| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Stroïnkweg 46 - Zuidveen |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1708.ZDDVStroinkweg46OP-ON01 |
Voorliggend planvoornemen heeft betrekking op gronden aan de Burgemeester G.W. Stroïnkweg 46 te Zuidveen (hierna plangebied). Concreet gaat het voornemen uit van de realisatie van twee woningen in voormalig agrarische bebouwing. Het betreft een gemeentelijk monument. Voor nu wordt de ontwikkeling slechts planologisch mogelijk gemaakt. Voor de bouwtechnische uitwerking zal op een later moment de benodigde vergunning worden aangevraagd.
Het buurthuis aan de Burgemeester G.W. Stroïnkweg 44 wordt ook meegenomen in de planvorming. De huidige maatschappelijke functie wordt omgezet naar een woonfunctie. Het buurthuis blijft nog vier jaar operationeel (tot 1 mei 2029). Daarna wordt het pand verkocht om gebruikt te worden als reguliere woning.
Voor het plangebied geldt het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland, dat op 1 januari 2024 in werking is getreden. Dit plan omvat onder andere het "Bestemmingsplan Noordelijke Kernen", aangevuld met een veegplan en een correctieve herziening. Het plangebied heeft een agrarische en maatschappelijke functie. Het omzetten van het agrarische en maatschappelijke perceel naar reguliere woonpercelen met drie woningen is in strijd met het geldende omgevingsplan.
De gemeente Steenwijkerland heeft middels en principebesluit (10 maart 2025) besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling. Omdat de hiervoor genoemde ontwikkeling niet in overeenstemming is met het geldende omgevingsplan dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Het bijbehorende TAM-omgevingsplan biedt een duidelijk juridisch en planologisch kader voor de ontwikkeling. Daarmee wordt aangetoond dat het plan ruimtelijk goed inpasbaar en verantwoord is. Voor dit plan is gebruikgemaakt van de zogenoemde ‘Tijdelijke Alternatieve Maatregel’ (TAM). Met deze regeling kunnen gemeenten, via de bestaande digitale standaarden zoals IMRO en ruimtelijkeplannen.nl, een omgevingsplan tijdelijk aanpassen voor urgente ontwikkelingen. Deze werkwijze wordt ook wel TAM-IMRO genoemd en kan worden toegepast tot 1 januari 2026.
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie en de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 gaat vervolgens in op het wettelijk kader. In hoofdstuk 4 worden de diverse gevolgen van de ontwikkeling op de relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld. Hoofdstuk 5 gaat in op de aanpassingen aan het omgevingsplan. In hoofdstuk 6 wordt het kostenverhaal besproken. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op participatie en de inbreng van ketenpartners.
Het ''TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Stroïnkweg 46 - Zuidveen” bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de functies van de gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een motivering. De motivering geeft een duidelijk beeld van het plan. En van de daaraan ten grondslag liggende gedachten. Dit maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het omgevingsplan
Het plangebied ligt in de kern Zuidveen. In de huidige situatie wordt de ruimtelijk-functionele structuur van de directe omgeving voornamelijk gekenmerkt door agrarische cultuurgronden en woonerven. Aan de oost- en westzijde grenst het plangebied aan een woonerf. Aan de overige zijden wordt het plangebied begrensd door agrarische cultuurgronden.
Het plangebied zelf bestaat uit voormalig agrarische bebouwing. Het betreft een gemeentelijk monument en op het perceel gelden cultuurhistorische waarden. Een bedrijfswoning met aangebouwde schuur met daaronder een mestkelder. Daarnaast is er een voormalig melkveestal, rijbak en mestbak aanwezig in het plangebied. Het overige deel van het erf bestaat uit een tuin, agrarische cultuurgrond en erfverharding. Er zijn twee inritten op de Burgemeester G.W. Stroïnkweg.
Het buurthuis aan de Burgemeester G.W. Stroïnkweg 44 wordt ook meegenomen in de planvorming. Het betreft buurthuis Eltekon. Het buurthuis is geschikt voor repetities en vergaderingen. Het buurthuis bestaat uit een gebouw met uitstraling van een woning en omliggende tuin.
Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Steenwijk, sectie N, perceelnummers 48 en 71. In afbeelding 2.1 is de ligging van het plangebied weergegeven ten opzichte van de kern Zuidveen (rode ster) en ten opzichte van de directe omgeving (rode omlijning). In afbeelding 2.2 is een luchtfoto van het plangebied weergegeven. De rode omlijning geeft het plangebied indicatief weer. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.
|
| Afbeelding 2.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving (Bron: plattekaart.nl, bewerkt) |
|
| Afbeelding 2.2 Luchtfoto plangebied (Bron: PDOK, bewerkt) |
Om het gewenste plan mogelijk te maken dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridische planologisch kader om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren.
Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van twee woningen binnen de bestaande, voormalige agrarische bebouwing. De hoeve heeft een monumentale status, en op het perceel gelden cultuurhistorische waarden. Voor nu wordt de ontwikkeling slechts planologisch mogelijk gemaakt. Voor de bouwtechnische uitwerking zal op een later moment de benodigde vergunning worden aangevraagd.
De woningen en bergingen worden binnen de huidige bebouwing ingepast. De voormalige melkveestal wordt omgevormd tot bergingen voor de woningen. De mestbak wordt verwijderd. Hiermee blijven de aanwezige cultuurhistorische waarden behouden. Daarnaast wordt het bestaande groen gehandhaafd en aangevuld om het geheel passend in de omgeving te integreren.
Omdat de woningen binnen de bestaande bebouwing worden ingepast en de verbouwing inpandig plaatsvindt, blijft de cultuurhistorische waarde behouden. Voor eventuele verdere aanpassingen wordt de gemeentelijke adviescommissie geraadpleegd.
Er worden in totaal zes parkeerplaatsen gerealiseerd voor de woningen in de hoeve, achter op het erf. De woningen worden ontsloten via de bestaande uitrit aan de Burgemeester G.W. Stroïnkweg. De tweede inrit wordt verwijderd. Elke woning beschikt over een eigen tuin aan de oostzijde van het plangebied, en daarnaast is er een gezamenlijke tuin voor de bewoners. De bestaande rijbak aan de oostzijde van het plangebied wordt gesaneerd en verandert in agrarische cultuurgrond. De situatie van de agrarische cultuurgronden blijft ongewijzigd.
Het buurthuis aan de Burgemeester G.W. Stroïnkweg 44 wordt ook meegenomen in de planvorming. De huidige maatschappelijke functie wordt omgezet naar een woonfunctie. Er vinden geen ingrepen plaats aan de bebouwing. Het buurthuis blijft nog vier jaar operationeel (tot 1 mei 2029). Daarna wordt het pand verkocht om gebruikt te worden als reguliere woning. In de toekomstige situatie worden hier twee parkeerplaatsen toegevoegd. Deze parkeerplaatsen zijn bereikbaar via het gezamenlijke inrit met de twee woningen in de oude hoeve.
De gewenste situatie is weergegeven in afbeelding 2.3, hierin zijn met blauwe kaders ook de beoogde erfgrenzen aangegeven. In deze afbeelding is ook een rood kader te zien dat een bouwvlak aanduidt. Dit betreft echter het voormalige bouwvlak, niet het nieuwe beoogde bouwvlak. Dit wordt hier vermeld om misverstanden te voorkomen.
|
| Afbeelding 2.3 Situatietekening beoogde situatie (Bron: Architectenbureau van Ruth) |
Het plangebied ligt in het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. Ter plaatse is sprake van het tijdelijk omgevingsplan, zoals deze sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de onderdelen van het omgevingsplan die het meest relevant zijn.
| Naam | Vaststellingsdatum | |
| Omgevingsplan gemeente Steenwijkerland | In werking vanaf 29 mei 2024 | |
| Correctieve herziening wonen bestemmingsplan Noordelijke kernen | 25 januari 2022 | |
| Veegplan Noordelijke Kernen | 10 mei 2016 | |
| bestemmingsplan Noordelijke kernen | 4 december 2012 | |
Voor de duiding van het planologisch regime is met name het “bestemmingsplan Noordelijke kernen” relevant. Het hieropvolgende veegplan en correctieve herziening brengt weinig relevante veranderingen met zich mee voor het plangebied, daarom wordt hier niet verder op ingegaan. Hierna is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is hierin met een rode contour weergegeven.
Afbeelding 2.4 Uitsnede plankaart bestemmingsplan ''bestemmingsplan Noordelijke kernen'' (Bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerkt)
Bestemmingen
Omdat dit bestemmingsplan is opgenomen in het tijdelijke gedeelte van het omgevingsplan wordt er nog gesproken over bestemmingen in plaats van functies. Ter plaatse is sprake van de volgende bestemmingen:
'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'
De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijven, met daaraan ondergeschikt agrarisch hobbymatig gebruik, perceelsontsluitingswegen, recreatief medegebruik, en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het agrarische erf is bovendien voorzien van bouwvlak. Gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd.
'Maatschappelijk'
De voor maatschappelijke doeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor voorzieningen op het gebied van bibliotheek, gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs, sociaal-culturele activiteiten, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, welzijn en zorg, eventueel aangevuld met bijbehorende groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
De bestemming is voorzien van bouwvlak. Daarnaast geldt een maximum bouwhoogte van 9 meter en maximum goothoogte van 3,5 meter.
'Waarde - Archeologie 2'
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden.
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor een of meerdere bouwwerken waarbij grond geroerd wordt met een (gezamenlijk) geroerde oppervlakte groter dan 250 m2 of meer, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag zullen worden verstoord, in voldoende mate zijn vastgesteld. Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat de betreffende gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.
'Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen'
De voor 'Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden.
Bovendien geldt ter plaatse de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument'. De hoeve heeft een monumentale status.
Strijdigheid
Het planvoornemen is in strijd met de bouw en gebruiksregels uit het omgevingsplan. Het transformeren van de boerderij en buurthuis naar drie reguliere woningen met bijbehorende voorzieningen is niet toegestaan binnen de bestemmingen 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en 'Maatschappelijk'. Om het planvoornemen mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kaders om de ontwikkeling mogelijk te maken.
Het doel van de wijziging is om drie woningen in voormalig agrarische bebouwing en buurthuis te realiseren met bijbehorende voorzieningen. De agrarische bebouwing betreft een hoeve met monumentale status en op het perceel gelden cultuurhistorische waarden, die behouden blijven. Dit is ook uiteengezet in paragraaf 2.3. Het doel van de wijziging is om dit planologisch mogelijk te maken.
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal, regionaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:
In de NOVI is aangegeven dat het vorm geven van de opgaven nodig is op een lager schaalniveau. De aangewezen regio's werken samen met de provincies aan ruimtelijke voorstellen. Vervolgens wordt er gekeken of alle losse plannen bij elkaar tot een duurzaam landelijk beeld leiden. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX en het programma Mooi Nederland.
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl artikel 5.129g) is bepaalt dat de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna 'de Ladder') als instructieregel van toepassing is op plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het volledige kader is in paragraaf 4.2 uiteengezet.
De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen. Er is daarmee geen sprake van strijd met het rijksbeleid.
De Ladder voor duurzame verstedelijking dient als een instrument binnen het bredere kader van de NOVI om ruimtelijke verstedelijkingskeuzes transparant en verantwoord te maken, in lijn met de nationale doelstellingen voor een duurzame en gezonde leefomgeving. Hierdoor versterken beide instrumenten elkaar in het stimuleren van duurzame stedelijke groei en het beschermen van leef- en natuurkwaliteit. In paragraaf 4.2 wordt hier verder op ingegaan.
In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 en 4 zijn reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
Iedere provincie in Nederland stelt een omgevingsvisie op: een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de provinciale visie op de ruimte in Overijssel. Daarin worden uitspraken gedaan over ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur. In de Omgevingsverordening staan de regels die ervoor zorgen dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening wordt gehouden met het provinciale beleid
De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Leidende thema’s voor de Omgevingsvisie zijn:
Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de visie wordt het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel' gebruikt. In het uitvoeringsmodel staan de stappen 'of' (generieke beleidskeuzes), 'waar' (ontwikkelingsperspectieven) en 'hoe' (gebiedskenmerken) centraal.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten is de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat het beleid van de Omgevingsvisie geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes vastgelegd. Deze zijn doorvertaald in regels van de Omgevingsverordening.
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 3.1 geeft dit schematisch weer.
|
| Afbeelding 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Bij de afweging in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” is met name 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Op de artikelen wordt hierna nader ingegaan.
Artikel 4.4: Principe van concentratie
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Overijssel
De ontwikkeling ziet toe op een locatie binnen de bebouwde kom van Zuidveen. Zoals hierna blijkt uit het ter plekke geldende 'ontwikkelperspectief' en het ter plekke geldende gebiedskenmerk van de 'stedelijke laag'.
Een gedeelte van het plangebied betreft agrarische cultuurgronden, hier gelden niet-stedelijke 'ontwikkelperspectieven' en geldt ook geen kenmerk voor de 'stedelijke laag'. Dit blijven echter agrarische cultuurgronden en hier vinden geen fysieke ingrepen plaats.
Met de ontwikkeling worden drie woningen gerealiseerd in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en buurthuis. Uit paragraaf 3.4.2 blijkt dat de ontwikkeling aansluit bij de lokale woningbouwbehoefte. Op deze plek wordt geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel
De ontwikkeling ziet toe op een locatie binnen de bebouwde kom van Zuidveen. Zoals hierna blijkt uit het ter plekke geldende 'ontwikkelperspectief' en het ter plekke geldende gebiedskenmerk van de 'stedelijke laag'. Met de ontwikkeling worden drie woningen gerealiseerd in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en buurthuis. Het betreft een inpandige verbouwing. Voor de woning in het buurthuis wordt vermeldt dat hiervoor geen fysieke ingrepen zullen plaatsvinden. Bovendien worden met voorgenomen ontwikkeling geen extra bebouwingsmogelijkheden toegevoegd.
Een gedeelte van het plangebied betreft agrarische cultuurgronden, hier gelden niet-stedelijke 'ontwikkelperspectieven' en geldt ook geen kenmerk voor de 'stedelijke laag'. Dit blijven echter agrarische cultuurgronden en hier vinden geen fysieke ingrepen plaats.
Hierdoor is er sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Uit paragraaf 3.4.2 blijkt dat de ontwikkeling aansluit bij de lokale woningbouwbehoefte. Op deze plek wordt geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.6: Toekomstbestendigheid
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.6 van de Omgevingsverordening Overijssel
De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de woningbehoefte in zowel de gemeente Steenwijkerland als de kern Zuidveen. Door de groene inrichting en het behoud van bestaande bomen wordt een klimaatadaptief plan gerealiseerd, waarbij rekening is gehouden met wateroverlast en hittebestendigheid. Daarnaast worden de woningen gasloos en voldoen ze aan de nieuwste BENG-normen.
Voor de woning in het buurthuis geldt dat er in eerste instantie geen fysieke aanpassingen zullen plaatsvinden. Wel wordt verwacht dat toekomstige eigenaren het pand op termijn zullen verduurzamen, bijvoorbeeld door het treffen van energiebesparende maatregelen en het verbeteren van het wooncomfort.
Een gemeentelijk monument wordt gemoderniseerd om toekomstbestendig te blijven, waardoor het cultureel erfgoed op duurzame wijze behouden blijft. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 4.6 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.14: Woonafspraken
Toetsing van het initiatief aan artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel
Uit paragraaf 3.3.1 en 3.4.2 blijkt dat de ontwikkeling aansluit bij de lokale woningbouwbehoefte. Op deze plek wordt geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met artikel 4.14 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Het plangebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel het ontwikkelingsperspectieven 'Woon en werklocaties buiten de stedelijke netwerken', 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' en 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen waarbij het plangebied indicatief met rode contour is aangegeven.
|
| Afbeelding 3.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) |
“Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken”
De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
"Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap"
Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities:
"Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap"
Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden.
Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering).
Toetsing van het initiatief aan ontwikkelingsperspectieven.
Met de ontwikkeling worden drie woningen gerealiseerd in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en een buurthuis in de kern Zuidveen. Het betreft een inpandige verbouwing. Bovendien worden met voorgenomen ontwikkeling geen extra bebouwingsmogelijkheden toegevoegd. Voor de woning in het buurthuis geldt dat er in eerste instantie geen fysieke aanpassingen zullen plaatsvinden.
Een gedeelte van het plangebied betreft agrarische cultuurgronden, hier gelden niet-stedelijke 'ontwikkelperspectieven'. Dit blijven echter agrarische cultuurgronden en hier vinden geen fysieke ingrepen plaats. Agrarische cultuurgronden zijn passend binnen deze ontwikkelperspectieven. Hierdoor is er geen sprake van een extra ruimtebeslag op de groene omgeving.
Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen in lijn is met de ter plaatse van toepassing zijnde ontwikkelingsperspectieven.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Aangezien er geen gebiedskenmerken zijn geduid op de gebiedskenmerken kaart voor de 'Laag van beleving', kan deze buiten beschouwing worden gelaten.
1. De "Natuurlijke laag"
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur.
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de 'Natuurlijke laag' aangeduid met de gebiedstype 'Stuwwallen'. In afbeelding 3.3 is dat aangegeven.
|
| Afbeelding 3.3: De 'Natuurlijke laag' (Bron: Provincie Overijssel) |
“Stuwwallen”
De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwalen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de 'ingangen' van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. Zo bestaan de Twentse stuwallen voor een groot deel uit tertiaire (zee)klei en keileem. Hierdoor zijn ze overwegend nat en komen er talrijke brongebieden voor.
Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag'
De gronden binnen het plangebied zijn grotendeels gecultiveerd. De van oorsprong voorkomende ‘Natuurlijke laag’ is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig en kunnen realistisch gezien ook niet meer worden teruggebracht.
Geconcludeerd kan worden dat hiermee voldoende rekening is gehouden met de gebiedskenmerken ten aanzien van de ‘Natuurlijke laag’.
2. De "Laag van het agrarisch cultuurlandschap"
In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Bij de ontwikkeling van de cultuurlandschappen hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ aangeduid met het gebiedstype 'Essenlandschap’. In afbeelding 3.4 wordt dit weergegeven.
|
| Afbeelding 3.4: De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' (Bron: Provincie Overijssel) |
“Essenlandschap”
Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, – voormalige – heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd.
Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk.
Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'
Met de ontwikkeling worden drie woningen gerealiseerd in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en een buurthuis in de kern Zuidveen. Het betreft een inpandige verbouwing. Bovendien worden met voorgenomen ontwikkeling geen extra bebouwingsmogelijkheden toegevoegd. Voor de woning in het buurthuis geldt dat er in eerste instantie geen fysieke aanpassingen zullen plaatsvinden.
Een deel van het plangebied bestaat uit agrarische cultuurgronden. Deze gronden behouden hun agrarische functie en blijven ongewijzigd, zonder fysieke ingrepen. Hierdoor ontstaat geen extra ruimtebeslag op de groene omgeving.
Het verhard oppervlak op het perceel neemt niet toe, waardoor het cultuurlandschap niet wordt aangetast. Concluderend is hiermee voldoende rekening gehouden met de kenmerken van de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’.
3. De “Stedelijke Laag”
De ‘Stedelijke laag’ is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden.
De ligging van een stad of dorp in het landschap, op een kruispunt van infrastructuur of in de nabijheid van grondstoffen speelt een belangrijke rol in het functioneren ervan. Efficiëntie en bereikbaarheid zijn belangrijke vestigingsfactoren, maar daarbij wordt de kwaliteit, eigenheid en het onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker.
De ontstaansgeschiedenis is medebepalend voor de huidige identiteit en terug te vinden in de ruimtelijke opbouw van de kernen, maar ook in de economische en sociale dynamiek. Daarnaast hebben door de tijd heen veranderende ideeën over de ideale vormgeving van de stad invloed gehad op de ruimtelijke opbouw. Cultuurhistorisch of architectonisch waardevolle gebouwen en structuren zijn hierbij vaak bepalend voor de stedelijke identiteit en de belevingswaarde voor bewoners en bezoekers. Zo is in Overijssel een rijk palet ontstaan aan onderscheidende steden en dorpen. Elk met een eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteit.
Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Stedelijke laag’ aangeduid met het gebiedstype 'Woonwijken 1955 - nu'. In afbeelding 3.5 wordt dit weergegeven.
|
| Afbeelding 3.5: De 'Stedelijke laag' (Bron: Provincie Overijssel) |
“Woonwijken 1955 – nu”
De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes.
Als ontwikkelingen plaatsvinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.
Toetsing van het initiatief aan de 'Stedelijke laag'
De herontwikkeling van de voormalig agrarische bedrijfsbebouwing en het buurthuis sluit zowel functioneel als stedenbouwkundig aan op de ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving, waar voornamelijk woonerven met voormalig agrarische bebouwing aanwezig zijn. De voorgestelde herontwikkeling draagt bij aan een passend woonmilieu.
Concreet betreft het de realisatie drie woningen gerealiseerd in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en een buurthuis in de kern Zuidveen. Het betreft een inpandige verbouwing. Bovendien worden met voorgenomen ontwikkeling geen extra bebouwingsmogelijkheden toegevoegd. Voor de woning in het buurthuis geldt dat er in eerste instantie geen fysieke aanpassingen zullen plaatsvinden. De agrarische bedrijfsbebouwing betreft een hoeve met monumentale status en cultuurhistorische waarden. Doordat de verbouwing inpandig plaatsvindt, blijft de cultuurhistorische waarde behouden. Voor verdere aanpassingen wordt de gemeentelijke adviescommissie geraadpleegd.
Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling goed aansluit bij het bestaande karakter van de omgeving en volledig past binnen de categorie ‘Stedelijke laag’.
De conclusie is dat de in dit voorliggend wijzigingsbesluit besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.
De Woondeal West-Overijssel (2025-2030) is een regionale afspraak tussen gemeenten, provincie en het Rijk, gericht op het versneld bouwen van woningen. De deal legt nadruk op kwaliteit, betaalbaarheid (30% sociale huur, 40% middenhuur/betaalbaar koop, 30% vrije sector), duurzaamheid en passende woonvormen voor verschillende doelgroepen, waaronder ouderen en flexwoners. Er zijn 50 sleutelprojecten aangewezen, verspreid over de regio, die samen 24.210 woningen bijdragen aan deze opgave. Gemeenten en provincie werken samen aan knelpunten, planvorming en monitoring, ondersteund door provinciale teams en netwerken zoals de Bouwbrigade en Brede Bouwcoalitie.
West-Overijssel wil als regio tot 2030 een groei van 35.000 - 40.000 huishoudens accommoderen. De gemeenten in West-Overijssel hebben samen tot 2030 een kleine 26.000 woningen in harde en zachte plancapaciteit. Dat betekent dat naast het realiseren van harde en zachte plannen ingezet zal worden op het toevoegen van extra plancapaciteit voor 9.000 - 14.000 woningen in West-Overijssel in de periode tot 2030. Hiervan is ongeveer de helft (5.500) voor autonome behoefte en ongeveer de helft voor de extra (verstedelijkings)ambities.
Specifiek voor Steenwijkerland:
Deze gemeente heeft in de periode 2022-2024 circa 375 woningen gerealiseerd. Tot 2030 zijn er twee sleutelprojecten: Steenwijk Zuidoost (240 woningen) en Vollenhove (240 woningen). Na 2030 staat het Stationsgebied in Steenwijk als belangrijke uitbreiding gepland (350 woningen). Steenwijkerland draagt zo bij aan de regionale doelen, maar blijft afhankelijk van provinciale steun en het wegnemen van (landelijke) barrières, zoals capaciteit, regelgeving en investeringen in infrastructuur en voorzieningen.
De ontwikkeling past binnen de regionale woningbouwamities van West-Overijssel. Het omzetten van zowel de voormalig agrarische bebouwing als het buurthuis sluit aan bij het streven naar verhoging van de woningvoorraad, waarbij bestaande bebouwing wordt benut. Met het erfinrichtingsplan wordt aangesloten op de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied. Gezien de landelijke en provinciale aandacht voor het versnellen van woningbouw, het creëren van voldoende plancapaciteit en het waarborgen van kwaliteit (zoals bij monumenten), is dit plan conform de Woonagenda West-Overijssel
De conclusie is dat de in dit voorliggend wijzigingsbesluit besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het regionale ruimtelijk beleid.
De Omgevingsvisie richt zich op de fysieke omgeving: de ruimte waarin bewoners, bezoekers, instellingen en ondernemingen van de gemeente zich bevinden en het leefgebied van mensen, planten en dieren. De gemeente Steenwijkerland wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit wordt gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving.
Voorloper van de Omgevingsvisie was de Strategische Toekomstvisie 2030. De strategische toekomstvisie bevatte een integrale (en globale) visie op de ontwikkeling van de hele gemeente tot 2030. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Toekomstvisie was dat de kwaliteit van Steenwijkerland leidend is voor de toekomstige ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de versterking van Steenwijkerland. De Strategische Toekomstvisie is geïntegreerd in de Omgevingsvisie 2017.
Doel van de Omgevingsvisie is de leefbaarheid en de economische kracht van de gemeente te vergroten door de omgevingskwaliteiten van de gemeente te behouden en te versterken. Deze ambitie is er niet een van verre horizonten, maar juist een van realisme en aansluiten bij de identiteit. In samenwerking met inwoners, ondernemers en overheid wil de gemeente de kansen benutten die Steenwijkerland biedt.
De omgevingsvisie stelt dat iedere kern zijn eigen karakter heeft en wenst te behouden. Verwacht wordt dat in 2030 minder mensen in de kleine kernen wonen dan in 2017. Het gewenste beeld is dat jongeren, ouderen en gezinnen door elkaar heen wonen, en dat de woningvoorraad aansluit bij de behoefte. Niet zozeer door nieuwbouw maar door transformatie van vastgoed. Verwacht wordt dat woningen in de loop van de jaren zijn veranderd doordat aansluiting is gezocht bij innovatieve woonvormen. De kwaliteit van de woningen is verbeterd, er zijn slimme woon- en werkoplossingen bedacht en de woningen zijn duurzaam en met het oog op een zo gering mogelijk energieverbruik verbouwd.
In dit geval is met name de opgave leegkomend vastgoed krijgt een nieuwe functie relevant. Steenwijkerland wil tegemoetkomen aan de woonbehoefte van inwoners door ruimte te bieden aan het aanpassen van woningen. Om te zorgen dat ook jongeren in de gemeente kunnen blijven wonen, is dus een aanpassing nodig in het bestand: goedkoper, kleiner en duurzamer. Voor het vergrijzende bevolkingsdeel van de gemeente, zal het initiatief van de woningaanpassing (van de bestaande woning) vanuit de huiseigenaren en/of huurders zelf moeten komen.
Er ligt een stevige opgave om leegstand en verpaupering in de kernen tegen te gaan en de leefbaarheid op het huidige niveau te houden. Daarom geven we meer ruimte aan initiatiefnemers dan nu het geval is, om leegstaande gebouwen als scholen, kantoorpanden en leegstaande winkels om te vormen naar wonen of andere functies. Hiervoor is nodig dat het huidig planologisch kader tegen het licht wordt gehouden en beperkende regels worden aangepast: je kunt denken aan regelvrije zones, beperkte regelzones en strikte regelzones.
De Omgevingsvisie van Steenwijkerland stimuleert de transformatie van leegstaande panden om tegemoet te komen aan de woningvraag binnen de kleine kernen. Dit is geformuleerd in de ambitie: elke kern een eigen karakter. In dit geval betreft het de herbestemming van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen naar twee woningen, waarbij de cultuurhistorische waarden van het monument behouden blijven. Daarnaast wordt ook in het buurthuis op termijn een woning gerealiseerd. Hier vinden in eerste instantie geen fysieke ingrepen plaats. Het buurthuis blijft nog vier jaar operationeel.
Deze ontwikkeling draagt bij aan de woningbehoefte in zowel de gemeente Steenwijkerland als de kern Zuidveen. Daarnaast wordt met de groene inrichting en het behoud van bestaande bomen een klimaatadaptief plan gerealiseerd, waarin rekening is gehouden met wateroverlast en hitte. De woningen in de boerderij worden volledig gasloos en voldoen aan de nieuwste BENG-normen, wat resulteert in duurzaam en energiezuinig wonen. Voor de woning in het buurthuis wordt verwacht dat toekomstige eigenaren het pand op termijn zullen verduurzamen, bijvoorbeeld door het treffen van energiebesparende maatregelen en het verbeteren van het wooncomfort.
Hiermee versterkt het plan de leefbaarheid en toekomstbestendigheid van Zuidveen. In paragraaf 3.4.2 wordt onderbouwd dat de ontwikkeling aansluit bij de woningvraag.
Geconcludeerd wordt dat de in voorliggende motivering besloten ontwikkeling aansluit bij de Omgevingsvisie Steenwijkerland.
In de woonagenda staat concreet verwoord waar de gemeente Steenwijkerland in de periode 2022-2026 op in wil zetten op het gebied van woningbouw. De woonagenda dient ook als basis voor het maken van nieuwe prestatieafspraken met de woningcorporaties. Deze woonagenda is daarnaast input voor de gemeentelijke omgevingsvisie en het omgevingsplan. De Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026 volgt de Woonvisie Steenwijkerland 2017-2021 op.
Een passende woning voor iedereen
De woningmarkt in Steenwijkerland wordt momenteel gedomineerd door schaarste, vooral op de koopmarkt. Dit is een compleet andere werkelijkheid dan was voorzien in de voorgaande beleidsperiode. In de woonvisie 2017-2021 werd slechts een beperkte groei voorzien en in een aantal kernen zelfs krimp. De huidige schaarste is het gevolg van een combinatie van factoren zoals achterblijvende woningbouw o.a. als gevolg van de crisis in het afgelopen decennium, maar ook door verdunning van huishoudens, o.a. door vergrijzing. Om aan de lokale woningvraag te kunnen voldoen moet er tot 2031 in Steenwijkerland nog 1.735 woningen worden toegevoegd, waarvan 1.435 koopwoningen. Als gevolg van de keuze voor faciliterend grondbeleid en een toename van de verkopen is de voorraad gemeentelijke kavels in grondexploitaties in de afgelopen vijf jaren gedaald van 450 naar 185 kavels. Voor enkele grondexploitaties zijn nu geen kavels meer beschikbaar.
De vraag naar woningen is er in alle kernen, maar is het grootst in de kernen met dagelijkse en niet-dagelijkse voorzieningen: Steenwijk, Vollenhove en Oldemarkt. In de meeste kernen zijn er onvoldoende woningbouwplannen om in de vraag te voorzien. Alleen voor Steenwijk geldt dat de plannen voor woningbouw, qua aantallen redelijk in lijn zijn met de vraag. Qua type woningen is er vooral vraag naar woningen voor kleine huishoudens: betaalbare woningen voor starters en vooral: grondgebonden woningen met slaap- en badkamer beneden en een kleine tuin (patiowoningen) voor ouderen en andere kleine 1 of 2-persoonshuishoudens. Door woningen voor kleine huishoudens toe te voegen zet de gemeente in op doorstroming van kleinere huishoudens vanuit hun gezinswoning naar een meer compacte woning. Hierdoor komen er gezinswoningen vrij voor gezinnen: de laatste paar jaren neemt het aantal (jonge) gezinnen in Steenwijkerland weer toe. De verwachting is dat deze trend de komende jaren nog doorzet.
Versnellingsaanpak voor uitvoeren van woningbouwplannen
De opgave om tot voor de lokale vraag 1.735 woningen te realiseren voor de lokale vraag is fors. In de woonagenda West-Overijssel is afgesproken dat de gemeente Steenwijkerland tot en met 2025 vooral inzetten op het realiseren van de huidige harde en zachte plancapaciteit (ca. 1.000 woningen). Daarnaast is er een aanvullende opgave van 700 woningen die nog niet in woningbouwplannen zijn vervat. De ambitie is om de komende 5 jaren tenminste 2/3 van de behoefte tot 2031 te realiseren, dat is ca. 1.160 woningen. Dit betekent dat er de komende vijf jaren gemiddeld tenminste ca. 230 woningen moeten worden toegevoegd, daar waar het gemiddelde van de afgelopen jaren op een realisatie van ca. 135 woningen ligt. Dit vraagt om een stevige extra inzet en focus.
De gemeente gaat extra inzet leveren op realisatie van de bestaande harde en zachte plancapaciteit en nieuwe plancapaciteit en het vlot doorlopen van planprocedures. De gemeente maakt hiervoor voldoende capaciteit en kennis beschikbaar en streven, vooruitlopend op de Omgevingswet, naar verkorting van de planprocedures en het sneller doorlopen van de planprocessen.
Vergroten toegankelijkheid en slaagkansen woningmarkt
Naast het realiseren van voldoende en passende woningen, gaat het in de woningmarkt ook om toegankelijkheid en betaalbaarheid. Met name starters op de woningmarkt, jonge huishoudens en mensen met de laagste inkomens hebben steeds meer moeite om een woning te vinden. De gemeente zet in de woningprogrammering met prioriteit in op het faciliteren van goedkope koopwoningen voor starters op de woningmarkt, om hen zoveel mogelijk een kans te bieden in de eigen omgeving te kunnen blijven wonen. De gemeentelijke regeling startersleningen wordt voor deze groep in stand gehouden.
In de woningprogrammering borgt de gemeente dat, conform de afspraken in de woonagenda West-Overijssel, minimaal 30% van de nieuwbouw in de sociale huursector of goedkope koop wordt gerealiseerd.
Sterke kernen
Het woningmarktonderzoek uit 2022 toont aan dat in Steenwijkerland de woningvraag het grootst is in kernen met een goede bereikbaarheid en voldoende voorzieningen als supermarkt, basisschool of huisarts. De groei concentreert zich daardoor in de 'voorzieningenkernen' Steenwijk (inclusief Tuk), Vollenhove en Oldemarkt en de 'basiskernen' Steenwijkerwold, Blokzijl, Sint Jansklooster en Giethoorn. De basiskernen kennen wel voorzieningen, maar minder dan de voorzieningenkernen. De 'woonkernen' zijn het kleinst, hebben vaak geen supermarkt en ook weinig andere voorzieningen. Deze kernen zijn in het woningmarktonderzoek ingedeeld in de clusters Noordoost, Noordwest en Zuid en de woningbehoefte voor deze kernen is per cluster aangegeven.
Wat nieuwe ontwikkelingen betreft richt de gemeente zich zoveel mogelijk op woonmilieus die aansluiten bij het bijzondere karakter en landschap van Steenwijkerland. Woonmilieus die passen bij de identiteit van het gebied en de kwaliteiten van het landschap.
Elk half jaar evalueert de gemeente Steenwijkerland de stand van zaken van de uitvoering voor woningbouw. De meest recente evaluatie is per januari 2025. De resultaten hiervan worden hieronder besproken.
Zuidveen is onderdeel van kleine kernen noordoost. In de stand van zaken per 1 juli 2024 wordt benoemd dat er voor de kleinen kernen noordoost nog niet voldoende plannen zijn. In onderstaande tabel wordt de woningbehoefte voor de kleine kernen noordoost weergegeven.
Er is behoefte aan zo'n 70-100 koopwoningen. Benadrukt wordt dat de nadruk ligt op het bouwen van woningen voor kleine huishoudens, betaalbare woningen voor starters en vooral grondgebonden woningen met een slaap- en badkamer op de begane grond en een kleine tuin die geschikt is voor ouderen en andere kleine 1- of 2 persoonshuishoudens.
In onderstaande tabel wordt voor het cluster noordoost uiteengezet wat de behoefte is en de verdeling in harde en zachte plannen.
In Zuidveen, De Pol en Willemsoord is nog harde plancapaciteit voor totaal 6 woningen. Voor de woonbehoefte voor koopwoningen in het cluster Noordoost is nog ruimte voor nieuwe plannen. In alle kernen is sprake van maatwerk. Dit vraagt nauwe samenwerking met en ondersteuning van lokale initiatieven.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van drie reguliere woningen in de kern Zuidveen. Hiermee wordt bijgedragen aan de kwantitatieve woningbehoefte van zowel Zuidveen als de gemeente Steenwijkerland.
Het betreffen koopwoningen. Hiermee sluit het plan tevens aan bij de kwalitatieve woningbehoefte binnen de gemeente Steenwijkerland.
Bovendien wordt een woonmilieu gecreëerd dat goed past binnen de omgeving van het plangebied. Het gemeentelijke monument en de bijbehorende cultuurhistorische waarden blijven behouden.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Woonagenda Steenwijkerland 2022-2026.
De gemeente Steenwijkerland wil zorgvuldig omgaan met de bebouwing in de gemeente. Zij wil ook haar inwoners inspireren en stimuleren zorgvuldig om te gaan met verbouwingen aan hun gebouwde eigendommen. De welstandsnota biedt de inwoner en de aanvrager van een bouwaanvraag inzicht en verheldering over de beoordeling van (zijn of haar) bouwplannen.
Het welstandsbeleid is uitgewerkt in gebiedsgerichte welstandscriteria. Het plangebied ligt binnen het "Kamp"landschap in het stuwwallandschap tussen Steenwijk en Johannes Postkazerne.
Omdat binnen dit plan geen wijzigingen aan het uiterlijk van de bestaande bebouwing wordt voorzien, heeft het welstandsbeleid geen invloed op de uitvoerbaarheid van het plan.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid van de gemeente Steenwijkerland.
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gezondheid en het milieu worden beschermd. De aspecten sluiten aan op de onderdelen die zijn genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.
Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.
Onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van een gesloten lijstenstelsel voor de beoordeling van project-m.e.r. (milieueffectrapportage). Dit houdt in dat de projecten en besluiten die onder de project-m.e.r.-verplichting vallen, zijn opgenomen in de lijst bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hierin is onder andere het stedelijke ontwikkelingsproject opgenomen. De jurisprudentie met betrekking tot de ondergrens van het begrip 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' blijft onder de Omgevingswet van belang. Zo overweegt de Afdeling bijvoorbeeld dat de ontwikkeling van 12 woningen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd (ABRS 11 maart 2020, nr. 201901464/1/R1).
De voorgenomen ontwikkeling beoogt de transformatie van een voormalig agrarisch perceel naar woonfunctie. Daarnaast wordt regulier wonen toegestaan in het buurthuis. Hierbij worden binnen de bestaande agrarische bebouwing twee woningen gerealiseerd. Het betreft een inpandige verbouwing. Voor de woning in het buurthuis geldt dat er geen fysieke ingrepen zullen plaatsvinden.
Bovendien is, voor zover relevant in dit kader, sprake van een functie die geen aantasting veroorzaakt van het woon- en leefklimaat in de omgeving van omliggende woningen. Op basis van het voorgaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit wordt tevens bevestigd door de in dit hoofdstuk opgenomen milieu en omgevingsaspecten, evenals de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is. En of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De ladder is beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit geldt ook voor de reeds opgebouwde jurisprudentie. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling het toepassen van de ladder is vereist.
Voor de toetsing aan de ladder is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de begrippen:
'bestaand stedelijk gebied' is 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Een 'stedelijke ontwikkeling' is de 'ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is'.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat 'voldoende substantieel' is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’ (5.129g Bkl). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie.
Op het realiseren van woningen is ondermeer de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van respectievelijk 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met de ladder van duurzame verstedelijking.
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Parkeerkencijfers, publicatie 744 (augustus 2024)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.
De gemeente Steenwijkerland beschikt over een eigen parkeernota (Nota Parkeernormen 2015 gemeente Steenwijkerland). In deze nota wordt gebruikt gemaakt van de kencijfers zoals opgenomen in de CROW. In de Nota Parkeernormen 2015 is opgenomen dat bij stedelijke ontwikkelingen de minimumnorm zoals opgenomen in de CROW-publicatie wordt gehanteerd. De ervaring van de gemeente is dat met het hanteren van de minimumnormen er in de praktijk voldoende parkeerplaatsen zijn. Wat betreft de indeling voor stedelijke zones geeft artikel 2.3 van de Nota Parkeernormen aan dat bij de overige kernen binnen de gemeente worden aangemerkt als 'buitengebied'.
Voor de verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van de publicatie van CROW. Hierin wordt een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. Aangezien voor parkeren het minimum wordt gehanteerd, zal ook voor de verkeersgeneratie het minimum worden gehanteerd.
Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
De voorgenomen ontwikkeling ziet onder andere toe op het transformeren van de boerderij naar twee woningen. Het betreft het woningtype: 'Koop, twee-onder-een-kap'. Op basis van de 'Nota Parkeernormen 2015 gemeente Steenwijkerland' en de vorenstaande uitgangspunten dienen er 2 * 1,8 = 3,6 (afgerond 4) parkeerplaatsen op het erf aanwezig te zijn. In afbeelding 2.3 is te zien dat er in totaal zes parkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voorzien in de parkeerbehoefte.
Daarnaast wordt ook regulier wonen in het buurthuis mogelijk gemaakt. Het betreft een vrijstaande woning (type woning: 'Koop, vrijstaand'). Op basis van de basis van de 'Nota Parkeernormen 2015 gemeente Steenwijkerland' en de vorenstaande uitgangspunten dienen er 2 parkeerplaatsen op het erf aanwezig te zijn. Op het erf van het buurthuis is voldoende ruimte aanwezig om 2 auto's te parkeren.
De verkeersgeneratie bedraagt (2 * 7,4 = 14,6) + 8,2 = 23 verkeersbeweging per weekdagetmaal. De woningen in de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden ontsloten middels een gezamenlijk inrit op de Burgemeester G.W. Stroinkweg. Het extra inrit aan de oostzijde komt te vervallen. De woning in het buurthuis wordt middels een seperaat (nog aan te leggen) inrit ontsloten. Dit inrit wordt aangelegd wanneer het buurthuis niet meer operationeel is.
In de huidige situatie is er reeds een agrarisch bedrijf met bedrijfswoning planologisch teogestaan. Voor de bedrijfswoning geldt in de huidige situatie reeds een verkeersgeneratie van 7,4 (afgerond 8) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De CROW-publicatie kent geen kengetal voor de verkeersgeneratie van een 'agrarisch bedrijf'. Daarom is aangesloten bij de functie 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)'. Aangezien een agarisch bedrijf een bedrijf is met realtief weinig werknemers en bezoekers. In totaal heeft het bedrijf een BVO van circa 510 m2. Op basis van wat planologisch is toegestaan zouden er 0,51 * 4,8 = 2,448 (afgerond 3) verkeersbewegingen per weekdagetmaal plaatsvinden.
Daarnaast bevindt zich ter plaatse in de huidige situatie een buurthuis met een oppervlakte van zo'n 60 m2. De CROW-publicatie kent geen kengetal voor de verkeersgeneratie van een 'buurthuis'. Daarom is aangesloten bij de functie 'Theater/schouwburg'. In het buurthuis worden namelijk ook repetities en voorstellingen georganiseerd. Bij een BVO van 60 m2 zouden er op basis van wat planologisch is toegestaan 0,60 * 16,3 = 9,78 verkeersbewegingen per weekdagetmaal plaatsvinden.
In totaal zijn er in de huidige planologische situatie 12,228 (afgerond 13) verkeersbewegingen per weekdag etmaal toegestaan. De verkeersbewegingen van de agrarische activiteiten en het buurthuis vervallen. Dit betekent dat er sprake is van een geringe toenamevan verkeersbewegingen (23 - 13 = 10). Deze weg, en het onderliggend wegennet is van voldoende capaciteit om deze geringe verkeerstoename verkeersveilig af te wikkelen.
Met het planvoornemen is geen sprake van een beperkende werking op de omliggende infrastructuur en infrastructurele voorzieningen. Het plangebied heeft geen nadelige gevolgen voor parkeren en verkeer.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bedrijfswoningen zijn, net als reguliere woningen, geluidsgevoelige gebouwen zoals omschreven in artikel 3.21 van het Bkl, deze hoeft niet meer te worden getoetst. Dit betekent dat er slechts één extra geluidsgevoelig gebouw wordt toegevoegd. De voormalige bedrijfsowning wordt dan ook niet getoetst in onderstaande paragraaf.
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.
Weg- en railverkeerslawaai
In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:
De dichtstbijzijnde spoorweg bevindt zich op circa 1,6 kilometer afstand. Gelet op vorenstaande ligt het plangebied niet in een geluidsaandachtsgebied van een spoorweg, een nader onderzoek railverkeerslawaai is niet noodzakelijk.
Het plangebied bevindt zich in het geluidaandachtsgebied van de Burgemeester G.W. Stroïnkweg. Dit betreft een gemeentelijke weg waarvoor een standaardwaarde geldt van 53 dB. Hierna wordt eerst ingegaan op het wegverkeerslawaai voor de woningen aan de Burgemeester G.W. Stroïnkweg 46, daarna wordt ingegaan op het wegverkeerslawaai aan de Burgemeester G.W. Stroïnkweg 44.
Wegverkeerslawaai Burgemeester G.W. Stroïnkweg 46 (hoeve)
Voor de huidige geluidsbelasting op de toe te voegen woning als gevolg van de omliggende wegen is de Geluidskaart van Atlas Leefomgeving geraadpleegd. In afbeelding 4.1 is te zien dat de geluidsbelasting op de gevel van de toe te voegen woning ten hoogste 51 dB bedraagt.
De te realiseren woning moet beschikken over een gevelwering van 20 dB, zoals omschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Met deze minimale gevelwering bedraagt het binnenniveau 31 dB. Volgens het Bbl mag het toegestane niveau als gevolg van het gezamenlijke geluid maximaal 33 dB bedragen. Daarnaast wordt vermeldt dat deze woning geen opening heeft aan de zijde van de weg en dat de voormalige bedrijfswoning als buffer dient.
Met inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning.
|
| Afbeelding 4.1: Uitsnede geluidskaart (Bron: atlasleefomgeving.nl, bewerkt) |
Burgemeester G.W. Stroïnkweg 44 (voormalig buurthuis)
Voor de Burgemeester Stroïnkweg 44 (voormalig buurthuis) is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door BVA verkeersadviezen. De volledige rapportage is als Bijlage 1 aan deze motivering toegevoegd. Hierna worden de onderzoeksresultaten kort besproken.
Onderzoeksresultaten
Van het verkeer op de gezamenlijke wegen de standaardwaarde van 53 dB niet wordt overschreden. De maximale geluidbelasting op het te verbouwen pand bedraagt 51 dB. De berekende geluidsbelasting op de gevel van de woning blijft met 51 dB onder de standaardwaarde van 53 dB.
Met inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning.
Industrielawaai
In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Wat betreft de invloed van de in de omgeving aanwezige individuele bedrijvigheid/voorzieningen voor de voorgenomen ontwikkeling wordt verwezen naar onderstaande alinea’s.
Solitaire bedrijvigheid
Hieronder zal de geluidshinder van bestaande functies in de omgeving worden beschreven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden geluid uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In dit geval is er gezien de aard van de omgeving sprake van een ‘rustige woonwijk’. Opgemerkt wordt dat is gemeten tussen de gevel van de dichtstbijzijnde (te realiseren) woning en de bestemmingsvlakken van onderstaande bedrijven.
| Adres en functie |
Maximale toegelaten milieucategorie |
Richtafstand geluid |
Daadwerkelijke afstand (circa) |
| Burgemeester G.W. Stroïnkweg 52-52a Bedrijf - transportbedrijf |
3.1 | 50 m | 119 meter |
Gezien de bovenstaande tabel wordt er aan alle richtafstanden voor geluid voldaan. Gelet op vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Gelet op de aard en de omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIMB zoals omschreven in artikel 5.54 Bkl kan worden gesteld dat het project ‘niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging’. Toetsing aan de rijksomgevingswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof is niet nodig. Wel moet nog worden aangetoond dat het project binnen de NIBM-grens valt.
Met behulp van de Nibm-tool nog zichtbaar gemaakt dat het aspect luchtkwaliteit voldoet. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging kunnen worden beoordeeld. Met de NIBMtool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaalt worden of een activiteit of plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt.
Voor vrachtverkeer is gerekend met 3,0%. Gezien het voornemen uitsluitend de functie 'Wonen' betreft wordt verwacht dat het vrachtverkeer aanzienlijk lager zal liggen. Daarnaast is uitgegaan van de verkeersgeneratie die ontstaat door de drie woningen. In de huidige situatie is een agrarisch bedrijf en buurthuis planologisch toegestaan. Zoals in paragraaf 4.3.2 omschreven is er dus planologisch gezien sprake van slechts een geringe toename van verkeer.
Verder is het nog van belang of ook ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan een goede luchtkwaliteit om wonen toe te staan en of het Besluit gevoelige bestemmingen ook van toepassing is.
In de gehele gemeente Steenwijkerland wordt voldaan aan de landelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit, dus de lucht ter plaatse is van voldoende goede kwaliteit om een woning toe te staan. Daarbij wordt niet gebouwd voor een kwetsbare doelgroep zoals ouderen, zieken of kinderen, en is het besluit Gevoelige bestemmingen niet van toepassing.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Het plangebied is op circa 1,6 kilometer van de dichtstbijzijnde spoorweg gesitueerd. Gezien de ruime afstand tot het spoor wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit het aspect trillingshinder sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.
Veehouderijen
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:
De gemeente Steenwijkerland heeft geurbeleid waaraan getoetst moet worden. Deze is opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving Steenwijkerland. De locatie valt in gebiedstype II. Gebiedstype II zijn de linten, buurtschappen en recreatieterreinen.
Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rgv, wordt de geurhinder beoordeeld op grond van artikel 6, van de Wgv. In dat geval dient tenminste een minimale afstand tussen veehouderij en ‘geurgevoelig object’ te worden aangehouden. Het gaat hier om de afstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van het geurgevoelige object:
Indien een emissiepunt in de bestaande situatie (vigerende milieuvergunning/milieumelding) op kortere afstand van een geurgevoelig object is gelegen, geldt die kortere afstand als norm op dat geurgevoelige gebouw, met een minimum van 25 meter.
Voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de realisatie van geurgevoelige gebouwen. Een woning is namelijk een geurgevoelig gebouw.
Veehouderijen
De dichtstbijzijnde grondgebonden veehouderij bevindt zich aan de Burgemeester G.W. Stroïnkweg 34. Grondgebonden veehouderij zijn bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor. De veehouderij bevindt zich op circa 120 meter afstand. Aan de Burgemeester G.W. Stroïnkweg 58 bevindt zich eveneens een grondgebonden veehouderij, op circa 200 meter afstand. Gemeten vanaf het bouwvlak van de veehouderij tot aan de gevel van de te realiseren woningen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de afstand van 50 meter die geldt vanuit het geurbeleid van de gemeente.
Bovendien bevinden zich op het perceel aan de Burgemeester G.W. Stroïnkweg 34 twee mestsilo's. In tabel 22.3.20 van het omgevingsplan in combinatie met artikel 22.117 (Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand) is opgenomen dat er, afhankelijk van de gezamenlijke oppervlakte van mestopslag, of mestbassins binnen een veehouderij moet worden uitgegaan van een afstand van 50 of 100 meter tussen de beoogde geurgevoelige locatie en het agrarische bedrijfsperceel. Door de bestaande mestopslagen dient er in dit geval een afstand van 100 meter te worden aangehouden. Aan de afstand van 100 meter kan eveneens worden voldaan.
Voor de veehouderijen met geuremissiefactor geldt dat alle bedrijven in een straal van 2 kilometer moeten worden beschouwd. Binnen een straal van 900 meter bevinden zich immers geen veehouderijen met geuremissiefactor. Gezien de afstand en geuruitstoot van deze veehouderijen blijft de geurimmissie naar verwachting beneden de geurnormen die gelden in een niet concentratiegebied. Daarnaast wordt het plangebied omringd door geurgevoelige objecten. Daarom kan worden geconcludeerd dat geen van de veehouderijen in de omgeving worden beperkt door de voorliggende ontwikkeling.
Daarnaast wordt het plangebied omringd door geurgevoelige objecten. Daarom kan worden geconcludeerd dat geen van de veehouderijen in de omgeving worden beperkt door de voorliggende ontwikkeling.
Solitaire bedrijvigheid
Hieronder zal de geurhinder van bestaande functies in de omgeving worden beschreven, met uitzondering van de veehouderijen. Deze zijn immers hierboven al besproken. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden geluid uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In dit geval is er gezien de aard van de omgeving sprake van een ‘rustige woonwijk’. Opgemerkt wordt dat is gemeten tussen de gevel van de dichtstbijzijnde (te realiseren) woning en de bestemmingsvlakken van onderstaande bedrijven.
| Adres en functie |
Maximale toegelaten milieucategorie |
Richtafstand geur |
Daadwerkelijke afstand (circa) |
| Burgemeester G.W. Stroïnkweg 52-52a Bedrijf - transportbedrijf |
3.1 | 10 m | 119 meter |
Gezien de bovenstaande tabel wordt er aan alle richtafstanden voor geur voldaan. Gelet op vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het beschermen van de bodemkwaliteit is een onderdeel bij de afweging van de aspecten van de fysieke leefomgeving. Ter bescherming van de bodemkwaliteit zijn instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de kwaliteit van de bodem.
Ten behoeve van de ontwikkeling is door Koops Grondmechanica een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het voormalig agrarische perceel. Het buurthuis is niet meegenomen in het bodemonderzoek.
Het buurthuis en de maatschappelijke functie betreffen een perceel waarop het reeds is toegestaan dat mensen langdurig verblijven. Daarnaast vinden er geen fysieke ingrepen plaats. Een bodemonderzoek hiervoor kan dan ook achterwege blijven.
Het volledige rapport is als Bijlage 2 opgenomen. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan.
Onderzoeksresultaten
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen bij de verrichte boorlocaties en de analyses van de samengestelde grondmengmonsters en de grondwatermonster kan worden geconcludeerd dat de hypothese, gedeeltelijk correct is:
De lichte verontreinigingen in de grond en grondwater vormen geen verhoogde risico's voor devolksgezondheid en/of milieu. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt hoeven er geen beperkingen aan de gebruiks- c.q. bestemmingsmogelijkheden van het terrein te worden gesteld en vormen ons inziens derhalve geen belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning voor de voorgenomen bouwactiviteiten.
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij dit wijzigingsbesluit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
Aan hand van de externe veiligheidskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de externe veiligheidskaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met een rode ster weergegeven.
|
| Afbeelding 4.2: Uitsnede Risicokaart (Bron: atlasleefomgeving.nl, bewerkt) |
Zoals te zien op de risicokaart, is er binnen of nabij het plangebied geen sprake van risicobronnen. Het planvoornemen voorziet tevens niet in het toevoegen van een risicobron.
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027.
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als in het stedelijk gebied.
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.
Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2022-2026, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang.
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets (sinds de Omgevingswet het wateradvies), die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de motivering op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie..
Het doel van het wateradvies is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van het wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de 'Geen belang procedure' van toepassing is. Het plan betreft slechts een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Er is geen sprake van (grond)wateroverlast in de omgeving van het plan. Er is een waterschapsbelang.
Hemelwater
Het voornemen is om het hemelwater ter plaatse op te vangen en te laten infiltreren in de bodem. Op het eigen terrein is voldoende groen beschikbaar om dit te realiseren. De verharding in het plangebied neemt niet toe. Hoewel er in eerste instantie geen individuele voorzieningen voor waterberging worden aangelegd, is er voldoende ruimte om dit te doen mocht het later toch nodig blijken te zijn.
Afvalwater
Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijke riool.
Wateroverlast
Bij de verbouw van de woning wordt rekening gehouden met de eisen om eventueel wateroverlast tegen te gaan. Denk aan hoogteverschillen tussen de vloeren en grondwaterstanden.
Waterkwaliteit
Er worden tijdens de bouw- en gebruiksfase geen materialen gebruikt die de waterkwaliteit verminderen.
De voorgenomen ontwikkeling, het resultaat van het wateradvies is voorgelegd aan waterschap Drents Overijsselse Delta. Met de voorgenomen activiteit worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan instructieregels voor de gemeente. Deze gaan over:
De aspecten archeologie en cultuurhistorie (monumenten) worden hierna uitgewerkt.
In de Erfgoedwet staat een archeologische zorgplicht wanneer de bodem wordt verstoord. Er is dan onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
De gemeente Steenwijkerland heeft het archeologie beleid verwerkt in het bestemmingsplan in de vorm van dubbelbestemmingen. Het plangebied bevat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk voor een of meerdere bouwwerken waarbij grond geroerd wordt met een (gezamenlijk) geroerde oppervlakte groter dan 250 m2 binnen de bebouwde kom. In voorliggend geval wordt de onderzoeksdrempel niet overschreden. Er vinden immers geen grootschalige nieuwe bodemingrepen plaats. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
Er is geen sprake van een aantasting van archeologische waarden.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
De boerderij in het plangebied is een gemeentelijk monument. Tevens is het plangebied in het omgevingsplan Steenwijkerland voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen' en bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument'. Het betreft een hoeve met monumentale status en op het perceel gelden cultuurhistorische waarden. Doordat de verbouwing inpandig plaatsvindt, blijft de cultuurhistorische waarde behouden. Voor verdere aanpassingen wordt de gemeentelijke adviescommissie geraadpleegd. Dit is eveneens geborgd in de juridische regels van dit TAM-omgevingsplan.
Geconcludeerd wordt dat het voornemen in voldoende mate rekening houdt met de bescherming van cultuurhistorische waarden.
De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan.
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. In deze gebieden worden dieren, planten en hun leefomgeving beschermd. Activiteiten die significante negatieve gevolgen kunnen hebben voor deze gebieden worden gedefinieerd als een Natura 2000-activiteiten. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 5.1 lid e van de Omgevingswet vergunningplichtig
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied 'De Wieden', welke is gelegen op circa 800 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard, de omvang en de ligging binnen de kern van Zuidveen, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van directe invloed op dit natuurgebied. Om de mogelijke indirecte invloed te bepalen, onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot significante stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De zogeheten AERIUS-berekening is als Bijlage 3 bijgevoegd. In de komende alinea worden de belangrijkste conclusies uiteengezet.
Onderzoeksresultaten
Uit de berekening van de gereed fase en aanlegfase blijkt dat significante effecten zijn uitgesloten. Er is geen toename molN/ha/jr.. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De bescherming van het NNN kent geen externe werking.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het plan gaat, gezien het NNN geen externe werking kent, niet gepaard met aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.
Met dit TAM-omgevingsplan wordt toegezien op het planologisch toestaan van deze activiteiten. Met de uiteindelijke verbouwing zullen door de aan- en afvoer van materiaal, sloop- en bouwwerkzaamheden en de verdere herinrichting van het terrein wel effect hebben op de ter plaatse aanwezige natuurwaarden. Voordat deze activiteiten plaats zullen vinden, wordt een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd.
Het plan heeft naar verwachting geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, het NNN of beschermde soorten. Met de uiteindelijke verbouwing zullen door de aan- en afvoer van materiaal, sloop- en bouwwerkzaamheden en de verdere herinrichting van het terrein wel effect hebben op de ter plaatse aanwezige natuurwaarden. Voordat deze activiteiten plaats zullen vinden, wordt een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd.
Duurzaamheidthema's zoals energie- en waterbesparing, aandacht voor langzaam verkeer en groenvoorzieningen, zuinig grondstoffengebruik, efficiënt ruimtegebruik en duurzaam bouwen, zullen met name bij nieuwbouwplannen en herinrichting een belangrijke plaats toegekend krijgen.
Ontwikkeling van duurzaamheid past in de ontwikkeling die het duurzaamheidsdenken nu ook landelijk doormaakt en waarbij ook steeds meer de eisen als negatieve prikkel omgezet worden in een positieve benadering in de vorm van wijzen op de kwaliteit van het gebouw, op (woon-)comfort, het binnenmilieu in het algemeen, op gezond wonen en leven.
Het voorgenomen initiatief beoogt de transformatie van het plangebied, waarbij aanwezige voormalig agrarische bedrijfsbebouwing een woonfunctie krijgen. Er zal geen extra verharde oppervlakte worden toegevoegd. Bovendien zullen de erven landschappelijk worden ingepast, waarbij extra groenvoorziening wordt toegevoegd.
Gelet op vorenstaand heeft de ontwikkeling slechts een beperkte invloed op de waterhuishouding van het gebied. Er blijft voldoende ruimte beschikbaar voor wateropslag, infiltratie en afvoer. Bovendien zullen de groenvoorzieningen bijdragen aan een verhoogde biodiversiteit.
Door de groene inrichting en het behoud van bestaande bomen wordt een klimaatadaptief plan gerealiseerd, waarbij rekening is gehouden met wateroverlast en hittebestendigheid. Daarnaast worden de woningen gasloos en voldoen ze aan de nieuwste BENG-normen.
Voor de woning in het buurthuis geldt dat er in eerste instantie geen fysieke aanpassingen zullen plaatsvinden. Wel wordt verwacht dat toekomstige eigenaren het pand op termijn zullen verduurzamen, bijvoorbeeld door het treffen van energiebesparende maatregelen en het verbeteren van het wooncomfort.
Een gemeentelijk monument wordt gemoderniseerd om toekomstbestendig te blijven, waardoor het cultureel erfgoed op duurzame wijze behouden blijft. Op basis van bovenstaande wordt opgemerkt dat het plangebied in de beoogde situatie een meer klimaat adaptieve en duurzame invulling krijgt.
Geconcludeerd wordt dat er met voorliggend planvoornemen voldoende rekening is gehouden het aspect duurzaamheid, en dat er voor wat dit aspect betreft sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.
Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (kunnen) worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en gebouwen en gronden waar langdurig mensen verblijven. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd.
De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in specifieke gevallen kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn.
Algemeen
In voorliggen de paragrafen van deze motivering zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidshinde, luchtkwaliteit en milieuzonering). Uit deze motivering blijkt dat het voornemen niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Zoals in de vorige subparagraaf is beschreven is ook positieve gezondheid belangrijk. Het voornemen heeft geen negatieve effecten op de op de gezondheid.
Spuitzonering
Het plangebied wordt aan verschillende zijden begrensd door agrarische cultuurgronden. Hoewel deze gronden momenteel als grasland worden gebruikt, bieden de planologische mogelijkheden ruimte voor teelt waarbij gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden ingezet. Om een bufferzone te waarborgen tussen de geplande gevoelige functies en deze landbouwpercelen is in de juridische regels van dit TAM-omgevingsplan zoveel mogelijk een spuitvrije zone van 50 meter vastgelegd daar waar mogelijk. Voor de manier van regelen wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van deze motivering.
Hoewel het uitgangspunt is dat een spuitvrije zone van minimaal 50 meter tussen gevoelige functies zoals woningen en agrarische percelen wordt aangehouden, staat de beleidsmatige praktijk onder omstandigheden toe dat deze afstand kan worden verkleind als wordt afgewogen dat dit geen onevenredige gezondheidsrisico's oplevert. Slechts een zeer klein gedeelte van de gronden van derden valt binnen de spuitvrije zone van 50 meter. Dit is te zien in afbeelding 4.3. Er is daarom voor gekozen om beperkingen uitsluitend op te leggen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de gronden van de initiatiefnemer, en niet op die van derden.
|
| Afbeelding 4.3: Uitsnede kaart spuitzonering (Bron: Architectenbureau van Ruth) |
Het gedeelte van de woonfunctie dat binnen de zone van 50 meter van gronden van derden ligt (blauwe cirkels in afbeelding 4.3), bestaat voornamelijk uit gemeenschappelijke ruimte, parkeerplaatsen en bergingen. Naar verwachting zijn dit geen plekken waar mensen langdurig verblijven. De inrichting van deze gronden als gemeenschappelijke ruimte, evenals gebruik voor het bijgebouw maakt dat deze slechts incidenteel worden betreden. Deze aard maakt dat dit geen gevoelige onderdelen van het plangebied zijn. Uit jurisprudentie valt af te leiden dat het criterium voor een ‘gevoelige functie’ samenhangt met de vraag of mensen langdurig op een locatie verblijven en daarmee relevante blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen kunnen ondervinden. Daarnaast dient de spuitvrije zone op eigen gronden als buffer. De gronden van derden worden op basis van luchtfoto's al 18 jaar gebruikt als grasland. Hiervoor wordt nauwelijks met gewasbeschermingsmiddelen gespoten. Er zijn dan ook geen negatieve effecten omtrent drift te verwachten vanuit deze percelen.
Zo kan aan dit deel van het perceel de woonfunctie worden toegekend zonder dat het woon- en leefklimaat in gevaar komt en zonder dat de agrarische bedrijfsvoering op de percelen van derden wordt beperkt. Bovendien dient de spuitvrije zone op eigen perceel als buffer. De gronden zijn in gebruik als grasland, waar nauwelijks gespoten wordt. Op deze manier is een zorgvuldige afweging gemaakt tuseen ruimtelijke ontwikkelingen en de bescherming van de geozndheid, evenals de agrarische belangen in het gebied.
Geconcludeerd dat het voornemen in lijn is met het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 van de Omgevingswet.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Op basis van het vigerende planologische regime ontbreken ter plaatse van het plangebied de gewenste bouw- en gebruiksmogelijkheden. De planvorm betreft een Tijdelijke Alternatieve Maatregel omgevingsplan. Het plan wordt onderdeel van het omgevingsplan.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
Algemeen
Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.
Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.
De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Burgemeester G.W. Stroïnkweg 46 in Zuidveen en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22j]) van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22j] van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22j.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22j.]’ gelezen worden.
Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.
Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit
Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt.
Artikel 1 (Toepassingsbereik)
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten:
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Via de aanduiding ‘overige zone – spuitvrije zone’ in de algemene aanduidingsregels is vastgelegd dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen daar verboden is. In paragraaf 4.14 wordt hier verdere uitleg over gegeven.
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Voor de regels is aansluiting gezocht bij de regels uit het bestemmingsplan 'bestemmingsplan Noordelijke Kernen' met het daaropvolgende veegplan een correctieve herziening.
De gronden die niet in gebruik worden genomen ten behoeve van de woonfunctie blijven bestemd als 'Agrarisch'. Ter plaatse is het bouwen van gebouwen niet toegestaan.
'Tuin'
De gronden die onbebouwd blijven voor de woningen en waar het niet wenselijk is om bebouwing te realiseren worden bestemd als 'Tuin'. Ter plaatse is het bouwen van gebouwen niet toegestaan.
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte (lage) archeologische waarden.
'Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen'
De voor 'Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden.
Met ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument' is geregeld voor het gemeentelijk monument dat geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige beeld, bepaald door situering hoofd- en bijgebouwen, kapvorm, nokrichting, hoogtematen, gevel- en raamindeling.
'Wonen'
De woningen in het plangebied zijn voorzien van de functie 'Wonen'. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is maximaal het aangegeven aantal woningen toegestaan. Bovendien is geborgd dat er twee bergingen kunnen worden gerealiseerd en dat de afmetingen van de bestaande bebouwing gehandhaafd blijft. De bebouwing moet worden gerealiseerd binnen het bouwvlak.
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden,
Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.
Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.
In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Steenwijkerland. Hierin wordt tevens het risico van nadeelcompensatie opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
In september 2021 is de 'Visie op participatie' vastgesteld door de gemeente Steenwijkerland. Hierin staat dat de gemeente voor uitdagingen staat die de gemeente niet alleen kan oplossen. Maar waarbij inwoners, bedrijven en maatschappelijke partijen nodig zijn om tot goede oplossingen te komen. Door de belanghebbenden te betrekken bij gemeentelijke plannen kan informatie worden gedeeld. En ontstaat een goed begrip van de onderwerpen die spelen. Als deskundigen voor hun eigen omgeving brengen inwoners, bedrijven en maatschappelijke partijen hun ideeën, kennis en ervaringen in. Participatie leidt zo tot betere plannen en betere besluiten. Ook ontstaat er meer steun voor een idee of plan. Dat komt doordat de mensen die er mee te maken krijgen direct bij de ontwikkelingen worden betrokken. Daarom is de basisregel dat gemeentelijke plannen zoveel mogelijk samen met de omgeving worden gemaakt.
In de 'Visie op participatie' staat waar een goed participatieproces aan moet voldoen. In de Participatieverordening is dit vertaald naar duidelijke afspraken. Deze afspraken gelden voor inwonerparticipatie (zoals inspraak) én overheidsparticipatie (ook het uitdaagrecht). De afspraken zorgen voor duidelijkheid, logische opbouw en handvatten voor een goed participatietraject. Zo is vooraf duidelijk hoe het participatieproces wordt ingericht.
De mate van participatie is afhankelijk van de omvang, belang, effect op de omgeving en maatschappelijke aandacht. Om de impact te bepalen is in dit geval de participatiescan uitgevoerd. In dit geval is er sprake van een initiatief met beperkte impact. Hieronder is uiteengezet wie is betrokken, hoe de omgeving is betrokken en wat de resultaten zijn van het participatietraject.
De initiatiefnemer heeft contact gehad met de omwonenden over het plan. Zij hebben hun zorgen geuit over de toename van verkeersbewegingen en de parkeerproblematiek. Daarnaast werd een opmerking gemaakt over de bestaande rijbak. Naar aanleiding van deze feedback is het plan aangepast: in plaats van vier wooneenheden worden er nu drie gerealiseerd, en de rijbak wordt gesaneerd. Tot slot wordt vermeldt dat in paragraaf 4.3 uiteen wordt gezet dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor de omgeving met betrekking tot parkeren en verkeer.
Daarnaast is het bestuur van de buurtvereniging ook betrokken in het participatieproces. Voor hen is een alternatieve locatie. Zij hebben aangegeven het geen probleem te vinden uit te wijken naar een andere locatie.
In het Bkl zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Bkl is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke omgevingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit TAM-omgevingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Voorliggend TAM-omgevingsplan zal in het kader van vooroverleg worden voorgelegd aan de provincie Overijssel.
Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van het digitale wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'Geen belangen procedure' van het wateradvies van toepassing is.