| Plan: | Ossenzijl - Tussenbroekweg 1a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1708.OSZTussenbroekwg1a-VA01 |
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan en de beheersverordening "Buitengebied Steenwijkwerland" van gemeente Steenwijkerland ten behoeve van uitbreiding van het agrarisch bedrijf van de initiatiefnemer aan de Tussenbroekweg 1a te Ossenzijl.
In hoofdstuk 2 wordt het initiatief verder toegelicht, daar is een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer is, wegens de snelle ontwikkelingen in de markt en in het behoud van een duurzaam en volwaardig bedrijf, het agrarisch bedrijf uit te breiden met een nieuwe stal voor het houden van melkkoeien en bijbehorend jongvee. Deze nieuwe stal past niet binnen het huidige bouwvlak dat is opgenomen in de beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland".
De voorgenomen ontwikkeling is daarmee strijdig met de regels uit het vigerende beleid voor het buitengebied. Echter, omdat het initiatief past op de locatie en gewenst is, wordt door de gemeente in principe medewerking verleend. Middels voorliggend document wordt op basis van onderzoeken gemotiveerd waarom medewerking kan worden verleend en waarom dat kan in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie het bedrijf uit te breiden naar een omvang van 150 melk- en kalfkoeien en 68 stuks jongvee. De intensieve neventak voor het houden van vleeseenden zal afnemen naar een omvang van 6.250 stuks.
Concreet betekent dit een toename van de veestapel met 50 melk- en kalfkoeien en 46 stuks jongvee. De veestapel zal daarnaast afnemen met 2.750 vleeseenden.
Om de uitbreiding mogelijk te maken is de initiatiefnemer voornemens op de planlocatie een nieuwe ligboxenstal te bouwen. Daarnaast, voor het extra benodigd voer, zal een extra voeropslag worden aangelegd. De nieuwe stal zal eveneens worden voorzien van een werktuigenberging en opslag voor zaagsel.
In de gewenste situatie zal het volgende aan bebouwing en/of verharding worden opgericht:
Bebouwing:
--------------------------------------------------------------
Ligboxenstal (incl. opslag): 2.200 m2
Voeropslag: 210 m2
--------------------------------------------------------------
Erfverharding: 1.390 m2
--------------------------------------------------------------
Totaal: 3.800 m2
De toename in verhard oppervlak bedraagt dus 3.800 m2.
In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven.
Gewenste situatie.
Bron: DLV Bouw, Milieu en Techniek B.V.
Het huidige bouwvlak is niet toereikend en/of groot genoeg om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak te vergroten. De gewenste omvang van het nieuwe bouwvlak bedraagt ongeveer 1,5 hectare. Het gewenste bouwvlak is eveneens in de voorgaande figuur weergegeven.
Op de planlocatie is het bepaalde in het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" van gemeente Steenwijkerland, vastgesteld door de gemeenteraad op 22 oktober 1996, onverkort van toepassing. Binnen dit bestemmingsplan heeft het bedrijf de bestemming 'Agrarisch gebied met bouwperceel'. De locatie van de nieuw te bouwen stal heeft de bestemming 'Agrarisch gebied'.
Gezien het bestemmingsplan is verouderd is de gemeente bezig met het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. Hiertoe heeft de gemeente op 18 juni 2013 de Beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland" opgesteld.
De nieuwe stal zal op gronden worden gebouwd welke in de beheersverordening zijn bestemd als 'Agrarisch'. In de regels van de beheersverordening is opgenomen dat op agrarische gronden (zonder bouwvlak) geen gebouwen gebouwd mogen worden, uitgezonderd bestaande bebouwing. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuw gebouw opgericht (nieuwe stal).
In de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', waarbinnen het huidige bedrijf is gelegen, is geen afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het bouw- en/of het bestemmingsvlak te vergroten. In de bestemming 'Agrarisch' is eveneens geen afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch' in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'.
De bouw van de nieuwe stal is daarmee in strijd met de voorschriften uit de beheersverordening. Om de voorgenomen ontwikkeling alsnog mogelijk te maken dient daarom een partiële herziening te worden opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Hierbij zal het bouwvlak worden vergroot zodat de nieuwe bebouwing hier binnen past. Daarnaast zal de bestemming 'Agrarisch' binnen het vergrootte bouwvlak worden gewijzigd naar 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Voorliggende toelichting dient ter verantwoording van de te doorlopen procedure.
De gemeente Steenwijkerland heeft als antwoord op het eerder ingediende principeverzoek ten behoeve van dit plan door middel van een brief (datum 18 juli 2013) aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de plannen van de initiatiefnemer, mits de ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft op de ruimtelijke, milieutechnische en landschappelijke aspecten. In dit plan wordt verder aangetoond of sprake is van eventuele nadelige gevolgen op de genoemde aspecten. Voor de brief van de gemeente met daarin het antwoord op het principeverzoek wordt verwezen naar bijlage 1 van dit plan.
Bij nieuwe ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.
Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: Reuvers Buro voor Groene Ruimtes.
Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan. In dit inrichtingsplan is beschreven op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soort beplanting daarvoor wordt toegepast. Met het landschappelijk inrichtingsplan wordt voldaan aan de richtlijnen uit de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van provincie Overijssel.
De uitgangspunten uit het inrichtingsplan zijn als volgt:
Hiermee kan worden gesteld dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Voor het gehele inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van dit plan.
Dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:
In dit hoofdstuk komt de huidige situatie aan bod. Daartoe wordt inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken.
De planlocatie is gelegen aan de noordkant van Ossenzijl en wordt begrensd door de Tussenbroekweg en het achterliggende agrarisch landschap. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente IJsselham, sectie V, nummer 56. In de volgende figuur is de topografische ligging van de planlocatie weergegeven.
Topografische kaart.
Bron: Topografische Dienst Kadaster.
Ossenzijl is een dorp in de gemeente Steenwijkerland in de provincie Overijssel. Het dorp dankt haar naam (waarschijnlijk) aan de familie Osse, die een sluis beheerde (Zijl). Tegenwoordig is de sluis niet meer in gebruik.
Ossenzijl ligt aan de Kalenberggracht, die de Weerribben en Kalenberg via de Linde met de Friese Meren verbindt. Tegenwoordig wordt dit water vooral gebruikt door plezierjachten. Vooral in de zomer trekt Ossenzijl veel toeristen die een dagje naar Nationaal park Weerribben-Wieden gaan. Ossenzijl ligt in het natuurgebied De Weerribben, dat al eens is benoemd tot mooiste plek van Nederland.
De omgeving van de planlocatie bestaat voornamelijk uit grasland en landbouwgrond. Nabij de planlocatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. Het dichtstbijzijnd gevoelig object (woning van derden) is gelegen op een afstand van ongeveer 226 meter (gemeten van huidig bouwvlak tot huidig bouwvlak).
De planlocatie bestaat in de huidige situatie uit een agrarische melkveehouderij met als neventak een intensieve vleeseendenhouderij. Ter plaatse worden 100 melk- en kalfkoeien, 22 stuks jongvee en 9.000 vleeseenden gehouden. Deze dieren worden momenteel gehuisvest in bestaande stallen.
Ter plaatse zijn een vleeseendenstal, een werktuigenberging, een mestplaat, 2 mestsilo's, een melk- en jongveestal, ruwvoeropslag en een bedrijfwoning met garage aanwezig.
Het huidige bouwvlak ter plaatse is ongeveer 1,39 hectare groot. In de volgende figuur is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.
Luchtfoto huidige situatie.
Bron: Bing Maps (Microsoft).
De planlocatie is gelegen in een agrarisch gebied. Binnen dit gebied vinden, naast agrarische activiteiten, recreatieve activiteiten plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. Hierbij zal de intensieve neventak worden teruggebracht naar een kleinere omvang.
Uitbreiding van een agrarisch bedrijf past binnen het agrarisch gebied van de gemeente en draagt bij aan de versterking van de plattelandseconomie door export van geproduceerde producten.
Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.
Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.
Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen.
In het Barro wordt een aantal projecten die van nationaal belang zijn genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
In het Barro zijn dertien projecten van nationaal belang beschreven:
Een ander belangrijk, nog niet geheel uitgewerkt, onderwerp van het Barro betreft “duurzame verstedelijking”. Hiervoor zullen mogelijk in de toekomst nog aanvullende regels volgen.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en “vermindering van de bestuurlijke drukte”. De bedoeling is duidelijk: belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Dat zal inderdaad wellicht leiden tot een versnelde uitvoering van de in het Barro opgenomen projecten.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.
Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
Bij het Barro zijn kaarten opgenomen welke de genoemde projecten in beeld brengen. De planlocatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
Het provinciale beleid voor de leefomgeving is vastgelegd in de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel. De Omgevingsvisie vervangt het Streekplan Overijssel 2000+ en heeft de status van een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening, een regionaal waterplan onder de (nieuwe) Waterwet, een milieubeleidsplan onder de Wet milieubeheer, een provinciaal verkeer- en vervoerplan onder de Planwet Verkeer en Vervoer en als laatste een bodemvisie in het kader van de ILG-afspraak met het Rijk. Een van de instrumenten waarmee de provincie de doorwerking van haar beleid regelt, is de Omgevingsverordening.
De in de Omgevingsvisie opgenomen beleidsuitgangspunten zijn verder uitgewerkt tot beleidsregels in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is daarmee het instrument om de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie juridisch te verankeren in het provinciaal beleid.
Bij de ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de omgeving, zoals natuur, landschap, water en milieu. De nadruk ligt op duurzaam ruimtegebruik. In de omgevingsvisie Overijssel wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken zijn nader uitgewerkt in de Catalogus Gebiedskenmerken en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
Op 1 juli 2009 heeft de provincie Overijssel de Omgevingsvisie Overijssel vastgesteld. Deze is naar aanleiding van nieuw beleid en nieuwe wetgeving geactualiseerd. De provincie heeft de laatste versie van de Omgevingsvisie vastgesteld op 1 september 2013.
De Omgevingsvisie Overijssel beschrijft wat er met de ruimte in (een deel van) de provincie mag gebeuren. Zo staat er in de Omgevingsvisie onder meer waar steden en dorpen kunnen groeien en waar ruimte is voor landbouw, natuur en recreatie.
Toetsing ten aanzien van planologie zal zich richten op dat wat door de provincie Overijssel in haar Omgevingsvisie is verwoord. De algemene ambitie van de omgevingsvisie voor Overijssel wordt als volgt geformuleerd:
“Een vitale samenleving tot ontplooiing te laten komen in een mooi en vitaal landschap. Een
samenleving waarin alle Overijsselaars zich thuis voelen en participeren. Met bloeiende
steden en dorpen als motoren voor cultuur en werkgelegenheid, ingebed in een landschap
waarin wonen, natuur, landbouw en water elkaar versterken.”
Over de landbouw staan in de Omgevingsvisie de volgende hoofdlijnen t.a.v. ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving weergegeven:
"Boeren staan de komende jaren voor een forse opgave. Het EU-landbouwbeleid verandert. De Europese steun aan de landbouw neemt af en de internationale concurrentie neemt toe. Daarnaast nemen de Europese en nationale eisen vanuit het milieu- en waterbeleid toe. Tegelijkertijd stijgt mondiaal de vraag naar voedsel en andere agrarische producten. Inspelend op deze ontwikkelingen maken ondernemers verschillende keuzen. Een deel kiest voor verdere specialisatie en anderen juist voor 'verbreding', bijvoorbeeld met een zorg- of energietak. In alle sectoren (intensieve veehouderij, melkveehouderij, akkerbouw en paardenhouderijen e.d.) en zowel op gespecialiseerde als verbrede bedrijven is er sprake van schaalvergroting en professionalisering. Deze ontwikkelingen zullen een belangrijk stempel drukken op het buitengebied. Het gaat hierbij zowel om de ontwikkeling van grotere bedrijfsgebouwen en de behoefte aan meer ruimte voor verbrede takken, als om de verandering van de erfinrichting, de inrichting van gebieden (verkaveling) en ontsluiting.
Landbouw blijft de grootste grondgebruiker in Overijssel en is een belangrijke economische
drager in het buitengebied. Het aantal agrarische bedrijven neemt af, maar door de
schaalvergroting blijft het totale grondbeslag nagenoeg gelijk. Het areaal natuurgebieden
neemt toe, maar de kwaliteit daarvan staat onder druk. Sommige plant- en diersoorten die
voorheen juist in de landbouwgebieden gedijden, hebben het moeilijk. Overijssel heeft veel
landschappen die ook nationaal en internationaal van grote betekenis zijn. De afwisseling en
verscheidenheid van landschappen is een kernkwaliteit van Overijssel. Door allerlei
ontwikkelingen zoals globalisering en schaalvergroting dreigen die kenmerkende verschillen
te verdwijnen."
Vanuit de opgaven ten aanzien van o.a. de landbouw en het evenwicht tussen landbouw, natuur en landschap zijn een aantal aandacht-thema's benoemd die in drie kolommen geordend zijn; welzijn, welvaart en Natuurlijke hulpbronnen.
In de kolom Welvaart wordt bij het thema Economie en vestigingsklimaat als centrale beleidsambitie en onderwerp van provinciaal belang genoemd: ontwikkelingsmogelijkheden voor schaalvergroting en verbreding in de landbouw.
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt dit onderwerp verder uitgewerkt met als hoofdlijn van beleid, het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling in de landbouw, onder voorwaarden van generiek instrumentarium (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Landbouwbedrijven worden gefaciliteerd om zich te ontwikkelen en in te spelen op veranderingen. Er wordt ruimte geboden voor schaalvergroting en -verbreding.
Duurzame en concurrerende landbouwbedrijven leveren een belangrijke bijdrage aan de provinciale economie, het open houden van het landelijk gebied en het in stand houden van en voortbouwen op waardevolle cultuurlandschappen. Om landbouwbedrijven als functionele dragers van de Groene omgeving te behouden en te versterken, biedt de provincie ruimte voor schaalvergroting en -verbreding. In de Groene omgeving worden drie ontwikkelingsperspectieven onderscheiden. In twee daarvan is de landbouw de grootste grondgebruiker. In het ontwikkelingsperspectief 'buitengebied, accent op agrarische productie' is de ontwikkeling van de landbouw sturend voor de gebiedsontwikkeling.
Ook in het ontwikkelingsperspectief 'buitengebied, veelzijdige gebruiksruimte' heeft de landbouw volop ruimte, waarbij andere functies en waarden in sterkere mate kaderstellend en medesturend zijn voor de ontwikkeling van de landbouw. In het ontwikkelingsperspectief 'buitengebied, veelzijdige gebruiksruimte' zijn er afgezien van regels die overal gelden (zoals milieubeleid, Natura 2000-beleid en Reconstructiebeleid) geen beperkingen voor de bedrijfsontwikkeling van bestaande bedrijven. De provincie ziet goede kansen voor landbouwbedrijven om een grote rol te spelen bij het (agrarische) natuurbeheer in dit ontwikkelingsperspectief.
Ruimte voor landbouw:
Het inspelen op de veranderingen in beleid en economie vraagt om (meer) ruimte voor ondernemerschap. Bedrijven vergroten, specialiseren en verbreden zich. De melkveehouderij en de intensieve veehouderij blijven de omvangrijke sectoren, maar andere en nieuwe agrarische sectoren komen op, zoals de paardenhouderij, de boomteelt en de glastuinbouw. Rietteelt is een specifieke bedrijvigheid en neemt in Noordwest-Overijssel een bijzondere positie in en draagt tevens bij aan natuurbeheer. Het provinciale beleid geeft bestaande landbouwbedrijven in al hun vormen de ruimte onder voorwaarden van generiek instrumentarium, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken.
Voor de niet-grondgebonden landbouw (intensieve veehouderij en glastuinbouw) gelden aanvullende voorwaarden.
Zowel gespecialiseerde als verbrede landbouwbedrijven hebben in de toekomst grotere bouwpercelen nodig voor een toekomstvaste continuering van de bedrijfsvoering. Met de Kwaliteitsimpuls Groene omgeving maakt de provincie dit in combinatie met versterking van de ruimtelijke kwaliteit mogelijk.
Op deze wijze maakt de provincie een omslag van 'sturen op kwantiteit' naar 'sturen op kwaliteit'. Niet de oppervlakte van een bouwperceel is maatgevend, maar de kwaliteit in relatie tot de omgeving. De provincie stelt op voorhand dan ook geen maximum aan de omvang van agrarische bouwpercelen.
Uitzondering hierop is de intensieve veehouderij. Hiervoor gelden de bouwvlakmaten zoals omschreven is het Reconstructieplan.
Aan schaalvergroting van agrarische bedrijven wordt in de Omgevingsvisie ruimte geboden. Aan niet-grondgebonden bedrijven worden hiervoor aanvullende voorwaarden gesteld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een grondgebonden bedrijf. Echter heeft dit bedrijf een intensieve neventak. Hiervoor gelden de maximale maten uit het Reconstructieplan.
De planlocatie is echter gelegen in een gebied dat niet in een Reconstructieplan is opgenomen. Gezien ook geen sprake is van uitbreiding van de intensieve neventak op het bedrijf (deze neemt juist af met de voorgenomen ontwikkeling) kan worden gesteld dat geen sprake zal zijn van een maximale bouwvlakmaat vanuit provinciaal beleid. Toetsing van de maximale omvang van het bouwvlak zal verder plaatsvinden aan het gemeentelijk beleid.
Wel moet bij de voorgenomen ontwikkeling aandacht worden geschonken aan de ruimtelijke kwaliteit. Maatstaven hiervoor zijn verder uitgewerkt in de Catalogus Gebiedskenmerken, waarin door middel van de vierlagenbenadering.
In deze paragraaf wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken volgens de Omgevingsvisie Overijssel is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van het bestemmingsplan.
Met de vierlagenbenadering van de Catalogus Gebiedskenmerken wil de provincie ruimtelijke kwaliteit bereiken. Voor deze lagen is gekozen, omdat ingrepen in de fysieke leefomgeving in elke laag volgens bepaalde principes en processen verlopen. Natuurlijk staan deze lagen niet los van elkaar. Een plek die bijvoorbeeld ooit een natuurlijk karakter had, is nu bebouwd en soms is het omgekeerde het geval. Vaak liggen de lagen over elkaar heen en komen op een bepaalde plaats de kenmerken van verschillende lagen voor. Op andere plekken is dat niet het geval en voert een bepaalde laag de boventoon. In de Omgevingsvisie en de Catalogus Gebiedskenmerken zijn de gebiedskenmerken van deze vier lagen beschreven en op vier kaarten aangegeven.
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt onderscheid gemaakt in vier lagen:
Vanuit de natuurlijke laag, zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'dekzandvlaktes en -ruggen'.
Kaart natuurlijke laag.
Bron: Provincie Overijssel.
Ten aanzien van dekzandvlaktes en -ruggen wordt in de Catalogus Gebiedskenmerken het volgende gesteld:
"De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd.
Ontwikkelingen:
In de occupatiegeschiedenis zijn de dekzandgebieden voor het overgrote deel in cultuur gebracht als essenlandschap, oude hoevenlandschap en heideontginningslandschap. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw.
Ambitie:
De ambitie is de natuurlijke verschillen tussen hoog en laag en tussen droog en nat functioneel meer sturend en beleefbaar te maken. Dit kan bijvoorbeeld door een meer natuurlijk watersysteem en door beplanting met ‘natuurlijke’ soorten. En door de (strekkings)richting van het landschap te benutten in gebiedsontwerpen.
Dekzandvlakten en ruggen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf.
Sturing:
Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting.
Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling
van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt."
Bij ontwikkelingen in een dekzandgebied is het van belang dat het reliëf zichtbaar blijft of beter zichtbaar wordt en dat het watersysteem niet wordt aangetast of juist wordt verbeterd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van aantasting van het reliëf. Er is immers sprake van een ontwikkeling op een vlak stuk land. Het watersysteem zal niet worden aangetast. De sloot tussen de bestaande bebouwing en de geplande nieuwe bebouwing zal behouden blijven. Daarnaast zal hydrologisch neutraal worden ontwikkeld, waarmee geen sprake is van aantasting van het watersysteem. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet van nadelige invloed zal zijn op de natuurlijke laag.
Vanuit de laag van het agrarisch cultuurlandschap, zoals te zien in de volgende figuur, is de planlocatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Jonge heide- en broekontginningslandschap'.
Kaart laag agrarisch cultuurlandschap.
Bron: Provincie Overijssel.
Ten aanzien van jonge heide- en broekontginningslandschappen is in de Catalogus Gebiedskenmerken het volgende gesteld:
"De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Daarnaast zijn vanaf 1750 vanuit de landgoederen en buitens ook veel van de voormalige heidegronden voor de jacht en houtproductie bebost. Dit heeft geresulteerd in grote en kleinere landbouwontginningslandschappen en in landschappen van grote boscomplexen en (nooit ontgonnen) heidevelden, zoals op de Sallandse Heuvelrug.
Ontwikkelingen:
Schaalvergroting bebouwing op agrarische erven.
Transformatie landbouwerven tot burgererven en de introductie van het ‘hobby’-vrijetijds/woon landschap met bijbehorende vormen van grondgebruik en dierhouderij (paardenbakken). Van werklandschap langzaam verandert in vrijetijds- en consumptielandschap.
Door de broze samenhang en de geringe eigenstandige kwaliteit van dit landschapstype valt het uiteen in afzonderlijke onderdelen en/of verschuift het accent in de beleving van de open ruimte naar de bedrijfskavel.
Ambitie:
De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen.
Sturing:
Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen
deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen,
bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende
ruimtematen."
Ontwikkelingen in het ontginningenlandschap dienen bij te dragen aan behoud en versterking van dragende structuren. Daarbij is het van belang dat ontwikkelingen van bestaande erven mogelijk zijn, mits zij worden voorzien van een goede landschappelijke inpassing. In overleg met de gemeente is overeengekomen dat de bestaande sloot op het perceel behouden zal blijven. De nieuwe stal zal aan de andere zijde van de sloot plaatsvinden. Hiermee blijft de bestaande lineaire structuur behouden. De voorgenomen ontwikkeling zal landschappelijke worden ingepast. Hierbij zal een nieuwe strook beplanting worden aangebracht om de nieuwe bebouwing heen. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke
inpassing" (paragraaf 1.2.3). Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet van nadelige invloed zal zijn op de laag van het agrarisch cultuurlandschap.
Vanuit de stedelijke laag is de planlocatie, zoals te zien in de volgende figuur, gelegen in een gebied dat niet nader is aangemerkt.
Kaart stedelijke laag.
Bron: Provincie Overijssel.
De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige invloed hebben op zowel de nabijgelegen kern als de nabijgelegen vaarroutes. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet van nadelige invloed zal zijn op de stedelijke laag.
Vanuit de lust- en leisurelaag is de planlocatie, zoals te zien in de volgende figuur, gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Donkerte'.
Kaart lust- en leisurelaag.
Bron: Provincie Overijssel.
Ten aanzien van gebieden voor donkerte wordt in de Catalogus Gebiedskenmerken het volgende gesteld:
"Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk.
Ontwikkelingen:
Autonoom wordt het steeds lichter doordat het bebouwd oppervlak steeds uitbreidt, door verlichte wegen, uitbreiding van kassencomplexen en door de toename van de woon- en werkfuncties verspreid in het landschap.
Steeds meer maatschappelijke aandacht voor vermindering van lichthinder en onnodige uitstraling naar boven.
Ambitie:
Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden.
Sturing:
In de donkere gebieden alleen minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht. Dit vereist het selectief inzetten en 'richten' van kunstlicht.
Veel aandacht voor vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied.
Behoud van het rustige en onthaaste karakter van de 'donkere' gebieden."
Ontwikkelingen in donkere gebieden zijn mogelijk mits zij geen onevenredige toename van het kunstlicht tot gevolg hebben. Met andere woorden dient de lichthinder en -uitstraling zoveel mogelijk te worden beperkt. Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen maatregelen ter voorkoming van lichthinder worden genomen waarbij de uitstraling van kunstlicht zoveel mogelijk zal worden beperkt. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Lichthinder" (paragraaf 4.1.5). Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet van nadelige invloed zal zijn op de lust- en leisurelaag.
De wijze waarop aan het beleid uit de Omgevingsvisie uitvoering moet worden gegeven is vastgelegd in de Omgevingsverordening, welke tegelijkertijd met de Omgevingsvisie is vastgesteld. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening heeft de status van:
De Omgevingsverordening is een uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie en is opgesteld in de vorm van voorschriften. In veel voorschriften is gekozen voor proces- en motiveringsvereisten. In de Omgevingsverordening moet elk inhoudelijk thema geregeld zijn, waar de provincie de mogelijkheid op wil hebben om juridische instrumenten in te kunnen zetten. Het inzetten van juridische instrumenten vindt plaats op basis van de interventieladder.
In de Omgevingsverordening van provincie Overijssel is bepaald dat bij grootschalige ontwikkelingen (nieuw of uitbreiding van bestaand), naast een investering in de ontwikkeling zelf, tegelijkertijd geïnvesteerd dient te worden in de omgevingskwaliteit. Het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden dient gecompenseerd te worden.
Voor uitbreiding van veehouderijen zijn in de verordening geen verdere harde regels opgenomen, alleen dat zij een investering moeten doen in de ruimtelijke kwaliteit conform het gestelde in de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
Gesteld kan dus worden dat met de voorgenomen ontwikkeling aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening van provincie Overijssel kan worden voldaan, mits wordt voldaan aan het gestelde in de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
Ten behoeve van de instandhouding en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving in de provincie Overijssel is, tezamen met de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, ook de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) vastgesteld. Hierin staan richtlijnen opgenomen ten aanzien van compensatie van de ruimtelijke impact van ontwikkelingen in de groene omgeving.
Per afzonderlijk geval zal evenwichtig gekeken moeten worden naar de wijze van het evenwicht tussen de ontwikkeling van agrarische bedrijven en de mate van investering in de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij is maatwerk van belang.
Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke inpassing (vorm en situering van gebouwen en erfbeplanting), zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en rekening houden met de gebiedskenmerken.
Voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende kwaliteitsprestaties zijn een drietal aspecten van belang:
Voor investeringen op het eigen erf geldt dat die in algemene zin niet als aanvullende kwaliteitsprestatie worden gezien, tenzij een gebiedseigen ontwikkeling al bijdraagt aan de omgevingskwaliteiten.
Bij agrarische bedrijven die groter zijn dan 1,5 hectare wordt in de toelichting van de verordening gesteld dat deze als "grootschalig" zijn aan te merken. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een bedrijf van meer dan 1,5 hectare, waarmee het niet als een grootschalig bedrijf is aan te merken. Op niet-grootschalige bedrijven is de aanvullende investering uit de KGO niet van toepassing.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is een goede landschappelijke inpassing van het bedrijf noodzakelijk. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Dit landschappelijk inrichtingsplan is nader uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 1.2.3). Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de eisen zoals zijn opgenomen in de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van provincie Overijssel.
Gemeente Steenwijkerland is bezig met het opstellen van een nieuw ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied". Zij hebben reeds in 2006 een ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied" ter inzage gelegd, maar kiezen er voor om deze te vernieuwen en als nieuw ontwerpplan ter inzage te leggen als het plan gereed is. Dit heeft te maken met verschillende nieuwe beleidsregels vanuit het Rijk en Provincie, waardoor het plan geactualiseerd dient te worden.
Gezien het plan nog niet ter inzage heeft gelegen kan nog niet aan het nieuwe bestemmingsplan worden getoetst. Wel is de Beleidsnotitie bestemmingsplan Buitengebied Steenwijkerland vastgesteld. Verdere toetsing vindt dan ook plaats aan deze notitie.
De uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Steenwijkerland zijn uitgewerkt in de 'Beleidsnotitie bestemmingsplan Buitengebied Steenwijkerland'. Deze is vastgesteld door de gemeenteraad op 27 maart 2012 en geeft weer waar de gemeente Steenwijkerland zich op richt bij de verdere ontwikkeling van haar buitengebied.
Het voornaamste doel van de notitie is het verschaffen van helderheid over uitgangspunten van gebruiks- en bouwmogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Daarmee is de notitie bepalend voor de inhoud van het nieuwe bestemmingsplan.
Het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland kent vele functies. Deze functies zijn onder de volgende noemers onder te brengen: landbouw, natuur, wonen en recreatie. De onderlinge verhouding tussen de vier hoofdfuncties is aan het veranderen, onder meer als gevolg van de toenemende waardering voor natuur en landschap, en de veranderende vorm en schaal van de landbouw en recreatie.
De landbouw is van oudsher de grootste ruimtegebruiker in Steenwijkerland, echter een derde van het buitengebied bestaat uit natuurgebied. Natuur is dus ook een belangrijke component bij de ontwikkeling van het beleid voor het buitengebied.
Ten aanzien van agrarische bedrijven zijn specifieke richtlijnen opgenomen. In de notitie worden ten aanzien van agrarische bedrijven de volgende uitgangspunten weergegeven:
De kracht van het buitengebied van de gemeente zit hem in de breedte van de plattelandseconomie.
Omdat dit het meest duurzaam is wordt naar de toekomst vooral ingezet op de grondgebondenheid van de plattelandseconomie. Voor een perspectiefvolle landbouw moet schaalvergroting, verbreding en intensivering mogelijk zijn, uitgaande van grondgebonden landbouw. In de komende jaren zal de schaalvergroting van de bedrijven in de landbouw dan ook onverminderd, mogelijk versterkt doorgaan.
In de notitie wordt er voor gekozen geen onderscheid aan te brengen in ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven in verschillende gebieden. Alle grondgebonden agrarische bedrijven krijgen in principe dezelfde ontwikkelingsmogelijkheden.
Hierbij zijn de volgende randvoorwaarden opgenomen:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een goede landschappelijke inpassing, waarmee de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan de landschapskwaliteit en de kwaliteit van de omgeving. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 1.2.3).
Er is sprake van een volwaardig bedrijf.
Er is sprake van intensieve veehouderij als neventak. Gezien de kleinschalige aard hiervan is dit als ondergeschikt aan te merken.
Daarnaast wordt in de notitie onderscheid gemaakt in grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven. Onder grondgebonden landbouw wordt een agrarische bedrijfsvoering verstaan, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf. Vanuit het economisch perspectief ligt de prioriteit bij de ontwikkeling van de bestaande agrarische bedrijven.
Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen vormen van grondgebonden landbouw, zoals akkerbouw of veeteelt.
Intensieve veehouderij wordt gezien als niet-grondgebonden landbouw. De bestaande intensieve veehouderijen zullen met een speciale aanduiding als zodanig worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan.
Ten aanzien van grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven zijn in de notitie de volgende randvoorwaarden opgenomen:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een grondgebonden bedrijf. Er is bij dit bedrijf sprake van een intensieve (niet-grondgebonden) neventak. Deze neventak is echter reeds bestaand en zal niet worden vergroot. Het aantal gehouden dieren ten behoeve van de intensieve neventak wordt zelfs teruggebracht. Daarnaast is sprake van een oppervlakte ten behoeve van de intensieve neventak van ongeveer 1.000 m2, wat binnen de beleidskaders past.
Het beleid in de notitie is verder nog toegespitst op het agrarisch bouwperceel zelf. Daarbij geldt dat bebouwing binnen het bouwvlak dient te worden geconcentreerd en dat gerealiseerde bebouwing 'positief' wordt opgenomen binnen het bouwvlak. In het bestemmingsplan zal een afwijkingsbevoegdheid met randvoorwaarden worden opgenomen, waarmee het bouwvlak kan worden vergroot tot 1,5 hectare. Om in te kunnen spelen op de voorlopig doorgaande schaalvergroting zal naast de afwijkingsbevoegdheid tot 1,5 hectare een wijzigingsbevoegdheid met voorwaarden worden opgenomen, waarmee een bouwvlak kan worden vergroot tot 2,0 hectare.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van bedrijfsbebouwing welke niet binnen het huidige bouwvlak past. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk het bouwvlak te vergroten. Hierbij zal het bouwvlak worden vergroot tot 1,5 hectare, waarmee de voorgenomen ontwikkeling past binnen het gestelde beleid van de gemeente en de in het plan op te nemen wijzigingsbevoegdheid.
Het landschapsontwikkelingsplan (LOP) van gemeente Steenwijkerland is vastgesteld op 28 februari 2005 en is een samenvoegsel van de landschapsbeleidsplannen van de voormalige gemeenten die zijn samengevoegd tot gemeente Steenwijkerland. Het doel van dit LOP is het geven van een visie op de wenselijke toekomstige ontwikkelingen van het landelijk gebied, waarbij het dient als instrument waarmee richting kan worden gegeven aan nieuwe ontwikkelingen die zich aandienen, of die zich reeds hebben aangediend.
De gemeente Steenwijkerland bestaat uit drie verschillende landschapstypen op basis van bodemmateriaal:
De planlocatie is in een kleigebied, nader gespecificeerd als 'broekontginningenlandschap' gelegen.
Dit landschap is in het LOP als volgt gekenmerkt:
"De natte gebieden langs de Linde (Buitenbroek, Markerbroek, Oosterbroek) vormen een
apart landschapstype. Ze onderscheiden zich van de zeekleipolders door de bodem en
verkavelingstructuur. De bebouwing is verspreid in het gebied gelegen: veelal jonge
boerderijen uit de 70-er jaren van de 20e eeuw."
Zoals te zien in onderstaande figuur is de planlocatie gelegen in een gebied dat, in het kader van de landschappelijke hoofdstructuur, is aangemerkt als 'open gebied: laag gelegen, strokenverkaveling'.
Kaart landschappelijke hoofdstructuur Landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland.
Bron: Gemeente Steenwijkerland.
Met de voorgenomen ontwikkeling zal de openheid van het landschap niet in onevenredige mate worden aangetast. Tevens zal de strokenverkaveling zoveel mogelijk behouden blijven.
Verder worden in het LOP per ontwikkeling knelpunten en kansen gegeven. Voor de landbouw zijn deze als volgt:
"De grondgebonden landbouw neemt in Steenwijkerland een belangrijke positie in. Het overgrote deel van het gebied is in gebruik als weiland. In de zandgebieden bestaat de landbouw uit meer extensieve bedrijven met veelal een neventak. In de droogmakerijen komen voornamelijk grote melkveebedrijven voor. De gebieden Weerribben en Wieden kennen een kleinschalige landbouw met lage melkproductie. Neveninkomsten komen ook uit rietteelt en visserij. De zeekleipolders en de gebieden langs de Linde behoren tot de grotere melkveehouderijbedrijven van Overijssel.
Het zoeken naar nieuwe inkomensbronnen kan zowel positieve als negatieve effecten
(bijdrage aan eigen identiteit) hebben op het landschap (verrommeling). Hetzelfde geldt voor
vrijkomende agrarische bebouwing. Door sloop kan mogelijk een storende invloed op het
landschap ongedaan worden gemaakt, anderzijds bestaat het gevaar dat karakteristieke
bedrijfsbebouwing zal verdwijnen."
Zoals gesteld in het voorgaande bestaan de veehouderijen in de zeekleigebieden uit grote melkveehouderijen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een melkveehouderij. Dit past binnen het beeld van het landschap ter plaatse.
Als knelpunten worden de volgende onderwerpen genoemd:
In onderhavig geval is geen sprake van hergebruik van stallen of het uitvoeren van nevenfuncties. Tevens zullen geen stallen worden afgebroken, maar juist worden uitgebreid.
Als kansen worden de volgende punten genoemd:
De voorgenomen ontwikkeling biedt ruimte aan de genoemde kansen.
Om de manier waarop de kansen worden benut in beeld te brengen is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarmee tegemoet gekomen kan worden aan de eis te voorzien in een goede landschappelijk inpassing. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 1.2.3).
Met het opstellen van het landschappelijk inrichtingsplan en de uitvoer daarvan wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en wordt ruimte geboden aan de in het LOP gestelde kansen. Tevens zijn de uitgangspunten uit de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving hierin meegenomen. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Kwaliteitsimpuls
Groene Omgeving" (paragraaf 3.2.4). Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit het LOP van gemeente Steenwijkerland.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 lid 1 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Van de ruimtelijke- en milieuaspecten wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden verderop in deze toelichting (hoofdstuk 6) behandeld. De toets aan het beleid is in het vorige hoofdstuk al aan de orde gekomen.
De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.
De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.
Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden.
Gemeenten zijn bevoegd een eigen (aangepast) geurbeleid te formuleren door middel van het opstellen van een geurverordening. Gemeente Steenwijkerland heeft op 11 maart 2014 een geurverordening vastgesteld. Hierin zijn aangepaste afstanden van veehouderijen ten aanzien van gevoelige objecten opgenomen. De gemeente hanteert voor dieren zonder geuremissiefactor een vaste afstand tot gevoelige objecten binnen de bebouwde kom van 50 meter en tot gevoelige objecten buiten de bebouwde kom van 25 meter.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding met dieren zonder geuremissiefactor. Hierbij dienen de gestelde vaste afstanden aangehouden te worden. Het dichtstbijzijnd geurgevoelig object (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak) is gelegen op ongeveer 170 meter. Hiermee wordt aan de gestelde afstanden voldaan en zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige geurhinder worden veroorzaakt.
Echter is bij het bedrijf van de initiatiefnemer sprake van een intensieve vleeseendenhouderij als neventak. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal gehouden vleeseenden echter afnemen, waarmee de geurbelasting op de omgeving eveneens zal afnemen. Hiermee wordt geen onevenredige toename van de geurbelasting aan de omgeving verwacht.
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met name paragraaf 5.2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per m3 (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
In augustus 2009 heeft InfoMil de “Handreiking bij beoordelen fijn stof bij veehouderijen” gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de veestapel als volgt wijzigen:
De fijn stof emissie zal als volgt toenemen:
50 x 118 gram per dier per jaar (g/dier/jaar) + 46 x 38 g/dier/jaar = 7.648 gram per jaar (g/jaar).
De fijn stof emissie zal als volgt afnemen:
2.750 x 84 g/dier/jaar = 231.000 g/jaar.
In totaal zal de fijn stof emissie dus afnemen met 231.000 - 7.648 = 223.352 g/jaar.
Gezien sprake is van een afname van de fijn stof emissie kan worden gesteld dat sprake is van een NIBM-project.
Naast uitbreiding in dieraantallen moet ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen worden. In onderhavig geval zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.6.2). Hiermee is de uitstoot van de toename in het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee verder onderzoek achterwege kan blijven.
Naast effecten op de omgeving moet ook onderzocht worden of ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Hierbij is het van belang te kijken naar de feitelijke luchtkwaliteit ter plaatse. Dit is echter alleen van belang als gevoelige objecten in het kader van de luchtkwaliteit worden opgericht.
In onderhavig geval is geen sprake van het oprichten van een gevoelig object in het kader van de luchtkwaliteit. Hiermee kan verdere toetsing achterwege blijven.
Hiermee zijn ten aanzien van luchtkwaliteit geen belemmeringen te verwachten.
De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie.
De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Het aantal verkeersbewegingen zal, zoals nader is uitgewerkt in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.6.2) bij de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Tevens is een goede ontsluiting aan de Tussenbroekweg gerealiseerd, waarbij op eigen terrein voldoende gelegenheid is om te keren en parkeren. Hiermee zal de geluidbelasting die wordt veroorzaakt door vrachtverkeer niet verder toenemen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen geluidoverlast veroorzakende inrichtingen opgericht. Hiermee is geen sprake van een toename van het eventueel veroorzaakte industrielawaai van de planlocatie aan de omgeving.
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen geluidgevoelige objecten opgericht. Hiermee kan verdere toetsing achterwege blijven.
Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd.
Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn standaard afstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grenswaarden van het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en nabij gelegen, al dan niet geprojecteerde, (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2 lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Voor ruimtelijke plannen zijn spoorwegen, vaarwegen en autowegen risicorelevant als er binnen een zone van 200 meter vanaf de transportas een ontwikkeling gepland wordt. Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het doorgaand verkeer dient plaats te vinden aan de hand van de circulaire “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (ministeries van VROM, BZK en VenW)” uit 2004 en de wijziging daarop van 1 augustus 2008, waarin grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico zijn opgenomen.
Daarnaast kent de circulaire de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Indien binnen het invloedsgebied (binnen 200 meter vanaf de as van de transportroute) nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het RO-besluit, het groepsrisico te worden verantwoord.
Nabij de planlocatie (binnen een afstand van 200 meter) zijn geen transportroutes waarover mogelijk transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt gelegen.
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden aangehouden moeten worden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is hierbij in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
In het 'Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen' (VROM, 19 maart 2010 geactualiseerd) staan in bijlage 6 inventarisatieafstanden genoemd. Voor de inventarisatie van de bebouwing is een bepaalde afstand waarbinnen een inventarisatie noodzakelijk wordt geacht. De inventarisatieafstand loopt uiteen van 45 meter bij een leidingdiameter van 4 inch en een druk van 40 bar tot 580 meter bij een leidingdiameter van 42 inch en een druk van 80 bar. Deze afstanden gelden aan weerszijden van de betreffende leiding.
Nabij de planlocatie zijn geen buisleidingen voor transport gelegen.
In onderhavige situatie is sprake van uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Een agrarisch bedrijf veroorzaakt zelf vaak geen risico's voor de woon- en leefomgeving in het kader van externe veiligheid en is daarom vaak geen Bevi inrichting, mits geen risicovolle elementen worden opgericht als propaantanks, koelinstallaties of vergistingsinstallaties. In onderhavige situatie is geen sprake van het oprichten van dergelijke risicovolle installaties, waarmee het bedrijf geen Bevi inrichting is en geen risico's aan de directe omgeving zal veroorzaken.
Naast het feit dat een inrichting geen onevenredige risico's voor de woon- en leefomgeving mag veroorzaken, mag een gevoelige inrichting (waar veelvuldig mensen aanwezig zijn) ook geen hinder ondervinden van mogelijk in de omgeving aanwezige inrichtingen. Volgens de Risicokaart, zoals weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie niet binnen een invloedsgebied gelegen van een mogelijke risicobron.
Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal overleg (IPO).
Gezien de planlocatie niet binnen een invloedsgebied van een risicobron is gelegen, zijn ten aanzien van het plaatsgebonden risico geen belemmeringen te verwachten.
Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de personendichtheid zal toenemen. Eigen personeel en bezoekers dienen hierbij buiten beschouwing te worden gelaten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de personendichtheid niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal het groepsrisico eveneens niet in onevenredige mate toenemen. Hierdoor zijn ten aanzien van het groepsrisico geen belemmeringen te verwachten.
Er is sprake van een overstromingsrisico zodra een onbeheersbare hoeveelheid water de polder instroomt. Dat kan in deze regio zijn vanuit een van de grote rivieren en/of een (voormalige) zeearm. Bijvoorbeeld als er een gat in een waterkering ontstaat of als er over een grote lengte zoveel water over de dijken loopt dat zandzakken en/of andere noodmaatregelen de instroom niet stoppen. Een fors lekkende of overlopende sluisdeur, zonder dat een onbeheersbare situatie ontstaat, is dus geen overstroming. Water op het land door hevige regenval is geen overstroming, maar wateroverlast. Er is sprake van inundatie als land bewust onder water wordt gezet.
De planlocatie is, volgens de risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO), in een overstromingsgebied gelegen. Het betreft hier volgens de risicokaart een gebied met een mogelijke overstromingsdiepte van 2-5 meter. Hierover is het volgende omschreven:
"2 m - 5 m:
De tweede verdieping van uw huis is veilig. Breng uzelf en uw gezin in veiligheid en neem uw
noodvoorraad en een radio op batterijen mee. Luister naar de Rampenzender (lokale
radiozender) en volg instructies van de hulpverleners op."
In het provinciale beleid is dit overstromingsgebied nader uitgewerkt. Het betreft een gebied gelegen binnen de Dijkring 9: Vollenhoven. Dit gebied betreft een minder snel en ondiep onderlopend gebied. Hierover is in de Omgevingsverordening het volgende omschreven:
" artikel 2.14.3 Gebieden met risico op overstroming (minder snel en ondiep onderlopende gebieden)
In de toelichting op de Omgevingsverordening is opgenomen dat bebouwing ten behoeve van agrarische functies niet is aan te merken als een grootschalige functie en daarmee is vrijgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat bij uitbreiding van een agrarisch bedrijf niet aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening hoeft te worden voldaan.
Bij de bouw van de nieuwe stal zullen de nodige veiligheidsmaatregelen getroffen worden. Hierbij wordt gedacht aan het het verhogen van de aanleghoogte van de bebouwing en het onderheien van de bebouwing.
De tweede verdieping van gebouwen zijn veilig. Hiermee is er voor aanwezigen in het gebied altijd een veilig onderkomen te vinden op de tweede verdieping en/of de daken van de bebouwing.
In melkveestallen wordt de laatste jaren steeds meer verlichting toegepast. Tezamen met hogere goot- en nokhoogtes en de toepassing van open zijgevels kan dit leiden tot meer lichtuitstoot naar de omgeving. Omwonenden kunnen hier hinder van ondervinden. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat een lichtbron effecten kan hebben op de flora en fauna in de omgeving. Om overlast te voorkomen dient daarom lichthinder zoveel mogelijk te worden tegengegaan.
Vanuit provinciaal beleid is het daarnaast van belang de uitstraling van kunstlicht zoveel mogelijk te beperken ten behoeve van de instandhouding van de donkerte in het gebied.
In de ligboxstal is verlichting aanwezig. Deze verlichting is doorgaans alleen in gebruik tussen 6:00 en 23:00 uur.
De zijgevels van de nieuwe ligboxstal zijn zo min mogelijk gesloten. Door toepassing van erfbeplanting blijft de hinder ten gevolge van licht op de omgeving echter beperkt. De lichtsterkte is maximaal 150 lux in de nieuwe stallen. De lampen worden zodanig gemonteerd, zodat er sprake is van verticale lichtuitstroming in plaats van lichtuitstroming naar buiten. Hiermee wordt lichthinder zoveel mogelijk beperkt.
Hiermee zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige lichthinder aan de omgeving en zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de donkerte in het gebied.
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.
Dit plan voorziet in uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Hierbij zal de veestapel toenemen met 50 melkkoeien en 46 stuks jongvee tot een totale omvang van 150 melkkoeien en 68 stuks jongvee. Daarnaast wordt op het bedrijf een intensieve vleeseendenhouderij als neventak geëxploiteerd. De omvang van deze intensieve neventak zal echter afnemen van 9.000 vleeseenden naar 6.250 vleeseenden.
De beoordelingsplicht geldt vanaf een toename van 200 melkkoeien en 140 stuks jongvee of 340 stuks in een combinatie van melkkoeien en jongvee. Daarnaast geldt voor pluimvee een maximale toename van 40.000 stuks.
Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.
1. Kenmerken van het project:
Het betreft een project van geringe omvang. Het aantal te houden dieren zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Ook in de totale bedrijfsomvang worden de drempelwaarden niet overschreden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.
Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.
2. Plaats van het project:
Het project is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf.
3. Kenmerken van het potentiële effect:
De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal.
Een uitzondering hierop vormt de toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden tot gevolg hebben. Dit is verder aangetoond in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1).
In de uitgevoerde haalbaarheidsonderzoeken en de toetsing van haalbaarheidsaspecten in deze toelichting komen ook geen effecten op te beschermen waarden in of in de omgeving van het plangebied naar voren. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de (mogelijke) natuurwaarden. Daartoe wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. Sinds 1 oktober 2005 zijn hierin ook de bepalingen vanuit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn, aangevuld met de vroegere Beschermde- en Staatsnatuurmonumenten en het Verdrag van Ramsar verwerkt. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
Naast deze drie soorten gebieden is er de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur ((P)EHS) die in het kader van de gebiedsbescherming van belang is. De (P)EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
Daarnaast is het bij uitbreiding van agrarische bedrijven van belang te kijken naar de invloed op mogelijke (zeer) kwetsbare gebieden in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij, de zogenaamde Wav-gebieden. Dit zijn voor verzuring gevoelige gebieden waarbij toename van de uitstoot van ammoniak op deze gebieden kan leiden tot een onevenredige aantasting ervan.
Natura 2000 gebieden:
De Natura 2000 gebieden bestaan uit de Vogelrichtlijngebieden en de Habitatrichtlijngebieden.
Vogelrichtlijngebieden:
De Vogelrichtlijn heeft tot doel alle in het wild levende vogelsoorten in stand te houden. Het gaat niet alleen om de vogels zelf, maar ook om hun eieren, nesten en leefgebieden die voorkomen op het Europese grondgebied van de lidstaten. Na de publicatie van deze richtlijn in 1979 kregen de lidstaten twee jaar de tijd om de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te laten treden om aan de bepalingen en dus de doelstelling van deze richtlijn te voldoen.
Bij dit laatste gaat het globaal om twee zaken: enerzijds het implementeren van de richtlijnen binnen de Nederlandse regelgeving en anderzijds de aanwijzing van speciale beschermingszones. In 2000 heeft Nederland een aanvullende lijst van gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszone bij de Europese commissie ingeleverd.
Habitatrichtlijngebieden:
De Habitatrichtlijn richt zich op de biologische diversiteit door instandhouding van natuurlijke habitat en wilde flora en fauna na te streven. Centraal staat daarbij het behoud en herstel van deze natuurlijke habitat en wilde dier- en plantensoorten van communautair belang. Hiervoor wordt een Europees ecologisch netwerk gevormd door middel van de aanwijzing van speciale beschermingszones. Daarnaast regelt de Habitatrichtlijn ook soortenbescherming. Deze aanwijzingsprocedure, die verschilt van die in de Vogelrichtlijn, is nog niet afgerond en de aangemelde gebieden hebben nog geen definitieve status. Doch moeten sinds 1 februari 2009 ook worden opgenomen in vergunningverlening op grond van de Natuurbeschermingswet.
Beschermde Natuurmonumenten:
Beschermde Natuurmonumenten zijn gebieden die in belangrijke mate bijdragen aan de internationale doelstellingen voor het behoud van de biodiversiteit. Met de intrede van de Natura 2000 gebieden zijn de gebieden welke overlappen met een aanwijzing als Natura 2000 gebied komen te vervallen. Er zijn echter gebieden zonder aanwijzing als Natura 2000 gebied, welke bescherming behoeven. Een planologische bescherming (door het bestemmen als bos- en/of natuurgebied) is niet voldoende, omdat deze geen bescherming biedt tegen wijzigingen in de omgeving als stikstofdepositie, ammoniakdepositie of wijzigingen in de waterhuishouding. Bescherming van Beschermde Natuurmonumenten vindt daarom plaats middels de Natuurbeschermingswet.
Wetlands:
Op 2 februari 1971 is de Ramsar-conventie ondertekend. In Nederland is dit "Verdrag van Ramsar" op 23 september 1980 in werking getreden. Het Verdrag van Ramsar is gericht op het behoud van watergebieden van internationale betekenis, met name als verblijfplaats voor watervogels. Het toepassingsgebied van het Verdrag van Ramsar is het grondgebied van de partijen, hetgeen de territoriale zee omvat. Een belangrijke verplichting van de partijen bij het Verdrag van Ramsar is het aanwijzen van watergebieden die in aanmerking komen voor opname in een lijst van watergebieden met internationale betekenis.
Wetlands hebben verschillende functies, namelijk:
In Nederland zijn de Wetlands aangewezen als Natura 2000 gebieden, waarmee zij beschermd worden middels de Natuurbeschermingswet.
Zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie niet in een Natura 2000 gebied, Beschermd Natuurmonument of Wetland gelegen. Het dichtstbijzijnde beschermd gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 390 meter van de planlocatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Echter is bij zowel provincie Overijssel als provincie Friesland een Natuurbeschermingswetvergunning voor de betreffende gebieden aangevraagd. In de provincie Overijssel is deze reeds verleend. Hiervan kan alleen sprake zijn als met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie en/of onevenredig nadelige gevolgen op de betreffende gebieden. De door provincie Overijssel verleende Natuurbeschermingswetvergunning is als bijlage 3 bij dit plan opgenomen. De provincie Friesland heeft aangegeven dat voor de voorgenomen ontwikkeling geen Natuurbeschermingswetvergunning noodzakelijk is. Gezien het feit dat de noodzakelijke vergunningen zijn verleend of is aangegeven dat deze niet nodig zijn kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen van de betreffende gebieden onevenredig zal worden geschaad.
Natura 2000 gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands.
Bron: Google; Alterra Wageningen UR; Ministerie van EL&I.
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van grote en kleine natuurgebieden waarin de natuur (plant en dier) voorrang heeft en wordt beschermd. Daarmee wordt voorkomen dat natuurgebieden geïsoleerd komen te liggen en planten en dieren uitsterven, waardoor natuurgebieden hun waarde zouden verliezen. De EHS wordt gezien als de ruggengraat van de natuur.
De EHS bestaat uit:
Een Ecologische Verbindingszone (EVZ) is een verbinding tussen natuurgebieden (met nieuwe of herstelde natuur). Ecologische Verbindingszones worden aangelegd om migratie van dieren en planten tussen verschillende natuurgebieden mogelijk te maken.
De ligging van een projectlocatie binnen de EHS (met bijbehorende beheersgebieden) of een EVZ betekent een beperking in de ontwikkelingsmogelijkheden. Het uitgebreide netwerk van natuurgebieden mag niet in onevenredige mate worden verstoord. In enkele gevallen wordt uitbreiding of ontwikkeling in of nabij een natuurgebied toegestaan, mits de geschade natuur op passende wijze wordt gecompenseerd.
De planlocatie is niet in of nabij de EHS of een EVZ gelegen.
Gezien de planlocatie niet in de EHS of in een EVZ is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het project de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de nieuwe ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen. Deze nieuwe regelgeving kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.
De planlocatie is niet in een Wav-gebied of een zone van 250 meter daaromheen gelegen. Hiermee zullen geen Wav-gebieden onevenredig worden aangetast met de voorgenomen ontwikkeling.
Sinds 1 april 2002 regelt de Flora- en faunawet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Voor de soortenbescherming geldt dat deze voor elk plangebied geldt. In elk gebied kunnen bijzondere soorten voorkomen en/of elk plangebied kan geschikt zijn voor deze soorten. Voor alle aanwezige flora en fauna geldt de zorgplicht ex artikel 2 van de Flora- en faunawet, die van toepassing is op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten. Op grond hiervan dient men zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te handelen op een wijze waarop nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het tijdig maaien van taluds of het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden buiten het broedseizoen. Bij realisatie van dit project zal deze zorgplicht in acht worden genomen.
In het kader van de soortenbescherming dient beoordeeld te worden wat via het ruimtelijke project wordt toegelaten in aanvulling op wat al mogelijk is. Zo is sloop van bebouwing of het verrichten van werken (maaien, kappen etc.) vaak ook al mogelijk zonder een ruimtelijk besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee wordt voorliggend plan echter niet ontslagen van een integrale blik op het totale project: dus inclusief ingrepen die ook zonder het beoogde Wro-besluit mogelijk zijn.
De Flora- en faunawet maakt onderscheid in verschillende categorieën waarin de beschermde soorten flora en fauna zijn onderverdeeld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de volgende categorieën:
Voor mogelijk voorkomende soorten die op lijst 1 van de Flora- en faunawet staan geldt een vrijstelling. Bij het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen is het voor deze soorten niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.
Voor mogelijk voorkomende soorten die op lijst 2 en/of 3 van de flora- en faunawet staan geldt dat deze ontheffingsplichtig zijn. Het is echter niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen wanneer mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen. Dit houdt in dat maatregelen moeten worden getroffen om mogelijke schade te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.
Voor mogelijk voorkomende soorten die op de rode lijst van het Ministerie van EL&I staan geldt dat deze soorten, zolang zij niet in een van de andere bijlagen uit de Flora- en faunawet (inclusief vogel- en habitatrichtlijn), geen juridische bescherming genieten en dat geen ontheffing nodig is.
Daarnaast zijn voor vogels richtlijnen opgenomen vanuit de Vogelrichtlijn. Alle vogels zijn namelijk beschermd in het kader van de vogelrichtlijn. Werkzaamheden in en in de omgeving van het plangebied tijdens de broedtijd (15 maart -15 juli) zullen sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van reproductie. Werkzaamheden in deze periode zijn dan ook niet toegestaan. Indien broedvogels binnen het broedseizoen worden verstoord, wordt wettelijk gezien geen ontheffing verleend. Buiten het broedseizoen kan wel ontheffing worden verleend.
Tevens zijn voor enkele soorten richtlijnen opgenomen vanuit de Habitatrichtlijn. Voor deze soorten zijn beschermde gebieden aangewezen (Natura 2000). Bescherming van deze soorten vindt plaats door de gebiedsbescherming.
De grond op de planlocatie bestaat voornamelijk uit grasland en landbouwgrond behorende bij een agrarisch erf en is regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het plangebied geen beschermde soorten planten bevinden. Hiermee kan worden aangenomen dat met de voorgenomen ontwikkeling geen bedreigde soorten planten worden aangetast.
Binnen het plangebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het plangebied geen beschermde diersoorten zullen bevinden. Hierdoor kan worden aangenomen dat met de voorgenomen ontwikkeling geen beschermde diersoorten worden aangetast.
Binnen het plangebied zijn geen broedplaatsen van vogels aanwezig. Om te voorkomen dat mogelijk toekomstige broedplaatsen worden aangetast dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. De werkzaamheden zullen dan ook buiten het broedseizoen plaatsvinden, waarmee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen vogels en broedplaatsen worden aangetast.
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van het plan inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat.
Hierbij dient eerst inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De gronden waarop de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt is in gebruik als grasland en landbouwgrond. Uit ervaring blijkt dat deze gronden nagenoeg altijd schoon zijn, mits geen boomgaarden aanwezig zijn geweest en geen sloten zijn gedempt. In onderhavig geval is geen sprake van gedempte sloten en/of aanwezige boomgaarden, ook niet in het verleden. Tevens zijn op de locatie, zowel in de huidige situatie als in het verleden, geen bodemverontreinigende activiteiten bekend. Hiermee kan worden aangenomen dat de locatie waarschijnlijk schoon is, waarmee geen sprake is van een verwachtte verontreiniging.
Om aan te tonen of sprake is van een feitelijke verontreiniging dient bij ontwikkelingen een bodemonderzoek uitgevoerd te worden conform de wettelijke norm NEN 5740. Een dergelijk onderzoek moet aantonen of de bodemkwaliteit ter plaatse van de ontwikkeling gevolgen heeft op de gewenste activiteiten ter plaatse.
Dit is echter vooral van belang bij bestemmings- en/of functiewijzigingen die inrichtingen mogelijk maken waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zullen zijn. In dergelijke gevallen dient middels een bodemonderzoek te worden aangetoond of de bodem ter plaatse dusdanig verontreinigd is dat dit risico's voor de gezondheid met zich meebrengt en daarmee dus de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in de weg staat.
In onderhavig geval is geen sprake van een bestemmings- en/of functiewijziging die een inrichting mogelijk maakt waarin gedurende een groot deel van de dag mensen aanwezig zullen zijn. Hiermee zijn geen risico's te verwachten voor de gezondheid en staat de bodemgesteldheid de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
De planlocatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Steenwijkerland. Het landelijk gebied, of eigenlijk het gehele grondgebied van gemeente Steenwijkerland, heeft een rijke ontstaansgeschiedenis.
Het basispatroon van het landschap van Steenwijkerland wordt gevormd door de natuurlijke overgang van het hoger gelegen "Drents Plateau" naar het laaggelegen kustlandschap in het zuidwesten. Het zandlandschap gaat hierbij via een smalle strook met veen op zand en een veenlandschap, over in een gebied van klei op veen dat kenmerkend is voor een kustzone. In Steenwijkerland zijn drie landschappen te onderscheiden op basis van het bodemmateriaal; zandgebieden, veengebieden en kleigebieden.
De hoofdlijnen van het landschap vinden hun oorsprong in het Pleistoceen, een periode gekenmerkt door afwisselend koude en warme perioden. Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien, drongen dikke pakketten landijs uit noordelijke richting het gebied binnen. Door de enorme druk zijn stuwwallen ontstaan.
Bij het warmer worden van het klimaat trokken de ijslobben zich terug en lieten op het zand een laag keileem achter. Grote delen van de stuwwal bestaan uit zanden die in een eerder stadium van het Saalien zijn afgezet, maar later door het ijs zijn overreden. Hierop werd een dik pakket keileem afgezet, dat op sommige plekken wel twintig meter dik is.
IJssmeltwater brak aan de zuidwestzijde door de frontale boog van de stuwwal en vormde hier een relatief smalle en diepe insnijding, het dal van de Steenwijker Aa tussen de hoogten bij Tuk en de Steenwijkerkamp. Het smeltwater mondde uit in het oerstroomdal van de Vecht en stroomde vervolgens langs het ijsfront naar het westen. Het bekken raakte grotendeels opgevuld met smeltwaterafzettingen.
Tijdens het Weichselien slibde het glaciale bekken verder dicht met hellingmateriaal en dekzand, ook werden delen van de hoogten bedekt met dekzand. Een bijzonder detail uit deze periode is de versnijding van de Steenwijker Kamp aan de westzijde. Hier ontwikkelde zich een droog dal door de aanwezigheid van keileem, waardoor het dooiwater niet kon wegzakken in de ondergrond en het langs de helling afstroomde.
Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, heerste een toendraklimaat (droog, koud) waarin lagen dekzand werden afgezet. Op de stuwwal van Steenwijk komen doodijsgaten (dobben) voor. Deze laagten hebben hun ontstaan te danken aan het bedolven raken van een brok ijs. Bij het smelten van zo’n brok zakte de bovengrond in en ontstond een laagte. Tijdens het Holoceen steeg de temperatuur, waardoor het ijs smolt en het grondwaterpeil steeg. In afvoerloze laagten en in de beekdalen vormde zich een moerasvegetatie welke door gebrek aan zuurstof niet volledig verrotte wat leidde tot de ontwikkeling van grote laagveengebieden.
Zodra het laagveen boven de zeespiegel uitrees raakte het overwoekerd met veenmosvegetaties, die hun voedsel uit regenwater haalde. Zo ontstonden grote aaneengesloten hoogveengebieden. Dwars door dit veengebied stroomden afwateringsriviertjes zoals de Linde, de Tjonger en de Steenwijker Aa.
Langs de voormalige Zuiderzeekust, met name bij Baarlo, Blokzijl en langs de Duinweg, alsmede nabij Belt-Schutsloot en Wanneperveen komen zandopduikingen aan het oppervlak voor, die door opstuiving van oude oeverwallen zijn ontstaan. Tussen de 3e en 7e eeuw werden delen van het veengebied overstroomd door de voormalige Zuiderzee en werd de veenlaag bedekt door een laag (zee)klei en zand.
De planlocatie is gelegen op een dekzandvlakte of -rug, wat is ontstaan tijdens de laatste ijstijd door opwaaiend zand dat uiteindelijk een reliëfrijk landschap opleverde. Hierbij is het van belang het reliëf behouden blijft en dat het watersysteem niet wordt geschaad. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van aantasting van het reliëf of van het watersysteem.
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
De gemeente Steenwijkerland heeft een eigen archeologiebeleid vastgesteld, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem in beeld is gebracht op een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de waarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Zoals te zien op de archeologische verwachtingskaart, welke is weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie deels gelegen in een gebied met een hoge verwachtingswaarde en deels in gelegen in een gebied met een lage verwachtingswaarde.
Archeologische verwachtingswaarde.
Bron: Gemeente Steenwijkerland.
De nieuwe bebouwing zal worden opgericht in het deel dat is gelegen in het gebied met een lage verwachtingswaarde. Hierover stelt de gemeente dat geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Gesteld kan dus worden dat met de voorgenomen ontwikkeling geen archeologische resten zullen worden geschaad.
Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. Om de cultuurhistorisch waardevolle elementen in beeld te brengen is de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld.
Volgens de CHW, zoals weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie niet in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
CHW.
Bron: Provincie Overijssel.
De planlocatie is op voldoende afstand van cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Hierdoor zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden worden aangetast.
Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie in een gebied gelegen dat op de aardkundige waardenkaart van provincie Overijssel is aangemerkt als 'kustzone - getijdenvlaktes'.
Aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Provincie Overijssel.
Een getijdenvlakte is een zone langs de kust (in dit geval nabij de kust van de voormalige Zuiderzee) waar van oudsher een samenspel heerst tussen getijden, zeespiegelstijgingen en kustmorfologie. Het is binnen deze gebieden van belang dat ontwikkelingen geen nadelige invloed hebben op het watersysteem en het reliëf van het landschap. De voorgenomen ontwikkeling zal op zowel het reliëf als het watersysteem geen nadelige gevolgen hebben. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen aardkundig waardevolle gebieden zullen worden geschaad.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening.
In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) zullen ook de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterkwaliteit en verdroging bezien worden.
De locatie valt binnen waterschap Reest en Wieden.
Het Waterschap Reest en Wieden werkt met de digitale watertoets. Om aan te tonen of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk gevolgen heeft op de waterhuishouding ter plaatse is deze digitale watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de normale procedure gevolgd dient te worden en dat waterberging noodzakelijk is. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:
Veiligheid:
Ten aanzien van waterkeringen hanteert het waterschap een kernzone en beschermingszones. Nabij de planlocatie is een primaire waterkering gelegen. Voor ontwikkelingen binnen de kern- en/of beschermingszones is een vergunning in het kader van de Keur noodzakelijk. De uitbreiding van het bedrijf vindt echter op ongeveer 415 meter van deze waterkering plaats. Dit is hier ver genoeg van af gelegen en zal daarmee geen aantasting van de waterkering tot gevolg hebben. Tevens is sprake van een bestaand bedrijf, waarbij ten aanzien van de waterkering geen veranderingen plaats zullen vinden. Een vergunning in het kader van de Keur wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
(Grond)Wateroverlast:
Ter voorkoming van (grond)wateroverlast hanteert het waterschap de trits vasthouden - bergen - afvoeren. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een middelgroot plan. Voor middelgrote plannen hanteert het waterschap de vuistregel dat 10% van de toename van het verharde oppervlak gecompenseerd dient te worden. Daarnaast rekent het waterschap met een maximale peilstijging van 30 cm.
Het hemelwater afkomstig van de bestaande bebouwing wordt reeds afgekoppeld op bestaande voorzieningen. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Referentiesituatie" (paragraaf 4.4.3).
Het hemelwater afkomstig van de nieuwe bebouwing zal worden afgekoppeld op een nieuw aan te leggen voorziening (middels waterberging). Er zal voldoende capaciteit aan waterberging worden aangelegd om hydrologisch neuraal te ontwikkelen. Dit is nader uitgewerkt in de paragrafen "Hydrologisch neutraal ontwikkelen" (paragraaf 4.4.5) en "Waterberging" (paragraaf 4.4.7).
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen sprake zijn van (grond)wateroverlast.
Waterkwaliteit, ecologie en riolering:
In wateren wordt gestreefd naar helder water en een rijke vegetatiestructuur. Hierbij is het van belang te voorkomen dat er een overmatige toevoer van stikstof en fosfaten naar het ecosysteem plaatsvindt.
Daarnaast dient de belasting op de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) te worden verminderd en dient het overstorten van vuil water te worden beperkt.
Het hemelwater wordt geloosd via het hemelwaterriool en is schoon en vrij van bedrijfsafvalwater en voerresten. In het onderhavige plan wordt bedrijfsmatig afvalwater niet geloosd op oppervlaktewater maar opgeslagen in de mestkelder. Ook overige vervuild regenwater van bijvoorbeeld de vaste mestopslag wordt via een gescheiden afvoerstelsel afgevoerd naar de mestopslagkelder onder de stal. Er vindt geen lozing plaats naar het oppervlaktewater. Huishoudelijk afvalwater wordt op het riool afgekoppeld.
Het hemelwater afkomstig van de voeropslagen wordt opgevangen in een bij de voeropslag apart aanwezige voorziening, waarin ook de perssappen worden opgevangen. Het hemelwater afkomstig van de voeropslag wordt tegelijkertijd met de perssappen afgevoerd en verwerkt, waarmee geen sprake is van het lozen van verontreinigd hemelwater op het oppervlaktewater.
Vanuit het bedrijf zal er daarmee geen negatief effect te verwachten zijn op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het bedrijfsafvalwater dat ontstaat bij het schoonmaken van de stallen en overige ruimten wordt in de eerste instantie (eerste spoelwater) geloosd in de kelders onder de stallen. Het tweede spoelwater wordt afgekoppeld op het riool.
Op het bedrijf wordt gebruik gemaakt van water afkomstig uit een waterbron.
Langs de watergangen zal een bemestings- en spuitvrije zone worden aangehouden. Tevens zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen zoals lood, koper en zink. Er worden ter plaatse geen bestrijdingsmiddelen gebruikt.
Hiermee is sprake van een schone inrichting waarmee vervuiling van water (zowel oppervlakte- als grondwater) wordt voorkomen. Hiermee zal de toevoer van schadelijke stoffen naar het ecosysteem worden voorkomen. Tevens zal geen sprake zijn van een toename van de belasting op de RWZI.
Watervoorziening en bodemdaling:
Voor het water dient een goede kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment te worden gewaarborgd. Nadelige effecten van veranderingen in het ruimtegebruik op de behoefte van water dienen te worden voorkomen.
Daarnaast dient bodemdaling zoveel mogelijk te worden voorkomen. Ontwikkelingen mogen maatregelen ter beperking van bodemdaling niet in de weg staan.
Hierbij mag geen sprake zijn van een onnodig diepe drooglegging of ontwatering en mag geen sprake zijn van structurele verlaging van de waterstanden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vindt geen drooglegging plaats en zal geen sprake zijn van aantasting of verlaging van de waterstanden.
Tevens zal de voorgenomen ontwikkeling de maatregelen ter beperking van bodemdaling niet in de weg staan. Onder de bouwvoor zit een laag vast zand, waarmee de kans op bodemdaling zeer gering is.
Verdroging en beheer:
Voorkomen dient te worden dat natte natuurgebieden worden aangetast door verdroging. Hierbij dienen de grondwaterafhankelijke ecologische waarden te worden beschermd.
Daarnaast dient sprake te zijn van een functiegericht beheer tegen zo laag mogelijke kosten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zullen de grondwaterstanden niet worden aangetast.
Daarnaast zal sprake zijn van beheer en onderhoud van de watergangen in het plangebied. De watergangen in beheer van het waterschap worden door het waterschap onderhouden. De overige watergangen worden door de initiatiefnemer beheerd door tijdig maaien en het obstakelvrij houden van de taluds.
Aan de uitgangspunten uit de richtlijnen van het waterschap aan de hand van de doorlopen digitale watertoets wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige wateroverlast. De richtlijnen van het waterschap zijn als bijlage 4 bij dit plan opgenomen.
Het plangebied bevindt zich aan de Tussenbroekweg 1a te Ossenzijl en heeft de bestemming 'Agrarisch' en 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Ter plaatse is een melkveehouderij met als neventak een intensieve vleeseendenhouderij aanwezig.
De gronden van de planlocatie bestaan voornamelijk uit (agrarisch) grasland en landbouwgrond. Ter plaatse is een kavelsloot gelegen.
De voorgenomen ontwikkeling realiseert een nieuwe ligboxenstal en een nieuwe sleufsilo voor voeropslag aan de Tussenbroekweg 1a te Ossenzijl. Hierbij zal 2.410 m2 aan nieuw verhard oppervlak, zijnde dakoppervlak worden opgericht. Tevens zal nog eens 1.390 m2 aan erfverharding worden aangelegd.
De totale toename van het verharde oppervlak ter plaatse bedraagt dus 3.800 m2.
Om de nieuwbouw mogelijk te maken dient het bouwvlak bij de voorgenomen ontwikkeling te worden vergroot. Hierbij zal een bestemmingswijziging plaatsvinden.
De aanwezige kavelsloot zal met de voorgenomen ontwikkeling behouden blijven. Er zal aan de andere zijde van de sloot worden ontwikkeld. Hiermee is geen sprake van verlies aan oppervlaktewater.
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie).
De benodigde ruimte voor compenserende waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging.
Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergen-afvoeren uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW).
In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorden:
In de nieuwe situatie zal worden voldaan aan de volgende eisen:
Uit de grondwaterkaarten van Alterra Wageningen UR kan worden geconcludeerd dat op basis van de redelijk ondiepe grondwaterstand in het plangebied, zoals weergegeven in de volgende figuur, en de doorlatendheid van de bodem, infiltratie van hemelwater geen goede mogelijkheden biedt. Voorwaarde voor infiltratie is dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) niet hoger komt dan 50 centimeter onder maaiveld (cm-mv). De daadwerkelijke GHG ter plaatse bedraagt 40-80 cm-mv. Hierdoor is directe infiltratie in de bodem niet goed mogelijk.
Grondwaterstanden.
Bron: Alterra Wageningen UR.
De benodigde ruimte voor compenserende waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak, de maximaal toelaatbare peilstijging en het infiltratievermogen van de bodem.
Hierbij worden de normen van het waterschap gehanteerd, waarbij wordt gesteld dat 10% van de toename van het verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd. Dit betekent dat bij een toename van het verhard oppervlak van 3.800 m2 betekent dit een minimale compensatie van 380 m2.
De bestaande kavelsloot zal met de voorgenomen ontwikkeling behouden blijven. Er zal aan de andere zijde van de sloot worden gebouwd. Hiermee is geen sprake van verlies aan oppervlaktewater.
Om te voldoen aan de noodzakelijke compensatie zal waterberging worden toegepast, waarbij het hemelwater afkomstig van het toenemende verharde oppervlak zal worden opgevangen en geleidelijk in de bodem zal infiltreren.
Hierbij geldt een maximale peilstijging van 30 cm, wat betekent dat de bergingsvoorziening een minimale bergingscapaciteit moet hebben van 380 x 0,3 = 114 m3. De nadere uitvoering en detaillering van de te realiseren waterberging is nader uitgewerkt in de paragraaf "Waterberging" (paragraaf 4.4.7).
Bij berekening van de benodigde bergingscapaciteit is het infiltratievermogen van de bodem niet meegenomen. Het meenemen van het infiltratievermogen van de bodem in de berekening resulteert vaak in een lagere benodigde bergingscapaciteit.
Mocht het voor de initiatiefnemer wenselijk zijn te kunnen volstaan met minder bergingscapaciteit dan aangegeven dan zal in een later stadium alsnog een infiltratieonderzoek worden uitgevoerd. Aan de hand van de uitkomsten van dat onderzoek zal dan met het waterschap in overleg worden getreden om de mogelijkheden voor het komen tot een mogelijk lagere benodigde bergingscapaciteit te bepalen.
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:
De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd.
Het bedrijfsafvalwater (afvalwater, reinigingswater stallen en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard) wordt opgevangen in de binnen de inrichting aanwezige mestkelders onder de stallen. De mestkelders beschikken over voldoende capaciteit hiervoor. In de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd. Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt.
Het hemelwater afkomstig van de voeropslagen op het bedrijf wordt opgevangen in een aparte voorziening, waarin ook de perssappen worden opgevangen. Hiermee wordt menging van hemelwater dat afstroomt op oppervlakte en/of grondwater met perssappen voorkomen. Het hemelwater afkomstig van de voeropslag wordt tegelijkertijd met de perssappen afgevoerd en verwerkt.
Zoals aangetoond in de paragraaf "Waterbeleid" (paragraaf 4.4.2) is de locatie niet in een gebied gelegen waar problematiek speelt rondom water. Hiermee worden geen belemmeringen verwacht voor realisatie van waterberging. Om hydrologisch neutraal te bouwen en versnelde afvoer te voorkomen, wordt waterberging toegepast.
Zoals blijkt uit de gegevens uit de paragraaf "Hydrologisch neutraal ontwikkelen" (paragraaf 4.4.5) is voor de berging van het water een capaciteit nodig van 380 m2, waarbij een maximale peilstijging van 30 cm geldt. Dit resulteert in een minimaal noodzakelijke capaciteit van 114 m3.
Om de gestelde capaciteit te kunnen bergen zal door de initiatiefnemer om het nieuw gewenste bouwvlak heen een kavelsloot worden gegraven. Deze nieuwe sloot zal voldoende groot worden gegraven om de gestelde capaciteit te kunnen bergen.
De ligging van de te graven sloot is weergegeven in het voor dit plan opgestelde landschappelijke inrichtingsplan, zoals is opgenomen als bijlage 2 bij dit plan.
Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een ontheffing op de Keur van het Waterschap en/of een Watervergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Mocht een dergelijke vergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen:
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe ligboxenstal bij een bestaande agrarische melkveehouderij opgericht. In de VNG handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' zijn ten aanzien van een melkveehouderij richtafstanden opgenomen ten aanzien van geluid, geur, fijn stof en gevaar. Als binnen deze afstanden gevoelige objecten gelegen zijn veroorzaakt het bedrijf hinder aan deze gevoelige objecten en zullen maatregelen getroffen moeten worden deze hinder te beperken.
De grootste richtafstand uit de VNG handreiking bedraagt 100 meter (voor geur). Het dichtstbijzijnd gevoelig object bevindt zich op ongeveer 170 meter van de planlocatie (gemeten van grens gewenst bouwvlak tot bouwvlak woning). Hiermee wordt aan de gestelde afstand voldaan.
Echter is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een intensieve vleeseendenhouderij als neventak bij het melkveehouderijbedrijf. Ten aanzien van een vleeseendenhouderij zijn eveneens richtafstanden opgenomen. De grootste richtafstand uit de VNG handreiking bedraagt 200 meter (voor geur). Aan deze afstand wordt, gezien de ligging van een gevoelig object op ongeveer 170 meter van de planlocatie (gemeten van grens gewenst bouwvlak tot bouwvlak woning), niet worden voldaan. Echter is bij de aanvraag sprake van een vermindering van het aantal gehouden vleeseenden, waarmee de geurbelasting aan de omgeving wordt teruggebracht. Hiermee is geen onevenredige toename van de geurbelasting te verwachten. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige hinder aan de omgeving.
Als bij een inrichting nieuwe gevoelige objecten worden opgericht in het kader van geur, geluid, luchtkwaliteit of externe veiligheid, dan mag dit gevoelig object geen hinder ondervinden van eventueel omliggende hinder veroorzakende inrichtingen.Tevens mag de ontwikkeling van een nieuw gevoelig object geen belemmering zijn van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen gevoelige objecten opgericht in het kader van geluid, geur, luchtkwaliteit en/of externe veiligheid. Hiermee zal op de planlocatie geen hinder ondervonden worden van eventueel omliggende bedrijven en/of inrichtingen en zullen geen bedrijven en/of bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt.
Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Tussenbroekweg. De planlocatie is voorzien van meerdere inritten welke aansluiten op de Tussenbroekweg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.
Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.
Bij melkveehouderijen tot 200 melkkoeien behoren een aantal verkeersbewegingen. Deze zijn onder te verdelen in vaste verkeersbewegingen per week en incidentele verkeersbewegingen (in bepaalde perioden). De onderverdeling is als volgt te maken:
Vaste verkeersbewegingen:
Totaal: 16 verkeersbewegingen per week, waarvan 10 met vrachtverkeer.
Daarnaast is sprake van een agrarische bedrijfswoning met verkeersbewegingen voor privédoeleinden.
Incidentele verkeersbewegingen:
Tijdens de werkzaamheden bij de maïsoogst en ruwvoeroogst zal het ruwvoer moeten worden ingekuild. Dit is een incidentele periode welke uitsluitend tijdens de oogst van het ruwvoer zal plaatsvinden. De meeste verkeersbewegingen noodzakelijk voor het inkuilen van het ruwvoer zullen ook van achter de stal vandaan komen waar de gronden gelegen zijn waarop ruwvoer wordt geteeld en niet vanaf de openbare weg. Ook tijdens het uitrijden van de mest zullen incidenteel, tijdens de toegestane periode, meer verkeersbewegingen plaatsvinden. Ook deze verkeersbewegingen zullen grotendeels op het land plaatsvinden en niet op de openbare weg.
Bij uitbreiding van een melkveehouderij in het algemeen zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Er is meer krachtvoer nodig en er zal meer melk worden afgedragen, maar dit kan in dezelfde vrachtwagen plaatsvinden die dan voller wordt geladen. Er is alleen sprake van een extra levering van overige goederen, wat een toename van 2 verkeersbewegingen per week met een bestelbus inhoudt. Het aantal verkeersbewegingen bij de bedrijfswoning voor privédoeleinden zal met uitbreiding van het bedrijf niet toenemen.
Concreet gezegd zal het aantal verkeersbewegingen met de voorgenomen ontwikkeling met maximaal 2 per week toenemen, waarmee geen sprake is van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen.
Een nieuwe ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben op de bestaande infrastructuur. Hierbij is het van belang de bestaande infrastructuur zoveel mogelijk te behouden en, waar mogelijk, te versterken.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken.
Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.
In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van de plannen geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van de plannen zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van de plannen, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een nieuwe stal en nieuwe voeropslag worden gebouwd buiten het aangegeven bouwvlak. De nieuwbouw vindt plaats op gronden welke als 'Agrarisch' zijn bestemd. Op gronden met deze bestemming is het bouwen van bouwwerken, met uitzondering van bestaande bouwwerken, niet mogelijk.
Om de gewenste bouw mogelijk te maken dient het bouwvlak te worden vergroot. In het vigerend bestemmingsplan en in de geldende beheersverordening is geen afwijkings- en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het bouwvlak te vergroten of om te bouwen op als 'Agrarisch' bestemde gronden.
Om deze reden is het noodzakelijk een partiële herziening op het vigerend bestemmingsplan en de beheersverordening op te stellen conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Met deze partiële herziening wordt het bouwvlak vergroot, waarbij de nieuwe bebouwing binnen het bouwvlak komt te liggen en geen sprake meer is van strijdigheid met het vigerend ruimtelijk beleid. De bestemming zal hierbij wijzigen van 'Agrarisch' naar 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van bestemmen. In de eerste 2 paragrafen wordt daarbij een toelichting gegeven op het instrument 'bestemmingsplan' in het algemeen voor die personen die niet dagelijks te maken hebben met bestemmingsplannen.
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:
Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.
Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden).
Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen);
en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor:
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid, de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.
Bijlagen bij de toelichting:
Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Bijlagen bij de regels:
Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.
De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Dit plan kent de volgende bijzonderheden:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het plan. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van plankosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van afdeling '6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Het bouwplan is een bij een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen bouwplan ex artikel 6.12 Wro. Hierin is het onderdeel grondexploitatie opgenomen. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit plan een anterieure gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de bestemmingsplanprocedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Steenwijkerland.
Verder zal ook eventuele planschade in de overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het plan financieel haalbaar wordt geacht.
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" en de beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland" van gemeente Steenwijkerland en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Steenwijkerland vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.
Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een vrijstelling.
Uitvoering van bestemmingsplannen dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met het bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aangestuurd. Een recent bestemmingsplan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handhaving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is zijn eenduidige en eenvoudige bestemmingsplanregels die goed werkbaar zijn. De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk. Een duidelijke uitleg in de toelichting van het bestemmingsplan van de voorkomende bestemmingen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen.
Handhaving zal, indien nodig, plaatsvinden aan de hand van het handhavingsbeleid van de gemeente Steenwijkerland.
In deze paragraaf zullen eventueel ingekomen inspraakreacties worden behandeld.
In deze paragraaf zullen eventueel ingekomen vooroverlegreacties worden behandeld.
In deze paragraaf zullen eventueel ingekomen zienswijzen worden behandeld.