Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Buitengebied, Koningin Wilhelminalaan 44b te Willemsoord
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1708.WLOkonwilhelm44bBP-VA01
1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
 
1.1 plan:
het bestemmingsplan Buitengebied, Koningin Wilhelminalaan 44b te Willemsoord, met
identificatienummer NL.IMRO.1709.WLOkonwilhelm44bBP-VA01 van de gemeente
Steenwijkerland;
 
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij
behorende bijlagen;
 
1.3 aanbouw/uitbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee
het in directe verbinding stat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat
hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van is.
 
1.4 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar
ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het
bebouwen van deze gronden.
 
1.5 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.6 agrarisch:
het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
 
1.7 agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen
van gewassen en/of het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een
productiegerichte paardenhouderij, niet zijnde een agrarische nevenactiviteit.
 
1.8 agrarisch bedrijfsmatig gebruik:
het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het
houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Hieronder wordt mede
verstaan een rietteeltbedrijf.
 
1.9 agrarisch dienstverlenend bedrijf:
een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of
levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven.
 
1.10 agrarisch hobbymatig gebruik:
het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet gericht op het voortbrengen
van producten ten behoeve van een agrarisch bedrijf.
 
1.11 agrarisch grondgebruik:
een agrarische activiteit waarvan de productie afhankelijk is van het voortbrengend
vermogen van onbebouwde grond.
 
1.12 archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband de in dat gebied voorkomende
overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.
 
1.13 bebouwde kom in verband met archeologie:
voor het bepalen van de bebouwde kom wordt aangesloten bij de bebouwde kom
volgens de Wegenwet.
 
1.14 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
1.15 bebouwingspercentage:
het percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten
hoogste mag worden bebouwd.
 
1.16 bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.
 
1.17 begane grond:
het gedeelte van een gebouw dat gelijk is aan het natuurlijk oppervlak van het terrein,
zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. Is er sprake van hoogteverschillen
in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aansluitende maaiveld of de
gemiddelde hoogte.
 
1.18 bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen,
bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig
verlenen van diensten. Aan-huisverbonden beroepen en bedrijven niet daaronder
begrepen.
 
1.19 bedrijfsmatig:
via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon deelnemen aan het economisch
verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en
regelmaat zijn gelijk te stellen.
 
1.20 bestaand:
de op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare bebouwing of het op legale wijze
gerealiseerde of realiseerbare gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het
bestemmingsplan.
 
1.21 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.22 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
1.23 bevoegd gezag:
bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Als hoofdregel is dit het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.
 
1.24 bijgebouw:
een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het
hoofdgebouw.
 
1.25 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen
of veranderen van een standplaats.
 
1.26 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
1.27 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar
behorende bebouwing is toegelaten.
 
1.28 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel.
 
1.29 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de
regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
1.30 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij
direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of
op de grond.
 
1.31 carport:
een bouwwerk met tenminste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden
voorzien, inclusief bestaande wanden.
 
1.32 coffeeshop:
een horecabedrijf, waarin uitsluitend alcoholvrije dranken en eventueel kleine eetwaren
worden verstrekt voor gebruik ter plaatse en waar softdrugs worden verstrekt voor
gebruik ter plaatse of gebruik elders.
 
1.33 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de
uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren,
van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor
gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of
bedrijfsactiviteit.
 
1.34 draadomheining en draaderfafscheiding:
een omheining of erfafscheiding bestaande uit één of meerdere evenwijdig aan elkaar
lopende of haaks op elkaar staande draden.
 
1.35 eerste bouwlaag:
bouwlaag op de begane grond.
 
1.36 erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een
hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat
gebouw, mits deze inrichting in overeenstemming is met het bestemmingsplan.
 
1.37 erfafscheiding:
afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst.
 
1.38 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met
wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.39 geluidzoneringsplichtige inrichting:
een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging
in een bestemmingsplan een geluidszone als bedoeld in die wet moet worden
vastgesteld.
 
1.40 gevellijn:
de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin
een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg
grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart.
 
1.41 hoofdgebouw:
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de
geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op
het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
 
1.42 horeca:
het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies.
 
1.43 kampeermiddel:
een middel ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waaronder wordt begrepen een
tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of
huifkarren.
 
1.44 kantoor:
een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting is bedoeld voor het verrichten van
werkzaamheden van hoofdzakelijke administratieve aard.
 
1.45 maaiveld:
bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige
kunstmatige verhoging c.q. verlaging.
 
1.46 mantelzorg:
langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan
een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten
voor elkaar overstijgt en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts,
wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch
adviseur kan worden aangetoond.
 
1.47 normale onderhoudswerkzaamheden:
werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden
en bouwwerken. Daaronder worden mede verstaan werken of werkzaamheden die deel
uitmaken van de aciviteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan,
zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet.
 
1.48 omgevingsvergunning:
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
 
1.49 onderkomens:
voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen,
waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans,
kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve
van recreatief verblijf.
 
1.50 openbare dienstverlening:
dienstverlening door openbare instanties in het kader van het algemeen belang.
 
1.51 opslag:
het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de
productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.
 
1.52 paardenbak:
een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het
trainen, rijden en berijden van paarden en pony's.
 
1.53 parkeren:
het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan
gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of
uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
 
1.54 productiegebonden detailhandel:
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of
toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan
de productiefunctie.
 
1.55 peil:
  • voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld;
  • indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil.
 
1.56 recreatief medegebruik:
het medegebruik van gronden voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen,
ruitersport, varen met kano en gemotoriseerde (fluister)boot, surfen, zeilen en
sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-,
rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.
 
1.57 risicovolle inrichting:
een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit
risico's zware ongevallen 1999 (BRZO'15) of het Vuurwerkbesluit.
 
1.58 seksinrichting:
de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang
alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van
erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk
geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotischemassagesalon,
een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al
dan niet in combinatie met elkaar.
 
1.59 shop-in-shop formule:
shops die zijn gevestigd in andere winkels en voor wat betreft oppervlakte daaraan
ondergeschikt zijn. Ze voldoen niet aan de definitie van volumineuze detailhandel.
Mocht dat wel het geval zijn, dan zouden ze zich immers zelfstandig kunnen vestigen.
Dergelijke formules zijn onder andere herkenbaar doordat ze geen onderdeel uit maken
van de rechtspersoon van de overkoepelende winkel, ze eigen kassa's hebben,
beschikken over eigen personeel en ze eigen reclameuitingen gebruiken.
 
1.60 voorgevel:
gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water dan wel die
in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt.
 
1.61 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer,
waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen,
infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.
 
1.62 weg:
een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen
de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en
zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en daarbij behorende parkeerplaatsen.
 
1.63 woning:
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk
huishouden.
 
Artikel 2 Wijze van meten
 
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:
tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
 
2.2 het bebouwingspercentage:
het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.
 
2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.4 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
2.5 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
2.6 de horizontale diepte van een gebouw:
de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
 
2.7 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
2.8 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:
de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.
 
2.9 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:
vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
2.10 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2.11 de ondergeschikte bouwdelen:
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.
 
2.12 de verticale diepte van een gebouw:
de diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer.
  
2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Agrarisch met waarden
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
3.1.1 Algemeen
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. agrarisch bedrijfsmatig gebruik;
  2. agrarisch hobbymatig gebruik;
  3. bescherming, instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke en/of landschappelijk waarden;
  4. instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuur- en landschapselementen, zoals houtopstanden, houtwallen, houtsingels, sloten, beken, waterlopen en overige waterpartijen, water- en oevervegetaties;
  5. instandhouding, versterking en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke en/of ecologische waarden van de bestaande dobbe, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - bestaande dobbe';
 met daaraan ondergeschikt:
  1. ontsluitingsvoorzieningen;
  2. tuinen, erven en groenvoorzieningen;
  3. recreatief medegebruik, voor zover dit geen onevenredige verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
3.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 10
 
3.2 Bouwregels
 
3.2.1 Gebouwen
Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
 
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd, met uitzondering van:
  1. omheiningen en/of erfafscheidingen, uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen, met dien verstande dat de hoogte maximaal 1 meter bedraagt;
  2. voerderruiven, drinkbakken en/of picknickplaatsen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt;
  3. bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van het instandhouden, versterken en/of ontwikkelen van de in artikel 3.1 genoemde natuur- en landschapselementen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
  4. bestaande bouwwerken, geen gebouw zijnde, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt.
3.3 Specifieke gebruiksregels
 
3.3.1 Strijdig gebruik
Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  2. terras, tennisbaan en zwembad;
  3. paardenbak, tenzij daarvoor een omgevingsvergunning is verleend;
  4. het beproeven van en/of racen met voertuigen, al dan niet in wedstrijdverband;
  5. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclame-uitingen;
  6. buitenopslag, waaronder de opslag van mest(stoffen), behoudens voor zover dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik;
  7. de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond en bodemspecie;
  8. boom- en fruitteelt;
  9. ligplaats voor boten;
  10. verhuur van boten, fietsen en andere recreatieve vervoermiddelen.
3.3.2 Voorwaardelijke verplichting
  1. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden overeenkomstig de in lid 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het als Bijlage 1 van de regels opgenomen Landschappelijk Inpasingsplan, teneinde te komen tot een gedegen landschappelijke inpassing en ontwikkeling van de ter plaatse aanwezige dobbe.
  2. Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het in artikel 3 genoemde functies is in strijd, indien twee jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, de landschappelijke inpassing niet is gerealiseerd en in stand is gehouden zoals vervat in Bijlage 1.
3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
3.4.1 Vergunningplicht algemeen
Het is verboden op of in de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het scheuren van grasland en/of rietland;
  3. het aanbrengen van (bovengrondse) leidingen, constructies, installaties en apparatuur;
  4. het verrichten van exploitatieboringen;
  5. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen;
  6. het wijzigen van de bodemstructuur, het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem met meer dan 0,20 meter;
  7. het verwijderen van natuur- en landschapselementen;
  8. het aanbrengen dan wel wijzigen van drainagesystemen;
  9. het dempen van oppervlaktewater;
  10. het vergraven van oevers;
  11. het verleggen van watergangen.
3.4.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in artikel 3.4.1 is niet van toepassing op:
  1. normale onderhoudswerkzaamheden;
  2. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  3. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd;
  4. werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming;
  5. werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het als Bijlage 2 van de regels opgenomen Landschappelijk Inpasingsplan.
3.4.3 Toelaatbaarheid
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.4.1 kan alleen worden verleend indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 3.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.
 
3.4.4 Inwinnen advies bevoegd waterschapsgezag
In de volgende gevallen vraagt het bevoegd gezag advies aan het ter plaatse bevoegde waterschapsgezag, alvorens de in artikel 3.4.1 genoemde vergunning te verlenen:
  1. wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak groter dan 750 m²;
  2. wanneer gronden worden afgegraven met als doel permanent oppervlaktewater met een oppervlakte groter dan 750 m² te realiseren.
Artikel 4 Bedrijf
 
4.1 Bestemmingsomschrijving
 
4.1.1 Algemeen
De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. een loon- en grondverzetbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – loon- en grondverzet’;
  2. één bedrijfswoning per bedrijf, uitsluitend binnen de aanduiding ‘bouwvlak’ ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning en de specifieke aanduiding plattelandswoning;
  3. de daarbij behorende bijgebouwen;
  4. de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde. met daaraan ondergeschikt:
    1. hobbymatig agrarisch gebruik;
    2. tuinen, erven en groenvoorzieningen;
    3. ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
    4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
    5. een kantoor met kantine, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - kantoor – kantine’.
4.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 10.1
 
4.2 Bouwregels
 
4.2.1 Algemeen
Op de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. gebouwen ten behoeve van de in artikel 4.1 genoemde bestemming, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de daarbij behorende bijgebouwen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak';
  3. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 4.1 genoemde bestemming, zowel binnen als buiten de aanduiding ' bouwvlak';
met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 4.2.2 tot en met 4.2.5
 
4.2.2 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van de bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
  1. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' wordt het bouwvlak tot maximaal het aangeduide bebouwingspercentage bebouwd;
  2. de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens;
  3. bedrijfsgebouwen worden met een kap van minimaal 15° afgedekt;
  4. de goothoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt maximaal 5,00 meter;
  5. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt maximaal 10,00 meter.
4.2.3 Bedrijfswoning
Voor het bouwen van de bedrijfswoning gelden de volgende regels:
  1. per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
  2. de voorgevels van de woning worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens;
  3. de nokrichting zal haaks op de weg staan;
  4. de grenzen van het bouwvlak mogen worden overschreden door erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits:
    1. de diepte gemeten vanaf de bouwvlakgrens niet meer dan 1,00 meter bedraagt;
    2. de breedte niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de woning;
    3. de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,30 meter;
  5. de goothoogte bedraagt maximaal 3,50 meter;
  6. gebouwen zullen met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° worden afgedekt;
  7. de inhoud van een woning bedraagt maximaal 750 m³, dan wel maximaal de bestaande inhoud.
4.2.4 Specifieke vorm van bedrijf kantoor - kantine
Regels ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van bedrijf kantoor – kantine.
Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf kantoor – kantine´ gelden de volgende regels:
  1. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - kantoor – kantine’ bedraagt de maximum bebouwingsoppervlakte 76 m2;
  2. de voorgevelbreedte is naar de weg gekeerd en de breedte bedraagt maximaal 5,05 m;
  3. de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van bedrijf kantoor – kantine´ bedraagt maximaal 5,6 meter. De goothoogte bedraagt maximaal 3 m in de richting haaks op de weg.
4.2.5 Bijgebouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels:
  1. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, met uitzondering van carports, bedraagt maximaal 80 m², dan wel maximaal de bestaande oppervlakte;
  2. bijgebouwen worden uitsluitend gesitueerd op een afstand van minimaal 3,00 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de bedrijfswoning;
  3. bijgebouwen worden met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt;
  4. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,50 meter;
  5. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw.
4.2.6 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. carports worden op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van carports maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt en de oppervlakte van carports maximaal 36 m² bedraagt;
  2. bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en vlaggenmasten;
  3. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde mag maximaal 6,00 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter mag bedragen.
4.3 Nadere eisen
 
4.3.1 Onderwerpen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:
  1. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van bebouwing;
  2. het aantal parkeerplaatsen en de situering daarvan;
  3. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  4. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing.
4.3.2 Toepassingscriteria
De in artikel 4.3.1 genoemde onderwerpen voor het stellen van nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van:
het stedenbouwkundig beeld;
  1. de landschappelijke inpassing;
  2. een goede parkeerbalans;
  3. de verkeerssituatie;
  4. de milieusituatie;
  5. de sociale veiligheid;
  6. de ruimtelijke kwaliteit;
  7. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
  8. instandhouding van omliggende waarden.
4.4 Afwijken van de bouwregels
 
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in lid 4.2.4 teneinde de bebouwde oppervlakte van bijgebouwen behorende bij een woning te vergroten, met dien verstande dat:
  1. de oppervlakte aan bijgebouwen op het bouwperceel gezamenlijk maximaal 150 m² bedraagt;
  2. het bouwperceel voor maximaal 50% wordt bebouwd;
  3. de bijgebouwen worden vrijstaand uitgevoerd;
  4. de goothoogte van de bijgebouwen maximaal 3,50 m bedraagt;
  5. de bouwhoogte van de bijgebouwen maximaal 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt;
  6. de bijgebouwen passen in het stedenbouwkundig beeld, waarbij geldt dat clustering en concentratie van de bijgebouwen op het bouwperceel de voorkeur heeft;
  7. landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden niet onevenredig worden aangetast.
4.5 Specifieke gebruiksregels
 
4.5.1 Strijdig gebruik
Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. de vestiging van een bedrijf en/of het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten anders dan bedoeld in artikel 4.1 onder a;
  2. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, een en ander met uitzondering van parkeren ten behoeve van het op de bestemming gerichte gebruik;
  3. wonen, behoudens ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’, waarbij ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – plattelandswoning’ deze woning tevens als plattelandswoning mag worden gebruikt;
  4. zelfstandig kantoor;
  5. mantelzorg
  6. detailhandel (o.a. perifere detailhandel en detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte goederen);
  7. shop-in-shop formules;
  8. horeca;
  9. buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik en dan niet voor de voorgevel van het hoofdgebouw.
4.5.2 Voorwaardelijke verplichting
  1. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden overeenkomstig de in lid 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het als Bijlage 1 van de regels opgenomen Landschappelijk Inpassingsplan, teneinde te komen tot een gedegen landschappelijke inpassing en ontwikkeling van de ter plaatse aanwezige dobbe.
  2. Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het in artikel 4 genoemde functies is in strijd, indien twee jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan, de landschappelijke inpassing niet is gerealiseerd en in stand is gehouden zoals vervat in Bijlage 1.
4.6 Afwijken van de gebruiksregels
 
4.6.1 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van naar aard gelijk te stellen bedrijven
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.1.1 onder a, ten behoeve van het toestaan van naar hun aard met de toegelaten bedrijven gelijk te stellen bedrijven, met dien verstande dat:
  1. de uitgeoefende bedrijfsactiviteiten niet zwaarder mogen zijn dan de bedrijfsactiviteiten uit milieucategorie 2, zoals die zijn opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 2 bij deze regels);
  2. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. het woon- en leefklimaat;
    2. de verkeersveiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  3. in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 2
 
5.1 Bestemmingsomschrijving
 
5.1.1 Algemeen
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.
 
5.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de overige aangewezen dubbelbestemmingen, bestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 10.1
 
5.2 Bouwregels
 
5.2.1 Onderzoek ten behoeve van verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen
Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken:
  1. met een oppervlakte groter dan 250 m² wanneer deze zich bevindt binnen de bebouwde kom, dan wel;
  2. met een oppervlakte groter dan 2.500 m² wanneer deze zich bevindt buiten de bebouwde kom,
dient door de door de aanvrager een aanvullend en/of definitief archeologisch rapport te worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag:
  1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
5.2.2 Voorwaarden verlening omgevingsvergunning voor het bouwen
Indien uit het in artikel 5.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
5.3.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  2. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting;
  3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
voorzover de ingreep:
  1. dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld en een grotere oppervlakte dan 250 m² beslaat, wanneer deze zich bevindt binnen de bebouwde kom;
  2. dieper gaat dan 50 cm benden het maaiveld en een grotere oppervlakte dan 2.500 m² beslaat, wanneer deze zich bevindt buiten de bebouwde kom.
5.3.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in artikel 5.3.1 is niet van toepassing, indien:
  1. door middel van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn;
  2. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  3. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd;
  4. de werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
5.3.3 Toepassingscriteria
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.3.1 kan alleen worden verleend indien mede op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
 
5.3.4 Onderzoeksplicht
De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 die betrekking heeft op gronden, die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie 2' dient een rapport te overleggen waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag:
  1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en;
  2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel:
  3. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
5.3.5 Voorwaarden verlening omgevingsvergunning
Indien uit het in artikel 5.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
3 Algemene regels
 
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
  
Artikel 7 Algemene bouwregels
 
7.1 Ondergronds bouwen
 
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan de toegestane oppervlakte van bouwwerken boven peil;
  3. de ondergrondse bouwdiepte mag maximaal 4,00 meter onder peil bedragen;
  4. om het ondergrondse bouwwerk toegankelijk te maken is overschrijding van het bouwvlak toegestaan, mits de voorgevelrooilijn niet wordt overschreden;
  5. de regels van de betreffende bestemmingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8 Algemene gebruiksregels
 
8.1 Strijdig gebruik
 
Onder gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  2. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen gedoogtoestemming is verleend;
  3. straatprostitutie;
  4. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, tenzij de betreffende bestemming daarin wel uitdrukkelijk voorziet.
Artikel 9 Algemene afwijkingsregels
 
9.1 Meetverschillen
 
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de aangeduide bouwgrenzen indien een meetverschil of onnauwkeurigheid ten opzichte van de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft, mits de afwijking maximaal 3,00 meter bedraagt.
 
9.2 Kleine bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen
 
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in de dubbelbestemmingen en (gebieds)aanduidingen, een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de bouw- en/of gebruiksregels voor het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, pinautomaten, afval- en glascontainers en dergelijke, met dien verstande dat:
  1. de oppervlakte maximaal 15 m2 mag bedragen;
  2. de goothoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen;
  3. de bouwhoogte maximaal 6,00 meter mag bedragen.
9.3 Verleende omgevingsvergunningen of andere toestemmingen
 
Een omgevingsvergunning, vrijstelling of ontheffing die ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan is verleend voor een bouw- en/of gebruiksactiviteit waarvoor ingevolge deze regels een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is vereist, wordt gelijkgesteld met een dergelijke omgevingsvergunning.
 
Artikel 10 Overige regels
 
10.1 Voorrangsregels
 
10.1.1 Voorrang dubbelbestemming
In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en de dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 gaat het belang van de dubbelbestemming voor.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overgangsrecht
 
11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bestemmingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met het bestemmingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 12 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als:
 
Regels van het bestemmingsplan Buitengebied, Koningin Wilhelminalaan 44b Willemsoord.
 
Behoort bij het besluit van de raad van de gemeente Steenwijkerland van ..............
 
Mij bekend,
 
de raadsgriffier.