Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Wetering - Verzamelwijzigingsplan Wetering Oost en West
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1708.WTRVwpWeteringOenW-VA01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 het plan

het wijzigingsplan 'Wetering - Verzamelwijzigingsplan Wetering Oost en West' van de gemeente Steenwijkerland, bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.WTRVwpWeteringOenW-VA01 met de bijbehorende regels en bijlagen;

1.2 het plangebied

het gebied waarop het plan betrekking heeft;

1.3 bestemmingsvlak

een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde bestemming;

1.4 bestemmingsgrens

een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak;

1.5 bouwen

het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.6 bouwwerk

elke constructie van enige omvang dan hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.7 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimt vormt;

1.8 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.9 bouwvlak

een op de kaart aangegeven vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten;

1.10 bouwgrens

een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak;

1.11 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.12 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

1.13 bebouwingspercentage

een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.14 hoofdgebouw

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;

1.15 aan- of uitbouw

een aan een (hoofd)gebouw aanwezig bouwwerk dat ruimtelijk ondergeschikt is aan dat (hoofd)gebouw, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van dat (hoofd)gebouw;

1.16 bijgebouw

een gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

1.17 woonhuis

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

1.18 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor permanente bewoning voor één afzonderlijk huishouden;

1.19 recreatieve bewoning

de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie en waarvan de bewoners hun aantoonbaar hoofdverblijf elders hebben;

1.20 woongebouw

een gebouw, dat meerdere naast elkaar en geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat, welke woningen zijn te bereiken door middel van één of meer gemeenschappelijke verkeersruimten;

1.21 woonschip

een zich in het water bevindend, hoofdzakelijk niet voor varen bedoeld object, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van een afzonderlijke huishouding;

1.22 schiphuis

een gebouw, uitsluitend bedoeld voor de stalling van boten;

1.23 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.24 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding;

1.25 aan-huis-verbonden beroep

een beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten;

1.26 landschappelijke waarden

de cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap;

1.27 kampeermiddel

  1. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
  2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde;
één en ander voorzover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.28 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.29 peil

  1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
    1. de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
    1. de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

2.1 de (bouw)hoogte/de nokhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het bouwwerk;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.4 de oppervlakte van een bouwwerk

buitenwerks, bovengrondse bouwonderdelen vanaf 1,00 m boven peil meegerekend;

2.5 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Wonen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De op de kaart voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. woonhuizen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-ver-bonden beroep;
  2. een aannemersbedrijf, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding 'aannemersbedrijf toegestaan';
  3. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;
waarbij de instandhouding van de landschappelijke waarden wordt nagestreefd en, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding 'karakteristiek', de instandhouding van de bestaande karakteristieke hoofdvorm wordt nagestreefd;
  1. groenvoorzieningen;
  2. sloten en bermen;
met daaraan ondergeschikt:
  1. straten en paden;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. met de daarbijbehorende:
  4. tuinen en erven;
  5. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
  1. als gebouw mogen uitsluitend de in artikel 3.1 sub a en artikel 3.1 sub b genoemde gebouwen worden gebouwd;
  2. voor de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding 'karakteristiek' geldt dat de hoofdvorm van de als zodanig aangeduide gebouwen, bepaald door de oppervlakte van het grondvlak, gevelbreedte, (goot)hoogte, dakhelling en nokrichting, zoals die bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan gehandhaafd dient te worden.
3.2.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
  1. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen, zoals genoemd in artikel 3.1 sub a worden gebouwd;
  2. een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  3. de goothoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 3,50 m bedragen;
  4. de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 45° bedragen;
  5. de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten hoogste 60° bedragen.
3.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij woonhuizen gelden de volgende regels:
  1. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen zal ten hoogste 75 m² per hoofdgebouw bedragen, met inachtneming van de volgende regel:
    1. de gezamenlijke oppervlakte zal ten hoogste 80% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen;
  2. de goothoogte van een aan- of uitbouw of een bijgebouw zal ten hoogste 3,00 m bedragen;
  3. de dakhelling van een aan- of uitbouw of een bijgebouw zal ten minste 30° bedragen;
  4. de dakhelling van een aan- of uitbouw of een bijgebouw zal ten hoogste 60° bedragen.
3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:
  1. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen, ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de landschappelijke en karakteristieke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, alsmede aan de nokrichting van kappen van gebouwen.

3.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, vrijstelling verlenen van:
  1. het bepaalde in artikel 3.2.1 en toestaan dat bij een hoofdgebouw een schiphuis wordt gebouwd, mits:
    1. per hoofdgebouw ten hoogste één schiphuis wordt gebouwd;
    2. de hoogte van een schiphuis ten hoogste 4,00 m zal bedragen;
    3. de dakhelling van een schiphuis ten minste 15° zal bedragen;
    4. de oppervlakte van een schiphuis ten hoogste 25 m² zal bedragen;
  2. het bepaalde in artikel 3.2.2 sub b en toestaan dat een hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits:
    1. de karakteristieke hoofdvorm van het oorspronkelijke hoofdgebouw behouden blijft, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding 'karakteristiek';
    2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden;
    3. de inhoud van het hoofdgebouw inclusief de uitbreidingen ten hoogste 750 m³ zal bedragen;
    4. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen ten hoogste 30% van het bouwperceel zal bedragen;
  3. het bepaalde in artikel 3.2.2 sub c en toestaan dat de goothoogte van een hoofdgebouw wordt verhoogd tot 5,50 m;
  4. het bepaalde in artikel 3.2.2 sub d en artikel 3.2.2 sub c en toestaan dat de dakhelling van een gebouw wordt verlaagd tot 0°;
  5. het bepaalde in artikel 3.2.2 sub e en artikel 3.2.3 sub d en toestaan dat de dakhelling van gebouwen wordt verhoogd tot 80°;
  6. het bepaalde in artikel 3.2.3 sub a en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen per hoofdgebouw wordt vergroot tot 100 m², mits:
    1. de vergroting noodzakelijk is ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een agrarische hobbyactiviteit dan wel, indien een andere functie krachtens deze bestemming is toegestaan, ten behoeve van de uitoefening van die functie;
  7. het bepaalde in artikel 3.2.3 sub a en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte aan aan-, uitbouwen en bijgebouwen zal worden vergroot tot 150 m², mits het gezamenlijke oppervlak van aan-, uitbouwen en bijgebouwen niet meer bedraagt dan 50% van het bestaande gezamenlijke bebouwde oppervlak van aan-, uitbouwen en bijgebouwen;
  8. het bepaalde in artikel 3.2.1 sub b en artikel 3.4 sub b onder 1 en toestaan dat een afwijking van de (goot-)hoogte van ten hoogste 5% is toegestaan, waarbij de dakhelling dienovereenkomstig mag worden aangepast.

3.5 Specifieke gebruiksregels

3.5.1 Verbod
Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.
3.5.2 Strijdig gebruik
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 3.5.1, wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
  2. het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning;
  3. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
  4. de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen;
  5. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en zandopslag;
  6. het storten van puin en afvalstoffen;
  7. het realiseren van een ligplaats voor boten, anders dan voor eigen gebruik;
  8. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  9. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden en/of verblijfsrecreatieve doeleinden;
  10. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, kunstnijverheid en ateliers;
  11. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de verhuur van boten, fietsen en andere recreatieve vervoermiddelen;
  12. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  13. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte:
    1. meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel;
    2. meer bedraagt dan 50 m²;
  14. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor recreatieve bewoning.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels

3.6.1 Afwijken
Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, een omgevingvergunning verlenen om af te wijken van:
  1. het bepaalde in artikel 3.5.2 sub b juncto artikel 3.5.1 en toestaan dat hoofdgebouwen mogen worden gebruikt voor:
    1. 2 woningen mits de inhoud van het hoofdgebouw ten minste 1.000 m³ en ten hoogste 1.500 m³ bedraagt;
    2. 3 woningen mits de inhoud van het hoofdgebouw ten minste 1.500 m³ bedraagt.
3.6.2 Uitzondering
Burgemeester en Wethouders verlenen een omgevingvergunning voor afwijking van het bepaalde in artikel 3.5.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

3.7.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijk vergunning van Burgemeester en Wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het realiseren van een insteekhaven voor een boot.
3.7.2 Uitzonderingen
Het in artikel 3.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
3.7.3 Voorwaarden
De in artikel 3.7.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend voor de uitvoering van werken, geen bouwwerken zinde, en werkzaamheden, zoals genoemd onder sub a mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische en de landschappelijke waarden van het gebied.

3.8 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

3.8.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijk vergunning van Burgemeester en Wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: 
  1. het geheel of gedeeltelijk slopen van gebouwen op de tot 'Wonen' bestemde gronden, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding 'Karakteristiek'.
3.8.2 Uitzonderingen
Het in artikel 3.8.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
3.8.3 Voorwaarden
De in artikel 3.8.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, voor de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, zoals genoemd onder sub b mits:
  1. de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het pand kan worden hersteld;
  2. de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet is te handhaven;
  3. het delen van een pand of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.

3 Algemene regels

Artikel 4 Anti-dubbeltelregel

Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5 Algemene afwijkingsregels

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, vrijstelling verlenen van:
  1. de op de plankaart of in de voorschriften gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  2. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat het beloop en/of profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft;
  3. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen en/ of bestemmingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  4. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot ten hoogste 40,00 m;
  5. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 10,00 m;
  6. het bepaalde ten aanzien van het bouwen van (hoofd)gebouwen binnen het bouwvlak en toestaan dat de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde, met niet meer dan 1,50 m overschrijden, worden overschreden door:
    1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
    2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
    3. erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen;
  7. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, wordt vergroot, mits:
    1. deze vergroting niet meer dan 20 m² per plaatselijke verhoging zal bedragen;
    2. de vergroting leidt tot een hoogte welke ten hoogste 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw zal bedragen.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 6 Overgangsrecht

6.1 Overgangsregels ten aanzien van bouwwerken

Bouwwerken, welke ten tijde van de eerste terinzagelegging van dit plan bestaan dan wel worden gebouwd of kunnen worden gebouwd met inachtneming van het gestelde bij of krachtens de Woningwet en in enigerlei opzicht van het plan afwijken, mogen, mits de bestaande afwijkingen naar de aard en omvang niet worden vergroot:
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning geschiedt binnen 2 jaar na het tenietgaan.

6.2 Vrijstellingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 6.1, dat de bestaande afwijkingen naar de omvang niet mogen worden vergroot en toestaan dat een éénmalige vergroting plaatsvindt van de inhoud van in artikel 6.1 toegelaten bouwwerken met ten hoogste 10%.

6.3 Overgangsregels ten aanzien van het gebruik

Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van dit plan mag worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voorzover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

6.4 Uitzonderingen op het overgangsrecht

  1. artikel 6.1 is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  2. artikel 6.3 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Artikel 7 Slotregel

Deze regels kunnen worden aangehaald onder de titel:
 
'Wetering - Verzamelwijzigingsplan Wetering Oost en West'