| Plan: | De Bult - Onderduikersweg 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1708.DBUOnderduikwg2BP-VA01 |
De gemeente Steenwijkerland wil aan de Onderduikersweg te De Bult, de nieuwe locatie van de plaatselijke scouting realiseren. De scouting is momenteel gevestigd in het Dorp Tuk ten westen van Steenwijk. In overleg met de scouting is besloten om te verhuizen naar de locatie aan de Onderduikersweg zodat op de huidige locatie een basisschool in combinatie met een dorpshuis kan worden gerealiseerd.
In de geldende beheersverordening 'Buitengebied Steenwijkerland 2014' is de locatie aan de Onderduikersweg bestemd als 'Agrarisch'. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is een maatschappelijke bestemming niet toegestaan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.
Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft een deel van het perceel Onderduikersweg 2 te De Bult. Het perceel heeft een oppervlakte van 9.282 m2. De begrenzing is afgestemd op de kadastrale grenzen. De ligging en begrenzing van het plangebied zijn weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1. De ligging van het plangebied
Het plangebied is geregeld in de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland die op 9 december 2014 is vastgesteld en op 9 december 2014 in werking is getreden. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Agrarisch'.
Verder geldt op het plangebied en de omgeving de bestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Op de gevolgen van deze aanwijzingen op de erftransformatie wordt in paragraaf 4.9 ingegaan.
Met dit bestemmingsplan wordt het plangebied, volgens de systematiek van de geldende beheersverordening, bestemd voor een maatschappelijke functie.
De toelichting is als volgt opgezet: na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het, voor het plan relevante, beleid. Hoofdstuk 4 gaat in op de planologische- en milieutechnische aspecten van dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de planologisch juridische opzet van het plan behandeld. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit plan komen aan bod in hoofdstuk 6
Landschappelijke context
Het plangebied ligt aan de voet van de Woldberg, in een bosrijke omgeving nabij de buurtschap De Bult, ten noorden van Steenwijk. De Woldberg is de noordelijke punt van het boogvormige stuwwalcomplex van Steenwijk, waarop ook de Havelterberg is gelegen.
Het plangebied ligt aan de Onderduikersweg. Bebouwing aan de Onderduikersweg is zeer verspreid opgezet. Bestaande uit (agrarisch)bedrijven, waaronder een paardenfokkerij ten oosten van het plangebied en woningen. Ten zuiden van het plangebied ligt de rijksweg A32 (Meppel - Heerenveen), met aan de andere kant van deze rijksweg de stad Steenwijk en het dorp Tuk. Een luchtfoto van het plangebied en omgeving is weergegeven in figuur 2.1.
Figuur 2.1 Luchtfoto omgeving plangebied
Het plangebied is grasland en wordt af en toe gebruikt als paardenweide. Rondom het perceel staan houtwallen. De houtwallen gaan in westelijk richting over in bosgebied van de Woldberg. Binnen het plangebied staan geen gebouwen.
Een aanzicht op het plangebied is weergegeven in figuur 2.2 en figuur 2.3.
Figuur 2.2 Aanzicht op het plangebied
Figuur 2.3 Bovenaanzicht plangebied
Het huidige scoutingterrein ligt midden in het Dorp Tuk. Voor deze huidige locatie zijn plannen om een combinatiegebouw ten behoeve van een basisschool en dorpshuis te realiseren. Daarom is in overleg met de scoutingvereniging en gemeente Steenwijkerland besloten om naar een andere locatie voor de scoutingvereniging te zoeken.
Uit verschillende locaties is gebleken dat de locatie aan de Onderduikersweg het beste past bij de voorwaarden voor een scoutingterrein, dicht bij een bos, maar nog wel goed bereikbaar voor clubleden. Op het perceel wordt een scoutinggebouw gerealiseerd, daarnaast worden parkeerplaatsen gerealiseerd. In figuur 2.4 wordt een voorlopige indeling van het terrein weergeven.
Figuur 2.4 Voorlopig situatie Scoutingterrein.
Landschappelijke inpassing
Voor de landschappelijke inpassing van de beoogde ontwikkeling is een inpassingsplan/ beplantingsplan opgesteld. In figuur 2.5 en bijlage 1 wordt dit inpassingsplan weergegeven.
Rondom het plangebied worden groene singels gerealiseerd. Deze groene singels bestaan uit bestaande bomen en struiken en worden versterkt streekeigen soorten. Waarin de huidige situatie nog geen groene singel aanwezig is, wordt dit het inpassingsplan gerealiseerd. Hierdoor wordt het plangebied rondom ingepast in het gebied.
Figuur 2.5 landschappelijke inpassing/ beplantingsplan
Parkeren
De parkeernormen voor een scoutinggebouw zijn niet specifiek opgenomen in het Parkeerbeleidsplan. Voor de parkeervoorzieningen wordt daarom aangesloten bij de ‘Blokhutwijzer’ een handreiking van Scouting Nederland met eisen en richtlijnen voor nieuwe scoutinggebouwen. De omvang van een speltak varieert tussen de 16 en 28 leden, afhankelijk van de leeftijdsgroep. Het aantal leidinggevende per speltak varieert van 1 tot 4. De verwachting is dat veel kinderen met de fiets naar het scoutinggebouw komen of worden gebracht en gehaald. De parkeervraag wordt daarmee voornamelijk veroorzaakt door de aanwezige leiding. Hierdoor is de parkeerdruk relatief laag. Per (gelijktijdig) aanwezige speltak wordt een norm gehanteerd van 2-4 parkeerplaatsen.
In de toekomstige situatie zijn 4 speltakken gelijktijdig aanwezig, wat resulteert in een parkeerdruk van 6 tot 12 parkeerplaatsen ten behoeve van de scoutingvereniging.
Binnen het plangebied worden 14 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiervoor is ruim voldoende ruimte aanwezig. Daarmee voldoet het plan aan de parkeerbehoefte.
Verkeer
De leden en vrijwilligers van de scouting komen overwegend uit de gemeente zelf. Nagenoeg alle verkeersbewegingen zullen tussen Steenwijk en het scoutingterrein zijn. De jonge leden worden voornamelijk gebracht met de auto via de N855 en de Onderduikersweg.
Leden die op de fiets komen of met de fiets worden gebracht, maken gebruik van het huidige fietspad langs de N855 en Onderduikersweg. Fietsers hoeven nergens op de rijbaan te rijden om bij het scoutingterrein te kunnen komen.
De Onderduikersweg heeft in de huidige situatie voldoende capaciteit. Met het toevoegen van de beoogde functie. Zullen er in het weekend meer verkeersbewegingen ontstaan. Doordat het gaat om enkele verkeersbewegingen van en naar het plangebied bestaat vanuit het aspect verkeer geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit project raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.
Ladder voor Duurzame Verstedelijking
Artikel 3.1.6 lid 2 Bro geeft aan dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving.
In het Bro is vastgelegd wat moet worden verstaan onder een stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De realisering van een scoutinggebouw kan worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en moet worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven is het wenselijk dat het bestaande scoutinggebouw uit het Dorp Tuk wordt verplaatst. Hierdoor ontstaat er ruimte voor een school en buurtcentrum.
Binnen het bestaand stedelijk gebied is geen geschikte alternatieve locatie aanwezig en gezien de aard en activiteiten van een scouting is realisering buiten bestaand stedelijk gebied wenselijk. Het scoutinggebouw wordt gerealiseerd in een bosgebied dat al een recreatieve functie heeft en waar het scoutinggebouw goed bij aansluit.
Via de Onderduikersweg wordt het scoutinggebouw op een veilige manier ontsloten. Er wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Omgevingsvisie Overijssel
De ‘Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken kleur’ en de ‘Omgevingsverordening Overijssel 2017’ worden elk jaar bijgewerkt. Dit gebeurt in een jaarlijkse actualisatieronde. Het gaat om alle eerder vastgestelde wijzigingen in het beleid die nog moeten worden doorvertaald in de Omgevingsvisie en/of Omgevingsverordening. Ook worden omissies hersteld. Op 26 september 2018 hebben Provinciale Staten de Actualisatie 2017/2018 vastgesteld. Op 1 november 2018 zijn deze aanpassingen van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening in werking getreden. De laatste actalisatie van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening zijn van 13-11-2019.
In de omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel centraal. In dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uitgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn generieke en gebiedsspecifieke beleidskeuzes van belang. Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsperspectieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inpassing in de kenmerken van het gebied. Onderstaand wordt op deze drie niveaus van het uitvoeringsmodel ingegaan.
Generieke beleidskeuzes
Het gaat hier om algemene keuzes die bepalen of ontwikkelingen nodig, dan wel mogelijk zijn. Voor stedelijke ontwikkelingen hanteert de provincie de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Dit betekent dat voor ontwikkelingen eerst bestaande bebouwing of herstructurering wordt benut, voordat er uitbreiding plaatsvindt.
Het realiseren van een nieuwe scoutinglocatie past binnen de genoemde generieke beleidskeuzes van de provincie. In paragraaf 3.1 wordt de voor deze ontwikkeling uitgevoerde ladder-toets beschreven en is aangegeven waarom deze locatie geschikt is.
Ontwikkelingsperspectieven
Het plangebied ligt in de zone 'Ondernemen met Natuur en Water (ONW) buiten het Natuurnetwerk Nederland'.
Deze gebieden liggen net buiten het natuurnetwerk. In deze gebieden is ruimte voor groen ondernemerschap, voor initiatieven en functies die de economische en maatschappelijke dragers zijn van de kwaliteit van natuur, water en landschap én ruimte voor continuïteit van de aanwezige landbouwfunctie. Initiatieven van bewoners en ondernemers zijn hier leidend: zij zijn eigenaar en vormgever van de omgevingskwaliteit. De na te streven kwaliteitsdoelen voor natuur en water zijn daarbij het uitgangspunt.
Gebiedskenmerken
De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn de gebiedskenmerken het uitgangspunt. In de lagenbenadering zijn per laag de daarbij horende gebiedskenmerken genoemd. Voor het plangebied zien de gebiedskenmerken van de verschillende lagen er als volgt uit:
Natuurlijke laag: Dekzandvlakte en ruggen
Ter plaatse is sprake van de natuurlijke laag ‘dekzandvlakten en ruggen’. De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk, door de wind gevormd, zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd. Als ontwikkelingen plaatsvinden, dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beide zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
De natuurlijke laag verzet zich niet tegen voorgenomen ontwikkeling, de voorgenomen ontwikkeling en bebouwing is hiervoor te klein.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap: Oude Hoevenlandschap
De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Ook hier geldt dat de erftransformatie perceelsgebonden is en daarom geen afbreuk doet aan deze kenmerken van het gebied. Het aanvullen van de laanbeplanting en de houtwal versterken wel (de beleving van) de landschapsstructuur.
Stedelijke laag
Voor het plangebied is geen stedelijke laag opgenomen. Deze laag is dan ook niet van toepassing.
Laag van de beleving:
Voor het plangebied is geen laag van beleving opgenomen. Deze laag is dan ook niet van toepassing.
Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)
Het KGO-beleid is ontstaan om ontwikkelingen in het landelijk gebied mogelijk te maken in ruil voor een impuls van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De 'Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving' is ontwikkeld als een eenduidige bundeling van diverse regelingen waaronder het Rood voor Rood-beleid. Voor de toepassing van KGO is een werkwijze ontwikkeld om de principes van ontwikkelingsplanologie toepasbaar te maken voor sociaaleconomische ontwikkelingen in de groene omgeving. De basis van de KGO is in lijn met de ontwikkelperspectieven en de 'Catalogus Gebiedskenmerken' en richt zich op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Een belangrijke voorwaarde is dat in ruil voor de ontwikkelingsruimte een passende kwaliteitsimpuls wordt gedaan. Voor elke ontwikkeling geldt een basisinspanning. Dat wil zeggen dat elke ontwikkeling goed landschappelijk ingepast dient te worden door de juiste situering van gebouwen en erfbeplanting. De aanvullende prestaties die moeten worden gedaan voor de ruimtelijke kwaliteit zijn afhankelijk van een drietal variabelen, namelijk:
Randvoorwaarden vanuit KGO:
Zoals beschreven in paragraaf 2.3 zal de toekomstige situatie landschappelijk worden ingepast door middel van het KGO beleid. Dit voorstel sluit aan bij de duurzame ambitie van Steenwijkerland. Het betreft een ontwikkeling met een sociaal maatschappelijke component. De scouting heeft een behoorlijke eigen inbreng bij de realisatie van het plan.
Bij het ontwikkelen van het plan is er extra aandacht geweest voor natuur inclusief bouwen en biodiversiteit. Dit komt terug in de Kwaliteitsimpuls groene omgeving die voor dit plan geleverd wordt.
De Kwaliteitsimpuls groene omgeving bestaat in dit plan uit:
Omgevingsvisie Steenwijkerland
De gemeente heeft de Omgevingsvisie Steenwijkerland 'Waardevast landschap' (juni 2017) opgesteld. Het betreft een visie op hoofdlijnen die zich richt op de fysieke leefomgeving en een strategisch kader voor ruimtelijke ontwikkeling is.
In de omgevingsvisie wordt gesteld dat erven kwaliteit leveren aan het buitengebied. Transformatie van erven is vaak maatwerk en gaat gepaard met een kwaliteitsimpuls. Onderdeel van deze kwaliteitsimpuls is het beheer en herstel van landschapselementen; een aspect waar de gemeente op inzet. De balans tussen landschap, economie, (ontwikkelingen in) de landbouw, natuur, recreatie en toerisme is hierin van belang. Deze Omgevingsvisie geeft op hoofdlijnen handvatten om die balans te bewaren en zo ook in de toekomst een levendige en aantrekkelijke gemeente te blijven. De omgevingsvisie krijgt een verdere vertaling in verschillende sectorale beleidsdocumenten of gebiedsuitwerkingen.
Beleidsnotitie buitengebied
De gemeente Steenwijkerland heeft in 2012 een beleidsnotitie opgesteld bij het bestemmingsplan Buitengebied. Deze beleidsnotitie geeft weer waar de gemeente Steenwijkerland zich op richt bij verdere ontwikkeling van haar buitengebied. Het voornaamste doel is het naar iedereen toe verschaffen van helderheid over uitgangspunten van gebruiks- en bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan.
De beleidsnotitie gaat uit van het punt dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap behouden of versterkt worden. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zeker in het buitengebied, dienen bij te dragen aan de versterking en de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
De strategie voor recreatie en toerisme gaat ervan uit dat de basiskwaliteiten van landschap, natuur en cultuurhistorie worden gerespecteerd als unieke waarden, waaraan ze haar bestaansrecht ontleent. Deze worden versterkt. Nieuwe recreatieontwikkelingen mogen in geen geval afbreuk doen aan die kernkwaliteiten.
De toekomstvisie geeft geen definitie van 'intensieve recreatie'. Wel geeft de gemeente aan dat in dit gebied wordt ingezet op extensieve en kleinschalige recreatie, vanuit de strategie voor natuur, landschap en cultuurhistorie. De gewenste verbreding van het aanbod met meer intensieve recreatie nabij natuur en cultuurhistorie moet elders plaatsvinden.
De voorgenomen ontwikkeling kan worden gezien als kleinschalige recreatie. Het beoogde scoutingterrein wordt voornamelijk in de weekenden gebruikt voor recreatieve doeleinden. Daarnaast gaat het hier om recreatie die voortkomt uit een verenging en niet bestemd is voor (dag) toerisme. De ontwikkeling doet geen afbreuk van de omliggende kernkwaliteiten, maar maakt hier juist gebruik van.
Welstandsnota Steenwijkerland
De gemeente Steenwijkerland heeft haar gemeentelijke welstandsbeleid opgenomen in de Welstandsnota. Deze geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn, te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Hiertoe zijn onder andere voor het plangebied van dit bestemmingsplan een aantal welstandscriteria opgesteld, waaraan het bouwplan zal moeten voldoen. Het uitgangspunt is dat het bouwplan een definitief positief welstandsadvies krijgt.
Het plangebied ligt in het welstandsgebied 'Stuwwallandschap tussen Oldemarkt en De Eese', meer specifiek de 'Kampenlandschap'.
Het kleinschalige kampenlandschap aan de zuidwestelijke zijde van de stuwwal is agrarisch met vruchtbare, onregelmatige verkavelde bouw- en weilanden, vaak gescheiden door houtwallen met inheemse bomen en struiken. Daarnaast zijn steilranden, loofbosjes en grote, oude loofbomen (veelal eiken) kenmerkend. De bebouwing is zeer dun en vrijwel nergens aaneengesloten. De buurtschappen zijn kleine concentraties van bebouwing in een iets grotere dichtheid.
Bebouwing
In het kampenlandschap tussen Oldemarkt en De Eese is de boerderij het meest karakteristieke gebouwtype. Het beleid is er dan ook op gericht het oorspronkelijke karakter van het gebied te bewaren en bij nieuwe ontwikkelingen voorzichtigheid te betrachten.
De plannen zoals beschreven in paragraaf 2.3 zijn nog niet helemaal definitief. Daarom wordt het definitief ontwerp van het clubgebouw getoetst door de welstands- en monumentencommissie.
Extern veiligheidsbeleid 2015-2018
De gemeente stelt in haar extern veiligheidsbeleid het principe van deregulering voor. De gemeente stelt bij voorkeur geen aanvullende eisen, maar focust op het vroegtijdig (vooroverleg) in beeld krijgen van de juiste informatie. Ter plaatse van het projectgebied is geen sprake van externe risico's. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.11.
In onderstaande paragrafen wordt een overzicht gegeven van de voor het nieuw op te stellen bestemmingsplan relevante milieuaspecten. Milieuaspecten zijn een belangrijk onderdeel van de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan. Eventuele milieuaspecten kunnen, voorzover mogelijk en noodzakelijk, vertaald worden in de regeling van dit bestemmingsplan.
Voor het plangebied en de ontwikkeling die dit bestemmingplan mogelijk maakt, wordt advies gevraagd bij de regionale uitvoeringsdienst IJsselland. Conclusies en aanbevelingen van de uitvoeringsdienst worden verwerkt in dit hoofdstuk.
In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Toetsing aan de drempelwaarden uit het Besluit mer
Het betreft een agrarisch perceel, waar binnen een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ plaats vindt. Hierbij vinden geen infrastructurele ingrepen plaats, er is daarom in het kader van de mer-procedure sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Vormvrije mer-beoordeling
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
Dit blijkt ook uit het onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. De gemeente kan op basis van voorgaande een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen waarin besloten wordt dat een planmer niet noodzakelijk is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs uit te sluiten is.
De afstand tussen het perceel van de paardenhouderij aan de Onderduikersweg en het plangebied voldoet niet aan de VNG-richtafstanden. De richtafstanden gelden echter tussen bedrijfsperceel en woning in rustige woonomgeving. De scoutinglocatie is geen geurgevoelig object onder de Wgv en het is geen geluidgevoelig object. Onaanvaardbare hinder als gevolg van stofemissies is niet aannemelijk, aangezien de afstand tot de stallen en stapmolen wel voldoet aan de richtafstand.
Voor de overige omliggende activiteiten wordt voldaan aan de richtafstanden. De omliggende bedrijven vormen geen belemmering.
Externe werking
De scouting valt onder VNG-categorie 2 (buurten clubhuizen). Dit betekent dat een richtafstand van 30 meter tot woningen moet worden aangehouden. Daar het een gebied betreft binnen de invloedssfeer van een rijksweg mag voor de richtafstand afgeweken worden naar een milieucategorie lager. In deze situatie zou dat 0 meter betekenen. De dichtstbijzijnde woonbestemming, ligt ten zuiden van het plangebied op een afstand van 25 meter. De woning zelf staat op 60 meter vanaf het plangebied, daarmee voldoet het plan aan de richtafstand.
Op basis van de VNG-Brochure bedrijven en milieuzonering en de daarin opgenomen richtafstanden kan worden geconcludeerd dat er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.
Vaste afstanden
Op basis van de wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt voor geurgevoelige objecten gelegen buiten de bebouwde kom een minimale afstand van 50 meter. Met gemeentelijk geurbeleid vastgesteld op basis van artikel 6 van de Wgv kunnen andere afstanden van toepassing zijn.
De gemeente Steenwijkerland heeft op 3 april 2014 de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Steenwijkerland' vastgesteld. Op basis van artikel 2 van deze verordening geldt, in afwijking van de afstand van de wet geurhinder en veehouderij, voor geurgevoelige objecten gelegen in gebiedstype I een afstand van 25 meter.
Met onderhavige ontwikkeling wordt geen geurgevoelig object mogelijk gemaakt. Omdat geen nieuwe geurgevoelige bestemming wordt opgericht is beoordeling van geur van veehouderijen als gevolg van interne werking niet nodig. De omliggende bedrijven worden door onderhavige ontwikkeling niet belemmerd in de bedrijfsactiviteiten.
Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden gehouden met de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn beide aspecten geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierbij dient te worden aangetoond dat als gevolg van de geplande activiteiten de gunstige staat van instandhouding van waardevolle dier- en plantensoorten niet in het geding komt. Voor de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 2 toegevoegd bij de toelichting. Hieronder worden de conclusies uit dit rapport beschreven.
Gebiedsbescherming
Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) van belang.
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, De Wieden, bevindt zich op circa 3,8 km afstand ten zuiden van het plangebied.
Het plangebied ligt in het buitengebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen.
Natura 2000-gebieden: impact stikstofdepositie
In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. In het Programma Aanpak Stikstof (PAS) zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waar ten minste één stikstofgevoelige habitat voorkomt die te maken heeft met overbelasting door stikstof. Ook kleinschalige initiatieven kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie en moeten om die reden daarop worden beoordeeld. Voor kleine plannen waarvan op voorhand (en goed gemotiveerd) kan worden onderbouwd dat deze - vanwege bijvoorbeeld de grote afstand tot Natura 2000-gebieden - geen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de relevante Natura 2000-gebieden, kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven. Hiermee geeft het ministerie ruimte voor een kwalitatieve onderbouwing voor kleine projecten, waarvan op voorhand met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen (significant) negatief effect is op de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
De potentiële effecten van onderhavig plan zijn hoofdzakelijk het gevolg van verkeer en tijdelijke werkzaamheden in de aanlegfase. Vanwege de aard van de emissie hiervan (beperkt in hoeveelheid en laag bij de grond) en op basis van honderden uitgevoerde AERIUS-berekeningen wordt geschat dat een toename van de stikstofdepositie niet zal optreden op een afstand meer dan 3 kilometer. In dit geval ligt het project op circa 4 kilometer.
Door de kleinschaligheid van de aanvraag, gaat in de 'gebruiksfase' om een zeer beperkte toename van verkeersbewegingen die op gaan in het grotere aantal verkeersbewegingen van de omliggende ontsluitingswegen(Rijksweg). Het is daarom op voorhand duidelijk dat deze verkeersbewegingen in redelijkheid, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Ook kan worden geconcludeerd dat het plan niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de kritische gebieden en dat het daarom op voorhand duidelijk is dat deze in redelijkheid, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Daarop hoeft voor deze projecten op dit punt geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Dit blijkt ook uit een stikstofonderzoek met Aerius-berekening die zowel voor de exploitatie- als de aanlegfase is uitgevoerd. Zie hiervoor Bijlage 3.
Omdat het slechts om zeer tijdelijke aanlegfase gaat, kan vanwege de aard van de emissie hiervan (beperkt in hoeveelheid en laag bij de grond) geconcludeerd worden dat het plan niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de kritische gebieden.
Daarom hoeft voor dit plan geen vergunning op grond van de Wnb te worden aangevraagd.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied is aan de zuidzijde voor een klein deel gelegen binnen een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het betreft deelgebied Woldberg/Eese. Het overige deel van het plangebied bestaat uit Zone Ondernemen met Natuur en Water buiten NNN (Zone ONW buiten NNN). Voor zover gronden niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland, geldt hier een ‘ja, mits-benadering'. Dit houdt in dat ontwikkelingsruimte wordt geboden onder de voorwaarde dat er bijgedragen wordt aan ruimtelijke kwaliteit. In paragraaf 3.2 is het plan getoetst aan de deelgebieden en de voorwaarde.
Soortenbescherming
Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.
Het veldbezoek is afgelegd op 9 augustus 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van de aanwezige habitat. De bomen zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid boomholten en ruimten die verblijfplaatsen voor vleermuizen, overige zoogdieren en vogels kunnen vormen.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat het verwijderen van materialen als bladeren, ruigte, takken en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden,zorgvuldig dient te gebeuren. Voorkomen moetworden dat individuen gedood of verwond worden, bijvoorbeeld als gevolg van het beschadigen of vernielen van schuil- of voortplantingslocaties. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door bij het verwijderen van nestgelegenheden en groen, buiten het broedseizoen te werken. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd door een ter zake deskundige.
De ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet Natuurbescherming. Voor alle soorten is de zorgplicht van kracht. Bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving. Hiermee zal tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening worden gehouden.
Houtopstand
De bomen langs de zuidelijke rand van het plangebied vallen mogelijk onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Bij de voorgenomen plannen worden geen bomen gekapt.
Wegverkeerslawaai
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ''in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken'', een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones of bij bepaalde veranderingen aan de weg zelf (zoals het verhogen van de maximumsnelheid of het uitbreiden van het aantal rijstroken) moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd.
Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de rijksweg A32 (figuur 4.1). Tijdens de planvorming werd uitgegaan van een mogelijkheid voor kinderopvang op binnen het plangebied. Een kinderopvang wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als geluidsgevoelige object. De mogelijkheid voor een kinderopvang is tijdens het proces uit het plan gehaald. Het opgestelde akoestisch onderzoek zoals opgenomen in bijlage 4, gaat nog uit van een kinderopvang. Een scouting wordt in het kader van de Wet geluidhinder niet gezien als geluidsgevoelige object.
Voor het plangebied is een contourberekening van de snelweg uitgevoerd. Indien er een functie wordt gerealiseerd die geluidgevoelig is in de zin van de Wgh, is de maximale grenswaarde 53 dB binnen de zone van een snelweg. De aftrek in het kader van art. 110 Wgh is afhankelijk van de geluidbelasting, 2 dB bij 55 dB, 3 dB bij 56 dB en 4 dB bij 57 dB. Alle contouren representeren dus min of meer een 53 dB-contour, waarbij de 55 dB contour maatgevend is.
Op basis van het akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied geen geluidgevoelige objecten kunnen worden gerealiseerd. Zoals beschreven wordt een scouting (gebouw) in het kader van de Wet geluidhinder niet gezien als geluidsgevoelige object. Wegverkeerslawaai is derhalve geen belemmering voor de planrealisatie.
Figuur 4.1 Uitsnede Geluidszone rijksweg A32
Inrichtingsgeluid
Omwonende hebben aangegeven dat er vrees voor geluidshinder is, daarom is alsnog een nader onderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Dit onderzoek heeft als doel het bepalen van de optredende geluidniveaus vanwege de activiteiten van de scouting op woningen van derden in de nabije omgeving.
Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in alle periodes (dag, avond en nacht), voor de wekelijkse activiteiten, kan worden voldaan aan de gestelde grenswaarden. Meerdere malen per jaar vindt overdag terreinonderhoud plaats. Ook tijdens deze werkzaamheden kan in alle periodes worden voldaan aan de gestelde grenswaarden. Tot slot wordt ook tijdens jaarlijks zomerkamp van 1 week, aan de gestelde grenswaarde voldaan. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode tijdens het zomerkamp wordt ter plaatse van de woningen aan de Onderduikersweg 2 en 3 een overschrijding van 1 of 2 dB verwacht.
Vanwege het beperkt optreden van dit zomerkamp alsmede de beperkte overschrijding van de richtwaarde (ten hoogste 2 dB(A)) wordt een aanvaardbaar woon en leefklimaat ter plaatse van de woningen Onderduikersweg 2 en 3 gewaarborgd.
Op basis van bovenstaande aan het uitgevoerde onderzoek (bijlage 5) kan worden geconcludeerd dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen.
Op grond van het Bro moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren).
De beoogde ontwikkeling vinden plaats op gronden die tot op heden onbebouwd zijn. Er zijn hier geen aanwijzingen door verontreinigende activiteiten in het verleden. Om deze analyse te bevestigen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 6).
Uit het bodemonderzoek is de huidige bodemkwaliteit vastgesteld. De hypothese 'onverdacht' is juist gebleken. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er voor wat betreft het deel van het plangebied dat als weiland in gebruik is, géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de voorgenomen grondtransactie en bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie.
Langs de zuidoostzijde van het weiland loopt een kavelpad. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem ter plaatse van dit onverharde kavelpad puin(resten) aangetroffen. Dit maakt dit deel van het plangebied asbestverdacht, waarvoor nader onderzoek noodzakelijk is. Om uit te sluiten dat binnen het plangebied asbestverdachte materialen aanwezig zijn, is een aanvullend asbest in bodem onderzoek uitgevoerd (bijlage 7). Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat er zowel zintuiglijk als analytisch géén hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest is geconstateerd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem.
Op grond van milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bestaat geen bezwaar voor de voorgenomen ontwikkeling.
Vanwege het grotere belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke ordening geworden.
Wateradvies
Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) is het waterschap Drents Overijsselse Delta gevraagd een reactie te geven op het plan. Uit de ingediende gegevens (zie bijlage 8) is bepaald dat het plan een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding. Hierdoor kan de korte procedure worden gevolgd voor de watertoets. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan op de waterhuishouding kan worden ondervangen met de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf.
Relevant beleid
Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in Water Raakt! Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. U kunt de genoemde documenten raadplegen op onze site www.wdodelta.nl.
Invloed op de waterhuishouding
Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden geen wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.
Voorkeursbeleid hemelwater
Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.
Met de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten op het beleid van het waterschap. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Daarom wordt hemelwater ge infiltreert. Momenteel wordt onderzocht of dit door middel van een wadi gaat gebeuren of dat er ondergrondse infiltratie wordt toegepast.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.
Het plangebied kent geen specifieke cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren en kenmerken in de omgeving als van cultuurhistorische betekenis worden aangemerkt. Omdat dit bestemmingsplan perceelsgebonden is, wordt geen afbreuk gedaan aan de structuren in de omgeving. Het gebouw wordt afgestemd op de kenmerken van de omgeving. De ontwikkeling past binnen de bestaande landschappelijke structuur qua functie en volume. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Voor archeologische resten in de bodem is de Erfgoedwet van toepassing. Deze wet regelt onder andere dat in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.
Voor een deel van de gemeente is een Archeologische Waarderingskaart vastgesteld. Hierin is per gebied een waardering toegekend ten aanzien van de archeologische waarden. Op de beleidskaart wordt onderscheid gemaakt tussen:
Zoals in figuur 4.2 is weergegeven is, het plangebied opgenomen als "Hoge archeologische verwachting". Hiervoor geldt dat bij grondroerende werkzaamheden buiten de bebouwde kom met een oppervlak groter dan 2.500 m2 of dieper dan 50 centimeter moet worden aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel dat de bouwactiviteiten de archeologische waarde niet verstoord en/of geschaad.
Met dit bestemmingsplan wordt een gebouw van 20 m x 20 m mogelijk gemaakt. Daarmee blijft de ontwikkeling ruim onder de 2.500 m2 aan grond roerende werkzaamheden. Echter doordat er dieper wordt gegraven dan 50 centimeter is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 9 toegevoegd aan de toelichting.
Figuur 4.2 Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingen-kaart
Op basis van het booronderzoek wordt aanbevolen om in het noordwestelijke deel van het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren (figuur 4.3). Aangezien de vondstlaag (A-horizont) in bijna alle boringen niet meer aanwezig is, is een karterend booronderzoek in dit geval niet geschikt voor het opsporen van archeologische vindplaatsen. Vandaar dat geadviseerd wordt om direct over te stappen op een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Binnen het overige deel van het plangebied wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren.
Het advies voor proefsleuven wordt niet overgenomen. In overleg met het Oversticht is besloten om het een gedeelte van plangebied, op archeologische gronden, vrij te gegeven. Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet noodzakelijk.
Het plangebied is grotendeels tot in de C-horizont geroerd. Alleen in boring 1 is mogelijk een intact bodemprofiel aanwezig. De voorgenomen locatie van het scoutinggebouw valt precies op de plek van boring 3. De bodem bij boring 3 blijkt helemaal geroerd. De kans is groot dat dit voor de hele locatie van het nieuwe scoutinggebouw geldt.
"Daarnaast geldt, volgens de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014, artikel 38 Waarde – Archeologie 2, alleen een onderzoeksplicht bij werkzaamheden groter dan 2500 m² en dieper dan 50 cm. Op het scoutingterrein wordt een gebouw geplaatst van circa 400 m². Daarmee blijven de voorgenomen werkzaamheden ruim binnen de ondergrens van 2500 m².
Figuur 4.3 Overzichtskaart onderzoek
Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn vaak het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Voor de beoogde ontwikkeling is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (bijlage 10). Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling leidt tot een niet-in-betekenende-mate bijdrage aan de lokale luchtkwaliteit. Uit het voornoemde volgt dat op basis van artikel 5.16, eerste lid, onder c, Wet milieubeheer, het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling van het plan.
Gezien de korte afstand tot de A32 is in het onderzoek ook de luchtkwaliteit ter plaatse onderzocht. Hieruit blijkt dat de concentraties ter plaatse van het plangebied onder de grenswaarden liggen. Uit het onderzoek blijkt ook dat in onderhavige situatie negatieve gezondheidseffecten zijn uitgesloten.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het plangebied ligt op minimaal 100 meter vanaf de rijksweg A32. Over deze weg vindt transport gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de risicokaart.nl geldt ter hoogte van het plangebied voor deze weg een groepsrisicozone van 74 meter. Binnen deze zone is een verantwoording van het groepsrisico nodig.
In verband met het voornemen is voor onderhavige ontwikkeling een onderzoek naar de effecten op het groepsrisico uitgevoerd (bijlage 11). Uit het onderzoek blijkt dat zowel in de huidige als de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde over de maatgevende kilometer niet wordt overschreden. De hoogte van het groepsrisico blijft door de beoogde ontwikkeling onveranderd. Op grond van artikel 8 Besluit externe veiligheid transportroutes is de verantwoording van het groepsrisico daarom niet noodzakelijk. Advies veiligheidsregio blijft wel verplicht. Op 28 juli 2020 heeft de Veiligheidsregio hun advies uitgebracht.
Dit advies is verwerkt in de toelichting van dit bestemmingsplan voor zover dit op het bestemmingsplan van toepassing is.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een KLIC-melding in kaart gebracht.
In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen die moeten worden voorzien van een planologische regeling.
In dit hoofdstuk staat een toelichting op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. In paragraaf 5.1 staat een algemene toelichting op de betekenis en opbouw van het bestemmingsplan en de achtergronden daarvan. In paragraaf 5.2 wordt de bestemmingsregeling van dit bestemmingsplan toegelicht.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Onderdeel hiervan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP beoogt bestemmingsplannen die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan voldoet ook aan de terminologie van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
De bestemmingen die in dit bestemmingsplan voorkomen zijn afgestemd op de regeling uit de beheersverordening 'buitengebied'. De regeling voor de Maatschappelijke bestemming is toegespitst op dit initiatief, waarbij de randvoorwaarden uit het beleidskader als uitgangspunt gelden. Binnen het plangebied komen de volgende bestemmingen voor:
Binnen deze bestemming zijn het terrein en de gebouwen van de scouting voorzien. Het bebouwd oppervlakte is gemaximeerd op 400 m². Tevens is een maximum bouw- en goothoogte opgenomen in de bestemmingsregels en de verbeelding.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Deze is gedeeltelijk aangetoond in de voorgaande paragrafen. Ook spelen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid een rol.
Grondexploitatie
In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij:
In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meerdere woningen. Wijziging van het gebruik van een bestaand gebouw kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwplan. De gronden zijn in eigendom van de gemeente, daarmee zijn de kosten voor dit plan verzekerd en is het plan economisch uitvoerbaar. Voor de beoogde ontwikkeling wordt geen exploitatieplan vastgesteld.
De resultaten uit de bestemmingsplanprocedure geven inzicht in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan zijn geen grote maatschappelijke belangen gemoeid.
Het concept ontwerp is in vooroverleg gebracht bij de overlegpartners. Het ontwerpbestemmingsplan Steenwijk - De Bult, Onderduikersweg 2 met de bijbehorende stukken heeft van 22 juli 2020 tot en met 1 september 2020 (6 weken) ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen op het ontwerpbestemmingsplan.
Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn drie zienswijzen ingediend. Deze zienswijze zijn samengevat in de reactienota zienswijzen en van reactie voorzien. De reactienota is opgenomen in bijlage 12.
In de toelichting van het bestemmingsplan zijn naar aanleiding van de zienswijzen en vooroverleg reacties verbeteringen en verduidelijkingen doorgevoerd. Ook zijn er ambtshalve een aantal verbeteringen doorgevoerd.
Daarnaast zijn er een aantal aanvullende onderzoeken uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn verwerkt in de toelichting. De onderzoeken zijn als bijlagen in het bestemmingsplan opgenomen.
Naar aanleiding van een ingediende zienswijze is de definiete van het begrip 1.35 maatschappelijke voorzieningen en artikel 4.1 bestemmingsomschrijving aangepast.
Vaststelling
Het bestemmingsplan "De Bult - Onderduikersweg 2" is op 19 januari 2021 gewijzigd vastgesteld. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.