 parkeerplaatsen.

Op eigen terrein is ruim voldoende ruimte voor 29 parkeerplaatsen, waarmee parkeren geheel op eigen terrein zal plaatsvinden.

5.4.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in de omschakeling van een intensieve pluimveehouderij naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag en een kleinschalig aannemersbedrijf.

Voor wat betreft de verkeersbewegingen wordt aangesloten bij de landelijke kencijfers voor verkeersgeneratie zoals zijn vastgelegd in de handreiking "Verkeersgeneratie en parkeerkencijfers" van het Kennisplatform CROW.

Voor opslag in het buitengebied geldt een verkeersgeneratie van 0,8 verkeersbewegingen per 100 m² vloeroppervlak per dag. Bij een oppervlakte van ongeveer 2.600 m² betekent dit 20,8 (afgerond 21) verkeersbewegingen per dag, waarvan gemiddeld maximaal 1 met vrachtverkeer (gebaseerd op 5% van het totale verkeer, zoals is meegenomen in de handreiking van het CROW).

In de gewenste bedrijfssituatie zal in de worst-case situatie daarmee sprake zijn van gemiddeld 21 verkeersbewegingen per dag. Uitgaande dat de activiteiten uitsluitend in de dagperiode (de periode van 7:00 tot 19:00) plaatsvinden, is sprake van gemiddeld nog geen twee verkeersbewegingen per uur. Dit betekent slechts één voertuig per uur. Dit is geen onevenredig groot aantal verkeersbewegingen.

Daarnaast zullen de verkeersbewegingen die in de huidige situatie plaatsvinden ten behoeve van de intensieve pluimveehouderij in zijn geheel komen te vervallen. Daarmee zal de toename van het aantal verkeersbewegingen in vergelijking met de huidige situatie nihil of slechts zeer beperkt zijn. Bij de huidige pluimveehouderij is sprake van een groot aandeel vrachtverkeer. Dit aandeel zal bij de gewenste activiteiten aanzienlijk kleiner zijn, waarmee de eventuele hinder vanuit het verkeer ten behoeve van het bedrijf naar de omgeving zal verminderen. Daarnaast vinden in de huidige pluimveehouderij incidenteel (met het laden van het pluimvee) verkeersbewegingen met vrachtverkeer in de avond- en nachtperiode plaats. Bij de gewenste activiteiten zullen deze uitsluitend in de dagperiode plaatsvinden. Ook dit zal leiden tot een verminderde mogelijke hinder aan de omgeving.

5.5 Water

Het watersysteem is een essentieel onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater.

Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang centraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moet gemeente rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor de gevolgen voor het beheer van watersystemen.

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken.

De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas. Daarmee is het waterschap Aa en Maas de waterbeheerder dient de gemeente de opvattingen van het waterschap bij het opstellen van het omgevingsplan te betrekken.

5.5.1 Beleid waterschap

Gemeenten en provincies dienen omgevingsvisies op te stellen voor het eigen grondgebied. Waterschappen stellen zelf geen omgevingsvisie op. Ze hebben wel beleidsdoelen. Het is de bedoeling dat ze hun beleid inbrengen als provincies hun omgevingsvisies opstellen. Het waterschap kan als waterbeheerder zijn ambities en beleidskeuzes wel in een visie of ander beleidsdocument aangeven. Daarnaast stelt het waterschap een waterschapsverordening vast. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied.

Waterschapsverordening waterschap Aa en Maas 2024:

Met de invoering van de Omgevingswet is het beleid zoals is opgenomen in de Waterschapsverordening Aa en Maas 2024 in werking getreden. De waterschapsverordening bevat aanvullende bepalingen voor wateractiviteiten in het belang van:

  • het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
  • het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
  • de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Verder zijn in de waterschapsverordening aanvullende regels opgenomen voor activiteiten in de aangewezen beperkingsgebieden en zijn gevallen aangewezen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist.

In de waterschapsverordening is een verbod opgenomen voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam en voor het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam. Voor de afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater is hiervoor een aantal uitzonderingen opgenomen. Het betreffende verbod geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam, als er maximaal 100 m³ water per uur wordt geloosd en/of voor het afvoeren van hemelwater van verhard oppervlak naar het oppervlaktewater als:

  • het verhard oppervlak niet toeneemt met meer dan 500 m²;
  • de toename van het verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak;
  • het verhard oppervlak toeneemt tussen de 500 m² en 10.000 m² en hiervoor compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de rekenregel;
  • er maximaal 10.000 m² bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.

De rekenregel voor het afvoeren van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak bij een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is daarbij als volgt:

"benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> (normwaarde in geo-object) x 0,06 (in m)"

Waterbeheerplan:

Op 1 december 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van waterschap Brabantse Delta vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen willen gaan halen.

Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s:

  • 1. Waterveiligheid; Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
  • 2. Klimaatbestendig en gezond watersysteem; Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
  • 3. Schoon Water; In het programma ‘Schoon Water’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol.

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.

Keur:

De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.

Legger:

De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Vanuit de legger is te zien dat in de buurt van de locatie een A-watergang (ten westen en ten zuiden van de locatie) en een B-watergang (ten noorden van de locatie) is gelegen. Deze watergangen hebben een beschermingszone voor de bescherming, het behoud en onderhoud daarvan. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie echter buiten de beschermingszones van deze watergangen gelegen. Daarmee zullen de betreffende watergangen niet worden beperkt of geschaad.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0019.png"

Uitsnede kaart legger oppervlaktewater.
Bron: Waterschap Aa en Maas.

5.5.2 Voorgenomen activiteit

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van een agrarische intensieve veehouderij naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag en een kleinschalig aannemersbedrijf. Ten behoeve van de voorgenomen activiteiten zijn de bestaande (voormalige) pluimveestallen (ongeveer 3.350 m²) gesloopt en wordt in totaal ongeveer 2.644 m² aan nieuwe bedrijfsbebouwing opgericht. Dit betekent een afname van het verhard oppervlak met ongeveer 706 m². Tevens zal de bestaande agrarische bedrijfswoning worden omgeschakeld naar een niet-agrarische bedrijfswoning. Daarbij zal het verhard oppervlak echter niet toenemen, waarmee ook met de omschakeling van de bedrijfswoning inbegrepen er sprake zal zijn van een afname van het verhard oppervlak ter plaatse.

Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de richtlijnen die zij hebben vastgelegd in de waterschapsverordening, zoals nader zijn omschreven in de paragraaf "Beleid waterschap" (paragraaf 5.5.1). In het kort gelden de volgende regels.

  • Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak niet toeneemt of met minder dan 500 m² toeneemt is geen aanvullende compensatie nodig.
  • Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met meer dan 500 m², maar minder dan 10.000 m², dient compenserende waterberging te worden toegepast. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van de rekenregel.
  • Voor ontwikkelingen waarbij het verharde oppervlak toeneemt met 10.000 m² of meer dient in overleg met het waterschap maatwerk te worden toegepast. Hiervoor is eveneens een omgevingsvergunning nodig.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Hiermee is vanuit de richtlijnen van het waterschap geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

De gemeente Bernheze heeft echter aanvullend beleid opgenomen. Vanuit de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) geldt dat voor iedere toename van het verhard oppervlak aanvullende compensatie nodig is op eigen terrein. Daarbij mag een eventuele afname van het verhard oppervlak niet worden meegerekend. Dit betekent dus dat iedere m² aan nieuwe bebouwing en/of verharding gecompenseerd moet worden, ongeacht of op een locatie ook wordt gesloopt en/of verharding wordt verwijderd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van twee nieuwe loodsen met een gezamenlijke oppervlakte van 1.550 m². Daarnaast zal de huidige agrarische bedrijfswoning met de bijbehorende bijgebouwen worden omgeschakeld naar een niet-agrarische bedrijfswoning. De bedrijfswoning, inclusief bijgebouwen, heeft een totale oppervlakte van ongeveer 380 m².

Tevens is sprake van ongeveer 1.750 m² aan nieuwe erfverharding. Ondanks dat in ruil daarvoor dus meer bebouwing en verharding wordt gesloopt en verwijderd dient voor de volledige nieuwe oppervlakte, zijnde ongeveer 3.680 m², aanvullende compensatie nodig is.

Vanuit de VFL geldt voor compensatie dat per m² aan nieuwe bebouwing of verharding minimaal 20 millimeter aan compenserende waterberging nodig is. Voor de voorgenomen ontwikkeling betekent dit dat minimaal 73,6, afgerond 74 m³ aan compenserende waterberging nodig is. Op welke wijze compensatie zal plaatsvinden is nader uitgewerkt in de paragraaf "Compenserende waterberging" (paragraaf 5.5.3).

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:

  • zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen;
  • duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast;
  • een bergingsvoorziening gerealiseerd.

De aansluiting van de om te schakelen bedrijfswoning vindt plaats op het drukriool. Het type aansluiting wordt vooraf afgestemd met de beheerder van het riool.

Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

5.5.3 Compenserende waterberging

Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 5.5.2) is voor de voorgenomen ontwikkeling minimaal 74 m³ aan compenserende waterberging nodig.

Het is van belang dat de gewenste bergingsvoorziening boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt uitgevoerd, zodat het water ruimte heeft te infiltreren of vertraagd af te stromen naar het oppervlaktewater. De GHG ter plaatse bedraagt tussen de 53 en 55 centimeter onder maaiveld, waarmee 50 centimeter onder maaiveld als maximale bergingsdiepte kan worden toegepast.

De initiatiefnemer heeft voor de waterberging een sloot gegraven langs de oostelijke en zuidelijke erfgrens. Deze sloot heeft een totale lengte van ongeveer 290 meter en heeft ruim voldoende capaciteit om het hemelwater afkomstig van de locatie te bergen. De gestelde compensatie van 74 m³ kan hierin ruimschoots worden geborgen. De gewenste ligging van de bergingsvoorziening is in de volgende figuur nader weergegeven. Daarin is tevens te zien dat de waterberging reeds is gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.TAM22a-VG01_0020.png"

Situatietekening met waterberging.
Bron: PDOK Viewer en StreetSmart van Cyclomedia.

Om de huidige sloot als volwaardige voorziening voor waterberging te laten functioneren moet deze worden voorzien van een stuw met een vertraagde afvoer. De betreffende sloot sluit zoals te zien in de voorgaande figuur niet aan op de andere sloten in de omgeving en is volledig afgedamd en daarmee voorzien van een stuw. Het betreft dus een op zichzelf staande voorziening voor de berging van water. In nader overleg met het waterschap zal worden bekeken of de betreffende sloot nog moet worden voorzien van een pijp voor een vertraagde afvoer. Indien dit noodzakelijk blijkt voor een goede werking van de bergingsvoorziening dan zal deze worden aangebracht.

Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning en/of een ontheffing noodzakelijk. Mocht een omgevingsvergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.

5.6 Duurzaam ontwikkelen

Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op duurzame wijze ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (voor het bijdragen aan de energiedoelstellingen) en klimaatadaptatie.

5.6.1 Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het van belang te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar wordt gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten.

Gemeenten kunnen in de regels van het omgevingsplan vastleggen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij kunnen bijvoorbeeld regels worden opgenomen over het bergen van water, het natuurinclusief bouwen of het voorkomen van hittestress door hittebestendig te bouwen. Daarnaast kan een gemeente in het omgevingsplan omgevinswaarden vastleggen. Dit is een norm die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving (of een deel daarvan) vastlegt als beleidsdoel. Dit kunnen duidelijk meetbare doelen zijn, zoals bijvoorbeeld dat er binnen een bepaalde termijn een bepaald aantal windmolens en/of een bepaald aantal hectare aan zonnepanelen gerealiseerd moet zijn.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor duurzaamheid zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid vastgelegd in een voorheen geldend bestemmingsplan of in een specifieke verordening. Ook in de gemeentelijke Verordening Fysieke Leefomgeving zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met duurzaamheid en duurzaam ontwikkelen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Met het beëindigen van de intensieve veehouderij komen de emissies vanuit het bedrijf vrijwel geheel te vervallen. Daarmee zal de milieuhinder aan de omgeving aanzienlijk afnemen, waarmee de kwaliteit van de leefomgeving in de omgeving (aanzienlijk) zal verbeteren. Een kleinschalig bedrijf voor statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf heeft immers een aanzienlijk lagere milieubelasting dan een volwaardige intensieve veehouderij. Dit draagt bij aan een verbeterde omgevingskwaliteit.

Daarnaast zal de emissie van broeikasgassen afnemen met de voorgenomen ontwikkeling. Er zal bij de voorgenomen ontwikkeling namelijk niet langer sprake zijn van het houden van dieren, waarmee de emissie van broeikasgassen (koolstofdioxide en methaan) vanuit de gehouden dieren in zijn geheel zal komen te vervallen. Daarnaast is het bij een volwaardige intensieve veehouderij van belang dat de stallen op de juiste temperatuur worden gehouden, waarmee in de koudere maanden verwarming van de stallen nodig is. Voor statische opslag en een kleinschalig aannemersbedrijf is de temperatuur niet van belang, waarmee verwarming van de bedrijfsgebouwen niet langer, of in ieder geval in aanzienlijk mindere mate, noodzakelijk is. Daarnaast is het niet langer nodig om de bedrijfsgebouwen mechanisch te ventileren, waarmee het energieverbruik zal afnemen.

De nieuwe bebouwing is gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie, waarbij eveneens wordt voldaan aan de norm voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG). Ten aanzien van de voormalige bedrijfsbebouwing is daarmee sprake van een aanzienlijke verbetering op het gebied van duurzaamheid en energiezuinigheid. Tevens zijn de gebouwen constructief al geschikt gemaakt om deze op termijn eventueel te kunnen voorzien van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie, zoals bijvoorbeeld zonnepanelen.

Er is daarmee sprake van een duurzame ontwikkeling.

5.6.2 Energietransitie

Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op duurzame en schone wijze wordt opgewekt.

Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor energietransitie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor energietransitie vastgelegd in een voorheen geldend bestemmingsplan of in een specifieke verordening. Ook in de gemeentelijke Verordening Fysieke Leefomgeving zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor energietransitie opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor energietransitie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een volwaardig intensief veehouderijbedrijf beëindigd en omgeschakeld naar een bedrijf voor statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf. De voormalige stallen zijn daarbij in zijn geheel gesloopt en er zijn nieuwe loodsen opgericht waarin de activiteiten plaatsvinden. De nieuwe loodsen zijn gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie en hebben daarmee een lagere energiebehoefte dan de voormalige bedrijfsgebouwen. Daarnaast was het bij de voormalige intensieve veehouderij van belang dat de stallen op temperatuur gehouden werden. Dit vroeg, met name in de koude en hele warme maanden, om een behoorlijk energieverbruik. Voor de gewenste activiteiten is het niet langer van belang de gebouwen op temperatuur te houden en hoeft hooguit alleen in de koude wintermaanden verwarmd te worden om de gebouwen vorstvrij te houden. De gewenste bedrijfsvoering heeft daarmee een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan de voormalige intensieve veehouderij. Dit komt ten goede aan de energiedoelstellingen.

Verder is de bedrijfsbebouwing constructief geschikt gemaakt om deze op termijn te kunnen voorzien van voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie, zoals bijvoorbeeld zonnepanelen op de daken.

Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die bijdraagt aan de doelstellingen voor energietransitie.

5.6.3 Klimaatadaptatie

Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen maatgevende buien steeds vaker voor. Het is van belang om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen.

Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

De gemeente Bernheze heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Daarmee is nog geen sprake van een omgevingsplan waarin regels en/of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie zijn opgenomen. Tot die tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt waarin deze regels en/of omgevingswaarden zijn opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De gemeente Bernheze heeft in paragraaf 3.4 van de Verordening Fysieke Leefomgeving regels opgenomen over de afvoer van hemelwater en waterberging. Deze regels zijn aan te merken als aanvullende regels voor klimaatadaptatie. Toetsing aan deze regels heeft reeds plaatsgevonden in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5). Uit deze toetsing blijkt dat met het initiatief aan deze aanvullende regels kan worden voldaan. Voor het overige heeft de gemeente nog geen aanvullende regels of omgevingswaarden voor klimaatadaptatie vastgesteld. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met mogelijkheden voor klimaatadaptatie.

Vermindering uitstoot broeikasgassen:

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een volwaardig intensief veehouderijbedrijf beëindigd en omgeschakeld naar een bedrijf voor statische opslag en voor een kleinschalig aannemersbedrijf. Het gehouden vee op een intensieve veehouderij leidt tot een grote emissie van broeikasgassen. Met de voorgenomen ontwikkeling komt deze emissie in zijn geheel te vervallen, waardoor er aanzienlijk minder broeikasgassen in de lucht terecht komen vanuit de locatie.

Daarnaast zijn de voormalige stallen in zijn geheel gesloopt en zijn nieuwe loodsen opgericht waarin de activiteiten plaatsvinden. De nieuwe loodsen zijn gebouwd volgens de huidige eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie en hebben daarmee een lagere energiebehoefte dan de voormalige bedrijfsgebouwen. Daarnaast was het bij de voormalige intensieve veehouderij van belang dat de stallen op temperatuur gehouden werden. Dit vroeg, met name in de koude en hele warme maanden, om een behoorlijk energieverbruik. Voor de gewenste activiteiten is het niet langer van belang de gebouwen op temperatuur te houden en hoeft hooguit alleen in de koude wintermaanden verwarmd te worden om de gebouwen vorstvrij te houden. De gewenste bedrijfsvoering heeft daarmee een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan de voormalige intensieve veehouderij. Ook dit leidt tot een aanzienlijke vermindering van het aantal broeikasgassen dat in de lucht terecht komt.

Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is de voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt en zijn nieuwe landbouwloodsen terug gebouwd. Deze zijn echter minder groot dan de voormalige stallen, waarmee sprake is van een afname van het bebouwd en verhard oppervlak. Daarmee is sprake van minder hemelwater dat versneld vanuit het verhard oppervlak wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven in de paragraaf "Water" (paragraaf 5.5), sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling, waarbij wordt voorzien in compenserende waterberging. Daarbij is deze voldoende groot aangelegd om de verharde oppervlakte op de locatie in zijn geheel te compenseren volgens de richtlijnen van het waterschap en de gemeente.

Daarnaast is de locatie gelegen op zandgronden met een relatief hoge infiltratiecapaciteit. Dit betekent dat in geval van extreme neerslag inundatie van percelen rondom de locatie mogelijk is, waarbij delen van de percelen gedurende één dag onder water kunnen staan zonder dat dit overlast veroorzaakt aan omliggende percelen.

De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag.

Overstromingen:

De locatie is niet nabij een waterkering of een grote rivier, meer of zee gelegen. Daarnaast is de locatie relatief hoog gelegen (tussen de 6,5 en 7 meter) ten aanzien van het Nieuw Amsterdams Peil (NAP). Daarmee is de kans op overstromingen op de locatie relatief laag. Vanuit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu is voor de locatie opgenomen dat deze deels niet zal overstromen en de kans op een overstroming op het andere deel niet hoger is dan 1 keer in de 100.000 jaar. Dat betreft geen grote kans op een overstroming.

Verder zijn de eerste en tweede verdieping van de woning en de daken van de bedrijfsbebouwing veilig, waardoor er bij een overstroming daar toevlucht kan worden gezocht.

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot onevenredige risico's voor overstromingen.

Voorkomen van hittestress:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is de voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt en zijn nieuwe loodsen waarin de gewenste activiteiten plaatsvinden gerealiseerd. Deze nieuwe loodsen zijn opgericht volgens de huidige eisen ten aanzien van isolatie en duurzaamheid. De nieuwe loodsen zijn daarmee beter bestendig tegen hitte dan de voormalige stallen. Ook zullen deze minder hitte uitstralen door blootstelling aan zonlicht.

Verder leiden de nieuwe loodsen tot voldoende schaduwwerking op het erf. Daarnaast wordt ter plaatse voorzien in een goede landschappelijke inpassing, waarbij nieuwe bomen en landschappelijke elementen worden aangelegd. Dit leidt tot meer schaduw op het erf, waarmee wordt bijgedragen aan minder hittestress op de locatie.

Rondom en nabij de locatie is daarnaast voldoende water aanwezig. Dit werkt verkoelend en helpt bij de voorkoming van hittestress.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is daarmee voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van hittestress.

Rekening houden met droogte:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een goede landschappelijke inpassing, waarbij nieuwe landschappelijke elementen worden aangelegd. Dit draagt bij aan een meer groene omgeving. Daarnaast is om en nabij het plangebied voldoende water aanwezig.

Op de locatie is voorzien in compenserende waterberging. In de voorziening voor waterberging kan in tijden van overvloedige neerslag water worden opgevangen en worden vastgehouden, zodat dit ook in perioden van droogte kan worden benut.

Verder vinden ter plaatse geen activiteiten met onttrekkingen van grond- en/of oppervlaktewater plaats.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt daarmee in voldoende mate rekening gehouden met droogte.

Gezien het voorgaande is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van klimaatadaptatie.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om de kosten te verhalen op de initiatiefnemers.

De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen.

De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag.

Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan). Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot het verhalen van de gemaakte kosten. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakende besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende schade leiden. De gemeente verhaalt de kosten die zij hiervoor maakt middels de hiervoor genoemde anterieure overeenkomst. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd (zoals bedoeld in artikel 13.3C van de Omgevingswet).

Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geregeld, waarmee het plan economisch uitvoerbaar wordt geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Bernheze met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De bekendmaking van de voorgenomen wijziging wordt door de gemeente gepubliceerd via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB).

Gemeenten stellen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan normaal gesproken op volgens de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met bijhorende toepassingsprofielen (TPOD). De TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. De TAM moet voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.

In de tijdelijke situatie worden met de voormalige techniek (voormalige planapplicaties) via de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro)-standaard (IMRO-standaard) wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekendgemaakt (conform inhoudelijke eisen Omgevingswet). In deze situatie vindt bekendmaking niet plaats via publicatie naar de LVBB, maar op de huidige gebruikelijke wijze. Dit betekent dat het vaststellingsbesluit via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad wordt gepubliceerd, en het met IMRO vormgegeven plandeel op ruimtelijkeplannen.nl. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen. Dit tijdelijke alternatief wordt aangeduid als de TAM-IMRO.

De wijziging van een omgevingsplan met de TAM vindt plaats in een aantal fasen. Deze zijn als volgt:

Voorbereiding:

Tijdens de voorbereiding wordt de opdracht tot wijziging vastgesteld, afstemming georganiseerd en andere input opgehaald. Op basis hiervan worden de uitgangspunten voor het ontwerpbesluit van de omgevingsplanwijziging opgesteld.

Ontwerpen:

In de fase ontwerpen wordt op basis van de uitgangspunten uit de voorbereiding het ontwerpbesluit opgesteld. Tegelijkertijd worden de daarmee corresponderende (toepasbare) regels opgesteld of gewijzigd.

Besluiten:

Bij het besluiten wordt de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgevoerd en wordt het besluit vastgesteld.

Bekendmaking:

Bij de bekendmaking wordt het besluit gepubliceerd en worden belanghebbenden geïnformeerd. De noodzakelijk toepasbare regels worden aangeleverd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Rechtsbescherming:

In de fase rechtsbescherming kunnen belanghebbenden tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Met het doorlopen van de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel, waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij participatie heeft plaatsgevonden en waarbij wordt bijgedragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet, wordt de voorgenomen ontwikkeling maatschappelijk uitvoerbaar geacht.