direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, De Plak 80, Bemmel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1705.326-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De eigenaresse (hierna: initiatiefnemer) van het perceel De Plak 80-80a te Bemmel wil de bestaande feitelijk aanwezige bedrijfswoning wijzigen naar een burgerwoning. Ter plaatse wordt geen autobedrijf meer uitgeoefend en initiatiefnemer wenst de woning daarom als burgerwoning met bijbehorende bouwwerken te gebruiken en de bedrijfsactiviteiten te staken.

Daarnaast is de bedrijfswoning in het geldende bestemmingsplan 'Kom Bemmel' per abuis niet bestemd. Daarmee is de feitelijke aanwezige woning planologisch gezien niet aanwezig. Deze omissie wordt met onderhavig plan hersteld.

Het initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan. Derhalve is gekozen om via een TAM-omgevingsplan het plan te realiseren. In het kader van het verzoek van de eigenaar heeft de Omgevingsdienst Regio Arnhem op 17 oktober 2023 (toegezonden per brief d.d. 17 oktober 2023 met kenmerk ODRA23V0287) op basis van het ingediende 'verzoek om vooroverleg' aangegeven mogelijkheden te zien voor het omzetten van de bedrijfsfunctie naar wonen met een kleinschalig bedrijf aan huis (max 45 m²) op de gronden behorende bij De Plak 80/80a te Bemmel. Deze brief en het feit dat het zeer wenselijk is voor de initiatiefnemer om de omissie met betrekking tot de (bedrijfs)woning te herstellen, vormt de aanleiding voor het opstellen van dit TAM-omgevingsplan.

1.2 Ligging plangebied

In de huidige situatie heeft het plangebied een bedrijfsbestemming en is gelegen aan de Plak 80/80a te Bemmel. Het plangebied maakt onderdeel uit van kadastraal perceel gemeente Bemmel sectie L nummer 803 dat in totaal 3.480 m² groot is. Ter plaatse staat een vrijstaande woning met bijgebouw. De betreffende woning is eenvoudig van aard en bestaat uit een bouwlaag met een kap. De woning is aangewezen als gemeentelijk monument. Het deel van het kadastraal perceel dat niet in het plangebied valt is bestemd voor agrarisch met waarden - oeverwallen.

Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0001.png"

Globale ligging plangebied (rode cirkel)

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0002.png"

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

De gronden van het beoogde woonperceel zijn op huidig moment in gebruik als woonperceel. De bestaande bebouwing blijft ongewijzigd bestaan. Het perceel is gelegen aan de van De Plak, aan de noordelijke rand van de kern van Bemmel waar de overgang naar het buitengebied begint. Deze straat is één van de structuurdragers en ontsluitingswegen van het dorp. De nabijgelegen woningen zijn ruim opgezette vrijstaande woningen gebouwd in landelijke stijl. Aan de noordzijde van het kadastrale perceel waar het plangebied onderdeel van is bevinden zich agrarische gronden.

1.3 Vigerend omgevingsplan

Voor de gronden in het plangebied geldt het tijdelijk omgevingsplan gemeente Bemmel, in werking getreden op 1 januari 2024. Dit tijdelijke omgevingsplan omvat het voormalig bestemmingsplan 'Kom Bemmel', zoals de gemeenteraad van de gemeente Lingewaard dat gewijzigd heeft vastgesteld op 21 juni 2011. Daarnaast omvat het eveneens het voormalig bestemmingsplan 'Herstelplan komplannen Lingewaard' zoals de gemeenteraad van de gemeente Lingewaard dat heeft vastgesteld op 23 november 2017.

Ter plaatse van het plangebied geldt de bestemming 'Bedrijf' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 4'. Daarnaast ligt binnen het plangebied de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0003.png"

Uitsnede tijdelijk omgevingsplan met globale begrenzing plangebied (paars vlak, aangevuld met deel binnen witte stippellijn)

Er is per abuis geen bedrijfswoning bestemd, maar deze woning had wel als zodanig bestemd moeten zijn. Op basis van het overgangsrecht mag deze woning echter als bedrijfswoning worden gebruikt.

Om de omissie met betrekking tot de bedrijfswoning te herstellen en tegelijkertijd deze bedrijfswoning om te kunnen zetten naar een burgerwoning met bijbehorende bouwwerken, zal van het tijdelijke omgevingsplan moeten worden afgeweken om het bewonen van de feitelijk aanwezige woning als burgerwoning mogelijk te maken.

Vandaar dat in de onderhavige motivering wordt onderbouwd dat, ondanks dat het plan op onderdelen niet passend is binnen de regeling van het tijdelijke omgevingsplan, sprake is van een ruimtelijk en stedenbouwkundig aanvaardbare situatie waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.4 Leeswijzer

Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planafwijking beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied, waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen.

Toets omgevingsplan
In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht.

Verantwoording
Hoofdstukken 4, 5 en 6 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieu- en omgevingsaspecten uiteengezet en wordt het geplande programma beschreven.

Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 7) gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de resultaten van de omgevingstafel, het vooroverleg en het participatietraject.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen ter plaatse van de Plak 80/80a, aan de noordkant van Bemmel in de overgang van het dorp naar het buitengebied. De Plak vormt een ontsluitingsweg richting het buitengebied en Elst, Huissen en Arnhem. Het beoogde woonperceel bestaat uit één bedrijfswoning met bijgebouw. De woning is via een eigen inrit vanaf De Plak toegankelijk. Vanaf het plangebied vormt de straat de uitloper van het dorp naar het buitengebied. De aan deze weg gelegen bebouwing bestaat dan overwegend uit 1 bouwlaag met een kap en laat zich kenmerken door een grote diversiteit. Traditionele eengezinswoningen wisselen zich af met indrukwekkende boerderijen en woningen van een meer modernere aard. Opvallend is de luchtige korrel, de bebouwing staat op enige afstand van elkaar. Op navolgende afbeeldingen zijn impressies van de bedrijfswoning het plangebied en de omliggende bebouwing weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0004.png"

Impressie bedrijfswoning

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0005.png"

Impressie van het plangebied

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt het perceel aan De Plak 80-80a voorzien van een woonbestemming, opdat de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Het autobedrijf is niet meer ter plaatse aanwezig en de bedrijfsbestemming inclusief de bedrijfswoning zijn niet meer noodzakelijk en passend. Door de omzetting wordt voorkomen dat de bedrijfswoning in de toekomst leeg komt te staan. Burgerwoningen zijn geen gebiedsvreemde functie maar juist zeer passend in de omgeving.

Met de beoogde wijziging blijft de bestaande bebouwing gehandhaafd. Er vinden geen sloop en/of bouwwerkzaamheden plaats. De bestaande woning met bijgebouwen blijft behouden. Daarnaast blijft ook de huidige toegang tot het perceel bestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0006.png"

Wel wijzigt er door de aankoop van enkele restpercelen en de gemeentelijke voorwaarden voor medewerking aan de functiewijziging iets aan de inrichting van het perceel. Aan de achterzijde (=noordzijde) van het perceel wordt circa 400 m² terreinverharding verwijderd. Als afscheiding van het perceel aan de noordzijde wordt hier een nieuwe geschoren haag aangeplant van maximaal 1,8 m hoog. Daarnaast worden er langs de westzijde, in het verlengde van de bestaande haag, 4 nieuwe bomen geplant ter landschappelijke inpassing aan deze zijde. Ook aan de zuidwestzijde van de huidige voortuin wordt de bestaande haag verwijdert en vervangen door een nieuw stuk haag dat op de erfgrens wordt geplaatst.

Het wijzigen naar de functie wonen sluit aan bij de woonbestemming van alle nabijgelegen woningen binnen het bestemmingsplan 'Kom Bemmel' en doet recht aan het huidige gebruik en inrichting. Het wijzigen van de functie naar een woonfunctie zal ten goede komen aan het straatbeeld omdat er ter plaatse geen autobedrijf voor reparatie en verkoop kan worden gerealiseerd. Het verdwijnen van de bijbehorende bedrijvigheid past beter in de rustige woonomgeving aan de rand van het dorp.

2.3 ETFAL

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit staat in artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Hoofdstuk 3 Juridische toelichting

3.1 Inleiding

Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het bestemmingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht.

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. Een burgerwoning op deze locatie past niet in het tijdelijke deel onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Kom Bemmel', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan.

Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden.

In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen.

3.2 Opbouw van de regels

In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk is vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken.

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Lingewaard Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan De Plak. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling van De Plak 80-80a.

Hoofdstuk 2: Specifieke regels over functies
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP), en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.

Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor De Plak 80-80a is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Lingewaard, meer specifiek de bestemmingsplannen 'Kom Bemmel' en 'Herstelplan komplannen Lingewaard'. In dit geval is de functie 'Wonen' overgenomen. Daarnaast is het noordelijk deel van het plangebied voorzien van de functie 'Agrarisch met waarden - Oeverwallen' in aansluiting op het bestemmingsplan 'Buitengebied Lingewaard'. De regels uit beide bestemmingsplannen zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

Hoofdstuk 3: Algemene regels over functies
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van het plangebied.

Hoofdstuk 4: Regels ter bescherming van waarden en objecten
In dit hoofdstuk zijn de voormalige dubbelbestemmingen opgenomen. In dit geval betreft het een gebiedsaanwijzing voor de bescherming van de ter plaatse aanwezige gasleiding en een gebiedsaanwijzing voor archeologie.

Hoofdstuk 5: Overgangsregels
In dit hoofdstuk is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige TAM-omgevingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. Evenmin is het toegestaan om het bouwwerk geleidelijk aan helemaal te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en bepalen dat bestaande afwijkingen mogen worden vergroot voor een uitbreiding van de bebouwing met maximaal 10%. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het overgangsrecht.

Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het gebruik dat strijdig is met het onderhavige plan, mag worden gecontinueerd. Verandering van het gebruik is niet toegestaan, tenzij de afwijking naar haar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik voor een periode van langer dan 1 jaar wordt onderbroken, mag dit gebruik niet meer worden hervat. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige bestemmingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Het overgangsrecht is op deze situaties niet van toepassing.

Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.

3.3 Functies

Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren weergegeven. Voorts zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen.

Artikel 6 Agrarisch met waarden - Oeverwallen
Het achterste deel van het voormalige bedrijfsperceel krijgt de functie 'Agrarisch met waarden - Oeverwallen'. Deze gronden mogen gebruikt worden voor hobbymatig agrarisch gebruik en zijn mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van landschappelijke waarden.

Op deze agrarische gronden mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gerealiseerd. Daarnaast zijn burgemeester en wethouders bevoegd om onder voorwaarden een omgevingsvergunning te verlenen voor schuilhutten.

Artikel 7 Wonen
De gronden binnen de functie 'Wonen' zijn aangewezen voor één vrijstaande woning binnen het plangebied. Voor de situering en maatvoering van de woning zijn er bepalingen opgenomen met betrekking tot:

Bouwwijze
Op de verbeelding is aangeduid welk type woning binnen de bouwvlakken zijn toegestaan, in dit geval per bouwvlak 1 vrijstaande woning.

Goot- en bouwhoogte
De maximum goot- en bouwhoogte voor woningen is aangegeven in het bouwvlak door middel van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'.

Situering gebouwen
Om de toekomstige situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing “gezoneerd”. Voor de woning is op de verbeelding en in de regels onderscheid gemaakt in een bouwvlak, een aanduiding erf en een onbenoemd deel, meestal de voor- en zijtuinen. Deze zonering biedt de belangrijkste vorm van rechtszekerheid tussen de eigenaren van bouwpercelen onderling. Het hoofdgebouw is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding “bouwvlak”.

Bijgebouwen en overkappingen zijn zowel binnen het bouwvlak als ter plaatse van de aanduiding “erf” toegestaan.

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Ten aanzien van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is als uitgangspunt gehanteerd dat deze op het gehele bouwperceel zijn toegestaan. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen varieert afhankelijk van de ligging.

Aan huis verbonden beroep/ bedrijf
Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten, die qua functie ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. In het verleden werd hiervoor het onderscheid gemaakt tussen aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden bedrijven.

In dit plan is ervoor gekozen om de mate van publieksaantrekkende werking van de activiteiten als relevant onderscheid te hanteren tussen activiteiten die wel gewenst zijn in een woonomgeving en activiteiten die onder omstandigheden gewenst kunnen zijn in een woonomgeving. De 'niet-publieksgerichte aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteit' is rechtstreeks mogelijk, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. De 'publieksaantrekkende beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis' is niet mogelijk.

Het onderscheid richt zich zoals vermeld op het al dan niet publieksaantrekkend zijn van de activiteit. Hierbij is ervan uitgegaan dat een niet-publieksaantrekkende activiteit (geen verkeersaantrekkende werking/ geen parkeerdruk) doorgaans zonder problemen in een woning zal kunnen plaatsvinden. Het betreft activiteiten met een introvert karakter, die inherent zijn aan de woonfunctie, zoals kantoorfuncties en ateliers.

Uitgangspunt is dat geen milieuvergunningplichtige bedrijven worden toegestaan. Dit is van belang om te voorkomen dat activiteiten kunnen plaatsvinden, die weliswaar geen publieksaantrekkend karakter hebben, maar die in verband met milieuaspecten niet bij de woonfunctie passen. De aan huis verbonden functies zijn toegestaan in de woning en de bijbehorende bouwwerken.

Artikel 10 Leiding - Gas
De gronden binnen de gebiedsaanwijzing 'Leiding - Gas' zijn mede aangewezen voor de aanleg en instandhouding van de daar gelegen gastransportleidingen. Deze regeling is overgenomen uit het bestemmingsplan 'Kom Bemmel'.

Ter plaatse van deze gronden mogen - zonder omgevingsvergunning waarbij moet worden voldaan aan voorwaarden - geen gebouwen worden gebouwd. Tevens is vastgelegd dat voor verschillende werkzaamheden zoals het aanleggen van wegen, paden, beplanting, heiwerkzaamheden e.d. een omgevingsvergunning is vereist.

Artikel 11 Waarde - Archeologie 3
Ter bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische (verwachtings)waarde is, in aansluiting op de gemeentelijke beleidskaart archeologie, een beschermende regeling opgenomen in de vorm van een gebiedsaanwijzing voor het hele plangebied.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het actuele algemene ruimtelijke beleidskader behandeld met conclusies over de betekenis van het beleidskader voor het plangebied. Het specifieke sectorale beleid gericht op bepaalde thema's komt in Hoofdstuk 6 Onderzoek aan bod.

4.1 Nationaal beleid en regelgeving

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.

De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:

  • Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;
  • Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

4.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. De instructieregels gaan over:

  • Algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1);
  • Waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • Beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • Beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5);
  • Behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6);
  • Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7);
  • Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:

  • Voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen;
  • Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's;
  • Lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool;
  • Bebouwingscontour jacht;
  • Bebouwingscontour houtkap.

Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.

In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op voor dit plangebied van toepassing zijnde instructieregels.

4.1.3 Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

4.2 Provinciaal & regionaal beleid en regelgeving

4.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten van Gelderland de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid.

De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Er zal in onderling overleg gezocht moeten worden naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden voor deze vraagstukken. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen worden uitgebreid.

De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken.

Planspecifiek
Voor het onderhavige plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Aangezien in het plangebied geen nieuwe planologische ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, is het plan passend binnen de omgevingsvisie. Bovendien zorgt de reductie van de planologische mogelijkheden voor een verbetering van de milieusituatie ten gunste van de kwaliteit van de leefomgeving voor de omliggende (burger)woningen.

De Omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De Omgevingsvisie vormt geen belemmering voor de nieuw te bouwen woning.

4.2.2 Omgevingsverordening provincie Gelderland

Op 27 december 2023 is de Omgevingsverordening provincie Gelderland gepubliceerd. Deze is in werking getreden op 2 januari 2024.

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Uitgangspunt voor de gestelde regels en de toepassing daarvan vormen de ambities van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, de vertaling van die ambities in de Kadernota Gaan voor Gaaf en de maatschappelijke doelen, genoemd in artikel 1.3 van de Omgevingswet.

Wonen

Op grond van artikel 5.63 dienen de gemeentebesturen per regio samen met Gedeputeerde Staten een regionale woonagenda op te stellen. De woonagenda dient afspraken te bevatten over:

  • a. het versnellen van de woningbouw;
  • b. het duurzaam bouwen van woningen;
  • c. het bouwen van betaalbare woningen;
  • d. het bouwen van flexibele woningen;
  • e. het toekomstbestendig maken van bestaande woningvoorraad.

Ten aanzien van 'wonen' is in artikel 5.64 opgenomen dat in een omgevingsplan alleen nieuwe woningen worden toegelaten wanneer deze ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda.

Planspecifiek
Onderhavig plan maakt geen extra woningen mogelijk. Het bestaande aantal woningen blijft gelijk. Met de beoogde ontwikkeling wordt enkel de omzetting van één bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk gemaakt.

Op basis van de omgevingsverordening is het plangebied gelegen binnen de 'Gelderse streek Land van Maas en Waal'. Op basis van artikel 5.39 van de omgevingsverordening dient bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Het accent van de te beschermen kernkwaliteiten ligt op het buitengebied. Onderhavig planvoornemen betreft de omzetting van één bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Het plan raakt derhalve de vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen niet.

In de omgevingsverordening zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Vandaar dat de omgevingsverordening geen belemmering vormt voor de planrealisatie.

Het TAM-Omgevingsplan is daarmee tevens passend in de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Lingewaard

De omgevingsvisie beschrijft de strategische koers voor de lange termijn voor de leefomgeving van de gemeente. Het toekomstbeeld voor de gemeente Lingewaard in 2035 bestaat onder andere uit:

Groei van de kernen
De kernen zijn nog steeds herkenbaar en niet aan elkaar gegroeid tot één geheel. Nieuwe woningen zijn in en aan de kernen gebouwd. Iedereen die in Lingewaard opgroeit kan er blijven wonen en er zijn voldoende woningen in diverse prijsklassen. De kernen zijn ingericht om drie generaties te bedienen voor wonen en ontmoeten. Dit versterkt de saamhorigheid. Hierdoor wordt het dorpse gevoel vastgehouden: betrokkenheid bij elkaar en bij de leefomgeving. Er is rekening gehouden met de landelijke trend van vergrijzing en de gevolgen voor de behoeften aan bereikbaarheid van voorzieningen en zorg. Het woning- en voorzieningenaanbod is hierop aangepast. Lingewaard telt in 2035 zo’n 50.000-55.000 inwoners. Dat zijn er 3.000 tot 8.000 meer dan nu. De verstedelijking is gematigd en passend bij de kwaliteit van de leefomgeving van Lingewaard.

Groen is in en om de kernen toegankelijk
Een gezonde leefomgeving kent naast prettige woonkernen een stevige groenstructuur tussen de woon- en werkgebieden. Op een paar minuten van huis is er groen en kun je mooi wandelen of joggen. In de groenstructuur tussen de woonkernen zijn er plekken om de vrije tijd door te brengen. Park Lingezegen is dé groene buffer tussen de steden Arnhem en Nijmegen.

Planspecifiek
Het plangebied is gelegen aan de rand van Bemmel in de overgang naar het buitengebied. Het voorliggende TAM-omgevingsplan maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk. De bestaande bebouwing blijft behouden net als de omgevingskarakteristiek. De groenstructuur wordt aangepast in lijn met de woonfunctie, waarbij een deel van de terreinverharding wordt verwijderd. Het wijzigen van de bedrijfsbestemming naar wonen sluit aan op de visie om gezonde en leefbare wijken te realiseren. De bestaande structuren worden gerespecteerd en blijven ongewijzigd waardoor de overgang tussen de geconcentreerde bebouwing in de kern van Bemmel en het buitengebied met de bestaande groenstructuren en openheid gehandhaafd blijft.

4.3.2 Nota Wonen 2020 - 2025

De Nota Wonen beschrijft het door de gemeente Lingewaard te voeren woonbeleid in de periode 2020 - 2025. De nota vormt het kader om samen met bewoners, zorginstellingen, ontwikkelaars, corporaties, huurdersorganisaties en andere overheden te zorgen dat inwoners, de juiste woning op de juiste plek en op het juiste moment beschikbaar hebben. De gemeente wil haar huidige en nieuwe inwoners de kans geven binnen de gemeente een wooncarrière te doorlopen. De gemeente ziet het als haar taak om naar vermogen alle inwoners passend en goed te huisvesten in een aantrekkelijk woonmilieu. Passend huisvesten houdt in dat het woningaanbod is afgestemd op de financiële mogelijkheden die mensen hebben. Goede huisvesting betekent dat ook in het betaalbare segment sprake is van een goede kwaliteit en toekomstwaarde van de woningen.

De belangrijkste thema's in de nota zijn:

  • Nieuwbouw: versneld en verantwoord;
  • Aanpak bestaande woningvoorraad;
  • Beschikbaarheid (sociale) huursector;
  • Specifieke doelgroepen: starters/jongeren, ouderen, wonen met zorg, overige doelgroepen.

Planspecifiek
Met het onderhavige TAM-omgevingsplan worden geen extra woningen mogelijk gemaakt. Het betreft de functieverandering van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de Nota Wonen.

4.3.3 Doelgroepenverordening

Op 9 maart 2023 heeft de gemeenteraad de 'Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Lingewaard 2023' vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening (Wro, artikel 3.1) biedt gemeenten de mogelijkheid om in een bestemmingsplan op te nemen dat bij een nieuwbouwplan een percentage van de woningbouw moet worden gerealiseerd in een bepaalde categorie. Een doelgroepenverordening waarin deze categorieën nader gedefinieerd worden, is dan noodzakelijk. De doelgroepenverordening biedt dus de juridische basis om woningbouwcategorieën in planregels te kunnen opnemen.

Planspecifiek
Met het onderhavige TAM-omgevingsplan worden geen extra woningen mogelijk gemaakt. Het betreft de functieverandering van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er zijn derhalve geen woningbouwcategorieën opgenomen in de regels van dit TAM-omgevingsplan.

4.3.4 Conclusie

Dit TAM-omgevingsplan is passend binnen het beleid van de verschillende overheden.

4.4 Conclusie

Het beleid van de verschillende overheidslagen heeft geen specifieke consequenties voor het plangebied.

Hoofdstuk 5 Programma

De beoogde ontwikkeling kent 2 functies:

Agrarisch met waarden - Oeverwallen
Het noordelijke deel van het plangebied wijzigt naar de functie 'agrarisch'. Ter plaatse wordt circa 400 m² terreinverharding verwijderd en dit deel van het plangebied krijgt vervolgens een agrarische functie (zonder bouwmogelijkheden) in aansluiting op het agrarische perceel direct ten noorden van het plangebied.

Wonen
Het plangebied wijzigt naar de functie 'wonen'. Hierdoor wordt mogelijk gemaakt dat de bestaande bedrijfswoning gebruikt kan worden als burgerwoning en dat de bedrijfsfunctie verdwijnt. Binnen de functie wonen wordt een bouwvlak opgenomen ter plaatse van de bestaande vrijstaande woning. Voor de situering en maatvoering zijn regels opgenomen waarbij middels de aanduiding 'maximum goothoogte (m) en maximum bouwhoogte (m)' de maximale goot- en bouwhoogte zijn aangegeven in het bouwvlak.

Het wijzigen van de bedrijfswoning naar een burgerwoning past binnen het beleid zoals dat reeds in Hoofdstuk 4 is toegelicht.

Hoofdstuk 6 Onderzoek

Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van technische onderzoeken met conclusies. Alleen de voor het plangebied relevante milieuaspecten wordt het beschreven.

Aan het eind van elke paragraaf volgt een conclusie met betrekking tot het aspect.

6.1 Verkeer en parkeren

6.1.1 Verkeer

Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief moet hieraan getoetst worden.

Het woonperceel wordt via een bestaande inrit ontsloten op De Plak. Het aantal voertuigbewegingen dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling gegenereerd wordt, neemt vanwege de functiewijziging van 'bedrijf' naar 'wonen' af, ten opzichte van de bestaande situatie.

Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze ruimtelijke ontwikkeling.

6.1.2 Parkeren

Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen hanteert de gemeente Lingewaard de 'Nota parkeernormen Lingewaard 2024', zoals de gemeenteraad deze heeft vastgesteld op 10 oktober 2024. Voor de woning in het plangebied geldt de parkeernorm zoals opgenomen in de onderstaande tabel (dit is inclusief 0,2 parkeerplaatsen voor bezoekers):

Functie   Aantal   Parkeernorm per woning   Totaal  
Vrijstaande woning   1   2,2   2,2  

Dit betekent dat op het woonperceel tenminste moet worden voorzien in 2,2 parkeerplaatsen, naar beneden afgerond (conform de afrondingsregels uit de Nota parkeernormen) tot 2 parkeerplaatsen. Dit is in de bestaande situatie reeds het geval en dit zal in de toekomstige situatie worden gehandhaafd.

Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.2 Bodem

6.2.1 Regelgeving

Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat bodem onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van de bodem (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). Daarnaast gelden er instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) die gemeenten in het omgevingsplan moeten verwerken. Het Bkl bepaalt voor bodem dat in het omgevingsplan:

  • regels en waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem worden opgenomen voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 5.89i t/m 5.89m Bkl);
  • moet worden gewaarborgd dat sanerende en beschermende maatregelen in stand worden gehouden, worden onderhouden of worden vervangen (artikel 5.89n Bkl);
  • bodembeheergebieden kunnen worden aangewezen voor het met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift afwijken van kwaliteitseisen (artikel 5.89o Bkl); en
  • de landbodem van het gemeentelijk grondgebied wordt ingedeeld in bodemfunctieklassen (landbouw en natuur/wonen/industrie) (artikel 5.89p Bkl).

Bodemgevoelige gebouwen
Een bodemgevoelig gebouw wordt in het Bkl omschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een gebouw wordt verstaan een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bodemgevoelige locaties
Een bodemgevoelige locatie is op basis van het Bkl in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.

De gemeente kan in het omgevingsplan aanvullende locaties aanwijzen als bodemgevoelige locatie, zoals kinderspeelplaatsen of moestuinen. In de gemeente zijn dergelijke locaties vooralsnog niet aangewezen.

Omgevingsplan
Een omgevingsplan bevat dus waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die per gebied of per gebruiksfunctie kunnen verschillen. Het uitgangspunt voor deze waardes zijn de interventiewaardes bodemkwaliteit, uit bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze waardes zijn wetenschappelijk onderbouwd en behoeven geen verdere motivering. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde bevatten dan de interventiewaardes, mits gemotiveerd en de waarden niet hoger zijn dan het humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR humaan, bijlage Vb Bkl). Ook mag niet leiden tot overschrijding van de toelaatbare concentraties in lucht (TCL) en geurdrempels (bijlage XIIIb Bkl).

Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Om te kunnen beoordelen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem uit het omgevingsplan is overschreden, is voorafgaand onderzoek naar de gesteldheid van de bodem nodig. Ingeval van een overschrijding van de waarden, is in het omgevingsplan opgenomen welke sanerende of beschermende maatregelen nodig zijn.

6.2.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Vanwege de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten in het plangebied en de functiewijziging naar wonen is een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar asbest uitgevoerd volgens NEN 5740 en NEN 5707. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij de motivering opgenomen.

A/D: schuur en opslag olie
In de bovengrond ter plaatse van de schuur en voormalige olieopslag is analytisch geen verontreiniging aangetoond met olie en/of vluchtige aromaten. Ook in het grondwater is analytisch geen verontreiniging aangetoond met olie en/of vluchtige aromaten.

De hypothese ‘verdachte locatie’ dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden.

C: olieafscheider
In de grond ter plaatse van de olieafscheider is analytisch geen verontreiniging aangetoond met olie en/of vluchtige aromaten. Ook in het grondwater is analytisch geen verontreiniging aangetoond met olie en/of vluchtige aromaten.

De hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden.

E: wasplaats
In de bovengrond ter plaatse van de wasplaats is analytisch een licht verhoogd gehalte aan koper, lood, nikkel en zink aangetoond. De overige geanalyseerde parameters zijn niet verhoogd aangetoond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen in de geanalyseerde parameters. De hypothese ‘verdachte locatie’ dient aangenomen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden.

F: vml. boomgaard
Ter plaatse van de voormalige boomgaard zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten DDD (SOM) en DDE (SOM) aangetoond. De overige geanalyseerde organochloorbestrijdingsmiddelen zijn niet verhoogd boven de achtergrondwaarde aangetoond. De hypothese ‘verdachte locatie’ dient aangenomen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden.

Overig terrein
In de bovengrond van het overig terrein zijn licht verhoogde gehalten cadmium, lood, zink, kobalt, koper, nikkel en PAK (10 VROM) aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond.

In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten molybdeen en naftaleen aangetoond. De overige geanalyseerde parameters zijn niet verhoogd aangetoond.

Zowel visueel als analytisch is geen asbest aangetoond. De grond is niet asbesthoudend. De hypothese ‘verdachte locatie’ met betrekking tot asbest dient verworpen te worden.

De hypothese ‘onverdachte locatie’ voor het overige terrein dient verworpen te worden vanwege het aantreffen van verontreiniging in de bovengrond en het grondwater, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden.

Het terrein is ons inziens op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik.

De eindsituatie, na het beëindigen van het autobedrijf en bijbehorende activiteiten op de locatie, is hiermee voldoende in kaart gebracht.

6.2.3 Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

 

6.3 Geluid

6.3.1 Regelgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels in afdeling 3.5 (o.a. normen) voor:

  • het geluid van geluidveroorzakende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en
  • het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied (van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, artikel 3.18 lid 1 Bkl).

Geluidgevoelige gebouwen
Het Bkl bevat in artikel 3.21 een definitie van geluidgevoelige gebouwen. Hier vallen gebouwen onder met een woonfunctie, een onderwijsfunctie, een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied) en kinderopvang (met bedgebied). Het Bkl bevat niet de mogelijkheid voor een gemeente om de definitie van geluidgevoelige gebouwen uit te breiden. Bij nieuwe ontwikkelingen moeten gemeenten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wel rekening houden met geluid op niet door het Bkl aangewezen gebouwen en locaties.

Geluidaandachtsgebieden
In het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een (spoor)weg of industrieterrein op een voor geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen binnen een geluidbronsoort. De waarden die bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor de geluidbronsoorten met een geluidproductieplafond (gpp) als omgevingswaarde gelden, staan in navolgende tabel:

Geluidbronsoort   Standaardwaarde (dB)
(tabel 3.34 Bkl)  
Grenswaarde (dB)
(tabel 3.35 Bkl)  
Provinciale wegen
Rijkswegen  
50 Lden   65 Lden  
Gemeentewegen
Waterschapswegen  
53 Lden   70 Lden  
Hoofdspoorwegen   55 Lden   70 Lden  
Industrieterreinen   50 Lden   60 Lden  
  40 Lnight   50 Lnight  

De geluidaandachtgebieden zijn - indien gepubliceerd - opgenomen op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG). Dit geluidsregister is op dit moment nog vrijwel leeg. Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 3.34 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 3.35 tot en met 3.40 Bkl). In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor het toelaten van een geluidgevoelig gebouw af te wijken van de standaardwaarden (vergelijkbaar met het hogere grenswaardenbesluit zoals we dat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kenden). Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats en gelden een aantal eisen. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als voldaan wordt aan een van de voorwaarden onder artikel 5.78z lid 1 onder a of b, 5.78z lid 2, 5.78ab lid 2, 5.78ac en 5.78ad Bkl.

Op grond van artikel 5.78i Omgevingswet hebben alle verharde wegen met een jaargemiddelde verkeersintensiteit van 1.000 motorvoertuigen of meer - los van de snelheid - ook een geluidaandachtsgebied, met uitzondering van woonerven.

Zolang er geen basisgeluidsemissies met bijbehorende aandachtsgebieden vast zijn gelegd geldt op grond van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling een geluidaandachtgebied waarbij bij een gemeentelijke weg of waterschapsweg de breedte van het geluidaandachtsgebied wordt bepaald door vaste afstanden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip:

Aantal rijstroken   Maximum snelheid weg (km/u)   Breedte zone (m)  
1 of 2   30 of minder   100  
1 of 2   meer dan 30   200  
3 of meer     350  

Geluid door activiteiten
Onder 'geluid door activiteiten' vallen nagenoeg alle activiteiten (zoals activiteiten van bedrijven). Het Bkl wijst in artikel 5.55 de activiteiten aan die er niet onder vallen. Zo bepaalt het Bkl dat de activiteit wonen geen geluidveroorzakende activiteit is. Het Bkl bevat zelf geen definitie van het begrip wonen, maar de toelichting bij het Bkl geeft aan dat een beroep of bedrijf aan huis en een 'uit de hand gelopen hobby' geen verband houden met de activiteit wonen. Dit is vergelijkbaar met de wetgeving voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet waar de milieuregels ook van toepassing zijn op activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn.

Het Bkl bepaalt in artikel 5.59 dat het omgevingsplan waarborgt dat het geluid veroorzaakt door een geluidveroorzakende activiteit (zoals activiteiten bij bedrijven) op een geluidgevoelig gebouw aanvaardbaar is. Er wordt voldaan aan dit aanvaardbaarheidsvereiste als het omgevingsplan de standaardwaarden van het Bkl overneemt.

Het Bkl bevat standaardwaarden voor toelaatbaar geluid  op de gevel  van een geluidgevoelig gebouw. Deze standaardwaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:

Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw   07.00 - 19.00 uur   19.00 - 23.00 uur   23.00 - 7.00 uur  
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten   50 dB(A)   45 dB(A)   40 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen   -   70 dB(A)   70 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden   -   65 dB(A)   65 dB(A)  

Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.64 Bkl). Als het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein.

Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.65 en 5.66 Bkl). Indien de gemeente een soepelere norm wil opnemen in het omgevingsplan, moet door middel van onderzoek vaststaan dat de binnenwaarde (het geluid binnen de geluidgevoelige gebouwen) niet hoger is dan de normen die het Bkl daarvoor stelt. Indien de gemeente een strengere norm wil opnemen, moet aangetoond worden dat de bestaande geluidveroorzakende activiteiten niet worden beperkt ten opzichte van het huidige recht. In het omgevingsplan kunnen dan flexibiliteitsbepalingen worden opgenomen om voor één of meerdere geluidgevoelige ruimte(n) binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen af te wijken van de standaardwaarden. Deze mogen de grenswaarden niet overschrijden. De grenswaarden worden niet bepaald op de gevel, maar in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De grenswaarden zijn overgenomen in navolgende tabel:

Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen   07.00 - 19.00 uur   19.00 - 23.00 uur   23.00 - 7.00 uur  
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten   35 dB(A)   30 dB(A)   25 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen   -   55 dB(A)   55 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden   -   45 dB(A)   45 dB(A)  

6.3.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Weg- en railverkeerslawaai
Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van De Plak met een snelheidsregime van 50 km/u welke na het bord einde bebouwde kom overgaat in 60 km/u. Het betreft een feitelijk aanwezige woning en de Omgevingswet maakt qua weg- en railverkeerslawaai geen onderscheid tussen een bedrijfswoning en een burgerwoning.

Echter, omdat de woning planologisch gezien niet aanwezig is (is niet als zodanig bestemd) is er desondanks een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 2 bij de motivering gevoegd.

Toetsing standaardwaarden en grenswaarden
Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 47 dB voor wegen en 54 dB voor spoor. Hiermee worden de standaardwaarden van 53 dB (wegen) en 55 dB (spoor) niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden.

Gevelwering en woon- en leefklimaat

Benodigde gevelwering
Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 55 dB ter plaatse van de noordgevel. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 55 – 33 = 22 dB. Een dergelijke gevelwering zal altijd wel gehaald worden.

Woon- en leefklimaat
De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘redelijk’ tot ‘goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in de subparagrafen 3.4.1 en 3.4.2 van het onderzoek kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.

Industrielawaai (geluid door activiteiten)
De woning in het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Bovendien betreft het een bestaande situatie waarin de reeds bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is zodoende niet benodigd.

6.3.3 Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.4 Bedrijven en milieuzonering

6.4.1 Regelgeving

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bij milieuzonering gaat het specifiek om de milieuthema's die afstandsgerelateerd zijn. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten worden gerealiseerd, moet worden gemotiveerd in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat bedrijfsmatige activiteiten zich vestigen/wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

In de loop van 2024 is de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' gepubliceerd. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten.

6.4.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

De nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019. De 'statische' afstandsnormen uit de oude handreiking die uitgaan van richtafstanden op basis van de grootste overlastfactor per categorie bedrijf worden dan ook losgelaten. Het staat gemeenten echter vrij om een andere (of voortzetting van de 'oude') werkwijze te hanteren in het omgevingsplan. Voor milieuzonering geldt dus dat gemeenten een eigen afwegingskader mogen bepalen en ook nog steeds kunnen werken met richtafstanden.

Het plangebied wordt op basis van de nieuwe handreiking aangemerkt als een 'gemengd gebied met wonen' omdat het is gelegen direct langs de hoofdinfrastructuur (N15).

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen met een hindercontour die een overlap kent met het plangebied. Het meest nabijgelegen bedrijf betreft een hoveniersbedrijf aan de Plakselaan 2 op een afstand van circa 33 m. Dit bedrijf kan gelet op de omvang op basis van de indicatieve lijst met activiteiten inschatting geluid en geur ingeschaald worden in 'Positie 2'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0008.png"

Het betreft hier echter een bestaande situatie waarbij het bedrijf ook al rekening moest houden met de aanwezige bedrijfswoning in het plangebied. Het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning verandert daar niets aan. Artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet en artikel 8.1.5 Invoeringsbesluit Omgevingswet bepalen dat waarden voor geluid of geur, die gelden op grond van een omgevingsvergunning milieu of maatwerkvoorschrift, van kracht blijven.

Los hiervan wordt met een afstand van 33 m vanaf de bedrijfswoning tot aan het bedrijfsperceel van het hoveniersbedrijf voldaan aan de voormalige richtafstand van 30 m in een gemengd gebied. Daarnaast ligt de inrit van het bedrijf ten westen van de bij het hoveniersbedrijf behorende bedrijfswoning (tussen Plakselaan 2 en 4). Aan de zijde van het plangebied ligt namelijk de siertuin van de bedrijfswoning aan de Plakselaan 2. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.

6.4.3 Conclusie

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.5 Luchtkwaliteit

6.5.1 Regelgeving

Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).

De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.

Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties.

De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

6.5.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Het plangebied is niet gelegen in of nabij één van de aandachtsgebieden uit artikel 5.51, lid 2 Bkl. Bovendien geldt dat de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt geen extra wooneenheden mogelijk draagt zodoende niet in betekenende mate bij aan de verhoging van de luchtverontreiniging.

Bestaande luchtkwaliteit
Op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2022 (monitoringsronde 2023) bepaald. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden (40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5) ter plaatse van het dichtstbijzijnde toetspunt 27364178_18683 op de meest nabij gelegen gemonitorde weg, de A15, niet worden overschreden.

De waardes bedragen 12,8 µg/m3 voor NO2, 17,1 µg/m3 voor PM10 en 9,7 µg/m3 voor PM2,5. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

6.5.3 Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.6 Externe veiligheid

6.6.1 Regelgeving

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in:

  • zeer kwetsbare gebouwen
  • kwetsbare gebouwen en locaties
  • beperkt kwetsbare gebouwen en locaties.

De categorieën kwetsbare gebouwen en locaties zijn aangewezen in bijlage VI Bkl.

Plaatsgebonden risico
Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6-contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling (dus vergunning) mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico: aandachtsgebieden
Het Bkl introduceert zogenaamde 'aandachtsgebieden' rond risicobronnen. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Deze aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk en zijn zichtbaar in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen de aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

Een (deel van een) aandachtsgebied kan in het omgevingsplan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen een dergelijk gebied gelden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) aanvullende bouwvoorschriften (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl voor het verbeteren van de veiligheid) voor de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw (en dus niet voor bestaande bouw) van zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare gebouwen. Er geldt een plicht (artikel 5.14 Bkl) tot het aanwijzen van een voorschriftengebied als in een aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw wordt toegelaten.

6.6.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes over weg, water en spoor, buisleidingen en bovengrondse hoogspanningslijnen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0009.png" Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (rode cirkel Bron: www.atlasleefomgeving.nl)

Kwetsbaarheid
De bestaande woning betreft een kwetsbaar gebouw.

Inrichtingen c.q. bedrijven
Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het aandachtsgebied van een risicovolle inrichting.

Vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoorwegen
Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen in de directe nabijheid van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Het plangebied is op circa 180 m van de rijksweg A15 gelegen. Het plangebied is op circa 250 m van de spoorweg gelegen en valt binnen het gifwolkaandachtsgebied van de spoorweg.

In een omgevingsplan wordt voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. De bestaande woning is een kwetsbaar gebouw. Daar waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, wordt hieraan voldaan als het omgevingsplan waarborgt:

  • dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of
  • dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.

De bestaande woning is reeds in gebruik als bedrijfswoning. De functiewijziging naar een burgerwoning brengt geen wijziging aan in het groepsrisico. Het doorgaans aanwezige aantal personen wordt juist minder nu de bedrijfsbestemming komt te vervallen.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding
Over het noordelijk deel van het plangebied lopen twee aardgastransportleidingen. Deze leidingen hebben een risicocontour waardoor bij enkele potentiële rampscenario’s slachtoffers zouden kunnen vallen. De buisleidingen hebben een diameter van 1220 en een maximale werkdruk van 6620 alsmede een wanddikte van 18.32. Het plangebied is gelegen in het brandaandachtsgebied behorende bij aardgastransportleidingen. De bestaande woning is een kwetsbaar gebouw. Daar waar het omgevingsplan beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat, wordt hieraan voldaan als het omgevingsplan waarborgt:

  • dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of
  • dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.

De bestaande woning is reeds in gebruik als bedrijfswoning. De functiewijziging naar een burgerwoning brengt geen wijziging aan in het groepsrisico. Het doorgaans aanwezige aantal personen wordt juist minder nu de bedrijfsbestemming komt te vervallen.

Groepsrisico
De woning is als kwetsbaar gebouw gelegen binnen het brandaandachtsgebied van een buisleiding. In dat geval moet conform artikel 5.15, lid 1 Bkl rekening worden gehouden met de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Hieraan is volgens 5.15, lid 2 Bkl voldaan als er maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in het gebouw of als het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in het gebouw beperkt is.

Bij die te treffen maatregelen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de inzet van de brandweer op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. Ook informatievoorziening over hoe te handelen in geval van brand is van belang. Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident.

Het voorgaande volgt ook uit het advies dat de Veiligheids- en gezondheidsregio Gelderland-Midden heeft uitgebracht. Dit advies is als bijlage 3 bij de motivering gevoegd. De veiligheids- en gezondheidsregio geeft aan dat wijziging van het gebruik niet leidt tot veranderingen aan de woning en haar omgeving en/of mogelijk aantal aanwezigen. Over de fysieke veiligheid geeft zij daarbij het volgende advies:

"Bij een incident met gevaarlijke stoffen ligt het plangebied binnen de effectgebieden van incident(en) met gevaarlijk stoffen, waarbij doden te verwachten zijn. Aangezien er sprake is van een herbestemming zonder fysieke verbouwingen of de toevoeging van functies met een hogere mate van kwetsbaarheid, worden aanvullende bouwkundige en/of installatietechnische maatregelen als disproportioneel beschouwd.

In het kader van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid adviseert de veiligheids- en gezondheidsregio om bij de uitwerking van de plannen de volgende maatregelen te (laten) borgen:

  • Afspraken bij werkzaamheden aan de aardgasleidingen te laten maken. In overleg met de beheerder van de aardgasleidingen afspraken te maken over het informeren van de omgeving over de mogelijke risico's bij (geplande) werkzaamheden. Eventueel afspraken te maken over aanwezigheid van personen ten tijde van geplande werkzaamheden;
  • Toekomstig aanwezigen en bewoners te informeren over de risico's van een incident met gevaarlijke stoffen en het bijbehorende handelingsperspectief. Risicocommunicatie draagt bij aan de mate van zelfredzaamheid;
  • (Technische) maatregelen te treffen om de gebouwen of delen daarvan luchtdicht te kunnen sluiten om een veilige schuilmogelijkheid te creëren ingeval van een toxische wolk."

Deze maatregelen hebben naar verwachting een positief effect op de veiligheid. Bovendien betreffen de aanwezige personen zelfredzame personen, waarbij zij zichzelf bij een (dreigend) incident in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd.

Echter valt niet uit te sluiten dat er zich een incident voordoet, waarbij deze zich boven de mogelijkheden van de rampenbestrijding uitstijgt. Het bevoegd gezag heeft aangeven dit restrisico te accepteren.

6.6.3 Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.7 Waterhuishouding

6.7.1 Regelgeving

Algemeen
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:

  • Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;
  • Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland;
  • Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren;
  • Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027.

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen:

  • 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.
  • 2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden.
  • 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen.

Uitgangspunten Waterschap Rivierenland
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.

De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:

  • a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren.
  • b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding).
  • c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.

Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit:

  • De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm.
  • De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen.

Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.

Uitgangspunten gemeente

Compensatie verhard oppervlak – Gemeente Lingewaard

In het gemeentelijk watertakenplan Lingewaard 2023 - 2027 (GWP) zijn volgende eisen gesteld voor nieuwbouwlocaties:

  • het afval- en hemelwater blijven gescheiden;
  • in het ontwerp moet al rekening gehouden worden met een duurzame ontwatering, dit om problemen in de toekomst te voorkomen.

De gemeente volgt het waterschap betreft de compensaties voor toenemend verhard oppervlak. Voor de ontwateringsdiepte ten opzichte van de GHG heeft de gemeente de onderstaande minimale wensen:

  • Wegen: 0,7 m -wegpeil;
  • Nieuwbouw: 1,0 m -vloerpeil;
  • Groen: 0,5 m -maaiveld.

Hierbij geldt dat het vloerpeil 0,3 m boven het hoogste wegpeil gelegen moet zijn.

Met de onderstaande voorkeursvolgorde streeft de gemeente na om grondwateroverlast bij nieuwbouw te voorkomen:

  • ophogen van het maaiveld.
  • aanleggen van extra oppervlaktewater.
  • treffen van bodemkundige maatregelen.
  • treffen van grondwatertechnische maatregelen.
  • bouwtechnische maatregelen.

6.7.2 Doorvertaling bestemmingsplan

Bestaande situatie
In de huidige situatie is het plangebied reeds in gebruik als woning met bijgebouw. Het plangebied is grotendeels verhard.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0010.png"

Uitsnede kaart bij de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland

Waterkeringen
In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig.

Watergangen
In het plangebied zijn geen watergangen aanwezig.

Watercompensatie
Het betreft de functieverandering van al bestaande bebouwing. Er wordt geen nieuwe verharding mogelijk gemaakt ten opzichte van de bestaande planologische situatie. Aan de achterzijde (=noordzijde) van het perceel wordt zelfs circa 400 m² terreinverharding verwijderd. Watercompensatie is daarom niet benodigd.

Grondwater
Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. Ingrepen voorkomend uit dit plan zullen het functioneren van het grondwatersysteem niet beïnvloeden.

Riolering en hemelwaterafvoer
Binnen het plangebied zelf is in de bestaande situatie geen sprake van gescheiden afvoer van hemelwater en afvalwater. Voor het afvoer van het afvalwater blijft de bestaande rioolaansluiting gehandhaafd.

Beheer en onderhoud
Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het Waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofdwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties.

Conclusie
Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.8 Natuur en ecologie

6.8.1 Regelgeving

Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow).

Zorgplicht
De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht natura2000 (art.11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn. Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten.

Soortenbescherming
Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.

De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Gebiedsbescherming
Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:

  • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Stikstofdepositie
Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).

6.8.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Voor de functieverandering wordt ten opzichte van de bestaande situatie geen nieuwe bebouwing gerealiseerd of gesloopt. Een quickscan flora en fauna is daarom niet noodzakelijk. Ook maakt het plangebied geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', circa 1,4 km ten noorden van het plangebied. De voorgenomen functiewijziging van bedrijf naar wonen zorgt voor een afname van het aantal voertuigbewegingen en daarmee voor een lichte verbetering qua stikstofuitstoot naar het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'.

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

6.8.3 Conclusie

De aspecten 'natuur' en 'ecologie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.9 Cultureel erfgoed

Het onderdeel cultureel erfgoed gaat over zowel archeologie als cultuurhistorie.

6.9.1 Regelgeving

Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).

De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen.

Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

6.9.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan of activiteitgericht in het omgevingsplan. Als het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Archeologie
Voor de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuwe bodem geroerd. Het betreft alleen de functieverandering van al bestaande bebouwing.

Wel is de gemeentelijke archeologische beleidskaart (RAAP-rapport 3878) geraadpleegd om te kijken of er voor het plangebied een archeologische verwachtingswaarde geldt:

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.326-VG01_0011.png"

De archeologische verwachtingswaarde is in de regels en op de verbeelding vertaald in een gebiedsaanwijzing Waarde - Archeologie 3.

Cultuurhistorie
Op de kaarten 'Cultuurhistorie' en 'Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie' van de provincie Gelderland zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten of structuren in het plangebied aangeduid. Met voorliggende ontwikkeling wordt het bestaande karakter van de bebouwingslinten gerespecteerd. De functiewijziging heeft geen invloed op De Plak zelf.

De bestaande woning is aangewezen als gemeentelijk monument (voormalige boerderij). Aan de woning zelf en aan de inrichting van het perceel worden geen wijzigingen aangebracht. Het betreft alleen een functiewijziging van bestaande bebouwing. Dit heeft derhalve geen invloed op de bestaande woning.

6.9.3 Conclusie

Het aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.10 MER-beoordeling

6.10.1 Regelgeving

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de strategische milieubeoordeling (SMB-richtlijn), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.

Voor het bepalen of een plan eventueel m.e.r.-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-m.e.r.-beoordeling twee mogelijke resultaten:

  • 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-m.e.r. en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
  • 2. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-m.e.r. nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Er zijn twee situaties waarin een plan-m.e.r.-beoordeling aan de orde kan komen:

  • 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-m.e.r.-plichtig. In dit geval dient een plan-m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.
  • 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een plan-m.e.r.-beoordeling is aan orde indien:
  • a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft.
  • b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.

6.10.2 Doorvertaling ruimtelijke onderbouwing

Het onderhavige TAM-omgevingsplan is kaderstellend voor een project uit bijlage V Omgevingsbesluit, te weten J11: een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betreft ook een woningbouwontwikkeling. In de derde kolom staat dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt op basis van artikel 16.43, lid 1, aanhef en onder b van de Ow. Het onderhavige plan betreft een kleine wijziging van het omgevingsplan gemeente Lingewaard en gaat over een klein gebied op gemeentelijk niveau. De gemeenteraad is voor onderhavig TAM-omgevingsplan het bevoegd gezag.

Op grond van het gestelde in 6 van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit TAM-omgevingsplan te kunnen nemen.

6.10.3 Conclusie

Het aspect 'm.e.r.-beoordeling' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van de economische haalbaarheid van de nieuwe ontwikkelingen en de uitkomsten van overleg en inspraak.

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Alle kosten die gemaakt moeten worden met het opstellen van een ruimtelijk plan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade c.q nadeelcompensatie is geregeld. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

7.2 Participatie

Onderdeel van het zorgvuldig opstellen van een TAM-omgevingsplan is participatie. Bij participatie worden burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voorafgaand aan de besluitvorming actief betrokken. De omgeving en betrokken instanties vroeg bij een project betrekken, vergroot het draagvlak en voorkomt vaak bezwaren in een later stadium.

Participatie
De wet schrijft niet voor hoe participatie exact vormgegeven moet worden, waardoor er ruimte is voor maatwerk. Dit betekent dat de inrichting van het participatieproces kan variëren afhankelijk van de locatie, het soort besluit, de omgeving en de betrokkenen. In de praktijk betekent dit dat er een breed scala aan participatiemethoden en -instrumenten beschikbaar zijn.

In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft de initiatiefnemer met de omwonenden gesproken. De buurtgenoten hebben aangegeven het fijn te vinden dat het autobedrijf op de locatie vertrekt en zien de wijziging naar een woonfunctie als een verbetering.

7.3 Zienswijzen

Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van donderdag 18 september 2025 tot en met woensdag 29 oktober 2025 (gedurende 6 weken) ter visie gelegen.

Er is tijdens deze periode 1 zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is in een separate nota van een gemeentelijke reactie voorzien (zie bijlage 4).