| Plan: | Wanneperveen, Roekebosscheweg 3a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1708.WNProekeboswg3aBP-VA01 |
Aan de Roekebosscheweg 3a in Wanneperveen is loonbedrijf <geanonimiseerd> B.V. al jarenlang actief. De initiatiefnemer is voornemens om een nieuw bedrijfsgebouw binnen de bedrijfslocatie op te richten.
Voorliggende ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied ligt aan de Roekebosscheweg 3a ten noorden van de kern van Wanneperveen. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging van het plangebied, rode cirkel (bron: openstreetmaps.org)
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Loonbedrijf <geanonimiseerd> B.V. is gevestigd aan de Roekebosscheweg 3a in Wanneperveen, gemeente Steenwijkerland. Het bedrijf is sinds 1994 actief en verricht werkzaamheden en diensten in de omgeving van Wanneperveen. De hoofdactiviteiten van het bedrijf bestaan uit het aanbieden van loonwerk, mesttransport en er is een uitgebreid machinepark aanwezig voor het uitvoeren van werkzaamheden in het grondverzet.
De bedrijfslocatie ligt in een landelijke omgeving bestaande uit kleine landelijke kernen en lintbebouwing met woningen en (agrarische) bedrijven. Er is sprake van een rationele verkaveling met kenmerkende langgerekte percelen. De omgeving staat ook bekend om de aanwezigheid van natuurgebied De Wieden, niet ver ten noordwesten van het plangebied.
Op de bedrijfslocatie (ca 13.500 m² groot) zijn verschillende bedrijfsgebouwen aanwezig met een gezamenlijk oppervlak van ca 4830 m2. De bedrijfsgebouwen worden onder andere gebruikt voor de opslag van bedrijfsvoertuigen. Aan de randen van het bedrijfsperceel liggen materialen opgeslagen in de buitenlucht. Verder is de locatie nagenoeg volledig verhard en er staat een mestsilo aan de oostkant van het perceel. Aan de noordkant wordt de locatie begrensd door een keerwand. De bedrijfswoning staat vooraan het perceel. Het bedrijf en de woning worden via twee inritten aan de oostkant van de woning ontsloten op de Roekebosscheweg.
Huidige situatie ter plaatse van het plangebied (bron: google maps)
Aanzicht op het loonbedrijf vanaf de Roekebosscheweg (bron: googlestreetview)
Aanzicht in noordoostelijke richting op de bestaande bedrijfslocatie vanaf de Roekebosscheweg (bron: google streetview)
Voorliggende ontwikkeling maakt de oprichting van een nieuw bedrijfsgebouw mogelijk. In feite wordt het bestaande bedrijfsgebouw aan de zuidwestkant van het bedrijfsperceel doorgetrokken in noordelijke richting. De nok- en goothoogte van het nieuwbouwdeel komen overeen met het bestaande deel. Het nieuwbouwdeel krijgt een oppervlak van 680 m2 met een opslagfunctie (bedrijfsvoertuigen). Om het nieuwe bedrijfsgebouw op te kunnen richten worden een bestaande bedrijfsgebouw en de overkapping aan de westkant van het perceel gesloopt. Aan de oostkant van het bestaande bedrijfsperceel wordt naast de bestaande mestsilo een nieuwe sleufsilo gebouwd. Deze nieuwe sleufsilo krijgt een afmeting van 25 m (l) x 12 m (b) x 2 m (h). De sleufsilo wordt gebruikt voor de tijdelijke opslag van zand en grond.
Het bestaande bebouwingspercentrage, zie ook 3.3.4, wordt naar boven bijgesteld. Enerzijds om het nieuwe bedrijfsgebouw op te kunnen richten. Anderzijds wordt voorliggend plan ook aangegrepen om het bedrijf vanuit planologisch oogpunt toekomstbestendig te maken. Dit betekent dat de initiatiefnemer door voorliggend plan beperkt de mogelijkheid wordt geboden om desgewenst toekomstige bedrijfsaanpassingen en herinrichting van de bedrijfslocatie uit te kunnen voeren zonder dat daar opnieuw een planologische procedure voor doorlopen hoeft te worden. Als compensatie van een hoger bebouwingspercentage wordt door voorliggend plan een investering in het ter plaatse voorkomende landschap bewerkstelligd. Meer daarover volgt later in voorliggend document.
Het plan heeft niet tot gevolg dat het aantal bedrijfsvoertuigen dat op de locatie wordt opgeslagen, toeneemt. Met het plan worden alleen de opslagmogelijkheden van bestaande voertuigen en materialen vergroot.
Inrichtingstekening van de toekomstige situatie (bron: Bouwkundig Tekenburo <geanonimiseerd> v.o.f)
De bedrijfslocatie wordt landschappelijk ingepast door het aanbrengen van landschapselementen. Daartoe is een landschappelijke inrichtingstekening gemaakt, zie navolgende uitsnede. De gehele tekening is toegevoegd als bijlage 2 van de regels. Aan de westkant, naast het bedrijfsperceel, is een 10 m brede houtsingel voorzien. De singel loopt door tot de kopgevel van het bestaande bedrijfsgebouw aan de zuidwestkant van het bedrijfsperceel. De beplanting zal bestaan uit streekeigen soorten waaronder de veldiep, gewone es, hazelaar en de gewone es. Op het voorterrein worden enkele solitaire bomen geplaatst, tevens ook streekeigen soorten. Vanwege de ligging van de watergang aan de achterzijde van het plangebied is er bewust niet gekozen om de bestaande keerwand te begeleiden met nieuwe landschapselementen. De strook tussen de keerwand en de watergang dient bereikbaar te blijven om de watergang te kunnen onderhouden. Via een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit plan is geborgd dat het nieuwe bedrijfsgebouw pas in gebruik mag worden genomen als de bedrijfslocatie is ingericht volgens de uitgangsprincipes van de landschappelijke inpassingstekening.
Beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied (bron: Buro SRO)
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.
De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst.
Gebiedsgericht
De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.
In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen gebieden uit de NOVI/SVIR en het Barro. Het initiatief raakt daarmee op voorhand niet aan één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.
Ladder duurzame verstedelijking
Door voorliggend plan wordt een nieuw bedrijfsgebouw mogelijk gemaakt binnen een bestaande bedrijfslocatie. Het bebouwd oppervlak neemt beperkt toe maar blijft ver onder de grens van 500 m2. Van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is geen sprake. Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig.
Het initiatief past binnen het rijksbeleid.
Rode draden bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving zijn duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.
Zowel in het stedelijke gebied als in de groene omgeving gelden de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Het voorkomen van onnodig ruimtebeslag begint bij de vraag of er wel een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. De verplichting geldt om voor stedelijke functies eerst de mogelijkheden te benutten binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben. Voor de Groene Omgeving geldt een variant op de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik die erop gericht is om eerst zoveel mogelijk bestaande erven en bebouwing te gebruiken voordat meegewerkt mag worden aan nieuw ruimtebeslag op de Groene Omgeving. Met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik geeft Overijssel een nadere invulling van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
De provincie stelt bovendien dat juist op landgoederen vrijkomende, veelal historische agrarische erven en gebouwen bij uitstek geschikt zijn voor hergebruik door andere functies, mede om het landgoedbedrijf duurzaam financieel in stand te houden. De beleidskeuzes over waar en in welke vorm herontwikkeling van agrarische bedrijfsgebouwen mogelijk is, worden gemaakt door de gemeenten.
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)
De Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) is het instrument om de balans te realiseren tussen een ruimtelijk-economische ontwikkeling en de ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. In het KGO wordt onderscheid gemaakt in het leveren van een basisinspanning en een aanvullende kwaliteitsprestatie. Bij kleinschalige ontwikkelingen kan worden volstaan met een basisinspanning, doorgaans op eigen erf. Dat houdt in dat de ontwikkeling goed wordt ingepast. Wanneer er sprake is van een grootschalige ontwikkeling kan niet worden volstaan met de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling zelf. Er zal dan een aanvullende kwaliteitsprestatie moeten worden geleverd. Voor het bepalen van de mate van aanvullende kwaliteitsprestaties gelden drie variabelen:
Het uitvoeringsinstrument dat aan de omgevingsvisie is gekoppeld is de Omgevingsverordening Overijssel 2017 van de provincie. De verordening is vastgesteld in 2017 en daarna meermaals geactualiseerd. In de verordening is juridisch vastgelegd dat bij bestemmingsplannen ingegaan moet worden op de verschillende lagen zoals deze zijn vastgelegd in de catalogus gebiedskenmerken, waarbij wordt onderbouwd dat de ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit en past binnen het ontwikkelingsperspectief voor het gebied.
Planspecifiek
Voorliggend plan voorziet in een nieuw bedrijfsgebouw binnen een bestaande bedrijfslocatie. De ontwikkeling draagt bij aan de ambitie van uit de Omgevingsvisie met betrekking tot het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur. Om de gewenste uitbreiding van het bedrijf mogelijk te maken hoeft het bedrijf immers niet te worden verplaatst naar een nieuwe locatie. In de omgevingsverordening zijn verder enkele regels opgenomen ter plaatse van het plangebied die een relatie hebben met de inhoud van voorliggend plan:
Laagveengebieden
Binnen de Omgevingsverordening Overijssel stelt de provincie de opgave om de natuurgebieden de Weerribben en de Wieden met elkaar te verbinden. Hiervoor is in de verordening een zone opgenomen die moet fungeren als verbinding tussen deze gebieden. Ook in de overige veenweidelandschap is een hoog waterpeil van belang om inklinking tegen te gaan. Het open karakter is zowel ruimtelijk waardevol als voor weidevogels en ganzen. Voorliggend plan voorziet echter alleen in de oprichting van een bedrijfsgebouw binnen een bestaande bedrijfslocatie. Het plan heeft derhalve geen invloed op de ontwikkelingsdoelstellingen van de provincie voor het laagveengebied.
Gebieden waarvoor een peilbesluit moet worden vastgesteld
Voor oppervlaktewateren die op de kaart 'Waterkeringen en peilbesluiten' zijn aangewezen dienen één of meer peilbesluiten voor te worden vastgesteld. Binnen het plangebied is echter geen oppervlaktewater aanwezig. Het bepaalde in artikel 4.5.2 uit de omgevingsverordening is niet van toepassing op voorliggend plan.
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving
In artikel 3.1.6 lid 1 is bepaald dat nieuwvestiging of grootschalige uitbreiding van bestaande functies alleen mogelijk is als hier vanuit sociaaleconomisch en/of maatschappelijk oogpunt goede redenen voor zijn én is aangetoond dat het verlies aan ecologische- en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd. Voorliggend plan voorziet echter niet in een grootschalige uitbreiding. Het bedrijfsperceel neemt niet in oppervlak toe. Het plan maakt alleen de oprichting van een nieuw bedrijfsgebouw mogelijk binnen een bestaand bedrijfsperceel. Het aantal m2 aan bedrijfsbebouwing neemt door het plan beperkt toe. Deze toename wordt gecompenseerd door een kwaliteitsinvestering van het ter plaatse voorkomende landschap. Aan de basis daarvoor staat de landschappelijke inrichtingstekening uit bijlage 2 van de regels. In paragraaf 3.3.3 wordt nader onderbouwd dat de nieuwe landschapselementen zijn afgestemd op het landschappelijk kader en de ontwikkelingsdoelstellingen uit het Landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland. Een nadere onderbouwing van het KGO-beleid kan daarmee achterwege blijven.
Het initiatief past binnen het provinciaal beleid.
Op 20 juni 2017 heeft de raad de Omgevingsvisie Steenwijkerland vastgesteld. De gemeente wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit is gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving. De schoonheid van de natuur en de bevaarbaarheid van het water in de Weerribben, het stationsplein van Steenwijk met de verbinding naar werk en voorzieningen, de culturele waarde van Giethoorn en de beleving ervan door grote aantallen buitenlandse toeristen. De visie draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Deze kwaliteit is niet te meten. Alleen elementen ervan zijn meetbaar (zoals geluidswaarden) of aanwijsbaar (cultureel erfgoed). Een deel van de omgevingskwaliteit kun je slechts ervaren (sfeer, veiligheid). Het is de som der delen die de uiteindelijke kwaliteit bepaalt. Deze nieuwe definitie is betekenisvol: omgevingskwaliteit is het centrale doel van al het ruimtelijk handelen.
Planspecifiek
In De Omgevingsvisie geeft de gemeente aan dat er ruimte is voor uitbreiding van de agrarische bedrijvigheid in het buitengebied. Voorliggende ontwikkeling voorziet in het uitbreiden van een reeds bestaand agrarisch loonbedrijf. Het bestaande bedrijf is al jarenlang actief op de huidige locatie. De initiatiefnemer is voornemens om het bedrijf verder uit te breiden en de levensvatbaarheid te vergroten door de oprichting van het nieuwe bedrijfsgebouw. Vanuit kostenoverwegingen en duurzaam ruimtegebruik zijn er meerdere voordelen om de uitbreiding op de bestaande locatie mogelijk te maken in plaats van het bedrijf te verplaatsen naar een andere plek. De uitbreiding van een (agrarisch) bedrijf in het buitengebied is mogelijk als een plan past binnen de kaders van de omgevingswaarden. Een concrete uitwerking van dit kader van omgevingswaarden volgt in een nog te ontwikkelen Omgevingsplan Buitengebied. Wel geeft de gemeente in de Omgevingsvisie op hoofdlijnen aan waar het kader uit bestaat: geur, geluid, gezondheid en landschap. In hoofdstuk 4 van voorliggend document is nader toegelicht dat voorliggend plan geen negatieve effecten heeft op de aspecten geur, geluid en gezondheids(risico's). In het vervolg van voorliggend hoofdstuk, in subparagraaf 3.3.3, is nader gemotiveerd dat de landschappelijke inpassing van voorliggend plan is afgestemd op de landschappelijke kaders en ontwikkelingsdoelstellingen uit het Landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland. Voorliggend initiatief voorziet in een investering in het ter plaatse voorkomende landschap.
Het initiatief past binnen de Omgevingsvisie Steenwijkerland.
De uitgangspunten voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied zijn uitgewerkt in de 'Beleidsnotitie bestemmingsplan Buitengebied Steenwijkerland'. Deze is vastgesteld door de gemeenteraad op 27 maart 2012 en geeft weer waar de gemeente Steenwijkerland zich op richt bij de verdere ontwikkeling van haar buitengebied.
Het voornaamste doel van de notitie is het verschaffen van helderheid over uitgangspunten van gebruiks- en bouwmogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied. Daarmee is de notitie bepalend voor de inhoud van het nieuwe bestemmingsplan.
Het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland kent vele functies. Deze functies zijn onder de volgende noemers onder te brengen: landbouw, natuur, wonen en recreatie. De onderlinge verhouding tussen de vier hoofdfuncties is aan het veranderen, onder meer als gevolg van de toenemende waardering voor natuur en landschap, en de veranderende vorm en schaal van de landbouw en recreatie. Het algemene beleid is gericht op het weren van burgerwoningen in het buitengebied. Grondslag hiervoor is het niet toestaan van functies die niet gebonden zijn aan het buitengebied en het voorkomen van een verdere verstening van het buitengebied.
Planspecifiek
In voorliggend plan wordt een bestaand bedrijf in het buitengebied uitgebreid. Hierbij wordt een deel van de aanwezige bebouwing gesloopt ten behoeve van de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw. Hierbij is geen sprake van functionele wijziging. De ontwikkeling past dan ook binnen de uitgangspunten van het algemene beleid.
De gemeente Steenwijkerland heeft in 2005 het Landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland vastgesteld. In het landschapsontwikkelingsplan (LOP) Steenwijkerland wordt het landschapsbeleid voor het buitengebied van de gemeente voor de komende jaren vastgesteld. De landschappelijke hoofdstructuur geeft inzicht in de ruimtelijke kwaliteiten en door middel van een zonering in 'parels' en 'ontwikkelingsgebieden' is richting gegeven aan het behouden en versterken of ontwikkelen van nieuwe landschappelijke structuren. Het perceel is gelegen in het laag gelegen open gebied met een stroken verkaveling.
Eén van de thema's in de landschapsvisie is de inpassing van ontwikkelingen wonen, werken en recreatie in het buitengebied. Het gaat hier ondermeer om het stimuleren van aanplanten van streekeigen erfbeplanting en het vroegtijdig betrekken van het landschapspatroon bij de planvorming rondom nieuwe woon- en werkgebieden.
Planspecifiek
Het plangebied (blauwe cirkel) is gelegen in het deelgebied 'Slagenlandschap', zie onderstaande afbeelding.
Uitsnede van de kaart 'Gebiedszonering: landschapsontwikkelingsgebieden' uit het LOP (bron: LOP gemeente Steenwijkerland)
Het slagenlandschap is aangewezen als landschapsontwikkelingsgebied met behoud van karakteristieke waarden. De ontwikkelingsmogelijkheden doen zich met name voor in de bestaande linten. Nieuwe ontwikkelingen dienen ingepast te worden middels erfbeplanting zodat het contrast tussen de linten en het landschap verder versterkt kan worden. In de toekomstige situatie wordt de bedrijfslocatie landschappelijk ingepast. Aan de basis van deze inpassing staat de landschappelijke inpassingstekening uit bijlage 2. Uitgangspunt van de inpassing betreft het opnemen van erfbeplanting bestaande uit verschillende landschapselementen met gebiedseigen soorten. Aan de westkant van de locatie komt een brede singel die doorloopt tot aan de kopgevel van het bestaande bedrijfsgebouw aan de zuidwestkant van de bedrijfslocatie. De singel bestaat straks uit eeen afwisselingen van soorten als 'veldiep', 'gewone es' en'hazelaar'. Vooraan op het perceel worden enkele solitaire bomen geplant (bijvoorbeeld 'zomereik', 'gewone esdoorn' of 'paardenkastanje'). Deze bomen zorgen niet alleen voor een fraaier en wat meer verscholen aanzien van de bedrijfslocatie maar voorzien mede in een vergroening van de Roekebosscheweg. Het inrichting van de bedrijfslocatie en aangrenzende gronden conform de uitgangsprincipes van de landschappelijke inrichtingstekening is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Hiermee is planologisch geborgd dat het initiatief een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst en investering voor het ter plaatse voorkomende landschap bewerkstelligd.
Het initiatief past binnen het Landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland.
In het plangebied geldt de beheersverordening 'Buitengebied Steenwijkerland 2014', vastgesteld door de gemeente Steenwijkerland op 9 december 2014. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen 'Bedrijf' en 'Agrarisch met waarde'. Binnen de bestemming 'Bedrijf' is een bouwvlak opgenomen met maatvoeringen en aanduidingen. Het gaat om de aanduidingen: 'maximum bebouwingspercentage: 34%' en 'maximumbouwhoogte: 12m'. Daarnaast geldt over het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de beheersverordening ter plaatse van het plangebied (rode kader) met de (dubbel)bestemmingen en aanduidingen ter plaatse.
Uitsnede geldende bestemmingsplan ter hoogte van plangebied (bron: ruimtelijkeplannen)
Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan
Het nieuwe bedrijfsgebouw is buiten het bestaande bouwvlak voorzien. Daarmee is het plan in strijd met het vigerende bestemmingsplan.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
Voorliggende ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van bedrijfsbebouwing ter plaatse van een bestaand bedrijf. Ten behoeve van onderhavig plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 1. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat ter plaatse van de bovengrondse tank (boorpunt 101) een ogenschijnlijk beperkte verontreiniging in de bodem en een lichte verontreiniging in het grondwater is aangetroffen. Om de exacte omvang van de verontreiniging in kaart te brengen is aanvullend onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat er rondom boring 101 geen matige tot sterke verontreinigingen zijn aangetroffen. Boring 101 betreft daarmee de kern van de verontreiniging. Bij diverse boringen rondom de kern zijn zwakke olie-waterreacties waargenomen. Bij de uitgevoerde analyses blijkt dat in een tweetal grondmonsters sprake is van een lichte verontreiniging. In de overige onderzochte grondmonsters zijn geen verontreinigingen met minerale olie in de grond aangetoond.
De aangetoonde verontreiniging met olieproducten bij de bovengrondse tanks wordt als een ''nieuw geval van verontreiniging'' beschouwd en derhalve is de zorgplicht van toepassing. De omvang van de kern is voldoende in kaart gebracht. De geconstateerde (lichte) verontreinigingen dienen vanwege de zorgplicht formeel geheel verwijderd te worden. Ter goedkeuring is een Plan van Aanpak ingediend bij het bevoegd gezag. De resultaten van het vervolgtraject, waaronder de sanering zelf en het uitvoeren van controlemonsters na de sanering, worden in het kader van de omgevingsvergunningfase ingediend bij het bevoegd gezag. In paragraaf 4.6 Economische uitvoerbaarheid is nader aangegeven dat de initiatiefnemer instaat voor de kosten van het vervolgtraject. Het initiatief is daarmee uitvoerbaar vanuit het aspect bodem en de vervolgstappen in het kader van bodem staan de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15868866 (aan de Gasthuisdijk ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) |
PM10
(fijnstof) |
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) | 9,2 µg/m3 | 13,4 µg/m3 | 6,8 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (nieuw bedrijfsgebouw) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Het nieuwe bedrijfsgebouw doet dienst als opslaglocatie van bedrijfsvoertuigen. Er zijn geen werknemers voor langere tijd aan het werk binnen het gebouw. Het bedrijfsgebouw is geen geluidgevoelig object.
De oprichting van het opslaggebouw zorgt ook niet voor een toename van geluid op geluidgevoelige objecten uit de omgeving, waaronder de nabijgelegen woning aan de Roekebosscheweg 4 tegenover het plangebied.
Het opslaggebouw wordt binnen de bestaande bedrijfslocatie opgericht en de bedrijfslocatie wordt niet uitgebreid in de richting van deze woning. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai en industrielawaai is niet aan de orde.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
| geurgevoelig object gelegen in: | maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) |
| concentratiegebied binnen bebouwde kom | 3,0 ouE/m3 |
| concentratiegebied buiten bebouwde kom | 14,0 ouE/m³ |
| niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom | 2,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom | 8,0 ouE/m3 |
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
Planspecifiek
Het nieuwe opslaggebouw wordt niet in gebruik genomen als verblijfsgebouw voor werknemers. Voorliggend plan voorziet daarmee niet in de oprichting van een geurgevoelig object. Ook maakt voorliggend plan geen agrarische bedrijfsactiviteiten mogelijk die kunnen zorgen voor een negatief geureffect op geurgevoelige objecten waaronder woningen in de omgeving van het bedrijf.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
Voorliggende ontwikkeling voorziet in de oprichting van een bedrijfsgebouw voor opslag van bedrijfsvoertuigen binnen een bestaande bedrijfslocatie. Het bedrijfsgebouw maakt onderdeel uit van het bestaande loonbedrijf. De VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' hanteert voor loonbedrijven met een bedrijfsoppervlak groter dan 500 m2 een milieucategorie 3.1. De maximale bijbehorende richtafstand bedraagt 50 m op basis van geluid. Door voorliggend plan wordt de planologische situatie in overeenstemming gebracht met het feitelijk gebruik van de gronden. Planologisch gezien schuift het loonbedrijf daarmee beperkt op in noordwestelijke richting. Ten noordwesten van de bedrijfslocatie liggen twee milieugevoelige objecten aan de Roekebosscheweg 5a en 6, beide woningen op meer dan 100 m afstand. Er wordt daarmee ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Nadelige milieueffecten op de woningen kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. De nieuwe sleufsilo wordt aan de westkant van de bestaande bedrijfslocatie opgericht. De silo wordt gebruikt voor de (tijdelijke) opslag van zand en grond. Ten opzichte van de bestaande toegestane bedrijfsactiviteiten zorgt de silo niet voor een verandering/toename van het milieueffect. Negatieve milieueffecten als gevolg van het gebruik van de sleufsilo kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
Voorliggende ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bestaand bedrijf. Met deze ontwikkeling worden geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Gelet op dit gegeven is nadere toetsing niet aan de orde. Voorliggend initiatief maakt ook geen bedrijfsactiviteiten mogelijk met een risicoeffect op (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Planspecifiek
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Drents Overijsselse Delta. Het waterschap is via de digitale watertoets op de hoogte gebracht van voorliggend initiatief, zie bijlage 3.
Het waterschap heeft in reactie laten weten dat het plan in aanmerking komt voor een zogenaamde 'geen belang procedure'. Onderstaande paragraaf is aangedragen door het waterschap Drents Overijsselse Delta.
Invloed op de waterhuishouding
Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het plangebied wordt een reeds aanwezig bedrijf uitgebreid, hiermee zal geen sprake zijn van een toename van verhard oppervlakte van 1.500 m2 of groter. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
Watergangen
Direct ten noorden van het plangebied loopt (een beschermingszone van) een B - watergang van het waterschap Drent Overijsselse Delta. Voorliggend initiatief heeft geen negatief effect op de watergang. In het landschappelijke inrichtingstekening is rekening gehouden met het behoud van de onderhoudsstrook van de watergang, zie ook bijlage 2 van de regels.
Conclusie
Voorliggend initiatief heeft geen negatief effect ten aanzien van het aspect water. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt het waterschap op de hoogte gehouden van de ontwikkeling.
Hiermee voldoet het plan aan het advies van het waterschap en is nader onderzoek naar het aspect 'water' niet noodzakelijk.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Voor het initiatief is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 4. De belangrijkste conclusies zijn verwerkt in voorliggende paragraaf.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'De Wieden' ligt op ca 500 m ten westen van het plangebied. Vanwege de afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied en de aard en schaal van de ontwikkeling, kunnen negatieve effecten ten aanzien van lichthinder, trilling en geluid op voorhand worden uitgesloten. Uit de quickscan blijkt dat ten aanzien van het aspect stikstofdepositie negatieve effecten tijdens de gebruiksfase kunnen worden uitgesloten. Het nieuwe opslaggebouw voorziet enkel in extra opslagcapaciteit van bestaande voertuigen. Er komen door het plan geen extra voertuigen en daarmee samenhangende verkeersbewegingen bij. Om het effect van het initiatief tijdens de aanlegfase te kunnen bepalen is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd, zie bijlage 5. De belangrijkste conclusie is dat er geen sprake is van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkelingen binnen het plangebied. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is niet nodig voor dit project. Negatieve effecten ten aanzien van gebiedsbescherming kunnen worden uitgesloten.
Soortenbescherming
Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden zal de Algemene zorgplicht zoals bedoeld in de Wnb ten alle tijden in acht worden genomen.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.
Verkeer
Voorliggend initiatief heeft geen toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. Het opslaggebouw zal in gebruik worden genomen voor de opslag van bestaande bedrijfsvoertuigen. Voorliggend initiatief heeft geen effect op de verkeerskundige situatie ter plaatse.
Parkeren
Het opslaggebouw wordt in gebruik genomen voor de opslag van bedrijfsvoertuigen. Het initiatief heeft geen toename van klanten of werknemers tot gevolg. Er is geen sprake van een toename van de parkeerbehoefte.
Volledigheidshalve kan een theoretische toename van het aantal benodigde parkeerplaatsen (2 parkeerplaatsen vanwege een toename van 100 m2 aan bedrijfsbebouwing, CROW, buitengebied, niet stedelijk, opslaggebouw). Op het verharde buitenruimte rondom de bestaande en nieuwe bedrijfsgebouwen is meer dan voldoende ruimte beschikbaar om in de theoretische toename van 2 parkeerplaatsen te kunnen voldoen. Parkeren is geheel mogelijk binnen eigen terrein, het plan heeft geen parkeerdruk op de omgeving tot gevolg.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor verkeer is hiermee aangetoond.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen zoals (rijks)monumenten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in een landschap dat vanuit cultuurhistorisch oogpunt bescherming geniet. Het initiatief heeft geen negatief effect vanuit het aspect cultuurhistorie.
Archeologie
Binnen het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Archeologisch onderzoek is nodig als een initiatief bodemwerkzaamheden tot gevolg heeft met een oppervlak van minimaal 100 m². Daarom is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 6. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat er geen archeologische resten worden bedreigd zolang de bodem niet dieper dan 80 cm onder maaiveld wordt geroerd. Tijdens de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouw en bijbehorende fundering zal de bodem worden verstoord tot ca 40 cm onder maaiveld. Het uitvoeren van aanvullend archeologisch onderzoek is daarmee niet nodig. Om de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten in de bodem dieper dan 80 cm onder maaiveld te beschermen, wordt de bestaande dubbelbestemming overgenomen en beperkt aangepast zodat in de toekomst archeologisch onderzoek nodig is bij grondwerkzaamheden met een oppervlak groter dan 100 m² en dieper dan 80 cm onder maaiveld.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit cultuurhistorie en archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voorafgaand aan de planologische procedure wordt er tussen de initiatiefnemer en de gemeente een planschadeovereenkomst afgesloten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de planschadeovereenkomst.
Vanuit het aspect bodem zijn vervolgstappen noodzakelijk vanwege de sanering van een geconstateerde verontreiniging, zie 4.1.1. Aan deze vervolgstappen zijn kosten verbonden. De initiatiefnemer is hiermee bekend en staat er voor in dat de kosten gemaakt worden om de sanering conform het bij het bevoegd gezag ingediende Plan van Aanpak uit te voeren. De vervolgstappen van het aspect bodem staan de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan daarmee niet in de weg.
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro opgenomen.
Bij voorliggend plan is geen sprake van een formele inspraakprocedure. Het bestemmingsplan wordt gelijk als ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. De initiatief brengt omwonenden persoonlijk op de hoogte van de ontwikkeling.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen op het bestemmingsplan ingediend.