Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22M Klosseweg 8, Wanneperveen
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1708.WNPKlosseweg8OP-VA01

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de functiewijziging en splitsing aan de Klosseweg 8 te Wanneperveen en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22M) van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening “Regels op de kaart”. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op “Regels op de kaart” uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22M van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22M.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22M’ gelezen worden.

1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk

Artikel 2 Aanvullende bepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen.
 
2.1 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22M Klosseweg 8, Wanneperveen met identificatienummer NL.IMRO.1708.WNPKlosseweg8OP-VA01 van de Gemeente Steenwijkerland;
 
2.2 Omgevingsplan
het omgevingsplan van de Gemeente Steenwijkerland;
 
2.3 Aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
2.4 Aan huis verbonden bedrijf
het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
 
2.5 Aan huis verbonden beroep
een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
 
2.6 Agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of riet en/of het houden van dieren,
 
2.7 Aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
2.8 Aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
2.9 Archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.
 
2.10 Archeologische verwachting
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.
 
2.11 Archeologisch deskundige
de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie.
 
2.12 Bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
2.13 Begane grond
het gedeelte van een gebouw dat gelijk is aan het natuurlijk oppervlak van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aansluitende maaiveld of de gemiddelde hoogte daarvan.
 
2.14 Bestaand
de op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare bebouwing of het op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan
 
2.15 Biologische gewasbeschermingsmiddelen
Gewasbeschermingsmiddelen die uitsluitend bestaan uit natuurlijke werkzame stoffen, zoals plantenextracten, micro-organismen, mineralen of basisstoffen en die zijn toegelaten voor gebruik in de landbouw met het oog op minimale belasting van mens, dier en milieu. Deze middelen zijn niet synthetisch-chemisch van aard en worden toegepast als onderdeel van een teeltwijze die gericht is op het voorkomen van ziekten en plagen door natuurlijke processen en middelen. 
 
2.16 Bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
2.17 Bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
 
2.18 Bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback.
 
2.19 Bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
2.20 Bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
2.21 Carport
Een geheel of gedeeltelijk overdekt bouwwerk, aan maximaal twee zijden voorzien van wanden, inclusief bestaande wanden, dat blijkens zijn aard is bestemd voor het stallen van een motorvoertuig
 
2.22 Detailhandel
het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
2.23 Erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een omgevingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.
 
2.24 Erfafscheiding
afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst.
 
2.25 Erker
een ondergeschikte uitbreiding van het hoofdgebouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte en zorgt voor een verbijzondering van de voorgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. Een erker heeft een diepte van maximaal 1,00 meter en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas.
 
2.26 Functiegrens
de grens van een functievlak.
 
2.27 Functievlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
 
2.28 Gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
2.29 Gevellijn
de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart.
 
2.30 Incidenteel
Het beperkt en niet-structureel toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, uitsluitend wanneer dit noodzakelijk is voor het behoud van de functie van het perceel, zoals het bestrijden van onkruid in grasland. Dit gebruik vindt plaats op onregelmatige basis, zonder dat sprake is van een vast onderdeel van het reguliere beheer of teeltplan. Het gebruik moet gemotiveerd en aantoonbaar uitzonderlijk zijn, bijvoorbeeld bij acute plaagdruk of onvoorziene omstandigheden. 
 
2.31 Kampeermiddel
een middel ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waaronder wordt begrepen een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren.
 
2.32 Maaiveld
bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging.
 
2.33 Maatvoeringsvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten.
 
2.34 Nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
 
2.35 Onderbouw / kelder
een gedeelte van een gebouw, dat is gelegen binnen de buitenwerkse gevelvlakken en wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven het peil is gelegen.
 
2.36 Onderkomen
voor verblijf geschikt, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief verblijf.
 
2.37 Openbare nutsvoorziening
een gebouw of bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport dan wel de telecommunicatie, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuisje en een verdeelstation.
 
2.38 Opslag
het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.
 
2.39 paardenbak
een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's.
 
2.40 Peil
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld;
indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil.
 
2.41 Prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
 
2.42 Seksinrichting
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
2.43 Setback
een dakopbouw die is gelegen ten minste 2,00 meter achter de denkbeeldige verticaal doorgetrokken voorgevel van een gebouw en die een hoogte heeft van maximaal 3,50 meter, gemeten vanaf de bovenkant van de desbetreffende verdiepingsvloer.
 
2.44 Verdieping
een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag, welke is gelegen ter plaatse van de begane grond.
 
2.45 Voorgevel
gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water en die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt.
 
2.46 Watervoorziening
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.
 
2.47 Woning
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
 

Artikel 3 Toepassingsbereik

  1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  3. De regels in dit hoofdstuk (H22M) zijn van toepassing op de locatie Klosseweg 8 te Wanneperveen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.WNPKlosseweg8OP-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
4.1 De afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens
tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
 
4.2 Het bebouwingspercentage
het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.
 
4.3 De bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
4.4 De dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
4.5 De goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
4.6 De horizontale diepte van een gebouw
de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
 
4.7 De inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
4.8 De lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.
 
4.9 De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
4.10 De oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
4.11 De ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.
 
4.12 De verticale diepte van een gebouw
de diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer.
 

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.

2 Functies en aanduidingen

Artikel 6 Agrarisch met waarden

6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Agrarisch met waarden’.
 
6.2 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Agrarisch met waarden’ heeft de volgende functies:
  1. Agrarisch bedrijfsmatig gebruik;
  2. Agrarisch hobbymatig gebruik;
  3. Bescherming, instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke en/of landschappelijke waarden;
  4. Instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuur- en landschapselementen, water en oevervegetaties.
 
Met daaraan ondergeschikt:
  1. Ontsluitingsvoorzieningen;
  2. Groenvoorzieningen;
  3. Recreatief medegebruik, voor zover dit geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft;
  4. Watervoorzieningen.
6.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
6.3.1 Beoordelingsregels
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels, behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken.
  
6.3.2 Gebouwen
Op gronden met de functie ‘Agrarisch met waarden’ mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van:
  1. Bestaande gebouwen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt.
6.3.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Op gronden met de functie ‘Agrarisch met waarden’ mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:
  1. Omheiningen, uitsluitend in de vorm van draadomheining, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1 meter bedraagt;
  2. Voerderruiven, drinkbakken en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
  3. Bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van het instandhouden, versterken en/of ontwikkelen van de in artikel 6.1 genoemde natuur- en landschapselementen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2,00 meter bedraagt;
  4. Bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt.
6.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
6.4.1 Teeltondersteunende voorzieningen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning teeltondersteunende voorzieningen te plaatsen.
 
6.4.2. Paardenbak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te realiseren.
 
6.4.3. Minicampings
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een mini camping te exploiteren.
 
6.5 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
6.5.1 Beoordelingsregels.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels, behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
 
6.5.2 Teeltondersteunende voorzieningen
Een omgevingsvergunning voor teeltondersteunende voorzieningen kan uitsluitend worden verleend indien:
  1. De oppervlakte van teeltondersteunende voorzieningen per bedrijf maximaal 500m2 bedraagt;
  2. Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing.
6.5.3. Paardenbak
Een omgevingsvergunning voor een paardenbak kan uitsluitend worden verleend indien:
  1. De volledige paardenbak dient te worden gerealiseerd binnen een straal van 70 meter, gemeten vanaf het aangrenzende en bij de functie behorende hoofdgebouw;
  2. De paardenbak dient op minimaal 50 meter afstand van de woning van derden te worden aangelegd;
  3. De paardenbak heeft een maximale afmeting van 20 x 40 meter;
  4. De paardenbak dient in het achtererf gerealiseerd te worden;
  5. Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing;
  6. De bouwhoogte van de omheining rond een paardenbak is maximaal 1,50 meter, met dien verstande dat de lichtmasten ten hoogste 5,50 meter mogen bedragen;
  7. De plaatsing van lichtmasten bij de paardenbak is uitsluitend toegestaan indien dit geen lichthinder tot gevolg heeft.
6.5.4. Minicampings
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.5.1. wordt alleen verleend als er toepassing gegeven wordt aan de onderstaande regels:
  1. Het totaal aantal overnachtingsplekken op minicampings binnen de gemeente niet meer dan 750 bedraagt;
  2. Het maximaal aantal kampeerplaatsen per minicamping maximaal 20 bedraagt;
  3. De oppervlakte van een kampeerplaats bedraagt minimaal 80m2;
  4. Er mogen uitsluitend kampeermiddelen worden geplaatst;
  5. Een goede landschappelijke inpassing dient te worden gewaarborgd;
  6. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte, overeenkomstig met de parkeernota Steenwijkerland, of diens rechtsopvolger;
  7. De afstand van de minicamping tot de perceelsgrens met de aangrenzende woningen met een woonfunctie minimaal 25 meter bedraagt;
  8. Nieuwe minicampings zijn niet toegestaan in het Natura-2000 gebied en EHS gebieden;
  9. Er is uitsluitend sprake van seizoensgebonden recreatie.
6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
6.6.1 Regels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het is verboden op of in de gronden, met de functie ‘Agrarisch met waarden’, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen, met dien verstande, dat ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde' voor het aanleggen van containervelden geen vergunning kan worden verleend;
  2. het scheuren van grasland en/of rietland;
  3. het aanbrengen van (bovengrondse) leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
  4. het verrichten van exploitatieboringen;
  5. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen;
  6. het wijzigen van de bodemstructuur, het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem met meer dan 0,20 meter;
  7. het verwijderen van natuur- en landschapselementen;
  8. het aanbrengen dan wel wijzigen van drainagesystemen;
  9. het dempen van oppervlaktewater;
  10. het vergraven van oevers;
  11. het verleggen van watergangen.
6.6.2. Uitzonderingen
Het verbod in artikel 6.6.1. is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die;
  1. Het normale beheer en/of onderhoud betreffen;
  2. Worden verricht in het kader van normaal bodemgebruik;
  3. Deel uitmaken van activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan, zoals bedoeld in de Omgevingswet.
6.6.3. Voorwaarden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien;
  1. De werken of werkzaamheden, de waarden en doeleinden genoemd in artikel 6.1 niet onevenredig aantasten;
  2. De gevolgen van de werken of werkzaamheden, direct of indirect, de waarden en doeleinden genoemd in artikel 6.1 niet onevenredig aantasten;
  3. De mogelijkheden voor herstel van de waarden niet wezenlijk worden verkleind.
6.6.4. Advies
Het bevoegd gezag vraagt advies aan het bevoegde waterschapsgezag, alvorens een vergunning verleend kan worden in de volgende gevallen:
  1. Indien er meer dan 750m2 extra verhard oppervlakte gerealiseerd wordt;
  2. Gronden worden afgegraven met als doel meer dan 750m2 oppervlaktewater te realiseren.

Artikel 7 Tuin

7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Tuin’.
 
7.2 Functieomschrijving
7.2.1 Algemeen
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘tuin’ heeft de volgende functies:
  1. tuinen behorende bij op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen;
  2. parkeren;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
met de daarbij behorende voorzieningen.
 
7.2.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 46.1.
 
7.3 Bouwregels
 
7.3.1 Algemeen
Op de voor 'Tuin' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits:
    1. de diepte gemeten vanaf de bouwgrens binnen de bestemming 'Wonen - Buitengebied' niet meer dan 1,00 meter bedraagt;
    2. de breedte niet meer bedraagt dan 66% van de breedte van de woning;
    3. de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,30 meter.
7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Strijdig gebruik
Onder gebruiken en/of laten gebruiken in strijd met het omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, een en ander met uitzondering van parkeren ten behoeve van het op de bestemming gerichte gebruik;
  2. buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor op de bestemming gericht tijdelijk gebruik.

Artikel 8 Wonen

8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Wonen’.
 
8.2 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Wonen’ heeft de volgende functies:
  1. Wonen in een woning
Met de daarbij behorende:
  1. Tuinen en erven;
  2. Ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  3. Watervoorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
 
8.3.1 Beoordelingsregels.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels, behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken
 
8.3.2 Algemeen
Op de gronden met de functie Wonen mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd:
  1. Woningen, uitsluitend binnen de functieaanduiding ‘bouwvlak’; (8.3.3)
  2. Bijbehorende bouwwerken; (8.3.4)
  3. Bouwwerken geen gebouw zijnde (8.3.5)
8.3.3 Woningen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. Per bouwvlak is maximaal 1 woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' maximaal het aangeduide aantal woningen is toegestaan.
  2. Woningen mogen alleen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’;
  3. De voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens of evenwijdig aan de voorgevelrooilijn van bestaande omliggende bebouwing;
  4. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  5. De inhoud van een woning bedraagt maximaal 600m3, of de bestaande legale maximale inhoud indien deze groter is;
  6. De goothoogte van een woning bedraagt maximaal de met ‘maximale goothoogte’ aangeduide goothoogte, dan wel maximaal de bestaande legale bouwhoogte indien deze groter is;
  7. De bouwhoogte van een woning bedraagt de met ‘maximale bouwhoogte’ aangeduide bouwhoogte, dan wel maximaal de bestaande legale bouwhoogte indien deze groter is;
  8. De woningen worden voorzien met een kap met een dakhelling van minimaal 30* en maximaal 60* graden;
8.3.4 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken behorende bij de woning gelden de volgende bepalingen:
  1. Bijbehorende bouwwerken dienen in het achtererfgebied te worden gebouwd;
  2. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van overkappingen, bedraagt maximaal de oppervlakte zoals hieronder aangegeven;

    Oppervlakte bestaand AchtererfgebiedToegestane oppervlakte bijgebouwen
    Achtererfgebied tot 100m2
    60% van het achtererfgebied
    100 m² - 200 m²
    97 m²
    200 m² - 300 m²
    90 m²
    300 m² - 400 m²
    100 m²
    400 m² - 500 m²
    110 m²
    500 m² - 600 m²
    120 m²
    600 m² - 700 m²
    130 m²
    700 m² - 800 m²
    140 m²
    Achtererfgebied vanaf 800 m²
    150 m²
  3. Maximaal 60% van het achtererf mag bebouwd worden;
  4. De goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,50 meter;
  5. De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 80% van de bouwhoogte van de woning;
  6. Bijbehorende bouwwerken worden met een kap van minimaal 20* - maximaal 60* afgedekt.
8.3.5 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen:
  1. Bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen uitsluitend in het achtererfgebied worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en een vlaggenmast;
  2. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet specifiek hieronder gedefinieerd geldt dat de hoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
  3. Een carport wordt op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn van de woning gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van een carport maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van een carport maximaal 20 m² bedraagt;
8.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
 
8.4.1 Groter oppervlakte van bijbehorend bouwwerken na sanering
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grotere oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken te realiseren dan gesteld in 8.3.4.
 
8.4.2 Vergroten van de inhoud van de woning en gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning met een grotere inhoud te realiseren dan het maximum dat gesteld is in 8.3.3.
 
8.4.3 Vergroten van de goothoogte van de woning
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning met een hogere goothoogte te realiseren dan het maximum dat gesteld is in 8.3.3.
 
8.4.4 Samenvoegen van woningen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning woningen samen te voegen.
 
8.4.5 Woningsplitsing
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bestaande woning te splitsen naar meerdere wooneenheden.
 
8.4.6 Bed & Breakfast
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gelegenheid ten behoeve van het verlenen van bed & breakfast aan te bieden.
 
8.4.7 Paardenbak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te realiseren.
 
8.5 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
 
8.5.1 Beoordelingsregels.
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels, behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken.
 
8.5.2 Groter oppervlakte van bijbehorende bouwwerken na sanering
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. Er dient sprake te zijn van sloop en maximaal 75% van de gesloopte bebouwing mag terug worden gebouwd;
  2. Na sanering mag het perceel voor maximaal 60% zijn bebouwd;
8.5.3 Vergroten van de inhoud van een woning en gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. Ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ dient de karakteristieke hoofdvorm van de woning behouden te blijven;
  2. Het gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak betrekking heeft op de uitbreiding van een woning binnen het bouwvlak;
  3. De inhoud van de woning maximaal 750m3 mag bedragen;
  4. Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke- en stedenbouwkundige inpassing.
8.5.4 Vergroten van de goothoogte van de woning
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. De goothoogte van de woning niet hoger is dan 5,50 meter.
8.5.5 Samenvoegen van woningen
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:
  1. De woningsplitsing vanuit stedenbouwkundigoogpunt aanvaardbaar is;
  2. De inhoud en oppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet mag worden vergroot.
8.5.6 Woningsplitsing
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:
  1. De te splitsen woning heeft ten minste een inhoud van 600m3 ;
  2. Na splitsing heeft elke woning ten minste een inhoud van 250m3 ;
  3. De woningsplitsing vanuit stedenbouwkundigoogpunt aanvaardbaar is;
  4. samenvoeging van woningen in een rij aaneengesloten soortgelijke woningen is niet toegestaan;
  5. De inhoud en oppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet mag worden vergroot.
8.5.7 Bed & breakfast
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:
  1. Er maximaal 10 slaapplaatsen per bouwperceel gerealiseerd mogen worden, ten behoeve van gelijktijdig nachtverblijf van maximaal 10 personen;
  2. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een nevenactiviteit, zoals bedoeld in 7.5.8., 7.5.9, 7.5.10 en 7.6.1.;
  3. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, conform de Nota parkeernormen Steenwijkerland;
  4. Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing.
8.5.8 Paardenbak
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:
  1. De volledige paardenbak dient te worden gerealiseerd binnen een straal van 70 meter, gemeten vanaf het aangrenzende en bij de functie behorende hoofdgebouw;
  2. De paardenbak dient op minimaal 50 meter afstand van de woning van derden te worden aangelegd;
  3. De paardenbak heeft een maximale afmeting van 20 x 40 meter;
  4. De paardenbak dient in het achtererf gerealiseerd te worden;
  5. Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing;
  6. De bouwhoogte van de paardenbak is maximaal 1,50 meter, met dien verstande dat de lichtmasten ten hoogste 5,50 meter mogen bedragen;
  7. De plaatsing van lichtmasten bij de paardenbak is uitsluitend toegestaan indien dit geen lichthinder tot gevolg heeft.
8.6 Specifieke functieregels
 
8.6.1 Beroep of bedrijf aan huis
Een beroep of bedrijf aan huis bij de bedrijfswoning, zoals benoemd in bijlage 1 bij de regels, is toegestaan, mits;
  1. Een aan huis verbonden beroep of bedrijf wordt uitsluitend uitgeoefend in de bedrijfswoning of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken; 
  2. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf; 
  3. De verschijningsvorm als woning mag niet wezenlijk worden aangetast;
  4. Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens 1 persoon tevens de bewoner van de woning is;
  5. Er is maximaal één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20x30 cm;
  6. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte, overeenkomstig met de Nota parkeernormen Steenwijkerland, of diens rechtsopvolger;
  7. Er geen detailhandel plaatsvindt, behoudens beperkte verkoop van aan het betreffende beroep/bedrijf aan huis gerelateerde producten. Met dien verstande dat maximaal 10% van de vloeroppervlakte waar een beroep/bedrijf aan huis uitgeoefend mag worden gebruikt mag worden voor detailhandel;
  8. Er geen buitenopslag plaatsvindt;
  9. Er geen sprake mag zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  10. Er geen onevenredige aantasting plaats vindt van het woon- en leefklimaat.
 

Artikel 9 Waarde - Archeologie 2

9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 2’.
 
9.2 Functieomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor bescherming van de aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
 
9.3 Omgevingsvergunning voor het bouwen op een locatie met de waarde Archeologie 2
 
9.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Ter plaatse van gronden met de ‘Waarde – Archeologie 2’ is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, indien;
  1. De oppervlakte groter is dan 250m2 en de locatie is gelegen binnen de bebouwde kom;
  2. De oppervlakte groter is dan 2500m2 en de locatie is gelegen buiten de bebouwde kom.
9.3.2 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. Een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
9.3.3 Beoordelingsregels
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels, behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken.
 
9.3.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het bouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels;
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien en voor zover uit het archeologisch rapport blijkt dat:
  1. De archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  2. In voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  3. In voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
9.3.5 Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het bouwen
Indien uit het in 9.3.2. genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
9.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 9.4.2., zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid 9.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
  1. Over een oppervlakte groter dan 250m2 binnen de bebouwde kom en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld;
  2. Over een oppervlakte groter dan 2500m2 buiten de bebouwde kom en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld.
Voor zover het gaat over;
  1. Het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  2. Het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting;
  3. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
9.4.2 Uitzondering vergunningplichtige gevallen
Het bepaalde in lid 9.4.1 is niet van toepassing bij werkzaamheden indien:
  1. Door middel van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn;
  2. Het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  3. Werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
  4. De werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
9.4.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. Een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
9.4.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. De archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  2. In voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  3. In voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
9.4.5 Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Indien uit het in 9.3.2. genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene bouwregels

11.1 Bestaande maten
 
11.1.1 Afwijkende hogere maten
De bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlakte maten die meer bedragen dan hetgeen is voorgeschreven in artikel 6, artikel 7, artikel 8 of artikel 9 van dit plan én niet in strijd zijn met het voorheen geldende plan mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aanschouwd.
 
11.2 Parkeernormen
In het geval er nieuwe ontwikkelingen worden gerealiseerd binnen het plangebied dient de Nota Parkeernormen Steenwijkerland te worden gehanteerd.
 
11.3 Ondergrond bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen de aanduiding ‘bouwvlak’;
  2. De oppervlakte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan de toegestane oppervlakte van bouwwerken boven peil;
  3. De ondergrondse bouwdiepte mag maximaal 4,00 meter onder peil bedragen;
  4. Om het ondergrondse bouwwerk toegankelijk te maken is overschrijding van het bouwvlak toegestaan, mits niet ter plekke van het voorerf wordt gebouwd;
  5. De regels van de desbetreffende functie zijn overeenkomstig van toepassing.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

12.1 Overige zone - spuitvrije zone
Binnen de 'Overige zone – spuitvrije zone' is het gebruik maken van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid a met maximaal 10%.
  3. Het bepaalde lid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  5. Bij in gebruik name van de nieuwe woning, welke door splitsing wordt mogelijk gemaakt, vervalt het overgangsrecht voor het gebruik van gewassenbeschermingsmiddelen ter plaats van de aanduiding "overige zone - spuitvrije zone".

Artikel 14 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22M Klosseweg 8, Wanneperveen’ van de Gemeente Steenwijkerland.