direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bestemmingsplan Vollenhove, transformatorstation Voorst
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Enexis Netbeheer BV (hierna: Enexis) heeft het voornemen om het transformatorstation Voorst in Vollenhove (VLH1) uit te breiden. Het transformatorstation is in beheer bij Enexis. De hoogspanningsleidingen van en naar het station zijn van TenneT. Uitbreiding van het station is noodzakelijk om de huidige en toekomstige energievoorziening te kunnen garanderen en het toenemend aantal duurzame energieprojecten nu en in de toekomst aan te kunnen sluiten op het energienet.

De uitbreiding is voorzien buiten de grenzen van het bestaande station omdat er op het bestaande station niet genoeg ruimte beschikbaar is. Daarnaast zullen er op het bestaande station aanpassingen gedaan moeten worden. Dit bestemmingsplan maakt de benodigde aanpassingen en uitbreiding op en van het transformatorstation Voorst juridisch-planologisch mogelijk.

1.2 Ligging plangebied

Het transformatorstation is gelegen in de gemeente Steenwijkerland ten oosten van het Vollenhoverkanaal en ten zuidwesten van de kern Vollenhove. Het transformatorstation is gelegen aan De Voorst. Het station wordt ontsloten met een in- en uitrit vanaf De Voorst. De benodigde uitbreiding van het terrein vindt plaats ten noorden en oosten van het bestaande transformatorstation.

Figuur 1.1 Ligging plangebied [bron: Pondera Consult]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0001.jpg"

1.3 Geldende beheersverordening

1.3 Geldende beheersverordening

Ter plaatse van het transformatorstation Voorst geldt de beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland 2014" (vastgesteld 9 december 2014) met de bestemming ‘Bedrijf’ en nadere aanduiding ‘specifieke vorm van elektriciteitsdistributie’. Ter plaatse van de aangewezen gronden is een elektriciteitsdistributiebedrijf toegestaan.

Figuur 1.2 Uitsnede beheersverordening [bron: ruimtelijkeplannen.nl]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0002.jpg"

Binnen de bestemming is een bouwvlak opgenomen. Er geldt een maximale bouwhoogte van 12 meter en een maximum bebouwingspercentage van 4,5% voor het aangegeven bouwvlak. Deze bouwhoogte en bebouwingspercentage hebben beide alleen betrekking op gebouwen. Het bouwvlak ter plaatse van het terrein heeft een oppervlakte van circa 5.130 m2.

Voor het perceel ter plaatse van de uitbreiding geldt de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig gebruik en bescherming, instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke en/of landschappelijke waarden en elementen zoals houtopstanden en houtwallen. Ondergeschikt aan de bestemming zijn ontsluitingsvoorzieningen en tuinen, erven en groenvoorzieningen toegestaan.

Ter plaatse van het bestaande transformatorstation en de uitbreiding geldt tevens de bestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Er dient een archeologisch onderzoek te worden overlegd voor het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 buiten de bebouwde kom. Voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden, zoals het ophogen, afgraven, woelen of diepploegen van grond, het verwijderen of aanbrengen van bomen en het aanleggen van ondergrondse transport- en energieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur is tevens een omgevingsvergunning nodig indien de ingreep dieper gaat dan 50 centimeter en een grotere oppervlakte dan 2.500 m2 beslaat (buiten de bebouwde kom).

Verder geldt voor het bestaande transformatorstation en de uitbreiding de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor primaire en regionale waterkeringen, (hoofd)watergangen en behoud en bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden.

De planregels in de beheersverordening ter plaatse van het plangebied zijn niet toereikend voor de moderne eisen die worden gesteld aan een transformatorstation. Ook de uitbreiding van het station past niet binnen de geldende beheersverordening. Er is daarom voor gekozen om één integraal en actueel bestemmingsplan op te stellen voor zowel het bestaande terrein van het transformatorstation als het terrein ter plaatse van de benodigde uitbreiding.

1.4 Procedurele context

In deze paragraaf wordt ingegaan op de procedurele context van het bestemmingsplan.

1.4.1 Beheersverordening

Omdat het planvoornemen niet past in de geldende beheersverordening is een planologische procedure benodigd om het plan mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van de uitbreiding met bijbehorende voorzieningen juridisch-planologisch mogelijk.

1.4.2 Relatie met de milieueffectrapportage

Het Besluit m.e.r. regelt wanneer een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (onderdeel C) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (onderdeel D). Het planvoornemen is niet opgenomen als activiteit in de onderdelen C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft daarom geen MER of (vorm-vrije) m.e.r.-aanmeldnotitie te worden opgesteld.

1.4.3 Bevoegd gezag

Primair is de gemeenteraad bevoegd gezag voor het vaststellen van een bestemmingsplan. Het plangebied van dit project ligt binnen de gemeente Steenwijkerland. Deze gemeente is zodoende bevoegd gezag voor dit project.

1.4.4 Crisis- en herstelwet

Hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (Chw) gaat het over het stroomlijnen en versnellen van procedures voor besluiten van ruimtelijke en infrastructurele projecten, zoals omgevingsvergunningen op basis van de Wabo. Het stroomlijnen van procedures houdt onder meer in dat er beroep in één instantie plaats vindt maar ook een versnelde afhandeling door de Raad van State en het vereiste om direct inhoudelijke beroepsgronden in te dienen. Toepassing van de Chw zorgt enkel voor een procedurele versnelling en heeft geen invloed op de mogelijkheden voor het indienen van zienswijzen en beroepen.

Op basis van artikel 1.1. lid 1 Chw geldt de stroomlijning van procedures voor besluiten ter verwezenlijking van drie type projecten:

  • projecten die vallen onder de categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd in Bijlage I;
  • projecten van Bijlage II;
  • projecten op basis van de bijzondere voorzieningen uit Hoofdstuk 2 Chw, te weten ontwikkelingsgebieden (afdeling 1, hoofdstuk 2 Chw) en "Lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis" (afdeling 7, hoofdstuk 2 Chw) (zie Bijzondere voorzieningen).

De uitbreiding van het transformatorstation Voorst door Enexis valt onder projecten, zoals bedoeld in Bijlage I van de Chw, onder 1.6: 'ontwikkeling en verwezenlijking van overige ruimtelijke en infrastructurele projecten ten behoeve van het transport of het leveren van duurzame energie' waardoor hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is. Omdat er tijdsdruk zit achter de uitbreiding van het transformatorstation in verband met de energietransitie en de noodzaak duurzame energieprojecten aan te kunnen sluiten op het openbaar net, is het zeer wenselijk de procedure te stroomlijnen met gebruikmaking van de Chw.

1.5 Leeswijzer

Dit hoofdstuk geeft de inleiding tot het project. In Hoofdstuk 2 wordt het beleid geschetst. In Hoofdstuk 3 komt een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied en omgeving aan de orde. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het plan voor transformatorstation Voorst. In Hoofdstuk 5 worden de onderzoeksresultaten gepresenteerd. Hoofdstuk 6 geeft een toelichting op het juridische plangedeelte. Hoofdstuk 7 gaat in op de financieel-economische uitvoerbaarheid van dit plan. Tot slot wordt in Hoofdstuk 8 ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit plan.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Nationaal Klimaatakkoord (2019)

Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs (2015) zijn afgesproken heeft Nederland gewerkt aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord, onder regie van het kabinet, maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2-uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden.

Het centrale doel van het Klimaatakkoord is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% in 2030 ten opzichte van 1990, de verschillende sectoren (zoals gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, elektriciteit, landbouw en landgebruik) hebben hier hun eigen taak en rol in om dit gezamenlijk te bereiken.

De transitie naar een duurzaam elektriciteitssysteem stelt het bestaande elektriciteitssysteem en alle betrokken spelers voor nieuwe uitdagingen. In essentie gaat het om drie elementen:

  • De productie van hernieuwbaar opgewekte elektriciteit kent grotendeels een gevarieerd patroon. Eenvoudig gesteld zijn zon en wind variabele, weersafhankelijke bronnen. Om vraag en aanbod onder alle omstandigheden op elkaar af te stemmen zal een groter beroep gedaan worden op flexibiliteit van het systeem. Flexibiliteit zal moeten komen van alle mogelijke vormen van buffering in zowel tijd als omvang: opslag, demand side response, hybride elektrificatie, regelbare productie en flexibiliteit uit het buitenland via interconnectie. Grotere weersafhankelijkheid van het aanbod leidt ertoe er een grotere behoefte komt aan korte en lange termijn flexibiliteit.
  • De transitie zal de vraag naar elektriciteit in volume en profiel doen veranderen. Elektrificatie is voor de industrie, gebouwde omgeving en mobiliteit een mogelijke route voor verduurzaming. De omvang en snelheid van elektrificatie hebben een grote invloed op de werking van het elektriciteitssysteem. Het toepassen van hybride oplossingen, inclusief allerlei vormen van buffering, kan significant bijdragen aan de benodigde flexibiliteit.
  • Hernieuwbaar opgewekte elektriciteit zal ingevoed en onttrokken moeten kunnen worden op het net. Dat stelt netbeheerders voor de uitdaging om tegen zo laag mogelijke kosten nieuwe bronnen en additionele elektrificatie te faciliteren door o.a. toereikende netcapaciteiten te bieden. Het stelt overheden voor de taak om dit ruimtelijk goed in te passen. Infrastructuren voor het transporteren, converteren en opslaan van elektriciteit, aardgas, biogas, waterstof, CO2 en warmte zullen ook op elkaar afgestemd moeten worden.

Energie-infrastructuur is voor de energietransitie sterk voorwaardenscheppend. De energie-infrastructuur (elektriciteit, (groen)gas en andere energiedragers) zal verder ontwikkeld moeten worden opdat tijdig voldoende capaciteit beschikbaar is. Tijdige en integrale ruimtelijke planning waarbij ook infrastructuur vanaf de start wordt meegenomen, is belangrijker dan ooit. Het optimaliseren en meer benutten van infrastructuur vereist nieuwe manieren van samenwerken met marktpartijen. Veel hiervan is al mogelijk binnen bestaande wetgeving, maar een verdere optimalisatie van regelgeving is hiervoor noodzakelijk. Aandachtspunten zijn verder het plannen en uitvoeren van proactieve netinvesteringen, waarbij het optimum gezocht wordt tussen de maatschappelijk laagste kosten en risico's op overinvesteringen.

Het realiseren van een passende energie-infrastructuur met voldoende capaciteit gaat dus hand in hand met de energietransitie.

2.1.2 Nationale omgevingsvisie

Op nationaal niveau is nieuw omgevingsbeleid geformuleerd in de vorm van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De NOVI is een structuurvisie onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel met het NOVI, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.

De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen
werken we aan onze prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en
(circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Op land schiet de hoofdinfrastructuur voor transport en opslag van duurzame energie in gebieden soms nu al tekort. Naar 2050 toe neemt het aandeel duurzame energie alleen maar toe. Dan zijn
veel meer aanpassingen aan de infrastructuur voor energie nodig. Ook de opgave voor ruimte voor
de bronnen van duurzame energie zelf is groot. De NOVI geeft daarom richtingen mee die bij inpassing van energie-infrastructuur aandacht vragen voor de kwaliteit van de leefomgeving.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie is een prioriteit in de NOVI. De opgave is dan ook het waarborgen van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, het vervangen van fossiele energiebronnen door duurzame bronnen (inclusief besparing), de aanpassing van de netwerken voor warmte, gas en elektriciteit en het inpassen en zoveel mogelijk beperken van de ruimtebehoefte voor opwekking, conversie, opslag en transport van energie.

2.1.3 Ladder duurzame verstedelijking

In artikel 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorgeschreven, dat indien een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt, in de toelichting van het plan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden volgens de systematiek van de ladder voor duurzame verstedelijking. Dit houdt in dat inbreiding voor uitbreiding gaat.

In de Ladder voor duurzame verstedelijking heeft het Rijk een motiveringseis opgenomen die aan de ene kant gericht is op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en aan de andere kant op regionale afstemming om overprogrammering tegen te gaan.

Op het terrein van het bestaande transformatorstation is fysiek geen ruimte voor de extra benodigde voorzieningen (gebouwen en bouwwerken). Inbreiding is dus niet mogelijk. Er is besloten om fysiek uit te breiden aangrenzend aan het bestaande terrein om op die manier zorgvuldig met de ruimte om te gaan.

2.2 Provincie Overijssel

In de provincie Overijssel geldt vanaf 26 februari 2019 de "Geconsolideerde Omgevingsvisie vanaf 2017". Hierin zijn alle wijzigingen van de "Omgevingsvisie Overijssel 2017. Beken kleur" vastgelegd. Hierbij hoort tevens de "Geconsolideerde Verordening vanaf 2017" met de bijhorende regels.

2.2.1 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)

De principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik hebben tot doel om onnodig ruimtebeslag op de Groene Omgeving tegen te gaan. Onder de Groene Omgeving worden gronden verstaan die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied.

Toepassing van deze instrumenten zal ertoe leiden dat in principe geen nieuwvestigingen en grootschalige uitbreidingen in de groene ruimte zullen worden gerealiseerd, omdat daarvoor als regel binnen het stedelijk gebied en binnen bestaande erven in de Groene Omgeving ruimte gevonden kan worden. Voordat overgegaan wordt tot toepassing van de kwaliteitsimpuls zal dus altijd eerst nagegaan moeten worden of toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik een oplossing kan bieden voor het ruimtelijk vraagstuk.

Vanwege sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen kan er aanleiding zijn om een uitzondering te maken op de algemene regel 'inbreiding voor uitbreiding' mits het verlies van ecologisch en landschappelijk kapitaal in voldoende mate wordt gecompenseerd.

Dat er voldoende wordt gecompenseerd moet blijken uit een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing. Voor deze onderbouwing kan een gemeente een kader opstellen, waarin het beoogde evenwicht tussen ontwikkeling van bebouwing of intensivering van gebruik en de investering in ruimtelijke kwaliteit is vastgelegd. Bij de onderbouwing van het betreffende initiatief kan dan worden volstaan met een verwijzing naar dit kader en een toelichting hoe daaraan in dit geval invulling is gegeven. Beschikt de gemeente niet over een adequaat kader voor toepassing van de kwaliteitsimpuls, dan zal per geval onderbouwd moeten worden dat er sprake is van evenwicht tussen extra rood en de extra investering in ruimtelijke kwaliteit.

2.2.2 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:

  • 1. Of – generieke beleidskeuzes;
  • 2. Waar – ontwikkelingsperspectieven;
  • 3. Hoe – gebiedskenmerken.

Of - generieke beleidskeuzes

Ten eerste wordt de vraag gesteld of er een maatschappelijke opgave is. De generieke beleidskeuzes worden onder andere vastgelegd in Rijks- en provinciaal beleid. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes vastgelegd. Ten aanzien van de generieke beleidskeuzes is artikel 2.1.3. ‘Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik’ van toepassing.

Zorgvuldig ruimtegebruik

De sturing op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik krijgt in de Omgevingsverordening invulling in artikel 2.1.3 waar met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is vastgelegd dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen altijd eerst gezocht moet worden naar een geschikte of geschikt te maken locatie binnen bestaand gebied, voordat een claim gelegd mag worden op de Groene Omgeving. Voor ontwikkelingen in de Groene Omgeving geldt een vergelijkbaar principe van 'inbreiding gaat voor uitbreiding' op grond waarvan eerst gekeken moet worden naar mogelijkheden om bestaande bebouwing en bestaande erven daarvoor te benutten.

Op het bestaande transformatorstation is niet genoeg vrije ruimte beschikbaar om de voorziene uitbreiding te realiseren. De uitbreiding van het transformatorstation is voorzien aangrenzend aan het bestaande transformatorstation.

Waar - ontwikkelingsperspectieven

Hier wordt de vraag gesteld waar het initiatief past of ontwikkelt kan worden. In de omgevingsvisie onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De provincie Overijssel biedt ruimte voor de opwek van hernieuwbare energie en de energie-infrastructuur.

Ambitie energie

De provincie spreekt in haar omgevingsvisie de volgende ambitie uit ten aanzien van het onderwerp energie: "Een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met een beperking van uitstoot van broeikasgassen."

Mede door klimaatverandering dringt het besef door dat verduurzaming noodzakelijk is. Efficiënter en zorgvuldiger omgaan met energie, grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen staat hierbij centraal. Dit vraagt om een forse transitie: Nederland - en ook Overijssel - is voor de energievoorziening nog grotendeels afhankelijk van fossiele brandstoffen en 'kringloopdenken' (circulaire economie) is nog geen gemeengoed.

De provincie wil een wezenlijke bijdrage leveren aan deze transitie. Dit doet de provincie onder andere door ondernemers, bewoners en organisaties uit te nodigen én te stimuleren om te investeren in het efficiënter gebruik van energie (of, met andere woorden: in energiebesparing), opwekking van hernieuwbare energie en het aanpassen van de energie-infrastructuur.

De uitbreiding van het transformatorstation is noodzakelijk om aan de hierboven benoemde ambitie van de provincie bij te dragen. Door de uitbreiding is het mogelijk om meer duurzame energieprojecten op het elektriciteitsnet aan te sluiten.

Hoe - gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarische natuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Het plangebied heeft volgens de natuurlijke laag de aanduiding het kenmerk 'zeekleigebied en randmeren'. Voor dit type gebied is de ambitie om de stoerheid en het open karakter van het landschap te bewaren en te versterken. Waar mogelijk zijn er kansen voor natuurontwikkeling.

Het transformatorstation is een 'stoer' terrein. Bij de landschappelijke inpassing van het transformatorstation wordt de natuurkwaliteit versterkt door het aanplanten van gebiedseigen beplanting.

Laag van het agrarische cultuurlandschap

De laag van het agrarische cultuurlandschap beschrijft het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettingsvormen. Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Het plangebied heeft de aanduiding 'zeekleilandschap' op de laag van de agrarische cultuurlandschap. Ontwikkelingen binnen dit type landschap dragen bij aan het behoud en versterking van bestaande erven, lintdorpen en voormalige Zuiderzeestadjes.

In het planvoornemen wordt hier aandacht aan besteedt door de uitbreiding van het station aan het bestaande station te koppelen. Op deze manier wordt het 'erf-principe' van het transformatorstation behouden.

Stedelijke laag

De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. Het plangebied ligt in het buitengebied en heeft geen nadere duiding in de stedelijke laag.

Laag van de beleving

In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. In de laag van de beleving is de omgeving heeft het plangebied geen nadere duiding gekregen. Het planvoornemen tast de beleving van het gebied niet aan omdat er genoeg onbebouwde ruimte overblijft. Door de landschappelijke inpassing wordt het gebied mede voor recreanten aantrekkelijker gemaakt.

2.3 Gemeente Steenwijkerland

2.3.1 Beleidsnotitie Buitengebied

De Beleidsnotitie Bestemmingsplan Buitengebied is op 27 maart 2012 vastgesteld ter voorbereiding op het nieuw op te stellen bestemmingsplan Buitengebied Steenwijkerland. In de beleidsnotitie staan de uitgangspunten en randvoorwaarden voor het nieuwe bestemmingsplan opgenomen.

Ten aanzien van de energie-infrastructuur wordt kort benoemd dat een focus op meer decentrale energieopwekking ontwikkelingen in de energie-infrastructuur vereist. Voorliggende uitbreiding van het transformatorstation is een dergelijke ontwikkeling.

2.3.2 Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland

Tot er een nieuw bestemmingsplan Buitengebied is vastgesteld geldt de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland. Deze beheersverordening is vastgesteld op 9 december 2014.

De ambitie voor het onderdeel 'energie' is een betrouwbare en veilige energievoorziening met beperking van de uitstoot van broeikasgassen. Het transformatorstation voorziet in een betrouwbare en veilige energie-infrastructuur.

2.3.3 Coalitieakkoord 2018 - 2022

De gemeente Steenwijkerland wil een energieneutrale gemeente zijn. In het coalitieakkoord 2018 - 2022 wordt dan ook veel aandacht besteed aan het onderwerp duurzaamheid. Twee belangrijke speerpunten hierbij zijn: 'afhankelijkheid van gas verminderen' en 'opwekking duurzame energie aanjagen'. Als voorwaarde voor deze speerpunten is een goed en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk. Duurzame energieprojecten moeten worden aangesloten op het net. Onderhavig project voorziet in deze behoefte en past daarom binnen het beleid van de gemeente.

Hoofdstuk 3 Huidige situatie

3.1 Bestaande terrein transformatorstation

Het bestaande transformatorstation is afgesloten met een hekwerk. Op het terrein staan twee gebouwen, twee transformatoren en een container.

De hoogspanningslijnen komen vanuit het noorden, oosten en zuiden aan bij het terrein en sluiten aan op de transformatoren. De overige bekabeling op het terrein ligt ondergronds. Het terrein van het transformatorstation is grotendeels onverhard.

Figuur 3.1 Luchtfoto bestaand transformatorstation [bron: Cyclo Media]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0003.jpg"

Op het terrein zijn de volgende gebouwen en bouwwerken aanwezig:

  • Twee dienstengebouwen met een goothoogte van 4,5 meter, een nokhoogte van 7,0 meter en een oppervlakte van gezamenlijk 240 m2;
  • Drie transformatorputten met een oppervlakte per stuk van 45 m2 en een bouwhoogte van 0,2 meter;
  • In twee transformatorputten is een transformator aanwezig met een bouwhoogte van 6 meter;
  • De transformatoren zijn voorzien van bliksemafleiders met een bouwhoogte van 12 meter;
  • Het gehele terrein is voorzien van een standaardhekwerk rondom van circa 2,5 meter hoog inclusief puntdraad.

Er geldt op het transformatorstation een maximale bouwhoogte van 12 meter en een maximum bebouwingspercentage van 4,5% voor het aangegeven bouwvlak. De bouwhoogte en het bebouwingspercentage hebben beide alleen betrekking op gebouwen en niet op bouwwerken.

Figuur 3.2 Bestaande transformatorstation gezien vanaf het noorden vanaf fietspad De Voorst [bron: Landschappelijk inpassingsplan, Bijlage 1 van de toelichting]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0004.png"

Figuur 3.3 Zicht vanaf de straat Noordwal richting hoogspanningsstation [bron: Landschappelijk inpassingsplan, Bijlage 1 van de toelichting]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0005.png"

Figuur 3.4 Zicht vanaf de westzuidkant van het transformatorstation [bron: Landschappelijk inpassingsplan, Bijlage 1 van de toelichting]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0006.png"

3.2 Uitbreidingsgebied

Het terrein waar de uitbreiding is voorzien ligt ten noordwesten van het bestaande transformatorstation. Het terrein is op dit moment agrarisch in gebruik. Op het terrein staan twee elektriciteitsmasten die ongeveer 30 meter hoog zijn. Aan beide masten hangen elektriciteitskabels die verbonden zijn met het transformatorstation. Parallel aan het bestaande transformatorstation, op het uitbreidingsterrein, ligt een greppel.

3.3 Wegen, infrastructuur en water

Het transformatorstation ligt aan het Vollenhoverkanaal, op een dijk. Het hoogteverschil tussen het plangebied en het water van het kanaal is ongeveer 3 meter.

Langs het zuiden en het westen van het transformatorstation loopt een fietspad genaamd De Voorst. Er is sporadisch sprake van autoverkeer. Op circa 300 meter afstand van het transformatorstation loopt een lokale weg genaamd 'Noordwal'.

Vanaf het bestaande transformatorstation loopt ten noorden, oosten en zuiden een bovengrondse hoogspanningsverbinding van TenneT.

Buiten de hekken ten westen van het transformatorstation loopt een greppel die afhankelijk van het seizoen deels is ondergelopen of volledig droogstaat.

3.4 Groen en natuur

Het transformatorstation ligt in een open gebied. De noord- en oostzijde worden gevormd door het open akkerlandcomplex De Voorst.

De noordzijde wordt gevormd door een lineaire struweelzone. Aan de zuidoostzijde van het transformatorstation bevindt zich een houtwal met struweelbeplanting van ongeveer 5 meter breed. Deze houtwal beperkt het zicht op het transformatorstation.

De omgeving van het plangebied bestaat ten oosten en zuiden vooral uit agrarisch gebied met akkers en weilanden.

Het hoogspanningsstation wordt aan de west- en zuidzijde omgeven door het Vollenhoverkanaal met daarachter de bosgebieden van het Voorsterbos en Kadoelerbos, gelegen in de Noordoostpolder. De bossen vormen een sterke ruimtelijke begrenzing van de Noordoostpolder aan het Vollenhoverkanaal.

In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'De Wieden' en ligt op circa 1,6 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Op circa 3,5 kilometer afstand ligt Natura 2000-gebied 'Zwarte Meer'. Het plangebied maakt geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de bijbehorende verbindingszones.

3.5 Woningen en recreatie

In de omgeving van het transformatorstation liggen woningen en een vakantiepark. In Figuur 3.5 zijn met rode stippen de woningen in de omgeving aangeduid. De woning die het dichtst bij de uitbreiding ligt is de woning ten oosten van het plangebied aan de Noordwal 2 op een afstand van circa 260 meter. Verder ligt er een woning ten noorden van het plangebied aan De Voorst 8b op een afstand van circa 370 meter.

Ten noordoosten van het plangebied ligt het vakantiepark 't Akkertien op een afstand van circa 300 meter.

Figuur 3.5 Woningen in de nabijheid van het plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0007.jpg"

Hoofdstuk 4 Beschrijving van het plan

4.1 Noodzaak uitbreiding

Transformatorstation Voorst zorgt voor de elektriciteitsvoorziening in de regio Vollenhove. Het bestaande transformatorstation is in beheer bij Enexis. Enexis beheert het middenspanningsgedeelte (10/20 kiloVolt (kV)) en TenneT het hoogspanningsgedeelte (110 kV).

Momenteel zijn er concrete aanvragen om zonneparken aan te kunnen sluiten op transformatorstation Voorst. Het huidige transformatorstation is onvoldoende uitgerust om de toenemende vraag aan (duurzame) energie aan te kunnen. Om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de aanvragen van nieuwe klanten (energieproducenten en -afnemers) is uitbreiding van het transformatorstation noodzakelijk.

Niet tijdig kunnen aansluiten betekent mogelijk extra kosten voor Enexis. Deze extra kosten moeten uit gemeenschapsgelden betaald worden. Daarnaast betekent niet tijdig aansluiten ook dat gerealiseerde projecten voor duurzame energie niet kunnen gaan leveren aan het openbaar net, als ook dat de projecten niet kunnen bijdragen aan de gemeentelijke ambities voor de opwekking van duurzame energie.

Ook is de huidige schakelinstallatie in de bestaande gebouwen aan vervanging toe. Om de bedrijfszekerheid te garanderen zal deze installatie vervangen moeten worden. Het vervangen van installaties is complex en ingrijpend werk, mede omdat de stroomvoorziening naar de omgeving niet onderbroken mag worden. Er dient altijd eerst een nieuwe installatie te worden gerealiseerd voordat de oude installatie kan worden vervangen. Binnen de bestaande gebouwen en binnen het bestaande terrein is geen ruimte om een nieuwe installatie op te bouwen. Om deze reden dient buiten het terrein een nieuw gebouw met middenspanningsinstallatie te worden gebouwd.

Tot slot dienen de bestaande transformatoren te worden vervangen voor grotere transformatoren met meer vermogen. Dit om de toekomstige elektriciteitsvraag te kunnen faciliteren. Het vervangen van transformatoren is complex en Enexis heeft op eigen terrein onvoldoende ruimte om de bestaande transformatoren te vervangen voor grotere. Additionele werkruimte is benodigd om de transformator wissel mogelijk te maken.

4.2 Projectbeschrijving

De werkzaamheden zijn voorzien deels op het bestaande terrein en deels buiten de grenzen van het bestaande station. De werkzaamheden op het bestaande terrein bestaan uit het uitwisselen van transformatoren. Hierdoor kan het vermogen vergroot worden. Het vermogen wordt maximaal 200 MVA.

De fysieke uitbreiding van het terrein wordt, als reeds aangegeven, aan de noord- en oostzijde van het bestaande transformatorstation voorzien (zie Figuur 1.1).

Het bestaande terrein heeft een oppervlakte van circa 6.600 m2. De percelen voor de uitbreiding hebben een oppervlakte van 2.697 m2. De totale oppervlakte van de percelen van Enexis is 9.297 m2.

Ter plaatse van de uitbreiding van het station zijn twee gebouwen voorzien, namelijk: een modulair gebouw en een zogenoemd Separate Secundaire Installatie gebouw (hierna: SSI-gebouw) voorzien. In Figuur 4.1 zijn voorbeelden van een modulair (standaard ontwerp) gebouw te zien. Het modulaire gebouw wordt circa 24 bij 7 meter met een bouwhoogte van maximaal 4,4 meter. Het gebouw heeft daarmee een oppervlakte van circa 168 m2. In Figuur 4.2 is een voorbeeld van een SSI-gebouw te zien. Het SSI-gebouw heeft een oppervlakte van circa 20 m2.

Voor de ontsluiting van het gebouw wordt een nieuwe in- en uitrit gerealiseerd vanaf De Voorst naar het transformatorstation. De nieuwe in- en uitrit wordt maximaal 5 meter breed. Om het terrein af te kunnen sluiten voor onbevoegden wordt er een afsluitbare toegangspoort geplaatst, net als bij het bestaande terrein. Het toegangspad heeft een oppervlakte van circa 400 m2 en wordt in gras gelegd. Het ontwerp van het terrein is ter illustratie weergegeven in Figuur 4.3.

In het modulaire gebouw wordt een middenspanninginstallatie geplaatst. Vanaf deze installatie kunnen rechtstreeks nieuwe grootverbruik klanten worden aangesloten. De installatie is geschikt om zowel opwekkers (productie) als afnemers (klanten) van elektriciteit aan te sluiten. De bijbehorende bekabeling vindt ondergronds plaats en is geen hoogspanning en daarmee ruimtelijk niet relevant. Middenspanningskabels kennen namelijk geen apart beschermingsregime en hoeven daarom niet planologisch vastgelegd te worden in een bestemmingsplan.

Vanuit het SSI-gebouw wordt de beveiliging van het station aangestuurd. Indien er kortsluiting optreed of er geschakeld moet worden op het station, dan vindt de aansturing plaats via de panelen van het SSI-gebouw.

De nieuwe terreinbegrenzing wordt voorzien van een standaard hekwerk van maximaal 2,5 meter hoog met puntdraad. De nieuwe toegangspoort wordt ook maximaal 2,5 meter hoog. Zo nodig wordt het terrein voorzien van lichtmasten (zoals ook op het bestaande terrein) of armaturen aan het gebouw ten behoeve van oriëntatieverlichting.

Figuur 4.1 Voorbeelden modulair gebouw [bron: Enexis]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0008.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0009.png"

Figuur 4.2 Voorbeeld SSI-gebouw [bron: Enexis]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0010.png"

Figuur 4.3 Ontwerp terrein transformatorstation ter illustratie [bron: Enexis]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0011.png"

4.3 Landschappelijk beeld

Door Antea Group is een landschapsanalyse uitgevoerd en een plan gemaakt voor een landschappelijke inpassing van het transformatorstation. Het landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd als Bijlage 1.

De landschappelijke inpassing bestaat uit het aanbrengen van een struweelzone achter de gebouwen, ruigte en kruidenrijke/bloemrijke grasstroken.

Ten oosten van de nieuwe gebouwen, buiten de belemmeringszone van de hoogspanningsleiding, wordt een 5 meter brede struweel zone aangebracht. Deze struweelzone zorgt voor een goede landschappelijk overgang van de nieuwe bebouwing naar het agrarisch open gebied en heeft een belangrijk functie als fourageer- /leefgebied voor insecten, vogels en kleine zoogdieren. Ook biedt deze beplanting voldoende beschuttingsruimte. Het struweel zal bestaan uit inheems plantmateriaal met enkele waardplanten voor vlinders.

De 10 meter brede toegangsstrook naar de nieuwe gebouwen bestaat uit een 5 meter brede toegangspad in gras naar de gebouwen, bestaande uit een extensief beheerde grasstrook. Tussen toegangsweg en het agrarisch gebied komt een 5 meter brede grasstrook, ingezaaid met een gebiedseigen kruidenmengsel. Voorgesteld wordt de ruimte tussen fietspad De Voorst en het huidige hoogspanningsstation ook met kruidenrijk bloemrijkgras (bijenmix) in te zaaien dat aantrekkelijk is als voedselbron voor bijen gedurende het groeiseizoen. Door gevarieerd beheer (meerjarig gras- /eenjarig gras) ontstaat hier een interessant leefmilieu voor bijen, vlinders, vogels en kleine zoogdieren. Kruidenrijke bermen bieden ook bescherming aan kuikens van weidevogels en herbergen veel insecten waarvan gruttokuikens en andere vogels van profiteren. In herfst en winter vormen deze stroken een waardevol fourageergebied voor akkervogels.

Ter ondersteuning van de biodiversiteit wordt er naast het modulair gebouw een insectenhotel aangebracht. Voor boerenlandvogels worden drie nestkasten aan palen op de rand van het struweel geplaatst.

Het gras binnen de hekwerken van het hoogspanningsstation wordt frequenter gemaaid. Voor de graszone rondom de hekwerken wordt aan de buitenzijde een 2 meter brede gemaaide grasstrook voorzien die in het maairegime van het hoogspanningsstation wordt meegenomen.

Figuur 4.4 Uitwerking landschappelijke inpassing [bron: Landschappelijk inpassingsplan, Bijlage 1 van de toelichting]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0012.png"

Hoofdstuk 5 Onderzoek

5.1 Bedrijven en milieuzonering

5.1.1 Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009). Een richtafstand is de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

5.1.2 Onderzoek

Elektriciteitsdistributiebedrijven zijn in de VNG-publicatie opgenomen. Transformatoren zijn de belangrijkste geluidsbron in een hoogspanningsstation. Zij produceren een laag 'bromgeluid', constant en niet bijzonder luid. Er gelden verschillende richtafstanden voor geluid afhankelijk van het transformatorvermogen. De transformatoren op het station hebben samen een maximaal vermogen van 200 MVA.

Geluid

Voor elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tussen de 100-200 MVA is er sprake van een milieucategorie 3.2-inrichting met een grootste aan te houden richtafstand (grootste aan te houden afstand) van 100 meter ten opzichte van een rustige woonwijk of rustig buitengebied, vanwege het milieuaspect geluid (voor het gehele geluidspectrum, waaronder ook laagfrequent geluid).

De omgeving van het plangebied kenmerkt zich, als een rustig buitengebied. De afstand van de grens van het transformatorstation tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt circa 260 meter. Dit betreft de woning aan Noordwal 2. Andere woningen liggen op grotere afstand, zie Figuur 3.5. Hiermee wordt voldaan aan de grootste richtafstand van minimaal 100 meter tot aan woningen in rustig buitengebied. Nader onderzoek voor geluid is dus niet noodzakelijk.

Gevaar (externe veiligheid)

Met betrekking tot gevaar gelden verschillende richtafstanden afhankelijk van het transformatorvermogen. Voor transformatoren met een vermogen tussen de 100-200 MVA
geldt een grootste aan te houden richtafstand van 50 meter ten opzichte van een rustig buitengebied, vanwege het milieuaspect gevaar. De afstand van de grens van het transformatorstation tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt circa 260 meter. Dit betreft de woning aan Noordwal 2. Andere woningen liggen op grotere afstand. Hiermee wordt voldaan aan de grootste richtafstand van minimaal 50 meter tot aan woningen in rustig buitengebied.

Overige aspecten
Voor de milieuaspecten 'geur' en 'stof' bedraagt de grootste aan te houden afstand 0 meter, waardoor er geen rekening hoeft te worden gehouden met een aan te houden afstand.

5.1.3 Conclusie

Nader onderzoek ten aanzien van geluid (waaronder laagfrequent geluid) of andere relevante milieuaspecten (zoals geur, stof en gevaar/externe veiligheid) is niet noodzakelijk. De uitbreiding van het station is voor het aspect geluid en de andere milieuaspecten uit de VNG-publicatie uitvoerbaar.

5.2 Natuur

5.2.1 Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb) bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden.

Soortenbescherming

Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime "andere soorten". Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen.

In de provincie Overijssel is afgeweken van de landelijke 'Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' van LNV, 2009. Zo zijn er soorten op de lijst geplaatst vanwege bijvoorbeeld de slechte staat van instandhouding waarin ze verkeren.

Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen.

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht.

Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het regime ter bescherming van het NNN kent in de provincie Overijssel geen externe werking. Dit houdt in dat alleen wanneer er binnen de grenzen van het NNN gewerkt wordt, de effecten beoordeeld en eventueel gecompenseerd dienen te worden.

Bescherming van houtopstanden

Het omhakken of rooien van bossen is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben.

Er wordt in deze paragraaf niet nader ingegaan op de bescherming van houtopstanden omdat er geen bomen aanwezig zijn in het plangebied.

5.2.2 Onderzoek

Antea Group heeft een toetsing aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid uitgevoerd (zie Bijlage 2). Op basis van een bureauonderzoek en een terreinbezoek is bepaald welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan zijn uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de plannen.

Soortenbescherming

Vogels

Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels.

Jaarrond beschermde nesten

Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Aangezien er geen bomen staan in het plangebied zijn nesten van boom-broedende soorten uitgesloten. Ook in de naastgelegen houtwal zijn geen nesten aangetroffen van deze soorten.

Voor gebouw-broedende soorten als gierzwaluw, huismus en kerkuil is geen geschikt broedbiotoop aanwezig. Nesten van deze soorten zijn uitgesloten in het plangebied.

Verder is er geen geschikt biotoop voor de grote gele kwikstaart en de ooievaar aanwezig. Nesten van deze soorten zijn uitgesloten in het plangebied.

De slechtvalk kan tot broeden komen in de elektriciteitsmasten. Deze zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten of restanten van nesten. Aangezien deze niet zijn aangetroffen tijdens het terreinbezoek, is de aanwezigheid van nesten van slechtvalk in het projectgebied uitgesloten.

Soorten met mogelijk een jaarrond beschermd nest (categorie 5)

Tijdens het terreinbezoek zijn koolmees en nesten van huiszwaluw aangetroffen. Beide soorten vallen onder de categorie-5 vogelsoorten, waarvan de nesten alleen jaarrond zijn beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Er zijn geen categorie 5 soorten te verwachten die zeldzaam zijn in de omgeving of onvoldoende nestgelegenheden hebben in de omgeving. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. De nesten van huiszwaluw bevinden zich tegen de gevel, onder de dakgoot van het gebouw in het plangebied. Als gevolg van het projectvoornemen, gaat dit gebouw niet verloren. Wanneer de algemene broedperiode wordt aangehouden, is er ook geen sprake van verstoring.

Algemene (broed)vogels

Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort.

Zoogdieren

Vleermuizen

Voor het plangebied is beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied.

In het plangebied zijn geen bomen aanwezig, derhalve kunnen verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden uitgesloten.

De bebouwing op het transformatorstation is onderzocht op de aanwezigheid van kieren in voegen, scheuren of openingen die toegang kunnen bieden tot de spouwmuur. Deze zijn niet aangetroffen. Derhalve kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied worden uitgesloten.

Gezien het ontbreken van bomen/bosschages en lijnvormige elementen in het plangebied wordt niet verwacht dat het plangebied deel uitmaakt van essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute(s). Negatieve effecten op vleermuizen als gevolg van het voornemen zijn uitgesloten.

Overige (land)zoogdieren

Het plangebied is geen geschikt biotoop voor de eekhoorn en er tijdens het terreinbezoek geen individuen, nesten of sporen van eekhoorn aangetroffen. Hierdoor kan worden uitgesloten dat het plangebied essentieel leefgebied van de eekhoorn bevat. Ook voor de steenmarter is uitgesloten dat het plangebied essentieel leefgebied bevat.

Kleine marterachtigen

Direct grenzend aan het projectgebied bevindt zich een houtwal, waarin de verblijfplaatsen van bunzing en hermelijn niet kunnen worden uitgesloten. Als gevolg van de werkzaamheden in het projectvoornemen, kunnen verblijfplaatsen (indien aanwezig) verstoord worden en hun functie verliezen. Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen van Artikel 3.10 van de Wnb.

Buiten het actieve seizoen (februari t/m oktober) zijn kleine marterachtigen het minst kwetsbaar. Tijdens deze niet actieve periode (november t/m januari) is verstoring niet zo zeer aan de orde. Wanneer de werkzaamheden plaats kunnen vinden buiten het actieve seizoen van de soorten, zijn er geen vervolgstappen aan de orde. Indien de werkzaamheden wel in het actieve seizoen vallen, dient een nader onderzoek naar de aanwezigheid van bunzing en hermelijn uit te wijzen of de soorten er daadwerkelijk voorkomen en wat de functie van de houtwal is.

Egel

Ook verblijfplaatsen van egel in de houtwal direct grenzend aan het projectgebied kunnen niet worden uitgesloten. Het actieve seizoen van de egel is maart t/m september. Indien werkzaamheden in deze periode worden uitgevoerd dient nader onderzoek plaats te vinden.

Vlinders, libellen en overige soortgroepen

Het plangebied bevat geen van de waardplanten van de dagvlinders 'grote vos', 'grote weerschijnvlinder' en 'kleine ijsvogelvlinder' en is daarom geen essentieel leefgebied van de genoemde dagvlinders.

Ook voor verschillende soorten libellen is er in het plangebied geen sprake van essentieel leefgebied.

Tijdens het terreinbezoek zijn er diverse gangenstelsels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van muizen. De vorm van de gangen, de locatie en de omvang duiden op de veldmuis. Ten aanzien van de zorgplicht, kan de aanwezigheid van veldmuis in het projectgebied niet worden uitgesloten. Om te voorkomen dat de veldmuis (en andere algemene soorten) negatieve gevolgen ondervinden als gevolg van het projectvoornemen, wordt er geadviseerd om gefaseerd te werken, in ruimte en tijd. Op deze manier hebben de soorten de kans om te vluchten.

Planten

In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De aanwezigheid kan worden uitgesloten waardoor er geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een ontheffing Wnb is niet aan de orde.

Reptielen

Op basis van biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde.

Amfibieën

Het plangebied is geen geschikt biotoop voor zowel soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt als voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Door de afwezigheid van geschikt land- en waterbiotoop is er geen sprake van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde.

Vissen

Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde.

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden

In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'De Wieden' en ligt op circa 1,6 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Op circa 3,5 kilometer afstand ligt Natura 2000-gebied 'Zwarte Meer'. Het Natura 2000-gebied ligt buiten het invloedsgebied van het project wat betreft vermesting en verzuring, verdroging of geluid- en lichtverstoring. Voor stikstofdepositie is een AERIUS-berekening uitgevoerd en dat wordt hieronder toegelicht.

Stikstof-gerelateerde effecten

Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Er is een AERIUS-berekening uitgevoerd voor alle benodigde werkzaamheden op het bestaande terrein en de uitbreiding. Voor de uitbreiding van het transformatorstation worden mobiele werktuigen ingezet, hierdoor ontstaan tijdens de aanlegfase extra vervoersbewegingen naar de locatie. Deze mobiele werktuigen en verkeer stoten stikstof uit. Het gaat hierbij om nieuwe stikstofbronnen en extra vervoersbewegingen. De stikstofdepositie die ontstaat door de aanlegfase, kan negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Deze locatie ligt op circa 1,6 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied De Wieden. Dit gebied kent enkele stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden.

Uit een AERIUS-berekening is gebleken dat de hoeveelheid stikstofdepositie 0,00 mol/per hectare/per jaar bedraagt en dat er dus geen sprake is van significante effecten. Een vergunning Wet natuurbescherming, onderdeel stikstof is niet aan de orde. De rapportage van deze berekening is opgenomen in Bijlage 3.

Natuurnetwerk Nederland

In het plangebied is geen Natuurnetwerk Nederland (NNN) aanwezig. Er is van directe aantasting van de NNN dan ook geen sprake. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied grenst aan de zuidzijde van het projectgebied. Het betreft natuurdoeltype ‘zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN’. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN in de nabijheid van het project kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling in het projectgebied heeft geen effect op de directe omgeving van het projectgebied. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen.

5.2.3 Conclusie

Indien er in het actieve seizoen van de bunzing, hermelijn en egel wordt gewerkt is het noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren naar het leefgebied van deze soorten. Voor algemene broedvogels is het advies om te werken buiten het broedseizoen.

Vanuit het aspect natuur is het plan uitvoerbaar en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Er is geen ontheffing of vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

5.3 Waterhuishouding

Toetsingskader

Het klimaat verandert en zal de komende decennia grotere extremen laten zien. Voor de waterschappen is dit een belangrijke ontwikkeling. Waterbeheerders moeten niet alleen meer aandacht besteden aan heftige pieken in de waterafvoer in de zomer en hogere afvoer in de winter, maar ook aan de drogere perioden daartussenin. Maatregelen zijn nodig in het watersysteem en in de ruimtelijke ordening.

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordenende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc. te voorkomen.

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te toetsen op water, de zogenaamde watertoets. De watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1 en 3.16 van het Besluit ruimtelijke ordening. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten.

Onderzoek

Het plangebied ligt in het beheersgebied van waterschap Drents Overijsselse Delta. Het beleid van het waterschap staat beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021.

Oppervlaktesysteem

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig volgens de legger van het waterschap. Ten oosten van het plangebied ligt een greppel. De 'sloot' staat niet op de legger van het waterschap en is geen primaire of secundaire watergang. De sloot is ingemeten en de diepte is kleiner dan 40 centimeter. Hoewel de sloot niet op de legger van het waterschap staat heeft het waterschap wel aangegeven dat er melding voor het dempen gedaan moet worden. Er is geen compensatie nodig.

Het transformatorstation ligt in de beschermingszone van de waterkering van het waterschap. Het aanbrengen van verharding binnen de beschermingszone van de waterkering is meldingsplichtig. Bij de melding wordt een dwarsprofiel van de toegangsweg overlegd waarbij de opbouw van de verhardingsconstructie duidelijk wordt.

In de omgeving van het plangebied zijn geen bergingsgebieden of waterwingebieden aanwezig.

Oppervlaktewaterkwaliteit

Nieuwe ontwikkelingen mogen geen verslechtering van de oppervlaktewaterkwaliteit tot gevolg hebben Doordat er gebruikt wordt gemaakt van niet-logende bouwmaterialen wordt uitspoelen van stoffen voorkomen. Uitspoelen van stoffen, en daarna veranderingen van de oppervlaktewaterkwaliteit, wordt daarmee uitgesloten.

Grondwatersysteem

Het grondwatersysteem wordt beïnvloed wanneer realisatie van bebouwing zorgt voor obstructie van de grondwaterstroming (fundering) of een tijdelijke verlaging van het grondwater tijdens de aanleg van de fundatie. Afhankelijk van de uiteindelijke positionering en bijbehorende fundering dient bekeken te worden of er sprake is van tijdelijke grondwateronttrekking tijdens de bouw.

Voor de (tijdelijke) bemalingen en grondwateronttrekking (mits voldaan wordt aan randvoorwaarden) geldt een meldingsplicht op basis van algemene regels van de Keur.

Hemelwaterafvoer

Door het plaatsen van de bebouwing wordt verhard oppervlak gecreëerd. Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromende hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Hemelwater mag niet versneld worden afgevoerd richting oppervlaktewater. Het waterschap hanteert voor het omgaan met hemelwater de trits ‘vasthouden – bergen – afvoeren’.

Het totale transformatorstation inclusief uitbreiding heeft een oppervlakte van 9.297 m2. De bestaande gebouwen hebben een oppervlakte van circa 240 m2. Met de uitbreiding wordt een modulair gebouw geplaatst met een oppervlakte van circa 168 m2 en een SSI-gebouw met een oppervlakte van circa 20 m2.

Overige verharding bestaat uit transformatoren van 200 m2 en het toegangspad naar en op het terrein. Het toegangspad heeft in de bestaande situatie een oppervlakte van circa 80 m2. Het nieuwe toegangspad wordt in gras gelegd en heeft een oppervlakte van circa 400 m2. Aan (half)verharding wordt dus 320 m2 toegevoegd. De totale verharding betreft daarmee circa 1.030 m2 (waarvan 400 m2 bestaat uit halfverharding). Hierdoor wordt in de nieuwe situatie, na uitvoering van de plannen, maximaal circa 11% verhard en blijft minstens 89% van het transformatorstation onbebouwd. Dit komt neer op circa 8.275 m2.

Het water wat afgevoerd moet worden is schoon hemelwater. Er is planologisch voldoende onbebouwd oppervlak op het terrein, dat ook blijvend onverhard blijft gezien het gebruik van het terrein. Verder wordt het toegangspad in het gras aangelegd waardoor het niet volledig verhard is. Er is en blijft dus voldoende ruimte op het terrein om hemelwater ter plaatse te infiltreren in de bodem. Verder zijn er voldoende mogelijkheden om schoon hemelwater af te voeren naar nabijgelegen schouwsloten.

Watertoets

In het kader van de watertoets is waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De watertoets is gedaan op 2 april 2021. Het waterschap heeft op 15 april 2021 per mail bevestigd dat het project de korte procedure van de watertoets doorloopt. Dit houdt in dat het waterschap een uitgangspuntennotitie heeft overlegd met daarin de volgende onderdelen: bestaande waterhuishouding, uitgangspunten voor het plan op inrichtingsniveau en het vervolg van de watertoets. De uitgangspuntennotitie is opgenomen in Bijlage 4. Het wateradvies en de uitgangspunten zijn verwerkt in deze paragraaf. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin.

Conclusie

Vanuit het aspect waterhuishouding is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.4 Cultuurhistorie en archeologie

5.4.1 Toetsingskader

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. De Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 de Monumentenwet 1988 heeft vervangen, vormt het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed.

Onder cultuurhistorie worden aanwezige archeologische waarden verstaan, maar ook overige cultuurhistorische waarden zoals historisch landschap, beschermende stads- en dorpsgezichten en monumenten.

5.4.2 Onderzoek

Archeologie

De gemeente Steenwijkerland beschikt over een archeologische waarden- en beleidskaart. Volgens de gemeentelijke beleidskaart ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting. Om de archeologische waarden te beschermen heeft het plangebied in de beheersverordening de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' gekregen. Hieruit volgt een onderzoeksplicht voordat er gebouwd mag worden of voordat er werkzaamheden uitgevoerd mogen worden.

De archeologische dubbelbestemming is overgenomen uit de onderliggende beheersverordening.

Cultuurhistorie

De provincie Overijssel beschikt over een Cultuurhistorische waardenkaart. De gemeente Steenwijkerland beschikt over een veelheid aan cultuurhistorische elementen. In de kernen ligt een groot aantal rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. In het plangebied zijn geen monumenten of karakteristieke gebouwen aanwezig. De historische kern van Vollenhove ligt op grote afstand van het plangebied zodat er geen sprake is van effect op de beschermde monumenten.

5.4.3 Conclusie

Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.5 Overig

5.5.1 Elektrische en magnetische velden

Toetsingskader

Elektrische, magnetische en elektromagnetische velden komen overal voor. Bekende natuurlijke vormen zijn UV-straling (zon), infrarode straling (warme voorwerpen) en zichtbaar licht. Elektromagnetische velden (EMV) zijn ook aanwezig bij bijvoorbeeld huishoudelijke elektrische apparaten, zoals de magnetron en de stofzuiger, en bij het transport van elektriciteit over lange afstanden (via hoogspanningsverbindingen). De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt.

Er zijn geen wettelijke afstandseisen vastgesteld voor deze zwakkere magnetische velden. Voor bovengrondse hoogspanningslijnen wordt geadviseerd om kinderen niet langdurig te laten verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (uT). Langdurig wil in dit geval zeggen: gedurende minimaal een jaar met een verblijftijd van minimaal circa 14 tot 18 uur per dag.

Voor transformatorstations en ondergrondse kabels is deze streefwaarde niet van toepassing.

Onderzoek

Dit bestemmingsplan leidt niet tot een wijziging van de bestaande hoogspanningslijnen. Het plaatsen van een modulair gebouw en een SSI-gebouw geeft geen aanleiding voor een onderzoek naar elektrisch en magnetisch velden. Bekend is ook dat deze over het algemeen binnen of direct nabij de terreingrenzen van het transformatorstation zijn gelegen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Conclusie

Vanuit het aspect elektrische en magnetische velden is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.5.2 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient het bevoegd gezag onderzoek te verrichten naar de bestaande toestand van de bodemkwaliteit en deze te toetsen aan de wenselijke bodemkwaliteit met het oog op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen.

De Wet bodembescherming (Wbb) is erop gericht bodemkwaliteit te waarborgen of te verbeteren indien nodig. De wet schrijft voor dat eenieder die de bodem verontreinigd verplicht is maatregelen te nemen om deze verontreiniging tegen te gaan. Voor de realisatie van het bouwwerk zal grondverzet plaatsvinden, waarbij grond (en mogelijk ook asfalt en onderliggend funderingsmateriaal) wordt ontgraven, hergebruikt, toegepast en/of afgevoerd. Bij dergelijke werkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk)1 van toepassing. Het Bbk bevat algemene regels voor het toepassen van grond (en bouwstoffen) en de kwaliteit van toe te passen grond (en bouwstoffen).

Onderzoek

Het westelijk deel van het plangebied is in gebruik als transformatorstation. Het oostelijk deel van het plangebied is momenteel agrarisch in gebruik.

In de omgevingsrapportage bodemverontreiniging, opgesteld door de provincie Overijssel, staat dat er voor het plangebied geen informatie is aangetroffen. Op de Bodemfunctieklassekaart2 van de gemeente Steenwijkerland is het plangebied aangewezen als geschikt voor de functie 'overig'. Deze functie is onder andere geschikt voor landbouw/natuur. Het transformatorstation is geen bodembedreigende activiteit.

In het geval van grondverzet door ontgraving en/of toepassing moet er voldaan worden aan hiervoor vastgelegde regels uit het Besluit bodemkwaliteit.

Conclusie

Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.5.3 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

Op 15 november 2007 is een wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. De hoofdlijnen van deze regelgeving zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien deze voldoet aan één van deze voorwaarden:

  • er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project 'in niet betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), dat in werking treedt nadat de EU derogatie (toestemming) heeft verleend.

Van een verslechtering van de luchtkwaliteit ‘in betekenende mate’ is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:

  • woningbouw: minimaal 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;
  • infrastructuur: minimaal 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);
  • kantoorlocaties: minimaal 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.

Onderzoek

Onderhavig plan maakt een ontwikkeling mogelijk dat niet onder één van bovenstaande categorieën onder te brengen is en het is ook geen project dat beschreven staat in het NSL. Geconcludeerd kan worden dat de luchtkwaliteit niet ‘in betekenende mate’ zal verslechteren. Daarom hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan.

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.5.4 Verkeer

Toetsingskader

De wegen naar het transformatorstation zijn openbare wegen. Verkeer van en naar het transformatorstation maakt gebruik van deze wegen. Er is geen wettelijk toetsingskader waaraan het initiatief getoetst dient te worden derhalve wordt wel ingegaan op de verkeersbewegingen.

Onderzoek

Het transformatorstation wordt op afstand aangestuurd door de bedrijfsvoeringscentra in Zwolle en Weert. Het vervangen van de bestaande transformatoren en het plaatsen van een nieuw middenspanningsgebouw levert functioneel geen verandering op. De uitbreiding zal dan ook niet leiden tot een structurele toename van het aantal verkeersbewegingen. Enkel tijdens de bouwfase zal er sprake zijn van een verkeerstoename. Dit betreft zowel licht als zwaar vrachtverkeer. De huidige toegangsweg volstaat voor het bouwverkeer. Dit blijkt uit het feit dat eerder uitgevoerde, gelijkwaardige, werkzaamheden ook via de bestaande toegangsweg hebben kunnen plaatsvinden. Mocht in een later stadium blijken dat een tijdelijke bouwweg toch voordelen biedt, dan wordt dit nader onderzocht. Aantoonbare en verwijtbare schade, aan de openbare toegangsweg, als gevolg van het bouwverkeer, zal door de initiatiefnemer worden hersteld.

Conclusie

Vanuit het aspect verkeer is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit de plantoelichting, regels en verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende gedeelte van een bestemmingsplan. De verbeelding en de regels moeten altijd in samenhang worden gebruikt. De plantoelichting is bedoeld om de verbeelding en de regels te verduidelijken en om gemaakte keuzes te verantwoorden aan de hand van ruimtelijk beleid.
Het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Vollenhove, transformatorstation Voorst" maakt een uitbreiding van het bestaande transformatorstation mogelijk.

Tevens dient het nieuwe bestemmingsplan rechtszeker, eenvoudig te begrijpen, goed toepasbaar en handhaafbaar te zijn voor de gebruiker. Met de indeling van het bestemmingsplan zoals de naamgeving van de bestemmingen, opbouw van de regels en de weergave van op de verbeelding wordt aangesloten op landelijk geldende standaarden, onder meer Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO2012) en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

6.2 Bestemmingsregels

Algemeen

In dit bestemmingsplan is gekozen voor een bestemmingsregeling, waarbinnen alleen datgene dat noodzakelijk is, wordt vastgelegd. Dit houdt het volgende in:

  • De bedrijfsbestemming, zoals opgenomen in de beheersverordening, van het bestaande transformatorstation is niet afdoende voor de nieuwe ontwikkeling. Er is daarom voor gekozen om een integraal bestemmingsplan op te stellen voor zowel het bestaande deel als de uitbreiding. Overeenkomstig de SVBP2012 is gekozen voor een bedrijfsbestemming specifiek voor een transformatorstation;
  • De nieuwe bestemming 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening' is toegekend aan de grond die al reeds in gebruik was als transformatorstation én aan de grond waarop het transformatorstation wordt uitgebreid.

Enkelbestemming en dubbelbestemming

Bestemming 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening'

Ter plaatse van de bestemming zijn gebouwen en bouwwerken geen gebouwen toegestaan ten behoeve van het transformatorstation. Op het terrein is een bouwvlak opgenomen waarbinnen gebouwen gebouwd moeten worden. Ook bouwwerken geen gebouw zijnde moeten binnen het bouwvlak gebouwd worden, met uitzondering van erfafscheidingen. Voor het bouwvlak is een maximum bebouwingspercentage en maximum bouwhoogte opgenomen. Het bouwvlak beslaat niet het volledige terrein met de bestemming 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening' om op die manier te voorkomen dat gebouwen op de kadastrale grenzen worden gebouwd. Ook geeft het zodoende zekerheid dat er voldoende ruimte is voor landschappelijke inpassing.

Voor gebouwen is een maximale bouwhoogte opgenomen van 7 meter. Dit is gedaan omdat de bestaande gebouwen op het terrein een nokhoogte hebben van 7 meter. De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt 15 meter. Hier vallen bijvoorbeeld de transformatoren onder. Voor bliksempieken geldt dat de maximale bouwhoogte 20 meter mag bedragen. Het hekwerk om het transformatorstation mag maximaal 3 meter hoog worden.

Dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'

Ter plaatse van de bestemming is een bovengrondse hoogspanningsverbinding toegestaan. De wens van TenneT was om, in tegenstelling tot de beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014", de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' binnen het bouwvlak van 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening' te laten vervallen. Dit betekent dat de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' alleen buiten het bouwvlak van van de enkelbestemming 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening' is opgenomen in de verbeelding.

Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'

Deze bestemming ziet toe op de bescherming van archeologische waarden. Voor het uitvoeren van bouwwerkzaamheden en/of het uitvoeren van werken of werkzaamheden is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Deze bestemming geldt voor het gehele plangebied.

Dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'

Deze bestemming ziet toe op de bescherming van primaire en regionale waterkeringen, (hoofd)watergangen en behoud en bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Voor het uitvoeren van bouwwerkzaamheden en/of het uitvoeren van werken of werkzaamheden is een omgevingsvergunning noodzakelijk.

6.3 Artikelgewijze toelichting bestemmingsregeling

Artikel 1 Begrippen

De begripsbepalingen uit artikel 1 zijn overgenomen uit de SVBP2012.

Artikel 2 Wijze van meten

De wijze van meten uit artikel 2 is overgenomen uit de SVBP2012 en de beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014".

Artikel 3 Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening

Deze bestemming is toegekend aan de grond van het huidige transformatorstation en de grond waarop het transformatorstation wordt uitgebreid. De regeling uit deze bestemming vervangt integraal de onderliggende bestemming uit de geldende beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014".

Artikel 4 Leiding - Hoogspanningsverbinding

Deze bestemming is overgenomen uit de onderliggende beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014" voor de gronden waarop de nieuwe enkelbestemming 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening' is voorzien. Echter, binnen het bouwvlak van de enkelbestemming 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening' is de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' komen te vervallen.

Artikel 5 Waarde - Archeologie 2

Deze bestemming is overgenomen uit de onderliggende beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014" voor de gronden waarop de nieuwe enkelbestemming 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening' is voorzien.

Artikel 6 Waterstaat - Waterkering

Deze bestemming is overgenomen uit de onderliggende beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014" voor de gronden waarop de nieuwe enkelbestemming 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening' is voorzien.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Het Bro stelt de verplichting de anti-dubbeltelregel over te nemen in het bestemmingsplan. Deze standaardbepaling heeft als doel te voorkomen dat van ruimte die in een ruimtelijk plan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie is mogelijk gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruikgemaakt.

Artikel 9 Overgangsrecht

De bepalingen in artikel 9.1 en 9.2 zijn conform het Bro en SVBP2012 overgenomen. Het betreft de algemene en wettelijk voorschreven regeling voor het overgangsrecht voor met dit bestemmingsplan strijdige bouwwerken en strijdig gebruik.

Artikel 10 Slotregel

De slotregel is conform het Bro en SVBP2012 overgenomen en behoeft geen nadere toelichting.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

7.1 Kostenverhaal

Krachtens de Wro, waarin in afdeling 6.4 bepalingen zijn opgenomen betreffende de grondexploitatie, geldt de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Op grond van het Bro is kostenverhaal verplicht in geval van:

  • de bouw van een of meer woningen en hoofdgebouwen;
  • uitbreidingen van gebouwen met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd,
  • een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren bij ingebruikname voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte ten minste 1.500 m2 bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een modulair gebouw en de daarbij behorende voorzieningen. Aangezien hiermee geen sprake is van de bouw van een hoofdgebouw zoals bedoeld in artikel 6.2.1. sub b van het Bro, is kostenverhaal niet verplicht.

7.2 Planschade

Bij ruimtelijke ontwikkelingen kan planschade ontstaan. De Wro voorziet in een regeling voor vergoeding van planschade. Op basis van artikel 6.1 Wro wordt aan degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van de wijziging, herziening of afwijking van het bestemmingsplan, tegemoet gekomen, wanneer de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet anderszins is verzekerd. Eventuele planschadekosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Er is een planschadeovereenkomst afgesloten.

7.3 Financiële uitvoerbaarheid

Het project wordt gefinancierd door de initiatiefnemer. De investeringen die daarvoor nodig zijn worden eveneens gedragen door de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Inleiding

Een hoofdstuk maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat voor een ruimtelijk plan maatschappelijk draagvlak is. Om te voldoen aan de maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt inzicht gegeven op welke wijze draagvlak is gecreëerd, inspraak is verleend of anderszins de omgeving is geïnformeerd en betrokken bij de planvorming en welke partijen zijn betrokken.

8.2 Contact met stakeholders

In de planvormingsfase zijn verschillende stakeholders geraadpleegd om in een vroeg stadium feedback op te halen en draagvlak te creëren voor de uitbreiding van het station. Met de volgende stakeholders is gesproken:

  • de landelijke netbeheerder TenneT in verband met de uitbreiding binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding';
  • het Waterschap Drents Overijsselse Delta in verband met de beschermingszone van de kering;
  • omwonenden in verband met zicht op de locatie.

Hieronder wordt per stakeholder samengevat wat is gedeeld en wat de uitkomsten waren.

TenneT

De gewenste uitbreiding valt bijna geheel in de beperkingszone van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'. Op basis van de stakeholdergesprekken kwamen de volgende eisen naar voren:

  • Voor de dak- en hoofddraagconstructie geldt een minimale brandwerendheid van 60 minuten, voor de wanden is deze eis minimaal 30 minuten.
  • Specifiek aandacht is nodig voor het aarden van het gebouw.
  • Geen brandgevoelige zaken (bij voorbeeld transformator) onder de hoogspanningsverbinding.
  • In een buffer van 6 meter aan weerszijde van de lijn geldt een bouwhoogte beperking die afhankelijk is van de hoogte van de lijn ten opzichte van het maaiveld. Hiervoor geldt dat er te allen tijde 3 meter afstand moet zijn -2 meter voor de stahoogte op gebouwen. In totaal is er minimaal 5 meter afstand tussen de geleider en het te realiseren bouwwerk nodig.

Waterschap Drents Overijsselse Delta

De gewenste uitbreiding valt gedeeltelijk binnen de beschermingszone van de kering van het waterschap. In het gesprek met het waterschap kwam naar voren dat het nieuw te realiseren gebouw en de struweelbeplanting buiten de beschermingszone van de kering plaatsvinden. Het waterschap had geen bezwaar tegen voorliggende ontwikkeling. Wel dient er een sloot te worden gedempt om het nieuwe gebouw te kunnen realiseren. Het profiel van de sloot is ingemeten. De gemiddelde diepte bleek kleiner dan 40 centimeter en het waterschap heeft aangegeven dat er geen compensatie benodigd is.

Ook is een concept landschapsplan doorgenomen waarop was aangegeven dat er een recreatiepunt zou worden gerealiseerd. Hoewel het recreatiepunt binnen de beschermingszone ligt van de kering had het waterschap geen bezwaar tegen de realisatie ervan. Wel zal ten tijde van uitvoering een vergunning benodigd zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden.

Omwonenden

In de planvormingsfase zijn ook de omwonenden benaderd om de uitbreidingsplannen voor te leggen. De gesproken omwonenden zijn weergegeven in Figuur 8.1.

Aan de omwonenden is onder andere het landschapsplan voorgelegd. Uit de gesprekken kwam naar voren dat geen van de gesproken omwonenden bezwaar had tegen de uitbreiding van het hoogspanningsstation. De komst van het recreatiepunt werd daarentegen wisselend ontvangen. De campingeigenaar ziet zeker meerwaarde in het recreatiepunt. De andere omwonenden waren kritisch op de komst van het recreatiepunt. Ze vermoeden namelijk dat dit mogelijk een aanzuigende werking kan hebben op hangjeugd.

Er moet worden opgemerkt dat het recreatiepunt een iets andere invulling krijgt dan in eerste instantie is gecommuniceerd met de omwonenden. Het recreatiepunt krijgt een picknickbank en groenvoorziening. Het watertappunt en laadpunt zijn komen te vervallen. De gemeente gaat het recreatiepunt aanleggen en Enexis levert hierin een financiële bijdrage.

Figuur 8.1 Gesproken omwonenden rood omcirkeld [bron: Enexis]

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.VLHtrafostationBP-VA01_0013.jpg"

8.3 Ter visie legging

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 14 juli 2021 tot en met 24 augustus 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is aan een ieder de gelegenheid geboden een zienswijze in te dienen. Op het ontwerpbestemmingsplan is één zienswijze ingediend.

Een samenvatting van de zienswijze en bijbehorende beantwoording is te vinden in Bijlage 5. De zienswijze heeft op één punt geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Er is namelijk een paragraaf toegevoegd over het aspect 'verkeer'. Daarnaast zijn er wijzigingen gedaan naar aanleiding van een reactie vanuit TenneT. TenneT heeft geen officiële zienswijze ingediend. De wijzigingen in het bestemmingsplan naar aanleiding van de reactie van TenneT worden daarom gedaan als ambtshalve wijziging. De voornaamste wijzingen van ontwerp naar vaststelling van het bestemmingsplan betreffen:

  • toevoegen van paragraaf 5.5.4 over het aspect verkeer;

In onderstaande tabel zijn de belangrijkste wijzigingen opgenomen.

Tabel 8.1 Staat van wijzigingen

Algemeen  
1   Versienummer van het bestemmingsplan wordt gewijzigd van ontwerp (ON01) naar definitief (VA01)    
2   Het 'Vaststellingsbesluit' wordt toegevoegd aan het bestemmingsplan    
Toelichting  
1   Paragraaf 5.5.4: de paragraaf 'verkeer' is toegevoegd   wijziging n.a.v. zienswijze  
2   Paragraaf 8.3: de paragraaf is aangevuld en deze tabel met de 'staat van wijzigingen' is toegevoegd   ambtshalve wijziging  
Bijlagen bij toelichting  
1   Bijlage 5: zienswijzennota is toegevoegd   ambtshalve wijziging  
Regels  
1   Artikel 1, onder 1.17: het begrip 'elektriciteitsvoorziening' is opgenomen. Navolgende begrippen zijn hernummerd.   ambtshalve wijziging  
2   Artikel 3: de enkelbestemming 'Bedrijf - Transformatorstation' is aangepast naar 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening'   ambtshalve wijziging  
3   Artikel 3: aan de bestemmingsomschrijving is een 'een schakeltuin' toegevoegd   ambtshalve wijziging  
4   Artikel 4.3: met het vervallen van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' binnen het bouwvlak, is ook artikel 4.3 'Afwijken van de bouwregels' komen te vervallen. Navolgende artikel is hernummerd.   ambtshalve wijziging  
Verbeelding  
1   Tekstuele wijziging: 'Bedrijf - Transformatorstation' is aangepast naar 'Bedrijf - Elektriciteitsvoorziening'   ambtshalve wijziging  
2   De dubbelbestemming 'Leiding – Hoogspanningsverbinding' is binnen het bouwvlak van 'Bedrijf – Elektriciteitsvoorziening' komen te vervallen   ambtshalve wijziging