Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Vollenhove, De Voorst 6A
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1708.VLHDeVoorst6AOP-VA01

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Vollenhove, De Voorst 6A en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22ae) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22ae van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22ae.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ’22ae’ gelezen worden.

1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
2.1 TAM-omgevingsplan:
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ae Vollenhove, De Voorst 6A met identificatienummer NL.IMRO.1708.VLHDeVoorst6AOP-VA01 van de gemeente Steenwijkerland;
2.2 omgevingsplan:
het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland;
2.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
2.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
2.5 archeologische verwachting:
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.
2.6 archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.
2.7 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
2.8 bebouwingspercentage:
het percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd.
2.9 bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen. Aan-huisverbonden beroepen en bedrijven niet daaronder begrepen.
2.10 bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.
2.11 bedrijfsmatig:
via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmaat zijn gelijk te stellen.
2.12 bedrijfsvloeroppervlak:
het vloeroppervlak van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten.
2.13 bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bedoeld voor (het huishouden van) één of meer personen, wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op de functie van het gebouw en/of terrein.
2.14 beeldkwaliteit:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten.
2.15 bestaand:
de op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare bebouwing of het op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan
2.16 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
2.17 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
2.18 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
2.19 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
2.20 erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, mits deze inrichting in overeenstemming is met het omgevingsplan.
2.21 erfafscheiding:
afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst.
2.22 functiegrens:
de grens van een functievlak.
2.23 functievlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.
2.24 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
2.25 gevellijn:
de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart.
2.26 kampeermiddel:
een middel ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waaronder wordt begrepen een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren.
2.27 kampeerterrein:
terrein of plaats waarop gelegenheid wordt gegeven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.
2.28 maaiveld:
bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging.
2.29 maatvoeringsvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten.
2.30 milieucategorie:
een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten.
2.31 onderbouw/kelder:
een gedeelte van een gebouw, dat is gelegen binnen de buitenwerkse gevelvlakken en wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven het peil is gelegen.
2.32 oever:
de langs een vaarweg aanwezige natuurlijke oever of aangebrachte oevervoorziening met inbegrip van de daarvoor noodzakelijke verankering
2.33 onderkomens:
voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van recreatief verblijf.
2.34 openbare dienstverlening:
dienstverlening door openbare instanties in het kader van het algemeen belang.
2.35 openbare nutsvoorziening:
een gebouw of bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport dan wel de telecommunicatie, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuisje of een verdeelstation.
2.36 opslag:
het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.
2.37 parkeervoorzieningen:
een al dan niet overdekte c.q. ondergrondse stallingsgelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd verkeer:
  1. openbare parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel openbaar toegankelijk zijn;
  2. particuliere parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel niet openbaar toegankelijk zijn, zoals bijvoorbeeld parkeerplaatsen op eigen terrein.
2.38 parkeren:
het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.
2.39 peil:
  1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld;
  3. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil.
2.40 productiegebonden detailhandel:
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.
2.41 recreatief medegebruik:
het medegebruik van gronden voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, ruitersport, varen met kano en gemotoriseerde (fluister)boot, surfen, zeilen en sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.
2.42 seksinrichting:
de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
2.43 voorgevel:
gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water dan wel die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt.
2.44 watervoorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.
2.45 weg:
een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en daarbij behorende parkeerplaatsen.
2.46. woning:
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.;
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  3. De regels in dit hoofdstuk (H22ae) zijn van toepassing op de locatie Vollenhove, De Voorst 6A, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.VLHDeVoorst6AOP-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
4.1 De afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens
tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
4.2 Het bebouwingspercentage
het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.
4.3 De bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
4.4 De dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
4.5 De goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
4.6 De horizontale diepte van een gebouw
de afstand tussen de voor- en achtergevel van een gebouw, gemeten loodrecht op de voorgevel.
4.7 De inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
4.8 De lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.
4.9 De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
4.10 De oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
4.11 De ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.
4.12 De verticale diepte van een gebouw
de afstand, gemeten loodrecht naar beneden, tussen het maaiveld (of peil) en het laagste punt van het bouwwerk dat zich onder het maaiveld bevindt.

2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Bedrijf

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die is aangewezen als ‘Bedrijf’.

5.2 Functieomschrijving

De als 'Bedrijf' aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. bedrijven en/of het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten die staan vermeld in de lijst met bedrijfsactiviteiten in bijlage 1, onder posities ‘1’ en ‘FM’ voor geur en geluid. 
met daarbij behorende voorzieningen en werken zoals:
  1. terreinen, erven en groenvoorzieningen;
  2. ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

5.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten

5.3.1 Algemeen
Op de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd:
  1. gebouwen en overkappingen ten behoeve van de in artikel 5.2 genoemde functies, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de daarbij behorende bouwwerken, niet zijnde gebouwen of overkappingen, zowel binnen als buiten de aanduiding 'bouwvlak';
  3. met inachtneming van de volgende regels (5.3.2 en 5.3.3).
5.3.2 Regels ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’
Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:
  1. het bouwvlak mag tot maximaal 100% worden bebouwd, met dien verstande dat de maximale gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen en overkappingen maximaal 1.900 m2 zal bedragen;
  2. de voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens;
  3. gebouwen zullen met een kap van minimaal 15° en maximaal 60° worden afgedekt;
  4. de goothoogte bedraagt maximaal de ter plaatse van het maatvoeringsvlak ‘maximum goothoogte (m)’ aangegeven goothoogte;
  5. de bouwhoogte bedraagt maximaal de ter plaatse van het maatvoeringsvlak ‘maximum bouwhoogte (m)’ aangegeven bouwhoogte.
5.3.3 Bouwwerken, geen gebouw of overkapping zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw of overkapping zijnde geldt de volgende regel:
  • de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 5,00 meter met dien verstande dat de hoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter bedraagt en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter bedraagt.
 

5.4 Specifieke functieregels

Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met de functie wordt in ieder geval verstaan:
  1. het gebruik van gronden en bouwwerken voor buitenopslag;
  2. het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning.
5.4.1 Voorwaardelijke verplichting
  1. Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden overeenkomstig de in lid 6.2 opgenomen functieomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het als Bijlage 2 van de regels opgenomen Landschappelijk inpassingsplan;
  2. Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de in artikel 6.2 genoemde functies is in strijd, indien 2 jaar na onherroepelijk worden van het omgevingsplan, de landschappelijke inpassing niet is gerealiseerd en in stand is gehouden zoals vervat in Bijlage 2 van de regels opgenomen Landschappelijk inpassingsplan.

Artikel 6 Groen

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die is aangewezen als ‘Groen’.

6.2 Functieomschrijving

De als ‘Groen’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. structurele beplantingen;
  2. ontsluitingsverhardingen;
  3. watervoorzieningen;
  4. openbare nutsvoorzieningen. 
En tevens voor de daaraan ondergeschikte functies:
  1. parkeervoorzieningen, ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’.

6.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten

6.3.1 Algemeen
Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen;
  2. bouwwerken, geen gebouw zijnde:
    1. noodzakelijk met het oog op de regeling van de veiligheid van het verkeer;
    2. kunstwerken zoals een sluis en een fietsbrug;
    3. behorende tot de recreatieve voorziening, zoals recreatieve bewegwijzering, informatieborden en kleinschalige uitzicht- en rustpunten;
    4. behorende tot het straatmeubilair;
    5. ten behoeve van nutsvoorzieningen;
    6. speelvoorzieningen;
    7. ten behoeve van de waterhuishouding;
    8. met 1 t/m 7 vergelijkbare bouwwerken.

6.4 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend ten behoeve van het bouwen van gebouwen ten dienste van nutsvoorzieningen met een grotere bouwhoogte dan opgenomen in artikel 2.29 Bbl, indien:
  1. de goothoogte maximaal 3,00 meter bedraagt;
  2. de bouwhoogte maximaal 6,00 meter bedraagt;
  3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    2. de verkeersveiligheid;
    3. de milieusituatie;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

6.5 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

6.5.1 Verbreden van wegen
  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor het verbreden van aan de bestemming grenzende wegen of voor de aanleg van fietspaden.
  2. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt verleend indien:
    1. de verkeersveiligheid gewaarborgd blijft;
    2. de verbreding binnen het stedenbouwkundige en landschappelijk beeld ter plaatse past;
    3. geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
    4. waarden en belangen van derden niet onevenredig worden geschaad of kunnen worden geschaad.

Artikel 7 Water

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die is aangewezen als ‘Water’.

7.2 Functieomschrijving

De als ‘Water’ aangewezen locatie heeft de volgende functies:
  1. waterlopen en waterpartijen;
  2. oevers;
  3. groenvoorzieningen, bermstroken en beplanting;
met daarbij behorende voorzieningen en werken zoals:
  1. nutsvoorzieningen;
  2. overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers.

7.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten

7.3.1 Gebouwen en overkappingen
Er mogen geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd.
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. er mogen geen steigers worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag ten hoogste 5,00 m bedragen.

Artikel 8 Waterstaat - Waterkering

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als de dubbelfunctie 'Waterstaat - Waterkering'.

8.2 Functieomschrijving

De als ‘Waterstaat – Waterkering’ aangewezen locatie is,
behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor de
volgende functies:
  1. primaire waterkering;
  2. regionale waterkering;
  3. hoofdwatergang;
  4. watergang;
  5. behoud en bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden.

8.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. er mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van de in hoofdstuk 2 van de motivering beschreven bouwplannen;
  2. er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de functie worden gebouwd, waarvan de hoogte maximaal 10,00 meter bedraagt.

8.4 Vergunningplicht voor afwijken van de beoordelingsregels bouwactiviteiten

8.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het gestelde in artikel 8.3, gebouwen of andere bouwwerken te bouwen.
8.4.2 Beoordelingsregels
Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.4.1 wordt verleend indien:
  1. vooraf advies wordt ingewonnen bij het bevoegd waterschap;
  2. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waterstaatskundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

8.5.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden
Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:
  1. het ophogen en afgraven van de gronden
  2. het verwijderen en aanbrengen van verhardingen;
  3. het wijzigen van het waterpeil;
  4. het dempen van watergangen;
  5. het verwijderen en aanbrengen van oeverbeschoeiingen.
8.5.2 Uitzondering vergunningsplicht
Het bepaalde in lid 8.4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:
  1. zijn beschreven en weergegeven hoofdstuk 2 van de motivering;
  2. normale onderhoudswerkzaamheden;
  3. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
8.5.3 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 9.4.1 wordt verleend indien door de werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvoor hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de waterstaatkundige en waterkerende functies niet in gevaar wordt of kan worden gebracht.
8.5.4 Aanvraagvereisten
Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen moet worden besloten dat de omgevingsvergunning pas kan worden verleend nadat hiertoe schriftelijk advies is ingewonnen bij het bevoegde waterschapsgezag.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 2

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op gronden met de gebiedsaanwijzing ‘Waarde – Archeologie 2’.

9.2 Functieomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor bescherming van de aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

9.3 Omgevingsvergunning voor het bouwen op een locatie met de waarde Archeologie 2

9.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Ter plaatse van gronden met de ‘waarde – Archeologie 2’ is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, indien;
  1. De oppervlakte groter is dan 250 m2 en de locatie is gelegen binnen de bebouwde kom;
  2. De oppervlakte groter is dan 2500 m2 en de locatie is gelegen buiten de bebouwde kom.
9.3.2 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. Een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
9.3.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het bouwen
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien en voor zover uit het archeologisch rapport blijkt dat:
  1. De archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  2. In voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  3. In voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
9.3.4 Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het bouwen
Indien uit het in 9.3.2. genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

9.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 9.4.2., zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid 9.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
  1. Over een oppervlakte groter dan 250 m2 binnen de bebouwde kom en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld;
  2. Over een oppervlakte groter dan 2500 m2 buiten de bebouwde kom en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld.
  3. Voor zover het gaat over:
    1. Het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
    2. Het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting;
    3. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
9.4.2 Uitzondering vergunningplichtige gevallen
Het bepaalde in lid 9.4.1 is niet van toepassing bij werkzaamheden indien:
  1. Door middel van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn;
  2. Het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  3. Werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
  4. De werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
9.4.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. Een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
9.4.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. De archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  2. In voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  3. In voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
9.4.5 Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Indien uit het in 9.4.3. genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

3 Algemene regels

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Parkeernormen

In het geval er nieuwe ontwikkelingen worden gerealiseerd binnen het plangebied dient de Nota Parkeernormen Steenwijkerland te worden gehanteerd. Parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd.

10.2 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken geldt de volgende regel:
  • ondergrondse bouwwerken zijn niet toegestaan.

Artikel 11 Voorrangsregels

11.1 Onderlinge verhouding tussen functies

In het geval van strijdigheid van belangen tussen functies op een locatie gaat hetgeen gesteld is in de volgende functies voor op de andere functies, waarbij in afnemende mate prioriteit wordt verleend conform onderstaande lijst:
  1. Waarde – Archeologie 2;
  2. Waterstaat – Waterkering.

Artikel 12 Overige regels

12.1 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan.