direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hoevenseweg 12a, Wagenberg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1719.0bp18hoevensew12a-vg01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

Het voornemen bestaat om het bedrijfsgebouw aan de Hoevenseweg 12a in Wagenberg in gebruik te nemen als woning met opslag als ondergeschikte functie. Hiervoor wordt een ruimte-voor-ruimte titel verkregen. Deze ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Hoevenseweg 12a in Wagenberg in de gemeente Drimmelen. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.0bp18hoevensew12a-vg01_0002.png"

Ligging plangebied (openstreetmap.org)

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Hoevenseweg 12a ten westen van de kern Wagenberg. Bijgevoegde afbeelding geeft dit globaal aan. De Hoevenseweg is een smalle, rustige weg waaraan zich voornamelijk woningen en enkele agrarische bedrijven bevinden. Rondom de bebouwing liggen agrarische gronden. Direct ten westen van het plangebied bevindt zich een hoveniersbedrijf met caravanopslag. Ten oosten en zuiden van het plangebied staan woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.0bp18hoevensew12a-vg01_0003.png"

Luchtfoto met plangebied rood omlijnd

Achterin het plangebied bevindt zich een bedrijfsgebouw dat in gebruik is als opslaglocatie met een ondersteunend kantoor. Het gehele perceel is 2.650 m² groot, de bebouwing beslaat een oppervlakte van circa 400 m² en heeft een volume van circa 1.500 m³. Het plangebied is grotendeels verhard.

2.2 Toekomstige situatie

Door middel van het verkrijgen van een ruimte-voor-ruimte titel wordt het bestaande gebouw deels in gebruik genomen als woning. Het overige deel van het gebouw blijft in gebruik voor opslag. De hoofdfunctie verandert in wonen, waarbij de opslag activiteiten ondergeschikt zijn.

Door de woning in de bestaande bebouwing te realiseren, is er geen sprake van toename aan bebouwing in het buitengebied. Tevens blijft de bebouwing op deze manier visueel onderdeel uitmaken van het erf van de Hoevenseweg 12. Daarmee blijft er ook sprake van enige openheid in het straatbeeld, wat past in de omgeving. Er is namelijk geen sprake van een strak bebouwingslint langs de Hoevenseweg. Deze stedenbouwkundige opzet past goed bij het buitengebied en het karakter van de Hoevenseweg. De woning zal maximaal 750 m³ van het bestaande gebouw innemen, wat aansluit bij het maximale volume van een woning in het buitengebied. Het overige deel van het gebouw blijft voor opslag in gebruik tot een oppervlakte van maximaal 250 m².

De tekeningen in bijlage 1 laten zien dat het realiseren van een woning in de bestaande bebouwing en het opwaarderen van de beeldkwaliteit van de bestaande bebouwing goed mogelijk is. De tekeningen betreffen voorbeelduitwerkingen en niet een definitief ontwerp. In bijlage 1 bij de regels is een beplantingsplan opgenomen, waarin de landschappelijke inpassing van het perceel is geregeld. Voor het realiseren van de landschapselementen aan de voorzijde en de achterzijde van het perceel is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Per 1 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro.

Ladder duurzame verstedelijking

Jurisprudentie heeft uitgewezen dat er bij ontwikkelingen waarbij de toename van het aantal woningen beperkt blijft tot 11 of minder, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Aangezien de ontwikkeling enkel een functieverandering in bestaande bebouwing betreft, waarbij slechts één woning wordt toegevoegd, hoeft de ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen te worden.

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie welke in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen. Een deel van het provinciale beleid uit de vigerende beleidsstukken is nog steeds actueel en blijft ongewijzigd. De provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren.

De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn: groenblauwe structuur, agrarische structuur, stedelijke structuur en infrastructuur.

Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen.

Verordening Ruimte

In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn.

Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.

Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:

  • ruimtelijke kwaliteit;
  • stedelijke ontwikkelingen;
  • natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
  • agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
  • overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.

Belangrijk bij de beoordeling van nieuwe plannen is de inpasbaarheid in het provinciaal beleid. De Ruimtelijke Verordening is daarbij het document wat de meest concrete regels biedt voor nieuwe ontwikkelingen. Binnen bestaand stedelijk gebied is stedelijke ontwikkeling mogelijk. Indien sprake is van de nieuwbouw van woningen dient verantwoord te worden hoe dit zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit en andere woningbouwafspraken.

Planspecifiek

Het plangebied ligt op basis van de Verordening ruimte in het gemengd landelijk gebied. Artikel 7.8 van de Verordening ruimte bepaalt dat deze gebieden in aanmerking komen voor de realisatie van één of meerdere ruimte-voor-ruimte woningen, mits de toelichting bij het bestemmingsplan een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:

  • a. er sprake is van een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst;
  • b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;
  • c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;
  • d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling.

Ad.

  • a. Een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst wordt behaald aan de Rijakkers 2a in Drimmelen. Hier wordt een intensieve veehouderij gesaneerd. Er wordt 6.200 m² aan bedrijfsgebouwen gesloopt en 21.000kg fosfaat doorgehaald. Voor de slooplocatie is door de gemeente Drimmelen een passende herbestemming vastgesteld. Van deze locatie wordt de ruimte-voor-ruimte titel verkregen;
  • b. het betreft hier de realisatie van een ruimte-voor-ruimte woning binnen bestaande bebouwing die past binnen het gemengd landelijk gebied ter plaatse. Daarnaast is het plangebied onderdeel van het gebied aan de Hoevenseweg dat in de notitie 'Ruimte voor ruimte 2016' is opgenomen als zoekgebied voor ruimte-voor-ruimte woningen;
  • c. als voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat het beplantingsplan dat in bijlage 1 bij de regels is opgenomen, wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Hiermee is de landschappelijke inpassing van het perceel is verzekerd.
  • d. de woning wordt binnen bestaande bebouwing gerealiseerd, waardoor er geen sprake is van een aanzet tot een verdere verstedelijking. Het landelijk karakter van de omgeving blijft behouden.

Daarmee voldoet de ontwikkeling aan de regels uit de Verordening ruimte.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Drimmelen 2033

De Structuurvisie 2033 van Drimmelen is door de gemeenteraad bij besluit van 27 februari 2014 vastgesteld. Met deze structuurvisie wordt richting gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling op het hele grondgebied van Drimmelen. De visie gaat in op alle thema's die ruimtelijk relevant zijn: wonen, werken, verkeer en infrastructuur, landbouw en landschap en natuur, toerisme & recreatie en (centrum) voorzieningen.

Planspecifiek

Het deelgebied is gelegen in het 'Primair agrarisch gebied'. Het initiatief voorziet in het toevoegen van één woning in bestaande bebouwing ten westen van Wagenberg. In de structuurvisie worden geen uitspraken gedaan over een dergelijke ontwikkeling.

Het plan is vanuit de Structuurvisie 2033 uitvoerbaar.

3.3.2 Notitie Ruimte voor ruimte 2016, gemeente Drimmelen

Op 25 februari 2016 heeft de gemeenteraad de gemeentelijk notitie “ruimte voor ruimte” vastgesteld. Betreffende notitie vormt een aanvulling op de provinciale beleidsregels omtrent de toepassing van de regeling ruimte voor ruimte. Er zijn zoekgebieden bepaald waarbinnen het realiseren van ruimte-voor-ruimte woningen is toegestaan. Daarnaast zijn er eisen gesteld aan de op te richten woning. De kavel waarop de ruimte voor ruimte woning wordt gerealiseerd dient een oppervlakte te hebben van minimaal 1.000 m² en de breedte van het perceel dient minimaal 25 meter te bedragen. Daarnaast gelden voor de woning de volgende bouwregels:

maximale goothoogte   7 meter  
maximale bouwhoogte   11 meter  
maximale inhoud   750 m³  
minimale afstand tot perceelsgrens   5 meter  


Voor de bijgebouwen gelden de volgende regels:

maximale goothoogte   3,3 meter  
maximale bouwhoogte   6 meter  
bebouwde oppervlakte   80 m²  
minimale afstand tot perceelsgrens   3 meter  

Na volledige bedrijfsbeëindiging is in beginsel behoud van maximaal 200 m² aan bijgebouwen toegestaan. Indien alle bedrijfsgebouwen zijn gesloopt is herbouw van bijgebouwen toegestaan met het maximum zoals is aangegeven in de bestemmingsplanregels van de gekozen bestemming.

Planspecifiek

In de notitie is het plangebied aangewezen als zoekgebied voor toepassing van de ruimte-voor-ruimte woningen, zie daarvoor onderstaande afbeelding. Het perceel waarbinnen de woning gerealiseerd wordt heeft een oppervlakte van 2.650 m² en heeft ter hoogte van de toekomstige woning een breedte van 28 meter, waarmee wordt voldaan aan de eisen aan de kavel. De woning zal maximaal 750 m³ van het bestaande gebouw innemen. De bouwregels voortkomend uit dit beleid zijn opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

Het initiatief sluit dus aan bij de uitgangspunten van de notitie ruimte voor ruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.0bp18hoevensew12a-vg01_0004.png"

Zoekgebieden toepassing regeling ruimte voor ruimte, zoekgebieden zijn met rood omkaderd (bron: Notitie Ruimte voor ruimte 2016, gemeente Drimmelen)

3.3.3 Nota woningbouwprogramma 2016-2024

Voor de periode 2016-2019 zijn voor de toepassing van de regeling ruimte-voor-ruimte 4 woningen gereserveerd. In deze periode is 1 ruimte-voor-ruimte woning opgeleverd en is de ontwikkeling van 1 extra ruimte-voor-ruimte woning voorzien. De ontwikkeling van nog 1 ruimte-voor-ruimte woning past dus binnen de nota woningbouwprogramma.

3.3.4 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Herstelplan Buitengebied" zoals vastgesteld op 2 juni 2016. Voor het plangebied geldt de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduidingen 'bedrijfswoning uitgesloten' en 'specifieke vorm van bedrijf - 51'. Hierbinnen is opslag en een ondersteunend kantoor zonder baliefunctie toegestaan met een bebouwingsoppervlakte van 430 m². Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Het realiseren van een woning is niet toegestaan binnen de geldende bestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.0bp18hoevensew12a-vg01_0005.png"

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Herstelplan Buitengebied'

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de verbouwing van een bestaand pand betreft, waarbij geen bodemingrepen worden gepleegd, is het niet noodzakelijk om een bodemonderzoek uit te voeren.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor beide stoffen bedraagt de grenswaarde 40 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het meest nabijgelegen rekenpunt 6742 (aan de Moerkdijkseweg) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 (stikstofdioxide)   PM10 (Fijn stof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2015 (µg/m3)   21,4 µg/m3   17,7 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Het initiatief betreft de functieverandering van een bedrijf naar een woning. Deze toename aan woningen blijft ruim onder de 1.500 huizen, waarmee te concluderen is dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

De woning is een nieuw geluidsgevoelig object. Over de Hoevenseweg is een snelheid van 60 km/uur toegestaan. Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 2. Hierin wordt geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:

geurgevoelig object gelegen in:   maximaal toegestane geurbelasting
(odour units per m3 lucht)  
concentratiegebied binnen bebouwde kom   3,0 ouE/m3   
concentratiegebied buiten bebouwde kom   14,0 ouE/m3  
niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom   2,0 ouE/m3  
niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom   8,0 ouE/m3  

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen danwel buiten de bebouwde kom.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

Planspecifiek

Met de woning wordt een geurgevoelig object gerealiseerd. Op circa 185 meter van de toekomstige woning is aan de Hoevenseweg 9 een intensieve veehouderij gevestigd. Aangezien er al woningen tussen de veehouderij en de nieuwe woning staan, wordt de veehouderij niet belemmerd door de voorgenomen ontwikkeling.

De PlanMER van de gemeente Drimmelen geeft weer dat het woon- en leefkimaat in dit deelgebied op basis van de huidige achtergrondbelasting zeer goed is. Op bijgevoegde afbeelding is een uitsnede van de PlanMER weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.0bp18hoevensew12a-vg01_0006.png"

Uitsnede PlanMER gemeente Drimmelen (bron: Gemeente Drimmelen)

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek

De nieuwe woning is een milieugevoelig object. Aan de Hoevenseweg 14 is een hoveniersbedrijf (> 200 m²) gevestigd. Hiervoor geeft de VNG een richtafstand van 50 meter. De nieuwe woning wordt op minimaal 18 meter afstand van het bedrijf gerealiseerd op basis van het aspect geluid. Hiervoor is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat is opgenomen in bijlage 3. Hierin wordt geconcludeerd dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, zowel bij de huidige bedrijfsvoering als wanneer een agrarisch bedrijf op het perceel gevoerd zou worden, de grenswaarden niet zal overschrijden. Ook de maximale geluidsniveaus overschrijden niet de grenswaarden. Het bedrijf wordt door de ontwikkeling niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Daarnaast is er in de nieuwe woning sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Op het gebied van milieuzonering is het initiatief uitvoerbaar.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek

Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.0bp18hoevensew12a-vg01_0007.png"

Uitnede risicokaart met plangebied blauw omcirkeld

Hieruit is op te maken dat er enkele risicovolle objecten en transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn rondom het plangebied. De dichtstbijzijnde risicobron is de inrichting aan de Hoevenseweg 11. Hiervoor geldt een veiligheidsafstand van 10 meter, waaraan ruimschoots wordt voldaan (feitelijke afstand is circa 250 m). Het plangebied ligt ook niet in een plaatsgebonden risicocontour 10-6 of een invloedsgebied van andere risicobronnen.

Het plan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Keur Waterschap Brabantse Delta (2015)

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de Legger.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.

Op basis van het beleid van de Brabantse Delta dient een retentievoorziening op eigen terrein gerealiseerd te worden als het af te koppelen verhard oppervlak en de toename van het verhard oppervlak tezamen gelijk aan is 2.000 m² of meer.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Aan de noordwestzijde van het plangebied ligt een B-watergang. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen effecten op deze watergang. In de huidige situatie is het terrein nagenoeg geheel verhard. Aangezien de ontwikkeling de interne verbouwing van een bestaand pand betreft, is er geen sprake van een toename aan verharding. Door de aanleg van een tuin aan de voorzijde neemt de hoeveelheid oppervlakteverharding mogelijk zelfs af. Compensatie van een toename van verhard oppervlak is dus niet aan de orde.

Het plan is uitvoerbaar wat betreft het aspect water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Voor de ontwikkeling is een quick scan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 4. Hierin wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen en algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De te treffen maatregelen zijn opgenomen in het onderzoeksrapport.

Het plan is uitvoerbaar op het gebied van ecologie.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied wordt direct ontsloten op de Hoevenseweg middels de bestaande inrit. Er zal geen sprake zijn van een groot verschil in het aantal verkeersbewegingen tussen de huidige en de toekomstige situatie. De huidige kantoorfunctie en de toekomstige woonfunctie zijn vergelijkbaar qua verkeersaantrekkende werking. Voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen dient te worden voldaan aan de geldende parkeernorm van de Beleidsnota Parkeren van de gemeente Drimmelen. Dit komt erop neer dat er twee parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd dienen te worden. Hiervoor is voldoende ruimte in het plangebied. In de regels is met een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd dat aan de parkeernorm wordt voldaan.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken en om de aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren te halen. Men is hiermee verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Beleid provincie Noord-Brabant

In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

 

Beleid gemeente Drimmelen

Teneinde de cultuurhistorische belangen in voldoende mate mee te kunnen wegen bij planvorming, heeft de gemeente Drimmelen de cultuurhistorische waarden bijeengebracht en weergegeven in de Erfgoedkaart.

Archeologie

In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2019 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.

Om invulling te geven aan deze gemeentelijk zorgtaak heeft de gemeente Drimmelen de archeologische en cultuurhistorische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke Erfgoedkaart op te stellen. Hieruit is een archeologische beleidskaart voortgevloeid. Deze kaart vormt samen met de nota archeologie en de archeologieverordening het beleidsinstrumentarium voor het aspect archeologie. De archeologische beleidskaart is de onderlegger voor elk bestemmingsplan om al dan niet te voorzien in de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. In de planspecifieke subparagrafen wordt het aspect archeologie nader toegelicht.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

Op de Waardenkaart Historische Geografie, onderdeel van de gemeentelijke erfgoedkaart, is de Hoevenseweg aangemerkt als een historisch-geografische structuur van redelijk hoge waarde (zie navolgende afbeelding). Bij realisatie van het initiatief zal hieraan geen afbreuk worden gedaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.0bp18hoevensew12a-vg01_0008.png"

Uitsnede Waardenkaart Historische Geografie met plangebied blauw omlijnd

Archeologie

Op onderstaande uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Drimmelen is weergegeven dat er voor het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde geldt. Voor bodemingrepen dieper dan 50 cm en met een oppervlakte groter dan 100 m² moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling niet gepaard gaat met bodemingrepen is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet nodig. De archeologische dubbelbestemming blijft behouden voor het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.0bp18hoevensew12a-vg01_0009.png"

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Drimmelen met plangebied blauw omlijnd

Het plan is uitvoerbaar op het gebied van cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten en mogelijke planschadekosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe heeft de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Wonen', die geldt voor het gehele plangebied. De hoofdbouwmassa is enkel toegestaan in het bouwvlak. Bijgebouwen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan. De maatvoering voor de ruimte voor ruimte woning is opgenomen in de regels, conform de maatvoering zoals bepaald in de Notitie Ruimte voor ruimte 2016, gemeente Drimmelen (zie par. 3.3.2). Ter plaatse van de aanduiding 'opslag' is opslag als nevenactiviteit bij het wonen toegestaan tot een maximale oppervlakte van 250 m² in de bestaande bebouwing.
  • 'Waarde - Archeologie 1' voor het gehele plangebied ter bescherming van de verwachte archeologische waarden.

Dit plan kent geen noemenswaardige bijzonderheden.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het bestemmingsplan is voor het wettelijk vooroverleg toegezonden aan de provincie en het waterschap. Het waterschap heeft een positief wateradvies gegeven. De provincie heeft aangegeven dat niet voldoende is onderbouwd dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 7.8 Vr met betrekking tot een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst en een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning. De stukken met betrekking tot een aanzienlijke milieu- en ruimtelijke kwaliteitswinst worden in een latere fase toegevoegd aan het bestemmingsplan. Voor de landschappelijke inpassing is een voorwaardelijke verplichting voor het instand houden van de bestaande landschappelijke elementen opgenomen in de regels.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Het voorontwerp bestemmingsplan heeft van 8 juni tot en met 18 juli ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen inspraakreacties ingediend.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 6 september tot en met 18 oktober ter inzage gelegen. Er is gedurende deze periode een zienswijze ingediend door de provincie. De provincie heeft aangegeven dat de bewijsvoering voor de ruimte-voor-ruimte titel nog niet compleet is en dat de landschappelijke inpassing onvoldoende is. Bij vaststelling van het plan zal de bewijsvoering voor de ruimte-voor-ruimte titel compleet zijn. Daarnaast is er een beplantingsplan opgesteld en is de uitvoering daarvan als voorwaardelijke verplichting opgenomen als gevolg van de zienswijze.