| Plan: | Buitengebied Landhorst, De Quayweg 57 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1702.8BPdequayweg57-VA01 |
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis" van gemeente Sint Anthonis ten behoeve van een voorgenomen bestemmingswijziging naar een bedrijfsbestemming ten behoeve van statische opslag aan De Quayweg 57 te Landhorst.
In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
Ter plaatse is een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij aanwezig. De initiatiefnemer wenst ter plaatse echter te voorzien in een bedrijfsbestemming ten behoeve van statische opslag. Binnen de agrarische bestemming is dit alleen als nevenactiviteit mogelijk. Het is daarom noodzakelijk de bestemming te wijzigen in een bedrijfsbestemming. Binnen het bestemmingsplan is geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen de bestemming te wijzigen in een bedrijfsbestemming.
De gewenste ontwikkeling past daarmee niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en dit past binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
De planlocatie is gelegen aan De Quayweg 57 te Landhorst en ligt aan de westkant van Landhorst in het landelijk gebied van gemeente Sint Anthonis. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Wanroij, sectie D, nummers 938 en 939. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis 2013" van de gemeente Sint Anthonis, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 18 juni 2013, en de herziening daarop "Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis", zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 7 juli 2016, onverkort van toepassing.
Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch - Intensieve veehouderij' toegekend. Tevens is ter plaatse de aanduiding 'overige zone - gemengd landelijk gebied' van toepassing. De aanduidingen 'agrarisch gebied' en 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' zijn met de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied komen te vervallen.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
Binnen de ter plaatse toegekende bestemming is het niet mogelijk om bedrijfsmatige activiteiten als hoofdtak uit te voeren. Er is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming ter plaatse te wijzigen in een bedrijfsbestemming.
De voorgenomen ontwikkeling past daarmee niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits dit past binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Sint Anthonis.
De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarisch landschap. De verkavelingsstructuur betreft een strokenverkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.
In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. In de omgeving zijn tevens enkele burgerwoningen en een maatschappelijke functie gelegen.
Op de locatie is momenteel een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij aanwezig. Ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering zijn bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning aanwezig.
Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0,94 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse een bedrijfsvoering in de vorm van statische opslag uit te voeren. Het zal daarbij voornamelijk gaan om de opslag van caravans en vrachtwagens.
Het betreft een bedrijf dat vrachtauto's aan- en verkoopt via internet, waarbij de locatie door het bedrijf wordt gebruikt voor tijdelijke opslag van vrachtauto's. Hierbij gaat 70-75 % van de handel rechtstreeks. Dit betekent dat hetgeen wordt verkocht ook meteen op locatie wordt afgeleverd. Dit gebeurt in Nederland maar ook wereldwijd. Het kan bij wijze van dus zijn dat de ondernemer een vrachtauto in Brazilië koopt en deze weer verkoopt in Suriname. De markt is met name afzet naar oost Europa en Afrika.
Zoals aangegeven in de toelichting vindt voor een klein deel de stalling van vrachtauto's tijdelijk plaats op de locatie tussen het aankoopmoment en het verkoopmoment. Deels omdat aan- en verkoop niet helemaal op elkaar aansluit en deels omdat er soms een kleien reparatie moet gebeuren (bijvoorbeeld koplampen vervangen of iets dergelijks). Er zullen hooguit een of twee klanten per week een keer komen kijken op de locatie. De meeste handel vindt plaats via foto's en filmpjes via internet en telefonische verkoop.
De verkoopactiviteiten vinden plaats vanuit een andere locatie. De locatie wordt door de initiatiefnemer gebruikt voor het tijdelijk stallen van vrachtauto's. Daarnaast kan een deel van de ruimte gebruikt worden voor het stallen van caravans.
Het betreft in totaal ongeveer 50-100 vrachtwagens of caravans waarbij er circa 5 vervoersbewegingen per week gemiddeld plaatsvinden (bij caravansstalling zal dit piekgewijs wat hoger zijn in het seizoen).
Op basis hiervan is er geen sprake van een logistieke onderneming waarbij dagelijks meerder vrachtwagenbewegingen noodzakelijk zijn. Elke caravan of vrachtauto heeft bruto gemiddeld 20-50 m² stallingsoppervlakte nodig. De tijdelijke opslag van vrachtauto's is nodig omdat er een tijd kan zitten tussen aankoop van vrachtauto en levering omdat bijvoorbeeld de betaling nog niet binnen is of dat er nog kleine reparaties nodig zijn.
In incidentele gevallen vinden kleine reparaties en onderhoud plaats van de gestalde vrachtwagens, waaronder ook het schoonspuiten van de opgeslagen vervoermiddelen. Het betreft bijvoorbeeld het wisselen van banden, vervangen van lampen of lampenkappen en dergelijke. Er worden dus geen reparaties voor derden uitgevoerd.
Het is wenselijk de bestaande bebouwing grotendeels te behouden voor de stalling van bovenstaande objecten. Als maatvoeringseis wordt opgenomen dat er maximaal 3.000 m² bebouwd mag worden. Dit is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning. Daarbij zal een van de oude varkensstallen met asbest worden gesloopt. De te slopen stal heeft een oppervlak van 400 m².
Het bouwvlak ter plaatse zal worden teruggebracht naar een omvang van ongeveer 0,48 hectare. De overige gronden zullen worden omgeschakeld naar agrarische grond zonder bedrijfsbestemming en naar groen ten behoeve van de realisatie van de landschappelijke inpassing ter plaatse.
In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.
Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.
De gemeente heeft, in samenwerking met de gemeenten in de regio en de provincie, een afsprakenkader vastgesteld voor een mate van investering in de ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. In dit afsprakenkader wordt onderscheid gemaakt tussen drie verschillende categorieën ontwikkelingen:
Omschakeling van een agrarisch bestemming naar een bedrijfsbestemming wordt vanuit het afpsrakenkader gezien als een ontwikkeling in categorie 3. Dit betekent dat een investering in de ruimtelijke kwaliteit nodig is op basis van bestemmingswinst.
Hiertoe is in het afsprakenkader opgenomen dat 20% van de waardevermeerdering van de gronden als gevolg van de voorgenomen bestemmingswijziging geïnvesteerd dient te worden in de ruimtelijke kwaliteit. Dit kan door middel van het aanbrengen van nieuwe landschappelijke elementen. De landschappelijke inpassing maakt hier deel van uit en kan worden ingebracht als investering in de ruimtelijke kwaliteit.
Voor wat betreft de landschappelijke inpassing van de locatie is door de Groot Hoveniers een inpassingsplan opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. De inpassingstekening is in de volgende figuur weergegeven.
Het doel van de landschappelijke inpassing is het:
De inpassingstekening is in de volgende figuur weergegeven. Deze tekening maakt onderdeel uit van het landschappelijk inrichtingsplan (bijlage 2 van deze toelichting) dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld.
Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: de Groot Hoveniers
Het ontwerp is opgebouwd op basis van de zichtlijnen die vanaf de woning een fraai beeld geven op het omliggende weidse landschap. Tussen de 'boomgroep in bosplantsoen met kruidenzoom' door, wordt een kader gevormd die het beeld bepalen op het landschap.
Door op diverse plaatsen deze boomgroepen te plaatsen, ontstaan op het perceel verschillende ruimten (plekken met menselijke maat). Deze ruimten hebben de functie van bloemrijke weide ter bevordering van biodiversiteit, welke beheerd wordt met extensieve begrazing. De bomen in de weiden geven diversiteit binnen de aanwezige boomsoorten op het perceel en tevens schaduw aan de grazers in de weide.
De natuuroever/poel heeft een waterbergende en -vasthoudende functie. Deze is niet aangesloten op de sloot. De ligging van sloot is geïnitieerd vanuit overeenstemming tussen de initiatiefnemer en de aangrenzende eigenaar en deze vangt het overtollige regenwater op van het perceel.
Deze weiden zijn omrand door natuurlijke erfafscheiding. De extensieve begrazing door bijvoorbeeld schapen of geiten zorgen voor het beheer. Doordat op verschillende momenten de beweiding plaats vindt, komt er een bloemrijk grasland tot ontwikkeling.
Aan de voorzijde van het perceel is een meer gecultiveerde aankleding ontworpen. Hier is ruimte voor een fraai entree van de woning en het bedrijf evenals ruimte voor de logistiek van beiden.
Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en dat in voldoende mate wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
Er is een berekening gemaakt voor de aanleg en het beheer van de landschappelijk inpassing. De volledige berekening is onderdeel van het landschappelijk inrichtingsplan, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting.
Kostenraming landschappelijke inpassing
Bron: de Groot Hoveniers.I
Voor het bepalen van de bestemmingswinst is op basis van forfaitaire bedragen van de gemeente en provincie een berekening gemaakt voor de waardevermeerdering van de grond. Dit is uitgewerkt in de volgende figuur.
Berekening kwaliteitsslag
Bron: gemeente Sint Anthonis.
Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.
Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.
Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven.
Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een
bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.
Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:
"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel,
woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."
Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant in werking getreden. In 2013 is deze herzien met een partiële herziening (Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - Partiële Herziening 2014) om het toekomstig gewenst beleid ten aanzien van duurzame veehouderijen hierin op te nemen. Hiermee voldoet de provincie Noord-Brabant aan de eis conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) waarin provincies verplicht worden gesteld voor het gehele grondgebied een structuurvisie op te stellen. De structuurvisie bevat ruimtelijk beleid tot 2025 met een doorkijk naar de lange termijn (2040) en is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.
Het grondgebied van de provincie is opgedeeld in verschillende typen gebieden waarbij per (deel)gebied eigen beleidsuitgangspunten gelden. Zoals te zien in de volgende figuren is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Economisch Kenniscluster', en 'Accentgebied Agrarische Ontwikkeling - De Peel'.
Uitsnede visiekaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
Uitsnede structurenkaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
De economische kennisclusters richten zich vooral op de grote kenniseconomie op de bedrijventerreinen in de grote steden en zijn voor het landelijk gebied niet zo van belang. De voorgenomen ontwikkeling zal de versterking van de kenniseconomie niet in de weg staan.
Agrarische accentgebieden zijn gebieden waarin de provincie ruimte ziet de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Agrarische ontwikkelingen krijgen hier de ruimte. De Peel is een agrarisch accentgebied met een modern grootschalig landschap en een sterke positie voor intensieve veehouderij en glastuinbouw. Overige ontwikkelingen krijgen binnen het gebied een kans, mits zij de agrarische productie niet in de weg staan en geen agrarische bedrijven in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van belemmering van agrarische bedrijven en/of het beperken van de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven, waarmee de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten voor het agrarisch accentgebied De Peel.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - Partiële herziening 2014 van de provincie Noord-Brabant.
De provincie Noord-Brabant heeft op 17 februari 2014 de Verordening Ruimte Noord-Brabant vastgesteld. Deze is op 19 maart 2014 in werking getreden. De verordening is enkele keren aangepast en geactualiseerd. De meest recente versie is op 15 juli 2017 geconsolideerd en in werking getreden.
De Verordening Ruimte is een juridische verankering van het beleid uit de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening. In de Verordening zijn beleidsregels opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen in zowel het stedelijk als het landelijk gebied. De regels zoals zijn opgenomen in de verordening zijn per gebied nader gespecificeerd.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Gemengd landelijk gebied' en 'Stalderingsgebied'.
Uitsnede kaart Verordening Ruimte.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
Binnen het stalderingsgebied gelden aanvullende regels voor de ontwikkeling van (intensieve) veehouderijen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling van een (intensieve) veehouderij, maar juist van beëindiging van een (intensieve) veehouderij. De bepalingen uit het stalderingsgebied zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
Binnen het gemengd landelijk gebied zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies in het gemengd landelijk gebied gelden specifieke regels. Deze luiden als volgt:
" 7.10 Niet-agrarische functies
Het bepaalde onder lid 2 en 3 is van toepassing op bestaande niet-agrarische ontwikkelingen. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een bestaande niet-agrarische ontwikkeling, waarmee het bepaalde in lid 2 en 3 op de voorgenomen ontwikkeling niet van toepassing is. Lid 1 voorziet in bepalingen voor een vestiging van een niet-agrarische ontwikkeling en is daarmee wel van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
Ad. a:
Bij de gewenste ontwikkeling zal het bestaande bouwvlak worden teruggebracht naar ongeveer 0,48 hectare (4.800 m²). De overige gronden binnen het huidige bouwvlak zullen worden teruggebracht naar agrarische grond zonder bedrijf en groen ten behoeve van de landschappelijke inpassing.
Ad. b:
In het gemengd landelijk gebied wordt een gemengde plattelandseconomie nagestreefd. Deze is in hoofdzaak agrarisch, maar biedt ook ruimte aan gemengde functies. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een bedrijfsbestemming ten behoeve van de opslag van vrachtwagens en caravans. Door de toenemende vraag naar stallingsmogelijkheden voor onder andere caravans, maar ook andere statische goederen, wordt met de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een gelegenheid om aan deze vraag tegemoet te komen. Op die manier wordt bijgedragen aan een gemengde plattelandseconomie.
Naast stalling van vrachtwagens en caravans worden ter plaatse bij de voorgenomen ontwikkeling incidentele herstelwerkzaamheden uitgevoerd. Het gaat daarbij echter uitsluitend om kleinschalige reparaties en onderhoud aan de ter plaatse opgeslagen vervoermiddelen zoals het schoonspuiten van de voertuigen, het wisselen van banden, het vervangen van lampen en/of lampenkappen, etc.. Er zullen geen reparaties of onderhoud aan voertuigen van derden plaatsvinden. Het uitvoeren van de incidentele herstelwerkzaamheden is daarmee zeer ondergeschikt aan de opslag die op de bedrijfslocatie zal plaatsvinden. Gezien de kleinschaligheid en de incidentele aard van de herstelwerkzaamheden zullen deze geen nadelige invloed hebben op de uitgangspunten voor het gemengd landelijk gebied.
De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de doelstellingen en de beoogde ontwikkeling van het gemengd landelijk gebied.
Ad. c:
De bebouwing past binnen het gewenste bestemmingsvlak en bouwvlak van ongeveer 0,48 hectare en zal volledig worden benut voor de gewenste activiteit. In totaal zal ongeveer 400 m² aan overtollige bebouwing worden gesloopt.
Ad. d:
In de handreiking "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met verschillende activiteiten waaraan een milieucategorie is toegekend. Indien een activiteit niet voorkomt in deze lijst dan dient hierin een activiteit gezocht te worden die hier het meest bij aansluit.
De gewenste activiteit (statische opslag) is niet specifiek in de lijst uit de handreiking opgenomen. De activiteit die hier het meest bij aansluit is de verhuur van opslagruimte ten behoeve van het vervoer (omdat bijvoorbeeld caravans en vrachtwagens worden opgeslagen). Deze activiteit is in de handreiking aangemerkt als milieucategorie 2.
Omdat incidenteel ook kleine reparaties plaatsvinden en sprake is van onderhoud, waaronder het schoonspuiten van de opgeslagen vervoermiddelen, is de activiteit ook te vergelijken met handel in auto's en motorfietsen, reparatie en servicebedrijven. Er is dan wel geen sprake van een dergelijk bedrijf, maar incidenteel vinden vergelijkbare activiteiten met een dergelijk bedrijf plaats. Ook een dergelijk bedrijf is in de handreiking van de VNG aangemerkt als milieucategorie 2.
Er is daarmee geen sprake van een ontwikkeling in milieucategorie 3 of meer.
Ad. e:
Het agrarisch bedrijf zal met de voorgenomen ontwikkeling geheel worden omgeschakeld. Er is geen sprake van splitsing in twee of meerdere bedrijven.
Ad. f:
Er zal met de voorgenomen ontwikkeling niet worden voorzien in een zelfstandige kantoorfunctie.
Ad. g:
Er is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van detailhandel.
Ad. h:
De huidige bebouwing biedt voldoende ruimte voor de gewenste ontwikkeling. Er is geen sprake van een geplande verdere uitbreiding. Het bestemmingsvlak wordt teruggebracht naar een passende omvang, waarmee een verdere uitbreiding ook wordt bemoeilijkt.
Ad. i:
Er is geen sprake van een grootschalige ontwikkeling. Er vindt daarnaast geen nieuwbouw plaats.
Hiermee past de ontwikkeling binnen de regels zoals die gelden voor niet-agrarische bedrijven in het gemengd landelijk gebied.
Naast specifieke regels voor ontwikkeling van niet-agrarische bedrijven in het gemengd landelijk gebied gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen algemene regels ten aanzien van de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit. Deze regels zijn opgenomen in artikel 3.1 en 3.2 van de verordening.
In artikel 3.1 is de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit opgenomen. In artikel 3.2 is vervolgens opgenomen op welke wijze ontwikkelingen moeten bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.
"3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit
Ad. 1a:
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt ter plaatse voorzien in een goede landschappelijke inpassing die aansluit bij de omgeving. Hiermee wordt met de ontwikkeling rekening gehouden met de naaste omgeving en is sprake van een goede landschappelijke inpasbaarheid.
Ad. 1b:
Het principe zorgvuldig ruimtegebruik is nader toegelicht in het tweede lid van het artikel. Verdere toetsing vindt daarom plaats aan het tweede lid.
Ad. 2a:
Er is bij de ontwikkeling sprake van een bestaand perceel (bouwvlak).
Ad. 2b:
Het huidige bouwvlak biedt voldoende ruimte voor de ontwikkeling. Daarmee zijn er voldoende mogelijkheden om de ontwikkeling te laten plaatsvinden binnen het toegestane ruimtebeslag uti het bestemmingsplan. Het bouwvlak hoeft daarom niet vergroot te worden en zal daarmee de maximale omvang uit het ruimtelijke beleid niet overschrijden
Alleen landschappeelijke inpassing zal (deels) buiten het bouwvlak gerealiseerd worden.
Ad. 2c:
Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3).
Ad. 2d:
Om de ontwikkeling mogelijk te maken hoeft het huidige bouwvlak niet vergroot te worden. Alle bebouwing is binnen het bestaande bouwvlak geleggen. Er is daarmee geen sprake van bebouwing buiten het bouwvlak.
Ad. 2e:
Er is met de ontwikkeling geen sprake van een vestiging, maar van het wijzigen van de agrarische bestemming. Deze wijziging is, zoals reeds eerder omschreven in deze paragraaf, op grond van de verordening mogelijk.
Ad. 3:
Zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) is met de ontwikkeling geen sprake van aantasting van de in de omgeving voorkomende waarden. Tevens is geen sprake van onevenredige ruimtelijke en/of milieuhygiënische belemmeringen. Er is daarmee aangetoond dat rekening is gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving. Tevens past de ontwikkeling, qua omvang, binnen de omgeving en is er geen sprake van onevenredige risico's ten aanzien van de volksgezondheid. Ten slotte is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen, is voorzien in voldoende parkeergelegenheid en vindt geen aantasting plaats van infrastructuur.
Ad. 4:
Er is geen sprake van een in het vierde lid genoemde uitwerking van een bestemmingsplan.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat aan het bepaalde in artikel 3.1 van de verordening wordt voldaan.
"3.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap "
Ten aanzien van de in artikel 3.2 gestelde bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap is door de gemeente Sint Anthonis in juli 2011 de Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap in werking getreden.
In dit afsprakenkader tussen de provincie en de gemeenten in de regio Noordoost-Brabant zijn richtlijnen over de mate van kwaliteitsverbetering van het landschap bij verschillende ontwikkelingen.
Inn de paragraaf Landschappelijke inpassing (paragraaf 2.2.2) is nader ingegaan op de Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap.Daarmee wordt met de ontwikkeling voldaan aan hetgeen in het afsprakenkader is opgenomen, waarmee met de ontwikkeling sprake is van een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Hiermee wordt aan het gestelde in artikel 3.2 van de verordening voldaan.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant.
Gemeente Sint Anthonis heeft op 17 januari 2014 voor het buitengebied de Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis vastgesteld. Deze structuurvisie geeft de visie van de gemeente voor ontwikkelingen in het buitengebied weer. In 2012 heeft de gemeente de beleidskeuzen voor het buitengebied vastgesteld. De structuurvisie is een vertaling van die beleidskeuzen en borduurt daarop voort.
In de structuurvisie maakt de gemeente onderscheid in deelgebieden. Per deelgebied wordt er in de structuurvisie en per activiteit aangegeven op welke wijze dit bereikt kan worden.
In beginsel is het beleid voor het buitengebied opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis 2013" en de herziening daarop. Indien het bestemmingsplan geen ruimte biedt om een gewenst initiatief te realiseren dan kan worden bekeken of het initiatief aansluit bij de beleidsuitgangspunten uit de structuurvisie. Hierbij worden vier niveaus van regie onderscheiden:
De gemeente heeft het buitengebied opgedeeld in verschillende deelgebieden. Binnen de verschillende deelgebieden zijn eigen uitgangspunten en mogelijkheden van toepassing. De planlocatie is gelegen in het deelgebied dat is aangemerkt als 'Het agrarisch hart (deelgebied 1)'.
Het deelgebied 'Het agrarisch hart' ligt tussen de gemeentegrenzen aan de noord- en westzijde en de bos- en natuurgebieden Sint Anthonisbos, de Stichting en recreatiepark De Bergen. Het gebied wordt gekenmerkt door de grootschaligheid van het landschap, de transparantheid, een goede ontsluiting, grote intensieve veehouderijen en weinig burgerwoningen. Er is hier met name sprake van solitaire overwegend agrarische bebouwing. In dit gebied is vooral sprake van agrarische dynamiek
Dit deelgebied is het agrarisch gebied van de gemeente Sint Anthonis. Primaire agrarische bedrijven krijgen hier ruimte om zich te ontwikkelen. De gemeente stimuleert hier vernieuwende agrarische concepten en technieken. Uiteraard op een duurzame wijze, waarbij afname van milieubelasting, het voorkomen van risico's voor de volksgezondheid en het verhogen van dierenwelzijn vanzelfsprekend dienen te zijn en dus een belangrijk vereiste zijn. Daarbij is ook ruimte voor agrarisch ondersteunende activiteiten zoals mestverwerking en loonwerkers activiteiten.
De agrarische doorontwikkeling vraagt ook om een sterke daarbij behorende landschapskarakteristiek. Schaal van de agrarische bedrijven en schaal van het landschap zullen zich in een wederzijdse interactie moeten versterken. Zodat er een herkenbaar, economisch sterk gebied ontstaat dat het belang uitstraalt dat de agrarische sector voor de gemeente Sint Anthonis heeft.
Gezien het belang van deze agrarische dynamiek en daarvoor noodzakelijke ontwikkelruimte zijn andere functieontwikkelingen niet taboe, maar zij mogen de belangrijke ontwikkelmogelijkheden van de primaire functie niet belemmeren. Deze terughoudendheid geldt ten aanzien van de ontwikkeling van alle niet-agrarsiche activiteiten. Vrijkomende agrarische locaties dienen hier zoveel mogelijk beschikbaar te blijven voor agrische ontwikkelingen.
In de beleidsuitgangspunten is opgenomen dat de vestiging van een bedrijf ten behoeve van transport, logistiek en/of opslag mogelijk is op een zogenaamde VAB-locatie (voormalige agrarische bedrijfslocatie). Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een intensieve veehouderij die reeds is/wordt beëinidigd. Er is daarmee sprake van een VAB-locatie, waarmee de vestiging van het gewenste bedrijf ten behoeve van statische opslag mogelijk is.
Voor de betreffende ontwikkeling gelden gebiedsspecifieke en algemene voorwaarden.
Gebiedsspecifieke voorwaarden:
Ad. 1:
De omgeving is voornamelijk agrarisch van aard. Echter zijn in het gebied ook andere functies, zoals maatschappelijke functies en burgerwoningen, aanwezig. Het landschap is daarmee een gemengd landschap, waarin naast agrarische functies ook andere functies gevestigd zijn. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed bij aan.
Ad. 2:
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een bedrijfsbestemming. Door de toenemende vraag naar stallingsmogelijkheden voor onder andere caravans, maar ook andere statische goederen, wordt met de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een gelegenheid om aan deze vraag tegemoet te komen. Op die manier wordt bijgedragen aan een gemengde plattelandseconomie.
Ad. 3:
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de bestaande bebouwing worden behouden en in gebruik worden genomen voor de gewenste bedrijfsvoering. In totaal zal ongeveer 400 m² aan overtollige bebouwing worden gesloopt Het stedenbouwkundig beeld en de stedenbouwkundige kwaliteit van het gebied zal daarmee niet verslechteren. Het bouwvlak zal met de voorgenomen ontwikkeling worden verkleind. Dit zal leiden tot een beperking van de huidige bouwmogelijkheden waarmee geen sprake zal zijn van verdere verstening van het landschap.
Daarnaast wordt de bebouwing in gebruik genomen voor de gewenste bedrijfsvoering en is geen sprake van bebouwing die gedurende lange(re) tijd leeg komt te staan. Dit voorkomt verpaupering van de bebouwing en het gebied.
Hiermee wordt bijgedragen aan de beeldkwaliteit van het gebied.
Ad. 4:
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en wordt bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse door te investeren in de ruimtelijke kwaliteit op basis van de waardevermeerdering van de gronden als gevolg van het voorgenomen initiatief. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2).
Hiermee wordt bijgedragen aan de landschappelijke en/of ecologische kwaliteiten van het gebied.
Aan de gebiedsspecifieke voorwaarden kan hiermee worden voldaan.
Algemene voorwaarden:
Ad. 1:
Er is geen sprake van omschakeling naar een intensieve veehouderij. Er wordt juist een intensieve veehouderij (bestemming) opgeheven.
Ad. 2:
In de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met verschillende activiteiten waaraan een milieucategorie is toegekend. Indien een activiteit niet voorkomt in deze lijst dan dient hierin een activiteit gezocht te worden die hier het meest bij aansluit.
De gewenste activiteit (statische opslag) is niet specifiek in de lijst uit de handreiking opgenomen. De activiteit die hier het meest bij aansluit is de verhuur van opslagruimte ten behoeve van het vervoer (omdat bijvoorbeeld caravans en vrachtwagens worden opgeslagen). Deze activiteit is in de handreiking aangemerkt als milieucategorie 2.
Omdat incidenteel ook kleine reparaties plaatsvinden en sprake is van onderhoud, waaronder het schoonspuiten van de opgeslagen vervoermiddelen, is de activiteit ook te vergelijken met handel in auto's en motorfietsen, reparatie en servicebedrijven. Er is dan wel geen sprake van een dergelijk bedrijf, maar incidenteel vinden vergelijkbare activiteiten met een dergelijk bedrijf plaats. Ook een dergelijk bedrijf is in de handreiking van de VNG aangemerkt als milieucategorie 2.
Er is daarmee sprake van een bedrijf in milieucategorie 2.
Ad. 3:
De activiteiten zullen binnen de bestaande bebouwing plaatsvinden. In totaal zal ongeveer 400 m² aan overtollige bebouwing worden gesloopt. Er vindt geen (nieuw)bouw plaats.
Ad. 4:
Het bestemmingsvlak wordt met de voorgenomen ontwikkeling teruggebracht naar ongeveer 0,48 hectare (4.800 m²). De overige gronden van het huidige bouwvlak zullen worden omgezet naar agrarische grond (zonder bouwvlak) en groen ten behoeve van de landschappelijke inpassing.
Ad. 5:
In totaal zal ongeveer 400 m² aan overtollige bebouwing worden gesloopt. Alle overige bebouwing past binnen het voorgenomen bouwvlak van ongeveer 0,48 hectare en zal volledig worden (her)gebruikt voor de gewenste bedrijfsvoering.
Ad. 6:
Het agrarisch bedrijf zal met de voorgenomen ontwikkeling geheel worden omgeschakeld. Er is geen sprake van splitsing in twee of meerdere bedrijven.
Ad. 7:
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Er is daarmee geen sprake van een toenemende verkeersoverlast aan de omgeving.
Er zijn met de voorgenomen ontwikkeling, gezien het kortdurend bezoek van klanten, nagenoeg geen parkeervoorzieningen nodig. Op eigen terrein zal worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarmee geen sprake is van een toenemende parkeerdruk op de omgeving.
Ad. 8:
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen en zullen geen omliggende bedrijven en/of functies in de mogelijkheden worden beperkt.
Ad. 9:
Er gelden voor bedrijven voor statische opslag geen aanvullende duurzaamheidseisen.
Ad. 10:
Er gelden voor bedrijven voor statische opslag geen aanvullende bepalingen en/of eisen op het gebied van dierwelzijn en volksgezondheid. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen.
Aan de algemene voorwaarden kan hiermee eveneens worden voldaan.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidsuitgangspunten uit de Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis van de gemeente Sint Anthonis.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen:
In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een intensieve veehouderij naar een bedrijf voor statische opslag. De gewenste activiteit (statische opslag) is niet specifiek in de lijst uit de handreiking opgenomen. De activiteit die hier het meest bij aansluit is de verhuur van opslagruimte ten behoeve van het vervoer (omdat bijvoorbeeld caravans en vrachtwagens worden opgeslagen).
Ten aanzien van een dergelijke functie zijn in de handreiking de volgende richtastanden opgenomen:
Omdat incidenteel ook kleine reparaties plaatsvinden en sprake is van onderhoud, waaronder het schoonspuiten van de opgeslagen vervoermiddelen, is de activiteit ook te vergelijken met handel in auto's en motorfietsen, reparatie en servicebedrijven. Er is dan wel geen sprake van een dergelijk bedrijf, maar incidenteel vinden vergelijkbare activiteiten met een dergelijk bedrijf plaats.
Ten aanzien van een dergelijke activiteit zijn de volgende richtafstanden opgenomen:
De grootste richtafstand voor de gewenste activiteiten (voor geluid) is daarmee 30 meter.
Het dichtstbijzijnd gevoelig object, de bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf aan De Quayweg 10, bevindt zich op een afstand van ongeveer 30 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). De daadwerkelijke afstand tot de woning en de bebouwing bedraagt (aanzienlijk) meer, maar omdat in feite een bedrijfswoning binnen het gehele bouwvlak kan worden gebouwd is gemeten van bouwvlak tot bouwvlak. Aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan waarmee met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder zal worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving.
Daarnaast wordt de bestemming, welke een intensieve veehouderij mogelijk maakt, omgeschakeld naar een bedrijfsbestemming. De milieubelasting van een intensieve veehouderij is aanzienlijk groter dan die van de gewenste bedrijfsactiviteit waarmee de milieuhinder aan de omgeving juist (aanzienlijk) zal afnemen.
Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Het feitelijk gebruik en het beschermingsregime van de huidige bedrijfswoning veranderd niet. Het gebruik blijft wonen. Voor agrarische bedrijfswoningen geldt een aangepast beschermingsregime op het gebied van geur, waarmee vaste afstanden tot dierenverblijven van toepassing zijn. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij alsmede uit jurisprudentie geldt voor voormalige agrarische bedrijfswoningen welke op of na 19 maart 2000 bij een veehouderij hebben behoord eenzelfde bescherming als voor een agrarische bedrijfswoning. Hiermee verandert de bescherming op het gebied van geur niet en dient aan de vaste afstanden te worden voldaan. Deze vaste afstanden bedragen 50 meter tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en de gevel van de voormalige agrarische bedrijfswoning en 25 meter tussen de gevel van een dierenverblijf en de gevel van de voormalige agrarische bedrijfsowning. Het meest nabijgelegen bedrijf in de omgeving betreft een melkrundveehouderij aan de Quayweg 10.
De afstand van de bedrijfswoning van de initiatiefnemer tot het bouwvlak van de betreffende melkrundveehouderij bedraagt ongeveer 100 meter, waarmee ruimschoots aan de vaste afstanden wordt voldaan. Daarnaast geldt voor een melkrundveehouderij vanuit de VNG handreiking een maximale richtafstand van 100 meter. Ook aan deze afstand wordt voldaan.
Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een intensieve veehouderij naar een bedrijf voor statische opslag. Een dergelijke inrichting veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving.
Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige geurhinder aan de omgeving mag ook geen sprake zijn van een ter plaatse ondervonden onevenredige geurhinder. Dit is echter alleen van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe (geur)gevoelige objecten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het bedrijfspand gebruikt worden voor statische opslag en incidentele herstelwerkzaamheden. Daarmee is er geen permanent verblijf en is dus geen sprake van het oprichten een geurgevoelig object.
Aangezien de bedrijfswoning van de veehouderij wordt omgezet naar een bedrijfswoning behorend bij een niet-agrarisch komt de eigen emissie van het veehouderij bedrijf te verwallen waarmee de belasting van andere bedrijven relevant kan zijn voor de afweging, Daarom moet ingegaan worden op de voorgrondgeurbelasting van bedrijven in de omgeving en de achtergrondbelasting. Bij beschouwing van de geurbelasting moet ook rekening worden gehouden met het tegenvallende effect van comibwassers.
Op 1 augustus 2018 is de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Sint Anthonis 2016 vastgesteld. In de volgende figuur is een uitsnede weergeven van de geurgebiedsvisie Sint Anthonis 2016. Hieruit blijkt dat ter plaatse het woon- en leefklimaat van de indicatieve voor- en achtergrondbelasting t.a.v. geurhinder als 'goed' wordt beoordeeld.
Uitsnede kaart geurgebiedsvisie
Bron: gemeente Sint Anthonis
Naast de geurverordening heeft de gemeente eveneens de "Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Sint Anthonis 2016" vastgesteld. Hierin is ten aanzien van geur opgenomen aan welke normen (voor- en achtergrond) dient te worden voldaan om te kunnen spreken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor worden de volgende normen gehanteerd:
Tabel normen geurbelasting en woon- en leefklimaat gemeente Sint-Anthonis.
Bron: Gemeente Sint Anthonis.
Zoals in het voorgaande op basis van de kaart uit de geurgebiedsvisie is aangetoond is ter plaatse voor wat betreft de achtergrondbelasting sprake van een goed woon- en leefklimaat. Als bij de achtergrondbelasting sprake is van een goed woon- en leefklimaat dan is het zeer aannemelijk dat dit bij de voorgrondbelasting eveneens het geval zal zijn. In een uitzonderlijk geval zal de voorgrondbelasting hoger liggen, maar niet dusdanig hoog dat het de norm van een voldoende woon- en leefklimaat (de toetswaarde) zal overschrijden. Tevens zal met de beëindiging van de varkenshouderij ter plaatse sprake zijn van een afname van het aantal ouderunits in de omgeving, waarmee de voorgrondbelasting alleen maar zal afnemen. Hiermee kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Sint Anthonis 2016 van de gemeente Sint Anthonis.
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijn stof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden.
Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijn stof moet eveneens worden aangetoond dat de luchtkwaliteit ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat borgt. Dit is echter alleen van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe gevoelige objecten opgericht.
In de volgende figuur is een uitsnede van de Atlas van de leefomgeving betreffende de achtergrondconcentratie fijnstof weergeven. De achtergrondconcentratie fijnstof is onder de 31,2 µg/m³. Daarmee kan gesteld worden dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.
Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijn stof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden.
De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:
Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.
Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen.
Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.
Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.
Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijn stof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven.
Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijn stof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving.
Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
Ten aanzien van de concentratie van endotoxinen kan worden aangegeven dat er in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die een relevante concentratie endotoxine in het plangebied veroorzaken.
Ten aanzien van de verhoogde kans op longontsteking in verband met de aanwezigheid van geitenhouderijen kan worden aangegeven dat er geen sprake is van een toename van de risico's voor de volksgezondheid omdat er al sprake is van een woning.
Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.
Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.
In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.
De gemeente Sint Anthonis vormt samen met de gemeenten Boxmeer, Grave, Mill & Sint Hubert en Cuijk het regionale samenwerkingsverband Land van Cuijk. Het samenwerkingsverband Land van Cuijk heeft een beleidsvisie externe veiligheid gemeenten Land van Cuijk 2012-2015.
Voor de inventarisatie van de risicobronnen is de nationale risicokaart geraadpleegd. Hieronder ziet u een uitsnede van de risicokaart met het plangebied (groen omcirkeld).
Uitsnede risicokaart met plangebied
Bron: gemeente Sint Anthonis
In de omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen en spoorlijnen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De volgende risicobronnen zijn wel in de omgeving van het plangebied gelegen:
Toetsing
Provinciale weg N277
Op ca. 630 meter ten westen van het plangebied is de provinciale weg N277 gelegen. Over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het betreft uitsluitend de stoffen LF1, LF2 en GF32.
Plaatsgebonden risico
Uit een in 2008 uitgevoerd onderzoek naar de externe veiligheidsrisico’s van provinciale wegen blijkt, dat bij de provinciale weg N277 het plaatsgebonden risico op het midden van de weg ligt. Het plaatsgebonden risico van de weg vormt derhalve geen belemmering voor het plan.
Groepsrisico
Uit het onderzoek blijkt tevens, dat de maatgevende stof voor het groepsrisico voor de weg GF3 (grootste invloedgebied, 355 meter, scenario BLEVE) is. Dit invloedgebied reikt niet tot binnen het plangebied (plangebied op afstand 630 meter). Er is dus geen toename van de hoogte van het groepsrisico van de weg vanwege het plan.
De Quayweg
De planlocatie is direct gelegen aan de Quayweg. Over deze weg vindt zeer beperkt transport van gevaarlijke stoffen plaats (alleen bestemmingsverkeer). Daarom kan aangenomen worden, dat het plaatsgebonden risico van deze weg op de weg zelf ligt en dat het groepsrisico, mede vanwege de zeer lage bevolkingsdichtheid in het gebied (agrarisch buitengebied), niet boven de 0,1 maal de oriënterende waarde zal uitstijgen. Het plaatsgebonden en groepsrisico van deze weg vormen derhalve geen belemmering voor het plan.
Hogedruk aardgasleiding A-585
Ten noordwesten van het plangebied is op ca. 375 meter de hogedruk aardgasleiding A-585 gelegen. Deze leiding heeft een werkdruk 66,2 bar en een diameter van 42 inch. Deze leiding heeft externe veiligheidsrisico’s voor de omgeving. De leiding maakt geen onderdeel uit van de structuurvisie buisleidingen.
Plaatsgebonden risico
Uit de risicokaart blijkt, dat de leiding A-585 geen plaatsgebonden risicocontour heeft. Het plaatsgebonden risico van de leiding vormt derhalve geen belemmering voor het plan.
Groepsrisico
Het bij de diameter en druk van de leiding behorende invloedgebied (1% letaliteit) en de 100% letaliteitcontour bedraagt respectievelijk 490 en 190 meter. Het plangebied is gelegen buiten de 100% letaliteitscontour van de leiding. Het plangebied is echter wel gelegen binnen het invloedgebied van de leiding. Omdat het plangebied is gelegen binnen het invloedgebied, maar buiten de 100% letaliteitscontour van de leiding kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor deze leiding. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico gaat in op de zelfredzaamheid van personen en de bestrijdbaarheid van de gevolgen van een ramp binnen het plangebied. De veiligheidsregio is om advies gevraagd worden hierover. Dit advies is verwerkt in de beperkte verantwoording van het groepsrisico (zie verderop onder kopje ‘verantwoording groepsrisico’).
DPO-leiding P18A
Ten oosten van het plangebied is de DPO-leiding P18A gelegen. Door deze leiding wordt K3-vloeistof (kerosine) vervoerd. Dit is een gevaarlijke vloeistof. Derhalve dient het plan aan de risicocontouren (PR en GR) van deze leiding getoetst te worden. De leiding maakt geen onderdeel uit van de structuurvisie buisleidingen.
Plaatsgebonden risico
Uit de risicokaart blijkt, dat de leiding P18A geen plaatsgebonden risicocontour heeft. Het plaatsgebonden risico van de leiding vormt derhalve geen belemmering voor het plan.
Groepsrisico
Uit de risicokaart blijkt, dat de DPO-leiding P18A een invloedgebied voor het groepsrisico heeft van 23 meter (plasbrandscenario). Het plangebied ligt ruim buiten deze afstand. Er is dus geen toename van de hoogte van het groepsrisico van de leiding vanwege het plan.
Propaantank de Quayweg 10
De propaantank op de locatie de Quayweg 10 is gelegen op ca. 140 meter van het plangebied. De inhoud van de propaantank is 3000 liter. De propaantank valt vanwege de inhoud onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit.
Plaatsgebonden risico
Voor de betreffende tank bedraagt de veiligheidsafstand tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 25 meter conform het Activiteitenbesluit. Het plangebied ligt ruim buiten deze veiligheidsafstand en wordt planologisch niet belemmert.
Groepsrisico
De propaantank heeft volgens het Activiteitenbesluit geen invloedgebied (1% letaliteit). Derhalve is geen sprake van een groepsrisico.
Beleidsvisie externe veiligheid
Toetsing van het plan aan de beleidsvisie externe veiligheid geeft geen belemmeringen voor het plan.
Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedgebied van de buisleiding A-585 dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd (zie bijlage). Het advies is verwerkt in de verantwoording.
Personendichtheid en hoogte van het groepsrisico
Gezien de zeer lage bevolkingsdichtheid rondom de buisleiding (agrarisch buitengebied, maximaal 2 personen per hectare) zal het groepsrisico niet boven 10% van de oriëntatiewaarde uitstijgen.
Mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit
De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld:
Is het rampscenario te bestrijden?
De mate van bestrijdbaarheid van een calamiteit is afhankelijk van de opkomsttijd brandweer, de bereikbaarheid van de locatie calamiteit en de bluswatervoorziening in de omgeving van de calamiteit.
Bij een calamiteit met de hogedruk aardgasbuisleiding A-585 is het scenario fakkelbrand maatgevend. Voor het scenario fakkelbrand geldt, dat deze alleen geblust kan worden middels het afsluiten van de betreffende leiding(deel) door de leidingbeheerder. Het doven van het vuur na sluiting van de leiding neemt behoorlijk wat tijd in beslag. Middels het leggen van een waterscherm over de brandhaard kunnen de gevolgen van de fakkelbrand enigszins ingedamd worden. Hiervoor zijn wel aanzienlijke hoeveelheden water benodigd.
De opkomsttijd van de brandweer ter plaatste van de calamiteit bedraagt ca. 12 minuten. De bereikbaarheid van de locatie calamiteit is goed. De primaire bluswatervoorziening ter plaatse is slecht. Grote hoeveelheden secundair bluswater kan onttrokken worden vanuit het defensiekanaal, wat op ca. 750 meter is gelegen. Dit bevordert de bestrijding van het incident enigszins. Het duurt echter wel even voordat deze bluswatervoorziening tot stand gebracht kan worden (aanvoer van grote hoeveelheden materieel benodigd). De algemene conclusie is derhalve dat de bestrijdbaarheid van een incident matig is. Er zal daarom door de brandweer vooral defensief worden ingezet, waarbij de nadruk ligt op het ontruimen van het effectgebied.
Is de omgeving van het plangebied voldoende ingericht om de gevolgen van een calamiteit hierbinnen te bestrijden?
Het optreden van de brandweer zal zich in eerste instantie beperken tot het evacueren van mensen en het afzetten van het gevarengebied. Daarna zal worden overgegaan tot het beperken van de omvang van de calamiteit binnen het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn zeer grote hoeveelheden bluswater aanwezig (Defensiekanaal).
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario (brand, explosie en/of toxischewolk).
Mogelijkheden zelfredzaamheid
De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Binnen het plangebied zijn geen niet en/of minder zelfredzame personen aanwezig. Vluchten van de bron af is in beginsel de beste manier om de calamiteit met het scenario fakkelbrand te overleven. Het snel vluchten van de bron af is voor de binnen het plangebied aanwezige personen goed mogelijk.
Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren?
Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied:
Alarmering:
Ter hoogte van de planlocatie is de WAS-dekking (sirene burgerbescherming) op orde. In geval van een calamiteit zal tevens NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.
Vluchtmogelijkheden:
Het plangebied is naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobronnen af.
Schuilmogelijkheden:
Voor het scenario fakkelbrand geldt, dat schuilen binnen de bebouwing, vooral in de directe nabijheid van de risicobron, geen optie is.
De beoogde ontwikkeling voldoet aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Het plangebied ligt binnen het invloedgebied van de hogedruk aardgasbuisleiding A-585. Het groepsrisico is beperkt verantwoord en wordt aanvaardbaar geacht. De volgende overwegingen spelen daarbij een rol:
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.
Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
Om aan te tonen dat er geen verontreiniging te verwachten is, is een historische toets ten behoeve van vrijstelling van een bodemonderzoek ingevuld. Dit formulier is te vinden in bijlage 3.
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.
In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een intensieve veehouderij naar een bedrijf voor statische opslag. Vanuit de C-lijst en de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt geen drempelwaarde voor een dergelijke inrichting.
Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.
De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Er is geen sprake van een drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.
Er zal bij de voorgenomen ontwikkeling juist een (aanzienlijke) milieuwinst worden behaald door beëindiging van een (intensieve) veehouderij.
De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.
De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en
leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.8) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie weten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.
De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.
Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Deurnsche Peel & Mariapeel) is gelegen op een afstand van ongeveer 13,5 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Echter is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een inrichting met een uitstoot van ammoniak. Er is eerder sprake van een afname van ammoniak omdat met de voorgenomen ontwikkeling een (intensieve) veehouderij wordt beëindigd.
Daarnaast zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Er is tevens geen sprake van een inrichting met een onevenredige uitstoot van stikstofoxiden. Er zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van stikstofoxiden.
Hiermee zal geen sprake zijn van een toenemende depositie van stikstof op de betreffende gebieden.
Daarnaast kunnen aspecten als licht, geluid en/of trillingen leiden tot negatieve effecten op de betreffende gebieden. Gezien de grote afstand tot de betreffende gebieden zullen dergelijke aspecten, voor zover van toepassing, binnen de betreffende gebieden niet merkbaar zijn.
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.
Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.
Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal sprake zijn van sloop van bebouwing. Om die reden dient een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd te worden. Omdat het op dit moment nog niet duidelijk is wanneer er gesloopt gaat worden zal het uitvoeren van een quickscan Flora en Fauna als Voorwaardelijke
verplichting opgenomen worden in de regels van dit plan. Dit houdt in dat er pas gesloopt mag worden als er een quickscan is uitgevoerd. Deze voorwaardelijke verplichting is juridisch bindend gezien het feit dat deze bepaling onderdeel uitmaakt van de regels behorend bji dit plan.
Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.
Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.
Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.
De provincie Noord-Brabant heeft het NNN verwerkt in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en hier specifieke regels voor vastgesteld.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 1,1 kilometer.
Uitsnede kaart NNN/NNB.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
Gezien de locatie niet in het NNN/NNB is gelegen en de ruime afstand tot het dichtstbijzijnde NNN/NNB-gebied zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers geen sprake van een veehouderij. Omdat de uitstoot van ammoniak niet zal toenemen zal ook geen sprake zijn van een verhoogde ammoniakdepositie op de betreffende gebieden.
De ammoniakemissie zal met de voorgenomen ontwikkeling eerder afnemen omdat een (intensieve) veehouderij wordt opgeheven.
Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving.
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Sint Anthonis voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'categorie 6'.
Uitsnede archeologische beleidskaart.
Bron: Gemeente Sint Anthonis.
Gebieden in categorie 6 zijn gebieden met een lage archeologische verwachting en zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Daarnaast is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het slopen en/of bouwen van bebouwing, waarmee geen sprake is van bodemverstorende maatregelen.
Hiermee zullen geen archeologisch waarden worden aangetast en is geen nader onderzoek nodig.
Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.
De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
De locatie is gelegen in een cultuurhistorisch waardevol landschap. Het betreft een landgoederenzone in De Peel. Het landschap van de landgoederenzone in de Peel bestaat uit een ensemble van landgoederen. Bijzonder voor dit gebied zijn de grootschalige, jonge ontginningen waarvan de landgoederen deel uitmaken. De lange rechte lijnen worden grotendeels bepaald door laatmiddeleeuwse dorpsgrenzen. De laanbeplantingen zijn vaak monumentaal. De strategie voor dit landschap bestaat uit het behoud en beter beleefbaar maken van monumentaal ontginningslandschap met grote lijnen, zoals lanen. De natuurontwikkeling, waterberging en economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit. Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving.
Daarnaast is De Quayweg aangemerkt als historisch geografische zichtlijn met hoge waarde en is de laanbeplanting langs De Quayweg aangemerkt als historisch groen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen aanpassingen aan de ruimtelijke structuur plaats. Er wordt niet gesloopt en/of gebouwd. Er zal worden voorzien in een passende landschappelijke inpassing die aansluit bij de historische groenstructuren in de omgeving. De structuur van het landschap, de historisch geografische lijn en het historisch groen zullen daarmee niet worden aangetast.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.
Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
Een goede ontsluiting is gerealiseerd op De Quayweg. De locatie is voorzien van een goede aansluiting op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.
Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.
In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
In de volgende figuur is een uitsnede van de landschappelijke inpassing weergeven. Er is te zien dat er vier parkeervakken worden gerealiseerd ten oosten van inrit 1. De vakken krijgen een oppervlakte van B 2,5 x L 5,0 = 12,5 m². Daarmee kan gesteld worden dat er ter plaatse voldoende ruimte is om te parkeren op eigen terrein.
Uitsnede landschappelijke inpassing parkeersituatie
Bron: de Groot Hoveniers
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van de agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen.
Momenteel is de locatie bestemd als intensieve veehouderij. Bij een intensieve veehouderij vinden vaak een groot aantal verkeersbewegingen plaats voor het aan- en afvoeren van dieren, het leveren van voer, de veearts, het onderhoud en het leveren van verschillende diensten. Bij een bedrijf voor statische opslag vinden doorgaans alleen verkeersbewegingen plaats voor het stallen van goederen en het, zo nu en dan, ophalen ervan om ze te gebruiken.
Bij statische opslag worden de gestalde goederen voor lange tijd gestald. Het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de stalling van deze goederen is daarmee zeer beperkt. Er is, anders dan bij een (intensief) veehouderijbedrijf, geen sprake van een continue aan- en afvoer. In vergelijking met de huidige bestemming en mogelijkheden zal het aantal verkeersbewegingen daarom eerder afnemen.
Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een agrarisch bestemming naar een bedrijfsbestemming, waarbij de bestaande bebouwing zal worden ingezet voor statische opslag.
Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie).
Vanuit het beleid van het waterschap geldt het volgende:
Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² wordt de rekenregel van het waterschap toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m², of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel van het waterschap toegepast. Bij een toename van minder dan 2.000 m² is geen extra compensatie nodig.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Er wordt niet gebouwd en/of gesloopt. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:
De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd.
Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden (zeer) incidenteel reparatie- en onderhoudswerkzaamheden plaats. De incidentele reparatie- en onderhoudswerkzaamheden, waaronder het schoonspuiten van de opgeslagen vervoermiddelen, zal in een kleinschalige werkplaats plaatsvinden. Het water dat wordt gebruikt voor het schoonspuiten zal niet worden geloosd op oppervlaktewater en niet worden geïnfiltreerd in het grondwater, maar volgens de wettelijk geldende regels en normen worden gezuiverd en/of afgevoerd.
Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.
Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:
" Artikel 6.2.1
Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is.
Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Het kostenverhaal wordt geregeld middels een anterieure overeenkomst. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis 2013" en de herziening daarop "Partiële Herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis" van gemeente Sint Anthonis en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:
Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.
Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).
Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.
Bijlagen bij de toelichting:
Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.
Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Bijlagen bij de planregels:
Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.
De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.
Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).