direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zonnepark Maasbrachterweg Berkelaar
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

NaGa Solar (hierna: de initiatiefnemer) is voornemens om op een aantal agrarische percelen gelegen aan de Maasbrachterweg te Berkelaar een zonnepark te realiseren. Deze heeft een oppervlak van circa 5 hectare. Naar verwachting bedraagt de opwekcapaciteit 4,3 miljoen kWh per jaar, waarmee in de energiebehoefte van ruim 1.400 huishoudens wordt voorzien. Het zonnepark heeft een beoogde gebruikstermijn van 25 jaar.

Concreet betreft het plan de realisatie van een veldopstelling van circa 13.000 panelen, die in een zuidopstelling worden geplaatst. Daarnaast voorziet het plan in een zorgvuldige landschappelijke inpassing, gericht op omgevingskwaliteit, ecologische meerwaarde en recreatief medegebruik.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied

Een belangrijke beleidsdoelstelling van de gemeente Echt-Susteren betreft energiebesparing en het opwekken van duurzame energie. Daarbij heeft de gemeente de ambitie gesteld om in 2040 energieneutraal te zijn. Om deze doelstelling te bereiken heeft zij initiatiefnemers uitgenodigd om concrete voorstellen voor de realisatie van zonneweiden in te dienen. Vervolgens zijn vijf initiatieven geselecteerd om verder uit te werken en te realiseren.

Bij brief d.d. 3 juli 2020 (kenmerk: Z20/024435-D-53641), bijgevoegd als Bijlage 1, heeft de gemeente Echt-Susteren aangegeven dat onderhavig initiatief door het adviespanel zonneparken is beoordeeld als één van de vijf geselecteerde voorstellen, waar de gemeente medewerking aan wil verlenen.

Ter plekke van het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied' van kracht, vastgesteld op 14 december 2017 door de gemeenteraad van Echt-Susteren. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming 'Agrarisch'. Het realiseren van het beoogde zonnepark is binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Planologische medewerking kan worden geboden via partiële herziening van het bestemmingsplan.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen aan de Maasbrachterweg, ten noorden van het buurtschap Berkelaar. Het gebied wordt aan de oostzijde begrensd door de Maasbrachterweg en aan de westzijde door het dijklichaam van het Julianakanaal. Aan noord- en zuidzijde wordt het plangebied geflankeerd door respectievelijk een paardenhouderij en een varkenshouderij.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0002.jpg" Plangebied in regionale context

Het plangebied omvat meerdere kadastrale percelen. Deze percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Echt - sectie R - nummers 250, 251, 551, 552, 553, 554, 558, 560, 231, 239, 240, 241, 246, 515 en 517.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0003.jpg"

Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding plangebied

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen:

  • Bestemmingsplan 'Buitengebied' (vastgesteld op 14 december 2017);
  • Bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' (vastgesteld op 22 september 2016);
  • Facetbestemmingsplan 'Deregulering' (vastgesteld op 6 november 2019).

Een meer uitgebreide toelichting op de geldende bestemmingsplannen is opgenomen in paragraaf 3.4.2

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 van deze toelichting gaat in op de huidige situatie en toekomstige situatie binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 behandelt het vigerend beleid op zowel rijks-, provinciaal-, regionaal- als gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de relevante uitvoeringsaspecten en verantwoordt (al dan niet met behulp van uitgevoerde onderzoeken) de situatie binnen het plangebied. Getoetst wordt of de ontstane situatie voldoet aan de sectorale wetgeving, bijvoorbeeld op het gebied van akoestiek of externe veiligheid. De beoordeling van het planvoornemen vindt plaats in Hoofdstuk 5. De juridische planbeschrijving van dit bestemmingsplan is opgenomen in Hoofdstuk 6. De toelichting sluit af met Hoofdstuk 7 waarin de maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid staan omschreven.

Naast deze toelichting, waarin het planvoornemen wordt onderbouwd en getoetst, bestaat dit bestemmingsplan uit een set regels en een verbeelding, die samen het juridisch bindende deel van het plan vormen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Voortraject

De gemeente Echt-Susteren wil in 2040 energieneutraal zijn. De gemeente is voornemens om de benodigde elektriciteitsbehoefte grotendeels met behulp van zonneënergie op te wekken. De overgang naar een volledig energieneutrale gemeente verloopt in meerdere fasen. Fase 1 reikt tot 2030, wanneer een C02 reductie van 49% moet zijn bereikt. Om dit te bereiken en om de te verwachte elektriciteitsbehoefte lokaal op te wekken, is circa 137 hectare met zonneparken benodigd.

Op 26 september 2019 heeft de gemeente het beleidskader ‘Zonneparken en Windparken Gemeente Echt-Susteren’ vastgesteld. Dit beleidskader voorziet in zowel een (ruimtelijk) beleidskader als handreikingen aan initiatiefnemers die in de gemeente Echt-Susteren met duurzame energieopwekking aan de slag willen.

Vervolgens is een selectieprocedure gestart voor de ontwikkeling van vijf pilotprojecten voor zonneparken. Hierbij zijn geïnteresseerde partijen geïnformeerd over het proces en de beoordelingscriteria om te komen tot de selectie van de vijf beste plannen.

Om te komen tot een objectieve en transparante beoordeling van de ingediende voorstellen, heeft de gemeente Echt-Susteren in haar beleidskader een beoordelingsmatrix opgenomen en een adviespanel ingesteld van interne en externe deskundigen. Deze beoordelingsmatrix spitst zich in beginsel toe op een drietal aspecten, namelijk:

  • 1. Ruimtelijke en landschappelijke inrichting;
  • 2. (Financiële) Participatie;
  • 3. Maatschappelijk draagvlak.

Aan deze drie toetsingscriteria is een vierde pijler toegevoegd, namelijk voldoende perspectief op realisatie van het beoogde zonnepark in 2022.

Het planvoornemen vormt één van de 17 in het kader van de pilot ingediende initiatieven en is beoordeeld als één van de vijf uit te werken plannen waar de gemeente medewerking aan wil verlenen, zulks bevestigd door het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren in haar besluit van 30 juni 2020.

2.2 Plan

2.2.1 Bestaande situatie

Het plangebied bestaat uit een aaneengesloten agrarisch gebied, zonder bebouwing of opgaande beplanting. De percelen zijn in gebruik als weiland, in gebruik door de paardenhouderij ten noorden van het plangebied.

Het plangebied overlapt met twee bovengrondse hoogspanningstracés:

  • Noordelijk tracé: Van Eyck (BE) - Maasbracht (2 x 380 kV)
  • Zuidelijk tracé: Maasbracht - Graetheide (2 x 150 kV)

Eén van de hoogspanningsmasten van het noordelijk tracé bevindt zich binnen het plangebied.

Het plangebied wordt aan de noordzijde geflankeerd begrensd door een paardenhouderij (Maasbrachterweg 97) en aan de zuidzijde door een varkenshouderij (Swaantjesweg 14-16).

Aan de westzijde van het plangebied is het Julianakanaal gelegen, waarvan het dijklichaam een harde landschappelijke begrenzing van het plangebied vormt. Aan de oostzijde wordt het gebied begrensd door de Maasbrachterweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0004.jpg"

Globale aanduiding plangebied (bron: Google Maps)

De meest nabijgelegen particuliere woningen betreffen de acht woningen aan de Maasbrachterweg 86-100. Deze liggen op 30-100 meter afstand, gemeten vanaf de noordoostelijke hoek van het plangebied. De komgrens van Berkelaar bevindt zich circa 380 meter ten zuiden van het plangebied.

De aanblik van het plangebied in de huidige situatie wordt weergegeven aan de hand van navolgende foto's:

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0006.png"

Foto's bestaande situatie

2.2.2 Planbeschrijving

Het plan voorziet in een veldopstelling van circa 13.000 panelen, gegroepeerd in 18-19 rijen. Deze opstelling genereert naar verwachting ruim circa 4,3 miljoen kWh elektriciteit per jaar. Daarmee voorziet het project in de (elektrische) energiebehoefte van ruim 1.400 huishoudens. De beoogde gebruiksduur is een periode van 25 jaar.

Initiatiefnemer wenst de pv-panelen in een zuid opstelling te plaatsen, waarbij de panelen op frames worden geplaatst. De hoogte varieert daarbij van circa 80 centimeter tot 200 centimeter boven maaiveld. De onderlinge afstand tussen de rijen bedraagt circa 4 meter. Dit biedt voldoende ruimte voor onderhoud en de beoogde vegetatie-ontwikkeling tot bloem- en/of kruidenrijk grasland.

Het zonnepark wordt rondom voorzien van een circa 2 meter hoog hekwerk, ter voorkoming van vernieling en diefstal. Het hekwerk, dat fauna-passeerbaar wordt uitgevoerd, wordt vervaardigd van gegalvaniseerd staal en 'ingekapseld' in omzomende beplanting.

In de noordoost hoek van het plangebied wordt een voedselbos gerealiseerd, waar omwonenden in de gelegenheid worden gesteld om ter plekke zelf voedsel te oogsten. Deze ontwikkeling draagt bij aan het maatschappelijk draagvlak voor het initiatief en biedt een landschappelijke meerwaarde.

2.2.3 Landschappelijke inrichting
2.2.3.1 Landschappelijke inpassing

Integraal onderdeel van het planvoornemen vormt de landschappelijke inpassing. Het plan voorziet naast het realiseren van een zonnepark in een gedegen landschappelijke inrichting van het totale terrein. Hiertoe heeft Pouderoyen Tonnaer een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld dat als Bijlage 2 is bijgevoegd. Onderstaand kaartbeeld geeft het inpassingsplan op hoofdlijnen weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0007.png"

Landschappelijke inpassing zonnepark Maasbrachterweg te Echt

Het ontwikkelde landschapsplan beoogt een goede ruimtelijke inpassing van het zonnepark in het landschap te bereiken, waarbij bovendien wordt bijgedragen aan het versterken van de natuurwaarden in het gebied. Onderstaand zijn de belangrijkste elementen kort toegelicht:

Hagen

Het plangebied wordt in de huidige situatie omzoomd door haagstructuren. Deze vormen al een goede basis voor de ruimtelijke inpassing van het beoogde zonnepark. Om de haagstructuur te versterken worden enkele gaten in de hagen gevuld en aanvullend hagen toegevoegd.

Het basisprincipe voor de landschappelijke inpassing van de ca. 2 meter hoge struweelhagen is dat er een dichte en tot 4 meter breed uit te groeien struweel wordt aangeplant, bestaande uit 3 plantrijen met een onderlinge afstand van 1 meter tussen de rijen. Het afschermende hekwerk rond de zonnepanelen wordt aan de binnenzijde (onzichtbaar) van de hagen gesitueerd. De hagen zijn qua samenstelling divers en afgestemd op de wensen en eisen vanuit de belendende percelen. Alle hagen kennen een menging van meerdere gebiedseigen struikvormers, groepsgewijs gemengd binnen de 3 rijen brede aanplant.

Bloem- en kruidenrijk grasland

Het voornemen is om tussen de rijen met zonnepanelen 3 meter vrije ruime aan te houden zodat voldoende licht, lucht en water de bodem kan bereiken. Daarnaast wordt beoogd om binnen het park een ecologisch rijk en divers bloem- en kruidenrijk grasland tot ontwikkeling te laten komen. Het bloemrijk en kruidenrijk grasland komt zowel onder als buiten de panelen (tussen de rijen en in de vrije ruimte tussen de opstelling en de terreinranden) tot ontwikkeling. Door de variatie in bezonning en schaduwrijke plekken, ontstaat na het inzaaien van een bloemrijk mengsel bij oplevering spontaan een diverse beplantingssamenstelling.

Voedselbos

Vooropgesteld moet worden dat vanuit omliggende woonpercelen rond het zonnepark geen noemenswaardig zicht bestaat op het park of delen daarvan. Voor zover er al een zeer klein, diagonaal zicht zou zijn vanuit de woningen aan de oostzijde van de weg naar het plangebied, wordt dit zicht ingevuld met een visueel aantrekkelijk voedselbos. Dit voedselbos is gebaseerd op natuurprincipes om op een extensieve manier hoogwaardig voedsel te verbouwen bestaande uit fruit, noten, zaden, bladeren, bloemen en/ of bloemknoppen.

Er wordt een bosrand gecreëerd met meerdere lagen vegetatie. Omdat er vooral met meerjarige gewassen gewerkt wordt kan er bodemvruchtbaarheid ontstaan. Het bodemleven ontwikkelt zich naarmate er minder (bodem)bewerkingen plaatsvinden. Door het uitsluiten van (chemische)bestrijding en kunstmest kan er een natuurlijk evenwicht ontstaan waar ecologische relaties natuurlijke bestrijding uitvoeren.

Wandelpad

Aan de zuidrand van het zonnepark, doorlopend langs de westrand tot voorbij de bestaande hoogspanningsmast, buiten het veiligheidshekwerk rond het zonnepark, wordt een openbaar wandelpad (struinpad) aangelegd. Dit pad, in de vorm van een uitgemaaide grasbaan, is na afstemming met omwonenden alleen bedoeld voor voetgangers. Met dit pad ontstaat een recreatieve verbinding tussen de Maasbrachterweg en het Julianakanaal. Dit struinpad loopt langs de rijk samengestelde hagen rond het zonnepark.

Aan de zuidzijde zal een extra rasterhekwerk worden gerealiseerd om te voorkomen dat wandelaars door de haag heen naar het zuidelijke perceel zouden kunnen doorsteken. Aan de binnenzijde van het pad wordt een geschoren smalle haag voorzien, waarachter het veiligheidshekwerk van het zonnepark staat. Het pad wordt uitsluitend gemaaid en wordt onverhard, passend in het landschap, aangelegd. Eventueel zicht op het zonnepark zal her en der worden gerealiseerd door onderbrekingen in de geschoren haag.

Dubbel grondgebruik

Het zonnepark biedt op deze locatie de mogelijkheid om dubbel grondgebruik te realiseren in de vorm van natuurlijk terreinbeheer, wellicht in combinatie met extensieve begrazing door schapen. Eventueel zal dit in combinatie met extensief maaibeheer plaatsvinden.

Steenuil

In de quickscan flora- en fauna, bijgevoegd als Bijlage 6, wordt aangegeven dat onder andere de steenuil en de kerkuil in het plangebied kunnen foerageren. Daarnaast wordt in de rapportage aangegeven dat in de directe omgeving van het plangebied een nest van een steenuil aanwezig is. Op basis daarvan heeft Staro Natuur en Buitengebied een nader onderzoek verricht naar de steenuil. Betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7.

Met inachtneming van de resultaten van het nader onderzoek naar de steenuil zijn in paragraaf 3.3 van het landschapsplan aanvullende beheersmaatregelen opgenomen ten behoeve van de steenuil. Deze beheersmaatregelen luiden als volgt:

  • De grasmat binnen het plangebied om en om de helft laten begrazen of maaien. In het langere gras zitten dan veel prooidieren en in het kortere gras kan de steenuil goed jagen.
  • In een afgelegen grazig hoekje het gras laten doorgroeien en allen in de nazomer maaien. Dit kan bijvoorbeeld in een schaal van 25 meter rondom de voet van de hoogspanningsmast binnen het plangebied.
  • Een voldoende breedte tussen de paneelrijen (4 meter) zodat de steenuil hier ook vliegend tussen panelen kan gaan jagen op kortere grasdelen.
  • Potentiele nestplekken voor de steenuil zijn al gefaliciteerd door de aanplant van brede struikzones en diverse bomen binnen het aangrenzende voedselbos.

De realisatie en instandhouding van de hiervoor beschreven landschappelijke inpassing, wordt in dit bestemmingsplan verankerd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels van het bestemmingsplan. Daarmee wordt het beoogde kwaliteitsbeeld gewaarborgd.

2.2.3.2 Advies LKM-commissie

Het planvoornemen is met behulp van de selectieprocedure voor pilotprojecten zonneparken in de gemeente Echt-Susteren voorgelegd aan het adviespanel zonneparken. Onderdeel van de aangeleverde stukken vormde een landschapsplan. Dit landschapsplan is op 24 november 2020 voorgelegd aan de LKM-commissie. Dit landschapsplan voorzag in de noordoosthoek van onderhavig plangebied in een fruitboomgaard en niet in een voedselbos. De LKM-commissie adviseerde om het betreffende landschapsplan uit te werken tot een concreet inrichtingsplan met beplantingsplan.

Naar aanleiding van het advies van de LKM-commissie is een inrichtingsplan met bijbehorend beplantingsplan uitgewerkt dat als Bijlage 2 is bijgevoegd. Betreffend inrichtingsplan is op 22 december 2020 opnieuw aan de LKM-commissie voorgelegd. Geoordeeld is dat de opmerkingen van het destijds voorgelegde plan goed waren verwerkt en akkoord bevonden, mits het voedselbos in samenspraak met de bevolking zou worden aangelegd. Initiatiefnemer is bereid om deze voorwaarden in acht te nemen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

In het kader van de nieuwe omgevingswet, die per 1 januari 2022 in werking treedt, wordt momenteel de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) door het rijk opgesteld. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 wordt hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden vier prioriteiten onderscheiden:

  • Ruimte voor klimaat adaptatie.
  • Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • Sterke en gezonde steden en regio's.
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het rijk de volgende drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies.
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • Afwentelen wordt voorkomen.

Aangezien de NOVI nog niet van kracht is, is het rijksbeleid vastgelegd in respectievelijk de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld en in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Een van de geformuleerde nationale belangen betreft 'ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie'. De ambitie is dat Nederland in 2040 een robuust internationaal energienetwerk kent en de energietransitie in Nederland substantieel ver gevorderd is. Voor de economische ontwikkeling op de lange termijn is een transitie naar een duurzame, hernieuwbare energievoorziening nodig, zowel vanwege geopolitieke verhoudingen en uitputting van fossiele brandstoffen als vanwege de ambities voor beperking van de CO2 uitstoot. De vraag naar elektriciteit en gas zal blijven groeien. Daarom zal voor de opwekking en het transport van energie (ook over onze grenzen heen) voldoende ruimte gereserveerd moeten worden. Duurzame energiebronnen als wind, zon, biomassa en bodemenergie verdienen daarbij speciale aandacht. Hun aandeel in de totale energievoorziening moet omhoog en zij hebben relatief veel ruimte nodig. De overgang naar meer duurzame brandstoffen vraagt om meer ruimte.

Het is primair de taak van provincies en gemeenten om voldoende ruimte te bieden voor duurzame energievoorziening (zoals zonne-energie en biomassa). Het ruimtelijk rijksbeleid voor (duurzame) energie beperkt zich daarom enkel tot grootschalige windenergie op land en op zee, gelet op de grote invloed op de omgeving en de omvang van deze opgave. Voor andere energiefuncties is geen nationaal ruimtelijk beleid nodig naast het faciliteren van ontwikkelingen door het aanpassen van wet- en regelgeving en het delen en ontwikkelen van kennis.

Met onderhavige ontwikkeling wordt beoogd een zonnepark van circa 5 hectare aan te leggen aan de Maasbrachterweg te Echt. De ontwikkeling levert daarmee een positieve bijdrage aan de doelstelling van het rijksbeleid in relatie tot een duurzamere energievoorziening.

De ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het rijk een ander nationaal belang heeft aangewezen, derhalve heeft de SVIR geen consequenties voor voorliggend plan.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor ruimtelijke plannen. Doel van dit Besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken.

Onderhavige ontwikkeling heeft geen betrekking op de aangewezen nationale belangen, derhalve heeft het Barro geen consequenties voor voorliggend plan.

3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking

Bestemmingsplannen die voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen dienen een verantwoording te bevatten aan de hand van de zogenoemde 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (hierna: de Ladder), die is vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Ingevolge artikel 5.20 Besluit omgevingsrecht moet de Ladder ook worden toegepast bij een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

De Ladder verplicht overheden tot het maken van een zorgvuldige ruimtelijke afweging bij het mogelijk maken van nieuwe stedelijke ontwikkelingen in planologische besluiten. Het doel is om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en daarmee het voorkomen van (onaanvaardbare) leegstand en onnodig “bouwen in de wei”. De Ladder is daarmee een belangrijk instrument voor een goede ruimtelijke ordening.

Recent heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat zonnevelden niet als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, Bro jo. artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, Bro moeten worden aangemerkt (ABRvS 23 januari 2019, 201804681/1/A1).

Gezien deze jurisprudentie moet worden geconcludeerd dat de realisatie van een zonneveld geen “stedelijke ontwikkeling” is als bedoeld in het Bro. Dit betekent dat onderhavige ontwikkeling niet ladderplichtig is. Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

3.1.5 Energieakkoord

Zowel op rijks-, provinciaal als gemeentelijk niveau zijn er ambitieuze doelstellingen op het gebied van duurzame energie geformuleerd, vastgelegd in onder meer het Energieakkoord. In het Energieakkoord besloten meer dan veertig organisaties in september 2013 voor duurzame groei. Gezamenlijk gaan zij voor verduurzaming van de samenleving en economie. Daarbij wordt ingezet op:

  • een besparing van het energieverbruik met gemiddeld 1,5 procent per jaar;
  • 100 petajoule energiebesparing per 2020;
  • een toename van het aandeel hernieuwbare energieopwekking naar 14 procent in 2020 en 16 procent in
  • 2023;
  • ten minste 15.000 voltijdbanen extra.

Bovenstaande uitgangspunten zorgen voor een aanzienlijke opgave welke op zowel nationaal, regionaal alsook lokaal niveau zal doorwerken. Onderhavige ontwikkeling zorgt voor een goede stap in de richting om tot meer duurzame energieopwekking te komen. Geconcludeerd wordt dat het plan bijdraagt aan de in het Energieakkoord geformuleerde doelstellingen.

3.2 Provinciaal beleid / regionaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Limburg 2014

Het POL 2014 is vastgesteld op 12 december 2014. De hoofdambitie in het POL betreft het realiseren van een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om er te blijven. Het POL richt zich met name op de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat, waarbij kwaliteit centraal staat. Daarbij zijn er regionale verschillen tussen Noord-, Midden- en Zuid-Limburg, die vragen om een regionaal verschillende beleidsuitwerking. Het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Daarbij worden gemeenten uitgenodigd om een flink aantal vraagstukken in regionaal verband verder uit te werken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0008.png"

Uitsnede Omgevingsvisie Limburg 2014 met aanduiding plangebied

Ter plaatse van het plangebied geldt de aanduiding 'Buitengebied'. De zone 'Buitengebied' omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Het betreft alle gronden in het landelijk gebied, die niet zijn aangewezen als landschaps- of natuurzone. Deze zone biedt de meeste ruimte voor land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie.

Verder geldt dat het plangebied niet binnen de bronsgroene landschapszone, zilvergroene natuurzone, goudgroene natuurzone of het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg is gelegen.

Duurzaamheidsbeleid

In paragraaf 5.5 Energie en duurzaamheid van de Omgevingsvisie Limburg is de provinciale energie-opgave nader toegelicht. Uitgaande van het energiegebruik in Limburg in 2012 betekent de energietransitie van 14% in 2020 dat de energiebehoefte duurzaam moet worden opgewekt door:

  • Circa 1.200 windturbines (van 3 MW) óf
  • 80 km2 zonnepanelen (een oppervlakte ter grootte van de gemeente Sittard-Geleen) óf
  • Het jaarlijks verbranden van 400 km2 bos (18% van de oppervlakte van Limburg).
  • Er wordt ingezet op een scala aan bronnen van hernieuwbare energie, zoals windenergie, zonne-energie,
  • geothermie en bodemenergie.

Voor zon-PV ziet de provincie een grote groeimarkt en de toepassing in de gebouwde omgeving wordt zeer passend geacht. De provincie stimuleert deze toepassing middels een zonatlas, waarmee woningeigenaren tegelijkertijd ook van andere potentiële besparingen bewust worden gemaakt.

Ook komen zonneparken met de in het Energieakkoord voorgestelde salderingsregeling dichterbij. De ontwikkeling van business-modellen en proefprojecten worden ondersteund en, afhankelijk van de uitkomsten, beziet de provincie of zij hierin een rol in moet nemen. Van belang is bij deze vorm van energieopwekking primair in te zetten op multifunctioneel ruimtegebruik.

Verder geldt dat voor de aanpak van de energietransitie regionale energievisies (opgesteld door de regionaal samenwerkende gemeenten en Provincie in samenspraak met marktpartijen) een belangrijke plaats in nemen. De Regionale Energiestrategie Noord- en Midden Limburg is in paragraaf 3.3.1 nader toegelicht.

3.2.2 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI)

De nieuwe Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 januari 2022 in werking. De provincie moet dan beschikken over een Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie is in dat verband doende het POL2014 te vervangen door de Omgevingsvisie Limburg (hierna ook: de POVl). De POVI richt zich op de langere termijn (2030-2050) en beschrijft onderwerpen zoals wonen, bodem, infrastructuur, milieu, ruimtelijke economie, water, natuur, luchtkwaliteit, landschap en cultureel erfgoed. Ook de aspecten gezondheid en een gezonde leefomgeving worden in de Omgevingsvisie meegenomen.

De zoneringen op grond van het POL2014 zijn in de ontwerp POVI overgenomen op de kaart 'Limburgse principes'. Ook in de ontwerp POVI is onderhavige projectlocatie gelegen in de zone 'Buitengebied'. Vanuit beleidsmatig oogpunt in relatie tot voorliggende planontwikkeling is geen sprake van relevante wijzigingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0009.png"

Uitsnede kaart 'Limburgse principes' ontwerp POVI

3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2014

Het beleid zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg 2014 is meer geconcretiseerd in de Omgevingsverordening Limburg 2014.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0010.png"

Uitsnede kaart 'milieubeschermings-gebieden' Omgevingsverordening Limburg 2014 met ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in de zone Roerdalslenk zone II, op basis waarvan aanvullende regels gelden voor bescherming van de drinkwatervoorziening. Naast een verbod in de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden is in de Omgevingsverordening een verbod opgenomen voor diepe boringen in de boringsvrije zones. Daartoe is de Roerdalslenk verdeeld in vier gebieden, waarbij per gebied de diepte van het boorverbod varieert. In de Omgevingsverordening wordt aangegeven dat boringen tot de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei zijn toegestaan en dat een melding moet worden verricht indien een boring dieper dan 30 meter beneden maaiveld plaatsvindt. Aangezien onderhavig voornemen niet gepaard gaat met dergelijke diepe boringen in de bodem, vormt de ligging in de zone 'Roerdalslenk zone II' geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

3.2.4 Limburgse Zonneladder

De Omgevingsvisie Limburg vervangt in 2021 de Omgevingsvisie POL 2014. De ontwerp versie is op 25 augustus 2020 vastgesteld door de Gedeputeerde Staten. In december 2020 heeft besluitvorming plaats gevonden door Gedeputeerde Staten en in februari 2021 door Provinciale staten over de Omgevingsvisie. Om te voldoen aan toekomstig beleid is de (ontwerp) Omgevingsvisie meegenomen in dit bestemmingsplan.

De provincie Limburg wil naar eigen vermogen bijdragen aan de Rijksdoelstellingen om te komen tot een duurzame energievoorziening. Gezien de ligging van de provincie en het grondgebruik zijn de mogelijkheden om te komen tot een duurzame energievoorziening in Limburg beperkt. De provincie stelt geen eigen doelstellingen en plannen op ten aanzien van de energietransitie, maar neemt een ondersteunende rol aan bij nieuwe innovaties en ontwikkelingen. Dit doet zij onder andere bij de verduurzaming van Chemelot en de uitvoering van de Regionale Energie Strategie (RES). De provincie baseert haar handelen bij nieuwe initiatieven op draagvlak en wil haar inwoners daarbij maximaal betrekken.

De basis voor de energietransitie ligt voor de provincie Limburg bij de 'trias energetica', wat betekent:

  • 1. energieverbruik verminderen door verspilling in te perken;
  • 2. energieopwekking vanuit duurzame bronnen (niet-fossiel), zoals water, wind en zon;
  • 3. gebruik van zo efficiënt en schoon mogelijke fossiele bronnen bij de energiebehoefte die niet op een duurzame manier ingevuld kan worden.

Op het gebied van zonne-energie pleit de provincie Limburg voor zorgvuldigheid bij ruimtelijke inpassing. Voor dergelijke ontwikkelingen is de Limburgse zonneladder van toepassing. Deze is te zien in onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0011.png"

Limburgse zonneladder (bron: Ontwerp Omgevingsvisie Limburg)

Eind 2020 zijn moties door Provinciale Staten ingediend. Realisatie van ZonPV (Photo Voltaic) op goede landbouwgrond en binnen kwetsbare natuur moet, conform de ingediende moties, als uitzonderingsmogelijkheid worden gebruikt bij de inpassing van zonne-energie.

Het dictum van deze moties luidden verder als volgt:

  • “In de Provinciale Omgevingsvisie het 'nee, tenzij-principe' dat wordt gehanteerd bij de Limburgse zonneladder nader te omschrijven en te duiden en op te nemen in de nog op te stellen Omgevingsverordening. Zo uit te leggen dat goede landbouwgrond en kwetsbare natuur als uitzonderingsmogelijkheid worden gebruikt bij de inpassing van zonne-energie;
  • In de Omgevingsverordening een motiveringsplicht op te nemen zodat gemeenten en de provincie moeten motiveren waarom er wordt gekozen voor een bepaalde trede van de zonneladder. “

Het college van Gedeputeerde Staten heeft aangegeven deze motie uit te voeren en de strekking van het dictum te verwerken in zowel de Provinciale Omgevingsvisie als ook de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening wordt bepaald hoe de provincie toeziet op een juiste toepassing van de Limburgse zonneladder en op kwalitatief goede afweging en onderbouwingen bij initiatieven voor grondgebonden zonneparken. Het 'nee, tenzij' principe van de zonneladder zal via de instructieregels nader geduid worden en vergt een nadere motivatieplicht bij initiatieven rondom zonneparken. Daarbij gaat het om een goede ruimtelijke integrale afweging, de instandhouding van de landschapsstructuur en bijbehorende kenmerken, het combineren van meerdere functies, aandacht voor lokaal draagvlak en participatie en het doorlopen van zorgvuldige procedures.

De gemeente Echt-Susteren vult voor het behalen van haar duurzaamheidsdoelen de treden 1 en 4 van de Limburgse zonneladder gelijktijdig in. Het is zon op dak, zon op land en wind tegelijkertijd. De gemeente haalt anders de duurzaamheidsdoelen niet. Deze lijn is ook door de verantwoordelijk gedeputeerde C. Brugman steeds zo uitgedragen. Door het feit dat voor de realisatie van het voorliggende zonnepark landbouwgronden (trede 4) worden ingezet, is op basis van het 'interim-beleid', zoals door de provincie Limburg medegedeeld per brief van 23 februari 2021, het 'nee, tenzij' principe van toepassing.

Motivering 'nee, tenzij' principe'

De voorgenomen ontwikkeling betreft ZonPV op landbouwgrond. Hier beneden wordt nader op de gemeentelijke werkwijze ingegaan en hoe hiermee invulling wordt gegeven aan het 'nee, tenzij' principe.

Uit het beleidskader 'Zonneparken en windparken gemeente Echt-Susteren', vastgesteld door de raad op 26 september 2019, blijkt dat de gemeente Echt-Susteren inzet op het opwekken van duurzame energie en dat zij in 2040 energieneutraal wil zijn. Op basis van de cijfers in 2016 (bron: klimaatmonitor) gebruikt de gemeente Echt-Susteren 4% (0,16 PJ) duurzaam opgewekte energie. Indien de gemeente Echt-Susteren aan de doelstellingen van het Regeerakkoord wil voldoen, zijnde 49% reductie van de uitstoot van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990, dan moet de gemeente in 2023 16% (0,65 PJ) van haar energie duurzaam opwekken. Deze inhaalslag staat gelijk aan het additioneel plaatsen van circa 20 windmolens of 490.000 zonnepanelen, zoals blijkt uit de Energievisie Echt-Susteren 2018-2022 pag. 18.

Om beter bij te dragen aan de landelijke opgave en de bijbehorende doelen te realiseren, zijn aanvullende inspanningen noodzakelijk. De gemeente ziet mogelijkheden om te versnellen en stevigere stappen te zetten richting energieneutraliteit. De gemeente zet daarom in op nieuwe initiatieven en projecten. Hiertoe is onder andere de 'Energievisie en uitvoeringsprogramma 2018 - 2022' opgesteld en vastgesteld in februari 2019.

In de onderstaande 3 tabellen zijn de initiatieven en projecten geprioriteerd opgenomen. Tevens is waar nu al kan worden ingeschat de potentiële impact in PJ genoemd. De exacte bijdrage dient na vaststelling van deze energievisie nader te worden uitgewerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0012.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0013.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0014.png"

Waarom zijn zonneparken noodzakelijk?

Energieverbruik

In de 'Energievisie en uitvoeringsprogramma 2018 - 2022' is onderbouwd aangegeven dat het energieverbruik in de gemeente 4,08 Peta Joule (PJ) per jaar bedraagt (bron: provinciaal Energiedashbord geraadpleegd juli 2018). Dat komt overeen met het energieverbruik van 65.280 gemiddelde Nederlandse huishoudens (de gemeente telt 14.181 huishoudens). Dit verbruik is voor 50% te koppelen aan mobiliteit, voor 35% aan gas (voor verwarming, warm tapwater en deels productieprocessen) en voor 15% aan elektriciteit. Deze 4,08 PJ is ook vergelijkbaar met 14 km2 zonnepanelen.

Potentie energiebesparing

De potentie energiebesparing is vastgesteld op 0,83 PJ in 2050. Dit moet voornamelijk behaald worden door het isoleren van woningen en gebouwen, door het gebruik van energie-efficiënte apparaten en aangepast gebruikersgedrag. Echt – Susteren kent 14.556 woningen. Meer dan de helft heeft een laag energielabel, hetgeen inhoudt dat er onnodig veel energie verbruikt wordt.

Potentie duurzame opwekking

Primair gebaseerd op het Energiedashboard van de provincie Limburg komt naar voren dat er binnen de gemeentegrenzen van Echt-Susteren de volgende potentie aanwezig is voor het opwekken van duurzame energie om te voorzien in haar huidige energievraag (zie de volgende tabel):

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0015.png"

Deze hoeveelheid zonnepanelen (ZonPV) neemt ruim 5 km² aan oppervlak in beslag. De daken van woningen en bedrijfsgebouwen in de gemeente Echt-Susteren beschikken over te weinig geschikt dakoppervlak (geschikt = minimaal 10 zonnepalen van 360 Wp) om de gevraagde hoeveelheid aan duurzame elektriciteit op te wekken met zonnepanelen. Ook is niet elk huishouden in staat om zonnepanelen op zijn/haar dak te plaatsen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van complexwoningen, appartementen, flats en hebben veel woonadressen geen eigen dak. Ook zijn veel daken van woningen niet geschikt door schaduwvorming en/of obstakels. Daarnaast worden deze daken niet vanzelfsprekend door de eigenaren vol gelegd met ZonPV installaties. Stimuleringsprojecten zijn nodig en helpen om de aanleg op daken van particulieren en bedrijven te versnellen. Particuliere woningeigenaren zijn in de praktijk moeizaam te mobiliseren tot het nemen van duurzame maatregelen vanwege de vele drempels die er zijn en de vrijblijvendheid. De gemeente kan het nemen van deze maatregelen niet afdwingen. Om lokaal te voorzien in een deel van de elektriciteitsbehoefte is het daarom noodzakelijk om te onderzoeken in hoeverre de mogelijkheid bestaat om grootschalige ZonPV installaties (z.g. zonneparken) en windmolens te plaatsen, zo blijkt uit de 'Energievisie en uitvoeringsprogramma 2018 - 2022'.

Waarom dienen er nu al snel zonneparken te worden gerealiseerd?

Zoals hier voor reeds aangegeven wordt de in het Regeerakkoord uitgesproken ambitie van 49% reductie van de uitstoot van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990 met de huidige snelheid niet gerealiseerd. Ook met betrekking tot de duurzame opwekdoelen loopt de gemeente Echt-Susteren, net als alle andere gemeenten in Nederland, flink achter. In 2020 dient Nederland 14% van de energievraag duurzaam op te wekken en in 2023 is dat 16% (dat is 0,57 PJ respectievelijk 0,65 PJ). De cijfers van 2016 geven aan dat de gemeente Echt-Susteren 4% (0,16 PJ) hernieuwbare energie gebruikt (2,2% vervoer, 5,7% warmte en 6,2% elektriciteit).

Om te versnellen zijn concrete initiatieven en projecten benoemd en geprioriteerd (zie bovenstaande tabel). Dit geldt tevens voor grootschalige ZonPV installaties. De realisatie van grootschalige ZonPV is noodzakelijk, naast het stimuleren van de opwekking van duurzame energie bij gebouwen (zoals ZonPV op dak). De gemeente is immers geen eigenaar van de meeste gebouwen en kan het plaatsen van de zonnepanelen dus niet afdwingen. Hiermee ontstaat er een afhankelijkheidspositie om de duurzaamheidsdoelen te kunnen halen. Om deze reden zet de gemeente ook in op de nu beproefde technieken zon op land en wind.

Ook in de Concept-RES Noord- en Midden Limburg is geconcludeerd dat grootschalige windparken en zonneparken noodzakelijk zijn, naast het stimuleren van zonnepanelen op daken, energiebesparing etc. (dit is ook berekend in de Concept-RES). Hier beneden wordt nader op de doelen vanuit de Concept-RES ingegaan.

Waar kunnen zonneparken in Echt-Susteren gerealiseerd worden?

Bij het opstellen van het beleid voor de realisatie van zonne- en windparken is het een bewuste keuze geweest om geen zoekgebieden aan te wijzen en enkel Natura 2000 en goudgroene gebieden uit te sluiten van zonneparken en windparken. In principe kunnen dus overal in de gemeente initiatieven ontwikkeld worden, mits het plan voldoet aan de drie beleidspijlers landschappelijke kwaliteit, draagvlak en (financiële) participatie. Op deze wijze kan er maatwerk geleverd worden, waardoor er sprake is van een realistische werkwijze om zonneparken ook daadwerkelijk te kunnen realiseren en hiermee de doelstelling om in 2040 energieneutraal te zijn.

Voor de realisatie van de zonneparken heeft de gemeente in december 2019 een collectieve uitvraag aan de markt gedaan voor de realisatie van zonneparken. Het betreft een pilot waarmee de gemeente ervaring wil opdoen met de voorbereiding en realisatie van zonneparken. De gemeente heeft 17 initiatieven voor zonneparken ontvangen. Deze initiatieven zijn door een panel van deskundigen beoordeeld aan de hand van de drie voornoemde beleidspijlers:

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0016.png"

Hoe verhouden de gemeentelijke doelen zich tot de opgave vanuit de Regionale Energie Strategie (RES) regio Noord- en Midden Limburg?

In de Regionale Energie Strategie werkt de gemeente Echt-Susteren samen met alle 14 gemeenten in Noord- en Midden-Limburg, Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Enexis. De belangrijkste opgave van de RES is om afspraken te maken over hoeveel de regio kan bijdragen aan de landelijke doelstellingen (klimaattafel elektriciteit) van het klimaatakkoord. Deze ambitie is om in 2030 70% van de elektriciteit duurzaam op te wekken.

Het bod dat de RES Noord- en Midden Limburg het rijk heeft gedaan is 1 200 GWh in 2030. In de onderstaande figuren staan de doelen van de RES schematisch weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0017.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0018.png"

Het behalen van de RES doelen tot 2030 betekent op basis van het voorgaande dat er per RES-gemeente 4-6 windturbines van 5-6 MW of 8-11 windturbines van 3 MW of 94 – 120 ha aan zonnepanelen gerealiseerd moeten worden.

Met de realisatie van afgerond 41 ha aan zonnepanelen (ZonPV) én de realisatie van 5 windturbines van 5 – 6 MW, waarvoor momenteel het haalbaarheidsonderzoek wordt uitgevoerd, draagt de gemeente Echt – Susteren bij aan de doelstellingen van de RES regio Noord- en Midden Limburg tot 2030.

De plannen van de 5 zonneparken, waaronder het voorliggende, zijn bij de deelnemende partijen in de RES bekend. Formele afstemming (hoe en wanneer er afgestemd moet worden) van initiatieven in RES verband is nog niet geregeld. Hier moeten nog concrete afspraken over gemaakt worden.

Relatie ontwikkeling met Limburgse zonneladder

De voornoemde 5 zonneparken, waaronder de voorliggende ontwikkeling, worden op landbouwgronden in Echt-Susteren gerealiseerd. Dit neemt niet weg, zoals hiervoor nader onderbouwd, dat de gemeente geen aandacht heeft of de mogelijkheden heeft bekeken voor het realiseren van zonne-installaties in de overige gebieden in de Limburgse zonneladder zijnde zonne-installaties op daken en gevels (trede 1), in bebouwd gebied (trede 2) en in landelijk gebied (trede 3).

Trede 1

Allereerst heeft de gemeente Echt-Susteren niet voldoende geschikte daken om te voorzien in de huidige en toekomstige energiebehoefte.

In de Energievisie van de gemeente Echt-Susteren (vastgesteld februari 2019) is het totale energieverbruik in de gemeente Echt-Susteren opgenomen van 4,08 PJ per jaar. Hiervoor is een totale oppervlakte van 14 km2 aan zonnepanelen noodzakelijk. Dit verbruik is voor 50% te koppelen aan mobiliteit, voor 35% aan gas (voor verwarming, warm tapwater en deels productieprocessen) en voor 15% aan elektriciteit (0,6 PJ). Om die 15% aan elektriciteit duurzaam op te wekken is dus een oppervlakte van 2,1 km2 noodzakelijk. Dit is 2% van de oppervlakte van de gemeente Echt – Susteren.

Echt-Susteren heeft 14.556 woningen. In de praktijk heeft niet elk huishouden een woning met een geschikt dak en is ook niet elk huishouden in staat om zonnepanelen op zijn/haar dak te plaatsen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van complexwoningen, appartementen, flats en hebben veel woonadressen geen eigen dak. Ook zijn veel daken van woningen niet geschikt door schaduwvorming en/of obstakels. Bij een aanname dat 40% van de woningen een geschikt dak heeft om 10 zonnepanelen te plaatsen, dan zouden op deze daken 58.224 panelen geplaatst kunnen worden. Dit komt overeen met circa 20.000.0000 kWh oftewel 0,07 PJ.

Aangezien in totaal 0,6 PJ nodig is, zal dus voor de overige 0,53 PJ dakoppervlak nodig zijn op geschikte en beschikbare grote(re) gebouwen in Echt-Susteren. Dit komt overeen met ruim 1,8 km2.

In de praktijk is slechts een klein deel van de grote(re) daken geschikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Ook zal een groot deel van de eigenaren niet meewerken en kan nu ook niet gedwongen worden om mee te werken. Met de aanname dat 20% van al deze daken geschikt is en 25% van de eigenaren meewerkt dan is 36 km2 aan dakoppervlakte nodig. Deze oppervlakte is er niet, want dat zou betekenen dat 34% van de oppervlakte van de gemeente Echt-Susteren (104,5 km2) uit grote(re) daken zou bestaan.

Om het voorgaande in perspectief te zetten. De geplande 5 zonneparken in de gemeente Echt – Susteren hebben in totaal afgerond een oppervlakte van 40 ha. Dit is 400.000 m2 of te wel 0,4 km2. Dit komt neer op 0,4 % van de totale oppervlakte van de gemeente.

Er wordt verder wel aandacht besteed aan de invulling van trede 1. Dit blijkt ook uit de RES brede aanpak voor het stimuleren van de aanleg van zonnepanelen op daken. Dit plan richt zich naast de particuliere daken ook op daken van bedrijven en commercieel vastgoed. MKB-bedrijven die willen verduurzamen worden hier van uit de gemeente in ondersteund. Door het feit dat de gemeente van de meeste gebouwen geen eigenaar is, is stimuleren de enige mogelijkheid. Afdwingen is niet mogelijk. Daarmee ontstaat er voor de gemeente een afhankelijkheidspositie, waardoor de gemeente niet de regie heeft op het behalen van de duurzaamheidsdoelen. Ten slotte geldt dat wat niet aan energie verbruikt wordt, ook niet opgewekt hoeft te worden. Binnen dat kader wordt vanuit de gemeente het besparen van energie gestimuleerd met bijvoorbeeld isolatiemaatregelen.

Treden 2 en 3

Wat betreft de treden 2 en 3 moet in het oog worden gehouden dat de mogelijkheden ook beschikbaar moeten zijn. De gemeente Echt – Susteren beschikt bijvoorbeeld niet over een voormalige stortplaats (trede 3) en restruimten op bijvoorbeeld een bedrijventerrein (trede 2). Hiermee vallen deze gebieden dus zo goed als af.

Op basis van het voorgaande is de conclusie dat bij het invullen van trede 1 kleine stappen worden gezet en het tijd vergt om particulieren/bedrijven te overtuigen om daadwerkelijk duurzaamheidsmaatregelen te treffen. Daarnaast is ook de inzet van alle in potentie geschikte daken voor zonne-installaties in de gemeente niet voldoende om de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen te realiseren. Vanuit realistisch oogpunt moeten in Echt – Susteren dus ook landbouwgronden ingezet worden voor zonne-installaties. Dit mede omdat er in de gemeente nauwelijks locaties voor handen zijn om treden 2 en 3 te kunnen invullen.

Aanvullend dient opgemerkt te worden dat met de opzet die nu gekozen is om de zonneparken, waaronder de voorliggende, te realiseren, er geen sprake is van een totale onttrekking van de gronden aan de landbouw. De gronden, die de betreffende agrarische grondeigenaren vrijwillig inzetten, kunnen gecombineerd voor zowel landbouwactiviteiten als voor de opwekking van zonne-energie gebruikt worden. De landbouwmogelijkheden zijn uiteraard beperkter, maar niet geheel onmogelijk. Verder geldt voor alle parken een tijdelijkheid, waardoor de gronden op termijn weer volledig voor de landbouw ingezet kunnen worden. Daarnaast heeft het tijdelijk beperken van de landbouwkundige mogelijkheden ook voordelen. De gronden krijgen rust, omdat er bijvoorbeeld geen bestrijdingsmiddelen meer op de gronden gebruikt worden waardoor ook de biodiversiteit zich kan ontwikkelen.

Conclusie

De gemeente Echt-Susteren zet voor de realisatie van haar duurzaamheidsdoelstellingen voornamelijk in op de invulling van de treden 1 en 4 van de Limburgse zonneladder. Er is dus sprake van zon op dak, zon op land en wind tegelijkertijd. De gemeente haalt anders de duurzaamheidsdoelen niet.

Om de locatiekeuze van het voorliggende zonnepark op landbouwgrond nader te motiveren, is het plan door een deskundigenpanel getoetst aan de drie beleidspijlers landschappelijke kwaliteit, draagvlak en (financiële) participatie. Uit deze afweging is gebleken dat er bij de voorliggende ontwikkeling sprake is van:

  • een goede ruimtelijke integrale afweging;
  • de instandhouding van landschapsstructuren en de bijbehorende kenmerken;
  • aandacht voor lokaal draagvlak en participatie;
  • het doorlopen van zorgvuldige procedures.

Door deze werkwijze toe te passen, kan er maatwerk geleverd worden. Hierdoor is er sprake van een realistische werkwijze om de vijf zonneparken, waaronder het voorliggende, ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Tevens is hiermee invulling gegeven aan het 'nee, tenzij' principe van de provincie Limburg.

Ten slotte geldt dat met de realisatie van deze vijf zonneparken, de vijf geplande windmolens en de overige benoemde zaken, Echt – Susteren een bijdrage levert aan de doelstellingen van de RES opgave tot 2030 voor de regio Noord- en Midden-Limburg. Deze doelen zijn uitsluitend haalbaar op het moment dat ook landbouwgronden voor de duurzaamheidsdoelstellingen worden ingezet.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Energiestrategie (RES) Noord- en Midden-Limburg

In de RES wordt door overheden, maatschappelijke organisaties, netbeheerders, en als het mogelijk is ook burgers, gewerkt aan regionaal gedragen keuzes als het gaat om energiebesparing en de duurzame opwekking van elektriciteit en de hiervoor benodigde infrastructuur. De RES wordt op regionaal niveau samengesteld. Hiervoor is Nederland in 15 energieregio's verdeeld. Gemeente Echt-Susteren maakt onderdeel uit van de energieregio Noord en Midden Limburg (één regio).

De voorlopige concept RES van de regio Noord- en Midden Limburg is op 28 mei 2020 vrijgegeven voor de besluitvorming in de individuele colleges, Gedeputeerde Staten en het dagelijks bestuur van Waterschap Limburg. Uiterlijk 1 oktober 2020 wordt de definitieve en bestuurlijk vastgestelde concept RES ingediend bij het Rijk.

In de voorlopige concept RES zijn de ambities van de regio voor de periode van 2030-2050 beschreven. Deze betreffen:

  • Door energie te besparen en energie kleinschalig duurzaam op te wekken in 2030 minimaal 25% minder CO2 uitstoren dan in 2015;
  • Met grootschalige duurzame zon- en windprojecten 1.200 gigawattuur (GWh) duurzame energie opwekken in 2030;
  • 100% duurzame warmte in 2050;
  • 50% lokaal eigendom bij grootschalige zon- en windprojecten.

Met de realisatie van het zonnepark waarop dit bestemmingsplan ziet, wordt bijgedragen aan de regionale doelstelling om voor 2030 1.200 gigawattuur (GWh) op te wekken met grootschalige duurzame zon- en windprojecten. Daarnaast wordt ernaar gestreefd het doel van minimaal 50% coöperatief eigenaarschap te bewerkstelligen.

Vanuit maatschappelijk oogpunt is relevant dat bij de uitwerking van dit initiatief een aantal stakeholders zijn geïdentificeerd, zijnde omwonenden en nabijgelegen bedrijven. Initiatiefnemer heeft voor elke stakeholder een uitgebreide analyse gemaakt waarbij het belang en de invloed van de betreffende stakeholder nader is uitgewerkt. Ten behoeve van het creëren van maatschappelijk draagvlak en de wensen en zorgen van de stakeholders te inventariseren, is initiatiefnemer meermaals het gesprek aangegaan met deze belanghebbenden. Op deze wijze worden belanghebbenden al in de voorbereidingsfase van het plan actief betrokken bij onderhavige ontwikkeling.

Daarnaast heeft initiatiefnemer een intentieovereenkomst gesloten met Energiecoöperatie Echt-Susteren Energie waarbij als uitgangspunt is genomen dat partijen samenwerken om 50% lokaal eigendom van onderhavig project te realiseren. Hierbij wordt gedacht aan een coöperatief model naar analogie met de postcoderoos, eventueel aan te vullen met aandelen of obligaties van het project uit te geven door de energiecoöperatie. De exacte invulling van deze 50% lokaal eigendom hangt in beginsel af van het lokale animo.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ambities als beschreven in de concept RES.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie 2012-2025, Ontwikkelen met kwaliteit

Op 31 mei 2018 is door de gemeenteraad van Echt-Susteren de 'Structuurvisie 2012-2025, Ontwikkelen met kwaliteit' vastgesteld. Deze structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkelingen binnen de gemeente, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid. De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop de gemeenteraad zich voorstelt om het voorgenomen ruimtelijk beleid te verwezenlijken.

In de structuurvisie wordt aangegeven dat de gemeente Echt-Susteren duurzaamheidsinitiatieven toejuicht wanneer deze ruimtelijk-landschappelijk aanvaardbaar zijn. Waar mogelijk zullen dergelijke initiatieven worden gefaciliteerd. Hierbij dient wel in ogenschouw te worden genomen dat bij alle initiatieven voor duurzame energiewinning die een ruimtebeslag vergen tot 1,5 hectare een landschappelijke inpassing vereist is. In paragraaf 2.2.3 van voorliggende toelichting wordt nader ingegaan op het landschapsplan.

Gelet op het feit dat onderhavig planvoornemen bijdraagt aan de duurzaamheidsagenda van de gemeente Echt-Susteren en tegelijkertijd wordt voorzien in een landschappelijke inpassing met bijbehorende financiële bijdrage, is onderhavig voornemen in overeenstemming met de 'Structuurvisie 2012-2025'.

3.4.2 Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen:

  • Bestemmingsplan 'Buitengebied' (vastgesteld op 14 december 2017);
  • Bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' (vastgesteld op 22 september 2016);
  • Facetbestemmingsplan 'Deregulering' (vastgesteld op 6 november 2019).

Bestemmingsplan 'Buitengebied'

De percelen binnen het plangebied liggen in het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Echt-Susteren en hebben de enkelbestemming 'Agrarisch', zonder bouwvlak aanduiding. Aanvullend zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde-archeologie 3' en 'Leiding-hoogspanningsverbinding' van toepassing.

Dubbelbestemmingen:

  • De archeologische dubbelbestemming leidt tot een onderzoeksplicht bij ruimtelijke ingrepen van 500 m2 of meer, waarbij de bodem 40 cm of dieper wordt geroerd;
  • Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Leiding-Hoogspanningsverbinding' zijn uitsluitend bouwwerken toegestaan die ten dienste staan van betreffende verbinding. Andere gebouwen en bouwwerken moeten vergund worden en worden daarbij getoetst op het belang van beheer en instandhouding van de leidingen;
  • Direct ten noorden en ten zuiden van het plangebied zijn agrarische bedrijven gelegen. Binnen het bestemmingsplan hebben beide de aanduiding 'intensieve veehouderij'. Ten noordoosten van het plangebied liggen 8 woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0019.jpg"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan met aanduiding plangebied

Bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren'

In het bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' is het gebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde-cultuurhistorie' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde – cultuurhistorische ensemble Berkelaar'.

Deze dubbelbestemming ziet op de bescherming van gebied specifieke waarden in dit deelgebied van de gemeente Echt-Susteren. Daarbij kan worden gedacht aan bebouwingsensembles, wegenpatronen of zones met openheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0020.jpg"

Uitsnede bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' - ensemble Berkelaar rood omlijnd

De belangrijkste cultuurhistorische waarden binnen dit ensemble zijn de bebouwing in de vorm van een lint langs de Kapelstraat-Heiweg en het begin van de Swaantjesweg, waarbij vooral de haaks op de weg staande langgevelboerderijen karakteristiek zijn. Verder is de bebouwingsconcentratie in de omgeving van de Maasbrachterweg in de nabijheid van de A2 als waardevol aangemerkt.

Waardevol is ook het open landschap buiten de bebouwingsconcentraties en restanten van het oude veld (open akkerland) van Echt, waaraan vrijwel alle tuinen van de lint-bebouwing direct grenzen. Daarbij zijn de bebouwing langs de Oude Stevensweerterweg en een groot deel van de Maasbrachterweg als verstorend voor dit beeld aangemerkt. Voor die laatste weg is de bebouwing noordelijk van nummer 55 en noordelijk van nummer 52 als stedenbouwkundig niet waardevol aangemerkt.

Aan de noordoostzijde ligt de historische hoeve Bosserhof met haar landerijen aan de rand van het open veld. Ook waardevol zijn agrarisch gebruikte percelen die tot direct aan de straat grenzen, alsmede historische kleine agrarische bijgebouwen, zoals kippen-hokken, die bewaard zijn gebleven.

Facetbestemmingsplan 'Deregulering'

Tot slot kan worden gewezen op het feit dat ter plekke het facetbestemmingsplan 'Deregulering' van toepassing is. Dit bestemmingsplan streeft vijf doelen na. Allereerst staat voorop dat de gemeente meer flexibiliteit wil bieden in bestemmingsplannen door het vaker rechtstreeks toelaten van functies dan wel het bieden van een ruimter afwegingskader voor de niet-rechtstreeks toegelaten functies. Daarnaast wordt beoogd om de kaders te verruimen ten aanzien van hergebruik van bestaande bebouwing in het buitengebied en het verruimen van de mogelijkheden bij het realiseren van schuilgelegenheden. Eveneens heeft de gemeente Echt-Susteren nieuw vastgesteld beleid vertaald in het facetbestemmingsplan en veelgebruikte begripsbepalingen voor het hele grondgebied rechtgetrokken. Tot slot heeft de gemeente het facetbestemmingsplan 'Sport- en recreatieve voorzieningen' geïncorporeerd in het facetbestemmingsplan 'Deregulering'.

Binnen de kaders van de geldende bestemmingsplanregelingen kan het realiseren van een zonnepark aan de Maasbrachterweg te Echt niet worden toegestaan. Het bestemmingsplan biedt geen binnenplanse afwijkings- danwel wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken.

Planologische medewerking kan worden verleend middels partiële herziening van het bestemmingsplan. In dit kader is in voorgaande reeds onderbouwd dat het voornemen past binnen afzonderlijke relevante beleidskaders. Ook uit toetsing van de milieutechnische en planologische randvoorwaarden blijkt dat het plan passend is binnen de omgeving. Dit wordt nader onderbouwd in Hoofdstuk 4.

Hoofdstuk 4 Milieutechnische en planologische randvoorwaarden

4.1 Milieueffectrapportage

Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden.

De belangrijkste wijzigingen betreffen het aanpassen van de richtlijnen m.b.t. de activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r. moet worden opgesteld. De plandrempels zijn gewijzigd, maar het karakter ervan is eveneens gewijzigd. Het bevoegd gezag zal zich er voortaan van moeten vergewissen of de activiteiten in dit onderdeel ook beneden de drempel geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk.
  • Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 14 augustus 2019 een uitspraak gewezen waarin is geoordeeld dat het realiseren van een zonnepark niet onder de reikwijdte van het Besluit Milieueffectrapportage valt. Een zonnepark wordt namelijk niet aangemerkt als een landinrichtingsproject, een stedelijk ontwikkelingsproject dan wel een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stroom en warm water. Kortom, het realiseren van een zonnepark is niet opgenomen in bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of het doorlopen van een m.e.r.-procedure.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1 Archeologie

Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed. Hieruit volgt dat bekende archeologische monumenten niet aangetast mogen worden en moet bij voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is - door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld.

De gemeente Echt-Susteren beschikt over de 'Erfgoedverordening 2010'. Deze verordening biedt een soort voorbescherming voor archeologische waarden. In de verordening wordt de mogelijkheid geboden om archeologische monumenten en verwachtingszones aan te wijzen en deze te verbinden aan categorieën regels en voorwaarden. De regels en voorwaarden overeenkomstig de verordening dienen te worden verwerkt in de regels van nieuw op te stellen bestemmingsplannen. Gelet op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente liggen de gronden binnen een 'hoge verwachting voor droge landschappen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0021.png"

Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeente Echt-Susteren met schetsmatige aanduiding plangebied

Eveneens is ter plekke van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' van kracht op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Op basis van deze dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksverplichting indien de bodemverstoring als gevolg van het bouwen dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld én de omvang van de bodemingreep groter is dan 500 m2.

Ten behoeve van onderhavig planvoornemen heeft ArcheoPro een archeologisch bureauonderzoek uitgevoegd, bijgevoegd als Bijlage 3. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat voor het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor archeologische nederzettingsresten, grafvelden en off site resten vanaf het mesolithicum tot en met de Romeinse tijd. De verwachting is eveneens hoog voor off site resten uit middeleeuwen en nieuwe tijd. De hoge verwachting voor resten van jagers-verzamelaarsgemeenschappen geldt met name voor de zuidwestelijke hoek van het plangebied vanwege de ligging op een pleistoceen terras nabij de holocene restgeul. Voor resten uit het paleolithicum geldt een middelhoge verwachting die losstaat van de terrasrand en de restgeul.

Op basis van de resultaten van de bureaustudie en het gespecificeerde archeologische verwachtingsmodel dient ter plaatse van het plangebied in principe archeologisch vervolgonderzoek te worden uitgevoerd zodra er bodemingrepen dieper dan de moderne bouwvoor c.q. dieper dan 40 cm beneden het actuele maaiveldniveau gaan plaatsvinden.

De ten behoeve van de realisatie van het zonnepark geplande bodemingrepen die dieper gaan dan de moderne bouwvoor c.q. de vastgestelde grenswaarde van 40 cm –mv en daarmee een direct risico vormen voor het ongeroerde bodemarchief, beslaan in totaal circa 253 m². De ingrepen zijn ruimtelijk verdeeld over het gehele plangebied. Het verstoringspercentage bedraagt niet meer dan 0,5% van de oppervlakte van het plangebied. Het bouwplan kan zodoende worden beschouwd als een archeologisch vriendelijk bouwplan met een niet significant verstoringseffect op eventuele archeologische resten. Op basis hiervan en uitgaande van de gespecificeerde bodemingrepen wordt derhalve geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren.

In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister of de gemeente Echt-Susteren conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11.

Gelet op vorenstaande uiteenzetting wordt onderhavige ontwikkeling niet belemmerd door het aspect archeologie.

4.2.2 Cultuurhistorie

Ter plaatse van het plangebied aan de Maasbrachterweg te Echt is het bestemmingsplan 'Cultuurhistorie Echt-Susteren' van kracht, vastgesteld op 22 september 2016 door de gemeenteraad van Echt-Susteren. Op basis van dit bestemmingsplan geldt ter plekke de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - cultuurhistorisch ensemble berkelaar' Zie ook 3.4.2.

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en versterking van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden conform de cultuurhistorische waardenkaart 'Fraaie landstreken, belangrijke wandelingen en indrukwekkende gedenktekens' van de gemeent Echt-Susteren.

In onderstaande figuur is een uitsnede opgenomen van de cultuurhistorische waardenkaart waarbij onderhavig plangebied schetsmatig met een rode kleur is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0022.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Echt-Susteren met aanduiding plangebied

Met inachtneming van de cultuurhistorische waardenkaart is het plangebied gedeeltelijk gelegen binnen een 'frontzone 1944-1945'. Daarnaast zijn direct grenzend aan het plangebied een aantal wegen gelegen welke voor 1842 reeds aanwezig waren. Bovendien is aan de westzijde van het plangebied een voormalige weg aanwezig daterend van voor 1842, welke nu is verdwenen. Vooropgesteld moet worden dat de ontwikkeling geen invloed heeft op deze nabijgelegen wegen.

Daarnaast is relevant dat ten behoeve van de ontwikkeling een landschapsplan is opgesteld, bijgevoegd als Bijlage 2 . Bij de landschappelijke inpassing van het plangebied wordt aangesloten bij de cultuurhistorische waarden in het gebied, met als doel de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het ensemble zo goed mogelijk te beschermen en te versterken. Elementen als bestaande laanbeplanting langs de Maasbrachterweg en het kanaal, die ook de historische structuren van het gebied leesbaar maken, worden behouden. Daarnaast wordt het zonnepark met gebiedseigen haagstructuren, die vanuit het verleden voor deze gebieden al karakteristiek zijn, ingepast.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Voor de toetsing kan onder meer gebruik worden gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' waarin voor de onderscheiden bedrijfsactiviteiten generieke afstandsnormen zijn opgenomen. Dit betreffen conform jurisprudentie richtafstanden. Bij de toetsing van concrete situaties kan maatwerk nodig zijn. Afwijking van de generieke richtafstanden uit de VNG publicatie is hierbij mogelijk, mits dit goed kan worden gemotiveerd.

Hindergevoelige functie

Een zonnepark wordt niet aangemerkt als hindergevoelige functie. Milieubelasting uit de omgeving hoeft om deze reden niet te worden beoordeeld. Daarnaast geldt dat de realisatie van het zonnepark ook niet leidt tot belemmeringen voor omliggende functies. Ook hier geldt dat met de realisatie van een zonnepark geen sprake is van een hindergevoelige functie en dat er daarom geen beperkingen optreden ten aanzien van de duurzame ontwikkeling van omliggende hinderveroorzakende functies.

Hinderveroorzakende functie

Een zonnepark vormt geen milieuhinderlijke bedrijfsactiviteit in termen van milieuzonering. Eventuele geluidhinder zou door transformatoren kunnen ontstaan. Transformatoren ten behoeve van een zonnepark worden niet direct genoemd in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)'. Dit neemt niet weg dat aansluiting kan worden gezocht bij de categorie 'Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: 10-100 MVA' (SBI-2008:35). Voor deze categorie geldt in beginsel een minimale richtafstand van 30 meter voor het aspect gevaar en 50 meter voor het aspect geluid. Voor de aspecten geur en stof bedraagt de minimale richtafstand 0 meter. Aangezien het gebied wordt gekenmerkt als een 'gemengd gebied' kan de richtafstand in casu worden verlaagd tot 10 meter (gevaar) respectievelijk 30 meter (geluid).

De afstand van het plangebied tot aan de noordoostelijk gelegen burgerwoning Maasbrachterweg 86 te Echt bedraagt circa 30 meter. Derhalve wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling geen nader te beoordelen invloed heeft op het woon- en leefklimaat van de noordoostelijk gelegen burgerwoningen.

De afstand van het plangebied tot aan de mantelzorgwoning op de locatie Maasbrachterweg 97 te Echt bedraagt circa 18 meter. In dat verband staat voorop dat aan de richtafstanden voor de aspecten geur, stof en gevaar wordt voldaan. Ten aanzien van het aspect geluid is relevant dat de transformator op minimaal 30 meter van de mantelzorgwoning Maasbrachterweg 97 Echt zal worden geplaatst.

Onderhavige ontwikkeling leidt daarmee niet tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies.

Melding Activiteitenbesluit

Het zonnepark is een zelfstandige installatie die geen onderdeel uitmaakt van een (deel) van een bedrijf. Een zonnepark is voor wat betreft milieu een zogenaamd type A bedrijf. Type A bedrijven zijn niet melding- of vergunningplichtig. Het betreft hier bedrijven die minder milieubelastende activiteiten uitvoeren. Wel vallen deze bedrijven van rechtswege onder het Activiteitenbesluit en gelden de voorschriften uit hoofdstuk 3 of 4 en de algemene voorschriften voor lucht uit afdeling 2.3 van het Besluit. Initiatiefnemer ziet er op toe dat aan deze voorschriften wordt voldaan.

Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering de ontwikkeling niet in de weg staat.

4.4 Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging danwel het realiseren van nieuwe verblijfsruimten, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Bij voorliggend planvoornemen is feitelijk geen sprake van een planologische functiewijziging aangezien de agrarische bestemming ongewijzigd blijft. Daarnaast gaat onderhavige ontwikkeling niet gepaard met het creëren van nieuwe verblijfsruimten. Het uitvoeren van een verkennend bodem- en asbestonderzoek is dan ook niet noodzakelijk ten behoeve van voorliggend planvoornemen.

Afgezien van het feit dat een verkennend bodem- en asbestonderzoek niet noodzakelijk is, is ten behoeve van voorliggende ontwikkeling een nulsituatie bodemonderzoek uitgevoerd. Een nulsituatie bodemonderzoek heeft ten doel om een referentiekader voor de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te leggen. Vervolgens kan met behulp van een eindsituatie bodemonderzoek worden vastgesteld of de beoogde activiteiten ter plaatse hebben geleid tot een eventuele verontreiniging van de bodem. Aan de hand van deze onderzoeken wordt beoordeeld of de bodemkwaliteit voorafgaand en na afloop van de exploitatie minimaal in dezelfde staat verkeert.

Vanuit deze insteek heeft Aelmans ECO B.V. op 17 december 2020 een historisch bodemonderzoek (vooronderzoek) uitgevoerd dat als Bijlage 4 aan voorliggende toelichting is gevoegd.

De rapportage toont aan dat in de voorhanden zijnde historische informatie geen aanwijzingen zijn aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten. Daarnaast zijn tijdens de terreininspectie geen aanwijzingen geweest, welke zouden kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging. Omdat geen aanleidingen bestaan voor het aantreffen van bodemverontreinigingen wordt de hypothese 'onverdacht' voor de gehele onderzoekslocatie aangehouden.

Op basis van deze uiteenzetting wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodem' geen belemmeringen vormt voor onderhavige ontwikkeling.

4.5 Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Burgers mogen voor de veiligheid van hun omgeving rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron.

BEVI
De risiconormen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in het BEVI. In dit besluit zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Het BEVI verplicht het bevoegd gezag op basis van de Wet milieubeheer om veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. In het besluit zijn gevoelige objecten gedefinieerd als kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Bevt

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico.

Opgemerkt moet worden dat een zonnepark geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object vormt in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Besluit externe veiligheid transportroutes (er zijn geen personen aanwezig).

Wel is van belang dat aan de westzijde van onderhavig plangebied de dubbelbestemming 'Leiding - Ondergronds' van toepassing is. De als zodanig aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van gas-, olie- en stikstofleidingen. In artikel 22.2 van de planregels van het bestemmingsplan 'Buitengebied' is bepaald dat op deze gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bedoelde leidingen mogen worden opgericht. Eveneens is in artikel 22.7.1. van de planregels bepaald dat het wijzigen van het bestaande bodemniveau door ophogingen of afgravingen of het verrichten van andere graafwerkzaamheden vergunningplichtig is.

Indien eventuele grondbewerking noodzakelijk wordt geacht en als de pv-panelen daadwerkelijk worden geplaatst op de gronden waar de dubbelbestemming 'Leiding - Ondergronds' van kracht is, zal initiatiefnemer in overleg treden met de leidingbeheerder.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.6 Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder onderzocht te worden of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven. Bij een zonnepark leveren de zonnepanelen stroom die via een omvormer en transformator worden afgegeven aan het elektriciteitsnet. Zonnepanelen an sich maken geen geluid. De transformatoren zijn vergelijkbaar aan die in woonwijken en deze produceren wel geluid. Het gaat hier om een licht zoemend geluid (< 50 dB), maar dit is geen relevante geluidsbelasting. Voor transformatorstations in een gemengd gebied geldt conform de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzoneringen' een te hanteren afstand van 30 meter ten aanzien van het aspect geluid. De situering van de transformatorstations wordt zorgvuldig gekozen zodat deze minimale afstand tot de meest dichtbij gelegen gevoelige bestemmingen gehanteerd wordt.

Het zonnepark vormt op zichzelf geen geluidgevoelig object. Onderhavige ontwikkeling voorziet dan ook niet in het toevoegen van een geluidsgevoelig object.

Tot slot dient het aspect geluidreflectie te worden beschouwd. Door de aanleg van een zonnepark zal het geluidsabsorptieniveau van de bodem wijzigen. In dat verband is van belang dat de bodem momenteel geluidsabsorberend werkt omdat deze enkel wordt gebruikt voor agrarische doeleinden. In de beoogde situatie krijgt de bodem een geluidsreflecterende rol. Omdat onderhavig plangebied niet is gelegen aan een drukke weg of een andere geluidsbron, is het effect op de geluidoverdracht bij geluidgevoelige bestemmingen niet aan de orde.

Het aspect geluid vormt derhalve op basis van het voorgaande geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.7 Luchtkwaliteit

Op basis van de Wet luchtkwaliteit, welke onderdeel uitmaakt (hoofdstuk 5) van de Wet Milieubeheer, gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingcomponenten stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (PM10 of fijnstof), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO). De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht.

Hoofdstuk 5 van de Wet Milieubeheer maakt onderscheid tussen projecten die „Niet in betekenende mate" (NIBM) en „In betekenende mate" (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Als een ontwikkeling strekt tot het realiseren of wijzigen van bronnen van luchtverontreiniging, die leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, dan moet onderzoek naar de exacte gevolgen voor de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In de Regeling NIBM zijn categorieën van gevallen aangewezen die worden aangemerkt als NIBM projecten. Voor plannen die niet bestaan uit louter kantoren en/of woningen, de zogenoemde gemengde programma's met bijv. winkels en (agrarisch)bedrijven, biedt de wet (art. 5.16 Wm, eerste lid, onder c) de mogelijkheid om het aannemelijk te maken dat die plannen in niet-betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit.

Het project gaat in de gebruiksfase niet gepaard met verbranding van (fossiele)brandstoffen. Ook is er geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking. In de gebruiksfase vindt incidenteel verkeer plaats die samenhangt met het beheer en onderhoud van het zonnepark. Luchtverontreinigende stoffen zijn daardoor niet aan de orde.

Voor het realiseren van het beooge zonnepark dient aannemelijk te worden gemaakt dat deze NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Dit wordt gedaan aan de hand van de zogeheten NIBM-tool. Uit de NIBM-tool blijkt dat tot een verkeersgeneratie van 1.139 voertuigbewegingen per etmaal, waarvan het aandeel vrachtverkeer 5% bedraagt, een ontwikkeling NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0023.png"

Weergave NIBM-tool

Onderhavig planvoornemen leidt tot een aanzienlijk kleinere toename aan verkeersbewegingen. Het plan kan derhalve worden aangemerkt als NIBM. Het aspect luchtkwaliteit staat de realisatie van het plan dan ook niet in de weg.

4.8 Natuur

In deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op respectievelijk gebiedsbescherming en soortenbescherming.

4.8.1 Gebiedsbescherming
4.8.1.1 Natuurgebieden

Het plangebied ligt op circa 1,9 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied 'Grensmaas'. Gezien deze relatief grote afstand en de lokale aard van de voorgenomen ontwikkeling is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op dit Natura 2000-gebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betekent dat directe aantasting van Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouwwerkzaamheden (storingsfactoren; oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering en mechanische verstoring, verstoring door geluid, licht, trillingen en visuele hinder) en het beoogde gebruik van het plangebied op voorhand kan worden uitgesloten. Hierdoor kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking.

Daarnaast maakt onderhavig plangebied geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabijgelegen deel van het NNN ligt op circa 355 meter van het plangebied.

Naast gebieden uit het NNN zijn in het provinciaal omgevingsplan 2014 (POL) nog andere gebieden met landschappelijke- en natuurwaarden aangewezen; zilvergroene en bronsgroene zones. In de zilvergroene natuurzone worden projecten gestimuleerd en ondersteund die de ecologische waarden verbeteren en cultuurhistorische waarden behouden en ontwikkelen. In de bronsgroene landschapszone worden watergangen en omliggende terreinen behouden, beheerd en ontwikkeld. De afstand tot de zilvergroene natuurzone bedraagt circa 355 meter en de afstand tot de bronsgroene landschapszone circa 80 meter.

4.8.1.2 Toets vergunningplicht Wnb

Vanwege de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 dient te worden aangetoond of de realisatie van het planvoornemen effecten heeft op omringende Natura 2000-gebieden. Om inzicht te krijgen in de mogelijke (negatieve) effecten van de stikstofemissie en stikstofdepositie op deze gebieden, is overeenkomstig artikel 6 van de Habitatrichtlijn een voortoets vergunningplicht Wet natuurbescherming voor de realisatie van onderhavig zonnepark aan de Maasbrachterweg verricht. Als op basis van objectieve gegevens wordt geconcludeerd dat geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van betrokken Natura 2000-gebieden, omdat geen toename van stikstofdepositie zal worden veroorzaakt, dan kan worden volstaan met een voortoets. Blijkt uit de voortoets het tegendeel, dus wel significante negatieve effecten, dan moet een passende beoordeling worden opgesteld. Ten aanzien van het NNN hebben de voorgenomen plannen geen (significant) negatief effect tot gevolg op de kernkwaliteiten van het NNN.

Aanpak

Voor onderhavige ontwikkeling is een voortoets uitgevoerd ter beoordeling of een NB-vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is vereist als gevolg van de uitstoot van stikstof tijdens de realisatie- en gebruiksfase van onderhavig zonnepark. Er is hiervoor een inschatting gemaakt van de werkzaamheden met machines voor de aanleg van het zonnepark. De inschatting van de stikstofemissies die aan de orde zijn gedurende de realisatiefase en de gebruiksfase vormen een onderdeel van de stikstofnotitie welke is bijgevoegd als Bijlage 5.

Om te beoordelen of en zo ja in welke mate het voorgenomen initiatief effecten heeft op de Natura 2000-gebieden 'Grensmaas' in Nederland en 'Maasvallei' in Belgie zijn diverse Aerius-berekeningen gemaakt. Daarmee kan worden bepaald wat de gevolgen zijn voor de depositie van stikstof (N) als gevolg van het initiatief. De Aerius-berekeningen zijn gebaseerd op de emissiegegevens in de nieuwe situatie (zonnepark) gesplitst in de realisatie- en de gebruiksfase (zie Bijlage 5). Uit de resultaten per habitattype blijkt dat er in de nieuwe situatie bij geen enkel habitattype sprake is van een depositie van meer dan 0,00 mol/ha.

Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden ten gevolge dvan stikstofdepositie kunnen met zekerheid worden uitgesloten. Ook andere negatieve effecten, zoals bijvoorbeeld verstoring, verdroging et cetera, zijn vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden met zekerheid uit te sluiten. De Wet natuurbescherming staat onderhavige ontwikkeling van een zonnepark dan ook niet in de weg. Deze resultaten vormen daarom geen aanleiding een Wnb-vergunning of een verklaring van geen bedenkingen aan te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden.

4.8.1.3 Soortenbescherming

Ten behoeve van het planvoornemen heeft Staro Natuur en Buitengebied een quickscan flora- en fauna uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 6. In betreffende rapportage wordt aangegeven dat in het plangebied mogelijk verschillende soorten voorkomen die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, reptielen en vissen voorkomen. Een overzicht van mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied is samengevat in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0024.png"

Mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten

De voorgestelde maatregelen voor de kerkuil en de steenuil zijn niet concreet uitgewerkt in bovenstaande tabel. Als aanvulling op deze tabel wordt in onderstaande figuur uiteengezet welke randvoorwaarden in acht dienen te worden genomen voor uilen die mogelijk ter plaatse van onderhavig plangebied voorkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0025.png"

Ter voorkoming van overtreding van de Wnb moeten de volgende maatregelen worden genomen:

  • 1. Nader onderzoek naar steenuil dient te worden uitgevoerd in de periode half februari tot april.
  • 2. Maatregelen voor steenuil worden genomen om het foerageergebied van de steenuil te behouden. Hiervoor dient kort bloemrijk grasland te worden gerealiseerd met voldoende zit- en uitkijkposten en geschikte maatregelen voor prooidieren, zoals besdragende struiken/struweel en takkentillen.
  • 3. Het bouwrijp maken van de weilanden kan gebeuren buiten het broedseizoen van vogels of als er geen vogels aan het broeden zijn.
  • 4. Het rooien van bomen en struiken en het verwijderen van struwelen dient te gebeuren buiten het broedseizoen van vogels en buiten de overwinteringsperiode van Alpenwatersalamander. De beste periode voor deze werkzaamheden is: augustus t/m half oktober.
  • 5. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.
  • 6. Door takken- en bladerhopen buiten de winterperiode te verwijderen, wordt voorkomen dat kwetsbare egels in hun winterslaap worden verstoord.

Daarnaast wordt aanbevolen het zonnepark natuurinclusief te ontwerpen. Zo wordt voor een groot aantal beschermde en niet beschermde diersoorten leefgebied gecreëerd en tevens een extra stapsteen gemaakt tussen verschillende natuurgebieden in de omgeving.

Tot slot geldt dat voor alle soorten binnen het besluitgebied de algemene zorgplicht geldt. Bij uitvoering van handelingen moeten negatieve gevolgen daarom zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Bij het verwijderen van vegetatie dient rekening gehouden te worden met kleine zoogdieren en amfibieën die daar mogelijk verblijven.

Aanvullend heeft Staro Natuur en Buitengebied nader onderzoek verricht naar de steenuil. Betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7.

Steenuil

In het nader onderzoek wordt aangegeven dat door het bouwen van het zonnepark 4,99 hectare grasland wordt bebouwd met zonnepanelen. Een steenuilenterritorium beslaat gemiddeld ongeveer 28 hectare. Als we hier vanuit gaan, wordt ongeveer 9% van het steenuilenterritorium ongeschikt als foerageergebied. Initiatiefnemer is voornemens het zonnepark te optimaliseren als foerageergebied voor de steenuil door de ruimte tussen de panelen 4 meter te houden en rondom het terrein brede struweelhagen en een voedselbos aan te planten. Ook het beheer van het park wordt afgestemd op de steenuilen, waardoor altijd een afwisseling van hoge en lagere vegetatie aanwezig is.

Het plangebied van circa 4,99 ha met de panelen kent een verhouding van 7 meter panelen op 4 meter grasland/ vrije open ruimte. Dit komt overeen met 36% open ruimte van 4,99 ha is 1,815 ha (4 meter/ 11) = 36% open ruimte in het plangebied.

Daarnaast zijn er nog de volgende open ruimtes aanwezig:

  • vrije ruimte rondom de hoogspanningsmast met een radius van 25 meter = 1.965 m²;
  • het wandelpad, de hagen, struwelen van ruim 2.000 m²;
  • het voedselbos van 1.800 m².

Dat is totaal 2,39 ha groene elementen/open ruimte, hetgeen betekent dat bijna 48% open vrije ruimte/open gebied aanwezig is in het zonnepark waar de steenuilen kunnen foerageren. Hierbij wordt het gebied tevens kleinschaliger ingericht met meer afwisseling in habitats voor vogels en insecten en is daardoor geschikter als foerageergebied voor de steenuil (bij het uitvoeren van het juiste beheer) en levert een afwisseling in prooidieren. Hierdoor blijft het plangebied geschikt als onderdeel van het foerageergebied van de steenuil.

Aangezien bij de berekening van het beschikbare foerageergebied voor de steenuilen een aanname wordt gedaan dat steenuilen foerageren tussen de panelen en hierover nog onvoldoende literatuur beschikbaar is, wordt in het gebied ten westen en noorden van Hoeve De Ruif (circa 6 ha) maatregelen getroffen om dat gebied geschikter te maken als foerageergebied voor de steenuilen. Deze maatregelen worden voorafgaand aan de start van de activiteiten uitgevoerd. Hierdoor gaat de kwaliteit van het gehele foerageergebied van de steenuilen omhoog; meer afwisseling van jachtgebied en kleinschaliger landschap. Ook in het worstcase scenario is een negatief effect op de steenuilen door de ontwikkeling van het zonnepark is dan uit te sluiten. Het functionele leefgebied van de steenuilen blijft van voldoende kwaliteit om het nest te behouden. Hierdoor wordt voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.BP20200069-VG01_0026.png"

Locatie voor het nemen van mitigerende maatregelen steenuil; maatregelen voor een kleinschaliger landschap

Met inachtneming van de resultaten van het nader onderzoek naar de steenuil zijn in paragraaf 3.3 van het landschapsplan aanvullende beheersmaatregelen opgenomen ten behoeve van de steenuil. Deze beheersmaatregelen luiden als volgt:

  • De grasmat binnen het plangebied om en om de helft laten begrazen of maaien. In het langere gras zitten dan veel prooidieren en in het kortere gras kan de steenuil goed jagen.
  • In een afgelegen grazig hoekje het gras laten doorgroeien en allen in de nazomer maaien. Dit kan bijvoorbeeld in een schaal van 25 meter rondom de voet van de hoogspanningsmast binnen het plangebied.
  • Een voldoende breedte tussen de paneelrijen (4 meter) zodat de steenuil hier ook vliegend tussen panelen kan gaan jagen op kortere grasdelen.
  • Potentiele nestplekken voor de steenuil zijn al gefaliciteerd door de aanplant van brede struikzones en diverse bomen binnen het aangrenzende voedselbos.

Kerkuil

Daarnaast wordt in het nader onderzoek aangegeven dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de functionele leefomgeving van de kerkuil. Door het bebouwen van het grasland gaat er 4,9 hectare foerageergebied verloren. De oppervlakte leefgebied van een kerkuil bedraagt ongeveer 12 km2. De ontwikkeling van het foerageergebied leidt ertoe dat 0,3% van het totale leefgebied van de kerkuil in eerste aanleg wordt vernietigd. De voorgenomen plannen hebben dus een negatief effect op het leefgebied van de kerkuil. Het effect is echter niet dermate omvangrijk dat de functionele leefomgeving van de kerkuil in het geding komt. Overtredingen van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming voor de kerkuil zijn daarmee uit te sluiten.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ten aanzien van het aspect soortenbescherming geen belemmeringen zijn te verwachten, op voorwaarde dat genoemde maatregelen in acht worden genomen.

4.9 Water

4.9.1 Nationaal Waterplan 2016-2021

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).

4.9.2 Provinciaal beleid

De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied.

Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.

4.9.3 Waterschap Limburg

Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Sinds de nieuwe keur van april 2019 dienen alle plannen te worden voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Het waterschap geeft advies over de plannen.

Ten aanzien van het realiseren van zonneparken heeft het waterschap aanvullend advies opgesteld. Bij zonneweides is er mogelijk sprake van extra verhard oppervlak, dat heel direct reageert op neerslag. Het is daarbij uiteraard sterk afhankelijk van de opstelling van de zonnepanelen en de inrichting van het perceel of er bij hevige neerslag (veel) water vanuit het zonnepanelenveld afstroomt. Het is daarbij niet denkbeeldig, dat een aaneengesloten dek van zonnepanelen ertoe leidt dat nagenoeg de gehele oppervlakte zich gaat gedragen als verhard oppervlak, waardoor er benedenstrooms water- en/of modderoverlast kan ontstaan, met name op hellende terreinen. Door het Waterschap worden zonnepanelen dan ook als 'verhard' oppervlak beschouwd.

4.9.4 Planvoornemen

Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het plangebied, wordt hierna uiteengezet.

Grondwater

Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- en of grondwaterwingebied.

Oppervlaktewater

In het plangebied is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomstige situatie wordt niet voorzien in oppervlaktewater.

Afvalwater

Het planvoornemen ziet op het realiseren van een zonnepark met een oppervlak van circa 5 hectare. Als gevolg van deze ontwikkeling is dan ook geen sprake van huishoudelijk of industrieel afvalwater.

Hemelwater

In het kader van het aspect hemelwater is door Pouderoyen Tonnaer op 28 januari 2021 een Notitie waterplan opgesteld. Betreffende notitie is als Bijlage 8 aan voorliggende toelichting gevoegd. In de notitie wordt het aspect hemelwater beschouwd ten opzichte van de zonnepanelen en het onderhoudspad.

Met onderhavige ontwikkeling wordt circa 5 hectare bestaande onbebouwde grond voorzien van stellages met zonnepanelen. Bij de realisatie van onderhavig zonnepanelenveld is gekozen voor een zuidopstelling waarbij de hoogte tot de bodem minimaal 0,8 meter en maximaal 2,0 meter bedraagt. Daarnaast bedraagt de afstand tussen de panelenrijen 4 meter. Gelet op deze afstand kan het hemelwater schuin onder de panelen waaien waardoor infiltratie rechtstreeks mogelijk is. Daarmee is sprake van voldoende licht en lucht onder de panelen en daarnaast kan het hemelwater rechtstreeks infiltreren in de bodem.

Afstroming van de panelen zal direct op de bodem geschieden, alwaar het rechtstreeks kan infiltreren in de bodem. Bovendien is tussen elke rij met stellages een opening van 4 meter, waardoor de bodem grotendeels onverhard blijft. Het gehele oppervlakte van het plangebied met een oppervlakte van circa 5 hectare kan worden gebruikt ten behoeve van infiltratie van hemelwater. Door de goede infiltratiecapaciteit van de bodem in combinatie met het grotendeels vlakke ondergrond met nauwelijks verloop, zal het hemelwater, zowel afstromend van de panelen als rechtstreeks vallend op de bodem, direct infiltreren in de bodem. Van oppervlakkige afstroming zal in normale situatie geen sprake zijn.

In de zuidwestelijke hoek van onderhavig plangebied is een beperkt verloop richting het westen. Dit zeer geringe verloop (circa 0,8 meter per 100 meter) in combinatie met de goede infiltratiecapaciteit zal niet leiden tot een oppervlakkige afvloeiing. Derhalve is geen overlast voor derden te verwachten doordat geen sprake is van oppervlakkige afvloeiing van hemelwater. Bovendien bevindt zich langs de westelijke perceelgrens een zaksloot c.q. droogstaande greppel. Derhalve kan geen overlast ontstaan op percelen van derden door het realiseren van het zonnepark.

Binnen het zonnepark wordt ten behoeve van onderhoud een pad met grasbetontegels aangelegd. Deze vorm van halfverharding zorgt ervoor dat hemelwater vallend op de grasbetontegels direct kan infiltreren in de bodem. Ten aanzien van dit onderhoudspad zijn geen aanvullende maatregelen voor het verwerken van hemelwater noodzakelijk.

Het Waterschap Limburg heeft per mail d.d. 1 februari 2021 medegedeeld akkoord te gaan met de waterparagraaf.

Gelet op het vorenstaande blijft infiltratie van hemelwater mogelijk en is hemelwateroverlast voor omliggende percelen en derden niet aan de orde.

4.10 Verkeer en parkeren

Het zonnepark kent een zeer beperkte verkeersantrekkende werking. Er vindt incidenteel verkeersbewegingen plaats die uitsluitend samenhangen met het beheer en onderhoud van het zonnepark. Daarnaast kent het voedselbos een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking. Dit betreft namelijk een voorziening voor de direte omgeving. Gebruikers zullen met name lopend of per fiets naar het voedselbos komen.

Ten aanzien van de verkeersstructuur kan worden gesteld dat het planvoornemen niet leidt tot een significante wijziging ten opzichte van de bestaande situatie. De Maasbrachterweg heeft voldoende capaciteit om de afwikkeling van het zeer beperkte verkeer als gevolg van het zonneweide te verwerken. Daarnaast vindt parkeren ten behoeve van beheer en onderhoud plaats op eigen terrein; hiervoor is op eigen terrein voldoende ruimte beschikbaar. Bovendien is relevant dat onderhavige zonnepark ten behoeve van aanleg, beheer en onderhoud bereikbaar is via de bestaande in- en uitritconstructie aan de Maasbrachterweg.

Het aspect verkeer en parkeren vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.11 (Brand)veiligheid, beheer en onderhoud

De beoogde inrichting en technische uitvoering van het zonnepark is ter advisering voorgelegd aan de veiligheidsregio. Met het oog op de toegankelijkheid van het gebied in geval van brand of anderssoortige calamiteit, zal worden voorzien in een opstelplaats voor een hulpverleningsvoertuig op minder dan 80 m afstand van de dichtstbijzijnde brandkraan. De transformatorvoorzieningen zullen op een afstand van minder dan 70 m afstand van deze opstelplaats worden gerealiseerd. Dit waarborgt de bereikbaarheid van deze installaties ten behoeve van brandbestrijding.

Beheer en onderhoud van de panelen vindt handmatig dan wel machinaal van bovenaf plaats. Dit wordt mede mogelijk gemaakt door werkplateaus die over de panelen heen kunnen rijden, vergelijkbaar met dak-wassers over glastuinbouwbedrijven. Daarnaast worden de panelen op frames gemonteerd, die minimaal 0,8 meter boven maaiveld staan. Beheer en onderhoud van groenstroken dan wel bestrijding van ongedierte vindt handmatig onder de panelen plaats. Bovendien zal onder de panelen in verband met de beperkte lichtinval nauwelijks beheer nodig zijn.

Eveneens biedt het beoogde zonnepark op onderhavige locatie de mogelijkheid om dubbel grondgebruik te realiseren in de vorm van natuurlijk terreinbeheer, wellicht in combinatie met extensieve begrazing door schapen.

4.12 Lichtreflectie en schittering

Het glazen oppervlak van zonnepanelen kan zorgen voor reflectie en daarmee voor hinder voor de omwonenden of gebruikers van de openbare ruimte. De hinder hangt af van de locatie (stand en hoogte spiegelend vlak) en de stand van de zon (de tijd en de tijd van het jaar). De hinder hangt af van de hoek van de invallende lichtstraal en daarmee van de hoek van de uitvallende lichtstraal. Hoe steiler de helling van de panelen, hoe groter de kans op hinder. Bij onderhavige uitbreiding van het zonneveld gaat het om een relatief lage maaiveldopstelling. Door de gekozen opstelling is de hellingshoek in onderhavige situatie maximaal circa 10 graden. Hinder door reflectie in de voorziene maaiveldopstelling is derhalve niet tot nauwelijks te verwachten. Daarnaast wordt gekozen voor zwarte panelen welke minder zonreflectie tot gevolg hebben. Tegenwoordig wordt ook gebruik gemaakt van hoogwaardige panelen die voorzien zijn van een anti-reflectieglas (gecoat glas). Dit heeft als voordeel dat de opgevangen energie zoveel mogelijk geabsorbeerd wordt en zodoende een hoog rendement oplevert.

Gelet op bovenstaande zal van hinder in de omgeving door lichtreflectie, spiegeling of schittering nauwelijks sprake zijn, zelfs niet in de wintermaanden wanneer bomen en struiken winterkaal zijn. Verder zal het zonneveld door de voorgenomen inpassingsmaatregelen beperkt zichtbaar zijn. Hierdoor wordt zal de mogelijkheid dat lichtschittering hinder oplevert beperkt.

4.13 Elektromagnetische straling

Het elektromagnetisch veld dat de pv-panelen zelf opwekken is erg zwak. Om de laagspanning van zonnepanelen geschikt te maken voor het elektriciteitsnet, zijn omvormers nodig. De omvormers bij zonnepanelen worden zowel in grootschalige zonnepanelen velden alsook op daken van woningen gebruikt en moeten zijn gecertificeerd. Magnetische velden van gecertificeerde omvormers liggen ruim onder de blootstellinglimiet ter voorkoming van nu bekende nadelige effecten voor de gezondheid ('state of the art'). In de blootstellingslimieten is rekening gehouden met de onzekerheden die in het wetenschappelijk onderzoek zitten door veiligheidsmarges op te nemen in de gecertificeerde toegestane limieten.

De internationale commissie International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) heeft blootstellingslimieten opgesteld voor elektromagnetische velden, die regelmatig worden geverifieerd. De limieten zijn gebaseerd op wetenschappelijk vastgestelde effecten die tijdens of kort na blootstelling kunnen optreden. De Europese Unie heeft alle lidstaten aanbevolen om de blootstellingslimieten van de ICNIRP na te leven ter bescherming van de bevolking. Deze limieten vormen ook een onderdeel voor de productveiligheidseisen voor apparatuur die in de handel worden gebracht.

De aanbevolen blootstellingslimiet voor magnetische velden van elektrische apparaten in en om het huis is 100 microtesla. Dat geldt ook voor elektriciteitsnetwerken (o.a. hoogspanningslijnen) in de buurt van woningen. Deze velden hebben een extreem lage frequentie van 50 hertz. De waarde van 100 microtesla wordt in Nederland op voor het publiek toegankelijke plaatsen bij het elektriciteitsnetwerk nergens overschreden.

Daarnaast geven leveranciers van de gebruikte omvormers en transformatoren aan dat het elektromagnetisch veld binnen enkele tientallen meters in alle gevallen lager is dan 0,4 microtesla. Dit betekent dat dit elektromagnetisch veld in de buurt bij de omliggende gevoelige bestemmingen (woningen) reeds lang verdwenen is en ook niet meer meetbaar is. Het is lastig om standaardwaarden bij de diverse componenten te noteren omdat het elektromagnetisch veld niet alleen door de trafo en de omvormen wordt bepaald, maar ook door de plaatsing en de directe omgeving.

Met de hierboven aangehaalde getallen is echter gebleken dat door het uitbreiden van het zonneveld op geen enkele wijze is te verwachten dat het elektromagnetisch veld tot problemen zou kunnen leiden.

Aangetoond is dat van hinder voor omwonenden door elektromagnetische straling geen sprake zal zijn.

Hoofdstuk 5 Beoordeling

Initiatiefnemer is voornemens om ter plekke van de Maasbrachterweg te Echt een zonnepark te realiseren met een oppervlak van circa 5 hectare. In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als grasland ten behoeve van de noordelijk gelegen paardenhouderij. Naast het realiseren van het zonnepark wordt voorzien in een landschappelijke inpassing en een voedselbos.

Zoals in voorgaande hoofdstukken beschreven bestaat er vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar tegen de realisatie van het plan, aangezien aan de volgende uitgangspunten c.q. randvoorwaarden wordt voldaan:

  • Het voornemen is niet strijdig met het Rijks- en provinciaal beleid;
  • Het plan past binnen het gemeentelijke beleid;
  • Door de realisatie van het plan treden er geen conflicterende belangen op ten aanzien van bedrijven en woningen in de omgeving;
  • De milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid vormen geen beletsel voor de realisatie van het plan;
  • Het plan heeft geen negatieve invloed op de archeologische waarden, verkeer en parkeren, de waterhuishouding, natuur en landschap en flora en fauna;
  • Omdat het een particulier initiatief is, en voor de gemeente kostenverhaal verzekerd is (zie ook 7.2), heeft het initiatief geen financiële gevolgen voor de gemeentelijke begroting.

Met de ontwikkeling is sprake van duurzaam, zorgvuldig ruimtegebruik. De landschappelijke inrichting definieert en geeft verder invulling aan het cultuurhistorisch ensemble van Berkelaar. Op grond van vorenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan qua schaal, maatvoering en milieuuitstralingseffecten passend in de omgeving is.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Feitelijke planopzet

6.1.1 Algemeen

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

6.1.2 Wettelijk kader

Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan.

6.1.3 Planonderdelen

Het bestemmingsplan ‘Zonnepark Maasbrachterweg Berkelaar' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast.

Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend.

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Zonnepark Maasbrachterweg Berkelaar’ zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.

6.2 Juridische planopzet

6.2.1 Inleidende regels

In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om onduidelijkheid door interpretatieverschillen te voorkomen. Er zijn alleen begripsbepalingen opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een gedeelte van de begrippen is omschreven in de SVBP2012 en dient letterlijk daaruit te worden overgenomen. Deze begrippen en de voorgeschreven omschrijvingen zijn overgenomen.

6.2.2 Bestemmingsregels

Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:

  • Bestemmingsomschrijving;
  • Bouwregels;
  • Nadere eisen;
  • Afwijken van de bouwregels;
  • Specifieke gebruiksregels;
  • Afwijken van de gebruiksregels;
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • Wijzigingsbevoegdheid.

Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting:

  • Bestemmingsomschrijving

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.

  • Bouwregels

In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken binnen het plangebied mogen worden opgericht. Voorts bevatten de bouwregels minimale en maximale maatvoeringen voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes, bouwhoogtes en oppervlaktes.

  • Nadere eisen

Nadere eisen kunnen worden gesteld aan bijvoorbeeld de situering van bouwwerken ten behoeve van bepaalde criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een bouwvergunning sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de bouwvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.

  • Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd door mogelijkheden te bieden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze bevoegdheden zijn niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking is aangegeven waarvan een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels wordt verleend, de maximale afwijking die met de omgevingsvergunning kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (algemene regels).

  • Afwijken van de gebruiksregels

Door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel kan worden afgeweken van de gebruiksregels ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via het afwijken geen “nieuwe” functies kunnen worden toegestaan. Het afwijken van de gebruiksregels dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of bestemmingsplanherziening.

  • Wijzigingsbevoegdheid

Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen (binnenplanse wijziging). In de meeste gevallen zal het gaan om het wijzigen van de op een perceel gelegde bestemming. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien wijzigingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (algemene regels).

Verder is in dit artikel een voorrangsregeling opgenomen, die bepaalt dat primair het bepaalde met betrekking tot een dubbelbestemming geldt. Ook is aangegeven welke dubbelbestemming de prioriteit krijgt indien meerdere dubbelbestemmingen over elkaar heen liggen.

Toegespitst op onderhavig bestemmingsplan 'Zonnepark Maasbrachterweg Berkelaar' staat voorop dat ter plekke van onderhavig plangebied momenteel de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Verkeer' van toepassing is. Deze enkelbestemmingen wordt gehandhaafd en daarnaast zal de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - zonnepanelen' worden opgenomen.

6.2.3 Algemene regels
  • Anti-dubbeltelregel

Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

  • Algemene bouwregels

Voor het hele plangebied gelden een aantal algemene bouwregels conform de Bro.

  • Algemene gebruiksregels

In deze regels is aangegeven welke vormen van gebruik van gronden en bouwwerken in z'n algemeenheid binnen het plangebied niet zijn toegestaan.

  • Algemene aanduidingsregels

In de algemene regels zijn regels opgenomen ten behoeve van de op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduidingen.

  • Algemene afwijkingsregels

In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen burgemeester en wethouders bevoegd zijn om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.

  • Algemene wijzigingsregels

In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen burgemeester en wethouders bevoegd zijn het bestemmingsplan te wijzigen. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

  • Algemene procedureregels

In deze bepaling wordt aangegeven welke procedure moeten worden doorlopen bij het stellen van nadere eisen. De procedure voor het wijzigen of het afwijken van het bestemmingsplan is al bij wet geregeld.

  • Overige regels

In dit artikel is een bepaling opgenomen waarmee alle op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunningen, vrijstellingen of ontheffingen voor een activiteit waarvoor in dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning is vereist, gelijk worden gesteld met zo'n omgevingsvergunning.

Verder is in dit artikel een voorrangsregeling opgenomen, die bepaalt dat primair het bepaalde met betrekking tot een dubbelbestemming geldt. Ook is aangegeven welke dubbelbestemming de prioriteit krijgt indien meerdere dubbelbestemmingen over elkaar heen liggen.

6.2.4 Overgangs- en slotregels
  • Overgangsrecht

In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen.

  • Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel schrijft voor hoe het plan kan worden aangehaald.

6.2.5 Opzet planregeling

In het plan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:

  • Agrarisch
  • Leiding – Hoogspanningsverbinding
  • Leiding – Ondergronds
  • Waarde – Archeologie 3
  • Waarde – Cultuurhistorie

Agrarisch

De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik. Daarnaast is een zonnepark toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – zonnepanelen'. Bovendien zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – landschappelijke inpassing' bestemd voor de aanleg, het behoud, beheer en herstel van de landschappelijke inpassing.

Tot slot zijn ter plaatse de dubbelbestemmingen 'Leiding – Hoogspanningsverbinding', 'Leiding – Ondergronds', 'Waarde – Archeologie 3' en 'Waarde - Cultuurhistorie' van toepassing.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing.

De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen.

Voorliggende planontwikkeling is door de gemeente in het kader van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd voor advies aan de betreffende instanties.

Rijkswaterstaat Zuid-Nederland

Rijkswaterstaat Zuid-Nederland geeft in haar reactie aan dat zij geen opmerkingen heeft ten aanzien van onderhavig planvoornemen. Betreffende reactie is als Bijlage 11 bijgevoegd.

Waterschap Limburg

Waterschap Limburg geeft aan dat paragraaf 4.9 in voorliggende toelichting moet worden aangevuld. Het zonnepark wordt door Waterschap Limburg namelijk beschouwd als verhard oppervlak. Derden mogen geen overlast ervaren ten gevolge van de aanleg van onderhavig zonnepark. Betreffende reactie is als Bijlage 12 bijgevoegd.

Naar aanleiding van deze ingekomen reactie is een aanvullende notitie gemaakt waarin nader wordt ingegaan op het wateraspect. Deze is als Bijlage 8 aan voorliggende toelichting gevoegd. Waterschap Limburg heeft per mail d.d. 1 februari 2021, bijgevoegd als Bijlage 13 aangegeven dat betreffende waterparagraaf akkoord is.

Tennet

Tennet geeft in haar reactie aan dat zij akkoord gaat met de beoogde ontwikkeling in de nabijheid van de hoogspanningsverbindingen, mits de door Tennet aangegeven voorwaarden in acht worden genomen. Betreffende reactie is als Bijlage 14 aan voorliggende toelichting gevoegd.

Provincie Limburg

Provincie Limburg heeft het planvoornemen getoetst op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. Naar aanleiding daarvan zijn vier opmerkingen geplaatst. Betreffende opmerkingen zijn als Bijlage 15 aan voorliggende toelichting gevoegd. Onderstaand wordt uiteengezet op welke wijze de reactie van Provincie Limburg is verwerkt in voorliggend plan.

1) In paragraaf 3.2.4 van voorliggende toelichting wordt nader ingegaan op de Limburgse Zonneladder en hoe onderhavig initiatief zich daartoe verhoudt. Eveneens wordt een nadere toelichting gegeven op de moties welke gedurende de ter inzage legging van de Provinciale Omgevingsvisie zijn ingediend jegens de Limburgse zonneladder.

2) Verzocht wordt om het beleid dat niet vigerend is te schappen uit de toelichting (bijv. LEKTA). Naar aanleiding van deze reactie is de toelichting van voorliggend bestemmingsplan aangepast.

3) In de door Staro uitgevoerde quickscan flora- en fauna wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren naar steenuilen om te kunnen bepalen welke maatregelen noodzakelijk zijn om het fourageergebied van steenuilen te kunnen behouden. In dit onderzoek wordt eveneens nader ingegaan op de vraag op welke wijze het jachtgebied van de steenuilen kan worden gerespecteerd. De bevindingen van dit aanvullend onderzoek zijn nader verwerkt in paragraaf 4.8.1.3 van voorliggende toelichting.

Eveneens ziet de reactie van Provincie Limburg op het nader afstemmen van de intensiteit/begrenzing van de schapenbegrazing. Provincie Limburg verwacht dat de begrazingsdruk ter plaatse te hoog is hetgeen een negatieve invloed kan hebben op de doelstellingen die met de landschappelijke inpassing worden neergezet. Naar aanleiding van deze reactie is in het landschapsplan een nadere toelichting opgenomen omtrent schapenbegrazing.

4) Bovendien vraagt Provincie Limburg meer aandacht oor de effecten voor het gebied op de lange termijn. Nader gemotiveerd moet worden op welke wijze wordt voorkomen dat de grond onder de panelen uitdroogt en te weinig licht ontvangt.

Bij de realisatie van onderhavig zonnepanelenveld is gekozen voor een zuidopstelling waarbij de hoogte tot de bodem minimaal 0,8 meter en maximaal 2,0 meter bedraagt. Daarnaast bedraagt de afstand tussen de panelenrijen 4 meter. Gelet op deze afstand kan het hemelwater schuin onder de panelen waaien waardoor infiltratie rechtstreeks mogelijk is. Daarmee is sprake van voldoende licht en lucht onder de panelen en daarnaast kan het hemelwater rechtstreeks infiltreren in de bodem.

5) Tot slot merkt Provincie Limburg op dat zij graag op de hoogte wil blijven van de wijze waarop de omgevingsparticipatie daadwerkelijk vorm krijgt. Naar aanleiding van deze reactie zal gemeente Echt-Susteren de Provincie Limburg in kennis stellen over de uitvoering van het participatieplan in de volgende fase.

Veiligheidsregio Limburg-Noord

Veiligheidsregio wijst op het feit dat reeds diverse overleggen hebben plaatsgevonden tussen de gemeente Echt-Susteren en initiatiefnemer waarin alle belangrijke punten zijn besproken. Derhalve wordt voldaan aan alle eisen die de veiligheidsregio stelt aan een aan te leggen zonnepark. Betreffende reactie is als Bijlage 16 aan voorliggende toelichting gevoegd.

Bovenstaande vooroverlegreacties met bijbehorende beantwoording zijn eveneens gebundeld weergegeven in Bijlage 17.

7.1.2 Formele procedure
7.1.2.1 Algemeen

De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen:

  • 1. Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan.
  • 2. Ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten.
  • 3. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen.
  • 4. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken.
  • 5. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten en betrokken Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling.
  • 6. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden.
  • 7. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.1.2.2 Terinzagelegging

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Hiertoe dient het ontwerp bestemmingsplan te worden toegezonden aan de betreffende instanties.

Daarnaast heeft het ontwerp bestemmingsplan op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht met ingang van ... gedurende 6 weken ter inzage gelegen, waarin een ieder de mogelijkheid heeft gekregen om een zienswijze naar voren te brengen.

7.1.2.3 Coördinatieregeling

Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling heeft initiatiefnemer de gemeente Echt-Susteren verzocht om toepassing te geven aan de coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 Wet ruimtelijke ordening. Naar aanleiding van dit verzoek heeft gemeente Echt-Susteren te kennen gegeven dat zij bereid is om ten behoeve van voorliggend initiatief de coördinatieregeling toe te passen. Dat betekent dat alle voor de aanleg en exploitatie van voornoemde zonneweide benodigde besluiten in één voorbereidingstraject gebundeld worden.

Dit betreft in ieder geval de volgende besluiten:

  • Vaststelling van het bestemmingsplan;
  • Omgevingsvergunning voor bouw- en aanlegactiviteiten, verband houdende met de aanleg en exploitatie van de zonneweide;
  • Besluit inzake omgevingsvergunning gebruik, danwel Melding activiteitenbesluit inzake de gebruiksfase van de zonneweide.
7.1.2.4 Crisis- en herstelwet

Artikel 1.1, eerste lid van de Crisis- en herstelwet geeft aan dat Afdeling 2 (Voorbereiding procedures, Beperking beroepsrecht, Beroep en hoger beroep) van toepassing is op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Bijlage I. Categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid

1. duurzame energie

1.1. Aanleg of uitbreiding van productie-installaties ten behoeve van de productie van biogas, biomassa, getijdenenergie, golfenergie, hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte met behulp van aardwarmte, omgevingswarmte, osmose, rioolwaterzuiveringsgas, stortgas, waterkracht en zonne-energie.

De Crisis- en herstelwet is dan ook van toepassing op ruimtelijke procedures voor de realisatie van zonneparken. Het feit dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is op onderhavige ontwikkeling impliceert dat een eventuele beroepsfase versneld kan worden behandeld met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast dient het beroep de gronden te bevatten waarop het beroep betrekking heeft met als gevolg dat het indienen van een pro forma beroepschrift niet mogelijk is. Tot slot dient de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op het beroep binnen zes maanden na binnenkomst van het beroepschrift te beslissen. Binnen die periode vindt een zitting plaats. Na de zitting laat de uitspraak in de regel nog zes weken op zich wachten.

7.1.3 Betrokkenheid gemeenschap

Vanuit maatschappelijk oogpunt is eveneens relevant dat bij de uitwerking van onderhavig planvoornemen een aantal stakeholders zijn geïdentificeerd, zijnde omwonenden en nabijgelegen bedrijven. Initiatiefnemer heeft voor elke stakeholder een uitgebreide analyse gemaakt waarbij het belang en de invloed van de betreffende stakeholder nader is uitgewerkt. Ten behoeve van het creëren van maatschappelijk draagvlak en de wensen en zorgen van de stakeholders te inventariseren, is initiatiefnemer meermaals het gesprek aangegaan met deze belanghebbenden. Op deze wijze zijn belanghebbenden al in de voorbereidingsfase van het plan actief betrokken bij onderhavige ontwikkeling. Daarmee is bewerkstelligd dat belanghebbenden al in de voorbereidingsfase van onderhavig plan hun bezwaren, zorgen en wensen naar voren hebben kunnen brengen. Bij de definitieve uitwerking van het plan is hier rekening mee gehouden.

In hoofdstuk 5 van het Projectplan 2.0, hetgeen in Bijlage 9 is bijgevoegd, wordt uitgebreid uiteengezet op welke wijze het participatietraject met direct belanghebbenden heeft plaatsgevonden.

Daarnaast hebben ten behoeve van onderhavig planvoornemen twee omgevingsdialogen plaatsgevonden. De eerste omgevingsdialoog met omwonenden werd gevoerd op 18 november 2020 en spitste zich toe op het concrete planvoornemen. Vervolgens heeft op 8 december 2020 wederom een omgevingsdialoog plaatsgevonden waarbij concreet is ingegaan op het landschapsplan. Een nadere uitwerking van het besprokene gedurende beide omgevingsdialogen is nader uitgewerkt in bijlage Bijlage 10.

7.2 Financiële uitvoerbaarheid

7.2.1 Anterieure overeenkomst

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet onderzocht worden of het plan economisch uitvoerbaar is. In een aantal gevallen moet een exploitatieplan worden vastgesteld.

De kosten voor deze ruimtelijke procedure komen voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Echt-Susteren sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af waarin wordt vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten betreffende exploitatiekosten en eventuele planschade bij de initiatiefnemer ligt. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd.

Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. Het plan is economisch uitvoerbaar en heeft verder geen consequenties voor de gemeentelijke kas.

7.2.2 Betrokkenheid gemeenschap

Aanvullend kan worden gewezen op het feit dat initiatiefnemer in het kader van voorliggende ontwikkeling contact heeft gelegd met Energie-coöperatie Echt-Susteren Energie. Dit contact heeft geleid tot een intentieovereenkomst tussen beide partijen waarbij als uitgangspunt is genomen dat partijen samenwerken om 50% lokaal eigendom van dit project te realiseren. Hierbij wordt gedacht aan een coöperatief model in de vorm van een postcoderoos, eventueel aan te vullen met aandelen of obligaties van het project uit te geven door de energiecoöperatie. De exacte invulling van deze 50% lokaal eigendom hangt in beginsel af van het lokale animo. Het belang en de interesse van de direct omwonenden vormen dan ook een succesfactoren van een haalbare postcoderoos exploitatie. Indien blijkt dat de beoogde 50% lokaal eigendom niet kan worden ingevuld met de postcoderoos, kan gebruik worden gemaakt van het uitgeven van aandelen of obligaties. Gelet op het stadium waarin onderhavig project zich momenteel bevindt, is dit nog niet te bepalen. Wel kan worden gewezen op hoofdstuk 4 van het Projectplan 2.0, hetgeen in Bijlage 9 is bijgevoegd, waarin nader wordt ingegaan op de beoogde financiële betrokkenheid van de lokale gemeenschap.