1.1 plan:
het bestemmingsplan Buitengebied, Koningin Wilhelminalaan 44b te Willemsoord, met
identificatienummer NL.IMRO.1709.WLOkonwilhelm44bBP-VA01 van de gemeente
Steenwijkerland;
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij
behorende bijlagen;
1.3 aanbouw/uitbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee
het in directe verbinding stat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat
hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van is.
1.4 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar
ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het
bebouwen van deze gronden.
1.5 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.6 agrarisch:
het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
1.7 agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen
van gewassen en/of het houden van dieren, waaronder tevens wordt verstaan een
productiegerichte paardenhouderij, niet zijnde een agrarische nevenactiviteit.
1.8 agrarisch bedrijfsmatig gebruik:
het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het
houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Hieronder wordt mede
verstaan een rietteeltbedrijf.
1.9 agrarisch dienstverlenend bedrijf:
een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of
levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven.
1.10 agrarisch hobbymatig gebruik:
het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet gericht op het voortbrengen
van producten ten behoeve van een agrarisch bedrijf.
1.11 agrarisch grondgebruik:
een agrarische activiteit waarvan de productie afhankelijk is van het voortbrengend
vermogen van onbebouwde grond.
1.12 archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband de in dat gebied voorkomende
overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.
1.13 bebouwde kom in verband met archeologie:
voor het bepalen van de bebouwde kom wordt aangesloten bij de bebouwde kom
volgens de Wegenwet.
1.14 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.15 bebouwingspercentage:
het percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten
hoogste mag worden bebouwd.
1.16 bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.
1.17 begane grond:
het gedeelte van een gebouw dat gelijk is aan het natuurlijk oppervlak van het terrein,
zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. Is er sprake van hoogteverschillen
in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aansluitende maaiveld of de
gemiddelde hoogte.
1.18 bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen,
bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig
verlenen van diensten. Aan-huisverbonden beroepen en bedrijven niet daaronder
begrepen.
1.19 bedrijfsmatig:
via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon deelnemen aan het economisch
verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en
regelmaat zijn gelijk te stellen.
1.20 bestaand:
de op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare bebouwing of het op legale wijze
gerealiseerde of realiseerbare gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het
bestemmingsplan.
1.21 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
1.22 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.23 bevoegd gezag:
bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Als hoofdregel is dit het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.
1.24 bijgebouw:
een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het
hoofdgebouw.
1.25 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het
vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen
of veranderen van een standplaats.
1.26 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
1.27 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar
behorende bebouwing is toegelaten.
1.28 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel.
1.29 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de
regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
1.30 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij
direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of
op de grond.
1.31 carport:
een bouwwerk met tenminste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden
voorzien, inclusief bestaande wanden.
1.32 coffeeshop:
een horecabedrijf, waarin uitsluitend alcoholvrije dranken en eventueel kleine eetwaren
worden verstrekt voor gebruik ter plaatse en waar softdrugs worden verstrekt voor
gebruik ter plaatse of gebruik elders.
1.33 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de
uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren,
van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor
gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of
bedrijfsactiviteit.
1.34 draadomheining en draaderfafscheiding:
een omheining of erfafscheiding bestaande uit één of meerdere evenwijdig aan elkaar
lopende of haaks op elkaar staande draden.
1.35 eerste bouwlaag:
bouwlaag op de begane grond.
1.36 erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een
hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat
gebouw, mits deze inrichting in overeenstemming is met het bestemmingsplan.
1.37 erfafscheiding:
afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst.
1.38 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met
wanden omsloten ruimte vormt.
1.39 geluidzoneringsplichtige inrichting:
een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging
in een bestemmingsplan een geluidszone als bedoeld in die wet moet worden
vastgesteld.
1.40 gevellijn:
de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin
een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg
grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart.
1.41 hoofdgebouw:
gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de
geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op
het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
1.42 horeca:
het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies.
1.43 kampeermiddel:
een middel ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waaronder wordt begrepen een
tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of
huifkarren.
1.44 kantoor:
een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting is bedoeld voor het verrichten van
werkzaamheden van hoofdzakelijke administratieve aard.
1.45 maaiveld:
bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige
kunstmatige verhoging c.q. verlaging.
1.46 mantelzorg:
langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan
een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten
voor elkaar overstijgt en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts,
wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch
adviseur kan worden aangetoond.
1.47 normale onderhoudswerkzaamheden:
werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden
en bouwwerken. Daaronder worden mede verstaan werken of werkzaamheden die deel
uitmaken van de aciviteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan,
zoals bedoeld in de Natuurbeschermingswet.
1.48 omgevingsvergunning:
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
1.49 onderkomens:
voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen,
waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans,
kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve
van recreatief verblijf.
1.50 openbare dienstverlening:
dienstverlening door openbare instanties in het kader van het algemeen belang.
1.51 opslag:
het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de
productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.
1.52 paardenbak:
een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het
trainen, rijden en berijden van paarden en pony's.
1.53 parkeren:
het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan
gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of
uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
1.54 productiegebonden detailhandel:
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of
toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan
de productiefunctie.
1.55 peil:
- voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
- voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld;
- indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil.
1.56 recreatief medegebruik:
het medegebruik van gronden voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen,
ruitersport, varen met kano en gemotoriseerde (fluister)boot, surfen, zeilen en
sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-,
rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.
1.57 risicovolle inrichting:
een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit
risico's zware ongevallen 1999 (BRZO'15) of het Vuurwerkbesluit.
1.58 seksinrichting:
de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang
alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van
erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk
geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotischemassagesalon,
een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al
dan niet in combinatie met elkaar.
1.59 shop-in-shop formule:
shops die zijn gevestigd in andere winkels en voor wat betreft oppervlakte daaraan
ondergeschikt zijn. Ze voldoen niet aan de definitie van volumineuze detailhandel.
Mocht dat wel het geval zijn, dan zouden ze zich immers zelfstandig kunnen vestigen.
Dergelijke formules zijn onder andere herkenbaar doordat ze geen onderdeel uit maken
van de rechtspersoon van de overkoepelende winkel, ze eigen kassa's hebben,
beschikken over eigen personeel en ze eigen reclameuitingen gebruiken.
1.60 voorgevel:
gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water dan wel die
in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt.
1.61 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer,
waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen,
infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.
1.62 weg:
een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen
de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en
zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en daarbij behorende parkeerplaatsen.
1.63 woning:
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk
huishouden.