direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De gemeente Moerdijk wil het bestemmingsplan 'Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk' voorzien van een moderne planologisch-juridische regeling. Het bestemmingsplan Industrieterrein Moerdijk dateert van 1993 en sindsdien is het meermalen op onderdelen herzien. Het actualiseren van het bestemmingsplan is noodzakelijk vanwege:

  • gewenste nieuwe ontwikkelingen op het terrein (met name de intensiveringopgave);
  • vanwege nieuwe wet- en regelgeving (met name doorwerking van wetgeving op het gebied van externe veiligheid en de aanpassingen vanuit het Bro);
  • daarnaast stelt de Wet ruimtelijke ordening dat bestemmingsplannen elke 10 jaar dienen te worden geactualiseerd.

Het incident bij het bedrijf Chemie-Pack op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk op 5 januari 2011 vormt geen aanleiding voor deze integrale herziening. Wel zijn de lessen uit het onderzoek naar het incident meegenomen bij het opstellen van dit plan.

Voorgeschiedenis
Dit bestemmingsplan heeft een relatief lange voorgeschiedenis. Deze voorgeschiedenis uit zich ook in het procedurele aspect: in het verleden zijn procedures gestart die het realiseren mogelijk zouden moeten maken.

Vanwege de complexiteit van de bestemmingsplanherziening is het planproces in twee fases verdeeld: in de eerste fase zijn de belangrijkste keuzes gemaakt en vastgelegd in een visiedocument. Het visiedocument integrale herziening industrieterrein Moerdijk is op 6 maart 2008 door de gemeenteraad vastgesteld. In de tweede fase worden de richtinggevende keuzes uit het visiedocument uitgewerkt in een bestemmingsplan. Het visiedocument is het resultaat van een integrale afweging op de diverse ruimtelijke keuzes op het industrieterrein. Het visiedocument is tot stand gekomen in drie werkstappen, eerst zijn de keuzemogelijkheden in beeld gebracht in een nota van uitgangspunten. Vervolgens zijn de consequenties van de diverse keuzes in beeld gebracht middels een modellenstudie. Hierna zijn de keuzes afgewogen in het visiedocument. De keuzes gemaakt in het visiedocument worden vertaald in onderhavig plan. Vanuit het visiedocument dient dit te gebeuren aan de hand van de volgende uitgangspunten:

  • vertrekpunt bij het invullen van de bedrijfsbestemmingen vormt de inwaartse milieuzonering;
  • geen nieuwe kwetsbare objecten op het terrein gewenst;
  • mogelijkheden voor voorzieningen in het kader van multimodaliteit en industriële ecologie zijn
    mogelijk binnen de bedrijfsbestemming;
  • groene begeleidingszone gaat uit van huidige bestemmingen, ecologische verbindingszone via
    aanduiding mogelijk maken;
  • bestemmingsplan moet mogelijkheden bieden voor meervoudig ruimtegebruik;
  • niet sturen op basis van bedrijfssectoren; ordening in deelparken vindt plaats op basis van
    inwaartse zonering, externe veiligheid en intensief ruimtegebruik.

In aanvulling op de visie zijn ook de lessen die voortvloeien uit het incident bij Chemie-Pack meegenomen als uitgangspunt voor de vertaling naar de bestemmingslegging. In paragraaf 4.5 wordt hier nader op in gegaan.

Vigerende bestemmingsplannen
In de volgende tabel zijn de bestemmingsplannen aangegeven, die worden herzien met onderhavig bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0001.png"

1.2 Plangebied

Ligging en begrenzing plangebied
Aan de noordkant grenst het terrein aan het Hollandsch Diep. De plangrens wordt hier gevormd door de grens met de gemeente Strijen. Dit betekent dat de Sassenplaat voor het grootste deel binnen het plangebied valt. Aan de overige zijden wordt het terrein door een groenstrook in de vorm van agrarisch akkerland/grasland en bos van de omgeving gescheiden. De westelijke, zuidelijke en oostelijke plangrens loopt langs de buitenzijde van de groene begeleidingszone rondom het industrieterrein, dus inclusief de Roode Vaart en omgeving en de westelijke kant van de haven van de kern Moerdijk. De locatie waar de golfbaan Zevenbergen is geprojecteerd valt buiten het plangebied. In figuur 1.1 is de plangrens aangegeven. Weliswaar heeft de plangrens een grillige vorm, de betrokken gronden hebben allen raakvlakken met het terrein en de eerder doorlopen herzieningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0002.png"

Figuur 1.1: begrenzing van het plangebied

Lopende projecten
Uitgangspunt is, dat het plangebied van het bestemmingsplan industrieterrein Moerdijk integraal wordt herzien. Een uitzondering wordt gemaakt voor lopende projecten, die een actuele bestemming vragen. Het betreft de projecten Waterfront kern Moerdijk en de golfbaanontwikkeling Zevenbergen. In het visiedocument uit 2008 is vastgelegd, dat beide deelgebieden geen onderdeel uitmaken van de herziening, omdat voor deze projecten separate bestemmingsplannen zullen worden opgesteld. Deze locaties vallen derhalve buiten het plangebied, dit bestemmingsplan levert geen (verdere) beperkingen op voor beide projecten. Daarnaast is het mogelijk maken van het windturbinepark reeds in een aparte bestemmingsplan voorzien. Dit plan is 12 januari 2017 door de gemeenteraad van de gemeente Moerdijk vastgesteld. De procedure is nog niet afgerond en het bestemmingsplan niet onherroepelijk. Gedurende de procedure zullen de plannen samenkomen.

Lange termijnoptie: uitbreiding Roode Vaart
In de Structuurvise Moerdijk 2030 en de bestuursovereenkomst Moerdijk MeerMogelijk is aangegeven, dat het gebied Roode Vaart kan worden gerealiseerd als zeehaven- en industrieterrein op het moment dat is aangetoond dat na de inbreiding op het huidige Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk voor kadegebonden activiteiten nog voldoende belangstelling is van bedrijven met kadegebonden activiteiten. Tot op heden is hier geen sprake van. Het gebied Roode Vaart wordt daarom opgenomen in het plangebied, en wordt conform het visiedocument bestemd conform de huidige functie.

Mogelijke ontwikkelingen in de toekomst
Andere ontwikkelingen die mogelijk in de toekomst in of direct nabij het plangebied worden
gerealiseerd, maar vanwege het conserverende karakter van dit plan niet zijn opgenomen, zijn:

Rail service center
Havenbedrijf Moerdijk is reeds enige tijd bezig met het onderzoeken van de haalbaarheid van een Rail Service Centre op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk. Een dergelijk centre kan bijdragen aan het verduurzamen van het vervoer van en naar het terrein via spoor in plaats van met de vrachtauto. Echter zijn de (milieu)gevolgen en de financiële haalbaarheid van een dergelijke ontwikkeling momenteel niet hard te maken en is de ontwikkeling op dit moment onvoldoende concreet om mee te kunnen nemen in dit bestemmingsplan. Daarnaast is er door diverse partijen nog geen besluit genomen over de komst ervan. Eventuele planvorming en besluitvorming, alsmede planologische verandering volgt te zijner tijd een separaat traject. Echter wordt deze ontwikkeling niet definitief onmogelijk gemaakt door de regeling in dit plan, tenslotte is het een functie die prima past op een dergelijk terrein en met duurzaamheid in het achterhoofd.

Dedicated goederenspoorlijn
De gemeente Moerdijk is al jaren bezig met een lobby voor veilig spoorvervoer buiten de kernen om. Een mogelijke maatregel is de aanleg van een separate goederenspoorlijn van Rotterdam naar België parallel aan de A17. Hierdoor kan het huidige goederenvervoer over het spoor via de kern Zevenbergen vervallen wat een veiligere situatie oplevert in de Moerdijkse kernen. Tevens kunnen de bedrijven op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk aanhaken op de doorgaande lijn. Het idee wordt ook bij de provincie en het Rijk ondersteund, maar tot concrete besluitvorming heeft dit nog niet geleid.

Logistiek Park Moerdijk
In de nabijheid van het terrein staat het Logistiek Park Moerdijk (LPM) gepland, hiervoor is de planologische procedure doorlopen door de provincie Noord-Brabant. Op 15 juli 2016 is het Provinciale Inpassingsplan 'Logistiek Park Moerdijk' vastgesteld. Een onderdeel van dat plan is een rechtstreeks verbinding tussen beide terreinen, de interne baan genaamd. Beide terreinen zijn hiermee zowel fysiek als functioneel met elkaar verbonden.

Stationsgebied Lage Zwaluwe
Station Lage Zwaluwe vervult een transferiumfunctie voor het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk en het toekomstige LPM. Deze moet nog wel verder worden uitgebouwd en versterkt door het realiseren van collectieve transportvoorzieningen. Stationslocatie Lage Zwaluwe kan ook binnen de logistieke keten van de logistieke hotspot West-Brabant een belangrijke functie in gaan nemen door ruimte te bieden aan logistieke supportdiensten. Doordat in de logistieke hotspot een belangrijke rol is weggelegd voor het huidige Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk en het toekomstige LPM ontstaat zo ook een ruimtelijke en functionele relatie tussen Zeehaven- en Industrieterrein en LPM enerzijds en het stationsgebied Lage Zwaluwe anderzijds. De haalbaarheid van deze ontwikkeling wordt momenteel onderzocht door de gemeente Moerdijk.

1.3 Planopzet

Voor voorliggend bestemmingsplan is gekozen voor betrekkelijk globale bestemmingen, die bij het gebruik van het plan waar nodig een zekere mate van flexibiliteit bieden. Dit alles wel binnen duidelijke kaders, waardoor de aan het plan te verbinden rechtszekerheid niet in het gedrang komt. Deze kaders worden bepaald door de juridisch bindende onderdelen waaruit een bestemmingsplan tenminste dient te bestaan: verbeelding, regels en onderbouwd in de bijbehorende toelichting. Hieronder is een korte beschrijving opgenomen over deze plandelen.

Verbeelding
Op de verbeelding zijn verschillende bestemmingen en aanduidingen in het plangebied aangegeven. Deze bestemmingen en aanduidingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling.

Regels
Hierin zijn het gebruik- en de bebouwingsmogelijkheden van de binnen het plangebied aangegeven gronden, en bouwwerken juridisch geregeld. Per bestemming zijn doelen of doeleinden (bestemmingsomschrijving) aangegeven en is beschreven op welke wijze deze doelen of doeleinden worden nagestreefd. Per bestemming zijn bouwregels gesteld, die eisen stellen ten aanzien van de bouwmogelijkheden.

Toelichting
In de toelichting zijn de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van de, in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, verrichte onderzoeken opgenomen. Bovendien wordt ingegaan op de bestaande toestand en mogelijke en wenselijke ontwikkelingen. Daarnaast dient een rapportering van de inspraak en de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 van het Bro bedoelde overleg deel uit te maken van de toelichting.

IMRO en SVBP
De regels en verbeelding worden opgesteld volgens de meest actuele IMRO en SVBP, versie 2012. IMRO staat voor Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en heeft betrekking op de inrichting van de ruimtelijke instrumenten van de Wro. Het is het informatiemodel voor het opstellen en het uitwisselen van visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene regels op alle bestuurlijke niveaus. Het model is geschikt voor uitwisseling van informatie tussen de organisatie op het gebied van de ruimtelijk ordening en aanverwante werkterreinen. SVBP staat voor Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen. Doel van deze standaard is het op vergelijkbare wijze inrichten, vormgeven en verbeelden van bestemmingsplannen en de daarbij behorende uitwerkings- en wijzigingsbesluiten.

1.4 Leeswijzer

In de toelichting wordt een en ander op de volgende wijze omschreven. Hoofdstuk 2 beschrijft, voor zover relevant, in hoofdlijnen de beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden ten aanzien van plangebied zijn gepubliceerd. Vervolgens wordt het plangebied geanalyseerd. Hierbij gaat het zowel om de ruimtelijke structuur als de aanwezige functies en de onderlinge samenhang daartussen (hoofdstuk 3). In hoofdstuk 4 is het visiedocument opgenomen. In hoofdstuk 5 komen de randvoorwaarden in het plangebied aan de orde.

Deze verbeelding vormt samen met de juridische regeling uiteindelijk het juridisch bindende plan. De juridische regeling wordt uiteengezet in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 en 8 wordt aangegeven of het plan economisch en maatschappelijk uitvoerbaar wordt geacht.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

In dit hoofdstuk is het relevante beleidskader opgenomen voor het plangebied alsmede relevante wet- en regelgeving. Voor zover het beleid dan wel wet- of regelgeving specifieke aandacht vraagt, is dit verwoord bij de betreffende kaders.

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De minister heeft 13 maart 2012 de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ‘Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig (SVIR) vastgesteld. Daarmee wordt het voornemen van het rijk bestendigd om meer ruimtelijke taken af te staan aan provincies en gemeenten. Het rijk bemoeit zich in principe alleen nog met projecten van bovenregionaal, nationaal en internationaal belang. Daarnaast gaat de nationale overheid gericht investeren in ‘projecten die bijdragen aan een betere bereikbaarheid van de gebieden met de grootste economische verdiencapaciteit voor Nederland’. De SVIR vormt het nieuwe kader voor ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie rijksdoelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

In het SVIR worden dertien nationale belangen genoemd waarvoor het rijk verantwoordelijk is. In een realisatieparagraaf worden per nationaal belang aangegeven welke instrumenten daarvoor worden ingezet. Voor het plangebied geldt het volgende.

Het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is in het SVIR aangeduid als een multimodaal knooppunt en is op de kaart Zuidvleugel/Zuid Holland aangeduid als “vernieuwen en versterken van de mainport Rotterdam en de logistieke delta”. De opgave in dit gebied is het vernieuwen en versterken van de mainport Rotterdam door het ontwikkelen van een efficiënt modaal logistiek netwerk in samenhang met andere Nederlandse zeehavens, de haven van Antwerpen en achterlandknopen in lijn met de MIRTverkenning Antwerpen-Rotterdam. Ook is het terrein aangeduid als mogelijke vestigingsplaats voor elektriciteitsproductie vanaf 500 MW. Nadere begrenzing van dit gebied vindt plaats via het Barro.

De SVIR vervangt verschillende bestaande nota’s zoals de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak, de structuurvisie voor de Snelwegomgeving, de agenda Landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.

Het bestemmingsplan sluit aan bij de doelstellingen van de SVIR.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Met uitzondering van enkele onderdelen is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) eind december 2011 in werking getreden. Het Barro is ook wel bekend als de AMvB Ruimte. Het Barro werd 15 juli 2011 bekend gemaakt. Het besluit geeft nadere regels waar bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het NatuurNetwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. In het Barro is het Hollandsch Diep en het industrieterrein aangewezen als Rivierbed.

In dat kader wordt ten eerste opgemerkt dat dit bestemmingsplan een conserverend plan betreft. Dit bestemmingsplan omvat geen wijzigingen ten opzichte van de vigerende bestemmingen die kan leiden tot grootschalige of kapitaalintensieve ontwikkelingen die het treffen van rivierverruimende maatregelen kunnen belemmeren. Aangezien het onderhavig bestemmingsplan conserverend is omvat het ook geen ontwikkelingen in het stroomvoerend deel van de rivier en/of ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op veilig en doelmatig gebruik van het Hollandsch Diep, de afvoercapaciteit van de rivier, het bergend vermogen en de ecologische toestand van de rivier. Op grond daarvan gelden vanuit het Barro geen beperkingen voor dit bestemmingsplan.

Op 1 juli 2016 is er een wijziging van het Barro in werking getreden met betrekking tot onder andere elektriciteitsvoorzieningen, met deze wijziging worden ook de locaties aangegeven die geschikt moeten blijven voor vestiging van elekriciteitsproductiebedrijven met een elektrisch vermogen van 500 MW en hoger. Het gaat daarbij om alle soorten centrales behalve windenergie en kernenergie. Conform het Barro dient de gemeente in het bestemmingsplan voor zover nodig de bedoelde vestigingsplaats geschikt te maken voor en vervolgens geschikt te blijven houden voor vestiging van 500 MW en hoger. In het Barro moeten de bedoelde vestigingsplaatsen geografisch begrensd worden. De gemeente heeft het ministerie voorgesteld bij de geografische begrenzing uit te gaan van de inwaartse milieuzonering die in dit bestemmingsplan is aangehouden. Dit houdt in dat er vestiging van elekriciteitsproductiebedrijven (500 MW elektrisch vermogen en hoger) mogelijk is op het terrein globaal gelegen tussen de randwegen. Installatie van 500 MW en hoger wil niet zeggen dat alle afzonderlijke productie-eenheden ook 500 MW of groter moeten zijn. 500 MW en hoger kan bijvoorbeeld ook betekenen dat er ruimte is voor plaatsing van minstens twee centrales van 250 MW.

2.1.3 Crisis- en Herstelwet

Ingevolge artikel 2.2 van de Crisis- en herstelwet wordt bij AMvB voor de duur van ten hoogste tien jaar een gebied aangewezen als ontwikkelingsgebied. Bij wijze van experiment kan dit gebied, zijnde bestaand stedelijk gebied, bestaand bedrijventerrein of gebied ter uitbreiding van een haven, met het oog op het versterken van de duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied, worden aangewezen. Voormelde AMvB betreft het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, in artikel 1, onder r. Bij besluit van 14 augustus 2015 is de haven van Moerdijk aangewezen als gebied wat onder de Crisis en Herstelwet komt te vallen.

De gemeente Moerdijk en het Havenbedrijf Moerdijk willen hiermee komen tot integraal en gebiedsgericht beheer en exploitatie van de milieugebruiksruimte van het haven- en industrieterrein Moerdijk. Dit vindt niet plaats in het bestemmingsplan, dat als meer klassiek ruimtelijk instrument niet geschikt is als beheerinstrument voor de emissies van de haven- en bedrijfsactiviteiten. De vergunningverlening middels het bestemmingsplan wordt gestuurd door de aanvraag voor afzonderlijke activiteiten. Dit leidt tot een reactieve en versnipperde behandeling. Het instrumentarium op grond van de Crisis- en herstelwet maakt het wel mogelijk om de milieugebruiksruimte op het juiste schaalniveau en proactief te beheren. De gemeente en het havenbedrijf kunnen daarmee beter planmatig sturen en de milieugebruiksruimte optimaliseren. De aanwijzing tot ontwikkelingsgebied sluit wel aan op de herziening van het bestemmingsplan haven- en industrieterrein Moerdijk die hier voorligt. De informatie uit het milieueffectrapport voor dit bestemmingsplan kan benut worden om invulling te geven aan het instrumentarium uit de Crisis- en herstelwet.

2.1.4 Structuurvisie buisleidingen 2012-2035

Het nationaal ruimtelijk beleid is gericht op verbetering van de basiskwaliteit van de gehele hoofdinfrastructuur. Daarbij is het van belang, dat het bestaande buisleidingennet goed wordt onderhouden en dat voldoende ruimte open blijft voor uitbreiding van het buisleidingentransport in de toekomst. In de Structuurvisie buisleidingen van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) wordt een hoofdstructuur vastgelegd van ruimtelijke reserveringen (buisleidingstroken) voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen in Nederland voor de komende 25 á 30 jaar. Uitgangspunt daarbij is een zo beperkt mogelijke aanspraak op de ruimte. In veel leidingstroken liggen nu al één of meerdere buisleidingen. Hierin is bovendien ruimte beschikbaar voor het leggen van nieuwe buisleidingen voor aardgas, olieproducten of chemicaliën. Gemeenten zullen te zijner tijd de plicht krijgen in hun bestemmingsplannen rekening te houden met deze leidingstroken. De Structuurvisie heeft betrekking op dit bestemmingsplan, in die zin, dat het tracé van de buisleidingstraat in het westelijk deel in noord-zuid richting door het plangebied loopt (zie figuur 2.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0003.png"

Figuur 2.1: uitsnede structuurvisie buisleidingen


Dit bestemmingsplan houdt rekening met deze buisleidingenstrook, waarmee het bestemmingsplan aansluit bij het rijksbeleid.

2.1.5 Rooilijnenbeleid Rijkswaterstaat

In het zuiden van het plangebied ligt de rijksweg A17. Het rooilijnenbeleid van Rijkswaterstaat ("Rooilijnen langs rijkswegen" 1988) houdt in, dat Rijkswaterstaat langs haar autosnelwegen twee rooilijnen hanteert. In de zone van 50 meter uit de as van de buitenste rijbaan geldt volgens het beleid een bouwverbod voor alle bouwwerken anders dan voor verkeersdoeleinden. Dit houdt in dat hier slechts na toestemming van het college van burgemeester en wethouders mag worden gebouwd. Deze toestemming mag slechts worden verleend met inachtneming van de belangen van het wegverkeer en de betreffende wegbeheerder, in casu Rijkswaterstaat. Tot de rijbanen worden ook gerekend de toe- en afritten van en naar andere (snel)wegen.

Zone van 50 meter
Het belang van de 50 meter bebouwingsvrije zone is om te voorkomen, dat in de toekomst een eventuele uitbreiding van de rijksweg onmogelijk of onnodig duur wordt. Daarom is deze zone op de verbeelding met een aanduiding weergegeven, waarbij in de regels is bepaald, dat binnen deze zone alleen via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid bouwwerken mogen worden gerealiseerd, waarbij eerst de wegbeheerder wordt gehoord alvorens het college van B&W een omgevingsvergunning verleend. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is deze zone aangegeven met de (gebieds)aanduiding ‘vrijwaringszone – weg’. Er liggen geen bedrijfsgronden binnen deze zone.

Zone van 50-100 meter uit de as van de snelweg
Het belang van Rijkswaterstaat van het alleen via een afwijkingsbevoegdheid laten bebouwen van deze strook van Rijkswaterstaat is gelegen in:

  • het voorkomen van voor de weggebruiker afleidende effecten;
  • het beperken van milieuhinder voor omwonenden.

Aan de zuidkant van de rijksweg ligt deze 50-100 meterzone op gronden met de bestemming Verkeer, Water of Groen. Op deze gronden is geen bebouwing toegestaan in onderhavig plan die de belangen van Rijkswaterstaat belemmeren. Aan de noordkant van de rijksweg ligt de 50-100 meterzone over de gehele lengte van de A17 binnen de bestemming Verkeer. Hier ondervindt Rijkswaterstaat derhalve geen belemmering. Alleen bij het terrein De Plaza geldt dat bedrijfsgronden voor een beperkt deel binnen de zone van 50-100 meter zijn gelegen (zie gearceerde deel in figuur 2.2).

De afstand tussen bestaande en de geprojecteerde bebouwing op dit terrein langs de A17 vanaf de afrit naar de Entree bedraagt circa 80 meter in plaats van 100. Er is binnen de strook van 50-100 meter bedrijfsbebouwing gerealiseerd en geprojecteerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0004.png"

Figuur 2.2 Rooilijn 50-100 meter bebouwingsvrije zone Rijkswaterstaat

De bestaande bebouwing op De Plaza sluit qua rooilijn aan op de bebouwing aan de oostkant van het terrein. De geprojecteerde bebouwing ligt in dezelfde rooilijn als de bestaande bedrijfsbebouwing. Hierdoor is er geen sprake van voor de weggebruiker afleidende effecten. Ook heeft de bebouwing geen invloed op mogelijke maatregelen ter beperking van vermindering van milieuhinder voor omwonenden vanwege de rijksweg.

De belangen van Rijkswaterstaat worden derhalve niet aangetast. Het opnemen van een afwijkingsregeling voor bebouwing in deze zone is niet zinvol en zou alleen tot langere omgevingsvergunningprocedures leiden.

De gronden in de 50-100 meterzone aan de zuidkant van de snelweg hebben enkel heel summiere bebouwingsmogelijkheden ten behoeve van de bestemmingen 'Verkeer', 'Groen' en 'Water'. Daarnaast is de zone aan de noordkant grotendeels binnen de bestemming 'Verkeer' gelegen en het deel van het terrein 'De Plaza' is reeds bebouwd. De beperkte mogelijkheden voor nieuwe bebouwing hebben geen effecten op de verkeersveiligheid en ten behoeve van de mogelijke maatregelen voor vermindering van milieuhinder voor omwonenden is er voor gekozen in het bestemmingsplan geen aanduiding ter bescherming van deze zone op te nemen.

2.1.6 Beleidslijn Grote Rivieren

Conform de Beleidslijn Grote Rivieren (herziening 2006) valt het buitendijks terrein op Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk grotendeels onder gebieden Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) artikel 2a (zie figuur 2.3). Dit zijn gebieden die weliswaar deel uitmaken van het rivierbed, maar waar geen vergunningplicht inzake de Wbr op rust. Deze gebieden zijn uitgesloten van de toetsing aan de Beleidslijn Grote Rivieren. De beleidslijn is wel van toepassing op ontwikkelingen die op of over het water van het Hollandsch Diep plaatsvinden. In dat kader dienen nieuwe ontwikkelingen voor advies te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag: Rijkswaterstaat. Rijkswaterstaat toetst deze voorgenomen ontwikkelingen aan de Waterwet en de daarbij behorende regels en beleidsstukken, waaronder de Beleidsregel Grote Rivieren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0005.png"
Figuur 2.3: kaart Beleidslijn Grote Rivieren


Het Hollandsch Diep en de bospercelen in het noordoosten van het plangebied zijn aangeduid als bergend regime. In bergende winterbedden kunnen, op basis van de Beleidslijn Grote Rivieren, in principe alle activiteiten worden toegestaan, mits deze voldoen aan de gestelde rivierkundige waarden ('ja, mits'):

  • er moet sprake zijn van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft;
  • er mag geen sprake zijn van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit;
  • er moet sprake zijn van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is.

In de gebieden aangeduid als bergend regime zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Daarom is in dit plan geen regeling opgenomen dat nieuwe ontwikkelingen voor advies moeten worden voorgelegd aan RWS. Voor nieuwe ontwikkelingen zal een aparte planologische procedure worden gevolgd. De bovengenoemde belangen worden met dit bestemmingsplan niet belemmerd.

2.1.7 Nationaal Waterplan 2016-2021

Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de vierde Nota Waterhuishouding. In het NWP wordt uitgegaan van de strategie die bestaat uit: meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten en met een adaptieve aanpak anticiperen op de toekomstige ontwikkelingen. Dit met betrokkenheid van alle relevante partijen, zowel publiek als privaat, bij zowel het definiëren van de opgaven als het vinden van oplossingen.

Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn het nieuwe beleid op het gebied van waterveiligheid, het beleid voor het IJsselmeergebied, het Noordzeebeleid en de stroomgebiedbeheerplannen op grond van de KRW. In de waterparagraaf wordt nader ingegaan op de gevolgen van het Nationaal Waterplan voor dit bestemmingsplan.

2.1.8 Beleidsbrief 'Naar de top - Hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid'

In het regeerakkoord van kabinet Rutte II (Bruggen slaan, 29 oktober 2012) is aangegeven, dat ondernemers meer vrijheid moeten krijgen om te ondernemen (minder regeldruk, etc). In deze beleidsbrief is dit nader uitgewerkt. Hierbij wordt er vanuit gegaan, dat ontwikkeling van globalisering kansen biedt voor de Nederlandse economie, evenals voor een aantal maatschappelijke ontwikkelingen, mits bepaalde kaders worden verschoven en een nieuw bedrijfslevenbeleid wordt opgezet.

Relevant voor Moerdijk is de sectorale aanpak: focus op ontwikkeling van topsectoren. Per sector wordt een agenda opgesteld, om zo alle thema’s die spelen binnen een sector integraal op te kunnen pakken (thema’s in deze agenda’s kunnen zijn: kennis en onderzoek, buitenland beleid, sectorale randvoorwaarden, onderwijs en scholing, duurzaamheid). Relevante topsectoren voor dit terrein: Logistiek, chemie, energie. Deze sectoren zijn in ruime mate vertegenwoordigt op dit terrein en dat biedt kansen.

2.1.9 Wet Natuurbescherming

De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017 en vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (die de natuurbescherming van gebieden regelde), de Flora- en faunawet (beschermde in het wild voorkomende plant- en diersoorten) en de Boswet (beschermde de Nederlandse bossen).

Tevens is in Europees verband de bescherming van het netwerk van natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie geregeld. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het beleid van de EU voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet enkel ter bescherming van gebieden (habitats), maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Natura 2000-gebieden zijn gebieden die zijn aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

Aan de noordzijde van het Zeehaven- en Industrieterrein (deels in het plangebied) ligt het Natura 2000-gebied Hollandsch Diep. Circa 5 km ten noordoosten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Biesbosch. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelen voor habitats en soorten bepaald.

Het Hollandsch Diep is een voormalig estuarium dat deel uitmaakt van de delta van Rijn en Maas, die respectievelijk via de Boven-Merwede en de Amer hun water afvoeren naar het Hollandsch Diep. Het hele gebied is als Vogelrichtlijngebied aangewezen. Het gedeelte van het gebied dat onder de Habitatrichtlijn is aangewezen, betreft een aantal platen en gorzen op de noordoever van het Hollandsch Diep.

Op grotere afstand van het Zeehaven- en Industrieterrein ligt het Natura 2000-gebied Biesbosch op circa 5 km ten noordoosten van het plangebied. De Biesbosch is zowel Habitat- als Vogelrichtlijngebied en kenmerkt zich door rivieren, kreken, slikken, rietgorzen, bekade grienden en polders.

Op circa 6 km afstand, ten noorden van het Zeehaven- en Industrieterrein, ligt het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen. Dit gebied ligt echter buiten het invloedsgebied van de industriële activiteiten en de belangrijke aan- en afvoerroutes van het Zeehaven- en Industrieterrein.

In paragraaf 5.7 is ingegaan op de Natura 2000-gebieden in relatie tot onderhavig bestemmingsplan.

2.1.10 Nationaal beleid windenergie

De Rijksoverheid streeft naar 14% duurzame energie in 2020. In 2020 moeten alle windmolens op land gezamenlijk een vermogen hebben van ten minste 6000 MW. Het Rijk maakte in januari 2013 afspraken met de provincies, verenigd in IPO-verband (InterProvinciaal Overleg), om deze 6.000 MW ruimtelijk mogelijk te maken. De Rijksoverheid zet haar instrumentarium in voor het mogelijk maken van de omvangrijke windparkinitiatieven van meer dan 100 MW. De provincies en gemeenten zijn verantwoordelijk voor de ruimtelijke inpassing van kleinere initiatieven onder de 100 MW.

Het Rijk heeft deze afspraken verder uitgewerkt in de Structuurvisie Windenergie op Land (SVWOL, Min. I&M en EZ, 31 maart 2014). In de Structuurvisie Windenergie op Land zijn 11 concentratiegebieden aangewezen die zich lenen voor het faciliteren van grootschalige windparken en ruimte bieden voor minimaal 100 MW. Eén van de concentratiegebieden betreft Zuidwest-Nederland. Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is vanwege de te beperkte omvang en aanwezige bebouwing op het terrein niet geschikt voor een grootschalig 100 MW+ windpark. Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk maakt dan ook geen onderdeel uit van het concentratiegebied Zuidwest-Nederland. Wel is ruimte voor een windpark van middelgrote omvang.

In de Structuurvisie wordt ook vermeld dat een aantal gebieden, die in het planMER voor de Structuurvisie beoordeeld zijn, in de gebiedskeuze zijn afgevallen wegens te geringe afmeting of vanwege gebiedskenmerken die zich meer lenen voor een combinatie van kleinere en middelgrote initiatieven onder regie van de provincie en in provinciale structuurvisies reeds zijn aangewezen als windenergiegebied. Dit betreft onder andere gebieden in Noord-Brabant, waaronder het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk. De bijdrage van deze locaties voor de doorgroei van windenergieopwekking in Nederland wordt wel gezien als van groot belang. Deze gebieden worden in deze rijksstructuurvisie echter niet geschikt geacht voor het accommoderen van één grootschalig windturbineproject van 100 MW of groter.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1 Agenda van Brabant

Provincie Noord-Brabant kiest als richting één van haar sterke kanten: door middel van verbindingen leggen en wilskracht een top kennis en innovatie regio in Europa worden, waarbij traditie (een goede leefomgeving) en technologie samen komen. De provincie benoemt in haar agenda de volgende vier kerntaken, waarop de provincie zich vooral zal richten om bovenstaande te bereiken:

  • ruimtelijke ontwikkeling en inrichting (in de breedste zin van dit begrip);
  • bereikbaarheid van de regio;
  • regionaal economisch beleid;
  • cultuur.

Moerdijk bevindt zich als het gaat om kennis en innovatie in de hoek van Brabant waar logistiek, biobased en maintenance (onderhoud aan en verbeteringen van kapitaalintensieve systemen, zoals luchtvaart en energiesystemen) de boventoon voeren. Daarnaast wordt in de Agenda van Brabant duidelijk aangegeven dat ook leefomgeving heel belangrijk is om de inwoners van Brabant te binden aan de provincie.

2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord Brabant

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (SVRO) in werking getreden. De SVRO schetst de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De structuurvisie geeft de samenhang weer tussen het beleid op het gebied van milieu, verkeer en vervoer en water. Een uitsnede van de structurenkaart van de structuurvisie voor het onderhavige plangebied is weergegeven in figuur 2.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0006.png" Figuur 2.4: Beleidslijn structuurvisie

De ruimtelijke belangen en keuzes van de provincie zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. Samen vormen deze structuren de provinciale ruimtelijke structuur. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies, maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor maatwerk. De vier structuren zijn:

De groenblauwe structuur:
De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Daarnaast liggen ook gebieden met andere functies (zoals agrarische) binnen de groenblauwe structuur, als die van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. Het kerngebied groenblauw bestaat uit natuurgebieden in NatuurNetwerk Brabant inclusief de (robuuste) ecologische verbindingszones. Ook belangrijke waterstructuren in Noord-Brabant horen tot het kerngebied. De hoofdfunctie is hier behoud en ontwikkeling van het natuur- en watersysteem.

De Groenstrook tussen het Zeehaven- en Industrieterrein en Klundert en de gronden aan de oostkant (o.a. de Appelzak) worden overwegend als Groen bestemd. Gronden die onderdeel uitmaken van de NatuurNetwerk Brabant krijgen de bestemming Natuur of Bos. Natuurwaarden binnen deze bestemming worden beschermd en gestimuleerd. Het Hollandsch Diep is aangewezen voor waterberging.

Landelijk gebied:
De provincie kiest hier voor twee perspectieven. Ten eerste het behouden van agrarische productieruimte in die delen van het buitengebied waar de landbouw leidend is voor nieuwe ontwikkelingen. En ten tweede voor gebieden met een breed georiënteerde, gemengde plattelandseconomie. De gronden ten zuiden van het plangebied zijn aanwezen als gemengd landelijk gebied en accentgebied agrarische ontwikkeling.

De stedelijke structuur:
De provincie kiest hier voor twee perspectieven. Ten eerste stedelijk concentratiegebied, waar de groei van de verstedelijking opgevangen wordt. De provincie wil deverstedelijking op goed ontsloten plekken
concentreren en de groene ruimte tussen steden open houden. Ten tweede het 'overig stedelijk gebied', dat zo veel als mogelijk wordt ontzien van verdere verstedelijking, doordat daar alleen de opvang van de eigen verstedelijkingsbehoefte wordt opgevangen. Op de structurenkaart zijn de gronden van het Zeehaven- en Industrieterrein aangewezen als 'stedelijke structuur, stedelijk concentratiegebied'. Tevens is het gebied aangeduid als stedelijk knooppunt. De industriële gronden ten noordoosten van de Roode Vaart zijn aangewezen als kern in het landelijk gebied.

De infrastructuur:
de provincie kiest hier voor een goede bereikbaarheid van BrabantStad en de economische kennisclusters van Noord-Brabant. Voor het personenvervoer zijn het hoofdwegennet en het OV-netwerk BrabantStad de dragers. Het goederenvervoer wordt zoveel mogelijk via de goederenruit (spoor en waterwegen) geleid om zo ruimte te maken voor het versterken van de (inter)nationale ontsluiting (spoor, lucht en weg) van de Brabantse steden. Het Hollandsch Diep is aangewezen als vaarweg.

Ten aanzien van de stedelijke structuur geldt dat dit bestemmingsplan voorziet in de actualisering van een bestemmingsplan voor een bestaand industrieterrein, dat goed wordt ontsloten vanaf de rijksweg en het Hollandsch Diep. Het plan biedt ruimte voor de ontwikkeling van nog braakliggende gronden en intensivering van bestaande gronden. Het onderhavige bestemmingsplan past daarmee binnen het provinciale beleid zoals vastgelegd in de structuurvisie.

Op grond van bovenstaande wordt geconcludeerd, dat het bestemmingsplan past binnen het provinciale beleid.

2.2.3 Verordening ruimte 2017

De Verordening ruimte (geconsolideerd per 1 januari 2017) stelt eisen aan bestemmingsplannen en andere planologische besluiten in Noord-Brabant.

In de Verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal beleid (SVRO) in regels die van toepassing zijn op bestemmingsplannen. De verordening is daarbij een uitvoeringsinstrument om die provinciale belangen veilig te stellen.

In de Verordening ruimte is het Zeehaven- en Industrieterrein bijna volledig aangeduid als gelegen binnen "bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied”. Binnen het bestaand stedelijk gebied gelden de bundelingsregels en de daarvan afgeleide regels. Bundeling houdt in, dat het leeuwendeel van de woningbouw, industrieterreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur binnen de stedelijke regio's moet plaatsvinden. Het Zeehaven- en Industrieterrein valt binnen de stedelijke regio. Binnen de grenzen van het bestaand stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling.

In figuur 2.5 is een uitsnede opgenomen van de bij de Verordening ruimte behorende kaart, voor wat betreft het stedelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0007.png"

Figuur 2.5: uitsnede Verordening Ruimte

Artikel 4.5 van de verordening bepaalt, dat de toelichting bij de herziening van een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied, waarbij een bestemming voor een industrieterrein is aangewezen, een verantwoording bevat over:

  • a. de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden voor herstructurering alsmede voor zorgvuldig ruimtegebruik;
  • b. de vraag in hoeverre het al dan niet in stand houden van de geldende bestemming, met inbegrip van de regels inzake het tegengaan van oneigenlijk ruimtegebruik zich verhoudt tot de afspraken die in het regionaal ruimtelijke overleg zijn gemaakt over de ontwikkeling van nieuwe industrieterreinen en kantorenlocaties of de uitbreiding van zodanige terreinen en locaties.

In deze toelichting wordt in diverse paragrafen op het aspect onder ‘a’ ingegaan (zie onder meer paragraaf 4.4.) Hieruit volgt dat voldaan wordt aan de verordening. Voor wat betreft de relatie met betrekking tot de afspraken over het regionaal ruimtelijk overleg geldt het volgende:

In West-Brabant vindt regionale afstemming over industrieterreinen, conform de provinciale Verordening Ruimte, plaats in het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). In dit overleg participeren portefeuillehouders RO van de 18 gemeenten, alsmede de gedeputeerde RO van de provincie. Afstemming over de integrale herziening van het bestemmingsplan Zeehaven- en Industrieterrein vindt hier plaats. In een overzicht met industrieterreinen in West-Brabant, dat is vastgesteld in het Regionaal Ruimtelijk Overleg van december 2012, staat Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk opgenomen als 'bijzonder plan'. Het industrieterrein biedt ruimte aan een specifiek segment. Dit wordt in onderhavig plan gerespecteerd.

Ontwikkeling intensieve veehouderij
Op de kaart Ontwikkeling intensieve veehouderij is de groenstrook tussen de kern Klundert en het Zeehaven- en Industrieterrein grotendeels aangeduid als extensiveringsgebied (gearceerde gronden in figuur 2.6). Deze aanduiding geldt ook voor gronden ten zuiden en oosten van insteekhaven de Roode Vaart, gronden ten zuiden van de A17 en het Hollandsch Diep. De verordening bepaalt, dat in een bestemmingsplan, dat is gelegen in een extensiveringsgebied, nieuwvestiging, uitbreiding, hervestiging van en omschakeling naar intensieve veehouderij niet zijn toegestaan. Het bestemmingsplan staat dit niet toe. Ook zijn er geen bestaande intensieve veehouderijen in het plangebied aanwezig. Daarnaast zijn verschillende gronden aangeduid als gemengd landelijk gebied (de geel gearceerde gronden). In de deze gebieden wordt ingezet op een menging van functies; nieuwvestiging van intensieve veehouderij is hier niet mogelijk, hervestiging en uitbreiding zijn wel mogelijk mits op een duurzame locatie (die aan strenge voorwaarden moet voldoen). Een duurzame locatie is een bestaand bouwblok met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt als vanuit ruimtelijk oogpunt verantwoord is om dit ter plaatse door te laten groeien.

In het bestemmingsplan hebben slechts enkele percelen een agrarische bestemming. Deze liggen in het verwevingsgebied. Deze percelen zijn op basis van het vigerende plan en de uitspraken van Raad van State (LJN: BH1148, 200707588/1 en 200707589/1) bestemd als Agrarisch, waarbij bebouwing binnen het bouwvlak is toegestaan en geen bedrijfswoning. Nieuwvestiging van een intensieve veehouderij is hier niet is toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0008.png"

Figuur 2.6: kaart ontwikkeling intensieve veehouderij en windturbines

Overige agrarische ontwikkeling en windturbines
In de Verordening ruimte is het gehele plangebied aangeduid als zoekgebied voor windturbines. Het provinciale beleid staat windturbines op dit bedrijven terrein toe, mits deze een bouwhoogte hebben van ten minste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, zijn gesitueerd in een cluster of een lijnopstelling van ten minste drie windturbines en verzekerd is dat de windturbines na afloop van het daadwerkelijke gebruik worden gesloopt. Het bestemmingsplan staat realisatie van nieuwe windturbines in openbaar gebied slechts op een deel van het terrein toe via een wijzigingsbevoegdheid, waarbij rekening wordt gehouden met de provinciale eisen. Bestaande, aanwezige windturbines worden positief bestemd. Overige initiatieven voor windturbines die buiten het wijzigingsgebied zijn gelegen worden per initiatief in een separate procedure beoordeeld.

Natuur en landschap
Naast het Natuurnetwerk Nederland zijn er ecologische verbindingszones (EVZ). Dit zijn langgerekte landschapselementen die als groene schakels de Brabantse natuurgebieden met elkaar verbinden (Bron: toelichting Verordening Ruimte Noord-Brabant 2014). Voor de EVZ geldt een beperkt beschermingsregime, gericht op het bieden van basisbescherming. Een ecologische verbindingszone wordt aangeduid met een concreet aangeduid (zoek-)gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0009.png"

Figuur 2.7: kaart Natuur en landschap


Gronden rondom het Zeehaven- en Industrieterrein zijn zoals in afbeelding 2.7 weergegeven in de Verordening ruimte aangeduid als EHS (tegenwoordig NatuurNetwerk Brabant, NNB) (lichtgroen) en de groenblauwe mantel (donkergroen). Het bestemmingsplan voorziet in een beschermende regeling voor deze waarden.

Op kaart is tevens het zoekgebied voor ecologische verbindingszones aangegeven (paarse lijn). De province Noord-Brabant maakt, naar aanleiding van evaluties ten aanzien van realisatie, nut en noodzaak, het NNB en verbindingszones die dicht bij elkaar liggen, keuzes in de ecologische verbindingszones. Het zoekgebied langs de Zuidelijke Randweg komt te vervallen nadat er langs de tradeboulevard een alternatief is gerealiseerd.

Relevantie plangebied
De ontwikkeling van het plangebied vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en past binnen de voorwaarden zoals gesteld in de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant.

2.2.4 Waterbeheerplan 2016 - 2021 Waterschap Brabantse Delta

Het Waterbeheerplan 'Grenzeloos verbindend' beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van water- en zuiveringssysteem voor de periode 2016-2021. Het is een inhoudelijk vernieuwend plan, wat in dialoog met partners is opgesteld. In de uitvoering van werken wordt rekening gehouden met de toekomst: klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging. Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten:

  • het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren;
  • het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte;
  • inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen;
  • helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem;
  • het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen);
  • afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater;
  • een duurzame energiewinning.

Tot slot vormt de ‘Keur Waterschap Brabantse Delta’ uit 2015 de basis voor de wettelijke voorschriften die gelden voor de rivieren, beken, sloten en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap.

Met het beleid van het waterschap is in onderhavig bestemmingsplan rekening gehouden door onder meer beschermende regels voor waterkeringen op te nemen en bebouwingsafstanden ten opzichte waterlopen ten behoeve van het onderhoud.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie Moerdijk 2030

De structuurvisie “Moerdijk 2030”, vastgesteld door de gemeenteraad op 9 juni 2011, is een integrale visie die inspeelt op de ontwikkeling van de beide werelden van Moerdijk: het grootschalige (inter-)nationale Moerdijk enerzijds en het ruime, rustige, agrarische Moerdijk met een veel kleinschaliger karakter anderzijds. De visie beoogt ook deze twee werelden samen te brengen zodat ze elkaar kunnen aanvullen en versterken In onderstaande figuur is een uitsnede weergegeven van de structuurvisiekaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0011.png"

Figuur 2.8: uitsnede structuurvisie Moerdijk 2030

De structuurvisie is een handleiding, geen blauwdruk, voor de toekomstige ruimtelijke koers van de gemeente met heldere uitgangspunten (spelregels) voor de verschillende partijen. De visie heeft een planhorizon tot 2030 en omvat een integrale ruimtelijke ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter. De belangrijkste aspecten voor het plangebied worden hieronder beschreven.

Hoogwaardige industrie en bedrijvigheid
Keuze:
Het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk wordt efficiënt, duurzaam en op een voor de omgeving verantwoorde wijze gebruikt. De combinatie met logistiek maakt de gemeente Moerdijk het logistieke knooppunt van Zuid West Nederland.

Toelichting:
Het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is één van de belangrijkste stedelijke kenmerken die de gemeente in de regio haar economische positie geeft. Natuurlijk zijn er negatieve invloeden op andere kwaliteiten van de gemeente, in de vorm van milieubelasting en veiligheidsrisico’s. De gemeente heeft echter in 2030 een goede weg gevonden in dit spanningsveld: een duurzame relatie tussen het Zeehaven- en Industrieterrein en omgeving, waarbij de ruimtelijke mogelijkheden voor economische ontwikkeling in harmonie zijn met de leefkwaliteit van de omgeving. Dat wil zeggen: het behouden en creëren van werkgelegenheid in combinatie met vermindering van de milieubelasting bijvoorbeeld door het uitplaatsen en clusteren van bedrijven en toepassing van milieuvriendelijke vervoersvormen. Er wordt maximaal gebruik gemaakt van de vervoersmodaliteiten trein, water en leidingenstraat en mogelijk nieuw te ontwikkelen modaliteiten.

Het feit dat Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk een goede strategische geografische ligging heeft op de as Rotterdam-Antwerpen biedt voor de gemeente Moerdijk gelegenheid tot uitbreiding van de werkgelegenheid, versterking van landelijke kwaliteiten, zoals voldoende groene buffers en extra woningbouw voor de huisvesting van de werknemers met als neveneffect een groter economische draagvlak voor het behoud van voorzieningen, ook op lokaal niveau in passende op de kern gericht industrieterreinen. De economische ontwikkeling is in harmonie met de leefkwaliteit van de omgeving en duurzaamheid blijft daarbij een belangrijk item; ook in de verre toekomst. De gemeente Moerdijk kiest er voor de kansen die haar industrie en bedrijvigheid biedt sterker dan voorheen op een duurzame wijze te benutten.

Duurzaamheid
Moerdijk wil duurzaamheid breed inzetten, over alle aspecten van het gemeentelijk beleid. Bij de uitwerking van de missie uit de Strategische Visie Moerdijk 2030 wordt aangesloten op de genoemde Triple P-gedachte People, Planet en Profit. Het optimaliseren en in balans brengen van deze pijlers moet op termijn leiden tot een duurzame gemeente.

Bij duurzaamheid gaat het niet alleen om duurzaam bouwen en een duurzame economie, maar ook om ecologische duurzaamheid. Moerdijk profileert zich als een duurzame gemeente. De gemeente Moerdijk heeft de uitstoot van fijnstof en broeikasgassen, zoals CO2, binnen de eigen gemeentegrenzen in 2030 met 40% gereduceerd ten opzichte van de EU Normen in 2009 en heeft projecten gestart waarmee uitstoot wordt gecompenseerd. Voor het Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk is in de Paraplunota Leefomgeving een ambitie vastgelegd van 10% reductie CO2-uitstoot ten opzichte van 2009. Daarnaast zijn ook de overlast als gevolg van bijvoorbeeld stank, lawaai en licht geminimaliseerd. Deze projecten worden gecombineerd met het verder ontwikkelen van de landelijke kwaliteiten, de natuurgebieden en ecologische verbindingszones.

Mobiliteit
De centrale mobiliteitsdoelstelling is ervoor te zorgen, dat inwoners en bezoekers van de gemeente Moerdijk kunnen verplaatsen en deelnemen aan het verkeer in een veilige en leefbare omgeving. Voor het gebiedsprofiel 'bedrijfseconomische en industriegebieden' zijn de volgende ambities geformuleerd:

  • zorgdragen voor een goede bereikbaarheid van bedrijfseconomische en industriegebieden;
  • aanleg van één of meerdere Transferia en/of P+R-stations;
  • hinder voor de directe omgeving (geluid, trillingen) voorkomen door goede inpassing van de infrastructuur;
  • beperken van risico's voor de leefbaarheid door verbeteren luchtkwaliteit.

De hoogste prioriteit ligt bij de eerste ambitie: verbeteren van de bereikbaarheid en doorstroming, waarbij de volgende actiepunten zijn genoemd:

  • extra maatregelen op de A17 en A16 om de doorstroming en bereikbaarheid te blijven garanderen (dit is een beleidslijn, de gemeente is zelf niet bevoegd maatregelen aan deze rijkswegen te treffen);
  • de (nieuwe) wegen dienen tweezijdig bereikbaar te zijn, vanuit het perspectief veiligheid. Doodlopende wegen zijn ongewenst, tenzij deze in overeenstemming met de Veiligheidsregio goedgekeurd worden.
  • het afwikkelingsniveau van de gemeentelijke wegen monitoren;

Moerdijk heeft een personenspoorlijn met een station in Zevenbergen en Moerdijk (het huidige station Lage Zwaluwe) van waaruit routes voor langzaam verkeer en de openbaarvervoersverbindingen zorgen voor duurzamere verbindingen voor inwoners en bezoekers tussen de kernen, van en naar het buitengebied en het Zeehaven- en Industrieterrein.

Toerisme en recreatie
Toerisme is een speerpunt van de gemeente Moerdijk. De gemeente heeft als opgave “het versterken van de toeristische band met het water“ geformuleerd. De gemeente wil de kansen benutten om meer toeristen en recreanten aan te trekken en hen langer in het gebied te houden. Hoofddoelstelling is economische spin-off creëren en het leefklimaat verbeteren en de uitstraling en levendigheid van de kernen te vergroten. De gemeente Moerdijk heeft een aantal (potentieel) belangrijke toeristisch recreatieve kwaliteiten. Een aantal van deze (water) attracties is nog wat onzichtbaar. Er liggen kansen deze meer tot hun recht te laten komen en uit te bouwen, zodat zeker ook de eigen inwoners en ondernemers hier hun voordeel mee kunnen doen. Onder meer in de zone langs het Hollandsch Diep liggen grote kansen voor het versterken van toerisme en recreatie. Daarbij is het vooral van belang het water beter beleefbaar en bereikbaar te maken. Een van de recreatieprojecten is het waterfront van de kern Moerdijk, welke een kwaliteitsimpuls krijgt door herstructurering van de haven. Daarbij is voorzien de Roode Vaart in oostelijke richting te verleggen, zodat deze ter hoogte van de kern Moerdijk in het Hollandsch Diep uitmondt.

De kern Moerdijk krijgt hierdoor kansen om de recreatieve potentie van de unieke ligging van de plaats te benutten, nabij de watertoegang tot de Biesbosch en de zuidvleugel van de Randstad. Dit project ligt direct ten oosten van het onderhavig bestemmingsplan. De zonering van het industrieterrein, met name gebaseerd op het aspect externe veiligheid en het project Waterfront worden op elkaar afgestemd.

2.3.2 Strategische Visie Moerdijk 2030

De gemeente Moerdijk wordt met een aantal ingrijpende ontwikkelingen geconfronteerd, zoals vergrijzing, ontgroening, de globalisering van de toeristisch-recreatieve en agrarische sector, schaalvergroting in de omgeving waarin de gemeente opereert en niet in de laatste plaats de voortgaande decentralisatie van rijksoverheidstaken. Deze en andere ontwikkelingen stellen de gemeente op korte en (middel)lange termijn voor grote opgaven.

De uitvoering van de visie en het beleid rondom die opgaven wordt voor de periode van 2009- 2030 op robuuste wijze ingezet. Dit doet de gemeente door in een visie op de (middel) lange termijn - op strategisch niveau- richting te geven aan de ontwikkelingen in de samenleving en aan de eigen positie in de regio.

De strategische visie voor de gemeente Moerdijk heeft tot doel te komen tot een:

  • 1. ontwikkelingsrichting voor de lange termijn;
  • 2. kapstok en referentiekader voor integraal afgestemd gemeentelijk beleid;
  • 3. duidelijke missie die kan worden uitgedragen naar buurgemeenten, provincie en rijk.

De strategische visie maakt het mogelijk om op langere termijn een consistent beleid te voeren, en nieuwe ontwikkelingen snel te combineren met al ingeslagen richtingen, waarmee de gemeente Moerdijk een integraal beleid kan voeren en beter kan anticiperen op veranderingen in de maatschappij, wet of wensen.

Missie:
“Moerdijk is in 2030 een gemeente die, gelegen op de as Rotterdam-Antwerpen én als hoogwaardig logistiek centrum van West-Brabant, voor al haar inwoners een leefbare woonomgeving biedt met werkgelegenheid in de nabijheid. Een gemeente met rust, ruimte, recreatie en toeristische mogelijkheden in het westelijke deel en dynamiek, bedrijvigheid en bovenlokale voorzieningen, geconcentreerd in de kern Zevenbergen en het haven- en industrieterrein Moerdijk in het oostelijke deel van de gemeente.

Een gemeente waarin de kernen hun eigenheid bewaard hebben, maar ook duidelijk één gemeente vormen. Een gemeente met een sociaal gezicht, waar zorg en basisvoorzieningen dichtbij zijn en de menselijke maat geldt. Een gemeente die op een bewonersgerichte, innovatieve, efficiënte en effectieve wijze wordt bestuurd.”

De missie geeft de strategische visie drie dimensies als uitgangspunt voor de discussie rond de verschillende thema's: samenleving, leefmilieu en economie. Dit wordt ook wel het 'Triple P' mechanisme genoemd (people, planet, profit) of de Telos-Driehoek. Het idee achter de 'TripleP' gedachte is dat het optimaliseren van de economische kracht, de (lokale) leefomgeving en de sociaalmaatschappelijke kant op termijn leidt tot een duurzame gemeente.

Schematisch kan de strategische visie als volgt beknopt worden weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0012.png"

Figuur 2.9: de Triple P-driehoek

Concreet beschrijft de strategische visie dat in 2030 70% van de totale reguliere energiebehoefte van de gemeente Moerdijk gedekt wordt door lokaal geproduceerde duurzame energie.

Vanuit deze gedachte is het gemeentelijke beleid gebundeld en zijn er drie paraplunota's opgesteld.

2.3.3 Paraplunota's

De paraplunota's zijn bedoeld als kapstok voor alle gemeentelijke beleidsnotities. Ze zorgen ervoor dat er meer samenhang tussen beleid is en er minder beleidsplannen in algemene zin gemaakt worden. De gemeentelijke ambities en doelen staan centraal in de paraplunota's. Hieraan kan alle beleid en uitvoering verbonden worden. De uitvoeringsstrategie benoemt de hoofdrichting die wordt ingezet om de doelstellingen te realiseren.

Met de paraplunota's zet Moerdijk nadrukkelijk in op een toekomst in het teken van duurzaamheid. De gemeente wil de mens centraal plaatsen als onderdeel van de samenleving. De samenleving is een samenspel van aspecten die de mens zelf betreffen, de leefomgeving en bedrijvigheid. Moerdijk kiest daarom voor de 'definitie' die betrekking heeft op de 'duurzame samenleving' die uiteen valt in drie pijlers Maatschappij (people), Leefomgeving (planet) en Economisch-Klimaat (profit).

- Paraplunota 'Maatschappij' richt zich op mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De manier waarop mensen met elkaar samenleven wordt beïnvloedt door de omgeving en andersom.

- Paraplunota 'Leefomgeving' richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen bodem, water, lucht, grondstoffen, natuur en de samenhang daartussen.

- Paraplunota 'Economisch Klimaat' richt zich op economie en bedrijvigheid. Economisch Klimaat is het 'klimaat' waarbinnen economische ontwikkeling plaatsvindt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0013.png"

Figuur 2.10: Thema's en samenhang van de gemeentelijke paraplunota's (bron: gemeente Moerdijk)

Paraplunota Maatschappij
Ruimte om te ondernemen, een gezonde arbeidsmarkt, levendige kernen, Moerdijk als toeristische bestemming en Moerdijk als knooppunt van industrie en transport. In de Paraplunota Economisch Klimaat zijn de ambities voor economie en bedrijvigheid uitgewerkt, met een doorkijk naar 2030. Ook in 2030 is het goed ondernemen in Moerdijk.

Een gezonde economie maakt het aantrekkelijk voor ondernemers om in Moerdijk te blijven of zich te vestigen. Een goed ondernemingsklimaat én prettig wonen dragen daar aan bij. Ondernemingsklimaat door de vestigingsmogelijkheden voor de bedrijven en prettig wonen voor de werknemers. Prettig wonen is wonen in een omgeving met voorzieningen zoals winkels en recreatiemogelijkheden. Het bedrijfsleven staat aan de lat om te zorgen voor economische groei (denk aan werkgelegenheid) en de overheid zorgt voor de randvoorwaarden.

In het voorliggende bestemmingsplan kunnen de bestaande bedrijven worden voortgezet.

De Paraplunota Maatschappij richt zich op mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De manier waarop mensen met elkaar samenleven wordt beïnvloedt door de omgeving en andersom. De Paraplunota Maatschappij is verdeeld in de volgende vijf thema's:

  • wonen;
  • gezondheid;
  • woonomgeving;
  • sociale structuur;
  • ondersteuning.

De gemeente heeft een woningbouwcapaciteit van 2.250 woningen voor de periode tot 2030. Hiervan zijn er 1075 die voortvloeien uit de compensatieregeling voor huisvesting van werknemers van het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk (tot 01-01-2017) en de bestuursovereenkomst Moerdijk MeerMogelijk (zie paragraaf 2.3.8). De Paraplunota Maatschappij doet voor de overige thema's geen concrete uitspraken betreffende Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk.

Paraplunota Leefomgeving
De Paraplunota Leefomgeving richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen bodem (B), water (W), lucht (L), grondstoffen (G), natuur (Bio) en de samenhang tussen die elementen.

Hoofddoelstelling van de Paraplunota Leefomgeving (vastgesteld op 25 oktober 2012) is het creëren van een toekomstbestendige leefomgeving. Deze hoofddoelstelling wordt in de Paraplunota Leefomgeving onderbouwd met doelstellingen per element. In tabel 2.1 worden de voor Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk relevante doelstellingen uiteengezet.

Tabel 2.1: Doelstellingen uit de Paraplunota Leefomgeving van de gemeente Moerdijk

B01   Effectief ruimtegebruik door afstemming bodemeigenschappen en functie  
B02   Instandhouden en verbetering van de bodemkwaliteit  
B03   Aanpak van de openbare ruimte op basis van de elementen gebruik,
inrichting en beheer  
B04   Door bewustwording en betrokkenheid van de burgers en bedrijven op
preventieve wijze komen tot een verbetering van de beeldkwaliteit  
W1   Aandacht voor water vergroten  
W2   In 2015 voldoet het watersysteem aan de normen conform de kwaliteitsopgave
waterbeleid in de 21e eeuw (WB21) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  
W3   Kwalitatief goed water in 2015 conform de Europese Kaderrichtlijn Water  
W4   Bij alle (her)inrichtings- en reconstructieplannen is water mede ordenend  
W5   Geen overlast van grondwater  
W6   Waterbeheer en -onderhoud afgestemd op de verschillende functies  
L1   De luchtkwaliteit voldoet minimaal aan de Europese normen
(met name minder fijnstof en stikstof)  
L3   10% minder CO2-uitstoot op het Industrieterrein Moerdijk  
L4   Substantiële vermindering van het aantal geur- en geluidgehinderden in 2030  
G1   Actief stimuleren energiebesparing: 2% per jaar  
G2
 
Lokaal opwekken van duurzame energie (70% in 2030)
- 30% windenergie in 2030
- 10% bio-energie in 2030
- 30% zonne-energie binnen de gebouwde omgeving  
G3   Actief stimuleren hergebruik reststromen bij bedrijven  
G4   Afval is grondstof  
Bio1   Instandhouding en vergroting van oppervlakte (verbonden) natuurgebied  
Bio2   Vergroting soortenrijkdom van planten en dieren  


Bij bovenstaande doelen is een belangrijke rol weggelegd voor het bevorderen van de opwekking van duurzame energie, in het bijzonder door gebruik te maken van wind. Om de beleidsdoelstelling om in 2030 30% van de in de gemeente Moerdijk gebruikte energie op te wekken door middel van windturbines te bereiken, is de Notitie windenergie gemeente Moerdijk 2013-2030 opgesteld (zie paragraaf 2.3.8).

Op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk vindt grootschalige bedrijvigheid plaats. Economisch gezien is dit terrein van grote waarde. Deze activiteiten mogen echter niet ten koste gaan van de leefomgeving. Naast de eerder genoemde keuze voor duurzaamheid, zoals genoemd in paragraaf 2.3.1 heeft de gemeente daarom specifiek voor dit terrein de Triple P-gedachte verder uitgewerkt en in samenwerking met de provincie, het Havenbedrijf Moerdijk, de Bedrijvenkring Industrieterrein Moerdijk(BIM), het waterschap en Rijkswaterstaat.

Deze structurele samenwerking is verankerd in de “Intentieovereenkomst samen werken aan Duurzame Verbindingen Moerdijk 2016-2030” en fungeert onder de werknaam DVM. In deze overeenkomst zijn de volgende missie met betrekking tot duurzaamheid benoemd:

Missie 1. People
DVM bevordert een harmonische relatie met zijn omgeving die is gericht op een actieve, open communicatie en uitwisseling van transparante informatie (registratiemonitoring- calamiteitenklachten). DVM streeft naar een veilige en goede kwaliteit van de leefomgeving, zowel ten aanzien van bedrijven en werknemers als ten aanzien van mensen die in de omgeving van het Zeehaven- en Industrieterrein wonen en recreëren.

Missie 2. Planet
DVM bevordert een goede kwaliteit van milieu en veiligheid van het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk alsmede een verantwoord gebruik en beheer van natuurlijke grondstoffen en hulpbronnen. Hierbij streeft DVM ernaar dat de natuurlijke systemen kwantitatief en kwalitatief zo min mogelijk worden aangetast en daar waar mogelijk worden verbeterd. De belangrijkste potenties op Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk zijn: grondstoffenbeheer en -hergebruik, energieefficiency en waterefficiency.

Missie 3. Profit
DVM bevordert een Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk, waar optimaal gebruik wordt gemaakt van de verschillende modaliteiten (water, buisleiding, spoor en weg) voor (industriële) bedrijven, waaronder bedrijven met de zwaarste milieucategorie. Daarnaast streeft DVM naar een verdere optimalisatie van het ondernemen voor bestaande en nieuwe bedrijven. Hiermee wordt Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk als aantrekkelijke vestigingsplaats voor bedrijven versterkt en haar concurrentiepositie verbeterd.

Deze missies zijn vertaald in vier hoofddoelstellingen:

  • duurzame koppelingen: het sluiten van kringlopen en de symbiose voor nuttig gebruik van energie/warmte, water en reststromen, met als perspectief de realisatie van een utility centre en multicore ringleiding voor alle koppelingen, waardoor (in combinatie met een duurzame bedrijfsvoering) economische groei en milieudruk significant ontkoppeld worden;
  • duurzame bedrijfsvoering: het toepassen van duurzame energie en realisatie van innovatieve productieprocessen binnen het individuele bedrijf, met als perspectief dit ook leidend te laten zijn bij het aantrekken van nieuwe hoogwaardige bedrijvigheid en het faciliteren van duurzame, groene chemie;
  • duurzame inrichting en ontsluiting: het stimuleren van multimodaal transport, collectief personenvervoer en gezamenlijke faciliteiten, met als perspectief het verminderen van de belasting door vervoer over de weg en een optimaal gebruik van de beschikbare ruimte/faciliteiten;
  • sociale duurzaamheid: toename arbeidsparticipatie vanuit de omgeving, actieve en open communicatie naar omgeving en gedeelde voorzieningen, met als perspectief dat Moerdijk in harmonie met haar omgeving opereert conform de ISO 26000 richtlijnen voor Maatschappelijke Verantwoording van Organisaties.

Deze doelstellingen dragen bij aan de verduurzaming van het terrein, maar kunnen niet vanuit het bestemmingsplan opgelegd of geregeld worden. Het bestemmingsplan kan wel verduurzaming in de vorm van bouwmogelijkheden voor windturbines regelen.

Waterplan gemeente Moerdijk
De gemeente Moerdijk en Waterschap Brabantse Delta hebben ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voor het beheersen van de waterkwantiteit en –kwaliteit gezamenlijk een waterplan opgesteld. Het waterplan geeft (beleidsmatige) invulling aan wettelijke verplichtingen waaronder de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW).

De kwetsbaarheid van het watersysteem in Moerdijk is in het verleden al merkbaar geweest en zal enkel toenemen als er geen maatregelen getroffen worden. In het waterplan zijn kansen en knelpunten in samenhang beschouwd en worden passende maatregelen geformuleerd. Hierbij is het van belang om de verschillende beleidsterreinen (water, milieu en ruimtelijke ordening) op de verschillende niveaus (nationaal, provinciaal, regionaal/waterschap en lokaal/gemeente) goed op elkaar af te stemmen.

Het waterplan heeft betrekking op:

  • al het oppervlaktewater, beken, vennen, kreken, enz.;
  • de waterkeringen;
  • al de afval- en hemelwaterstromen;
  • het oppervlakkige grondwater.

De inrichting en beheer van het water systeem is een gezamenlijke taak van gemeente en waterschap. Beide partijen hebben daarin hun eigen verantwoordelijkheid. Het waterplan verwoordt de gezamenlijke visie voor de rol van water binnen de gemeentelijke ontwikkelingen.

Visie:
Een robuust watersysteem van voldoende kwaliteit en veiligheid dat aansluit bij de natuurlijke omstandigheden op en om het Moerdijkse grondgebied en dat nu en in de toekomst voldoet aan de wettelijke verplichtingen en beleidsregels.

Het waterplan heeft geen wettelijke status; het is een afsprakenkader tussen de gemeente en waterschap. Beide partijen stellen het plan bestuurlijk vast, waardoor het waterplan wel degelijk status krijgt. In het waterplan is een concreet maatregelenprogramma opgenomen voor de komende vijf jaar met een doorkijk tot 2027, de peildatum van de Kaderrichtlijn Water (KRW).

In het waterplan is het vigerend beleid van zowel Rijk, Provincie, waterschap als gemeente beschreven. Verdeeld over een aantal thema’s is in dit waterplan de visie op het toekomstig watersysteem in Moerdijk uitgewerkt. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn dat:

  • water geen gevaar oplevert;
  • het watersysteem geschikt is voor de functies die het moet vervullen;
  • alle elementen van het watersysteem in samenhang worden beschouwd;
  • water een grotere rol krijgt in ruimtelijke ontwikkelingen;
  • iedereen zijn steentje bijdraagt.

Het waterplan is bestuurlijk bekrachtigd door zowel het waterschap als de gemeente Moerdijk. Gekoppeld aan het waterplan is een convenant opgesteld wat naast door het waterschap en de gemeente ook de provincie Noord Brabant en het Havenbedrijf Moerdijk is ondertekenend. Hiermee onderschrijven alle partijen het belang van water voor de gemeente Moerdijk en zeggen ook zij toe zich maximaal in te zetten de gemeente en het waterschap te ondersteunen bij de uitvoering van het waterplan, de realisatie van een robuust watersysteem van voldoende kwaliteit en veiligheid voor nu en in de toekomst.

De riolering van het industrieterrein valt onder de verantwoordelijkheid van het Havenbedrijf Moerdijk. Op hoofdlijnen is het Zeehaven- en Industrieterrein opgedeeld in negen rioleringsgebieden (A tot met I). Het rioolstelsel van het Havenbedrijf is uitgevoerd in deels gescheiden (gebieden A, B, C, en E) en deels verbeterd gescheiden stelsel (gebieden D, F, G, H en I). Het door de riolering verzamelde afvalwater zit aangesloten op het eindgemaal van het waterschap en wordt via de afvalwaterpersleiding (AWP) getransporteerd naar de RWZI Bath. Het Havenbedrijf transporteert naast het eigen afvalwater ook het afvalwater van de kern Moerdijk en van enkele industriële injecties zoals Basell, Shell Nederlandse Chemie en de vuilstort Zevenbergen. Het terrein van Shell is door middel van een gemaal en persleiding direct aangesloten op het eindgemaal van het Waterschap. De vuilstort en het terrein van Basell zijn beide middels gemalen en persleidingen direct aangesloten op de ontvangstkelder van het Havenbedrijf Moerdijk.

Paraplunota Economisch Klimaat
De Paraplunota Economisch Klimaat richt zich op economie en bedrijvigheid. Economisch Klimaat is het 'klimaat' waarin een specifieke economische ontwikkeling plaatsvindt. Maar er wordt niet alleen aandacht besteed aan economie en bedrijvigheid, ook Moerdijk als toeristische bestemming en Moerdijk als gemeente waar het fijn wonen, werken en recreëren zijn belangrijke elementen in deze paraplunota. Fijn wonen wordt gezien als wonen in een omgeving met voldoende voorzieningen zoals winkels en recreatiemogelijkheden.

De gemeente benut haar strategische ligging optimaal. Het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk speelt hierbij een belangrijke rol. Het terrein is strategisch gelegen in de Vlaams Nederlandse Delta tussen de mainports Rotterdam en Antwerpen, op een knooppunt van vier beschikbare modaliteiten waardoor zij een belangrijke schakel vormt tussen deze wereldhavens.

Moerdijk is een logistieke draaischijf waar tal van goederenstromen samenkomen en de import en export van vele bedrijven wordt gefaciliteerd. Met dit alles is Moerdijk de 4e zeehaven van Nederland en een belangrijke motor voor de werkgelegenheid.

Centrale thema's in deze paraplunota zijn:

  • de economische basis op orde;
  • levendige kernen;
  • toeristische bestemming Moerdijk;
  • hoogwaardig logistiek- en industrieel knooppunt Moerdijk.

De Paraplunota Economisch Klimaat omschrijft het bevorderen van het gebruik van duurzame en groene energie door ondernemers en ondernemingen in de gemeente Moerdijk als een speerpunt.

2.3.4 Havenstrategie

Het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk meer is dan een verzameling van milieuhinderlijke bedrijven. Het terrein is de vierde zeehaven van Nederland, de tweede logistieke hotspot van Brabant, en hierdoor een belangrijke economische motor voor de regio en Brabant, die een directe werkgelegenheid biedt aan ruim 10.000 mensen.

Het Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk brengt tal van kansen met zich mee. Kansen om:

  • de leefbaarheid in de Moerdijkse kernen te verbeteren en te waarborgen om de gemeente (verder) te ontwikkelen en te promoten als een aantrekkelijke gemeente om te wonen, werken en recreëren;
  • in te kunnen spelen op het naderende vraagstuk van ‘bevolkingskrimp’ en de daarbij behorende effecten.

Moerdijk wil in 2030 hét belangrijkste knooppunt van duurzame logistiek en duurzame chemie en procesindustrie zijn in de Vlaams-Nederlandse Delta. In het realiseren van deze ambitie staan centraal:

  • 1. Waarde-creatie.
  • 2. Duurzaamheid.
  • 3. Veiligheid.

Om bovengenoemde ambities te verwezenlijken zet Moerdijk in op drie onderling samenhangende hoofdstrategieën.

1. De ontwikkeling en uitbouw van de rol van de ‘extended gate’ positie voor de mainports Rotterdam en Antwerpen. Dit garandeert voor Moerdijk goederenstromen met voldoende omvang, die de vereiste schaalgrootte geeft voor ontwikkeling van de Value Added Logistics.
2. De verdere uitbouw van de ‘short sea shipping’. Moerdijk is een zeehaven en is een stop in vele Short Sea Shipping Lines binnen Europa. Aan- en afvoer van goederen uit andere Europese havens, vindt langs deze weg plaats.
3. Het uitbouwen en verduurzamen van het industrieel complex.

Eén van de belangrijke uitgangspunten in de Havenstrategie is het hanteren van het principe van de ‘Triple P’ (principe van People, Planet en Profit). Een duurzame economische ontwikkeling kan alleen dan plaatsvinden, als dat tegelijkertijd gepaard gaat met het bevorderen van de veerkracht en kwaliteit van de natuur en het bevorderen van de lichamelijke en het geestelijke welzijn van de inwoners. Verbetering van het ene mag niet ten koste gaan van het andere. Dit vormt de basis van de Havenstrategie.

Denken vanuit de kansen betekent niet dat de negatieve impact van dit gebied uit het oog verloren wordt. De vierde haven van Nederland gaat gepaard met de vierde plaats op de ranglijst van risicoconcentratiegebieden in Nederland. Aan de weg die ingeslagen is met Moerdijk MeerMogelijk, waarbij (duurzame) investeringen in economie gepaard gaan met investeringen in leefbaarheid, wordt vervolg gegeven.

Het is zaak dat gemeente Moerdijk een eenduidig standpunt inneemt over de toekomst van de gemeente in het Rijn Schelde Delta-gebied. De positionering van het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk en de potenties van dit gebied zijn in dit kader essentieel. Juist voor een eenduidig standpunt is samen met het Havenbedrijf en de provincie de havenstrategie 2030 opgesteld, zijnde een visie inclusief uitvoeringsprogramma. Daarin zijn thema’s benoemd voor verdere uitwerking. Het gaat hier niet enkel om economische onderwerpen, maar ook om thema’s als de manier waarop samengewerkt gaat worden met bewoners, de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, de versterking van de veiligheid en milieu. Ook wordt gekeken naar de wijze waarop het Havenbedrijf is georganiseerd. Samen met ondernemers, omwonenden, overheden en andere betrokken organisaties vindt uitwerking plaats in concrete doelen en activiteiten. Door samen op te trekken moeten de doelen en acties realistisch en praktisch uitvoerbaar worden gemaakt.

De komende jaren zal een verder intensivering van het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk plaatsvinden. De voorziene ontwikkelingen zijn verwoord in de Havenstrategie Moerdijk 2030. Deze komt kortweg neer op de uitgifte van circa 120 ha bedrijfsterrein voor chemie en chemie-gerelateerde activiteiten, en de verwachte doorgroei van de overslag van 20 miljoen ton/jaar naar 26 miljoen ton/jaar. In samenhang hiermee zijn aanpassingen noodzakelijk van de ontsluiting en bereikbaarheid via weg, water en spoor alsmede de buisleidingenstraat.

2.3.5 Actieprogramma Veiligheid 2016 - 2019

Actieprogramma Integrale Veiligheid 2016-2019 is de opvolger van de Veiligheidsnota 2010-2013 (verlengd in 2014). Het Actieprogramma Integrale Veiligheid 2016-2019 geeft een vervolg aan het veiligheidsbeleid dat de afgelopen jaren is ontwikkeld in de gemeente Moerdijk.

Daarnaast wordt met dit actieprogramma bijgedragen aan bij het beleid dat de raad eerder op andere terreinen in de drie paraplunota’s heeft vastgelegd: Maatschappij, Leefomgeving en Economisch Klimaat. Veiligheid en het veiligheidsbeleid staan immers niet op zichzelf. Dus wordt in dit actieprogramma de verbinding gelegd tussen de genoemde paraplunota’s, het veiligheidsdomein en de veiligheids- en andere ketenpartners. De externe veiligheid wordt integraal opgepakt, in paragraaf 5.2 wordt dit uiteengezet.

2.3.6 Geluidsvisie

Nu er een Havenstrategie Moerdijk 2030 is vastgesteld, is duidelijk welke ontwikkelingen men verwacht. Met de uitbreiding van het tonnage aan op- en overslag zullen ook bedrijven uitbreiden en/of nieuwe bedrijven zich vestigen. Deze ontwikkelingen zullen niet zonder geluidsemissie kunnen plaatsvinden. Hiertoe is een visie ontwikkeld op de wijze waarop het aspect geluid past in de Havenstrategie Moerdijk 2030.

De onderhavige visie geluid heeft uitsluitend betrekking op het geluidgezoneerde Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk.

De visie kan kortweg worden weergegeven als:

“Het optimaal faciliteren van de ontwikkeling van de bedrijvigheid conform de Havenstrategie Moerdijk 2030 zonder dat er geluidsoverlast voor de omgeving ontstaat.”

Hierbij kan geluidsoverlast op verschillende manieren worden beschreven:

  • Hinder die je hebt van te veel of te hard geluid.
  • Een subjectieve ervaring van mensen waarbij ze geluid hinderlijk vinden.
  • Ongewenst toevallig geluid, door de waarnemer niet gewild, en beschouwd als bron van geluidshinder.
  • Bij overschrijding van wettelijk toegestane geluidsniveaus conform landelijke wetgeving.

Het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk heeft bij de opzet en implementatie de doelstelling meegekregen om het uitvoeren van zware, veelal geluid producerende activiteiten mogelijk te maken. Hierin is, vanwege de ligging van het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk tussen de woonkernen Klundert en Moerdijk, een concentratie van de “grote” lawaaimakers op het centrale deel van het industrieterrein gehanteerd. De “kleinere” lawaaimakers zijn meer aan de randen van het industrieterrein nabij de woonkernen gepland. Rondom het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is, conform het hierover in de Wet geluidhinder gestelde, een geluidszone van 50 dB(A) vastgesteld. Het geluid van alle op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk verrichte activiteiten tezamen mag deze geluidszone niet overschrijden. Regulering van geluidsbijdrage van individuele geluidsbronnen is noodzakelijk om binnen de gestelde geluidsgrenzen te kunnen blijven.

Het is natuurlijk niet duidelijk of de geprognosticeerde geluidsuitstraling in de toekomst werkelijkheid zal worden. Ervan uitgaande dat het materieel in de toekomst stiller zal worden, zal het wellicht meevallen maar ook het tegendeel is mogelijk. Het is dus zaak de ontwikkelingen goed te blijven volgen, toetsing aan de normstelling (zonebewaking) op een adequate manier uit te blijven voeren en te blijven zoeken naar mogelijke maatregelen om de te verwachten overschrijding bij voorbaat op te heffen. Sterker nog: op grond van de huidige wetgeving en jurisprudentie kunnen er geen nieuwe activiteiten worden toegestaan als daardoor de zonegrenswaarde wordt overschreden. Het is dus noodzakelijk vooraf te zorgen dat er voldoende geluidsruimte is om toekomstige activiteiten te kunnen faciliteren. Om de braakliggende terreinen in gebruik te kunnen nemen is het tevens noodzakelijk goed te kunnen sturen op geluidsruimte waardoor geluidsruimte beschikbaar blijft voor (gewenste) toekomstige ontwikkelingen zoals invulling van de braakliggende terreinen.

Met de aanwijzing in het kader van de Chw wil de gemeente Moerdijk en het havenbedrijf komen tot een effectiever beheer van de beschikbare geluidsruimte. De Geluidsvisie 2015 heeft duidelijk gemaakt dat indien geen aanvullende (geluid)maatregelen worden genomen de geluidsituatie in 2030 (bij groei van de overslagcapaciteit naar 26 miljoen ton/j) zonder verdere maatregelen en/of sturing resulteert in een overschrijding van ten hoogste 4,5 dB(A). Eén van de maatregelen is het op basis van de Chw opstellen van een inpassinsgplan geluid (bestemmingsplan Plus) waarin de geluidsruimteverdeling wordt opgenomen. Aan dit bestemmingsplan wordt nu gewerkt. Dat betekent dat in voorliggend bestemmingsplan hier verder geen regeling voor wordt opgenomen.

2.3.7 Bestuursovereenkomst Moerdijk Meer Mogelijk

Moerdijk MeerMogelijk bestaat uit negen plannen die samen kansen bieden voor de economie en de leefomgeving. Denk hierbij aan veiligheid, recreatie, natuur en woningbouw. In juli 2009 tekenden gemeente Moerdijk, provincie Noord-Brabant en Rijk een bestuursovereenkomst om deze plannen te kunnen realiseren. Onder andere de ontwikkeling van het Logistiek Park Moerdijk, de ontwikkeling van de Noordrand Zevenbergen alsmede de inrichting van het Stationsgebied Lage Zwaluwe zijn plannen die onder de paraplu van Moerdijk MeerMogelijk vallen.

Onderdeel van Moerdijk MeerMogelijk is de intensivering van het ruimtegebruik op het huidige Zeehaven- en Industrieterrein. Al jaren zijn de braakliggende hectares op het huidige Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk onderwerp van gesprek. Vanaf het moment dat de komst van een bovenregionaal industrieterrein de agenda beheerst, wijzen inwoners, politiek en milieugroepen op het invullen van die hectares. Dit gebeurt binnen Moerdijk Meer Mogelijk vanuit het principe: het juiste bedrijf op de juiste plaats. De beschikbare hectares zijn bestemd voor chemische en chemiegerelateerde bedrijvigheid. Ook de (chemische) bedrijven die hinder veroorzaken in de woonkernen krijgen hier mogelijk een plaats. Het opnieuw invullen van deze hectares zorgt ervoor dat de omvang van het nieuwe industrieterrein - Logistiek Park Moerdijk - beperkt blijft tot 150 hectare. Hierdoor gaat leefbaarheid hand in hand met economie.

2.3.8 Notitie windenergie gemeente Moerdijk 2013 - 2030

De Notitie windenergie gemeente Moerdijk 2013-2030 (vastgesteld op 16 januari 2014) bevat een evaluatie van de realisatie van windenergie op basis van de Nota Visie windenergie van 2004 en legt een nieuwe visie vast. In de notitie zijn tevens randvoorwaarden geformuleerd voor de diverse locaties. De gemeentelijke ambitie is om in 2030 30% van de totale energiebehoefte te halen uit wind. Dit komt neer op circa 85 MW geplaatst vermogen in 2030. In de notitie zijn ook de zoeklocaties voor windenergie opgenomen.

  • De huidige capaciteit van windturbines in de gemeente is 20 MW, dit is 7% van het totale gewenste vermogen;
  • Aanvullend hierop zijn twee locaties, te weten Sabinapolder (6 MW) en Oud Dintel (15 MW), in procedure. Deze locaties hebben een opgestelde vermogen van 21 MW;
  • De nieuwe locaties hebben een gezamenlijke capaciteit van 63 - 87 MW.

Tabel 2.2: Locaties nieuwe windturbineparken in de gemeente Moerdijk uit de Notitie windenergie van de gemeente Moerdijk

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0014.png"


In de Notitie windenergie zijn uitgangspunten en randvoorwaarden opgenomen voor windparken. In tabel 2.3 zijn de ruimtelijk relevante uitgangspunten en randvoorwaarden weergegeven.

Tabel 2.3: Ruimtelijk relevante uitgangspunten en randvoorwaarden windenergie uit de Notitie windenergie van de gemeente Moerdijk

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0015.png"

2.3.9 Commissie Vestiging

De overheid en het bedrijfsleven werken op Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk samen binnen de Commissie Vestiging. Aan deze commissie nemen de volgende partijen deel:

  • Havenbedrijf Moerdijk;
  • Bedrijvenkring Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk (BIM);
  • Provincie Noord-Brabant;
  • Gemeente Moerdijk;
  • Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB);
  • Brandweer Midden en West-Brabant;
  • Rijkswaterstaat Zuid-Holland;
  • Waterschap Brabantse Delta.

De Commissie Vestiging vindt zijn oorsprong in de samenwerking 'Duurzame Verbindingen Moerdijk'. In dat kader werken genoemde partijen op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk samen aan de verduurzaming van het terrein. Deze samenwerking is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst, die in 1999 door alle deelnemers is ondertekend. In eerste instantie was de Commissie Vestiging onderdeel van de samenwerking 'Duurzame Verbindingen Moerdijk', maar inmiddels valt de commissie direct onder het Havenbedrijf Moerdijk. De Commissie Vestiging heeft de volgende doelstellingen:

  • Duidelijkheid verschaffen over de vestigingsmogelijkheden voordat grondtransacties/erfpacht contracten worden gesloten;
  • Voorkomen van ongewenste ontwikkelingen met betrekking tot bedrijfsvestiging/-veranderingen;
  • Afstemming tussen diverse betrokken instanties. Eén loketfunctie voor aanvragers;
  • Realiseren van synergie tussen bedrijven;
  • Betere afstemming met de aanvrager.

Om invulling te kunnen geven aan deze doelstellingen beoordeelt de commissie alle nieuw op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk te vestigen bedrijven of majeure uitbreidingen van een bestaand bedrijf op een aantal concrete aspecten. Deze aspecten zijn:

  • 1. ruimtelijke ordening;
  • 2. vaarwatergebondenheid;
  • 3. geluidproductie;
  • 4. lucht emissie;
  • 5. afvalwater;
  • 6. externe veiligheid;
  • 7. natuurbescherming;
  • 8. juridische aspecten.

Daarnaast wordt duurzaamheid in de beoordeling meegenomen door de te beoordelen op de aspecten clustervorming en uitwisseling van reststroom. Zodra zich een bedrijf aanmeldt voor vestiging op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk of een bestaand bedrijf zich meldt voor een grootschalige uitbreiding, zal eerst de commissie de betreffende aanvraag op bovenstaande aspecten beoordelen. De commissie brengt vervolgens een pre-advies uit aan de directeur van het Havenbedrijf Moerdijk. Op basis van dit advies wordt beslist over de verkoop en/of huur van grond dan wel uitgifte in erfpacht. Deze beslissing betreft een privaatrechtelijke rechtshandeling, waartegen geen publiekrechtelijke rechtsbescherming openstaat. Bij een negatief vestigingsadvies worden de bedrijven doorverwezen, zodat gezocht kan worden naar een andere vestigingsplaats.

Na een positief advies ten aanzien van de vestiging dan wel uitbreiding van het betreffende bedrijf, start de publiekrechtelijke fase voor de aanvraag van de benodigde vergunningen. De verantwoordelijkheid voor het afgeven van de vergunning ligt bij het daarvoor bevoegde gezag.

2.4 Conclusie

De ontwikkeling van het plangebied past binnen het vigerende beleid van de verschillende schaalniveaus. De ruimtelijke eisen en inpassing van specifiek beleid, waar vermeld in dit hoofdstuk, worden in hoofdstuk 5 toegelicht. Vanwege het belang van het visiedocument als onderlegger van dit bestemmingsplan, wordt in hoofdstuk 4 dit beleidsdocument apart beschreven en is het niet in het beleidskader als lokaal beleid opgenomen.

Zoals blijkt uit dit hoofdstuk staat de beleidsvorming niet stil, maar is er sprake van een duidelijke dynamiek. Het beleid in relatie tot Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is volop in beweging.

Hoofdstuk 3 Analyse plangebied

3.1 Gebiedsbeschrijving

Het plangebied bestaat uit Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk inclusief de omliggende groenzones. Het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is in de jaren '70 van de 20e eeuw aangelegd met als doel een overloopfunctie te vervullen voor het Rotterdamse havengebied. Het Zeehaven- en Industrieterrein heeft een bruto-oppervlakte van circa 2.350 hectare, telt vier insteekhavens en huisvest circa 400 bedrijven.

Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is een grootschalig bedrijvengebied in een landelijke omgeving, de luchtfoto op figuur 3.1 laat dit goed zien. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door een open polderlandschap met omvangrijke landbouwkavels en graslanden dat afgewisseld wordt met de kernen Moerdijk en Klundert.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0016.png"

Figuur 3.1: Luchtfoto van het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk vanaf westzijde (bron: Havenbedrijf Moerdijk)

3.2 Ruimtelijk-functionele analyse

Het Zeehaven- en Industrieterrein kent een ruime en overzichtelijke opzet, waarbij diverse terreindelen vanuit het zuiden van de hoofdentree aan de A17 via de Zuidelijke Randweg in een 'kamstructuur' in noordelijke richting worden ontsloten. De Zuidelijke Randweg vormt samen met de Oostelijke Randweg, de Westelijke Randweg en de Middenweg de hoofdontsluiting van het industrieterrein. Het industrieterrein is ook toegankelijk via de westelijke zijde (via Langeweg vanuit Klundert en via de provinciale weg vanaf de A17) en oostelijke zijde (via de Johan Willem Frisostraat).

De bedrijven aan de hoofdontsluitingswegen zijn hoofdzakelijk gericht op de vier insteekhavens vanaf het Hollandsch Diep en liggen rondom de havens. In een later stadium zijn bedrijfskavels uitgegeven buiten de randwegen aan de westelijke en zuidelijke rand van het industrieterrein. De bedrijven aan de oostzijde van de insteekhaven Roode Vaart liggen enigszins geïsoleerd en kennen een afzonderlijke toegang via de Johan Willem Frisostraat. De ruimtelijke structuur is weergegeven in figuur 3.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0017.png"

Figuur 3.2: Ruimtelijke structuur Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk

De uitstraling van het terrein is functioneel. De wegen zijn breed en overzichtelijk en voorzien van begeleidend groen en veelal een fietspad. Gelijktijdig met de ontwikkeling van Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is rondom het terrein een groene begeleidingszone aangelegd. De zone bestaat uit beplante en niet-beplante stroken (bos en (brede) watergangen met riet en ruigte) welke dienen als landschappelijke afscherming naar het open West-Brabantse landschap, als ecologische verbindingszone en als milieuhygiënische bufferzone naar de omliggende woonkernen. De groene begeleidingzone omringt het industrieterrein in westelijke, zuidelijke en oostelijke richting, met uitzondering van het gedeelte tussen de A17 en de Johan Willem Frisostraat naar Moerdijk. De groenzones ontnemen grotendeels het directe zicht op het industrieterrein vanuit de omgeving. Vanaf verderweg zijn vooral de hoge installaties zoals koeltorens en schoorstenen zichtbaar. Vanaf de A17 is wel direct zicht op de zuidzijde van het industrieterrein via zichtlocaties voor bedrijven.

Binnen het industrieterrein is groen aanwezig langs de interne ontsluitingswegen in vorm van lijnbeplanting. Verder vormen de waterkeringen groene lijnen door het industrieterrein waar zich op basis van het ecologische beheer bijzondere flora (o.a. groenknolorchis) heeft kunnen ontwikkelen.

Het Hollandsch Diep aan de noordzijde van het plangebied heeft natuurwaarden en tevens een functie
voor de scheepvaart. Vanaf het Hollandsch Diep ontsluiten vier insteekhavens het industrieterrein voor
de scheepvaart. De Roode Vaart stroomt door het oostelijk deel van het plangebied en heeft een functie zowel voor de binnenscheepvaart als voor de waterhuishouding van het aangrenzende gebied. Binnen het plangebied ligt een aantal waterlopen die een opvang- en afvoerfunctie vervullen voor aangrenzende gronden.

In het plangebied buiten het feitelijke industrieterrein liggen verspreid agrarische en niet-agrarische bedrijvigheid. Buiten het plangebied, maar wel direct grenzend hieraan liggen de woonkernen Klundert (ten westen van het terrein) en Moerdijk (ten oosten van het terrein). Beide kernen zijn als uitgangspunt genomen in de zonering rond het industrieterrein, de geluidszone van het terrein ligt bijvoorbeeld niet over de kernen heen. De milieugevolgen van het terrein worden bepaald door de ligging ten opzichte van beide kernen en mogen deze kernen niet overschrijden. Hier wordt in hoofdstuk milieu- en overige aspecten (H5) nader op in gegaan.

Deelparken
Het Zeehaven- en Industrieterrein is ruimtelijk en functioneel ingedeeld in een aantal deelparken (zie figuur 3.3). Ieder deelpark kent een thema gerelateerd aan een bedrijfssector (bijv. industrie, chemie, energie/recycling, logistiek, voorzieningen, etc.). Het doel van het dichtbij elkaar situeren van gelijksoortige bedrijven is de bevordering van de clustering, samenwerking en synergie tussen bedrijven.

Het betreft de volgende deelparken:

  • Seaport
  • Ecopark
  • Industrial Park
  • Trade Park
  • Distriboulevard

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0018.png"

Figuur 3.3: Deelparken Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk

Seaport
Het deelpark Seaport beslaat het oostelijk deel van het Zeehaven- en Industrieterrein rondom de centrale insteekhaven en de insteekhaven Roode Vaart, waar zeeschepen met een diepgang tot 8,40 meter kunnen binnenvaren. Dit gebied wordt grotendeels ontsloten via de Oostelijke randweg en de (grotendeels parallel lopende) goederenspoorlijn, die beide doorlopen tot aan de meest noordelijk gelegen kavels. De bedrijven in het oostelijke deel van Seaport liggen aan de Appelweg en kennen een eigen toegang via de Johan Willem Frisostraat.

Seaport is bestemd voor kadegebonden bedrijven, zoals op- en overslag, bewerking en distributie van stukgoed en containers. Seaport is zodanig opgezet, dat zoveel mogelijk kavels grenzen aan de havens. Aan de haven ligt een aantal op- en overslagterminals maar langs de kades bevinden zich voornamelijk bedrijven die op eigen terrein stukgoed bewerken en distribueren. Deze bedrijven beslaan grote oppervlaktes op het industrieterrein. Aan de noordwestzijde van Seaport bevinden zich momenteel twee windturbines, deze zijn positief bestemd. In de oostelijke groene begeleidingszone bevinden zich rondom de Roode Vaart diverse functies die in de huidige situatie nauwelijks een relatie hebben met het industrieterrein.

Ecopark
Ten westen van de Seaport en aan de westelijke insteekhaven ligt het EcoPark, bestemd voor recyclingbedrijven en (watergerelateerde) bedrijvigheid op het gebied van milieu- en energietechnologie. Het gebied wordt in noordelijke richting ontsloten via de Orionweg en de Middenweg alsmede een aftakking van het goederenspoor. Er hebben in het verleden onder andere vier windturbines aan de kop van de Middenweg gestaan, deze zijn echter gesloopt en de vergunning is hierdoor verlopen. Deze turbines zijn derhalve niet bestemd.

Aan de westzijde van de Middenweg bevinden zich enkele grootschalige bedrijfskavels met energiecentrales. Ook is er een slibverwerkingsbedrijf gevestigd. De kavels zijn ruim opgezet, waarbij de bedrijvigheid is georiënteerd op de Middenweg. In het zuidelijke deel van EcoPark liggen naast grote bedrijfskavels ook relatief kleinere bedrijfskavels die benut worden door diverse type bedrijfssectoren.

Industrial Park
Aan de westzijde van de Westelijke Insteekhaven ligt het Industrial Park, bestemd voor chemische en (zware) industriële bedrijvigheid. Het gebied wordt ontsloten vanaf de Zuidelijke en Westelijke Randweg en wordt ruimtelijk gedomineerd door het omvangrijke bedrijfskavel van Shell. Met name het braakliggende zuidelijke deel is sterk beeldbepalend. Behalve Shell zijn ook andere grootschalige chemisch industriële bedrijven aanwezig. In de zuidwesthoek vestigen nieuw bedrijven zicht, die deels gebruik maken van elkanders reststromen.

Trade Park en Distriboulevard
Tussen de Zuidelijke Randweg en de A17 liggen het Trade Park en de Distriboulevard. Beide deelparken zijn ruim opgezet en ontsloten vanaf de Zuidelijke Randweg. De Keeneweg, die van de zuidelijke Randweg onder de A17 richting Zevenbergen loopt, scheidt de beide deelparken. Het westelijke TradePark is bestemd voor handelsondernemingen en logistieke bedrijven, die waarde toevoegende diensten verrichten.

De Distriboulevard, lopend vanaf de Keeneweg tot de Entree, is bestemd voor weggebonden Europese distributie- en productiebedrijven die een representatieve locatie wensen en goed bereikbaar willen zijn. Op de Distriboulevard is het bedrijvenaanbod divers: distributeurs van autobanden en -velgen en logistieke dienstverleners maar bijvoorbeeld ook een horecagroothandel. De bedrijven op Distriboulevard maken gebruik van de zichtlocaties aan de A17. Ten westen van het Tradepark bevindt zich een windturbine, deze is net als de turbines in deelpark Seaport positief bestemd.

Overige bijzondere zones
Aan de westelijke rand van het Zeehaven- en Industrieterrein - ten westen van de Westelijke Randweg - ligt de compartimentenstrook. Dit relatief kleinschalige gemengde industrieterrein wordt ontsloten via de Langeweg (die doorloopt naar Klundert) en kent een kamstructuur met doodlopende toegangswegen vanaf de Vogelweg. Op dit terrein zijn met name groothandelsbedrijven en dienstverleners aanwezig. Opvallende terreindelen zijn de clustering van kleinschalige metaalbedrijven in het noordelijke deel en de gemeentelijke milieustraat van Moerdijk. In het zuidelijke deel kampt een aantal bedrijven met ruimtetekort, met als gevolg stalling van (vracht)auto's en bedrijfsmaterialen op de openbare weg. Op de zuidoostelijke punt bevindt zich een persstation van Waterschap Brabantse Delta.

Bij de entree van het industrieterrein bevindt zich aan de oostzijde het Servicepoint Moerdijk, waarin een groot aantal dienstverlenende bedrijven en ondersteunende diensten voor de rest van het Zeehaven- en Industrieterrein gevestigd zijn. Hier bevinden zich onder meer de brandweer, douane, de marechaussee, het kantoor van het Havenbedrijf Moerdijk en de beveiligingsdienst, maar ook bijvoorbeeld kopieerfaciliteiten, schoonmaakdiensten en een restaurant.

3.3 Economische structuur

Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is specifiek bestemd en ingericht voor grote en zware bedrijvigheid. Het gunstige vestigingsklimaat in dit gebied in combinatie met grote kavels en de ligging aan diep vaarwater maakt het industrieterrein aantrekkelijk voor onder meer logistieke dienstverleners, distributiebedrijven en internationaal georiënteerde bedrijven in de chemische industrie. Tal van toeleverende bedrijven hebben zich in nabij gelegen kernen gevestigd. Ook een belangrijk deel van de kleinschalige lokale bedrijvigheid is voor een deel van hun continuïteit aangewezen op de op Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk gevestigde bedrijven. Derhalve levert het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk een omvangrijke directe en indirecte werkgelegenheid.

Op Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk bevinden zich circa 400 bedrijven, die gezamenlijk werk bieden aan circa 17.000 personen aan directe (circa 8.700 personen) en indirecte werkgelegenheid (circa 8.300) (bron: Havenstrategie Moerdijk 2030, 2012).

Het industrieterrein huisvest een mix van industriële bedrijven, handelsondernemingen, zakelijke dienstverleners, havenbedrijven, afvalverwerkende bedrijven, logistieke dienstverleners, transporteurs, etc. De middelgrote en grote bedrijven zijn hoofdzakelijk gevestigd langs de havens en de kleinere en middelgrote bedrijven met name langs de west- en zuidkant van het industrieterrein. De compartimentenstrook aan de westzijde van het industrieterrein is specifiek voor deze doelgroep ingericht.

Leegstand en braakliggende percelen (Aanbod)
Uit een inventarisatie van de restcapaciteit op industrieterrein Moerdijk (Havenbedrijf Moerdijk, peildatum 1 november 2015) is gebleken dat in totaal ruim 239 hectare bruto aan bedrijfskavels beschikbaar kan komen voor (industriële) bedrijfsactiviteiten. In figuur 3.4 en in tabel 3.1 is per deelpark een overzicht weergegeven van de beschikbare restgronden. Daarbij is aangegeven binnen welke milieucategorie conform het bestemmingsplan de restgronden zijn gelegen. Uit de figuur en de tabel blijkt dat met name in het westelijke gedeelte van het industrieterrein ontwikkelingsruimte aanwezig is, met name in deelpark Industrial Park. In de overige deelparken liggen verspreid losse braakliggende locaties.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0019.png"

Figuur 3.4: overzicht beschikbare percelen op Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk (2015)

Tabel 3.1: Overzicht restgronden per deelpark

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0020.png"


In totaal bedraagt het aanbod aan bedrijfskavels op Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk ruim 239 hectare bruto (peildatum 1 november 2015). In de deelparken Industrial Park, Seapark en Ecopark is een aanbod van in totaal 229 hectare bruto aan kadegebonden terrein. Op een groot deel van deze kavels is de ontwikkeling van zware industrie mogelijk (zie tabel 3.1). In de overige deelparken is er een aanbod van bijna 11 hectare bruto aan havengerelateerd terrein.

Uitgaande van berekende behoefteprognoses van 188 hectare netto aan kadegebonden terrein (bron: Bureau Buiten 2014) is er sprake van een overaanbod van kadegebonden bedrijfskavels. Ook is er voldoende aanbod aan kavels voor zware industrie in de regio West-Brabant.

De gronden op Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk moeten te allen tijde beschikbaar zijn voor als er vraag naar zware industrie zich voordoet.

3.4 Ontsluitingsstructuur

Eén van de kernkwaliteiten van Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is de multimodale ontsluiting via weg-, water- en spoorverbindingen. Met de komst van de interne verbinding naar het LPM wordt deze kwaliteit verder verstevigd. Op figuur 3.5 zijn in zwart de spoorverbindingen weergegeven, in rood de autoverbindingen en in blauw de ontsluiting via water. Bovendien is het Zeehaven- en Industrieterrein gelegen aan een internationale buisleidingenstraat. Tussen de verschillende transportmiddelen zijn bovendien overslagmogelijkheden: wegtransportterminals en een trimodale terminal waar lading tussen zeeschepen, binnenschepen en spoorwagons overgeslagen kan worden. De ontsluiting via het LPM staat nog niet op deze kaart aangegeven omdat dit onderdeel is van PIP LPM.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0021.png"

Figuur 3.5: overzicht infrastructuur Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk

3.4.1 Wegverkeer

Autoverkeer
Het Zeehaven- en Industrieterrein ligt aan de A17 en is bereikbaar vanaf de zuidkant via afslag Moerdijk (nr. 26). De uitstekende bereikbaarheid vanaf het hoofdwegennet wordt in toenemende mate belemmerd door congestievorming op de A16 en de aansluiting van de A16 op de A17. De congestie op het hoofdwegennet leidt ook tot problemen op het onderliggend wegennet (N285) en de kernen Moerdijk, Klundert, Zevenbergsche Hoek en Zevenbergen.

Naast de zuidelijke hoofdentree is het Zeehaven- en Industrieterrein ook toegankelijk vanaf de westzijde via de Zuidelijke Randweg (vanaf afslag 25, Zevenbergen) en het oosten via de Oostelijke Randweg.

Het interne wegennet is onder beheer van het Havenbedrijf. Het interne wegennet kent een logische structuur, waarbij de bedrijven via havennummers zijn bewegwijzerd. Het interne wegennet is formeel gezien niet openbaar. Vanwege veiligheidsredenen is het terrein 's nachts en in het weekend beperkt toegankelijk. Op deze momenten is het risico op criminele activiteiten het hoogst en de bedrijvigheid op het terrein het laagst. Derhalve zijn de toegangs- en uitvalswegen aan de randen van het terrein voorzien van afsluitingssystemen.

Het profiel van de randwegen (Zuidelijke, Oostelijke en Westelijke Randweg) is een enkelbaanse weg in tweerichtingen met vrijliggende fietspaden. Vanwege de ruime opzet van de infrastructuur zijn de verkeerswegen overzichtelijk, vrachtwagens hebben voldoende ruimte zich te manoeuvreren op het industrieterrein.

Openbaar vervoer
Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk wordt niet bediend door openbaar vervoer (busvervoer), uitgezonderd buslijn 218 die rijdt tussen Zevenbergen en Moerdijk en het oostelijk deel van het industrieterrein via de Roode vaart passeert.

Fiets- en voetgangersvoorzieningen
Langs alle ontsluitingswegen op het Zeehaven- en Industrieterrein zijn vrijliggende fietspaden gelegen, gescheiden van de rijbaan (o.a. langs de Zuidelijke Randweg, Oostelijke Randweg, Westelijke Randweg, Chemieweg, Middenweg en Orionweg). Specifieke voetpaden zijn nauwelijks aanwezig, maar liggen ook niet voor de hand gezien de schaalgrootte van het industrieterrein.

3.4.2 Vervoer per water

Industrieterrein Moerdijk ligt aan het Hollandsch Diep. De haven van Moerdijk is toegankelijk voor zowel zeevaart als binnenvaart. Vanaf de Noordzee is de haven van Moerdijk bereikbaar voor zeeschepen via de Nieuwe Waterweg, Oude Maas, Dordtse Kil en Hollandsch Diep. De vaarweg vanaf Rotterdam is vrij van sluizen.

Binnenvaartschepen kunnen via een wijd vertakt vaarwegennet Moerdijk bereiken, via o.a. de Rijn, de Maas, de Schelde, het Volkerak, het Haringvliet, Markiezaatsmeer en diverse kanalen. De haven van Moerdijk is bereikbaar voor zeeschepen met een diepgang van 8,40 meter onder NAP in zoet water, in de Centrale Insteekhaven is dit 8,90 meter (afhankelijk van omstandigheden als onder andere getijde). De maximale hoogte van zeeschepen die naar Moerdijk varen, bedraagt 45 meter bij een waterpeil van NAP. De maximale lengte van zeeschepen bedraagt LOA 201,00 meter en een maximale breedte van 32 meter.

Havenvoorzieningen zijn gelegen langs het Hollandsch Diep en de vier insteekhavens: de Westelijke insteekhaven, de Centrale insteekhaven, de Oostelijke insteekhaven en de Insteekhaven Roode Vaart. Veel bedrijven maken gebruik van de ligging aan het water, niet alleen de bedrijven die direct aan de haven zijn gelegen, maar ook de bedrijven zuidelijke gelegen op het industrieterrein middels de aanwezige overslagfaciliteiten. Er bevinden zich anderzijds ook bedrijven op kadegebonden kavels, die geen gebruik maken van vervoer over water.

3.4.3 Vervoer per spoor

Het Zeehaven- en Industrieterrein is op het landelijke spoorwegennet aangesloten. De hoofdstamspoorlijn van het goederenspoor loopt vanaf het emplacement Lage Zwaluwe naar het industrieterrein en loopt op het industrieterrein langs de Zuidelijke Randweg tot aan het eind van de Westelijke Randweg. Vanaf de hoofdstamlijn is een aantal zijsporen parallel aan verkeerswegen gelegen die richting de bedrijven aan de havens lopen. Er bestaan plannen om het spoorlijnennet op het industrieterrein te optimaliseren (w.o. railservicecentrum). Daarnaast bestaan plannen om het spoorlijnennet mogelijk uit te breiden naar het nieuwe Logistieke Park Moerdijk (LPM) ten zuidoosten van Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk.

3.4.4 Buisleidingenvervoer

Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is aangesloten op de Buisleidingenstraat Nederland van Rotterdam naar Antwerpen, die door de westrand van het plangebied loopt. Daarnaast zijn ten zuiden en ten oosten van het industrieterrein leidingenstroken geprojecteerd die onderdeel vormen van het geplande provinciale leidingenstrokennet. In het plangebied zelf liggen onder meer de volgende buisleidingen en leidingenstroken:

  • DSM transportleiding;
  • AirLiquide leidingen;
  • DowBenelux propyleenleiding;
  • Omya kooldioxideleiding;
  • Gasunie aardgasleiding;
  • DPO (Defensie Pijpleidingen Organisatie) brandstofleiding;
  • RAPL (Rotterdam Antwerpen Pijpleiding) aardolieleiding;
  • Sabic Petrochemical Pipeline Service;
  • Shell transportleidingen;
  • Total aardolieleiding;
  • Zebra aardgasleiding;
  • waterleiding;
  • leidingenstroken;
  • PRB-leiding;
  • rioolpersleiding van waterschap/Havenbedrijf.

De buisleidingen en leidingenstroken zijn voornamelijk onder infrastructuur en langs bedrijfskavels gelegen. Het beheer van de gehele leidingenstraat is in handen van de Stichting Buisleidingenstraat Nederland.

3.5 Groen

Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is omgeven door groene begeleidingszones. De zone bestaat uit beplante en niet-beplante stroken en dient als landschappelijke afscherming naar het open West-Brabantse landschap en als milieuhygiënische bufferzone naar de omliggende woonkerken.

Aan de oostzijde omvat deze groene 'lijst' het bosgebied van Moerdijk (De Appelzak), het moerasgebied ten oosten van de Roode Vaart en het bos bij Lochtenburg.

Aan de westzijde bevinden zich in de groenstrook een manege, een groepsgebouw van de scouting en een hondenschool.

Ten noorden van het industrieterrein ligt binnen het plangebied het natuurgebied de Sassenplaat in het Hollandsch Diep. Het beheer is gericht op het behoud van de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied, in het bijzonder als rust- en foerageergebied voor watervogels en ganzen en als leefgebied voor de Noordse woelmuis en kraamkamer voor diverse vissoorten.

Ten westen van de Sassenplaat heeft Rijkswaterstaat ten behoeve van overtollig slib in de afgelopen jaren een baggerspeciedepot aansluitend op de Sassenplaat aangelegd. Rijkswaterstaat is van plan het natuurgebied uit te breiden met 15 hectare om nog meer ruimte voor flora en fauna op de Sassenplaat te creëren.

Hoofdstuk 4 Visiedocument

4.1 Inleiding

Vanwege de complexiteit van de bestemmingsplanherziening is voorafgaand aan het opstellen van het bestemmingsplan een visiedocument opgesteld. In het visiedocument worden de belangrijkste keuzes gemaakt en vastgelegd. Vervolgens zijn de richtinggevende keuzes uit het visiedocument uitgewerkt in onderhavig plan. Het visiedocument is het resultaat van een integrale afweging op de diverse ruimtelijke keuzes op het industrieterrein. Het visiedocument is tot stand gekomen in drie werkstappen, gerelateerd aan drie deelvragen:

  • 1. Welke keuzemogelijkheden (thema's) liggen voor? (Nota van Uitgangspunten);
  • 2. Welke keuzes kunnen gemaakt worden en wat zijn hiervan de consequenties? (Modellenstudie);
  • 3. Welke (samenhangende) keuzes verdienen de voorkeur? (Visiedocument).

Het visiedocument is langs deze drie deelvragen opgebouwd. De keuzes in het visiedocument zijn vertaald in onderhavig bestemmingsplan. In dit hoofdstuk worden de verschillende uitgangspunten van het visiedocument en de betekenis voor onderhavig bestemmingsplan beschreven.

Gedurende de uitwerking van de visie naar een planologische regeling zijn er naar aanleiding van het incident bij Chemie-Pack lessen getrokken over (externe) veiligheid. Deze lessen zijn in dit bestemmingsplan toegevoegd aan de visie op het terrein en meegenomen in de vertaling naar een concrete juridisch-planologische regeling. De lessen en de regeling worden in paragraaf 4.5 nader toegelicht.

4.2 Duurzaam beheer en ontwikkeling

Vertrekpunt bij de herziening is dat het bestemmingsplan een duurzaam beheer en ontwikkeling (intensivering) van het industrieterrein mogelijk moet maken. Duurzaam betekent hierbij dat de ruimtelijke mogelijkheden voor de economische activiteiten in balans zijn met de omgeving. Met de woorden van de stuurgroep Duurzame Verbindingen Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk (DVM) de 'versterking van een economisch verantwoord vestigingsklimaat, verbetering van milieuprestaties en behoud en versterking van leefbaarheid en welzijn in de directe omgeving' (Meerjarenprogramma DVM 2011-2015).

Afwegingen voor de toekomst van het industrieterrein vinden dan ook plaats door een goede afstemming tussen ruimte, milieu en economie (of People, Planet en Profit). Hierbij wordt onder milieu behalve de milieuplanologische aspecten ook elementen van de 'onderste laag', zoals natuur, water en landschap verstaan.

Op hoofdlijnen zijn de onderzoeksthema's uit het visiedocument samen te vatten in de volgende 7 vragen.

  • 1. in hoeverre dient de thematisering naar bedrijfstypen te worden vastgesteld in het bestemmingsplan?
  • 2. in hoeverre is het wenselijk om in het kader van duurzaamheid de mogelijkheden van industriële ecologie te stimuleren in het bestemmingsplan?
  • 3. op welke wijze wordt het principe van intensief ruimtegebruik uitgewerkt in het bestemmingsplan?
  • 4. is het wenselijk om nieuwe ontsluitingsstructuren (buisleiding, spoorwegen) vast te leggen in het bestemmingsplan?
  • 5. is er ruimte voor stedelijke functies (recreatie, landelijk wonen, etc.) in de groene begeleidingszone?
  • 6. in hoeverre moeten de natuurwaarden langs de randen van het plangebied worden vastgelegd?
  • 7. relatie met milieuplanologie, heel specifiek: ordening op het gebied van externe veiligheid?

4.3 Modellenstudie

De zeven sturende vragen vormen samen het speelveld waarop ruimtelijke toekomstkeuzes voor het industrieterrein worden gemaakt. Door aan elke vraag een invulling te geven, ontstaat een totaalvisie voor het gehele terrein. Hierbij is gebruik gemaakt van twee modellen die de bandbreedte van keuzevrijheid op de thema's inzichtelijk maken:

  • Model 1: Ruimte bieden (flexibiliteit);
  • Model 2: Potenties benutten (sturing).

Model 1: Ruimte bieden (flexibiliteit)
De hoofdgedachte achter model 1 is dat het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk maximaal ingezet moet worden voor de opvang van (zoveel mogelijk) bedrijven, zodat uitbreidingen elders in de omgeving niet nodig zijn. Intensivering staat in dit model voor meer bebouwingsmogelijkheden en meer arbeidsplaatsen. Vanuit deze gedachte is het van belang om in het bestemmingsplan ruimte te bieden aan ondernemers en Havenbedrijf om in te spelen op marktontwikkelingen. Het model gaat inzake het bestemmingsplan uit van een globale, flexibele regeling die ruimte biedt aan de ontwikkelingen. Uit model 1 volgde dat de keuze voor flexibiliteit in het toestaan van economische activiteiten in combinatie met het inzetten van een fysieke intensiveringsopgave zou leiden tot een beperking van de milieuruimte voor zware bedrijven, de doelgroep waarvoor dit terrein juist bedoeld is. De voordelen van het model waren het intensiever benutten van het terrein (ook in termen van werkgelegenheid) en het economisch benutten van de groene zone. Deze voordelen wogen echter niet op tegen het verlies aan milieuruimte en het niet beschermen van aanwezige natuurwaarden.

Model 2: Potenties benutten (sturing)
De hoofdgedachte achter het model 'Potenties benutten' is dat Zeehaven- en Industrieterrein een uniek vestigingsklimaat biedt, waar bedrijven zich kunnen vestigen die op steeds minder plekken in Brabant terecht kunnen. Doelstelling van het model is het industrieterrein juist voor deze bedrijven geschikt te maken/ te laten blijven (en dus ook dat deze ruimte niet ingenomen wordt door bedrijven die elders wel terecht kunnen). Voor het bestemmingsplan betekent dit, dat gestuurd wordt op vestiging van grootschalige bedrijven met behoefte aan milieuruimte en diep vaarwater. De thematisering van het Havenbedrijf en de zonering in het kader van externe veiligheid vormen het vertrekpunt voor een stringente thematisering (zie figuur 4.1).

In dit model stuurt het bestemmingsplan actief op vestiging van de meest passende economische activiteiten en optimaal gebruik van de aanwezige faciliteiten. Het grootste voordeel van model 2 is dat de kernkwaliteiten van het industrieterrein ten volle worden benut en dat natuurwaarden in de groene begeleidingszone een goede bescherming krijgen. Nadelen van dit model zijn ten eerste het stringente vestigingsklimaat, die het inspelen op veranderende marktontwikkelingen bemoeilijkt met het risico op leegstand of de noodzaak tot een spoedige herziening van het bestemmingsplan. Ten tweede kan het specifiek bestemmen van deelgebieden volgens een functioneel profiel een grootschalige verplaatsingsoperatie tot gevolg hebben van bestaande bedrijven die niet in het profiel passen. Dit kan (ook voor de gemeente) omvangrijke financiële consequenties hebben.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0022.png" Figuur 4.1: potenties benutten (het Tradepark en het baggerspeciedepot nog niet opgenomen)

Van modellen naar visie
Op basis van de twee modellen constateerde de projectgroep en de klankbordgroep, dat het model 'Potenties benutten' een ideaalbeeld schetst op basis van huidige denkbeelden over duurzame ontwikkeling. Een duidelijke thematisering gerelateerd aan het benutten van de kwaliteiten van het industrieterrein (multimodaliteit, milieuruimte en grote kavels), is een wens van alle partijen, zeker wanneer dit op een zorgvuldige wijze in relatie met de omgeving wordt uitgewerkt. De discussie was niet zozeer wat het toekomstbeeld moest zijn, maar welke instrumenten hiervoor het meest bruikbaar zijn en voor welke onderwerpen stringente regelgeving wenselijk is. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan ongewenste ontwikkelingen tegen houdt en gewenste ontwikkelingen mogelijk maakt, maar niet oplegt.
Concreet leidde dit tot de volgende richtinggevende keuzes voor de visie:

  • noodzakelijke principes van thematisering (veelal functioneel en milieuplanologische van aard) vastleggen en daarbinnen ruimte om in te spelen op veranderende (markt)omstandigheden creëren;
  • de intensiveringsopgave strategisch uitwerken binnen het bestemmingsplan, zodanig dat het niet ten koste gaan van de primaire doelgroep: omvangrijke bedrijven met behoefte aan milieuruimte en multimodaliteit;
  • aspecten van thematisering en (milieuhygiënische en sociale) duurzaamheid mogelijk maken, maar niet dwingend opleggen (zoals P+R-faciliteiten, windmolens, voorzieningen voor werknemers, uitbreiding spoorwegennet, industriële ecologie, etc.). Andere instrumenten (zowel privaatrechtelijk als bijv. beleidsvisies) zijn meer geschikt om deze ontwikkelingen mogelijk te maken;
  • de groene begeleidingszone is in eerste instantie een groene (milieuplanologische en visuele) buffer voor het industrieterrein. Voor zover deze bufferfunctie niet wordt aangetast en de natuurwaarden worden gerespecteerd zijn beperkt ontwikkelingen mogelijk.

4.4 Voorkeursmodel: Zonering als duurzaam kader

De hoofdlijn van de visie voor het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is tweeledig:

  • een duurzame relatie tussen het industrieterrein en de omgeving, waarbij de ruimtelijke mogelijkheden voor economische ontwikkeling in harmonie zijn met de leefkwaliteit van de omgeving (balans tussen people, planet, profit als leidend kader);
  • het industrieterrein dient op lange termijn geschikt te blijven voor het type bedrijvigheid, waar het voor is bedoeld: omvangrijke bedrijven met behoefte aan milieuruimte en diep vaarwater.

Dit betekent dat het bestemmingsplan ontwikkelingen moet tegengaan, die de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven belemmeren, waarbij de thematische deelparken en de zonering voor externe veiligheid de bouwstenen vormen. Tegelijkertijd moet het bestemmingsplan niet resulteren in een strak keurslijf, waardoor Havenbedrijf en bedrijfsleven niet meer kunnen inspelen op veranderende marktomstandigheden en macro-economische ontwikkelingen. De leidraad voor het bestemmingsplan is de volgende benadering in 3 stappen:

  • 1. zoneren op basis van milieuplanologische aspecten: inwaartse milieuzonering, de geluidszone en zonering voor externe veiligheid;
  • 2. het principe van intensiever ruimtegebruik gedifferentieerd toepassen aan de hand van zonering voor externe veiligheid;
  • 3. segmentering op basis van bedrijfssectoren per deelpark, wanneer dat duidelijke voordelen biedt.

Thematisering van het industrieterrein
De thematisering in deelparken wordt niet in functionele zin vastgelegd in het bestemmingsplan, vanuit het oogpunt van flexibiliteit. Daarnaast beschikt het Havenbedrijf over andere (meer flexibele) instrumenten (erfpacht, uitgifte) om een goede segmentering op het industrieterrein mogelijk te maken.

Stimuleren industriële ecologie
Het stimuleren van industriële ecologie en duurzaamheid vindt niet plaats via actieve clustering van sectoren. Wel zal het bestemmingsplan mogelijkheden bieden voor voorzieningen in het kader van industriële ecologie, zoals buisleiding, decentrale elektriciteitscentrales, etc.

Uitwerking intensief ruimtegebruik
In het bestemmingsplan zijn mogelijkheden opgenomen voor intensief en meervoudig ruimtegebruik (zoals ondergronds bouwen of parkeren op gebouwen). Hierbij wordt aansluiting gezocht bij het hoofdthema van de provinciale structuurvisie: 'zorgvuldig ruimtegebruik'. Wel kent het gebied een beperking vanuit de externe veiligheid. Met een gebiedsaanduiding is het gebied qua externe veiligheid verdeeld in zes zones waar vanuit externe veiligheid beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Vastleggen nieuwe ontsluitingsstructuren
Bestaande buisleidingen en spoorwegen worden bestemd, inclusief de benodigde contouren. Omdat momenteel de plannen voor optimalisatie van het spoorlijnnet nog onbekend zijn, zal binnen de bedrijfsbestemming de mogelijkheid worden opgenomen voor nieuwe spoorlijnen ten behoeve van de bedrijfsbestemming.

Stedelijke functies in de groene begeleidingszone
Nieuwe stedelijke functies in de groene begeleidingszone zijn in principe niet toegestaan, maar kunnen via een afwijking worden toegestaan mits deze geen afbreuk doen aan de functie van groene buffer en de aanwezige natuurwaarden. Dit is een ruimtelijke vertaling vanuit de beoogde balans tussen people, planet en profit, waardoor conflicterende locaties worden voorkomen, zorgvuldig ruimtegebruik en juiste functies op de juiste plek.

Binnen het plangebied worden uitsluitend de bestaande functies bestemd.

Vastleggen natuurwaarden
Voor het Natuurnetwerk Nederland gebied ten westen (richting Klundert) en ten oosten (De Appelzak) worden beschermingsregimes opgenomen in het bestemmingsplan. Vanwege de nog onduidelijke toekomst van het gebied rond de Roode Vaart wordt in dit bestemmingsplan volstaan met het conserverend bestemmen van de huidige invulling (landbouw en bedrijven).

Milieuplanologische vraagstukken
De zonering voor externe veiligheid en de bestaande inwaartse zonering vormen de milieuplanologische onderleggers voor het bestemmingsplan. Uitgangspunt hierbij is dat de intensiveringsopgave de leefomgeving zo min mogelijk aantast.

Vertaling naar het bestemmingsplan
De keuzes in het visiedocument worden, zoals reeds vermeld, waar ruimtelijk relevant en voldoende concreet vertaald in onderhavig bestemmingsplan. Vanuit het visiedocument dient dit te gebeuren binnen de genoemde uitgangspunten.

Het industrieterrein is op dezelfde wijze 'inwaarts gezoneerd' zoals is bepaald na de 6e herziening Industrieterrein Moerdijk 1993. In de bestemmingen industrieterrein 1, 2 en 3 is onderscheid aangebracht in toegelaten milieucategorieën. Hierbij is de bestaande thematisering overgenomen, maar deze blijft flexibel van aard. Door deze zonering worden de ‘zwaarste’ functies geconcentreerd in het midden van het terrein en neemt de milieudruk naar buiten toe af. Ook het clusteren van de gelijksoortige bedrijven levert voordeel op voor het zoneren van de milieuaspecten (de People) kant, maar zeker ook voordelen voor de profit kant. Bedrijven kunnen immers profiteren van elkaars nabijheid en reststromen.

Inwaartse zonering betekent in deze zin ook een stolp zetten over het terrein om hiermee de grenzen van de huidige mileukaders niet verder uit te breiden richting bijvoorbeeld de omliggende woonkernen. Een voorbeeld is de geluidszone, deze wordt niet uitgebreid ten opzichte van de bestaande zone. Wel wordt de zone intensiever benut zonder dat dit de zonegrens overschrijd.

Nieuw op dat vlak is het aangebrachte onderscheid op grond van externe veiligheid. Het industrieterrein is onderverdeeld in zes zones, waarbij onderscheid is aangebracht op het toelaten van risicovolle inrichtingen en gebouwen waar veel mensen verblijven. Op een groot deel van het middenterrein zijn risicovolle inrichtingen toegelaten (zone 1 en 2), maar zijn ook gebouwen waar veel mensen verblijven uitgesloten. In zone 3, een randzone, zijn uitsluitend nieuwe risicovolle activiteiten toegestaan als het ondergeschikte activiteiten van de bedrijfsvoering betreft zoals ammoniakkoelinstallaties. In zone 4 (o.a. het Voorzieningencentrum en ook een randzone) zijn geen nieuwe risicovolle inrichtingen toegestaan. In paragraaf 5.4 is de hele externe veiligheidsfilosofie uiteengezet.

Er wordt nog steeds veel mogelijkheid gegeven voor de intensivering van het terrein door de flexibele bestemmingslegging, echter wel, zoals gezegd, binnen de bestaande milieukaders. Het is evenwel mogelijk de huidige bebouwingsmogelijkheden op te rekken met een bebouwingspercentage van 5 %.

Er worden voldoende mogelijkheden opgenomen om buisleidingen en spoorrails aan te leggen, dit om duurzaam vervoer van goederen te stimuleren. Ook het bieden van voldoende aanlegplaatsen, niet beperkt binnen de bestemmingen, draagt hier aan bij. De komst van het LPM maakt deze vormen van vervoer extra aantrekkelijk voor bedrijven op één van beide terreinen.

In het bestemmingsplan zijn de groene begeleidingszone, de natuur- en bosgebieden robuust verankert door een directe bestemming. Tevens is met een aanduiding een zone aangegeven waarbinnen invulling gegeven kan worden aan de ecologische verbindingszone. Dit conform de Verordening ruimte 2014. Binnen de groene zone worden ook fiets- en wandelpaden planologisch mogelijk gemaakt. Hiermee wordt de bufferfunctie verder versterkt. Alhoewel de golfbaanontwikkeling buiten het bestemmingsplangebied valt is ook deze ontwikkeling een versterking van de groene buffer rond het Zeehaven- en Industrieterrein.

4.5 Lessen Chemie-Pack

De richting van keuzes een juiste verankering van externe veiligheid binnen het bestemmingsplan Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk was begin 2011 voor het belangrijkste deel gekozen. Op 5 januari 2011 voltrok zich op het Zeehaven- en Industrieterrein het incident bij het bedrijf Chemie-Pack. Hierdoor kwam veiligheid nog prominenter in beeld, zeker in relatie tot deze bestemmingsplanherziening waar de gemeente Moerdijk en haar (veiligheids)partners volop mee bezig waren. Gedurende de eerste maanden van 2011 rees dan ook de vraag, welke lessen er uit het incident bij Chemie-Pack konden trekken, en welke daarvan van ruimtelijke aard waren zodat deze vastgelegd kunnen worden in het bestemmingsplan. In 2011 en begin 2012 heeft de werkgroep externe veiligheid voor dit bestemmingsplan (‘Bevi-werkgroep’) de leerpunten uit het incident nadrukkelijk naast de al gekozen richting gelegd. Hiervoor zijn ook de diverse externe onderzoeksrapporten, zoals bijvoorbeeld van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, als uitgangspunt gehanteerd.

Dit heeft voor dit bestemmingsplan niet tot koerswijziging in de ruimtelijke keuzes ten aanzien van externe veiligheid geleid. De getrokken lessen zijn eerder een bevestiging van de juistheid van de gekozen koers ten aanzien van:

  • de zonering van risico’s;
  • het verkiezen van concentratie van risicobronnen boven spreiding;
  • de robuuste scheiding tussen risicobronnen en (beperkt) kwetsbare objecten;
  • het inzetten op maatregelen ter verbetering van zelfredzaamheid op en rondom het industrieterrein (o.a. door aandacht voor risicocommunicatie en ontwikkeling instrumenten);
  • het inzetten op de versterking van de bestrijdbaarheid (o.a. realisatie brandweerkazerne op het terrein).

Naast de bevestiging van de gemaakte keuzes, heeft het incident ook geleid tot een versnelling van maatregelen die getroffen dienen te worden voor de verbetering van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid in het gebied.

Binnen de generieke en flexibele opzet van het bestemmingsplan heeft het incident bij Chemie-Pack wel voor meer aandacht gezorgd voor de veiligheid op perceelsniveau en voor de mogelijkheden tot het ontvluchten van deelgebieden. Ten aanzien hiervan is een aantal concrete maatregelen in de bestemmingen doorgevoerd voor het nog uit te geven gebied, de voormalige Shell-reserves. Deze maatregelen zijn zoal:

  • de minimaal twee robuuste oost-west–verbindingen op het nog in te richten voormalige Shellreserve;
  • een tweezijdige bereikbaarheid door hulpdiensten van de nog in te richten percelen.

In dit plan zijn enkel alleen die lessen meegenomen die een ruimtelijke weerslag hebben, tenslotte regelt een bestemmingsplan alleen het ruimtegebruik. Ook de verdeling van ruimtelijke maatregelen is niet hard, een bestemmingsplan regelt namelijk niet rechtstreeks de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid. Deze onderwerpen vormen echter wel wel een belangrijk onderdeel van de groepsrisicoverantwoording die gekoppeld is aan de vaststelling van een bestemmingsplan. De andere getrokken lessen, die geen ruimtelijke weerslag hebben, worden meegenomen in de Nota Fysieke Veiligheid van de gemeente Moerdijk. Daarnaast zijn reeds een aantal lessen toegepast, bij voorbeeld wat handhaving betreft.

In paragraaf 5.2 en bijlage 1 wordt nader ingegaan op de gemaakte keuzes op het gebied van externe veiligheid.

4.6 Nieuwe functie: Windturbines

In 2011 hebben de gemeenten in West-Brabant een bod gedaan aan de provincie en het Rijk voor het realiseren van 200 MW extra aan windenergie in 2020. In de door de gemeenteraad vastgestelde structuurvisie Moerdijk 2030 staat het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk aangemerkt als zoekgebied windenergie (zie figuur 2.7) en het college van Moerdijk heeft het terrein, naast andere locaties, opgenomen in haar bijdrage aan het regionale bod. Op 16 januari 2014 is de Notitie windenergie gemeente Moerdijk 2013 - 2030 vastgesteld, zie paragraaf 2.3.8. Deze notitie is de basis voor het windenergiebeleid.

Het terrein vormt, gelet op de functie en bouwmogelijkheden, een logische plaats voor een dergelijke vorm van duurzame energie. Hiermee is deze keuze voor deze nieuwe functie ruimtelijk te verantwoorden, inpasbaar en bestuurlijk gedragen. Bij de vaststelling van de structuurvisie is gesteld dat de zoeklocaties windenergie definitief bekrachtigd wordt via het spoor van de paraplunota leefomgeving.

In de balans tussen de drie P’s levert het scheppen van (planologische) mogelijkheden voor windturbines een positieve balans op voor de Planet-kant. Door het oprichten van windturbines kunnen emissies vermeden worden en verduurzaamd de energieproductie. Echter aan de Profit-kant van de balans zijn er nadelen aan het oprichten van turbines, namelijk de turbines kunnen het gebruik van eigen of buurpercelen hinderen. Om de balans te vinden tussen beide aspecten is er in dit verband gekozen om de mogelijkheden voor turbines in het openbaar gebied op het Zeehaven- en Industrieterrein te onderzoeken. Nuon heeft hiervoor in 2011 reeds een verkennend onderzoek voor uitgevoerd en op basis daarvan is een afzonderlijke ruimtelijke procedure doorlopen voor het realiseren van zeven windturbines aan de Westelijke Randweg en de Zuidelijke Randweg. Dit heeft geresulteerd in bestemmingsplan 'Windpark Industrieterrein Moerdijk', vastgesteld op 12 januari 2017.

Tot begin 2014 is de windturbineontwikkeling samen opgelopen met het onderhavige bestemmingsplan Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk en de daarbij behorende milieueffectrapportage. De ontwikkeling van het windpark was opgenomen in de destijds opgestelde stukken. Ook is in het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage d.d. 19 juli 2012 over het op te stellen MER voor het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk al rekening gehouden met het windpark. Op 14 januari 2014 heeft de gemeente ingestemd met een principeverzoek van Nuon waarin de gemeente gevraagd werd mee te werken aan het in procedure brengen van een separaat bestemmingsplan voor Windpark Moerdijk.

Als gevolg van ruimtelijke beperkingen, zoals de ligging van bestaande en geprojecteerde bebouwing, wegen, kabels en leidingen en daarbij behorende beschermingszones is tijdens de onderzoeksfase de conclusie getrokken dat alleen de oostzijde van het industrieterrein onvoldoende mogelijkheden biedt om een windpark te ontwikkelen. Er zijn, rekening houdend met de beperkingen, maximaal zeven windturbines inpasbaar. De locaties van de turbines zijn weergegeven in figuur 4.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0023.png"

Figuur 4.2 Locaties windturbines Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk

In het plangebied bevinden zich momenteel reeds drie windturbines, in figuur 4.2 weergeven als paarse stippen, deze zijn positief bestemd. Het is bij de gemeente bekend dat diverse bedrijven en perceelseigenaren plannen hebben om turbines op eigen terrein te plaatsen. Gelet op de concreetheid van de initiatieven en de bijbehorende onderzoeksverplichtingen is het niet mogelijk gebleken hier een uniforme en adequate regeling voor op te nemen in dit plan. Daarom worden losse initiatieven op hun eigen merites beoordeeld en per geval bekeken. Hierbij geldt ook weer dat zittende of toekomstige bedrijven niet beperkt mogen worden door windturbines van derden.

Hoofdstuk 5 Milieuonderzoek

5.1 Inleiding

Ruimtelijke ordening en milieu zijn twee beleidsvelden die met elkaar te maken hebben, rekening met elkaar moeten houden en elkaar kunnen versterken. Het gemeenschappelijke doel dat aan beide beleidsvelden ten grondslag ligt, is het creëren van een goede kwaliteit van het leefmilieu (de omgevingskwaliteit). Om dit te bereiken geldt voor het bestemmingsplan dat toetsing plaats dient te vinden aan diverse omgevingsaspecten, zoals geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, natuur en water. Dit sluit aan op de beoogde balans tussen people, planet en profit. Aangezien voorliggend bestemmingsplan conserverend van aard is, zijn de milieuaspecten reeds in eerdere trajecten onderzocht en kan volstaan worden met een beperkte milieuparagraaf.

Echter, is vanwege enkele ontwikkelingen sprake van een noodzaak om wel uitgebreide milieuonderzoeken uit te voeren, te weten:

  • 1. Het beschikbaar komen van de restgronden op de voormalige Shell-reserve, deze zijn langere tijd geleden bestemd, maar niet of nauwelijks uitgegeven. Uit jurisprudentie blijkt dat bij het herbevestigen van het kader, dit bestemmingsplan, de milieueffecten weer bekeken dienen te worden. Vanwege de mogelijke activiteiten wordt hiervoor een m.e.r.procedure doorlopen. Zie ook paragraaf 5.12.
  • 2. Intensivering bij bestaande bedrijven in het kader van zuinig ruimtegebruik. Door verhoging van de bebouwingspercentages neemt ook het in potentie bebouwde oppervlakte toe. Ook dit wordt op haar milieugevolgen bekeken via de m.e.r.-procedure.

Er is reeds een aantal onderzoeken uitgevoerd, zoals geluid, en luchtkwaliteit, maar deze worden in het kader van de m.e.r.-procedure verder aangescherpt c.q. aangevuld. Hieronder zijn de conclusies van de uitgevoerde onderzoeken weergegeven.

5.2 Externe veiligheid

In deze paragraaf wordt het uitgebreide onderzoek naar verbetering van de externe veiligheid op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk verkort weergegeven, in 5.2 treft u de hele rapportage. Dit onderzoek gaat over de relatie tussen ruimtelijke ordening en externe veiligheid op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk.

In en om Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk vindt veel opslag, verwerking en vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Conform desbetreffende wet- en regelgeving is door gemeente Moerdijk uitvoerig aandacht besteed aan het aspect externe veiligheid.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risi-covolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die 24 uur per dag op die plaats aanwezig is. In het plangebied bevinden zich geen knelpunten ten aanzien van het plaatsgebonden risico.

Groepsrisico
Waar het plaatsgebonden risico zich richt op de kans dat een individueel persoon slachtoffer wordt, richt het groepsrisico (GR) zich op de kans dat groepen personen slachtoffer kunnen worden van een incident met gevaarlijke stoffen.
Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk met al haar risicobronnen is in het verleden, na uitgebreide planologische afweging, bewust op deze locatie ontwikkeld. Het is een bewuste keuze risicovolle activiteiten op deze locatie te ontwikkelen, mede vanuit externe veiligheidsoogpunt omdat andere industrieterreinen op dichter bevolkte locaties worden ontlast.

Hoogte van het groepsrisico
In en rond het plangebied bevinden zich tientallen risicobronnen. Omdat personendichtheden op het industrieterrein laag zijn, zijn de groepsrisico's van alle afzonderlijke risicobronnen eveneens laag. Het groepsrisico van één risicobron overschrijdt de oriëntatiewaarde. Omdat het onderhavige bestemmingsplan geen hogere personendichtheden toestaat dan het vorige, ontstaat hierdoor ook geen toename van het groepsrisico. Groepsrisicoberekeningen van afzonderlijke risicobronnen leveren echter slechts een beperkt beeld van het risico, het is de (niet te kwantificeren) cumulatie van de vele risicobronnen samen die het risicoprofiel van het Zeehaven- en industrieterrein bepaalt.

Veiligheidsmaatregelen
Om bovenstaande reden zijn op het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk maatregelen genomen om de veiligheid te verbeteren/borgen. Om ongewenste latente saneringssituaties en ongewenste capaciteit voor hoge personendichtheden in de buurt van risicobronnen te voorkomen heeft de gemeente Moerdijk in onderhavig bestemmingsplan gekozen een scheiding aan te brengen tussen risicovolle inrichtingen en 'hoge populatie objecten'. Onder risicovolle inrichtingen worden, naast Bevi-bedrijven ook andere bedrijven verstaan die een relevant risico kunnen veroorzaken.

De veiligheidsmaatregelen die geborgd worden in onderhavig bestemmingsplan zijn:

Externe zonering
Rond het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk wordt een buffer in acht genomen tussen de industrie en de omgeving. Deze wordt als afdoende beschouwd om op effectieve afstand van het industrieterrein Moerdijk in gebouwen te kunnen schuilen in geval van een calamiteit.

Artikel 14-zone 
Rondom het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk wordt een artikel 14 Bevi-zone vastgesteld. Het Bevi biedt via artikel 14 de mogelijkheid om rondom industriegebieden, waarop in het Bevi aangewezen risicobedrijven aanwezig zijn, een zone vast te stellen die tenminste de cumulatieve 10-6-contour van deze bedrijven omvat. De toetsing van het plaatsgebonden risico vindt dan plaats op de zonegrens en niet op individuele objecten of bestemmingen binnen de zone.

Op het industrieterrein zijn ook andere bedrijven aanwezig dan Bevi-bedrijven. Als deze bedrijven een functionele of gebiedsgerichte binding hebben met de andere bedrijven op het industrieterrein of met het industrieterrein als totaal, dan is dit binnen een artikel 14-zone toelaatbaar. Hierdoor is binnen het industrieterrein een diversiteit aan bedrijven mogelijk.

Interne zonering en beperken personendichtheid  
Er wordt een scheiding aangebracht tussen 'hoge populatie objecten' en risicovolle inrichtingen en transportmodaliteiten. Personendichtheden op (bijna) het hele Zeehaven- en industrieterrein worden beperkt door een beleid te voeren waarbij hotspots van personen worden gelimiteerd.

Voor de interne zonering is het plangebied ingedeeld in zes zones. Deze zijn weergegeven in figuur 5.1. In de zones gelden verschillende beperkingen voor de vestiging van risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten.

Zone 5a is een deel van de groenstrook waar zich accomodaties voor een scoutingvereniging, een manege en een hondenschool bevinden. In onderhavig bestemmingsplan worden deze kwetsbare objecten toegestaan. Nieuwe kwetsbare objecten zijn op grond van de analyse externe veiligheid toelaatbaar mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. In dit bestemmingsplan is deze mogelijkheid niet overgenomen omdat er ruimtelijk geen aanleiding voor is (er zijn geen initiatieven bekend voor de groenzone). Eventueel kan buitenplans de afweging gemaakt worden deze functies alsnog toe te staan, mits een motivatie wordt aangeleverd ten aanzien van zelfredzaamheid, het aantal personen waarvoor de voorziening bedoeld is en de aansluiting van de voorziening op het alarmeringssysteem van het industrieterrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0024.png"

Figuur 5.1: Interne zonering risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten


De maatregelen zijn per zone weergegeven in tabel 5.1.

Tabel 5.1: Restrictiebeleid risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0025.png"

Conclusie
Er wordt voldaan aan de wettelijke eisen voor het plaatsgebonden risico. Ten behoeve van de verantwoording van het groepsrisico zijn in een brede projectgroep (gemeente, provincie, milieu-dienst, havenbedrijf Moerdijk, veiligheidsregio en bedrijvenkring) veiligheidsmaatregelen samengesteld, deze zijn in tabel 5.1 uiteengezet.

5.3 Geluid

Geluid vanwege weg en spoorverkeer
Voor het aspect geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) het wettelijke kader. In deze wet is onder ander vastgelegd welke geluidsniveaus op de gevel van woningen, ten gevolge van stedelijk verkeer, maximaal toelaatbaar zijn. Verder is in de Wgh vastgelegd op welke wijze ontheffing kan worden verkregen bij overschrijding van bepaalde waarden.

Geluidzonering
Rondom het industrieterrein is een geluidzone vastgesteld (zie figuur 5.2). Deze zone begrenst het gebied waarbuiten het cumulatieve geluidsniveau ten gevolge van bedrijvigheid op het industrieterrein lager dan 50 dB(A) moet zijn. De geluidzone zelf is in het verleden vastgesteld en verandert niet ten gevolge van dit bestemmingsplan. De geluidzone ligt, behoudens een zeer klein deel in het zuiden en oosten van het plangebied, buiten de begrenzingen van het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0026.png"

Figuur 5.2 Overzicht gezoneerd terrein en ligging zone ( 50 dB(A)

Dat buiten de geluidzone, bijvoorbeeld ten gevolge van de komst van nieuwe bedrijven, geen overschrijding van de geluidnormen plaatsvindt wordt bewaakt via een geluidbeheerplan. In het geluidbeheerplan is de geluidemissie van bestaande bedrijven opgenomen alsmede geluidcapaciteit van nog uit te geven percelen. Met deze geluidcapaciteit kunnen de bestemmingen zoals in dit plan zijn toegedeeld, worden ingevuld.

Akoestisch onderzoek
Binnen de m.e.r.-procedure (zie 5.12 en Bijlage 3 Milieueffectrapport) dient aandacht te worden besteed aan de akoestisch relevante zaken. Door Cauberg-Huygen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd d.d. 23 juni 2017, zie Bijlage 8 Akoestisch onderzoek. De invloed van de activiteiten op de (woon-)omgeving is hierin in beeld gebracht en planologisch beoordeeld. Tevens worden de inzichten van het Havenbedrijf over de invulling van activiteiten over een periode van tien jaar geïnventariseerd en akoestisch vertaald.

5.4 Bodem

Op basis van het bodembeheersplan is de bodemkwaliteit van het plangebied vastgesteld. In het bodembeheerplan is onder andere de visie van de gemeente met betrekking tot het beheer en de bescherming van de bodem uitgewerkt. In relatie daarmee is bovendien de wisselwerking tussen bodembeheer en ruimtelijke ordening beschreven.

In het bodembeheersplan is aangegeven waar als gevolg van natuurlijke afzettingen dan wel door menselijk ingrijpen verontreinigingen op regionale schaal voorkomen. De diffuse bodemkwaliteit van het industrieterrein is klasse industrie en is geschikt voor het toegestane gebruik. De diffuse bodemkwaliteit is de kwaliteit die van nature aanwezig is of veroorzaakt is door decennia lang menselijk handelen. Wel zijn er enkele gevallen van ernstige dan wel zeer ernstige en urgente lokale bodemverontreiniging in het gebied aanwezig. Lokale bodemverontreinigingen zijn bron- of punt verontreinigingen die van verschillende oorsprong kunnen zijn. De verontreinigingen kunnen bijvoorbeeld veroorzaakt zijn door bedrijfsmatige activiteiten of door calamiteiten.

Aangegeven is dat deze locaties niet nader onderzocht hoeven te worden omdat het bestemmingsplan overwegend een conserverend karakter heeft. De bestaande bestemmingen, bebouwing en functies in het gebied worden grotendeels gehandhaafd en overeenkomstig de huidige situatie geregeld in het bestemmingsplan. Er is geen sprake van nieuwbouw en er bestaat geen noodzaak om bodemonderzoek uit te voeren, naast de onderzoeken die reeds zijn uitgevoerd voor Chemie-Pack.

Als gevolg van de brand bij Chemie-Pack zijn hoeveelheden chemicaliën en bluswater, verontreinigd met chemicaliën, verspreid in de omgeving van Chemie-Pack. Als gevolg van dit ongewone voorval is de bodem van Chemie-Pack en omgeving aangetast met verontreinigende stoffen. Het betreft een cocktail van chemicaliën. Doelstelling van de grond- en grondwatersanering (hierna: ”bodemsanering”) is het zoveel redelijkerwijs mogelijk ongedaan maken van de gevolgen van de brand (ongewoon voorval). De beoogde eindsituatie voor de bodem is het bereiken van een stabiele eindsituatie in de bodem, waarbij geen onaanvaardbare risico’s meer aanwezig zijn voor mens, milieu en verspreiding van de door de brand ontstane verontreinigingen. Hierdoor kan het terrein in gebruik blijven voor industrie.

5.5 Luchtkwaliteit

Wet- en regelgeving en beleid
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm), ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd, vormt de kapstok voor de Nederlandse wet- en regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Hierin is geregeld dat bij een besluit het bestuursorgaan rekening houdt met de luchtkwaliteit. Daarbij is toetsing aan de grenswaarden van belang.

Het project is niet opgenomen in het (onlangs verlengde) Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt plaats op basis van de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het zogeheten Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium. Dit laatste houdt in dat de luchtkwaliteit alleen hoeft te worden beoordeeld op plaatsen waar significante blootstelling van mensen plaatsvindt.

Grenswaarden
De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. De grenswaarden voor de NO2- en PM10- en PM2,5-concentraties zijn in tabel 5.2 weergegeven.

Tabel 5.2: Overzicht grenswaarden luchtverontreinigende stoffen

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0027.png"

De grenswaarden vertegenwoordigen het niveau waaronder geen onacceptabele gezondheidseffecten of onaanvaardbare nadelige milieueffecten optreden als gevolg van de heersende concentraties aan luchtverontreiniging. Uit (landelijke) meetgegevens blijkt dat een overschrijding van de 24-uursgemiddelde van NO2, behalve in uitzonderlijk drukke stadssituatie, in Nederland al lang niet meer aan de orde is. Omdat ook in de situatie van het industriegebied Moerdijk de uurgrenswaarde geen rol speelt, is dit in het luchtonderzoek buiten beschouwing gelaten. De analyse en beoordeling vindt plaats op basis van jaargemiddelde concentraties.

Effect
Het effect van de ontwikkeling kan worden afgelezen uit de contouren van de immissieconcentraties. De grootste toenames van immissieconcentraties treden op ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving, met zeer lokaal op het industrieterrein toenames van maximaal ongeveer 6 µg/m3. Bij de woonkernen is de toename kleiner (minder dan 1,2 µg/m3). In alle gevallen wordt ruimschoots aan de normen voldaan.

De effecten van de voorgenomen verdere ontwikkeling van het Industrieterrein op de concentraties van fijn stof (PM10) zijn voor het gevolg van de emissies vanaf het terrein zelf en minder als gevolg van de emissies door verkeer. De hoogste immissieconcentraties treden volgens de modelberekeningen op ter plaatse van het industrieterrein en direct langs de autosnelwegen met de hoogste verkeersintensiteiten.

Het aspect luchtkwaliteit heeft geen concrete gevolgen voor de bestemmingsregeling. Voor de complete rapportage van het luchtonderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3 Milieueffectrapport.

5.6 Water

In opdracht van de gemeente Moerdijk heeft Antea Group het proces van de watertoets doorlopen ten behoeve van de herziening van het bestemmingsplan voor het industrieterrein Moerdijk. De knelpunten en aandachtspunten ten aanzien van de waterhuishouding zijn geïnventariseerd. In de rapportage 'Toelichting op de Watertoets Industrieterrein Moerdijk' (Antea Group, september 2016) zijn de huidige en toekomstige situatie, het beleid en de randvoorwaarden beschreven. Hieronder zijn beknopt de belangrijkste aspecten beschreven.

Algemeen
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is afgesproken dat water een medesturend aspect is binnen de ruimtelijke ordening en dat het watersysteem ‘op orde’ moet worden gebracht. Dit betekent dat het watersysteem robuust en veerkrachtig moet zijn en moet voldoen aan de normen voor wateroverlast, nu en in de toekomst. In het Nationaal Bestuursakkoord Water-actueel (2008) is wederom afgesproken om het Watertoetsproces te doorlopen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten van rijk, provincies en gemeenten.

De watertoets dient te worden toegepast op nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. Als een gemeente een ruimtelijk plan wil opstellen, stelt zij de waterbeheerder vroegtijdig op de hoogte van dit voornemen.

Door middel van de 'watertoets' wordt in een vroeg stadium van het ontwerpproces overleg gevoerd met de waterbeheerders om wat betreft het water tot optimale afstemming te komen. Hiervoor is een onderzoek naar de waterhuishouding uitgevoerd (Toelichting op de watertoets Industrieterrein Moerdijk, Antea Group projectnr. 176207, september 2016), waarbij de waterbeheerders ook zijn betrokken. Voor een volledige analyse en beschrijving van waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied en omgeving wordt verwezen naar dit onderzoek. In deze paragraaf is een samenvattende tekst opgenomen.

Huidige situatie
Het plangebied bestaat uit het industrie- en havengebied Moerdijk dat langs het Hollandsch Diep ligt. Het watersysteem bestaat voornamelijk uit het Hollandsch Diep aan de noordzijde van het terrein en vier insteekhavens, die hieraan liggen. Het industrieterrein heeft een oppervlak van ongeveer 2.350 hectare. Een deel van het plangebied is buitendijks gelegen en een deel van het gebied is binnendijks gelegen. Het maaiveld ligt tussen NAP -1 en NAP +5 m. Een primaire waterkering scheidt het industrieterrein van de bufferzone die aan de oost-, zuid- en westzijde om het industrieterrein ligt. De oostelijke insteekhaven, genaamd Roode Vaart, passeert de primaire waterkering door middel van een schutsluis.

Binnen het industrieterrein zijn diverse waterlopen aanwezig, zowel categorie A-waterlopen, als B- en C-waterlopen. De waterlopen welke buitendijks zijn gelegen wateren uiteindelijk af op het Hollandsch Diep. De waterlopen welke binnendijks zijn gelegen zijn aangesloten op het regionale watersysteem.

In het plangebied ligt een afvalwatertransportleiding (rioolpersleiding) van waterschap Brabantse Delta en Havenbedrijf Moerdijk. De persleiding loopt vanaf de kern Moerdijk richting het westen naar persstation Moerdijk en voert uiteindelijk af naar de zuivering in Bath (RWZI). De rioolpersleiding heeft een zakelijk rechtstrook van 2 m aan beide zijde van de leiding.

Toekomstig watersysteem
Het industrieterrein wordt bij herinrichting uitgevoerd met een verbeterd gescheiden rioolstelsel of gelijkwaardig. Het afvalwater wordt behandeld conform de voorkeursvolgorde uit de Wet Milieubeheer. Bij lozingen op oppervlaktewater is mogelijk een vergunning van de waterbeheerder of melding bij de waterbeheerder benodigd. Aangezien het industrieterrein reeds is voorzien van een gescheiden rioolstelsel en verbeterd gescheiden rioolstelsel is er geen sprake van afkoppelen van verhard oppervlak.

Rioolpersleiding
Voor werkzaamheden binnen de beperkende strook (zakelijk rechtstrook) mogen geen werken worden uitgevoerd die de veiligheid, continuïteit of de ongestoorde werking van het eigendom kunnen schaden of in gevaar kunnen brengen zonder schriftelijke overeenkomst met het waterschap/Havenbedrijf.

Waterkeringen
Voor toekomstige herinrichting van het plangebied, zoals het aanpassen van de riolering, is het nodig om werkzaamheden te verrichten binnen de beschermingszones van primaire waterkeringen. Als deze ontwikkelingen plaatsvinden in, op, onder of naast één van de waterkeringen of binnen de beschermingszones dan wordt hiervoor een vergunning aangevraagd of melding gedaan in het kader van de Waterwet bij waterschap Brabantse Delta.

Voor de realisatie van Windpark Industrieterrein Moerdijk, bestaande uit zeven turbines (vijf turbines langs de Westelijke Randweg en twee turbines langs de Zuidelijke Randweg), wordt een aparte bestemmingsplanprocedure doorlopen. Deze planologische ontwikkelingsmogelijkheden worden overgenomen in het bestemmingsplan Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk. Drie voorgenomen windturbines zijn (deels) gelegen in de beschermingszone van een waterkering. De beheerder van de waterkering, het Waterschap Brabantse Delta heeft een positief advies gegeven op het ontwerpbestemmingsplan. Voor de windturbineontwikkeling wordt een watervergunning aangevraagd in het kader van de Waterwet bij waterschap Brabantse Delta.

Waterkwaliteit
Indien er op het industrieterrein nieuwe watergangen aangelegd worden, dan moet er rekening mee gehouden worden dat deze een goede doorspoelbaarheid hebben (geen doodlopende watergangen). Het waterschap Brabantse Delta heeft bij de aanleg van nieuwe watergangen in de bufferzone er de voorkeur voor dat deze van natuurvriendelijke oevers voorzien worden.

De aanleg van een verbeterd gescheiden stelsel en het afkoppelen van verhard oppervlak zorgen ervoor dat er minder vaak riooloverstorten plaats vinden. Hierdoor wordt de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater verbeterd. Bovendien zorgt het ervoor dat er meer doorstroming in de watergangen plaats vindt, wat eveneens de waterkwaliteit ten goede komt.

Voor de waterkwaliteit is het van belang dat de bestaande en toekomstige bebouwing geen uitlogende materialen bevatten. Er moet ook voor zorg voor gedragen worden dat er geen milieuvervuilende materialen en stoffen in het oppervlaktewater terecht komen.

Waterkwantiteit
In het buitendijks gelegen deel van het plangebied wordt bij toename van verhard oppervlak geen retentie geëist door het waterschap indien wordt aangetoond dat de ontvangende waterlopen voldoende bergings- en afvoercapaciteit hebben. Indien er in het binnendijkse gebied sprake is van meer dan 2.000 m2 nieuw verhard oppervlak dient 60 mm berging per m2 toename verhard oppervlak worden gerealiseerd.

Conform de Beleidslijn Grote Rivieren valt het buitendijks gelegen gebied van het industrieterrein Moerdijk grotendeels onder gebieden waar paragraaf 6 van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (artikel 6.16 van het Waterbesluit). Dit zijn gebieden die weliswaar deel uitmaken van het rivierbed, maar waar geen vergunningplicht op rust. Deze gebieden zijn uitgesloten van de toetsing aan de Beleidslijn Grote Rivieren. Niettemin wordt geadviseerd nieuwe ontwikkelingen in deze gebieden wel voor te leggen aan het bevoegd gezag: Rijkswaterstaat.

Aan- en afvoer
Voor de oppervlaktewateren geldt dat het huidige oppervlaktewatersysteem in stand gehouden moet worden (geen dempingen of nieuwe verbindingen), inclusief de bescherming van aanwezige infrastructuur. Voor verschillende werkzaamheden in- op of nabij waterlopen en waterkeringen is een watervergunning of melding benodigd bij de waterbeheerder in het kader van de Waterwet.

Voor lozingen, onttrekkingen aan- of afvoer van of naar het oppervlaktewater van 100 m3/uur of meer moet een Watervergunning (Waterwet) aangevraagd worden. Voor lozingen, onttrekkingen aan- of afvoer van of naar het oppervlaktewater tussen 50 en 100 m3/uur moet vooraf een melding gedaan worden. Voor de beschermde gebieden conform de Keur van waterschap Brabantse Delta geldt dat voor deze handelingen altijd een vergunning nodig is.

Beheer en Onderhoud
De leggerwatergangen, moeten onderhouden worden zoals in de legger is opgenomen. Dit betekent dat er rekening gehouden moet worden met een aantal eisen voor de categorie A-waterlopen:

  • Afrastering voor beweiding aangrenzende gronden minimaal 0,50 m uit de insteek van de watergang en maximaal 1,20 m hoog;
  • Obstakelvrije onderhoudszone van 4 m en bij verankerde damwanden of keermuren 5 m;
  • Bebouwingsvrije strook van 5 m;
  • Ontvangstplicht aanliggende grondeigenaren of gebruikers.

Het Hollandsch Diep is een rijkswater en wordt onderhouden door Rijkswaterstaat. De insteekhavens worden echter door het Havenbedrijf Moerdijk gebaggerd en onderhouden.

Als binnen de plangrenzen nieuw oppervlaktewater wordt aangelegd moet bepaald worden wie dit gaat onderhouden. Wanneer overdracht van het onderhoud plaatsvindt aan het waterschap dient het oppervlaktewater te voldoen aan de "beleidsregel waterlopen op orde" van waterschap Brabantse Delta.

Grondwater
Het industrieterrein is gezien de bodemopbouw en het gebruik van het terrein niet geschikt voor infiltratie van hemelwater. Voor eventuele onttrekkingen van grondwater is een melding of vergunning in het kader van de Waterwet benodigd.

Vergunningen
Wanneer nieuwe bedrijvigheid overslag op het Hollandsch Diep of de insteekhavens vereist, zijn hiervoor mogelijk aanvullende voorwaarden en vergunningen benodigd.

Wanneer werkzaamheden in- op of nabij waterlopen en waterkeringen plaatsvinden is een watervergunning of melding benodigd in het kader van de Waterwet. De aanvraag van de vergunning of melding dient bij de betreffende waterbeheerder (waterschap Brabantse Delta of Rijkswaterstaat) gedaan te worden. Daarnaast is voor verschillende onttrekkingen en lozingen op het oppervlaktewater en grondwater tevens een melding of vergunning benodigd in het kader van de Waterwet.

5.7 Ecologie

Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijk ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de Natuurtoets wordt niet ingegaan op de Boswet.

Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving.

Deze paragraaf beschrijft de in en rond het plangebied aanwezige natuurwaarden met bijzondere aandacht voor de dier(- en plant)soorten die een beschermde status genieten ingevolge de Wnb. De beschrijving is gebaseerd op de natuurtoets van 30 januari 2017. Het onderzoeksgebied bestaat uit het plangebied en de directe omgeving, tot zover de ontwikkeling mogelijk effect heeft op de te beschermen waarden.

Gebiedsbescherming
NatuurNetwerk Nederland/ Brabant
Het NatuurNetwerk Brabant (NNB, onderdeel van de NNN) is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden; de Natura 2000-gebieden maken daar deel van uit. Naast de Natura 2000-gebieden bevat het NNN/ NNB ook overige leefgebieden van soorten en – om isolatie te voorkomen - gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het NNN/ NNB is onderdeel van het actieve beleid om bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De natuurgebieden die behoren tot het NNN/ NNB en hun functies worden planologisch beschermd, hier geldt het ‘nee, tenzij’- principe. De planologische bescherming betekent in het kort dat geen nieuwe bestemmingen worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het NNN/ NNB. Hieraan wordt getoetst bij de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk is omgeven door groene begeleidingszones met landschappelijke waarden. Aan de oostzijde omvat deze groene 'lijst' het bosgebied van Moerdijk (De Appelzak), het moerasgebied ten oosten van de Roode Vaart en het bos bij Lochtenburg, die allen beleidsmatige bescherming genieten als onderdeel van het NNN/ NNB. De groene begeleidingszone tussen het industrieterrein en Klundert maakt onderdeel uit van de groenblauwe mantel.

Aan de noordzijde van het plangebied en in het plangebied ligt het Hollandsch Diep. Het Hollandsch Diep maakt deel uit van het NNN/ NNB.

Verder is langs de Roode Vaart, de Zuidelijke Randweg en richting en de westelijk gelegen groene begeleidingszone een zoekgebied voor een ecologische verbindingszone gelegen.

Het bestemmingsplan is conserverend van karakter en er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De ecologische verbindingszone is als aanduiding opgenomen in het bestemmingsplan.

Natura 2000
Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en / of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Indien op voorhand significante effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een Passende beoordeling opgesteld te worden.

Soortenbescherming
In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën:

  • 1. soorten van de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn;
  • 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’).

De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving.

Soorten van de Vogelrichtlijn
Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding (zie artikel 3.1 in tekstkader in de Bijlage).

Soorten van de Habitatrichtlijn
Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod op om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden.

Andere soorten
Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wnb, zie ook Bijlage tabel C en D van de Natuurtoets. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan.

Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt, verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het voornemen gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie.

Onderzoek
Hieronder is een samenvatting gegeven van conclusies van de Natuurtoets. Voor een volledige beschrijving en toetsing van de aanwezige waarden wordt verwezen naar de bijlagen.

Het resultaat van de natuurtoets is dat in het plangebied verschillende bijzondere en beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn. De aanwezige natuurwaarden zijn waarden die zijn aangepast aan de lokale omstandigheden op het industrieterrein. De broedende meeuwen, de vaste verblijfplaatsen van vogels en de functie van het gebied voor vleermuizen zijn ook in de toekomst binnen het bestemmingsplangebied gewaarborgd. Uit deze natuurtoets is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied :

  • Flora – groenknolorchis (grote lokale groeiplaats);
  • Zoogdieren – vleermuizen, bunzing, hermelijn, wezel (mogelijk).
  • Algemene broedvogels (kolonies en nestplaatsen)
  • Jaarrond beschermde nestplaats (buizerd);

In onderstaande tabel worden de soorten weergeven die in het plangebied aanwezig zijn en mogelijk worden aangetast.

Tabel 5.3: aanwezige soorten in het plangebied die mogelijk worden aangetast

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0028.png"

Conclusie
Soortenbescherming
Voor de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt is een ontheffing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Groeiplaatsen van de groenknolorchis worden aangetast, een strikt beschermde Habitatrichtlijnsoort waarvoor een ontheffingsprocedure doorlopen moeten worden. Dit geldt eveneens voor de kleine marterachtige, die vanaf 1-10-2017 bescherming genieten als ‘andere soort’ onder de Wet natuurbescherming in de provincie Noord-Brabant.

Gebiedsbescherming
Er is geen sprake van aantasting van het NNN-gebied. Ook heeft de planontwikkeling geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland buiten het plangebied.

5.8 Archeologie

Conform artikel 38a, lid 1, van de Monumentenwet 1988, gewijzigd met de inwerkingtreding van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz in 2007), zijn gemeenten verplicht bij de opstelling van bestemmingsplannen rekening te houden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten.

Bureauonderzoek (2014)
In opdracht van de Gemeente Moerdijk heeft IDDS Archeologie in november 2014 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de Zeehaven/Industrieterrein bij Moerdijk, gemeente Moerdijk. De aanleiding voor dit onderzoek is de actualisatie van het bestemmingsplan en de inpassing daarin van het archeologisch beleid. In eerder uitgevoerde onderzoeken door Oude Rengerink/Tolsma/Vissinga (2008) en Groot/Wilbers/Lorenz (2013) is reeds een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld, echter daarbij is het onzeker wat:

  • de diepteligging is van het pleistocene zandniveau;
  • de diepteligging is van archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd;
  • de exacte mate van ophoging is van het industriegebied.

Op basis van de analyses die gedaan zijn in dit bureauonderzoek blijkt dat aan de archeologische verwachtingen van de eerdere onderzoeken niet veel verandert. Het plangebied ligt in een gebied waar op twee niveaus archeologische resten kunnen voorkomen. Diep in de ondergrond gaat het om vindplaatsen van kampementen uit het Paleolithicum en het Mesolithicum en op het maaiveld van voor de ophoging om bewoningslocaties uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd (tot ongeveer 1970). De diepteligging van deze vindplaatsen is echter veel nauwkeuriger in beeld gebracht. Uit bijlage 9 blijkt dat het pleistocene oppervlak met daarop de mogelijke archeologische vindplaatsen uit het Paleolithicum en het Mesolithicum gevonden kan worden op een diepte van 6,0 tot 15,0 m –mv. Daarbij geldt de hoogste verwachting voor de hoogste en dus ondiepst gelegen delen.

De oude erven die weergegeven zijn op de verwachtingenkaart van de gemeente Moerdijk, komen overeen met de hoogste verwachtingen voor de resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Op basis van een vergelijking van de verschillende hoogtemodellen zouden deze archeologische vindplaatsen kunnen voorkomen op een diepte van 0,5 tot 3,0 m -mv indien ze oorspronkelijk lagen op kunstwerken en op een diepte van 4,0 tot 6,5 m indien ze lagen op het oude maaiveld. Door de ophoging heeft echter in het plangebied ook een flinke hoeveelheid compactie plaatsgevonden. Door deze compactie zijn de vindplaatsen dieper weggezakt en mogelijk ook verstoord geraakt. Het is niet mogelijk te bepalen hoe veel compactie heeft plaatsgevonden, maar aangenomen kan worden dat het gaat om enkele meters en dat daarmee de vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd in het meest gunstige geval voor komen op een diepte van 2,0 tot 4,0 m, maar waarschijnlijk dus nog dieper.

Conclusie
Op basis van het onderzoek kan voor het plangebied worden gesteld dat ter plaatse van de oude erven pas archeologisch onderzoek gewenst is als de geplande bodemingrepen dieper zullen reiken dan 2,0 m –mv. Voor archeologische resten uit het Paleolithicum en het Mesolithicum geldt dat archeologisch onderzoek pas wenselijk is bij verstoringen dieper dan 6,0 m –mv.

De Archeologische beleidskaart van de gemeente Moerdijk is de door de gemeenteraad vastgestelde topografische kaart van het gemeentelijk grondgebied waarop de aanwezige archeologische waarden en verwachting op archeologische waarden in zones inzichtelijk zijn gemaakt en verbonden zijn aan beleidsregels. Op de beleidskaart worden delen van het plangebied ingedeeld in archeologisch beleidsgebied 4, waarbij archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlakte groter dan 90 m², en archeologisch beleidsgebied 6, waarbij archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen die dieper gaan dan 50 cm onder maaiveld en met een omvang groter dan 250 m².

Bij oveschrijding van deze waarden dient een archeologisch onderzoeksrapport conform de vigerende KNA overlegd te worden waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van de bevoegde overheid in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd en de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad of vastgelsteld wordt dat er in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

5.9 Cultuurhistorie

Algemeen
In de Nota belvedère staat de instandhouding, versterking en verder ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit bij ruimtelijke aanpassingen centraal. Hiertoe wordt een ontwikkelingsgerichte benadering voorgestaan, die bestaande kwaliteiten als vertrekpunt hanteert en deze combineert met een beschrijving van de recente cultuurgeschiedenis, dynamiek en ontwikkelingspotenties van een gebied. Het plangebied is niet gelegen in een gebied aangewezen binnen de Nota belvedère.

Zoals in de structuurvisie is aangegeven wordt de belangrijkste cultuurhistorische waarde in de gemeente gevormd door het vestingstadje Willemstad, dat daarom een beschermd stads- en dorpsgezicht heeft. Ook de fortificatie van Klundert is fraai. In de gemeente liggen daarnaast enkele forten die deel uitmaken van de Zuiderwaterlinie: van west naar oost zijn dit Fort Sabina-Henrica, Fort De Hel en Fort Bovensluis. De eerste twee zijn nog duidelijk als fort herkenbaar, terwijl Fort Bovensluis momenteel in gebruik is als camping.

Het gebied rondom Willemstad, bestaande uit onder meer de Sint Antoniegorzen, Polder Ruighil en de Buitengorzen aan het Hollandsch Diep, vormt een cultuurhistorisch waardevol gebied, zie figuur 5.3 (bron: Verordening ruimte 2014), omdat het onderdeel is van de Zuiderwaterlinie. De provincie zet in op planologische bescherming van deze waarden/kenmerken. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant staat daartoe een gebied aangegeven als cultuurhistorisch waardevol gebied. Dit vlak ligt buiten het onderhavige bestemmingsplan.

Het gebied langs het westelijk deel van de Mark/Dintel is aardkundig waardevol. In de gemeente zijn tenslotte verschillende Rijksmonumenten aanwezig en enkele complexen die van cultuurhistorisch belang zijn. Geen van deze gebieden ligt in het plangebied van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0029.png"

Figuur 5.3: cultuurhistorische waardenkaart Verordening ruimte 2014


Aanwezig waarden in en nabij het plangebied
De op figuur 5.3 aangegeven schootvelden liggen buiten het plangebied. Het gebied dat in de Ruimtelijke Verordening van de provincie is aangeduid als cultuurhistorisch vlak ligt buiten dit bestemmingsplan. Het aspect cultuurhistorie heeft geen concrete gevolgen voor de bestemmingsregeling.

5.10 Geur

Het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk kent een inwaartse zonering waarbij rekening is gehouden met afstanden tot de woonomgeving nabij het plangebied. Deze zonering is gebaseerd op de systematiek van de uitgave bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Deze systematiek gaat uit van het voorkomen van hinder door milieubelastende activiteiten door voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. Wanneer aan de richtafstanden uit de VNG-uitgave wordt vol dan kan ervan worden uitgegaan dat de activiteiten planologisch inpasbaar zijn. De VNG-uitgave geeft afstanden op basis van verschillende milieuaspecten, waaronder geur. Op basis van de toegestane activiteiten in het plangebied en de gehanteerde milieuzonering wordt aan de afstanden van de VNG voldaan en kan ervan worden uitgegaan dat het industrieterrein vanuit het aspect geur geen hinder geeft op de woonomgeving. Wel is bekend, dat er ondanks dat de minimale milieuafstanden uit de VNG-lijst worden gerespecteerd en de omgevingsvergunningen actueel en adequaat zijn, er regelmatig geurhinder optreedt in Moerdijk-dorp. De klachten voeren vaak voort uit incidenten / excessen bij de bedrijven. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden deze incidenten te voorkomen. De werkgroep klachtafhandeling, waarin medewerkers van het RMD, het Havenbedrijf en de gemeente zitting hebben, houdt zich bezig met de behandeling van de klachten. Een van de genomen maatregelen is het plaatsen van zogeheten eNoses (‘elektronische neuzen’), die bijdragen aan het opsporen van oorzaken van geurhinder en het terugdringen van het aantal klachten. In zoverre van toepassing worden de richtlijnen voor geurnormen meegenomen bij de bedrijven via de vergunningen in kader van Wet milieubeheer en/of een Algemene maatregel van Bestuur (AmvB).

5.11 Kabels en leidingen

In en rond het plangebied liggen meerdere buisleidingen waar gevaarlijke stoffen door vervoerd worden. Een gedeelte van deze leidingen ligt in een nationale buisleidingenstrook ten westen van het plangebied en een gedeelte ligt verspreid over het industrieterrein. De globale ligging van de leidingen en de buisleidingenstrook is weergegeven in figuur 5.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0030.png"

Figuur 5.4: ligging buisleidingenstrook (brede gearceerde lijn) en leidingen


Nationale buisleidingenstrook
In het westelijk deel van het plangebied is sprake van een nationale leidingenstrook. Onder een buisleidingenstrook wordt verstaan een doorgaande strook met een breedte van 50 tot 200 meter, die als zodanig is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan en daardoor planologisch is bestemd voor het leggen van buisleidingen. Bij een dergelijke buisleidingenstrook behoort een veiligheidsgebied (breedte 55 meter aan weerszijden van de strook).

In deze strook ligt een buisleidingenstraat. Dit betreft een gereserveerde buisleidingenstraat, waarin reeds hogedruk aardgastransportleidingen, brandstofleidingen en leidingen met toxische stoffen zijn gelegen. Deze buisleidingenstraat is nog niet helemaal gevuld, waardoor er nog ruimte is voor toekomstige leidingen. De buisleidingenstraat is een verbijzondering van een buisleidingenstrook.

Gevaarlijke stoffen
Ter hoogte van het Tradepark ligt de Pijpleiding Rotterdam Beek (PRB). Doel van de PRB is het vervoer van vloeibare koolwaterstoffen zoals Nafta en gascondensaat (medium brandbare vloeistoffen K1). De diameter van de leiding is 8 inch en heeft een ontwerpdruk van 80 bar. Het beginpunt van de leiding ligt in de Rotterdamse Haven en het eindpunt op het complex van de chemische industrie Chemelot in de gemeente Sittard-Geleen.

In het zuidelijk deel van het plangebied, ten zuiden van de A17, ligt een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie.

Deze leidingen voor gevaarlijke stoffen en bijbehorende zakelijk rechtstrook (10 meter) zijn opgenomen op de verbeelding.

Waterleiding
In het plangebied liggen in de meest zuidwestelijke hoek een tweetal waterleidingen van Evides. Deze waterleidingen liggen parallel aan elkaar en bijbehorende zakelijk rechtstroken (5 meter aan weerszijden) zijn opgenomen op de verbeelding.

Rioolleiding
Vanaf Moerdijk, richting Roode Vaart en de Zuidelijke Randweg ligt een rioolleiding van het Havenbedrijf en het Waterschap. Deze rioolleiding en bijbehorende zakelijk rechtstrook (5 meter) is opgenomen op de verbeelding.

Hoogspanningsverbinding
In het plangebied lopen drie bovengrondse hoogspanningsverbindingen, namelijk de 150 kV-verbinding
Geertruidenberg-Moerdijk, de 150 kV-verbinding Roosendaal-Moerdijk en de 380 kV-verbinding Geertruidenberg-Kreekrak. Er loopt tevens een ondergrondse 150 kV-verbinding, ten behoeve van afvalverwerkingsbedrijf Attero. Voor de bovengrondse 150 kV-leidingen geldt een zakelijk rechtstrook van 25 m aan weerszijden van het hart van de leiding. Voor de 380 kV-leiding geldt een zakelijk rechtstrook van 30 m aan weerszijden van het hart van de leiding. Voor de ondergrondse 150 kV-leiding geldt een zakelijk rechtstrook van 5 m aan weerszijden van het hart van de leiding. De ondergrondse en bovengrondse leidingen en bijbehorende zakelijk rechtstroken worden afzonderlijk opgenomen op de verbeelding.

De belemmeringstrook is daarbij planologisch van belang en als zodanig opgenomen als dubbelbestemming in onderhavig bestemmingsplan. Het Rijk adviseert geen gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen) te realiseren in de indicatieve zone. Dat is in onderhavig plan ook niet aan de orde. Daarnaast geldt volgens artikel 5.5 van de veiligheidsvoorschriften “Voor werken in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningverbingen beheerd door TenneT TSO B.V., dat de opstallen, werken en/of het terrein in de belaste strook (= een in aktes van zakelijk recht, overeenkomsten, gevestigde zakelijke of persoonlijke rechten en/of toestemmingen genoemde of omschreven strook grond of water en de zich boven deze strook bevindende ruimte) niet mogen worden gebruikt voor de opslag van brandgevaarlijke, brandbare of explosieve materialen.

Conclusie
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aanwezige kabels en leidingen geen belemmeringen opleveren voor onderhavig plan. Wel dienen de tracés met bijbehorende zakelijke rechtzones juridisch verankerd te worden door middel van de belemmeringenstrook (zie 5.2 Externe veiligheid).

5.12 M.e.r.-regelgeving

Inleiding
De actualisatie van het bestemmingsplan voor Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk vereist het doorlopen van een m.e.r.-procedure om drie redenen:

  • Het bestemmingsplan is kaderstellend voor de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden van een aantal industriële activiteiten uit categorie C en D van de bijlage bij het Besluit MER. Dit leidt tot een Plan-m.e.r.-plicht.
  • Als gevolg van de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden van industriële activiteiten binnen het bestemmingsplan zijn significant negatieve effecten op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden vooraf niet uit te sluiten. In een passende beoordeling wordt onderzocht of er aantasting van de natuurlijke kenmerken, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een gebied kan worden verwacht. Uit de eis voor het opstellen van een passende beoordeling vloeit voort dat er ook een plan-m.e.r.-procedure doorlopen dient te worden.
  • Op basis van de D-lijst van het Besluit m.e.r. (D 11.3) is voor de ingebruikname van de restgronden van het terrein een m.e.r.-beoordelingsplicht. Omdat er reeds een plan-m.e.r.-plicht geldt, leidt de m.e.r.-beoordelingsplicht van de industriële ontwikkelingsmogelijkheden tot een project-m.e.r.-plicht. De gemeente Moerdijk heeft ervoor gekozen om een gecombineerde plan-/project-m.e.r.-procedure te doorlopen.

Een milieueffectrapport (MER) geeft inzicht in de (mogelijke) milieueffecten van een voorgenomen activiteit (voornemen). Door deze milieueffecten in een vroeg stadium in beeld te brengen is het mogelijk om verschillende alternatieven en/of varianten af te wegen en keuzes te maken. Hierdoor krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de bestemmingsplanprocedure.

Voornemen en alternatieven
Voornemen
Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk is een industrieterrein met een uniek vestigingsklimaat, waar bedrijven zich kunnen vestigen die op steeds minder plekken in Brabant terecht kunnen. Daarnaast is het belangrijk dat de ruimtelijke mogelijkheden voor de economische activiteiten in balans zijn met de omgeving. De doelstelling voor het terrein is daarom als volgt:

  • een duurzame relatie tussen het industrieterrein en de omgeving, waarbij de ruimtelijke mogelijkheden voor economische ontwikkeling in harmonie zijn met de leefkwaliteit van de omgeving (balans tussen people, planet, profit als leidend kader);
  • het industrieterrein dient op lange termijn geschikt te blijven voor het type bedrijvigheid, waar het voor is bedoeld: omvangrijke bedrijven met behoefte aan milieuruimte en diep vaarwater.

Alternatieven
De basis van de milieueffectenbeoordeling is het vigerend ruimtelijk beleid en de milieuregelgeving. Onbekend is in hoeverre in de planperiode van het bestemmingsplan gebruik wordt gemaakt van de ontwikkelingsmogelijkheden voor (industriële) bedrijfsactiviteiten op de nog beschikbare bedrijfskavels en de ontwikkeling van de energie-activiteiten. Om de mogelijke bandbreedtes in de milieueffecten in beeld te brengen is de uitwerking en beoordeling van alternatieven in drie stappen uitgevoerd:

  • 1. Afbakenen milieugebruiksruimte
  • 2. Vertalen in Alternatief industrie
  • 3. Ontwikkelen optimalisatievariant.

Als eerste stap voor de uitwerking en beoordeling van de alternatieven is de beleids- en milieuruimte in kaart gebracht (milieugebruiksruimte). Deze milieugebruiksruimte is bepaald aan de hand van de aspecten externe veiligheidszonering, inwaartse zonering en geluidszonering.

Op basis van de milieugebruiksruimte is het voornemen nader uitgewerkt, aangeduid als het alternatief industrie. Het alternatief industrie gaat uit van de maximale invulling van de ontwikkelings- en uitbreidingsruimte voor industriële activiteiten die het bestemmingsplan biedt op basis van de milieugebruiksruimte (externe veiligheidszonering, inwaartse zonering en geluidszonering). Het alternatief industrie gaat uit van een complete vulling van het terrein in 2026 (10 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan). Uit een inventarisatie (Havenschap Moerdijk, peildatum 1 november 2015) is gebleken dat in totaal ruim 239 hectare aan bedrijfskavels beschikbaar kan komen voor (industriële) bedrijfsactiviteiten. In tabel 5.4 is reeds een overzicht weergegeven.

Tabel 5.4: Uitgangspunten invulling restgronden met industriële bedrijfsactiviteiten

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0031.png"

Het alternatief industrie biedt een kapstok om een integrale milieuafweging te kunnen uitvoeren van de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan. Op basis van de integrale milieuafweging en effectenbeoordeling is een optimalisatievariant ontwikkeld dat maatregelen bevat die eventuele milieuknelpunten oplossen of beperken. Per milieuthema / aspect is nagegaan of er maatregelen mogelijk zijn die negatieve effecten voorkomen dan wel verkleinen (mitigerende maatregelen en optimaliserende maatregelen).

Referentiesituatie
In de milieueffectenstudie wordt het alternatief industrie beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie beschrijft wat er in het plangebied zal gebeuren als het voornemen niet wordt uitgevoerd. In het MER is per milieuthema de referentiesituatie omschreven. In de referentiesituatie worden ook autonome ontwikkelingen meegenomen. Dit zijn ontwikkelingen die los van de voorgenomen activiteit, zullen optreden in het gebied. Een autonome ontwikkeling in ZIM is het Windpark Industrieterrein Moerdijk.

Integrale effectenbeoordeling
In tabel 5.5 is een samenvattende effectbeoordeling weergegeven van de realisatie van het alternatief industrie. In de milieueffectenstudie is een zevenpuntsschaal gebruikt, waarbij wordt beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.

Tabel 5.5: Effectenbeoordeling voornemen Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0032.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1709.indterrmoerdijk-BP30_0033.png"

Bovenstaande tabel toont aan dat de effecten van het alternatief industrie gedeeltelijk neutraal, gedeeltelijk (licht) negatief en gedeeltelijk (licht) positief zijn.

Leefomgeving
Er is sprake van een aantal licht negatieve effecten op de leefomgeving als gevolg van de invulling van de restgronden. De verkeersintensiteiten nemen toe op een aantal gebiedsontsluitingswegen van het ZIM, de mogelijkheden voor openbaar vervoer blijven beperkt.

De wijzigingen in relatie tot externe veiligheid leiden tot positieve effecten. De aanpassing van de regels van het bestemmingsplan en het instellen van de zone ex artikel 14 waarborgen dat ten aanzien van het plaatsgebonden risico overal wordt voldaan aan de wettelijke eisen en het plaatsgebonden risico verbetert. Met het plan wordt enerzijds ingezet op de vermindering van het potentieel aan te vestigen risicovolle inrichtingen en bedrijven en anderzijds bedrijven met hoge personendichtheden. Als gevolg van het gegeven dat het nieuwe bestemmingsplan restricties bevat ten aanzien van personendichtheden in het plangebied is de toekomstige situatie gunstiger dan het vigerende bestemmingsplan.

De maximale bijdrage van het plan is bij de beschouwde punten kleiner dan 1 µg/m3 voor alle componenten en alle woonkernen. Op alle meetpunten wordt (ruimschoots) voldaan aan de normen voor de luchtkwaliteit. Lokaal zijn er kleine toenames van de concentratie van luchtverontreinigende stoffen.

De effecten op het thema gezondheid zijn zowel voor geluid als voor negatief beoordeeld omdat het aantal blootgestelden in hogere belastingsklassen (zowel voor geluid als voor luchtkwaliteit) enigszins toeneemt ten koste van een lagere klasse. Omdat het gaat om relatief lage belastingen (GES-scores aan de 'gezonde' kant van het spectrum) is de beoordeling voor beide criteria licht negatief (0/-).

De overige hindereffecten, te weten trillingen, lichtuitstraling en effecten op kabels en leidingen zijn beperkt. Het voornemen heeft geen effecten op radarbeelden en laagvliegroutes.

Ruimte-aspecten
Gezien de algehele lage verwachtingswaarde op archeologische resten in het plangebied zijn deze effecten neutraal beoordeeld. Het voornemen is niet voorzien in een gebied met cultuurhistorische waarden. Er worden fysiek dan ook geen cultuurhistorische waarden aangetast.

De invulling van de restgronden met industriële bedrijvigheid passen geheel in het industriële karakter van het terrein. De invulling van de open kavels leiden tot verdichting en een duidelijker contrast tussen de open lijninfrastructuur van de wegen en de havens en de dichte industriële bebouwing op de kavels. Als gevolg van de invulling van de restgronden is er sprake van enige afname van zichtlijnen en doorkijken in het plangebied zelf. De aanwezigheid van de grootschalige rationele verkaveling en de industriële bebouwing met installaties, schoorstenen alsook hoogspanningsmasten beperken de negatieve effecten op de openheid in het plangebied zelf. Het voornemen kan leiden tot extra hoge bedrijfsbebouwing en schoorstenen, met name aan de westkant van het industrieterrein, omdat hier de meeste restkavels zijn gelegen. Uitgaande van de maximale bouwhoogtes zullen deze vanuit een aantal locaties in de kernen Klundert en Noordschans zichtbaar zijn. Ook vanuit de overige kernen kan de hoge industriële bebouwing zichtbaar zijn.

Uit de berekeningen voor Natura2000 blijkt dat de ontwikkelingen als gevolg van de emissies vanuit de industrie en in geringe mate ook door de scheepvaart een effect heeft. De berekende bijdragen zijn echter kleiner dan de reservering die voor het ZIM in de PAS is opgenomen. Alternatief industrie tast niet de wezenlijke waarden en kenmerken van de gebieden aan die behoren tot het NNN. Wel is sprake van negatieve effecten op een aantal beschermde soorten door verstoring van hun leefgebieden. Door de uitvoering van mitigerende maatregelen kunnen deze effecten worden voorkomen.

De effecten op de bodem en water zijn neutraal beoordeeld.

Duurzaamheid
Door het invullen van de braakliggende delen van het industrieterrein wordt –mits het gaat om bedrijven die passen in het profiel van het gebied – op een efficiënte manier omgegaan met de ruimte. Het opvullen van de braakliggende dele met bedrijvigheid zal per saldo leiden tot een toename van het gebruik van energie. Tegelijkertijd biedt de verdere invulling van het gebied met nieuwe bedrijvigheid kans voor het op een efficiënte manier omgaan met energie, bijvoorbeeld door het aansluiten op het Energyweb. Het gevolg hiervan kan zijn dat het gebruik van (fossiele) energie in relatief opzicht kan afnemen. De ontwikkeling van de braakliggende delen biedt kansen voor duurzame energie, bijvoorbeeld door overhoeken en andere vlakken (zoals daken van bedrijfspanden, het overkappen van parkeerterreinen) te gebruiken voor zonnepanelen.

Een afgeleid effect van de transitie naar meer duurzame bronnen van energie is dat de emissie van CO2 zal afnemen. Het opvullen van de braakliggende delen van het industrieterrein bieden, zoals hiervoor ook al aangegeven, kansen.

Optimalisatievariant
Het belangrijkst effect van de ontwikkeling is de toename van de geluidbelasting. Dit werkt ook door in de gezondheidsbeoordeling.

Op basis van de effectbepalingen ligt het daarom voor de hand de optimalisatievariant vooral te baseren op het terugdringen van de emissie (en immissie) van de geluid (gecumuleerde geluidniveau). In de Lcum is industrielawaai dominant, maar voldoet aan de gestelde maximale geluidbelastingen. Op een aantal plaatsen is sprake van effecten door zowel industrielawaai als geluid van spoor en wegverkeer. Deze combinatie van geluid van verschillende bronnen – die elk afzonderlijk voldoen aan de normen – leidt tot relatief hoge gecumuleerde geluidbelastingen in de omgeving van wegen en spoorwegen. Mitigerende en optimaliserende maatregelen kunnen hierop worden gericht.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Ruimtelijk plan

De uit de beleidsbeschrijving (hoofdstuk 2), gebiedsanalyse (hoofdstuk 3) , het visiedocument (hoofdstuk 4) en de milieu en overige aspecten (hoofdstuk 5) voortvloeiende gegevens vormen belangrijke randvoorwaarden van het gemeentelijke ruimtelijke ordeningsbeleid met betrekking tot Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk. Daarbij staat versterking en revitalisering van de bestaande situatie en externe veiligheid centraal, zoals ook uit de juridische regeling van het bestemmingsplan blijkt. Op de juridische regeling wordt in het vervolg van dit hoofdstuk dieper ingegaan.

6.2 Juridische regeling

In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van de juridische regeling van het bestemmingsplan 'Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk'. De juridische regeling bestaat uit een verbeelding en de regels. De regels zijn een juridische vertaling van het restrictiebeleid risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten, zoals opgenomen in tabel 5.1 in paragraaf 5.2.

De onderdelen verbeelding en regels zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en dienen dan ook altijd gezamenlijk geraadpleegd en gelezen te worden.

6.2.1 Verbeelding

Op de verbeelding van bestemmingsplan 'Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk' zijn de verschillende percelen binnen het plangebied "ingekleurd" met een bepaalde bestemming, waarvoor in de regels allerlei bepalingen zijn vastgelegd.

6.2.2 Regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 zijn de inleidende regels opgenomen (artikel 1 en 2), hoofdstuk 2 omvat de bestemmingsregels (artikel 3 t/m 29), Verder zijn in hoofdstuk 3 de algemene regels opgenomen en tot slot staan in hoofdstuk 4 de slot- en overgangsregels. Hieronder is een korte toelichting gegeven op de opgenomen inleidende regels, bestemmingen en gebiedsaanduidingen.

Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
In artikel 1 zijn de in het plan gebruikte specifieke begrippen verklaard.

Artikel 2 Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

Bestemmingen

Artikel 3 Agrarisch
Deze bestemming is opgenomen voor de aanwezige agrarische gronden in het plangebied. Op deze gronden zijn uitsluitend agrarische doeleinden toegestaan, zonder bedrijfswoning.

Artikel 4 Bedrijf 
Voor enkele bedrijfslocaties rondom de Roode Vaart is de bestemming ‘Bedrijf’ opgenomen. Dit op basis van de 6e herziening van het geldende bestemmingsplan. Op deze gronden zijn bedrijven toegestaan uit milieucategorie 2 en 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze Staat is opgenomen als bijlage bij de regels. Daarnaast is voor een tweetal bedrijven een zogenaamde maatbestemming opgenomen. Naast bedrijven uit milieucategorie 2 en 3 is ter plaatse van de specifieke aanduidingen tevens een staalconstructiebedrijf en een scheepsreparatiebedrijf toegestaan.

Artikel 5 Bedrijf - Baggerspeciedepot
Voor het baggerspeciedepot in het Hollandsch Diep, dat planologisch is mogelijk gemaakt met de 4e herziening, is deze bestemming opgenomen. Het depot, dat gedeeltelijk in de gemeente Strijen ligt, is onderverdeeld in een baggerspeciedepot, een voorzieningenterrein en een werkhaven.

De diepte van het depot en de inrichting daarvan is geregeld middels op de verbeelding opgenomen dwarsprofielen. Dit is geregeld in de specifieke gebruiksregels.

Artikel 6 Bedrijf - Voorzieningencentrum
Deze bestemming is opgenomen voor het voorzieningencentrum aan de Zuidelijke Randweg en het
voorzieningencentrum bij het Tradepark (3e herziening).

Tevens is via specifieke aanduidingen geregeld dat op de gronden met deze bestemming een windturbine, een reclamemast en horeca is toegestaan, alsmede verkooppunten voor brandstoffen met en zonder LPG en een LPG-vulpunt.

Artikel 7 Bedrijf - Windturbine
Deze bestemming is opgenomen voor de nieuw te bouwen windturbines in het plangebied.

Artikel 8 Bedrijventerrein - 1
De bestemming ‘Bedrijventerrein - 1’ is toegekend aan de gronden aan de rand van het industrieterrein. Op deze gronden zijn bedrijven toegestaan uit milieucategorie 2, 3 en 4 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze Staat is opgenomen als bijlage bij de regels. Tevens zijn op delen van deze gronden gevoelige bedrijven toegestaan.

In de regeling is een bepaling opgenomen om ondergeschikte activiteiten mogelijk te maken. Dit bepaalt dat activiteiten in een milieucategorie zijn toegestaan op basis van lid 1 mits de activiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit van het gehele bedrijf.

Artikel 9 Bedrijventerrein - 2
De bestemming ‘Bedrijventerrein - 2' is toegekend aan de gronden tussen de bestemming Bedrijventerrein - 1 en Bedrijventerrein - 3. Op deze gronden zijn bedrijven toegestaan uit milieucategorie 4 en 5 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

In de regeling is een bepaling opgenomen om ondergeschikte activiteiten mogelijk te maken. Dit bepaalt dat activiteiten in een milieucategorie zijn toegestaan op basis van lid 1 mits de activiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit van het gehele bedrijf.

Artikel 10 Bedrijventerrein - 3
De bestemming ‘Bedrijventerrein - 3’ is toegekend aan de gronden in het hart van het industrieterrein. Op deze gronden zijn bedrijven toegestaan uit milieucategorie 4, 5 en 6 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Tevens zijn op deze gronden, in tegenstelling tot gronden met de bestemmingen Bedrijventerrein - 1 en Bedrijventerrein - 2, evenementen niet toegestaan.

Artikel 11 Bos
Deze bestemming is opgenomen voor de gronden ten oosten en noorden van het voorzieningencentrum bij het Tradepark. Deze bestemming is overgenomen uit de 3e herziening van het vorige bestemmingsplan.

Artikel 12 Buisleidingenstraat
Voor de nationale buisleidingenstrook, die aan de westzijde van het plangebied loopt, is de bestemming ‘Buisleidingenstraat’ opgenomen. De gronden van het Hollandsch Diep hebben daarnaast de aanduiding ‘water’ gekregen.

Artikel 13 Groen
De bestemming 'Groen' is opgenomen voor de groene geledingszone rondom het industrieterrein.
Binnen deze bestemming zijn de gronden naast de groen- en waterfunctie tevens bestemd voor de
bestaande agrarische functies en recreatieve functies.

Aan de westelijke zijde van het plangebied is daarnaast sprake van enkele recreatieve activiteiten. Deze worden in het kader van het ontwerpbestemmingsplan verder geografisch begrensd.

Artikel 14 Natuur - 1
Deze bestemming is opgenomen voor de Sasseplaat en de gronden rondom het baggerspeciedepot in het Hollandsch Diep.

Artikel 15 Natuur - 2
Deze bestemming is opgenomen voor de gronden ten zuiden van het Tradepark en dienen als compensatiegronden van de gronden van het Tradepark. Deze bestemming is overgenomen uit de 3e herziening van het vorige bestemmingsplan.

Artikel 16 Sport
Deze bestemming is opgenomen voor de gronden van de manege, scouting en de hondenschool in de westelijke geledingszone.

Artikel 17 Verkeer - 1
De rijksweg A17 en bijbehorende op- en afritten zijn opgenomen binnen de bestemming ‘Verkeer - 1’.

Artikel 18 Verkeer - 2
De ontsluitingsstructuur van het industrieterrein alsmede de overige wegen zijn voorzien van de
bestemming ‘Verkeer - 2’. Binnen deze bestemming zijn daarnaast alle bijbehorende voorzieningen
toegestaan, maar zijn ook spoorwegen mogelijk.

Artikel 19 Verkeer - Railverkeer
Voor de hoofdspoorlijn en het spoorwegemplacement langs de Zuidelijke Randweg is de bestemming
Verkeer - Railverkeer’ opgenomen. Het emplacement is apart aangeduid.

Artikel 20 Water - 1
Deze bestemming is opgenomen voor het gedeelte van het Hollandsch Diep dat deel uitmaakt van het
Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk. Deze gronden (wateren) zijn onder meer bestemd voor de waterhuishouding, het verkeer te water alsmede de industriehavens. Verder is deze bestemming gegeven aan de gronden van de sluis in de Roode Vaart.

Op deze gronden mogen voorzieningen voor het aanleggen, laden en lossen van schepen worden gebouwd.

Artikel 21 Water - 2
Deze bestemming is opgenomen voor het gedeelte van het Hollandsch Diep dat geen onderdeel uitmaakt van het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor het verkeer te water, maar ook voor het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden in het Hollandsch Diep.

Artikel 22 Water - 3
Deze bestemming is opgenomen voor de in het plangebied gelegen hoofdwatergangen en het
aanwezige oppervlaktewater.

Artikel 23 Leiding - Gevaarlijke stoffen
Deze dubbelbestemming, is opgenomen voor de brandstof- en gasleidingen in het
plangebied. Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden
toegekende enkelbestemmingen.

Artikel 24 Leiding - Hoogspanning
Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de ondergrondse 150 kV-leiding die door het plangebied lopen. Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen.

Als specifieke gebruiksregel is opgenomen dat op deze gronden de opslag van brandgevaarlijke, brandbare of explosieve materialen verboden is.

Artikel 25 Leiding - Hoogspanningsverbinding
Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de 150 kV en de 380 kV-leidingen die door het plangebied lopen. Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen.

Als specifieke gebruiksregel is opgenomen dat op deze gronden, onder de hoogspanningsleidingen, de opslag van brandgevaarlijke, brandbare of explosieve materialen verboden is.

Artikel 26 Leiding - Leidingstrook
Deze dubbelbestemming is opgenomen als reserveringsstrook van aanwezige en toekomstige leidingen op onder meer de voormalige Shell-gronden. Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen.

Artikel 27 Leiding - Riool
Deze dubbelbestemming, met een breedte van 10 meter, is opgenomen voor de rioolpersleiding van het Havenbedrijf/waterschap. Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen.

Artikel 28 Leiding - Water 
Deze dubbelbestemming, met een breedte van 10 meter, is opgenomen voor de waterleidingen van Evides. Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen.

Artikel 29 Waarde - Archeologie 4

De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden (zie ook paragraaf 5.8).

Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden. De voorwaarden voor wanneer een omgevingsvergunning is vereist is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde gedifferentieerd in deze dubbelbestemming.

Artikel 30 Waarde - Archeologie 6

De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden (zie ook paragraaf 5.8).

Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden. De voorwaarden voor wanneer een omgevingsvergunning is vereist is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde gedifferentieerd in deze dubbelbestemming.

Artikel 31 Waterstaat - Waterkering 
Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de in het plangebied aanwezige waterkeringen, inclusief de beschermingszones. Op deze gronden is de Keur van het waterschap van toepassing. Op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken toegestaan voor de waterkering. Tevens is een vergunningstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden die de waterkering kunnen schaden. Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen.

Gebiedsaanduidingen
Op de verbeelding staan gebiedsaanduidingen, die dienen voor het nader specificeren van de regels voor de betreffende gronden. Gebiedsaanduidingen hebben betrekking op het gehele plangebied of een gedeelte van het plangebied maar overstijgen de bestemmingen. In het onderhavige plan zijn gebiedsaanduidingen opgenomen ten aanzien van het industrielawaai, externe veiligheid, lpg, munitie, windturbines, beschermingszone van de leidingen en de vrijwaringszone langs de rijksweg. Hieronder is een toelichting opgenomen voor de gebiedsaanduidingen met betrekking tot externe veiligheid. De overige aanduidingen komen voort uit de vigerende bestemmingsplannen voor het Industrieterrein en het bestemmingsplan voor de windturbines dat in januari 2017 is vastgesteld.

veiligheidszone - EV
De veiligheidszone - ev is onderverdeeld in 3 deelzones. Met de gebiedsaanduidingen worden extra eisen gesteld aan de toelaatbaarheid van bedrijven binnen de bestemmingen Bedrijventerrein - 1, Bedrijventerrein - 2 en Bedrijventerrein - 3 voor wat betreft de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten en de effecten van de bedrijfsactiviteiten op de externe veiligheidscontouren. De 3 onderscheiden zones komen niet overeen met de drie-deling in de genoemde bestemmingen. De gebiedsaanduidingen moeten in samenhang met de betreffende bestemmingen worden gelezen om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten te bepalen. De onderscheiden gebiedsaanduidingen zijn een juridische vertaling van de tabel 5.1 uit paragraaf 5.2. Deze tabel komt voort uit de rapportage externe veiligheid die als bijlage 5.2 Externe veiligheid bij deze toelichting is gevoegd. In deze rapportage is een uitgebreide motivering van de zonering beschreven.

veiligheidszone - EV1
Op de gronden met gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - EV1' zijn inrichtingen toegestaan waarvan de PR 10-5 contour binnen de eigen perceelsgrenzen (dan wel binnen de bestemmingen 'Verkeer - 2', 'Water - 1', Water - 2') valt en de 10-6 contour binnen de aanduidingsgrenzen dient te blijven. Een uitzondering hierop vormen de bestaande situaties waarbij op basis van een reeds verleende vergunning de PR 10-5 reeds (deels) over de perceelsgrenzen is gelegen. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat binnen deze zone (voorzover gelegen buiten de perceelsgrenzen van de eigen inrichting) geen beperkt kwetsbare objecten van derden zijn toegestaan.

Binnen deze zone zijn ook PR 10-5 en PR 10-6 contouren toegestaan van bestaande inrichtingen die zijn gelegen op de gronden met aanduiding 'veiligheidszone - EV2' op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning.

Binnen de regeling is tevens een afwijking opgenomen om een PR 10-5 contour toe te staan buiten de eigen perceelsgrenzen van de inrichting en het mogelijk maken van beperkt kwetsbare objecten van derden binnen deze contour. Dat is slechts toegestaan als de noodzaak vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond, als aangetoond is dat het niet mogelijk is de PR 10-5 contour anders te situeren, dan wel dat de situering van het betreffende beperkt kwetsbare object niet elders mogelijk is. De veiligheidsregio dient voorts een advies te hebben uitgebracht alvorens een vergunning te verlenen.

Daarnaast is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om de PR 10-6 contour ook buiten de aanduiding toe te staan. Hier zijn vergelijkbare voorwaarden aan verbonden.

Voor beide afwijkingsbevoegdheden geldt dat het college advies kan vragen bij het RIVM.

veiligheidszone - EV2
Op de gronden met de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - EV2' zijn nieuwe risicovolle inrichtingen in principe niet toegestaan. Op de gronden zijn bestaande inrichtingen met een geldende milieuvergunning toegestaan waarvan de PR 10-5 en PR 10-6 contouren binnen het aanduidingsvlak zijn gelegen. Een uitzondering hierop vormen de bestaande situaties waarbij op basis van een reeds verleende vergunning de PR 10-5 contour dan wel de PR 10-6 contour van inrichtingen gevestigd op de gronden met de aanduiding 'veiligheidszone - EV1' reeds (deels) zijn gelegen binnen de aanduiding 'veiligheidszone - EV2'.

Voor de gronden is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om risicovolle inrichtingen toe te staan. Dit kan alleen als de PR 10-5 contour is gelegen binnen de perceelsgrenzen van het bedrijf en de PR 10-6 contour niet verder dan 5 meter buiten de perceelsgrens van de inrichting valt of binnen de bestemmingen 'Verkeer - 2', 'Water - 1'. Verder gelden de voorwaarden ten aanzien van noodzaak en de consultatie van de veiligheidsregio net als bij de afwijkingsbevoegdheid in 'veiligheidszone - EV1'. Alsmede de mogelijkheid het RIVM om advies te vragen.

veiligheidszone - EV3
Op de gronden met gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - EV3' zijn eveneens nieuwe risicovolle inrichtingen in principe uitgesloten. Op de gronden zijn bestaande inrichtingen met een geldende milieuvergunning toegestaan waarvan de PR 10-5 en PR 10-6 contouren binnen het aanduidingsvlak zijn gelegen. Een uitzondering hierop vormen de bestaande situaties waarbij op basis van een reeds verleende vergunning de PR 10-5 contour dan wel de PR 10-6 contour van inrichtingen gevestigd op de gronden met de aanduiding 'veiligheidszone - EV1' dan wel 'veiligheidszone - EV2' reeds (deels) zijn gelegen binnen de aanduiding 'veiligheidszone - EV3'.

Voor de gronden is eveneens een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om risicovolle inrichtingen toe te staan. In tegenstelling tot 'veiligheidszone - EV2' is het voor veiligheidszone - EV3 slechts toegestaan als ondergeschikt onderdeel van de hoofdactiviteit van het bedrijf én als het ondersteunend is aan de hoofdactiviteit. Daarnaast gelden dezelfde voorwaarden als bij de afwijkingsbevoegdheid binnen veiligheidszone - EV2.

veiligheidszone - Bevi artikel 14
Met deze aanduiding wordt weergegeven waar de restricties in het kader van artikel 14 uit het Bevi van kracht zijn. Binnen deze zone zijn geen hoge populatie objecten toegestaan, behoudens als onderdeel van Bevi-inrichtingen (zie 5.2 Externe veiligheid).

6.2.3 IMRO en SVBP

De regels en verbeelding worden opgesteld volgens IMRO en SVBP 2012. IMRO staat voor Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en heeft betrekking op de inrichting van de ruimtelijke instrumenten van de Wro. Het is het informatiemodel voor het opstellen en het uitwisselen van visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene regels op alle bestuurlijke niveaus. Het model is geschikt voor uitwisseling van informatie tussen de organisatie op het gebied van de ruimtelijke ordening en aanverwante werkterreinen. SVBP staat voor Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen. Doel van deze standaard is het op vergelijkbare wijze inrichten, vormgeven en verbeelden van bestemmingsplannen en de daarbij behorende uitwerkings- en wijzigingsbesluiten.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Aangezien het voorliggende bestemmingsplan conserverend van karakter is en er geen andere bestemmingsregeling wordt voorgesteld dan het vigerende vormt dit geen aanleiding voor het verhalen van kosten zoals bedoeld in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening.

Uitzondering daarop vormt de ontwikkeling die voorziet in het planologisch mogelijk maken van de realisatie van circa zeven windturbines in de openbare ruimte door initiatiefnemer Nuon. Voordat de windturbines definitief in het plan worden meegenomen moeten Nuon en de gemeente Moerdijk overeenstemming bereiken over het kostenverhaal. Dit wordt bekrachtigd middels een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Hierdoor is er geen aanleiding voor het opstellen van een exploitatieplan zoals bedoeld in artikel 6.12, lid 1 Wro. Dit artikel bepaalt dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen behorend bij bepaalde ruimtelijke besluiten, waarin gronden zijn aangewezen, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze overleg heeft plaatsgevonden met betrokken overheidsinstanties, waterschap etc. en op welke wijze inspraak is gehouden.

8.2 Inspraak- en voorverleg ex. artikel 3.1.1 Bro

Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk heeft het voorontwerp bestemmingsplan “Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk” in 2012 vrijgegeven voor inspraak en overleg ex artikel 3.1.1 Bro.

Het voorontwerp bestemmingsplan en de daarbij behorende stukken hebben vanaf 31 mei 2012 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gelijktijdig heeft ook de notitie 'Reikwijdte en Detailniveau' ter inzage gelegen.

Het voorontwerpplan met bijbehorende bijlagen en de notitie waren in te zien op het gemeentehuis. Daarnaast waren ze digitaal te raadplegen op de gemeentelijke website en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze termijn kon een ieder een reactie indienen bij het college. Tegen het voorontwerpplan zijn 24 inspraakreacties ingediend.

Daarnaast is het verplichte vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro met onder andere de betrokken diensten van rijk, provincie, buurgemeenten en waterschapsbestuur gevoerd. Tijdens de overlegperiode zijn 6 vooroverlegreacties ontvangen.

De tijd heeft inmiddels de beantwoording van de inspraak- en overlegreacties ingehaald. Vanwege de omvangrijke aanpassingen die in het ontwerpbestemmingsplan zijn meegenomen is het niet meer doelmatig alle inspraak- en overlegreacties van een beantwoording te voorzien. Met het afronden van het ontwerpbestemmingsplan is wel zoveel mogelijk rekening gehouden met de reacties die zijn ingediend.

Belangrijke aanleiding voor de omvangrijke aanpassingen is het aspect externe veiligheid. Onderstaand is een toelichting opgenomen ten aanzien van de aanpassingen die doorgevoerd zijn.

Aanleiding
Bij het voorontwerp in 2012 is een afzonderlijke rapportage opgenomen, waarin de externe veiligheidsaspecten zijn uitgewerkt. Met deze rapportage is in 2007 aanvang gemaakt. De rapportage beschrijft hoe de diverse externe veiligheidsaspecten vertaald zijn, de bijlagen bevatten onder andere externe veiligheidsberekeningen.

Naar aanleiding van het voorontwerp is een aantal inspraakreacties ingebracht, deze betreffen de algemene aanpak van de veiligheid, bedrijfs specifieke elementen en technisch inhoudelijke opmerkingen.

De visie op de externe veiligheid is sterk beïnvloed door de landelijke ontwikkelingen van het externe veiligheidsbeleid en de wetgeving. Daarnaast zijn er enerzijds provinciale en gemeentelijke beleidsontwikkelingen geweest én heeft anderzijds het industrieterrein zich verder ontwikkeld. Dit betekent dat er sinds het voorontwerp van 2012 vele veranderingen zijn doorgevoerd in het ontwerpbestemmingsplan van 2017 inzake de omgang met externe veiligheid op het industrieterrein. Deze veranderingen zijn onderstaand samengevat.

Veranderingen op hoofdlijn
Het vigerende bestemmingsplan heeft op EV-gebied kenmerken die ongewenst zijn:

  • risicocontouren van alle bestaande bedrijven mogen niet buiten de perceelsgrens groeien;
  • er kunnen saneringssituaties ontstaan doordat overal kwetsbare objecten gebouwd kunnen worden;
  • nieuwe risicobedrijven kunnen zich overal vestigen, maar hun risicocontour mag niet over de perceelgrens;
  • risicobedrijven kunnen zich vestigen op ongewenste plaatsen;
  • gebouwen voor objecten voor het verblijf van vele personen kunnen overal gerealiseerd worden.


In het voorontwerp is een aanpak opgenomen om deze ongewenste situaties te beëindigen. Het voorontwerpbestemmingsplan bevatte hiertoe een aantal keuzes:

  • een interne zonering op het industrieterrein met verschil in ontwikkelingsmogelijkheden voor risicobedrijven;
  • het accent op de ontwikkeling van risicobedrijven binnen het chemiecluster;
  • conservering van de ontwikkeling van risicobedrijven in andere gebieden en een verbod hiervan in de Plaza;
  • het wegnemen van (mogelijke) saneringssituaties door het uitsluiten van kwetsbare objecten;
  • het hanteren van een nadere invulling van de definitie 'kwetsbaar object'.


De informatie uit de inspraak- en overlegreacties en gesprekken met afzonderlijke bedrijven vanwege bijvoorbeeld voorgenomen bedrijfsveranderingen zijn bijzonder nuttig geweest bij het fine-tunen van het EV-beleid in het ontwerpbestemmingsplan van 2017.

In het ontwerpbestemmingsplan is het doel gebleven om de beperkingen van het huidige bestemmingsplan weg te nemen. De wijze van realisatie is echter veranderd:

  • rondom het industrieterrein is een zonering op grond van artikel 14 Bevi voorzien, zie paragraaf 6.2.2 Regels;
  • binnen de artikel 14 Bevi-zone blijft een planologische zonering van kracht die stuurt op de ontwikkelingsmogelijkheden van risicobedrijven;
  • ten opzichte van het voorontwerp zijn de planologische zones zodanig vergroot en verschoven dat uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven geoptimaliseerd zijn;
  • binnen de planologische zones is door middel van wijzigings- en vrijstellingsmogelijkheden de flexibiliteit geoptimaliseerd;
  • nieuwe objecten waarbinnen veel personen kunnen verblijven, in de rapportage hoge-populatie-objecten genoemd, zijn enkel mogelijk op de Plaza. Om te bepalen wat hoge-populatie-objecten zijn, is een aparte definitie opgenomen.

Ten behoeve van het ontwerpbestemmingsplan heeft eind 2016 in samenwerking met de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant een beschouwing op de actualiteit van de QRA's van bedrijven en leidingen plaatsgevonden.

Misverstanden ten aanzien van het voorontwerpbestemmingsplan
Naast de vele nuttige informatie, bevatten de inspraak- en overlegreacties deels ook misverstanden ten aanzien van het voorontwerpbestemmingsplan. Deze zijn:

  • 1. In het vigerende bestemmingsplan kon de risicocontour van bedrijven onbeperkt groeien.

In het vigerende bestemmingsplan is groei van de risicocontour (10-6) van bedrijven juist onmogelijk doordat het bestemmingsplan overal kwetsbare objecten toestaat. In versie 2012 en helemaal in versie 2012 zijn de groeimogelijkheden juist sterk verruimd.

  • 2. Beperkt kwetsbare objecten worden uitgesloten.

Het voorontwerpbestemmingsplan (2012) sluit beperkt kwetsbare objecten niet uit. Als beperkt kwetsbare objecten zouden zijn uitgesloten mogen er geen objecten zijn waar mensen kunnen verblijven, en kan er geen sprake zijn van een industrieterrein. Het bestemmingsplan sluit wel objecten uit waarin grotere aantallen personen kunnen verblijven.

Met het afronden van het ontwerpbestemmingsplan zijn de bovengenoemde aspecten verholpen. De regeling ten aanzien van externe veiligheid is eenduidiger geworden.

8.3 Notitie reikwijdte en detailniveau (MER)

Als voorbereiding op de milieueffectrapportage (m.e.r.) is een notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) opgesteld. De NRD heeft als doel informatie te verschaffen over de opzet en inhoud van het milieueffectrapport (MER) behorende bij het bestemmingsplan Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk. De notitie reikwijdte en detailniveau en de voortoets zijn gelijktijdig gepubliceerd met het voorontwerp-bestemmingsplan. Een ieder heeft schriftelijk kunnen reageren op de rapportages en zijn/haar mening kunnen geven over wat onderzocht moet worden in het MER en op welke manier. Deze NRD is ook meegenomen in de burgerparticipatie en op de informatiebijeenkomsten. Tevens is de Commissie voor de milieueffectrapportage vrijwillig gevraagd om advies uit te brengen over de NRD. Dit advies is betrokken bij het opstellen van het MER.

Procedure
De uitgebreide m.e.r.-procedure is van toepassing. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de bestemmingsplanprocedure.

Voorfase
De m.e.r.-procedure is gestart met de openbare kennisgeving in de lokale pers. Hierin is bekendgemaakt dat voor de integrale herziening van het bestemmingsplan een m.e.r.-procedure wordt gevolgd en is deze procedure uiteengezet. Voor de start van de m.e.r.-procedure is een notitie reikwijdte en detailniveau en een voortoets opgesteld. De notitie reikwijdte en detailniveau beschrijft het voornemen, de alternatieven die worden onderzocht en de onderzoeksaanpak van het MER. Uit de voortoets is gebleken dat op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten en dat de effecten op Natura 2000-gebieden nader moeten worden onderzocht in een passende beoordeling. De ontwikkeling van het windpark was opgenomen in de destijds opgestelde stukken.

Na de bekendmaking hebben de notitie reikwijdte en detailniveau en de voortoets samen met het voorontwerp bestemmingsplan van 31 mei tot en met 11 juli 2012 (6 weken) ter inzage gelegen. Een ieder is in de gelegenheid gesteld om gedurende de inspraakperiode een reactie in te dienen op het voornemen. Op 4 juni 2012 is een informatieavond gehouden. De bestuursorganen, die ook bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken, zijn in diezelfde inspraakperiode geraadpleegd over de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER.

Geraadpleegde bestuursorganen

  • de regionale directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie van het Ministerie van EZ;
  • De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van het Ministerie van OC&W;
  • Rijkswaterstaat;
  • Het Havenbedrijf Moerdijk;
  • De omliggende gemeenten;
  • De provincie Noord-Brabant en provincie Zuid-Holland;
  • GGD Brabant;
  • GHOR (veiligheidsregio Midden-West Brabant);
  • ProRail;
  • Beheerders van planologisch relevante ondergrondse infrastructuur.


Er zijn 29 inspraakreacties/adviezen gegeven op het voorontwerp bestemmingsplan. Daarvan zijn er acht reacties op de reikwijdte en het detailniveau van het op te stellen MER. De belangrijkste reacties zijn:

  • Vraag om zorgvuldige afweging van intensivering op basis van aspecten als milieu en veiligheid. Hier wordt bij de effectbepaling en beoordeling invulling aan gegeven (Hoofdstuk 6 t/m 10);
  • Vraag om onderzoek naar verdeling geluidruimte en geluideffect op omgeving Hier wordt bij de effectbepaling en beoordeling invulling aan gegeven (Hoofdstuk );
  • Vraag om onderzoek naar externe veiligheid (o.a. gasleidingen). Hier wordt bij de effectbepaling en beoordeling invulling aan gegeven (Hoofdstuk );
  • Vraag om Havenstrategie te betrekken bij bestemmingsplan en hiervoor een scenario in het MER op te nemen. Bij de afweging van de keuzes in het bestemmingsplan wordt de Havenvisie betrokken. Het bestemmingsplan zelf is echter grotendeels consoliderend van karakter. Het opnemen van een Havenvisie-scenario wordt niet realistische geacht;
  • Vraag om extra scenario Industrie en Logistiek op te nemen. Dit scenario wordt niet meegenomen in het MER. Het heeft geen toegevoegde waarde. Vestigen van logistiek op de braakliggende gronden is niet gewenst, hiervoor is het Logistiek Park Moerdijk bestemd.


De reacties/adviezen gemaakt op het voornemen van en onderzoek naar de windturbines zijn meegenomen in het MER en het bestemmingsplan Windpark Industrieterrein Moerdijk (vastgesteld door de raad op 13 oktober 2016) en niet meer relevant voor dit MER.

De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft op 19 juli 2012 een advies over reikwijdte en detailniveau over het op te stellen MER voor het ZIM uitgebracht.

De Commissie m.e.r. beschouwt de volgende punten als essentiële informatie in het milieueffectrapport (MER):

  • Een beschrijving en concretisering van de verschillende ambities met het bedrijventerrein, waaronder het maximaal kunnen benutten van het terrein voor zware bedrijvigheid en het realiseren van een duurzame inrichting en een gezonde en veilige leefomgeving voor omwonenden. Hieraan is invulling gegeven in hoofdstuk 4;
  • Een beschrijving van de huidige feitelijke situatie, de autonome ontwikkeling en de beschikbare milieugebruiksruimte, met specifiek aandacht voor lucht, geluid, geur, externe veiligheid en natuur. Hieraan is invulling gegeven in de effecthoofdstukken (vanaf Hoofdstuk 5);
  • Een beschrijving van de gevolgen voor het milieu (in ieder geval lucht, geluid, geur, externe veiligheid, landschap en natuur) en de volksgezondheid van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan (inclusief afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden) maximaal mogelijk maakt. Hieraan is invulling gegeven in de effecthoofdstukken (vanaf Hoofdstuk 5);
  • Een Passende beoordeling waarin de gevolgen zijn beschreven voor de Natura 2000- gebieden die door het voornemen beïnvloed kunnen worden. Hieraan is invulling gegeven. De resultaten van de Passende beoordeling zijn weergegeven in Hoofdstuk 17;
  • De mate waarin de verschillende ambities op het gebied van duurzaamheid, veiligheid en gezondheid gerealiseerd (kunnen) worden. Hier wordt in Hoofdstuk 18, 7 en 11 (de Hoofdstukken Duurzaamheid, Externe veiligheid en Gezondheid) op ingegaan.


De ingekomen reacties op de NRD zijn in de Kadernotitie 'Bestemmingsplan Industrieterrein Moerdijk' samengevat en voorzien van een beantwoording. Daarnaast zijn ambtshalve aanvullingen toegevoegd die niet uit het advies van de Commissie of uit de inspraak op het nieuwe bestemmingsplan gebleken zijn. De kadernotitie is op 6 september 2012 vastgesteld door de gemeenteraad. De kadernotitie is gehanteerd bij het opstellen van het MER en het ontwerpbestemmingsplan.

Het voorontwerp bestemmingsplan schiep ook het ruimtelijk kader voor de ontwikkeling van windturbines op het Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk. Tot begin 2014 liep de windturbineontwikkeling samen op met het in voorbereiding zijnde nieuwe bestemmingsplan Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk van de gemeente Moerdijk en de daarbij behorende milieueffectrapportage. Voor de windturbineontwikkeling (zeven turbines langs de Westelijke Randweg en Zuidelijke Randweg) is een aparte bestemmingsplan- en m.e.r.-procedure doorlopen. Het bestemmingsplan Windpark Industrieterrein Moerdijk met het MER is op 12 januari 2017 vastgesteld door de raad. Ook de omgevingsvergunning bouwen voor de windpark is inmiddels verleend door de gemeente. De bouw en ingebruikname van de turbines is voorzien in 2018/2019. Het bestemmingsplan is nog niet onherroepelijk. Gedurende de bestemmingsplanprocedure voor het ZIM komen de plannen samen. In het MER wordt de ontwikkeling van het windpark als autonome ontwikkeling gehanteerd.

Vervolg van de procedure
Vervolgens is het MER opgesteld. Mede op basis van de resultaten uit het MER wordt de optimalisatievariant gepresenteerd aan belanghebbenden en de gemeenteraad. Het MER wordt tegelijk met het ontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan de bestuursorganen en ter inzage gelegd. Er is dan gelegenheid een zienswijze in te dienen tegen het ontwerpbestemmingsplan en een inspraakreactie te geven op het MER. Eveneens wordt het MER ter toetsing voorgelegd aan de Commissie m.e.r.

De procedure loopt verder volgens de gebruikelijke lijnen voor een bestemmingsplan. In het bestemmingsplan zal worden aangegeven op welke wijze het MER en de reacties daarop in acht zijn genomen. Bij de uitvoering van het plan worden de effecten geëvalueerd. Dit MER geeft in paragraaf een aanzet voor een evaluatieprogramma.