Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22AF Giethoorn – woonschepen Cornelisgracht
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1708.GHNCornelisgrwsOP-VA01

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie 'Cornelisgracht tussen Giethoorn en Dwarsgracht’ en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22AF) van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22AF van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22AF.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22AF.' gelezen worden.
 
1 Algemene bepalingen
 
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid;
  2. De regels in afdeling 22.2 en de regels in afdeling 22.3 van het omgevingsplan Steenwijkerland zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22AF Giethoorn – woonschepen Cornelisgracht, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.GHNCornelisgrwsOP-VA01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl
 
Artikel 2 Toepassing begripsbepalingen
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk. In aanvulling zijn de volgende begripsbepalingen van toepassing.
Artikel 3 Aanvullende bepalingen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen
 
3.1 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22AF Giethoorn – woonschepen Cornelisgracht met identificatienummer NL.IMRO.1708.GHNCornelisgrwsOP-VA01 van de Gemeente Steenwijkerland;
 
3.2 Omgevingsplan
het omgevingsplan van de Gemeente Steenwijkerland;
 
3.3 Bijbehorend bouwwerk
Gebouwen, overkappingen en andere bouwwerken die functioneel verbonden zijn met het op het aangrenzende water gelegen woon/recreatieschip;
 
3.4 Bouwgrens
De grens van een bouwvlak;
 
3.5 Bouwperceel
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
3.6 Bouwperceelgrens
De grens van een bouwperceel;
 
3.7 Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
3.8 Overkapping
Een bijbehorend bouwwerk voorzien van maximaal een wand en een (overwegend) gesloten dak;
 
3.9 Peil
  1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld;
  3. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil.
 
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
4.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:
tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.
 
4.2 het bebouwingspercentage:
het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.
 
4.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
4.4 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
4.5 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
4.6 de horizontale diepte van een gebouw:
de lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
 
4.7 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
4.8 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:
de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.
 
4.9 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:
vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
4.10 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
    
4.11 de ondergeschikte bouwdelen:
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.
 
Artikel 5 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
 
Het is verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.
Artikel 7 Aanwijzing voorerf bouwperceel
 
De gronden met de functie “Tuin’ worden aangewezen als voorerf.
2 Functies en activiteiten
 
Artikel 8 Tuin
 
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘tuin’.
 
8.2 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘tuin’ heeft de volgende functies:
  1. Tuinen behorende bij de op het aangrenzende water gelegen woon/recreatieschip
met de daarbij behorende:
  1. Erven;
  2. Watervoorzieningen;
  3. Ontsluitings- en parkeervoorzieningen.
 
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.29)
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
 
8.3.1 Algemeen
Op de voor de functie ‘Tuin’ aangewezen gronden mogen uitsluitend bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd.
 
Voor bijbehorende bouwwerken geldt dat:
  1. Bijbehorende bouwwerken uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd mits:
    1. per bouwvlak de totale oppervlakte niet meer dan 25 m2 bedraagt;
    2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter.
 
Voor bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 1,20 meter bedragen;
  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken mag maximaal 2 meter bedragen.
 
Artikel 9 Natura 2000
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op gronden met de gebiedsaanwijzing ‘Natura-2000.’
 
9.2 Functieomschrijving
De voor ‘Natura – 2000’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden.
 
Artikel 10 Waarde - Archeologie 2
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op gronden met de gebiedsaanwijzing ‘Waarde – Archeologie 2’.
 
10.2 Functieomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor bescherming van de aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
 
10.3 Omgevingsvergunning voor het bouwen op een locatie met de waarde Archeologie 2
10.3.1. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Ter plaatse van gronden met de ‘waarde – Archeologie 2’ is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, indien;
  1. De oppervlakte groter is dan 250 m2 en de locatie is gelegen binnen de bebouwde kom;
  2. De oppervlakte groter is dan 2500 m2 en de locatie is gelegen buiten de bebouwde kom.
 
10.3.2. Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. Een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
 
10.3.3. Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het bouwen
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien en voor zover uit het archeologisch rapport blijkt dat:
  1. De archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  2. In voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  3. In voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
 
10.3.4. Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het bouwen
Indien uit het in 10.3.2. genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.4.1. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 10.4.2., zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid 10.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
  1. Over een oppervlakte groter dan 250 m2 binnen de bebouwde kom en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld;
  2. Over een oppervlakte groter dan 2500 m2 buiten de bebouwde kom en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld.
Voor zover het gaat over:
  1. Het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  2. Het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting;
  3. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
10.4.2. Uitzondering vergunningplichtige gevallen
Het bepaalde in lid 10.4.1 is niet van toepassing bij werkzaamheden indien:
  1. Door middel van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn;
  2. Het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  3. Werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
  4. De werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
 
10.4.3. Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. Een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
        
10.4.4. Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. De archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  2. In voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  3. In voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
 
10.4.5. Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Indien uit het in 10.3.2. genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
3 Algemene regels
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 12 Algemene bouwregels
 
12.1 Ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. Ondergrondse bouwwerken zijn niet toegestaan.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 13 Overgangsrecht
 
13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Indien het totaal aan gebouwen en/of overkappingen binnen het bouwvlak zoals weergegeven op Bijlage 1 van de regels de in artikel 8.3.1. onder a toegestane oppervlakte en/of bouwhoogte overschrijdt, mag dit totaal aan gebouwen en/of overkappingen tot 1 januari 2036 in stand worden gehouden. Gebouwen en/of overkappingen die ten noorden van en buiten het bouwvlak zijn gelegen, zoals weergegeven op Bijlage 1 van de regels, mogen eveneens tot 1 januari 2036 in stand worden gehouden.
  2. Gebouwen en/of overkappingen die ten zuiden van en buiten het bouwvlak zijn gelegen, zoals weergegeven op Bijlage 1 van de regels, mogen tot 1 januari 2029 tot in stand worden gehouden.
  3. De in sub a genoemde uitzondering vervalt indien het bouwwerk is verwijderd, door een calamiteit wordt vernietigd, of zodra het gebruik door de huidige gebruiker eindigt – afhankelijk van wat zich het eerst voordoet.
  4. Onder huidige gebruiker wordt verstaan: de persoon of personen die op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit hoofdstuk als vergunninghouder(s) geregistreerd zijn voor de ligplaats van het betreffende woonof recreatieschip, voor zover dat schip is gelegen in het aangrenzende water en functioneel verbonden is met het bouwwerk waarop deze regeling betrekking heeft.