direct naar inhoud van Motivering
Gemeente: Westerveld
Status: vastgesteld
Team:
Contact:

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Van Helomaweg 2a in Wapserveen is een voormalig melkveebedrijf aanwezig. De initiatiefnemers nemen deel aan de Lbv-plus regeling om het bedrijf te staken. De sloop van de aanwezige agrarische opstallen is een voorwaarde binnen de regeling. Na sloop van de bebouwing is het voornemen om de locatie te herontwikkelen tot woonperceel met vier nieuwe woningen, waarvan twee vrijstaande woningen en één twee-onder-één kapwoning.

Op basis van het geldende omgevingsplan van de gemeente Westerveld kent het perceel een agrarische bedrijfsbestemming. Om het voorgenomen plan mogelijk te maken, is een omgevingsplanwijziging benodigd. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan voorziet in het wijzigen van de huidige agrarische functie naar een woonfunctie.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied ligt aan de Van Helomaweg 2a, in het buitengebied en net ten noorden van het lintdorp Wapserveen. Op figuur 1 is de ligging van het perceel weergegeven. Het perceel wordt aan de oostzijde begrensd door de Van Helomaweg en verder volledig omgeven door agrarische gronden, welke in eigendom zijn van de initiatiefnemers. Ten zuidoosten van het perceel zijn nog net de randen van het Natura 2000-gebied 'Holtingerveld' zichtbaar. Ten noorden van het perceel is de zandafgraving aan de Heerendijk zichtbaar. De ontwikkeling heeft betrekking op het voormalige agrarische erf (zie ook figuur 2).

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0001.png"

Figuur 1: Ligging van het erf aan de Van Helomaweg 2a ten opzichte van de omgeving

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0002.png"

Figuur 2: Begrenzing van het plangebied

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Van Helomaweg 2a Wapserveen' bestaat uit de volgende stukken:

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1701.509TAMVHelomawg2a-0002) en een renvooi;
  • Motivering;
  • Bijlagen bij de motivering;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

Op de verbeelding zijn de functies en gebiedsaanwijzingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van de wijziging van het omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22w Van Helomaweg 2a Wapserveen' en de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van de wijziging.

1.4 Het omgevingsplan

1.4.1 Geldend omgevingsplan

Het perceel is gelegen binnen de grenzen van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld, welke op 1 januari 2024 van rechtswege in werking is getreden. Het bestemmingsplan 'Buitengebied (voormalige gemeente Havelte), partiële herziening van Helomaweg, Wapserveen' zijn doorwerking in het omgevingsplan van rechtswege, totdat de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt. Op grond van het vigerende omgevingsplan kent het plangebied de bestemminge 'agrarische bedrijfsdoeleinden', 'agrarische doeleinden' en 'bos/beplantingsstrook'.

De voor 'agrarische bedrijfsdoeleinden' aangewezen gronden ijn bestemd voor de uitoefening van het agrarische bedrijf met bijbehorende bedrijfswoning. De voor 'agrarische doeleinden' aangewezen gronden zijn enkel bestemd voor het weiden van vee en/of het verbouwen van gewassen, alsmede van ter plaatse van de aanduiding 'accent natuur' voor waterberging en de ontwikkeling van schraal, vochtig, en/of bloemrijk grasland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0003.png"

Figuur 3: Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied (voormalige gemeente Havelte), partiële herziening van Helomaweg, Wapserveen

1.4.2 Opheffen strijdigheid

De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied tot een woonerf is niet in overeenstemming met het geldende omgevingsplan. De bestemming 'agrarische bedrijfsdoeleinden' biedt geen ruimte voor het bouwen van vier woningen. Om het plan mogelijk te maken is een wijziging van het vigerende omgevingsplan noodzakelijk.

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt overheden en organisaties bij het werken volgens de Omgevingswet. Voor partijen die bij de voorbereiding of inwerkingtreding van de wet nog niet volledig gebruikmaken van het DSO, zijn er zogenoemde tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM’s) beschikbaar. Eén van deze maatregelen is de TAM-IMRO, ook wel het TAM-omgevingsplan genoemd.Kort gezegd betekent TAM-IMRO dat gemeenten tijdelijk gebruik mogen blijven maken van de bestaande technische voorzieningen voor planvorming. Hierbij gaat het om de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de huidige voorziening Ruimtelijke Plannen.

Hoewel voorliggend TAM-omgevingsplan juridisch onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan van de gemeente, is het dat technisch gezien niet. Daarom zijn aanvullende (voorrangs)regels nodig. In hoofdstuk 6 wordt hier dieper op ingegaan.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 volgt de planbeschrijving, waarin de gewenste ontwikkeling wordt toegelicht. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader van het Rijk, de provincie Drenthe en de gemeente Westerveld. In hoofdstuk 5 komen de aspecten van de fysieke leefomgeving aan bod, zoals milieu, water, natuur en gezondheid. Hoofdstuk 6 gaat in op de juridische aspecten en planverantwoording, gevolgd door hoofdstuk 7, waarin de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt besproken. Tot slot behandelt hoofdstuk 8 het vooroverleg, de inspraak en de zienswijzen.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

De locatie maakte in 2009 onderdeel uit van een bedrijfsverplaatsing, waarbij het agrarisch bedrijf op deze locatie nieuw is gevestigd. In 2010 is het bedrijf in gebruik genomen. Destijds omvatte het erf een ligboxenstal, een combinatie van werktuigenstalling en jongveestal, en de later aangebouwde jongveestal uit 2023. Aan de noordzijde bevonden zich vijf sleufsilo’s, terwijl de bedrijfswoning aan de voorzijde van het erf was gelegen.

Ter ondersteuning van een zorgvuldige landschappelijke inpassing zijn bij de nieuwvestiging diverse maatregelen uitgevoerd, waaronder de aanleg van een poel aan de straatzijde, de realisatie van een grondwal aan de oostzijde ter afscherming van de bebouwing en sleufsilo’s, en de aanplant van eiken. Hoewel de ligboxenstal, nieuw aangebouwde jongveestal uit 2023 en de bedrijfswoning nog aanwezig zijn, is de andere werktuigenstalling/jongveestal reeds gesloopt in het kader van de Lbv-plus regeling. Ook de ligboxenstal dient in het kader van de regeling nog te worden gesloopt. Op korte termijn bestaat het ruim 2 hectare grote erf dan dus nog uit de voormalige bedrijfswoning en de in 2023 gerealiseerde jongveestal. Deze nog relatief nieuwe jongveestal krijgt een passende vervolgfunctie als bijgebouw op het te realiseren woonerf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0004.png"

Figuur 4: Aanzicht op het erf vanaf de Van Helomaweg, de jongeveestal/werktuigenstalling is reeds gesloopt (zie ook figuur 5)

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0005.png"

Figuur 5: Huidig aanzicht vanaf het inrit, met de te behouden nieuwe jongveestalling uit 2023 op rechts, welke wordt omgevormd tot gezamenlijke schuur voor de woningen

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0006.png" Figuur 6: Huidige landschappelijke inpassing van het erf aan de noordzijde

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 De ontwikkeling

Verwijderen agrarische bebouwing

De ontwikkeling heeft betrekking op de sloop van de huidige opstallen op het erf, en de realisatie van vier nieuwe woningen op het erf, waarvan twee vrijstaande woningen en één twee-onder-één kapwoning. De woningen worden gerealiseerd op basis van de Ruimte-voor-Ruimte regeling, zoals opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening. In totaal wordt er 2.479m2 aan bebouwing gesloopt, waardoor op basis van het provinciale beleid het recht wordt verkregen om vier compensatiewoningen van in totaal (alle woningen gezamenlijk) maximaal 500m2 aan oppervlak te bouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0007.png"

Figuur 4: Overzicht van te behouden jongveestal en bedrijfswoning, en te slopen bebouwing op het erf

Transformatie naar woonerf met vier nieuwe woningen

In onderstaande inrichtingsschets is de toekomstige indeling van het erf weergegeven (Bijlage 1). Een deel van de huidige erfverharding zal blijven behouden en dient ter ontsluiting van de nieuwe woningen. De nieuwe woningen worden aan deze ontsluiting gepositioneerd. De nieuwe jongveestal (2023) blijft behouden en wordt gebruikt als schuur ten behoeve van de stalling van enkele hobbydieren en als gezamenlijk bijgebouw voor de stalling van werktuigen en dergelijke voor het onderhouden van de toekomstige woonpercelen en agrarische gronden. De nieuwe woningen worden ten opzichte van deze schuur op het erf gepositioneerd, waardoor een samenhangend erf ontstaat.

De nieuwe woonkavels worden landschappelijk ingepast met een nieuw aan te planten windsingel met gemengde en inheemse boomvormers, welke rondom het erf wordt aangeplant en zorgt voor een kenmerkende u-vormige houtwal rondom het voormalige boerenerf. Daarnaast worden er enkele solitaire bomen en mogelijk enkele hoogstamboomgaarden aangeplant met oude inheemse rassen, zoals deze van oudser vaak aanwezig zijn op erven in het buitengebied. Ter afscheiding van de woonkavels wordt gezorgd voor een groene afscheiding zoals gemengde struweelhagen. De beplanting op de kavelgrenzen blijft laag, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de kenmerkende u-vormige hoofdstructuur van de windsingel rondom het erf. Op het bestaande erf is ook ruimte voorzien voor enkele dierenweiden.

Voor de aan te brengen beplanting wordt enkel gebruik gemaakt van inheemse en gebiedseigen soorten, zodat naast een meerwaarde voor de landschappelijke kwaliteit, ook een bijdrage wordt geleverd aan de locale biodiversiteit. Zo bieden de aan te planten struweelhagen en windsels onder andere aantrekkelijke schuil- en nestgelegenheden voor vogels en kleine zoogdieren, en bieden ze voedsel voor vogels en insecten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0008.png"

Figuur 5: Inrichtingsschets toekomstig woonperceel met vier nieuwe woningen

3.2 Verkeer en parkeren

Het parkeren vindt in de toekomstige situatie plaats op de eigen woonkavels. Op basis van de parkeerkencijfers van het CROW (2024) geldt voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied een parkeernorm van afgerond 2. In het plan zijn twee parkeerplekken voorzien bij de woningen. Bij veel bezoekers kan daarnaast ook worden geparkeerd op het centrale deel van het erf met de gezamenlijke schuur. Daarmee wordt voldaan aan de toekomstige parkeerbehoefte.

Voor de verkeersgeneratie geldt dat er juist een verbetering plaatsvindt ten opzichte van de huidige situatie. Vergeleken met een agrarisch bedrijf met één bedrijfswoning zal het aandeel aan woonverkeer toenemen, maar van agrarisch verkeer met grootschalige machines en vrachtwagens is juist geen sprake meer. Daarmee is de toename in het aantal verkeersbewegingen, als dit al het geval is, zeer beperkt en minder ingrijpend van aard voor de omgeving. Daarnaast betreft de Van Helomaweg (N353) een belangrijke doorgaande 80 km/u weg, en kan de toename in woonverkeer zonder problemen via deze weg worden afgewikkeld.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Nederland staat in de komende jaren voor een aantal opgaven van nationaal belang. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) stelt dat Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw Nederland flink zullen veranderen. Deze opgaven moeten benut worden om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden. De NOVI biedt perspectief om de grote opgaven aan te pakken Hierbij is omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.

Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. In de NOVI wordt gesproken over een 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI beschrijft enerzijds een toekomstperspectief met ambities en anderzijds de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Deze opgaven zijn het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten. Op deze vier prioriteiten zijn beleidskeuzes gemaakt:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om de beleidskeuze weloverwogen te maken worden drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven, gehanteerd namelijk:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk formuleert in de NOVI dat de huidige woningvoorraad onvoldoende aansluit op de toename van het aantal inwoners en huishoudens. Het doel is om tussen 2019 en 2035 de woningvoorraad aan te vullen met circa 1,1 miljoen woningen, die aansluiten op de huidige en toekomstige woonbehoeften in een fijne, leefbare omgeving. In bepaalde regio's kan transformatie of sloop van vastgoed uitkomst bieden, zodat de ruimtelijke structuur in gebieden wordt behouden. Het Rijk zet in op het behoud van compacte kernen in de regio. Bij transformatie en groei dient rekening te worden gehouden met cultuurlandschappen, landschappelijke structuren en objecten en andere waardevolle elementen in de omgeving. Het streven is om deze unieke kwaliteiten te versterken en waarborgen in het ruimtelijk ontwerp. Daarnaast richt het Rijk zich op de realisatie van meer natuur en biodiversiteit in steden en het landelijk gebied. Bij nieuwe ruimtelijke opgaven dienen natuur en natuur-inclusief ontwikkelen meegenomen te worden.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van vier nieuwe woningen op basis van het Ruimte voor Ruimte-beleid van Drenthe. Het plan wordt landschappelijk ingepast, met respect voor bestaande natuurwaarden en het karakter van het omliggende cultuurlandschap. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied, zoals beoogd in de NOVI. De woningen vullen de regionale woningbehoefte aan, versterken de ruimtelijke kwaliteit en sluiten aan bij de nationale ambitie om meer woningen te realiseren zonder afbreuk te doen aan omgevingskwaliteit en biodiversiteit. Daarmee is het plan in overeenstemming met de NOVI.

4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (bij besluit van 21 april 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd in verband met de aanpassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’). Per 1 januari 2024 is echter de Omgevingswet in werking getreden. Het Bro is daarmee vervangen. De laddertoets is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. Uit dit artikel volgt dat getoetst moet worden aan de ladder bij stedelijke ontwikkelingen bij het wijzigen van een omgevingsplan, voor zover die wijziging voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Uit jurisprudentie (o.a. overzichtsuitspraak ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat kleinschalige woningbouwontwikkelingen die voorzien in meer dan 12 woningen worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling en dus moeten worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Voorliggend plan voorziet in de toevoeging van 4 nieuwe woningen. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet noodzakelijk.

4.2 Provinciaal beleid Drenthe

4.2.1 Omgevingsvisie en -verordening

De Omgevingsvisie Drenthe is de provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Drenthe. In 2022 is de Omgevingsvisie geactualiseerd vastgesteld. De Omgevingsvisie is het strategisch kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. In de Omgevingsvisie beschrijft de provincie de missie, ambities, doelstellingen, strategie en de uitwerking daarvan op het gebied van de fysieke leefomgeving. De missie luidt als volgt: "Het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten".

De Omgevingsverordening Drenthe is een van de instrumenten om het beleid door te laten werken. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

Kernkwaliteiten

Op basis van de Omgevingsverordening zijn aan het erf de kernkwaliteit cultuurhistorie 'Esdorpenlandschap Vledder en Wapserveense Aa' en de kernkwaliteit landschap 'Wegdorpenlandschap van de laagveenontginning' zijn toegekend.

Voor de kernkwaliteit landschap 'Wegdorpenlandschap van de laagveenontginning' (ook wel het slagenlandschap) geldt dat dit de laagstgelegen plekken van Drenthe zijn, waar in de benedenlopen van de beekdalen veen is ontstaan. Kenmerkend zijn de ontginningsassen, de langgerekte lintdorpen en grote open weidegebieden (met smalle langgerekte verkaveling en een slotenpatroon haaks op de ontginningsas). Sommige delen hebben door de kavelgrensbeplanting een min of meer besloten karakter. Kenmerkend is de lintbebouwing en de aaneenschakeling van forse boerderijen met erfbeplantingen en de dominerende beplanting langs de weg. De beplanting bestaat veelal uit opgaande bomen in een open landschap. Het provinciaal beleid in dit landschapstype is gericht op het behouden en versterken van het open weidegebied en de smalle verkavelingsstructuur.

Het deelgebied 'Vledder en Wapserveense Aa' is gelegen in het gebied 'Drentse Hoofdvaart' op basis van de provinciale verordening. Dit gebied kent een aantal deelgebieden met elk hun eigen kenmerken. Voor het gebied Vledder en Wapserveense Aa geldt dat dit gebied zich kenmerkt door de open beekdalen, met zicht naar de wegdorpen en randveenontginningen, licht slingerende lintbebouwing met karakteristieke eenzijdige bebouwing, grote scherp begrensde boseenheden en esdorpen met een ruime opzet en herkenbaarheid van historische uitbreidingen die het landschap insteken. De ambitie voor het gebied is het in standouden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze bestaat uit een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes. Ook is de ambitie het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen, waaronder de vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes en doorzichten naar het omliggende buitengebied. In de beekdalen is de ambitie om het zicht op de wegdorpen van de randveenontginningen open te houden. Daarnaast wil de provincie in Wapserveen het licht slingerende lint met kenmerkende eenzijdige bebouwing versterken.

In de provinciale verordening vertalen de kernkwaliteiten zich naar de volgende regels:

Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie gelegen in de Kernkwaliteit landschap:

  • a. Houdt rekening met het behoud van de aanwezige kernkwaliteiten, en;
  • b. bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.

Artikel 3.2 Kernkwaliteit Cultuurhistorie

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie gelegen in Esdorpenlandschap Vledder en Wapserveense Aa:

  • a. betrekt de aanwezige kwaliteiten bij de toedeling van functies en activiteiten aan locaties, en;
  • b. bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan.

Daarnaast bevat de provinciale verordening regels ten aanzien van de Ruimte-voor-Ruimte regeling waarop met dit initiatief wordt aangesloten:

Artikel 3.15 Ruimte-voor-Ruimte regeling

1

Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in Landelijk Gebied, kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied bedrijfsmatige of maatschappelijke bebouwing aanwezig is die de oorspronkelijke functie is verloren, mits:

  • a. de sloopnorm voor 1 compensatiewoning ten minste 750 m² en ten minste 2.000 m² voor maximaal 2 compensatiewoningen aan bedrijfsbebouwing bedraagt;
  • b. onverminderd het bepaalde in sub a bedraagt de sloopnorm voor 3 compensatiewoningen ten minste 3.000 m² en ten minste 4.000 m² voor 4 compensatiewoningen en ten minste 5.000 m² voor 5 compensatiewoningen.
  • c. In afwijking van het bepaalde in sub c bedraagt de sloopnorm 6 compensatiewoningen wanneer meer dan 6.000 m² wordt gesloopt.

2

In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een omgevingsplan voorzien in ten hoogste 4 woningen bij een sloopnorm van 2.000 m², voor zover de totale oppervlakte van alle woningen tezamen niet meer bedraagt dan 500 m².

3

De ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende:

  • a. toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor bebouwing die op 1 januari 2014 al aanwezig was;
  • b. in het omgevingsplan mag de mogelijkheid worden geboden tot het samenvoegen van bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm;
  • c. Bij het realiseren van drie of meer woningen als bedoeld in leden 1 en 2 toont het omgevingsplan aan dat de aantallen en doelgroep passen binnen de gemeentelijke woonvisie of omgevingsvisie, uitvoeringsprogramma’s en prestatie afspraken;
  • d. randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd; en
  • e. de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in Natuurnetwerk Nederland of Beekdal en bergingsgebied, tenzij de oorspronkelijke bebouwing in die gebieden wordt verwijderd.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Kernkwaliteiten

Voor de kernkwaliteit landschap 'Wegdorpenlandschap van de laagveenontginning' (ook wel het slagenlandschap) geldt dat dit de laagstgelegen plekken van Drenthe zijn, waar in de benedenlopen van de beekdalen veen is ontstaan. Kenmerkend zijn de ontginningsassen, de langgerekte lintdorpen en grote open weidegebieden (met smalle langgerekte verkaveling en een slotenpatroon haaks op de ontginningsas). Sommige delen hebben door de kavelgrensbeplanting een min of meer besloten karakter. Kenmerkend is de lintbebouwing en de aaneenschakeling van forse boerderijen met erfbeplantingen en de dominerende beplanting langs de weg. De beplanting bestaat veelal uit opgaande bomen in een open landschap. Het provinciaal beleid in dit landschapstype is gericht op het behouden en versterken van het open weidegebied en de smalle verkavelingsstructuur.

Het plangebied is gelegen in een typisch wegdorpenlandschap, net buiten het lint van Wapserveen. De omgeving kenmerkt zich als open weidegebied, waarbinnen het agrarische bedrijf in 2010 een plek heeft gekregen vanwege een bedrijfsverplaatsing. Destijds heeft het bedrijf rondom enigzins opgaande erfbeplantingen gekregen, welke met de landschappelijke inpassing van voorliggend plan verder worden versterkt. Rondom het erf wordt met de landschappelijke inpassing een robuuste erfbeplanting aangebracht. Het omliggende open landschap en de kenmerkende verkavelingsstructuur blijven behouden. Vanaf de Van Helomaweg wordt het aanzicht open gehouden, waardoor het zicht vanaf en richting de weg open wordt gelaten.

Het plan doet daarnaast geen afbreuk aan de ambities voor deelgebied 'Vledder en Wapserveense Aa', maar sluit hier juist bij aan. Met de landschappelijke inpassing wordt ingezet op het versterken van de kenmerkende beplantingselementen zoals houtwallen, en wordt geen afbreuk gedaan aan de nabijgelegen lintbebouwing van Wapserveen. Het gebied wordt gekenmerkt door de afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes, wat ook tot uiting komt doordat het plangebied sinds 2010 in gebruik is genomen ten behoeve van het agrarische bedrijf. Rondom het plangebied blijft de kenmerkende openheid behouden, en het plan doet geen afbreuk aan de het zicht op het kenmerkende lint van Wapserveen. In het plan is daarnaast rekening gehouden met doorzichten richting vanaf de Van Helomaweg naar het omliggende landschap.

Ruimte-voor-Ruimte regeling

Voorliggend plan voorziet in de bouw van vier nieuwe woningen op basis van de provinciale Ruimte-voor-Ruimte regeling. Op het erf wordt 2.479m2 aan bebouwing gesloopt, waardoor het mogelijk is om vier woningen van in totaal (alle woningen gezamenlijk) maximaal 500m2 te bouwen. Het plan sluit hierbij aan door vier woningen te realiseren, waarvan twee vrijstaande woningen en één twee-onder-één kapwoningen bestaande uit twee kleinere wooneenheden. De te realiseren woningen zijn niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland, Beekdal of bergingsgebied. Daarnaast betreft het een bestaand agrarisch erf, waarop al grootschalige agrarische bebouwing aanwezig is, welke wordt herontwikkeld tot woonerf met zorgvuldig landschappelijk ingepaste woningen.

De nieuwe jongveestal uit 2023 komt niet in aanmerking voor de regeling, maar blijft behouden als gezamenlijke schuur voor het houden van hobbydieren en het stallen van werktuigen en dergelijke voor het onderhoud van het erf. Het initiatief is passend binnen de woonvisie van de gemeente Westerveld (zie paragraaf 4.4.2). De randvoorwaarden voor de inpassing van de woningen zijn vastgelegd in het landschappelijk inpassingsplan, welke gekoppeld is aan een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit plan.

4.3 Beleid Waterschap

4.3.1 Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG), die op 22 december 2000 in werking is getreden, heeft als doel de chemische en ecologische kwaliteit van alle Europese wateren verder te verbeteren. De richtlijn biedt een kader voor de bescherming van oppervlaktewater, overgangswater (zoals estuaria), kustwater en grondwater. Ter uitvoering van de richtlijn worden voor verschillende (deel)stroomgebieden beheersplannen opgesteld. In deze plannen zijn de doelen, maatregelen en ambities per stroomgebied vastgelegd, waarbij met name de ecologische doelstellingen op regionaal niveau worden bepaald.

4.3.2 Rijksbeleid

Het Nationaal Waterprogramma (NWP) is voortgekomen uit de Waterwet en vormt, in samenhang met de Omgevingswet, één integraal beleidskader. Het programma beschrijft de invulling van de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Maritieme Strategie (KRM). Het NWP geeft richting aan het nationale waterbeleid voor de periode 2022–2027.In het programma wordt ingegaan op de toenemende complexiteit van de wateropgaven, die samenhangen met klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, verlies aan biodiversiteit en de toenemende ruimtedruk. Deze uitdagingen vragen om een integrale aanpak in relatie tot de energietransitie, woningbouwopgave, landbouwtransitie en instandhouding van infrastructuur. Het uitgangspunt is dat bij ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland water en bodem sturend zijn, met nadruk op klimaatadaptatie, duurzame landbouw en herstel van natuurwaarden.

4.3.3 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Drenthe wordt uitgebreid aandacht besteed aan het waterbeheer. De provincie richt zich, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, op het verbeteren van de kwaliteit van kleinere wateren, het beschermen van grondwater, het voorkomen van wateroverlast, en het bevorderen van waterveiligheid en waterbeleving. Daarnaast streeft Drenthe naar een goede balans tussen de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, zowel in het landelijk gebied als in stedelijke omgevingen.

4.3.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta

Nederland is voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het gebied Rijn-Oost valt onder het beheer van de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om invulling te geven aan de KRW-doelen hebben deze waterschappen ieder een waterbeheerplan opgesteld.Het algemeen bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft in november 2021 het Waterbeheerprogramma 2022–2027 vastgesteld. Dit programma vormt een concrete uitwerking van de Watervisie “Meer dan water” en beschrijft de maatregelen die in deze periode worden genomen om het watersysteem, de waterketen en de waterkeringen te verbeteren. Tevens wordt in het programma de vertaalslag gemaakt van beleidsdoelen naar gebiedsgerichte maatregelen, waarmee het waterschap zijn maatschappelijke opgaven in samenwerking met partners realiseert.

4.3.5 Conclusie

Voor de toetsing aan het initiatief aan het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt verwezen naar 5.6 Hier wordt verder ingegaan op de toetsing aan het beleid van het waterschap.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie Westerveld

Op 1 februari 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Westerveld de Omgevingsvisie Westerveld vastgesteld. De omgevingsvisie bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld. De Omgevingsvisie Westerveld is de integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van de gemeente Westerveld en gaat over de hele fysieke leefomgeving. De visie geeft richting aan wat de gemeente in 2040 bereikt wil hebben. De Omgevingsvisie Westerveld kent een vijftal onderdelen:

  • 1. Visie
  • 2. Gebiedskompassen
  • 3. Idee
  • 4. Uitvoering en monitoring
  • 5. Achtergrond

Visie

Met de omgevingsvisie wil de gemeente Westerveld kansen bieden en (bureaucratische) obstakels wegnemen. De gemeente wil enerzijds ruimte bieden, maar anderzijds ook kaders stellen. Hierbij wil de gemeente streven naar een actieve, gastvrij en saamhorige samenleving. Westerveld ziet zich als een groene, agrarische gemeente met een ongekende rijkdom aan cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden.

De Omgevingsvisie bevat de gemeentelijke koers voor de fysieke leefomgeving. Bij die koers horen keuzes. Met die keuzes geeft de gemeente Westerveld invulling en richting aan de vijf integrale ambities. De vijf intergrale ambities zijn:

  • 1. een bereikbaar en veilig Westerveld;
  • 2. een bedrijvig en gastvrij Westerveld;
  • 3. een leefbaar en inclusief Westerveld;
  • 4. een gezond en groen Westerveld;
  • 5. een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld.

Gebiedskompassen

Voor de gebiedskompassen geldt dat de omgevingsvisie specifiek ingaat op de ambitie en keuze per specifiek gebied. Het plangebied is gelegen in het gebiedskompas 'Oude veldontginningen'. Dit deelgebied bestaat uit de oude gronden, voornamelijk zijn dit essen, veldontginningen en (delen van) veenrandontginningen. Het karakter van het gebied is wisselend. Van grote open agrarische landschappen naar kleinschalig esdorpenlandschap en wegdorpen.

Specifiek ligt het plangebied in het wegdorpenlandschap. Hiervoor gelden de volgende waarden:

  • afwisseling in open en besloten delen;
  • voornamelijk in gebruik als bouw- en grasland;
  • optrekkende verkaveling.

De hoofdkoers van het beleid is als volgt: landbouw, natuur en recreatie kunnen zich gelijkwaardig ontwikkelen. Bestaande functies en ontwikkeling daarvan staan op de eerste plaats. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wil de gemeente functieverandering van agrarische bedrijven ondersteunen als dit nieuwe kansen oplevert en als de bestaande waarden overeind blijven.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling, bestaande uit de sloop van voormalige agrarische opstallen en de realisatie van vier nieuwe woningen op basis van de Ruimte-voor-Ruimte-regeling van de provincie Drenthe, sluit goed aan bij de uitgangspunten en ambities van de Omgevingsvisie Westerveld.Het initiatief draagt bij aan een toekomstbestendig buitengebied, waarbij een voormalig agrarisch erf wordt getransformeerd tot een woonerf, met behoud van de karakteristieke landschappelijke structuur. Dit past binnen de gemeentelijke ambitie om ruimte te bieden aan functieverandering van vrijkomende agrarische bebouwing, mits deze bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving en het behoud van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

Het plan ondersteunt meerdere integrale ambities uit de Omgevingsvisie Westerveld. Zo draagt de ontwikkeling bij aan een leefbaar Westerveld door de realisatie van passende woningen die aansluiten op de lokale woonbehoefte en daarmee de vitaliteit van het buitengebied versterken. Daarnaast wordt invulling gegeven aan een gezond en groen Westerveld doordat het erf zorgvuldig landschappelijk wordt ingepast, wat bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit in de omgeving. Ook sluit het initiatief aan bij de ambitie voor een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld, doordat de herontwikkeling op een zorgvuldige wijze wordt vormgegeven binnen de bestaande ruimtelijke, landschappelijke structuren, waardoor de identiteit van het gebied behouden blijft en wordt versterkt.

Het plangebied ligt binnen het gebiedskompas ‘Oude veldontginningen’, specifiek binnen het wegdorpenlandschap, waar afwisseling tussen open en besloten ruimtes en een samenhangend verkavelingspatroon kenmerkend zijn. De inrichting van het nieuwe woonerf sluit hier onder andere op aan door het toevoegen van groenstructuren in de vorm van een u-vormige windsingel, struweelhagen en solitaire bomen, waarmee de karakteristieke erfstructuur behouden blijft en wordt versterkt.

4.4.2 Woonvisie 2019-2025

In de Woonvisie van de gemeente Westerveld zijn de gemeentelijke ambities vastgelegd om het woonklimaat te behouden en verder te versterken. De woonvisie vormt een langetermijnvisie met als richtjaar 2025. De gemeente heeft haar doelstellingen vertaald aan de hand van vijf hoofdthema’s:

  • Profileren als woongemeente;
  • Beschikbaarheid en betaalbaarheid van sociale huurwoningen;
  • Naar een toekomstbestendige woningvoorraad;
  • Wonen met zorg;
  • Ontwikkeling van de woningvoorraad.

Voor de onderhavige ontwikkeling zijn met name de thema’s ‘profileren als woongemeente’, ‘toekomstbestendige woningvoorraad’ en ‘ontwikkeling van de woningvoorraad’ relevant.Uit onderzoek naar de leefstijlen van huishoudens binnen de gemeente komen drie dominante groepen naar voren: landelijk leven, vrijheid en ruimte en welverdiend genieten. De bereikbaarheid en leefbaarheid van de dorpen spelen een belangrijke rol bij het verder profileren van Westerveld als aantrekkelijke woongemeente. De gemeente streeft daarbij naar een goede afstemming tussen vraag en aanbod en legt nadruk op kwaliteit in plaats van kwantiteit van de woningvoorraad.

Op 6 september 2022 heeft de gemeenteraad een addendum op de Woonvisie 2019–2025 vastgesteld. Door veranderende omstandigheden en de toenemende woningbouwopgave was een actualisatie noodzakelijk. Dit addendum vormt het beleidskader voor het uitvoeringsprogramma woningbouw voor de komende vier jaar. De gemeente Westerveld heeft de ambitie uitgesproken om 1.000 nieuwe woningen te realiseren voor 2030, deels door herbestemming van leegstaand vastgoed. De basisopgave bedraagt minimaal 450 tot 500 nieuwe woningen voor verschillende doelgroepen.Daarnaast blijkt uit de huidige plancapaciteit en toekomstige initiatieven dat naar verwachting circa 100 tot 200 woningen tot 2030 zullen worden gerealiseerd via particuliere initiatieven, zoals Ruimte-voor-Ruimte-projecten, woningsplitsing, transformatie van (voormalige) bedrijfslocaties en collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO).

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van vier nieuwe woningen op het perceel, bestaande uit twee vrijstaande woningen en één twee-onder-een-kapwoning. Deze ontwikkeling vindt plaats op basis van het Ruimte voor Ruimte-beleid van de provincie Drenthe. Daarmee wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke en provinciale ambities om de woningvoorraad op een zorgvuldige en landschappelijk verantwoorde wijze uit te breiden.De ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de Woonvisie 2019–2025 en het addendum van 2022, waarin wordt ingezet op een kwalitatieve woningbouwopgave die aansluit bij de behoefte in de dorpen en bijdraagt aan een sterk woonklimaat. Het plan draagt bij aan de thema’s ‘profileren als woongemeente’, ‘toekomstbestendige woningvoorraad’ en ‘ontwikkeling van de woningvoorraad’, zoals benoemd in de woonvisie.Door de toevoeging van een beperkt aantal woningen van passende omvang en typologie wordt voorzien in de lokale woningbehoefte en wordt tegelijkertijd de ruimtelijke kwaliteit versterkt. De woningen worden landschappelijk ingepast, met behoud en versterking van de natuur- en landschapswaarden in de omgeving.Hiermee sluit de ontwikkeling aan bij zowel het gemeentelijk woonbeleid als het provinciale beleid voor zorgvuldig ruimtegebruik en draagt zij bij aan de woonambitie van Westerveld om binnen de dorpen en het buitengebied op een duurzame en kwalitatieve manier te blijven voorzien in de lokale woonvraag.

Hoofdstuk 5 Aspecten van de fysieke leefomgeving

5.1 Geluid door activiteiten

Geluid is voor veel activiteiten in de fysieke leefomgeving een relevant aspect. Sommige activiteiten zijn een bron van geluid, andere activiteiten worden eraan blootgesteld. De regels voor geluid gaan over het beheersen van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen zoals woningen. De regelgeving omtrent geluid waaraan moet worden voldaan is opgenomen in het Bkl, de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Daarnaast mogen bedrijven in de omgeving niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering door een nieuwe ontwikkeling en moet er binnen en rond het projectgebied sprake blijven van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Wettelijk kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. De instructieregels uit het Bkl wijzen geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten aan. Dit ter bescherming van mensen tegen geluid. Het gaat hierbij om aanwezige, in aanbouw zijnde en geprojecteerde gebouwen.

Onder een geluidgevoelig gebouw vallen ook delen van een gebouw met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie (artikel 3.21 lid 1 onder a Bkl). Voorbeelden zijn:

  • een garage (overige gebruiksfunctie)
  • een kantoor aan huis (kantoorfunctie)
  • een recreatiezaal (bijeenkomstfunctie)

Er is een aantal situaties waarbij een (gedeelte van een) gebouw met een woonfunctie geen bescherming heeft tegen geluid van activiteiten:

  • (eigen) bedrijfswoning. Het omgevingsplan bepaalt dat de waarden voor geluid vanwege een activiteit niet gelden voor een woongebouw met een functionele binding met die activiteit (artikel 5.61 Bkl).
  • voormalige bedrijfswoning. Het omgevingsplan kan bepalen dat waarden voor geluid vanwege een activiteit niet gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. Dit kan alleen voor bedrijfswoningen in de agrarische sector en de horecasector en voor (voormalige) bedrijfswoningen bij activiteiten uitgevoerd op een bedrijventerrein (artikel 5.62 Bkl).
  • woningen op een industrieterrein met een geluidproductieplafond (artikel 5.55 lid 2 onder a Bkl).

De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Binnen het plangebied is reeds de huidige bedrijfswoning aanwezig, welke al beschermd wordt tegen wegverkeerslawaai. In het bestemmingsplan ten aanzien van de verplaatsverplaatsing 'Buitengebied (voormalige gemeente Havelte) partiële herziening Van Helomaweg, Wapserveen', is met een vlak op de verbeelding bepaald waar de bedrijfswoning mag worden gebouwd. De voorgenomen compensatiewoningen worden verder van dit vlak en de huidige bedrijfswoning gebouwd, ten opzichte van de Van Helomaweg. In de Atlas Leefomgeving is daarnaast te zien dat ter plaatse van de dichtst bij de weg gelegen compensatiewoning een geluidsbelasting geldt van ten hoogste 50dB. Daarmee kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geluid worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0009.png"

Figuur 6: Ligging van het erf op de geluidskaart van Atlas Leefomgeving

5.2 Bodemkwaliteit

Het is van belang om te weten of de bodemkwaliteit binnen het projectgebied past bij de voorgenomen ontwikkeling. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico's opleveren voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt ingegaan op welke wijze er bij de voorgenomen ontwikkelingen rekening wordt gehouden met de bodemkwaliteit.

Wettelijk kader

Het Bkl bevat regels ter bescherming van de gezondheid en het milieu voor het aspect bodem. Deze regels zijn via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl. In het aanvullingsbesluit is bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen drie basisvormen van bodemgebruik; landbouw/natuur, wonen en industrie.

Het bodembeleid is erop gericht om de gebruikswaarde van de bodem te waarborgen en het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen te faciliteren door in onderlinge samenhang;

  • De bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • Te streven naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem, en;
  • De resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

In september 2025 is door Grondslag een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het toekomstige woonerf aan de Van Helomaweg 2a (Bijlage 2). De hypothese dat de gedempte sloten als verdacht zouden moeten worden beschouwd, is niet bevestigd. Uit zintuiglijke waarnemingen blijkt dat de ondergrond niet verdacht is. De aanname dat op het overige deel van het terrein geen verhoogde gehalten worden verwacht, anders dan die reeds uit eerder onderzoek bekend zijn, is wel bevestigd. In de ondergrond zijn enkele verhoogde waarden van zware metalen aangetroffen, met een maximaal niveau binnen de klasse Industrie. Voor het overige is zowel de boven- als ondergrond beoordeeld binnen de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur. In het grondwater zijn geen overschrijdingen van de signaleringsparameters vastgesteld. De toegepaste onderzoeksstrategie biedt daarmee een voldoende representatief beeld van de milieuhygiënische bodemkwaliteit, waardoor geen aanvullend onderzoek noodzakelijk wordt geacht.Tijdens het veldonderzoek zijn ook geen aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van asbest. De hypothese dat sprake is van een asbestonverdachte locatie blijft daarmee gehandhaafd.Op basis van de onderzoeksresultaten wordt dan ook geconcludeerd dat geen milieuhygiënische belemmeringen aanwezig zijn voor de voorgenomen wijziging naar een woonbestemming. Vrijkomende grond ten aanzien van de sloop- en bouwwerkzaamheden wordt verwerkt binnen het plan.

5.3 Luchtkwaliteit

De regelgeving voor luchtkwaliteit bestaat uit instructieregels in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Deze regels stellen dat er omgevingswaarden gelden voor onder andere in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar wanneer er geen sprake is van een feitelijke op dreigende overschrijding van een grenswaarde, het project per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en het project alleen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Voor activiteiten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan luchtverontreiniging is geen toetsing aan de omgevingswaarden van het Rijk voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Op basis van artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl is een ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdragend aan de luchtkwaliteit als de toename van stikstofdioxide en fijnstof niet hoger is dan 1,2 ug/m3, oftewel 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Of een ontwikkeling onder NIBM-grens blijft kan bepaald worden aan de hand van:

  • Een motivering dat de ontwikkeling onder de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft van de 'standaardgevallen NIBM'. Hieronder vallen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen onder een bepaalde omvang zoals gesteld in artikel 5.54 van het Bkl.
  • Een kwalitatieve berekening die aantoont dat de ontwikkeling de 3%-grens niet overschrijdt, bijvoorbeeld aan de hand van de NIBM-tool.

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.

Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Ten aanzien van het eventuele effect van de nieuwe woningen op de luchtkwaliteit is de worst-case berekening met de NIBM- tool uitgevoerd. Hierbij is als worst-case scenario een toename van 60 vervoersbewegingen, waarvan 1% vrachtverkeer aangehouden. In werkelijkheid zal dit aantal veel lager liggen, naar schatting maximaal 30 extra vervoersbewegingen per dag (uitgaande van twee auto's per huishouden). Uit de worst-case berekening volgt dat zelfs bij een toename van 60 verkeersbewegingen (met 1% vrachtverkeer) de bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit niet-in-betekendende mate is. Het plan is op het gebied van luchtkwaliteit dan ook uitvoerbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0010.png"

Figuur 7: Uitkomst worst-case berekening met de NIBM-tool

5.4 Omgevingsveiligheid

Deze paragraaf gaat in op de wijze waarop bij de voorgenomen ontwikkeling de omgevingsveiligheid wordt gewaarborgd. Hierbij gaat het om de risico's die voortkomen uit de opslag, productie, gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Wettelijk kader

Afdeling 5.1.2 van het Bkl bevat de instructieregels voor omgevingsveiligheid. De activiteiten die zijn aangewezen als risicobronnen worden benoemd in bijlage VII van het Bkl. Deze risicobronnen zijn belang voor de regels met betrekking tot aandachtsgebieden en het plaatsgebonden risico. De in bijlage VII benoemde activiteiten zijn:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven (milieubelastende activiteiten uit het Bal);
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, het water en het spoor;
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Artikelen 5.12 t/m 5.15 van het Bkl gaan in op de aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico's. Deze aandachtsgebieden gelden van rechtswege en worden vastgelegd in de digitaal raadpleegbare Register Externe Veiligheid, wat online raadpleegbaar is. Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico door ter plaatse van het risicogebied geen kwetsbare gebouwen en/of (beperkt) kwetsbare locaties toe te laten. Middels voorschriftgebieden kunnen extra maatregelen worden opgelegd waardoor deze gebouwen en locaties wel toelaatbaar zijn. Deze maatregelen zijn als extra bouweisen vastgelegd in paragraaf 4.2.14 van het Bbl. Tevens zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor de hieronder genoemde milieubelastende activiteiten die een risicobron zijn.

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Op het perceel is reeds een bedrijfswoning aanwezig, welke ook in het kader van omgevingsveiligheid bescherming geniet van externe veiligheidsinvloeden van buitenaf. In het kader van voorliggend plan worden er vier nieuwe woningen toegevoegd, en dient te worden bepaald of ook voor deze woningen een veilige leefomgeving kan worden gegarandeerd. Op de externe veiligheidskaart van Atlas Leefomgeving is te zien dat de in de wijde omgeving (binnen een straal van 2km) geen extererne veiligheidsrisico's aanwezig zijn. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0011.png"

Figuur 8: Ligging van het erf (witte onderbroken cirkel) ten opzichte van externe veiligheidsrisico's

5.5 Ecologie

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten getoetst worden aan de relevante natuurwetgeving en het relevante natuurbeleid. De bescherming van houtopstanden, de bescherming van soorten en de bescherming van gebieden is geregeld in de Omgevingswet. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing wordt duidelijk hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van het natuurbeschermingsrecht.

Door Eelerwoude is in augustus 2025 een ecologische quickscan uitgevoerd in het kader van de natuurwetgeving. Deze is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. De belangrijkste conclusies zijn weergegeven in deze paragraaf.

5.5.1 Soortenbescherming

Broedvogels

Huismus

Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Huismus valt onder deze bescherming. Echter wordt de woning waar de huismus in zit niet gesloopt en zal er geen schadelijk handelen op de jaarrond beschermde nesten van de huismus optreden.

Boerenzwaluw

Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor de boerenzwaluw, gaat het om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Zo blijft de paardenstal bestaan en blijft er dus genoeg voedsel voorhanden. Ook zijn er genoeg nest gelegenheden in de paardenstal voor de boerenzwaluw. Het wordt wel aanbevolen om zes vervangende nestvoorzieningen voor de boerenzwaluw op te hangen in de paardenstal. Dit wordt door initiatiefnemers opgepakt. Gezien de nesten op moment van het onderzoek nog in gebruik waren, worden voor de start van de sloopwerkzaamheden de nesten gecontroleerd.

Wanneer de nesten niet zijn verlaten moet er om de nesten heen worden gewerkt tot dat de nesten wel verlaten zijn. Hierbij mogen de nesten niet verstoord worden dus moet er buiten het broedseizoen gewerkt worden. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Het aanvragen van een vergunning is met deze manier van werken dan ook niet aan de orde.

Overige broedvogels

Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Omgevingswet. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat schadelijke handelingen worden uitgevoerd waar een vergunning voor nodig is. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien door een ecologisch deskundige voorafgaand aan de werkzaamheden is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.

Amfibiëen

Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop niet uitgesloten worden. Echter worden er geen werkzaamheden uitgevoerd aan de vijver en blijft het groen waar de boomkikker in kunnen zitten behouden, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn voor amfibieën niet aan de orde.

Rode lijst soorten

Het is niet aannemelijk dat in het plangebied Rode lijst soorten worden aangetroffen. Voor deze soorten hoeven dus geen aanvullende maatregelen te worden genomen.

Invasieve soorten

et is niet aannemelijk dat in het plangebied invasieve exoten worden aangetroffen. Voor deze soorten hoeven dus geen aanvullende maatregelen te worden genomen.

5.5.2 Gebiedsbescherming

Niet stikstof-gerelateerde effecten

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Holtingerveld is gelegen op een afstand van 2 kilometer van het plangebied. Een toetsing van niet stikstof-gerelateerde effecten aan de Natura 2000-instandhoudingsdoelen wordt niet noodzakelijk geacht.

Stikstof-gerelateerde effecten

Aangezien het project aan de Van Helomaweg 2a wordt gerealiseerd vanwege deelname aan de landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv-plus), mag maximaal 15% van de oorspronkelijke stikstofruimte worden behouden. Dat betekent dat de oorspronkelijke omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit gedeeltelijk moet worden ingetrokken. De aanvraag voor het gedeeltelijk intrekken van de vergunning is reeds ingediend bij provincie Drenthe. Binnen de te behouden stikstofruimte zijn ook de nieuwe woningen en het hobbymatig houden van vee meegenomen. Voor wat betreft stikstofgerelateerde effecten is het plan daarom uitvoerbaar.

5.5.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Daarnaast wordt het omgevingsplan niet gewijzigd. Een toetsing aan het NNN-beleid is daarom niet benodigd.

5.5.4 Bescherming houtopstanden

Aangezien er binnen het plangebied geen bomen worden gekapt is nadere toetsing van houtopstanden niet noodzakelijk.

5.5.5 Conclusie

Voor voorliggend plan is het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit niet noodzakelijk. Het plan is uitvoerbaar zonder voorafgaand nader onderzoek uit te voeren. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht en dient voorafgaand aan de sloop te worden gecontroleerd of de boerenzwaluwnesten zijn verlaten.

5.6 Water

Wettelijk kader

Een project of activiteit kan mogelijk gevolgen hebben met de waterhuishouding in en rond het projectgebied of locatie van de activiteit. De regelgeving hiervoor is vastgelegd in de Waterschapsverordening, het Waterbeheerprogramma van het waterschap en eventueel de waterkwaliteitsdoelstellingen van de Kaderrichtlijn water (KRW). Ook gemeentelijk beleid met betrekking tot waterhuishouding en klimaatadaptatie is van belang. Middels de digitale Watertoets wordt het waterschap geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling en om advies gevraagd met betrekking tot waterhuishouding, waterkwaliteit en klimaatadaptatie.

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Drents Overijsselse Delta

Het Waterbeheerprogramma 2022–2027 van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) biedt een concreet plan voor duurzaam, veilig en toekomstgericht waterbeheer.

Het werkgebied van WDOD beslaat delen van Drenthe en Overijssel en kent diverse landschappen, zoals hoge zandgronden, veengebieden, polders, en stedelijk gebied. Belangrijke rivieren zijn de IJssel, de Vecht en het Zwarte Water, aangevuld met beken, kanalen en het boezemsysteem in Noordwest-Overijssel.

De belangrijkste opgaven zijn:

  • Klimaatverandering: Extreem weer vraagt om een klimaatrobuust watersysteem dat wateroverlast en droogte beter kan opvangen.
  • Circulaire economie & energie: Inzet op energieneutraliteit en vermindering van grondstofgebruik.
  • Waterkwaliteit: Nieuwe verontreinigende stoffen zoals PFAS en microplastics bedreigen het ecosysteem.
  • Samenwerking: Regionale samenwerking met overheden, maatschappelijke organisaties en burgers is essentieel.
  • Digitalisering en participatie: De informatiesamenleving en de invoering van de Omgevingswet vereisen meer transparantie en betrokkenheid van inwoners.

Het programma omvat vier hoofdthema’s:

  • Voldoende water – via infrastructuurverbetering, slim peilbeheer en balans tussen gebruik en belastbaarheid.
  • Schoon water – verbetering van waterkwaliteit en effluent, onder meer via aanpassingen aan rioolwaterzuiveringsinstallaties.
  • Waterveiligheid – bescherming tegen overstromingen en schadebeperking door sterke dijken en slimme ruimtelijke inrichting.
  • Duurzaam en maatschappelijk verantwoord beheer – met focus op biodiversiteit, educatie, kostenbeheersing en innovatie.

Waterschapsverordening en legger

De regels ten aanzien van werkzaamheden in het beheergebied van WDOD zijn opgenomen in de waterschapsverordening. Op de legger is te zien welke watergangen in beheer bij WDOD zijn.Van de Legger oppervlaktewateren is af te leiden dat rondom het plangebied enkele primaire watergangen aanwezig zijn in het beheer van WDOD. Het plan heeft echter geen betrekking op het wijzigen van het watersysteem. Het betreft enkel het verwijderen van de huidige agarische bebouwing en een groot deel van de erfverharding, waarvoor in de plaats halfverharding en vier nieuwe woningen worden gerealiseerd (waarvan twee in een geschakeld volume). De oppervlakte aan verharding op het perceel zal dus juist verminderen en plaatsmaken voor een groenere inrichting, wat de infiltratie van het hemelwater ten goede komt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0012.png"

Figuur 9: Ligging van het erf op de legger van waterschap Drents Overijsselse Delta

Wateradvies

Op 30 september is voor voorliggend plan het online wateradvies aangevraagd. Hieruit volgt de korte procedure. Voorliggend plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit of ecologie. Ook is er geen sprake van (grond)wateroverlast. In het plan wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie door zoveel mogelijk van de huidige erfverharding te verwijderen en ten behoeve van de nieuwe woningen enkel gebruik te maken van halfverharding. De korte procedure betekent dat het waterschap akkoord gaat met het plan, mits wordt voldaan aan de adviezen uit de standaard waterparagraaf met bijbehorende aanvullende adviezen.

Standaard waterparagraaf

Invloed op de waterhuishouding

Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie.Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg).

Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.

Bij het ontwerp van de woningen wordt rekening gehouden met bovenstaande adviezen.

Voorkeursbeleid hemelwater

Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.

Bij het ontwerp van de woningen wordt eveneens rekening gehouden met bovenstaande adviezen.

Compensatie bij aanleg verharding

Het totaal aan verharding op het perceel neemt af door het verwijderen van (het merendeel) van de schuren en een deel van de bestaande erfverharding. Een deel van de erfverharding wordt hergebruikt als toegangsweg richting de nieuwe woningen. Bij de woningen zelf wordt halfverharding toegepast. Er is dus geen sprake van een compensatieopgave, aangezien het totaal aan verharding afneemt.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Op basis van het voorgenoemde kan worden geconcludeerd dat er geen aanpassingen plaatsvinden aan het watersysteem en het watersysteem daarnaast geen nadelige effecten ondervindt van de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast wordt het toekomstige erf zo klimaatbestendig mogelijk ingericht en wordt rekening gehouden met de adviezen uit de standaard waterparagraaf. Er zijn geen nadelige watereffecten en het plan is op dit vlak uitvoerbaar.

5.7 Archeologie en cultuurhistorie

Het Rijk stelt in artikel 5.130 lid 2 van het Bkl instructieregels voor het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan. Deze regels gaan over:

    • 1. Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
    • 2. Verplaatsing van beschermde monumenten;
    • 3. Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
    • 4. Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
    • 5. Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Archeologie

Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Westerveld is te zien dat het plangebied deels is gelegen in een gebied met een hoge of middelhoge verwachting, en deels in een gebied met een middelhoge verwachting (beekdal). Op gronden met een hoge of middelhoge verwachting mogen geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,30 m -Mv wordt geroerd, met uitzondering van:

  • bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de bestaande oppervlakte met ten hoogste 1000 m² wordt uitgebreid;
  • bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 1000 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en).

De geschakelde woningen komen op de plek van de huidige ligboxenstal, waar de grond reeds is geroerd. De twee nieuwe vrijstaande woningen overschrijden de grens van 1000m2 niet. Zodoende is er geen archeologisch onderzoek nodig en kan worden gesteld dat er geen archeologische waarden onevenredig worden geschaad met de ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002_0013.png"

Figuur 10: Ligging van het erf (rode onderbroken cirkel) op de archeologische beleidskaart

Cultuurhistorie

Binnen het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen rijks-, of gemeentelijke monumenten, noch andere cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. Het initiatief leidt daarmee niet tot aantasting van bestaande gebouwde cultuurhistorische waarden. Daarnaast is bij de planvorming nadrukkelijk rekening gehouden met de cultuurhistorische identiteit van het landschap. Het erf ligt in een gebied dat wordt gekenmerkt door het historisch gegroeide wegdorpenlandschap, met afwisseling tussen open agrarische ruimten en meer besloten erfbeplantingen. De nieuwe inrichting sluit hierop aan door de historische erfstructuur te behouden en te versterken met gebiedseigen beplanting, waaronder een u-vormige windsingel, struweelhagen en solitaire bomen.De situering en vormgeving van de nieuwe woningen respecteren de karakteristieke opbouw van het voormalige agrarische erf en dragen bij aan de continuïteit van het ruimtelijk en landschappelijk beeld. Daarmee blijft de historische beleving van het gebied behouden en wordt de cultuurhistorische waarde van het landschap niet geschaad, maar juist op een zorgvuldige wijze versterkt.

5.8 Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Op 17 oktober 2024 is de nieuwe VNG handreiking activiteiten en milieuzonering gepubliceerd. Deze handreiking vervangt de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. De getransponeerde ‘lijst van activiteiten’, welke bij de handreiking uit 2009 behoorde, kan worden gebruikt om een indicatie te krijgen van de gebruiksruimte die voor een activiteit benodigd is.

Bij de toetsing aan de richtafstanden gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. De functie 'wonen' is niet milieubelastend voor de omgeving.

Rustige woonwijk of gemengd gebied

In een intensief gebruikt gebied met veel functies en ‘bedrijvigheid’ wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. Dit heeft (onder andere) te maken met acceptatie, gewenning en achtergrondbelasting (/-hinder). De VNG-handreiking hanteert voor de omgevingstypen de volgende omschrijving:

  • Een rustige woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.
  • Een gemengd gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft een melkveebedrijf aan de Van Helomaweg 3, gelegen op een afstand van circa 180 meter. Voor dergelijke bedrijven wordt in de transponeertabel van de VNG geluidszone ‘basis’ gehanteerd. In een rustig woongebied wordt in deze geluidszone een afstand van 100 meter tot andere functies aangeraden. Deze afstand kan ruimschoots worden aangehouden. Overige bedrijven zijn op een ruim grotere afstand van het erf gelegen, waardoor ook deze niet voor negatieve effecten zorgen, of in hun gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden worden beperkt als gevolg van de functiewijziging aan de Van Helomaweg 2a.

5.9 Milieubelastende activiteiten

Deze paragraaf gaat in op of de voorgenomen ontwikkeling een milieubelastende activiteit mogelijk maakt, en zo ja op welmanier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit en op welke manier het reguleren van de omgevingskwaliteit middels het omgevingsplan of omgevingsvergunning kan worden vastgelegd.

Wettelijk kader

De bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet beschrijft het begrip milieubelastende activiteit (mba) als volgt:

“Een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”.

Een mba betreft in principe alle activiteiten met enig negatief effect op het milieu, uitgezonderd 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten. Dit maakt dat ook niet-bedrijfsmatige activiteiten en niet-plaatsgebonden activiteiten onder de definitie van de milieubelastende activiteit kunnen vallen. Afdeling 2.3 van de Bruidsschat (deel van het tijdelijke omgevingsplan) bevat de gemeentelijke regels voor mba's. In het Bkl zijn in hoofdstuk 5 onder andere de instructieregels voor milieu in het omgevingsplan opgenomen. Uit de nota van toelichting bij het Bkl blijkt dat de 'activiteiten' waar in hoofdstuk 5 van het Bkl wordt gesproken 'milieubelastende activiteiten' zijn.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking het op het omvormen van het huidige agrarische erf tot een woonerf met 4 extra woningen. Een woonfunctie betreft geen milieubelastende activiteit. Op dit vlak is het plan dan ook uitvoerbaar.

5.10 Gezondheid

Integrale besluitvorming en samenhang door alle aspecten van de fysieke leefomgeving vroegtijdig te betrekken is een van de uitgangspunten van de Omgevingswet. Gezondheid is hier een belangrijk onderdeel van. In deze paragraaf wordt ingegaan op hoe erbij de voorgenomen ontwikkeling rekening met dit aspect is gehouden. Belangrijke uitganspunten hierbij zin het beschermen van de gezondheid (zijn er mogelijk negatieve effecten voor de gezondheid?) en het bevorderen van de gezondheid door het bevorderen van sport en ontspanning.

Wettelijk kader

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet, zoals geformuleerd in artikel 1.3, is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Dit maakt dat er een nauwe samenhang is tussen de aspecten veilige en gezond leefomgeving en goed omgevingskwaliteit.

Het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving is een belangrijk doel van de Omgevingswet. Derhalve bevat het Bkl diverse instructieregels met betrekking tot onder meer geluid, trillingen, geur en luchtkwaliteit die bescherming van de gezondheid en het milieu als doel hebben. Deze aspecten zijn reeds in de voorgaande paragrafen aan bod komen. In aanvulling op de afzonderlijke instructieregels ter bescherming van milieu en gezondheid wordt hieronder nog ingegaan op welke wijze het gezondheidsaspect is afgewogen in de totstandkoming van voorliggend plan, zowel binnen het projectgebied als voor de omgeving.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

In voorgaande paragrafen zijn aspecten als geluid, bodemkwaliteit, geur en luchtkwaliteit reeds behandeld. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de gezondheid binnen of rondom het plangebied.Daarnaast wordt het voormalige agrarische bedrijf beëindigd en getransformeerd naar een woonbestemming, wat een positief effect op de gezondheid heeft door het verminderen van mogelijk hinderlijke emissies en het bevorderen van een rustige en veilige woonomgeving.

Ten aanzien van de gezondheid in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op agrarische gronden, wordt aan de west-, zuid- en oostzijde van het plangebied een specifieke aanduiding op de plankaart opgenomen waarmee wordt geregeld dat binnen deze zone van 50 meter geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt, met uitzondering van enkele driftreducerende spuittechnieken (zie 4.4.2 Spuitvrije zone). Aan de noordzijde van het plangebied is dit niet mogelijk, omdat deze gronden niet (meer) in het bezit zijn van de initiatiefnemer. Om te bepalen of ondanks dat toch (eventueel met aanvullende maatregelen) van een kortere afstand kan worden uitgegaan, is een locatiespecifiek onderzoek gedaan (Bijlage 4 Locatiespecifiek onderzoek spuitzones). Hieruit blijkt dat de huidige afstand van 25 meter tussen het woonerf en het agrarische perceel aan de noordzijde voldoende is om gezondheidsrisico's door drift uit te sluiten. Dit wordt nog eens versterkt doordat er ook een driftreducerende windhaag wordt van drie meter breed wordt gerealiseerd, op basis van het inrichtingsplan. Hiermee kan worden geconcludeerd dat er sprake zal zijn van een gezonde fysieke leefomgeving.

5.11 Duurzaamheid

De voorgenomen woningen worden gasloos uitgevoerd, waardoor bijdraagt wordt aan het verminderen van CO2-uitstoot en het bevorderen van energie-efficiënt wonen. Bij de realisatie van de woningen wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van duurzame materialen. Hiermee sluit het plan aan bij de ambities voor duurzame ontwikkeling en het bevorderen van een toekomstbestendige en energiezuinige leefomgeving.

5.12 Besluit Milieueffectrapportage

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) toetst of er sprake is van een plan of ontwikkeling met grote milieugevolgen. Bij besluiten, zoals het verlenen van een vergunning voor ruimtelijke initiatieven, die mogelijk grote gevolgen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling negatieve milieueffecten heeft ten aanzien van de fysieke leefomgeving. In deze paragraaf wordt hier verder op in gegaan.

Wettelijk kader

Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat samen met hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) de regelgeving over de milieueffectrapportage. Op basis van deze regels is een plan-m.e.r. verplicht voor een plan;

  • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;
  • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

Bijlage V van het Ob bevat een niet limitatieve lijst met projecten met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Ook voor andere dan in de lijst genoemde projecten kan eventueel een beoordeling nodig zijn om na te gaan of er sprake is van mogelijke aanzienlijke milieueffecten.

Voor kleinere (lokale) ontwikkelingen of kleine wijzigingen bestaat de plan-m.e.r.-beoordeling als opvolger van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De plan-m.e.r.-beoordeling is verplicht wanneer een ontwikkeling leidt tot mogelijke aanzienlijke milieueffecten en significantie gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. De plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob worden genoemd.

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal:

  • de kenmerken van het project;
  • de plaats van het project;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een mer-beoordeling niet noodzakelijk. Het plan betreft de realisatie van vier woningen op een bestaand bebouwd erf en is daarmee van beperkte omvang. Daarnaast gaat het niet om een landinrichtingsproject of een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Gezien de schaal, het karakter en de locatie van de ontwikkeling worden geen significante effecten op het milieu verwacht. Dit is eveneens onderbouwd in dit hoofdstuk. Een mer-beoordeling is niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is een overzicht gegeven van de bestaande situatie, het relevante beleid en de belangrijke milieu- en omgevingsaspecten. Deze informatie heeft als basis gediend voor de keuzes die zijn gemaakt bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, dat bestaat uit een plankaart (verbeelding) en bijbehorende regels. In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het plan is opgebouwd en wordt verantwoord waarom specifieke functies zijn toegewezen.

Met het TAM-IMRO Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22w Van Helomaweg 2a Wapserveen’ wordt de herontwikkeling van het perceel aan de Van Helomaweg 2a mogelijk gemaakt. Het plan ziet toe op de functiewijziging van het perceel naar 'Wonen' (waaronder de voormalige bedrijfswoning) en de realisatie van 4 nieuwe woningen. Hoewel deze wijziging onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Westerveld, is het plan technisch opgesteld conform het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en inhoudelijk afgestemd op de vereisten van de Omgevingswet, zodat de juridische en ruimtelijke kaders correct worden gewaarborgd.

6.2 Opzet van regels

Per 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit plan omvat alle bestaande ruimtelijke plannen, zoals bestemmings- en wijzigingsplannen, en de zogenaamde Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. De Bruidsschat bevat onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en overige regels voor de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Conform artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert regelgeving op het gebied van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt overheden bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van deze systemen, zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM’s) ontwikkeld. Eén van deze maatregelen is TAM-IMRO, waarbij het omgevingsplan wordt gewijzigd via de IMRO-standaard (zoals gebruikt onder de Wet ruimtelijke ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot 31 december 2025. Wanneer het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage wordt gelegd, kan het ook na 1 januari 2026 nog via TAM-IMRO worden afgerond.

Werkingsgebied

De regels van dit TAM-IMRO Omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Van Helomaweg 2a in Wapserveen. De geometrisch bepaalde planobjecten zijn vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1701.509TAMVHelomaweg2a-0002, beschikbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het plangebied opgenomen.

6.3 Verantwoording van de regels

Artikel 4 'Agrarisch - 1'

De functie 'Agrarisch - 1' is opgenomen voor de agrarische gronden, welke in agrarisch gebruik blijven, en daarmee hun huidige functie behouden. Deze gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik en onder andere het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden. Het bouwen van bouwwerken is op deze gronden niet toegestaan.

Artikel 5 'Wonen'

Voor de woningen is de functie 'Wonen' opgenomen. Ter plaatse van deze functie zijn de gronden hoofdzakelijk bestemd voor wonen in woonhuizen. De woningen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden. Voor de maximale goot- en bouwhoogte is in de regels opgenomen. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is afhankelijk van de perceelgrootte en is opgenomen in de regels.

Artikel 6 'Waarde - Archeologie 3'

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Bij het oprichten van gebouwen met een oppervlakte van 1000 m² of meer en dieper dan 0,3 m dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet regelt het kostenverhaal en beschrijft de uitgangspunten en voorwaarden voor het bepalen of een bijdrage in kosten verplicht is en hoe deze wordt vastgesteld. De verplichting tot kostenverhaal geldt met name voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan kunnen realiseren zoals bedoeld in artikel 13.11 van de Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit, bijvoorbeeld bij de bouw van één of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw.Volgens artikel 13.11 Omgevingswet kan het kostenverhaal plaatsvinden via een anterieure overeenkomst. In dit geval is tussen de initiatiefnemer en de gemeente een dergelijke anterieure overeenkomst afgesloten, waarin de afspraken over kostenverhaal zijn vastgelegd.

Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie betreft de vergoeding van schade die voortvloeit uit rechtmatige besluiten of handelen van de overheid. Binnen de Omgevingswet gaat dit over besluiten of maatregelen die:rechtstreeks rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten;direct gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door veranderingen in de fysieke leefomgeving. De mogelijke schadeoorzaken zijn genoemd in artikel 15.1 van de Omgevingswet, wat betekent dat er geen andere schadeoorzaken zijn dan die in de wet zijn opgenomen. In de afgesloten anterieure overeenkomst zijn de afspraken over nadeelcompensatie tussen initiatiefnemer en gemeente voldoende vastgelegd.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Met voorliggend plan wordt de agrarische functie van een reeds gestaakt bedrijf gewijzigd naar een woonfunctie, en worden vier nieuwe woningen gerealiseerd. Daarmee draagt het plan bij aan het bouwen van woningen voor de lokale behoefte en het verbeteren van de ruimtelijke- en landschappelijke kwaliteit.

Hoofdstuk 8 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

8.1 Vooroverleg

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.

Provincie Drenthe

Het plan is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan provincie Drenthe. Hieruit zijn geen opmerkingen op het plan naar voren gekomen.

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Via de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd in het kader van de 'weging van het waterbelang'. Uit de digitale watertoets is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. Dat betekent dat het waterschap akkoord is met het plan, mits de adviezen uit de standaard waterparagraaf worden opgevolgd.

8.2 Inspraak

De initiatiefnemer heeft de dichtstbijzijnde onwonenden zelf op de hoogte gebracht en geraadpleegd voorafgaand aan het opstellen van het plan. Hieruit zijn geen bezwaren of aanpassingen aan het plan naar voren gekomen.

8.3 Zienswijzen

Binnen een termijn van zes weken na de terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan heeft ieder belanghebbende het recht gehad om zienswijzen in te dienen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.