direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Stroïnkweg 46 - Zuidveen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.ZDDVStroinkweg46OP-ON01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Burgemeester G.W. Stroïnkweg 46 in Zuidveen en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22j]) van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22j] van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22j.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22j.]’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Burgemeester Stroïnkweg 46 te Zuidveen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.ZDDVStroinkweg46OP-ON01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen

De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Stroïnkweg 46 - Zuidveen', tenzij daar in dit artikel van worden afgeweken.

Artikel 3 Aanvullende bepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

3.1 plan

het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Stroïnkweg 46 - Zuidveen' met identificatienummer NL.IMRO.1708.ZDDVStroinkweg46OP-ON01 van de gemeente Steenwijkerland.

3.2 aanbouw/uitbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt.

3.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

3.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

3.5 archeologische deskundige

de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie.

3.6 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.

3.7 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.

3.8 architectonische waarde

de aan een bouwwerk toegekende waarde in verband met de vormgeving, het materiaalgebruik en/of detaillering.

3.9 bebouwde kom in verband met archeologie

voor het bepalen van de bebouwde kom als genoemd in artikel Waarde - Archeologie 1 en artikel Waarde - Archeologie 2 wordt aangesloten bij de bebouwde kom volgens de Wegenwet.

3.10 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

3.11 bebouwingspercentage

een in de verbeelding of regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

3.12 beeldkwaliteit

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten.

3.13 begane grond

het gedeelte van een gebouw dat gelijk is aan het natuurlijk oppervlak van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aansluitende maaiveld of de gemiddelde hoogte daarvan.

3.14 bestaand

situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het Omgevingsplan.

3.15 bijgebouw

een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

3.16 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

3.17 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

3.18 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback.

3.19 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3.20 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel.

3.21 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

3.22 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

3.23 buitenopslag/open opslag

het opslaan, of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van de bedrijfspercelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur en dergelijke.

3.24 cultuurgrond

gronden die in cultuur zijn gebracht, waaronder grasland-, akkerbouw- en tuinbouwgrond alsmede grond ten behoeve van de rietteelt.

3.25 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat ontstaan is door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt.

3.26 cultuurlandschappelijke waarden

waarden die ontstaan zijn door het gebruik van de gronden door de mens in de loop van de geschiedenis.

3.27 dagrecreatie

het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats zonder overnachtingsmogelijkheden.

3.28 dak

een uitwendige scheidingsconstructie als bovenafsluiting van een bouwwerk.

3.29 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

3.30 dienstverlening

bedrijf of instelling voor het bedrijfsmatig verrichten van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder in ieder geval zijn begrepen een kapperszaak, schoonheidsinstituut, fotostudio, uitzendbureau, stomerij, wasserette, apotheek, reisbureau en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf, een horecabedrijf, een centrum voor fysiotherapie, een fitnesscentrum, een seksinrichting en een coffeeshop.

3.31 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een omgevingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

3.32 erfafscheiding

afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst.

3.33 erker

een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte en zorgt voor een verbijzondering van de voor- of zijgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. Een erker heeft een diepte van maximaal 1,00 meter en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas.

3.34 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

3.35 gevellijn

de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart.

3.36 gewasbeschermingsmiddelen

een mengsel met één of meer werkzame stoffen bestemd om te worden gebruikt om:

  • a. planten of plantaardige producten te beschermen tegen alle schadelijke organismen of de werking daarvan te voorkomen;
  • b. levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover het niet gaat om voedende stoffen;
  • c. plantaardige producten te bewaren;
  • d. ongewenste planten te doden; en
  • e. delen van planten te vernietigen of een ongewenste groei van planten te remmen of te voorkomen.
3.37 hoofdgebouw

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.

3.38 kampeermiddel

een middel ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waaronder wordt begrepen een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren;

3.39 kortdurend verblijf

het gebruik van een gebouw, bouwwerk of terrein voor het tijdelijk en niet-permanent verblijven van personen voor een aaneengesloten periode van ten hoogste 2 uur per dag;

3.40 landschapselement

landschapselementen vormen een verzamelbegrip voor bijna alle individuele (biotische) onderdelen met een oppervlakte of een volume, die het landschap mee opbouwen en er een inhoud en identiteit aan geven. Hun ontstaan of voortbestaan is haast altijd op de een of andere manier te danken aan menselijke activiteiten.

3.41 maaiveld

bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging.

3.42 natuurbeheer

zorg voor onderhoud van het natuurlandschap.

3.43 nevenactiviteit

een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit Omgevingsplan toegestane hoofdfunctie op een perceel.

3.44 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.

3.45 onderbouw/kelder

een gedeelte van een gebouw, dat is gelegen binnen de buitenwerkse gevelvlakken en wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven het peil is gelegen.

3.46 ondergeschikte functie

een functie die qua omvang en uitstraling ondergeschikt is aan een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie, maar indien dat in de functieomschrijving niet expliciet is aangegeven aan die functie niet ten dienste hoeft te staan c.q. daar niet functioneel mee verbonden hoeft te zijn.

3.47 openbare nutsvoorziening

een gebouw of bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport dan wel de telecommunicatie, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuisje en een verdeelstation.

3.48 opslag

het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.

3.49 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand.

3.50 peil
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil.
3.51 permanente bewoning

bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan, als hoofdverblijf.

3.52 ruimtelijke kwaliteit

de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte.

3.53 stedenbouwkundig beeld

het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte.

3.54 verdieping

een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag, welke is gelegen ter plaatse van de begane grond.

3.55 verkeersveiligheid

de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers.

3.56 woning

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

3.57 woningsplitsing

het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

4.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:

tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.

4.2 het bebouwingspercentage:

het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de verbeelding bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.

4.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.4 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

4.5 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.6 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de

scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.7 de horizontale diepte van een bouwwerk:

de lengte van een bouwwerk, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.

4.8 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:

de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.

4.9 de ondergeschikte bouwdelen:

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.

4.10 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:

vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

4.11 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.12 de oppervlakte van een overkapping

de oppervlakte van het dakvlak van de overkapping.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Agrarisch

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch' heeft de volgende functies:

  • a. Agrarisch bedrijfsmatig gebruik;
  • b. Agrarisch hobbymatig gebruik;

Met daaraan ondergeschikt:

  • 1. Ontsluitingsvoorzieningen;
  • 2. Groenvoorzieningen;
  • 3. Recreatief medegebruik, voor zover dit geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft;
  • 4. Watervoorzieningen.

7.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
7.3.1 Gebouwen

Op gronden met de functie 'Agrarisch' mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. Bestaande gebouwen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt.
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Op gronden met de functie 'Agrarisch' mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. Omheiningen, uitsluitend in de vorm van draadomheining, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1 meter bedraagt;
  • b. Voerderruiven, drinkbakken en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
  • c. Bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt.
7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.4.1 Regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden op of in de gronden, met de functie 'Agrarisch', zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het wijzigen van de kavelstructuur;
  • b. het verwijderen van karakteristieke erfbeplanting (waaronder hoogstamfruitbomen);
  • c. het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. het dempen of graven van sloten, vaarten, poelen en daarmee gelijk te stellen waterpartijen;
  • e. het aanbrengen van walbeschoeiingen, niet zijnde bouwwerken en aanleggelegenheden;
  • f. het verrichten van exploratieboringen en/of seismologisch onderzoek;
  • g. het aanleggen van ondergrondse transport- energie- en/of telecommunicatieleidingen, exclusief drainageleidingen, met uitzondering van het aanbrengen van leidingen ten behoeve van de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet.
7.4.2 Uitzonderingen

Het verbod in artikel 7.4.1is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die;

  • a. Het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  • b. Worden verricht in het kader van normaal bodemgebruik;
  • c. Reeds in uitvoering zijn, of beschikken over een vergunning, op het moment van inwerkingtreding van dit plan.
7.4.3 Voorwaarden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien

  • a. De werken of werkzaamheden de waarden en doeleinden genoemd in artikel 7.2 niet onevenredig aantasten.
  • b. De gevolgen van de werken of werkzaamheden, direct of indirect, de waarden en doeleinden genoemd in artikel 9.1 niet onevenredig aantasten.
  • c. De mogelijkheden voor herstel van de waarden niet wezenlijk worden verkleind.
7.4.4 Advies

Het bevoegd gezag vraagt advies aan het bevoegde waterschapsgezag, alvorens een vergunning verleend kan worden in de volgende gevallen:

  • a. Indien er meer dan 750m2 extra verhard oppervlakte gerealiseerd wordt;
  • b. Gronden worden afgegraven met als doel meer dan 750m2 oppervlaktewater te realiseren.

Artikel 8 Tuin

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Tuin'.

8.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Tuin' heeft de volgende functies:

  • a. Tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen (hoofd)gebouwen;

met de daarbij behorende:

  • 1. Erven;
  • 2. Watervoorzieningen;
  • 3. Ontsluitings- en parkeervoorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
8.3.1 Algemeen

Op de voor de functie 'Tuin' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd, ten dienste van de functie 'Tuin', danwel de aangrenzende functie 'Wonen', met dien verstande dat:

  • a. Erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter bedraagt;
  • b. Vlaggenmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 6,00 meter bedraagt;
  • c. Erkers, luifels, balkons en dergelijke mits;
    • 1. De diepte gemeten vanaf de bouwgrens van de woning maximaal 1,00 meter bedraagt;
    • 2. De breedte niet meer bedraagt dan 2/3e van de breedte van de woning;
    • 3. De goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,30 meter.

 

Artikel 9 Wonen

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Wonen'.

9.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:

  • a. Wonen in een woning

Met de daarbij behorende:

  • 1. Tuinen en erven;
  • 2. Ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  • 3. Watervoorzieningen.
9.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
9.3.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. Woningen, uitsluitend binnen de functieaanduiding 'bouwvlak'; (9.3.2)
  • b. Bijbehorende bouwwerken uitsluitend binnen de 'functie wonen'; (9.3.3)
  • c. Bouwwerken geen gebouw zijnde, uitsluitend binnen de 'functie wonen'. (9.3.4)
9.3.2 Woningen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';
  • b. Woningen mogen alleen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • c. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • d. De inhoud van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 600m3, of de bestaande legale maximale inhoud indien deze groter is;
  • e. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' mag de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan de aangegeven goot- en bouwhoogte, dan wel maximaal de bestaande legale bouw- of goothoogte indien deze groter is;
  • f. De woningen worden voorzien met een kap met een dakhelling van minimaal 30* en maximaal 60* graden, dan wel de bestaande legale dakhellingen.
9.3.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken behorende bij de woning gelden de volgende bepalingen:

  • a. De gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen, met uitzondering van de oppervlakte van een carport, bedraagt maximaal:
    Oppervlakte bestaand bouwperceel   Toegestane oppervlakte bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'  
    Bouwperceel tot 350 m²   50 m²  
    Bouwperceel van 350 m² - 700 m²   70 m²  
    Bouwperceel van 700 m² - 1.000 m²   80 m²  
    Bouwperceel vanaf 1.000 m²   100 m²  
  • b. de grond ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' wordt voor maximaal 60% bebouwd;
  • c. bijgebouwen zullen met een kap van maximaal 60° worden afgedekt;
  • d. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  • e. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
  • f. voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde wordt verwezen naar artikel 9.3.4.
9.3.4 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. Bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend in het achtererfgebied worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en een vlaggenmast;
  • b. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet specifiek hieronder gedefinieerd geldt dat de hoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
  • c. De hoogte van een vlaggenmast mag maximaal 6,00 meter bedragen;
  • d. De bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2,00 meter bedragen, met uitzondering van de erfafscheidingen die zich in het voorerfgebied bevinden, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,00 meter mag bedragen.

9.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
9.4.1 Dakhelling woning

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een andere dakhelling te realiseren dan gesteld in 9.3.2.

9.4.2 Bewoning van een woning door meer dan één huishouden

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een woning te bewonen met meer dan één huishouden.

9.4.3 Groter oppervlakte van bijbehorend bouwwerken na sanering

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grotere oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken te realiseren dan gesteld in 9.3.3.

9.4.4 Vergroten van de inhoud van de woning en gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning met een grotere inhoud te realiseren dan het maximum dat gesteld is in 9.3.2.

9.4.5 Vergroten van de goothoogte van de woning

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning met een hogere goothoogte te realiseren dan het maximum dat gesteld is in 9.3.2.

9.4.6 Samenvoegen van woningen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning woningen samen te voegen.

9.4.7 Woningsplitsing

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bestaande woning te splitsen naar meerdere wooneenheden.

9.4.8 Detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit uit te oefenen.

9.4.9 Complementaire daghoreca

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning complementarie daghoreca als ondergeschikte nevenactiviteit uit te oefenen.

9.4.10 Bed & Breakfast

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gelegenheid ten behoeve van het verlenen van bed & breakfast aan te bieden.

9.5 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
9.5.1 Dakhelling woning

De dakhelling kan worden verkleind tot 0* indien;

  • a. Het vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is.
9.5.2 Bewoning van een woning door meer dan één huishouden

Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. De verkeersveiligheid;
  • b. Het woon- en leefklimaat;
  • c. De milieusituatie;
  • d. De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden
  • e. Er dient sprake te zijn van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
9.5.3 Groter oppervlakte van bijbehorende bouwwerken na sanering

Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. Er dient sprake te zijn van sloop en maximaal 75% van de gesloopte bebouwing mag terug worden gebouwd;
  • b. Na sanering mag het perceel voor maximaal 60% zijn bebouwd.
9.5.4 Vergroten van de inhoud van een woning en gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak

Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' dient de karakteristieke hoofdvorm van de woning behouden te blijven;
  • b. Het gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak betrekking heeft op de uitbreiding van een woning binnen het bouwvlak;
  • c. De inhoud van de woning maximaal 750 m3 mag bedragen;
  • d. Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke- en stedenbouwkundige inpassing.
9.5.5 Vergroten van de goothoogte van de woning

Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. De goothoogte van de woning niet hoger is dan 5,50 meter.
9.5.6 Samenvoegen van woningen

Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:

  • a. De woningsplitsing vanuit stedenbouwkundigoogpunt aanvaardbaar is;
  • b. De inhoud en oppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet mag worden vergroot.
9.5.7 Woningsplitsing

Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:

  • a. De te splitsen woning heeft ten minste een inhoud van 600m3 ;
  • b. Na splitsing heeft elke woning ten minste een inhoud van 250m3 ;
  • c. De woningsplitsing vanuit stedenbouwkundigoogpunt aanvaardbaar is;
  • d. samenvoeging van woningen in een rij aaneengesloten soortgelijke woningen is niet toegestaan;
  • e. De inhoud en oppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet mag worden vergroot.
9.5.8 Detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit

Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat

  • a. De ruimtes welke worden gebruikt ten behoeve van ondergeschikte detailhandel bevinden zich op de begane grond van de woning of een bijbehorend bouwwerk;
  • b. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een nevenactiviteit, zoals bedoeld in 9.5.8, 9.5.9, 9.5.10 en 9.6.1;
  • c. Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarvan minstens één de bewoner is;
  • d. De oppervlakte van productiegebonden detailhandel mag maximaal 10% van het brutovloeroppervlakte, tot een maximum van 150m2 bedragen;
  • e. Etalages zijn niet toegestaan;
  • f. Er is ten hoogste één reclame-uiting toegestaan, van maximaal 20x30 cm;
  • g. Verkoop van producten met veiligheidsrisico niet zijn toegestaan;
  • h. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, conform de Nota parkeernormen Steenwijkerland.
  • i. Er geen sprake mag zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking.
9.5.9 Complementaire daghoreca als ondergeschikte nevenactiviteit

Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:

  • a. De ruimtes welke toegankelijk zijn voor bezoekers bevinden zich op de begane grond van de woning of een bijbehorend bouwwerk;
  • b. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een nevenactiviteit, zoals bedoeld in 9.5.8, 9.5.9, 9.5.10 en 9.6.1;
  • c. De totale oppervlakte van de daghoreca beslaat, inclusief terras, maximaal 100m2
  • d. Minimaal 1 bewoner dient werkzaam te zijn in het horecabedrijf;
  • e. Er is ten hoogste één reclame-uiting toegestaan, van maximaal 20x30 cm;
  • f. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, conform de Nota parkeernormen Steenwijkerland.
9.5.10 Bed & breakfast

Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:

  • a. Er maximaal 10 slaapplaatsen per bouwperceel gerealiseerd mogen worden, ten behoeve van gelijktijdig nachtverblijf van maximaal 10 personen;
  • b. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een nevenactiviteit, zoals bedoeld in 9.5.8, 9.5.9, 9.5.10 en 9.6.1
  • c. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, conform de Nota parkeernormen Steenwijkerland.
9.6 Specifieke functieregels
9.6.1 Beroep of bedrijf aan huis

Een beroep of bedrijf aan huis bij de woning, zoals benoemd in Bijlage 2 bij de regels, is toegestaan, mits:

  • a. Een aan huis verbonden beroep of bedrijf wordt uitsluitend uitgeoefend in de woning of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken; 
  • b. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf; 
  • c. De verschijningsvorm als woning mag niet wezenlijk worden aangetast;
  • d. Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens 1 persoon tevens de bewoner van de woning is;
  • e. Er is maximaal één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20x30 cm;
  • f. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte, overeenkomstig met de Nota parkeernormen Steenwijkerland, of diens rechtsopvolger;
  • g. Er geen detailhandel plaatsvindt, behoudens beperkte verkoop van aan het betreffende beroep/bedrijf aan huis gerelateerde producten. Met dien verstande dat maximaal 10% van de vloeroppervlakte waar een beroep/bedrijf aan huis uitgeoefend mag worden gebruikt mag worden voor detailhandel;
  • h. Er geen buitenopslag plaatsvindt;
  • i. Er geen sprake mag zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • j. Er geen onevenredige aantasting plaats vindt van het woon- en leefklimaat.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 2

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'.

10.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor bescherming van de aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

10.3 Omgevingsvergunning voor het bouwen op een locatie met de waarde Archeologie 2
10.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Ter plaatse van gronden met de 'Waarde - Archeologie 2' is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, indien;

  • a. De oppervlakte groter is dan 250m2 en de locatie is gelegen binnen de bebouwde kom;
  • b. De oppervlakte groter is dan 2500m2 en de locatie is gelegen buiten de bebouwde kom.
10.3.2 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. Een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
10.3.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het bouwen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien en voor zover uit het archeologisch rapport blijkt dat:

  • a. De archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  • b. In voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel;
  • c. In voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
10.3.4 Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het bouwen

Indien uit het in 10.3.2 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 10.4.2, zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid 10.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;

  • a. Over een oppervlakte groter dan 250m2 binnen de bebouwde kom en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld;
  • b. Over een oppervlakte groter dan 2500m2 buiten de bebouwde kom en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld.

Voor zover het gaat over;

  • 1. Het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • 2. Het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting;
  • 3. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
10.4.2 Uitzondering vergunningplichtige gevallen

Het bepaalde in lid 10.4.1 is niet van toepassing bij werkzaamheden indien:

  • a. Door middel van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn;
  • b. Het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. Werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
  • d. De werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
10.4.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. Een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
10.4.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. De archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  • b. In voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  • c. In voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
10.4.5 Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Indien uit het in 10.4.3 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 11 Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen'.

11.2 Functieomschrijving
11.2.1 Algemeen

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden, met ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument' de monumenten, zoals vastgelegd in Bijlage 1 'Overzicht monumenten', en ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' de karakteristieke panden.

11.2.2 Waarden

De waarden komen als volgt tot uitdrukking:

  • a. De boerderijen hebben dikwijls een knip op de overgang van het voorhuis naar de schuur.
  • b. (Grote) verspringingen in de voorgevelrooilijn.
  • c. In ieder geval is de hoofdbebouwing op de weg georiënteerd.
  • d. De bebouwing is over het algemeen vrijstaand en opgebouwd uit 1 bouwlaag met kap.
  • e. De nokrichtingen staan overwegend haaks op de weg. Sommige voorhuizen hebben de kap in langsrichting.
  • f. Bij uitbreiding van de woonfunctie in een bestaande of van oorsprong voormalige boerderij blijft in ieder geval het onderscheid tussen woon- (klein bouwvolume) en bedrijfsgedeelte (groot bouwvolume) herkenbaar.
  • g. Bij nieuwbouw, vervanging, verbouwing en uitbreiding van gebouwen worden de hiervoor beschreven bebouwingskarakteristieken gerespecteerd.
  • h. Bijgebouwen zijn ten opzichte van het hoofdgebouw zodanig gesitueerd dat hoofdgebouw en bijgebouwen met elkaar een samenhangend geheel vormen.

11.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
11.3.1 Algemeen

Op de voor 'Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen' aangewezen gronden mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument' en ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' slechts worden gebouwd indien en voor zover zulks nodig is voor het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing, met dien verstande, dat:

  • a. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende functie;
  • b. geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige beeld, bepaald door situering hoofd- en bijgebouwen, kapvorm, nokrichting, hoogtematen, gevel- en raamindeling.
11.3.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 11.3.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. bouwwerken, welke op het tijdstip van het inwerkingtreden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
11.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
11.4.1 Bouwen ten behoeve van onderliggende functies

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning te bouwen ten behoeve van de onderliggende functies.

11.5 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
11.5.1 Bouwen ten behoeve van onderliggende functies

Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:

  • a. dit verenigbaar is met behoud, herstel en/of versterking van de cultuurhistorische waarden en kwaliteiten van de bestaande bebouwing;
  • b. dit conform advies van de Monumentencommissie of een daarvoor in de plaats tredende commissie, niet leidt tot een wezenlijke verandering van de aanwezige cultuurhistorische waarden en kwaliteiten.
11.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen' aangewezen gronden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren:

  • a. veranderingen aan te brengen in de aanwezige stedenbouwkundige/landschappelijke structuur;
  • b. geheel of gedeeltelijk het planten of rooien van bomen, bosschages, houtwallen en singels;
  • c. aanbrengen van verhardingen.
11.6.2 Uitzondering vergunningplichtige gevallen

Het bepaalde in lid 11.6.1 is niet van toepassing bij werkzaamheden indien:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
11.6.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 11.6.1 zijn slechts toelaatbaar indien conform advies van de Monumentencommissie of een daarvoor in de plaats tredende commissie, de in artikel 11.2 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

11.6.4 Voorschriften omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan aan de in artikel 11.6.1 genoemde vergunning voorwaarden verbinden ter bescherming van de cultuurhistorische waarden van het gebied.

11.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
11.7.1 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Cultuurhistorie Zuidveen' aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zonder of in afwijking van omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de op de gronden aanwezige karakteristieke bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen.

11.7.2 Uitzondering vergunningsplichtige gevallen

Het bepaalde in lid 11.7.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. sloopwerkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
11.7.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 11.7.1 zijn slechts toelaatbaar mits:

  • a. de karakteristieke hoofdvorm dan wel de cultuurhistorische waarde niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijziging aan het pand kan worden hersteld;
  • b. de karakteristieke hoofdvorm dan wel de cultuurhistorische waarde in redelijkheid niet is te handhaven;
  • c. het delen van panden of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek dan wel cultuurhistorisch waardevol vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm dan wel de cultuurhistorische waarde plaatsvindt;
  • d. een positief advies wordt verkregen van de Monumentencommissie of een daarvoor in de plaats tredende commissie.

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

13.1 ‘Overige zone – spuitvrije zone’

Binnen de 'Overige zone – spuitvrije zone' is het gebruik maken van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.

Hoofdstuk 4 Overgangsbepalingen

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Burgemeester en Wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van sublid a. voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10%.
  • c. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet tot uiterlijk 1 mei 2029, met uitzondering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - spuitvrije zone'.
  • b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sublid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.