direct naar inhoud van Regels
Plan: Het Laar 19-19a te Maarheeze
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1706.BPBG3099-VAS1

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 Plan

Het bestemmingsplan Het Laar 19-19a te Maarheeze met identificatienummer NL.IMRO.1706.BPBG3099-VAS1 van de gemeente Cranendonck.

1.2 Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 Aan huis verbonden beroep

De uitoefening van een beroep aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt.

1.4 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 Archeologische waarden

Waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk daarin bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde.

1.7 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.8 Bed & breakfast

Een nevenactiviteit met als doel het verstrekken van logies en ontbijt aan logerende gasten.

1.9 Bestaande situatie (bebouwing en gebruik)
  • Bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
  • Het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen.
1.10 Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.11 Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.12 Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

1.13 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.14 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.15 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.16 Bouwperceelgrens

Een grens van een bouwperceel.

1.17 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.18 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.19 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.20 Hoofdgebouw

Een (deel van een) gebouw dat, gelet op de bestemming dan wel door zijn constructie en of afmetingen, als het belangrijkste bouwwerk op het perceel valt aan te merken.

1.21 Huishouden

Een aantal aan elkaar door familie- of daarmee gelijk te stellen band gerelateerde personen, dat gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van dezelfde voorzieningen in één woning (bijvoorbeeld een gezin, een gezin met inwonende ouders of een woongroep).

1.22 Landschappelijke waarde

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.

1.23 Lichte bedrijvigheid

Het bedrijfsmatig vervaardigen, herstellen, onderhouden of bewerken van producten en/of diensten in de vorm van bedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de van deze regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten.

1.24 Natuurwaarde

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologisch, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.25 Overkapping

Een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als een gebouw.

1.26 Perceel

Een aaneengesloten samenhangend stuk grond.

1.27 Seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.28 Spuitzone

Een zone met een breedte van 50 meter rondom landbouwgrond waar gewasbeschermingsmiddelen in de vorm van pesticiden en/of herbiciden worden dan wel kunnen worden toegepast.

1.29 Voorgevel

De naar de op de verbeelding opgenomen figuur 'gevellijn' gekeerde gevel van een gebouw.

1.30 Water en waterhuishoudkundige voorzieningen

Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.

1.31 Woning

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand tot de zijdelingse/voorste/achterste bouwperceelgrens:

de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse / voorste/ achterste bouwperceelgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;

2.2 bebouwde(e) oppervlakt(e) van een bouwperceel:

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;

2.3 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.4 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.5 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.6 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.7 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.8 peil:
  • 1. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte terrein.

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen - Landschappelijke inpassing

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen - Landschappelijke inpassing' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen en verhardingen;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

een en ander zoals weergegeven in Bijlage 1 bij deze regels en met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Toegestane bebouwing

Op de tot 'Groen - Landschappelijke inpassing' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van doeleinden omschreven in artikel 3.1.

3.2.2 Maatvoering bebouwing

Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van erfafscheidingen worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 1 meter.

3.2.3 Bouwregels erfafscheidingen

Voor erfafscheidingen geldt dat de erfafscheiding uitsluitend in de vorm van een open constructie mag worden opgericht.

3.3 Specifieke gebruiksregels
3.3.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken voor:  

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. het aanbrengen van verhardingen, anders dan bedoeld in 3.4.4.
3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.4.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden) de in het schema onder 3.4.4 omgevingsvergunningsplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren.

3.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het onder 3.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.

3.4.3 Toetsing aan aanwezige waarden

De in 3.4.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 3.1. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 3.4.4 de toetsingscriteria weergegeven.

3.4.4 Schema omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden
Omgevingsvergunningsplichtige werken/werkzaamheden      Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden   
het aanleggen van wegen en het aanbrengen van overige verhardingen als doorgang      - de wegen en overige verhardingen moeten noodzakelijk zijn voor het gebruik, behorende bij de naastgelegen bestemming;
- indien wegen en overige verhardingen een aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing (conform het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 1 van deze regels) tot gevolg hebben, dienen compenserende maatregelen te worden genomen in de vorm van een zorgvuldige landschappelijke inpassing elders op of direct grenzend aan het bouwperceel.
Hierbij dient het landschappelijk inpassingsplan met bijbehorende berekening van de investering kwaliteitsverbetering van het landschap in Bijlage 1 te worden aangepast en als voorschrift in de omgevingsvergunning te worden opgenomen;
- het verwijderen moet noodzakelijk zijn voor het gebruik, behorende bij de naastgelegen bestemming  
het verwijderen van houtopstanden ten behoeve van een doorgang      het verwijderen betekent geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing, danwel er wordt anderszins voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing   

Artikel 4 Natuur

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden;
  • b. behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande biotopen;
  • c. behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande half open/gesloten landschappen;
  • d. behoud en bescherming van aardkundige waarden;
  • e. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
  • f. de instandhouding en ontwikkeling van ecologische verbindingszones;
  • g. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  • h. extensief recreatief medegebruik;
  • i. agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer;

een en ander met bijbehorende voorzieningen.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van deze bestemming.

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende maatvoeringseisen:

  • a. de bouwhoogte mag maximaal 2 m bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder mag de bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van informatievoorzieningen, entreevoorzieningen dan wel schuilvoorzieningen maximaal 3 m bedragen;
  • c. de oppervlakte van een bouwwerk mag maximaal 10 m² bedragen.

4.3 Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of opstallen:

  • a. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. voor lawaaisporten;
  • c. voor verblijfsrecreatie;
  • d. voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.4.1 Omgevingsvergunningplicht

Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de in het schema onder 4.4.3. opgenomen omgevingsvergunningplichtige werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren.

4.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 4.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer dan wel de realisatie van de in Bijlage 1 opgenomen landschappelijke inpassing, daaronder begrepen de realisatie van een natuurvriendelijke oever.

4.4.3 Schema omgevingsvergunningen
Omgevingsvergunningplichtige werken/ werkzaamheden   Criteria voor vergunningverlening  
het verwijderen van houtopstanden   1. deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het bos- of natuurbeheer;
2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de houtsingels en verspreide kwetsbare houtopstanden. Dit betekent dat er geen onherstelbare schade mag plaatsvinden aan de waardevolle landschapselementen.  
het diepploegen en diepwoelen van de bodem   deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het bos- of natuurbeheer.  
het graven, ophogen en egaliseren van de bodem   1. deze werkzaamheden vinden plaats in het kader van het bos- of natuurbeheer;
2. de werkzaamheden mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van het reliëf;
3. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de houtsingels en verspreide kwetsbare houtopstanden. Dit betekent dat er geen onherstelbare schade mag plaatsvinden aan de waardevolle landschapselementen.  
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en half verhardingen   1. de verhardingen zijn noodzakelijk voor het beheren dan wel verbeteren van bos dan wel voor het mogelijk maken van extensief recreatief medegebruik;
2. de verhardingen mogen geen onevenredige aantasting betekenen van de aanwezige natuurwaarden;
3. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de houtsingels en verspreide kwetsbare houtopstanden. Dit betekent dat er geen onherstelbare schade mag plaatsvinden aan de waardevolle landschapselementen.  
het aanbrengen van ondergrondse leidingen   1. er mag geen blijvende aantasting plaatsvinden van de aanwezige natuurwaarden;
2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de houtsingels en verspreide kwetsbare houtopstanden. Dit betekent dat er geen onherstelbare schade mag plaatsvinden aan de waardevolle landschapselementen.  

Artikel 5 Verkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd:

  • a. erftoegangswegen, met maximaal 2 rijstroken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer – erftoegangsweg';
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

een en ander met bijbehorende voorzieningen.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Toegestane bebouwing

Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming, alsmede gebouwen ten dienste van openbare nutsvoorzieningen.

5.2.2 Gebouwen

Gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen dienen aan het volgende te voldoen:

  • a. de oppervlakte mag per gebouw niet meer bedragen dan 10 m²;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.

5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 15 meter bedragen.

Artikel 6 Wonen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. woningen, aan huis verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid;

een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, waterhuishoudkundige voorzieningen en erven.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Toegestane bebouwing
  • a. Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals woningen met bijbehorende bouwwerken en overige gebouwen.
  • b. Per aangeduid bouwvlak is maximaal één woning toegestaan.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan.

6.2.2 Maatvoering

Met betrekking tot de maatvoering van gebouwen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, dient aan het volgende te worden voldaan:

Hoofdgebouw van de woning   Minimaal   Maximaal  
het hoofdgebouw dient te worden opgericht binnen het bouwvlak, waarbij de voorgevel dient te zijn gericht op de figuur 'gevellijn' van het betreffende bouwvlak   -   -  
goothoogte   niet van toepassing   7 meter  
bouwhoogte   niet van toepassing   10 meter  
inhoud   niet van toepassing   750 m³  
dakhelling   12°   45°  

Bijbehorende bouwwerken   Minimaal   Maximaal  
afstand tot de zijdelingse, voorste en achterste perceelsgrens   3 meter; voor bijbehorende bouwwerken geldt dat de afstand tot een van de zijdelingse bouwperceelsgrenzen minder dan 3 meter mag bedragen   niet van toepassing  
gezamenlijke oppervlakte per woning   niet van toepassing   90 m²  
goothoogte   niet van toepassing   3,25 meter  
bouwhoogte   niet van toepassing   5,5 meter  
afstand bijbehorende bouwwerken tot voorgevel woning of verlengde daarvan   minimaal 3 meter achter voorgevel woning of verlengde daarvan   niet van toepassing  
afstand vrijstaande bijbehorende bouwwerken tot achtergevel woning of verlengde daarvan   niet van toepassing   15 meter  
dakhelling   12°   45°  

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximaal  
hoogte erfafscheidingen   vóór voorgevel woning of verlengde daarvan: 1 meter;
overige: 2 meter  
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   2,5 meter  

6.2.3 Voorwaardelijke verplichting akoestisch onderzoek geluidgevelwering

Bij het indienen van de omgevingsvergunning voor bouwen van een hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorwaardelijke verplichting akoestiek' dient er een gevelweringsonderzoek (Ga;k onderzoek) naar de geluidwering van de gevels van gebouw 1, gelegen aan de voorzijde van de weg, te worden aangeleverd die inzichtelijk maakt dat aan de eisen zoals bedoeld in artikel 3.3 van het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. 

6.2.4 Voorwaardelijke verplichting spuitzonering

Bij het indienen van de omgevingsvergunning voor bouwen van een hoofdgebouw dient door middel van een locatie specifiek onderzoek inzake spuitzones te worden aangetoond dat wonen ter plaatse aanvaardbaar is, al dan niet middels het treffen van maatregelen.

6.3 Specifieke gebruiksregels
6.3.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het is verboden de bouwwerken als bedoeld in 6.2 te gebruiken indien de landschappelijke inpassing, daaronder mede begrepen de aanleg van een natuurvriendelijke oever, niet binnen 1,5 jaar na gereed komen van de eerste woning is aangelegd conform het in Bijlage 1 opgenomen landschappelijk inpassingsplan en/of na realisatie niet in stand wordt gehouden.

6.3.2 Voorwaardelijke verplichting parkeren

De gronden en de gebouwen mogen uitsluitend conform het bepaalde in 6.1 in gebruik genomen worden mits:

  • a. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, zijde tenminste twee parkeerplaatsen per wooneenheid;
  • b. in het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • c. voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid dient te worden voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Cranendonck, zoals opgenomen in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2016, vastgesteld door de gemeenteraad op 7 maart 2017. Indien de gemeentelijke beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan het gewijzigde parkeerbeleid zoals geldend ten tijde van de aanvraag voor een omgevingsvergunning;
  • d. de parkeervoorzieningen als bedoeld onder a en b dienen in stand te worden gehouden.

6.3.3 Voorwaardelijke verplichting sanering en nader onderzoek

Het bouwen van gebouwen en het gebruik van de voor 'Wonen - Ruimte voor Ruimte' aangewezen gronden, zoals bedoeld in artikel 6.1, is uitsluitend toegestaan voor zover met betrekking tot het hele gebied van de bestemmingsplanwijziging voldoende aannemelijk gemaakt is dat sanerende en/of beschermende maatregelen worden getroffen met betrekking tot de grond waar de maximale toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden. Hiertoe dient te worden voldaan aan het navolgende:

  • a. De grond op het noordelijke deel van de locatie, ten noorden van de stallen en bedrijfswoning, is mogelijk sterk verontreinigd met zware metalen met een omvang van 302 m³ en ter plaatse zijn stukjes asbesthoudend materiaal op het maaiveld aangetroffen. Voorafgaand aan de herontwikkelingswerkzaamheden dient een aanvullend onderzoek worden uitgevoerd om de huidige kwaliteit van de bodem in beeld te brengen en vast te stellen of er (aanvullende) saneringswerkzaamheden nodig zijn om de locatie geschikt te maken voor het gebruik “wonen met tuin” voor dit deel van de locatie.
  • b. De 4 drupzones, die zijn verontreinigd met asbest, dienen te worden gesaneerd.
  • c. Ter plaatse van het op één na zuidelijkste stal dient, voorafgaand aan de herontwikkelingswerkzaamheden een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd middels een SEM-analyse om het gehalte aan respirabele vezels te bepalen. Indien het gehalte aan respirabele vezels de risiconorm overschrijdt zal deze druppelzone gesaneerd moeten worden.
  • d. Het op de locatie aanwezige deels ingestorte asbesthoudend dak en overige asbesthoudende daken dienen door een erkend bedrijf te worden gesaneerd.
  • e. De sterke verontreiniging met minerale olie (± 22 m³) dient te worden gesaneerd.

6.3.4 Voorwaardelijke verplichting waterberging
  • a. Het bouwen van nieuwe bouwwerken en/of aanleggen van nieuwe verhardingen met een (gezamenlijke) oppervlakte van meer dan 50 m² is uitsluitend toegestaan indien op eigen terrein wordt voorzien in een voorziening voor de berging van hemelwater met een capaciteit van ten minste 1,5 m³ per 100 m² bebouwd oppervlak;
  • b. Het bouwen van nieuwe bouwwerken en/of aanleggen van nieuwe verhardingen met een (gezamenlijke) oppervlakte van meer dan 500 m² is uitsluitend toegestaan indien op eigen terrein wordt voorzien in een voorziening voor de berging van hemelwater met een capaciteit van ten minste 6 m³ per 100 m² bebouwd oppervlak;
  • c. De bouwwerken en verhardingen zoals bedoeld in sub a en sub b mogen uitsluitend worden gebruikt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.1 indien de voorziening voor de berging van hemelwater in stand wordt gehouden.

6.3.5 Voorwaardelijke verplichting spuitzonering

Het gebruiken van de voor 'Wonen' aangewezen gronden, zoals bedoeld in artikel 6.1, is uitsluitend toegestaan nadat, voor zover op basis van een in lid 6.2.4 bedoeld onderzoek is gebleken dat maatregelen noodzakelijk zijn, deze maatregelen gerealiseerd zijn en duurzaam in stand worden gehouden.

6.3.6 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van:

  • a. gronden en/of bouwwerken voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten;
  • b. gronden en/of bouwwerken voor detailhandel anders dan bedoeld in 6.3.7;
  • c. gronden en/of bouwwerken voor verblijfsrecreatie;
  • d. gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  • e. bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning.

6.3.7 Aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid

De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep en van lichte bedrijvigheid is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% voor aan huis verbonden beroepen en 50% voor lichte bedrijvigheid van de vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m²;
  • b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  • c. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep of de lichte bedrijvigheid;
  • d. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving waarbij geldt dat deze past in categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 2);
  • e. de woonfunctie dient de hoofdfunctie te blijven;
  • f. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
6.4 Afwijken van de gebruiksregels
6.4.1 Bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen de woning en/of bijbehorende bouwwerken bij de woning voor bed & breakfast-voorzieningen, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorzieningen worden gerealiseerd binnen de conform 6.2 toegestane bebouwing;
  • b. het maximaal aantal personen dat logies en ontbijt kan worden geboden is vier;
  • c. parkeren vindt plaats op eigen terrein;
  • d. er is geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • e. aangetoond is dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen bestaan, waaronder in ieder geval wordt begrepen belemmeringen in verband met geurhinder;
  • f. geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van om- en aanwonenden.

Artikel 7 Wonen - Ruimte voor Ruimte

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - Ruimte voor Ruimte' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in woningen;
  • b. aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid zoals bedoeld in 7.3.8;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. tuinen, erven en parkeervoorzieningen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Toegestane bebouwing
  • a. Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals woningen met bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken.
  • b. Per aangeduid bouwvlak is maximaal het op de verbeelding aangegeven aantal woningen toegestaan.
  • c. Wat betreft de toegestane woningtypologie geldt het volgende:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn vrijstaande woningen toegestaan, met dien verstande dat maximaal één vrijstaande woning per bouwvlak is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn twee-aaneengebouwde woningen toegestaan.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - vergunningvrij bouwen uitgesloten bij twee-aaneen' dienen deze gronden niet te worden beschouwd als 'erf' in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidde op het moment van ter visie legging van het ontwerp van dit plan;
  • e. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – aangebouwde bijbehorende bouwwerken uitgesloten bij twee-aaneen' mogen geen aangebouwde bijbehorende bouwwerken worden gebouwd waardoor het hoofdgebouw van twee-aaneengebouwde woningen wordt vergroot.

7.2.2 Maatvoering

Met betrekking tot de maatvoering van gebouwen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, dient aan het volgende te worden voldaan:

Hoofdgebouw van de woning   Minimaal   Maximaal  
het hoofdgebouw dient te worden opgericht binnen het bouwvlak, waarbij de voorgevel dient te zijn gericht op de figuur 'gevellijn' van het betreffende bouwvlak   -   -  
goothoogte   niet van toepassing   4 meter  
bouwhoogte   niet van toepassing   8 meter  
inhoud   niet van toepassing   900 m³ voor vrijstaande woningen, 450 m³ voor twee-aaneengebouwde woningen  
dakhelling   12°   45°  

Bijbehorende bouwwerken   Minimaal   Maximaal  
afstand tot de zijdelingse, voorste en achterste perceelsgrens   3 meter; voor bijbehorende bouwwerken geldt dat de afstand tot een van de zijdelingse bouwperceelsgrenzen minder dan 3 meter mag bedragen   niet van toepassing  
gezamenlijke oppervlakte per woning   niet van toepassing   90 m², waarbij de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken zijnde tezamen, maximaal 90 m² mag bedragen  
goothoogte   niet van toepassing   3,25 meter  
bouwhoogte   niet van toepassing   5,5 meter  
afstand bijbehorende bouwwerken tot voorgevel woning of verlengde daarvan   minimaal 3 meter achter voorgevel woning of verlengde daarvan   niet van toepassing  
afstand vrijstaande bijbehorende bouwwerken tot achtergevel woning of verlengde daarvan   niet van toepassing   15 meter  
dakhelling   12°   45°  

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Maximaal  
hoogte erfafscheidingen   vóór voorgevel woning of verlengde daarvan: 1 meter;
overige: 2 meter  
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   2,5 meter  
gezamenlijke oppervlakte per woning   30 m², waarbij de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken tezamen, maximaal 90 m² mag bedragen  

7.2.3 Voorwaardelijke verplichting spuitzonering

Bij het indienen van de omgevingsvergunning voor bouwen van een hoofdgebouw dient door middel van een locatie specifiek onderzoek inzake spuitzones te worden aangetoond dat wonen ter plaatse aanvaardbaar is, al dan niet middels het treffen van maatregelen.

7.3 Specifieke gebruiksregels
7.3.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het is verboden de bouwwerken als bedoeld in 7.2 te gebruiken indien de landschappelijke inpassing, daaronder mede begrepen de aanleg van een natuurvriendelijke oever, niet binnen 1,5 jaar na gereed komen van de eerste woning is aangelegd conform het in Bijlage 1 opgenomen landschappelijk inpassingsplan en/of na realisatie niet in stand wordt gehouden.

7.3.2 Voorwaardelijke verplichting parkeren

De gronden en de gebouwen mogen uitsluitend conform het bepaalde in 7.1 in gebruik genomen worden mits:

  • a. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, zijde tenminste twee parkeerplaatsen per wooneenheid;
  • b. in het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • c. voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid dient te worden voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Cranendonck, zoals opgenomen in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2016, vastgesteld door de gemeenteraad op 7 maart 2017. Indien de gemeentelijke beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan het gewijzigde parkeerbeleid zoals geldend ten tijde van de aanvraag voor een omgevingsvergunning;
  • d. de parkeervoorzieningen als bedoeld onder a en b dienen in stand te worden gehouden.

7.3.3 Voorwaardelijke verplichting sloop

Het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de bouwwerken en gronden op de voor 'Wonen - Ruimte voor Ruimte' aangewezen gronden, zoals bedoeld in artikel 7.1, is alleen toegestaan als alle bebouwing, die conform het in Bijlage 1 opgenomen landschappelijk inpassingsplan dient te worden gesloopt, binnen 6 maanden na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan is gesloopt.

7.3.4 Voorwaardelijke verplichting sanering en nader onderzoek

Het bouwen van gebouwen en het gebruik van de voor 'Wonen - Ruimte voor Ruimte' aangewezen gronden, zoals bedoeld in artikel 7.1, is uitsluitend toegestaan voor zover met betrekking tot het hele gebied van de bestemmingsplanwijziging voldoende aannemelijk gemaakt is dat sanerende en/of beschermende maatregelen worden getroffen met betrekking tot de grond waar de maximale toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden. Hiertoe dient te worden voldaan aan het navolgende:

  • a. De grond op het noordelijke deel van de locatie, ten noorden van de stallen en bedrijfswoning, is mogelijk sterk verontreinigd met zware metalen met een omvang van 302 m³ en ter plaatse zijn stukjes asbesthoudend materiaal op het maaiveld aangetroffen. Voorafgaand aan de herontwikkelingswerkzaamheden dient een aanvullend onderzoek worden uitgevoerd om de huidige kwaliteit van de bodem in beeld te brengen en vast te stellen of er (aanvullende) saneringswerkzaamheden nodig zijn om de locatie geschikt te maken voor het gebruik “wonen met tuin” voor dit deel van de locatie.
  • b. De 4 drupzones, die zijn verontreinigd met asbest, dienen te worden gesaneerd.
  • c. Ter plaatse van het op één na zuidelijkste stal dient, voorafgaand aan de herontwikkelingswerkzaamheden een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd middels een SEM-analyse om het gehalte aan respirabele vezels te bepalen. Indien het gehalte aan respirabele vezels de risiconorm overschrijdt zal deze druppelzone gesaneerd moeten worden.
  • d. Het op de locatie aanwezige deels ingestorte asbesthoudend dak en overige asbesthoudende daken dienen door een erkend bedrijf te worden gesaneerd.
  • e. De sterke verontreiniging met minerale olie (± 22 m³) dient te worden gesaneerd.

7.3.5 Voorwaardelijke verplichting waterberging
  • a. Het bouwen van nieuwe bouwwerken en/of aanleggen van nieuwe verhardingen met een (gezamenlijke) oppervlakte van meer dan 50 m² is uitsluitend toegestaan indien op eigen terrein wordt voorzien in een voorziening voor de berging van hemelwater met een capaciteit van ten minste 1,5 m³ per 100 m² bebouwd oppervlak;
  • b. Het bouwen van nieuwe bouwwerken en/of aanleggen van nieuwe verhardingen met een (gezamenlijke) oppervlakte van meer dan 500 m² is uitsluitend toegestaan indien op eigen terrein wordt voorzien in een voorziening voor de berging van hemelwater met een capaciteit van ten minste 6 m³ per 100 m² bebouwd oppervlak;
  • c. De bouwwerken en verhardingen zoals bedoeld in sub a en sub b mogen uitsluitend worden gebruikt overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.1 indien de voorziening voor de berging van hemelwater in stand wordt gehouden.

7.3.6 Voorwaardelijke verplichting spuitzonering

Het gebruiken van de voor 'Wonen - Ruimte voor Ruimte' aangewezen gronden, zoals bedoeld in artikel 7.1, is uitsluitend toegestaan nadat, voor zover op basis van een in lid 7.2.3 bedoeld onderzoek is gebleken dat maatregelen noodzakelijk zijn, deze maatregelen gerealiseerd zijn en duurzaam in stand worden gehouden.

7.3.7 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van:

  • a. gronden en/of bouwwerken voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten;
  • b. gronden en/of bouwwerken voor detailhandel anders dan bedoeld in 7.3.8;
  • c. gronden en/of bouwwerken voor verblijfsrecreatie;
  • d. gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  • e. bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning.

7.3.8 Aan-huis-verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid

De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep en van lichte bedrijvigheid is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% voor aan huis verbonden beroepen en 50% voor lichte bedrijvigheid van de vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m²;
  • b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  • c. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep of de lichte bedrijvigheid;
  • d. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving waarbij geldt dat deze past in categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 2);
  • e. de woonfunctie dient de hoofdfunctie te blijven;
  • f. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
7.4 Afwijken van de gebruiksregels
7.4.1 Bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen de woning en/of bijbehorende bouwwerken bij de woning voor bed & breakfast-voorzieningen, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de voorzieningen worden gerealiseerd binnen de conform 7.2 toegestane bebouwing;
  • b. het maximaal aantal personen dat logies en ontbijt kan worden geboden is vier;
  • c. parkeren vindt plaats op eigen terrein;
  • d. er is geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • e. aangetoond is dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen bestaan, waaronder in ieder geval wordt begrepen belemmeringen in verband met geurhinder;
  • f. geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van om- en aanwonenden.

Artikel 8 Waarde - Beschermingszone natte natuurparel

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Beschermingszone natte natuurparel' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige toestand, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuurwaarden in het aangrenzende natuurgebied.

8.2 Bouwregels

Op de tot 'Waarde - Beschermingszone natte natuurparel' bestemde gronden zijn bouwwerken toegestaan conform de daar voorkomende bestemmingen.

8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te (doen) voeren:

  • a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 cm onder maaiveld, een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;
  • b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage;
  • c. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  • d. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m².

8.3.2 Uitzonderingen

Het onder 8.3.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan aanlegvergunning is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en beheer;
  • d. welke worden uitgevoerd ter plaatse van een bouwvlak;
  • e. welke worden uitgevoerd voor de realisatie van het in Bijlage 1 opgenomen landschappelijk inpassingsplan, daaronder begrepen de realisatie van een natuurvriendelijke oever.

8.3.3 Toetsing aan aanwezige waarden

De in 8.3.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de hydrologische situatie in het aangrenzende (natte) natuurgebied ontstaat.

Artikel 9 Waterstaat - Beek

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Beek' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

  • a. de aanleg, het onderhoud en de instandhouding van hoofdwatergangen;
  • b. oppervlaktewater;
  • c. retentie van water;
  • d. wateraanvoer en waterafvoer;
  • e. behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke en ecologische waarden van de beek.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Toegestane bebouwing

Op de voor 'Waterstaat - Beek' aangewezeb gronden mogen uitsluitend worden opgericht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de doeleinden omschreven in 9.1, met een bouwhoogte van maximaal 2 m.

9.3 Afwijken van de bouwregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2 teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming toe te staan, mits de waarde van de beken niet onevenredig wordt aangetast. Hierover wordt voor de verlening van de omgevingsvergunning door burgemeester en wethouders advies ingewonnen bij het waterschap.
  • b. Bij de toepassing van de onder a. bedoelde bevoegdheid zijn de regels van de betreffende andere bestemming(en) van toepassing.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene bouwregels

11.1 Afwijkende maatvoering

Bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die zijn opgericht in overeenstemming met de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, maar in afwijking van dit bestemmingsplan, zijn toegestaan.

11.2 Hydrologisch neutraal ontwikkelen

Uitbreidingen van verhard oppervlak vinden plaats volgens het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft. Om de aard en omvang van de benodigde maatregelen vast te stellen, dient advies te worden ingewonnen bij het Waterschap De Dommel.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van lid 12.1 onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 12.1 onder a met maximaal 10%.
  • c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'Het Laar 19-19a te Maarheeze'.