| Plan: | Wapse - Camping Het Noordenveld |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1701.509PHZSmitsted1WPS-0003 |
In het landelijk gebied ten westen van Wapse ligt camping "Het Noordenveld". Het betreft een kleinschalig kampeerterrein met 25 plaatsen, die als nevenactiviteit bij het melkveehouderijbedrijf aan de Smitstede 1 is toegestaan. In 2015 is voor een uitbreiding met vijf piekplaatsen een omgevingsvergunning verleend. Deze kunnen gebruikt worden tijdens een tweetal evenementen worden gebruikt.
De eigenaren willen de camping uitbreiden tot volwaardige camping met 64 standplaatsen en 6 luxe trekkershutten (Wood lodges). Hierbij worden de agrarische activiteiten grotendeels beëindigd en enkele agrarische opstallen (gedeeltelijk) gesloopt.
Het geldende bestemmingsplan voorziet niet in de voorgestelde ontwikkelingen. Om deze juridisch-planologisch te regelen is dit nieuwe bestemmingsplan opgesteld.
Het plangebied ligt op ongeveer een kilometer afstand ten westen van het dorp Wapse, aan de Smitstede. Het betreft het voormalig agrarische bouwperceel aan de Smitstede 1, de ten noordoosten hiervan gelegen bestaande camping en de agrarische gronden die hierachter liggen. De begrenzing is afgestemd op de kadastrale perceelsgrenzen en het uitbreidingsplan. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging plangebied
Voor het buitengebied van de gemeente Westerveld geldt het bestemmingsplan Buitengebied, dat is vastgesteld 6 augustus 2014. Echter, ten gevolge van een gerechtelijke uitspraak heeft de agrarische bestemming geen rechtskracht gekregen. Ook het plangebied viel onder deze agrarische bestemming. Daarom geldt voor het plangebied het bestemmingsplan Buitengebied Diever (vastgesteld op 23 april 1997). Het heeft hierin de bestemming 'Jonge veldontginningen' met de aanduiding 'grondgebonden agrarisch bedrijf'. Ter plaatse is een agrarisch bedrijfsperceel met een gegroepeerde bebouwing binnen een fictief vlak van 1,5 hectare mogelijk. Bij recht is bij een agrarisch bedrijf een kampeerterrein met maximaal 25 kampeerplaatsen mogelijk. De voorgestelde uitbreiding van de camping en het in hoofdzaak gebruiken van de gronden voor recreatie is niet toegestaan.
Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels, verbeelding en eventuele bijlagen. Deze toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 de bestaande ruimtelijke en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is het beleidskader geschetst op rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 gaat in op de planologische- en milieutechnische aspecten die betrekking hebben op dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de planologisch juridische opzet van het plan behandeld. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit plan komen aan bod in hoofdstuk 6.
Camping ''Het Noordenveld'' ligt in het landelijk gebied op een kilometer afstand van het dorp Wapse en in de nabijheid van het Nationaal Park Drents-Friese Woud. De huidige camping heeft 25 ruim opgezette kampeerplaatsen en een nog eens 5 piekplaatsen die tijdens twee evenementen per jaar gebruik mogen worden. De plekken zijn ingericht voor mobiele kampeermiddelen. Bij de entree van de camping staat een gebouw in landelijke stijl welke de functie heeft als receptie en luxe sanitair voorziening. Op het terrein van de camping staat verder een prieel naast een jeu de boules baan.
Aan de zuidzijde van de camping ligt de weg Smitstede. Aan beide zijden van deze weg is een bomenrij van eiken aanwezig. Tussen de campingplaatsen en deze bomenrij is een singel op een wal met diverse soorten heesters gesitueerd. Aan de oostzijde van de van de camping is een voormalige hakhoutwal gelegen. Tussen het huidige melkveebedrijf en de camping is een singel van eiken- en essenbomen. Verspreid op het terrein staan beukenhagen welke een afschermende en begeleidende functie hebben. Aan de noordzijde van het campingterrein is zicht op het open karakteristieke landschap.
Figuur 2.1 geeft een luchtfoto weer, waarop te zien is hoe het plangebied gesitueerd is in zijn directe omgeving. Figuur 2.2 geeft een overzicht van de bestaande situatie.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied in zijn directe omgeving
Figuur 2.2 Huidige camping i.c.m. het melkveebedrijf (bron: Twan's Landschaps- en Tuinadvies)
Visie
In figuur 2.3 is weergegeven wat de uitbreidingsplannen en de omvorming van de bestaande camping zijn. Hierbij beëindigt de familie het melkveebedrijf. De familie wil hobbymatig 15 stuks vleeskoeien gaan houden in de voormalige ligboxenstal. Er is inmiddels met een restaurant in de omgeving gesproken om dit vlees te serveren. Hiermee willen ze de lokale kwaliteiten benadrukken voor zowel de campinggast als de andere recreant in het gebied.
De camping wil zich onderscheiden ten opzichte van andere recreatiebedrijven door zich te richten op de 50-plus categorie en op de rustzoekende recreant, door ruim opgezette kampeerplaatsen en luxe (privé) sanitair voorzieningen in een landelijke setting. Het huidige erf wordt een onderdeel van de camping. Dit erf biedt voldoende mogelijkheid om te parkeren voor 70 auto's. De huidige parkeerplaats is bedoeld voor bezoekers van de kampeerders. Het idee is dat er vanaf de entree zicht is op de vijver en het open landschap aan de achterzijde van de camping. Dit zicht wordt benadrukt door het doorzetten van de dubbele bomenrij met fruitbomen. Het nieuwe deel van de camping zal te bereiken zijn via een toegangspad langs de houtwal en vanaf de achterzijde van het erf.
Het nieuwe terrein biedt plaats voor 34 mobiele kampeermiddelen en beschikt over 6 ingerichte luxe kampeervoorzieningen. Het uitbreidingsplan met verschillende onderdelen en bijbehorende toelichting is opgenomen in Bijlage 1. In dit inrichtingsplan en de paragrafen hieronder wordt ook de landschappelijk inpassing weergegeven en beschreven. Door het behoud en versterken van de bestaande in combinatie met de nieuwe toe te voegen elementen en het om te vormen voormalig erf is het mogelijk de camping op een passende manier uit te breiden in zijn omgeving.
Figuur 2.3 Gewenste situatie uitbreiding camping (bron: Twan's Landschaps- en Tuinadvies)
Het uitbreidingsplan
Het uitgewerkte inrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 1 en hierna toegelicht. De nummers corresponderen met de nummeraanduidingen die zijn opgenomen in het inrichtingsplan.
Onderdelen (bestaand) campingterrein plaatsen 1 t/m 30
Het receptie- en sanitairgebouw (1) heeft de uitstraling van een hooiberg. Met dit gebouw met luxe sanitaire voorzieningen wil de campinghouder zich onderscheiden ten opzichte van andere campings. Deze sfeer en luxe wordt als zeer positief ervaren met als gevolg dat campinggasten een jaarlijks terugkerend bezoek brengen. Centraal op het terrein staat een overkapping (2) met dakpannen en houten bindwerk welke in de zomer als zitgelegenheid wordt gebruikt. Naast de overkapping is een jeu de boules baan aanwezig. Op het bestaande kampeerterrein worden de plekken onderverdeeld door inheemse beukenhagen (4). Deze vormen een groene begeleidende en afschermende wand achter en naast de kampeervoorzieningen. Tussen de plaatsen 11 en 22 wordt de beukenhaag verwijderd. Achter de plaatsen 1 t/m 5 en rondom de parkeerplaats voor bezoekers is een singel (5) op een wal met diverse soorten beplanting. Hierdoor zijn de campingplekken en auto's vanaf de weg (Smitstede) niet zichtbaar. Het bestaande (boeren)erf en de camping worden gescheiden door een singel met boomvormers (6) van es en eik. Hierdoor is een duidelijk onderscheid tussen de twee onderdelen. Centraal op het terrein is een dubbele bomenrij van fruitbomen gesitueerd. Dit is een beeldbepalend kenmerk van de camping. Langs beiden zijden van de weg ter hoogte van de camping is een bomenrij van eiken (7). Voor en na de camping is er aan één zijde van de weg een bomenrij, waardoor er het zicht is op het open landschap. Aan de noordoostzijde van het kampeerterrein is een eikenhakhoutwal met onder beplanting (8). Tussen de percelen aan de Nijlandweg is ook een wal met een vergelijkbare uitstraling. Deze accentueren de langgerekte kavels.
Onderdelen (nieuw) campingterrein plaatsen 40 t/m 70
De campinghouder wil de huidige camping uitbreiden met 40 kampeerplaatsen en wil hierbij de sfeer van de bestaande camping doorvoeren. Het uit te breiden terrein zal zich typeren door ruim opgezette plaatsen met een groene en landelijke uitstraling. Dit beeld zal worden gevormd door de groene elementen en bebouwing. De familie stopt met de huidige veehouderij en het boerenerf zal omgevormd worden. De wagenberging en oude melkveestal wordt gesloopt. Tevens zullen een tweetal bouwwerken omgevormd worden naar fietsenstalling en berging voor de campinggasten. Van de bestaande nieuwe melkveestal wordt een kapschuur gemaakt. Hierin zal hobbymatig 15 stuks vleesvee worden gehouden en in de winter biedt deze schuur de mogelijkheid om caravans te stallen. Op de kapschuur worden 180 zonnepanelen geplaatst. Hiermee wil de eigenaar de camping een energieneutraal karakter geven. De kuilplaten wordt getransformeerd tot grote parkeerplaats voor de kampeerders. Deze wordt ingepast en afgeschermd door beukenhagen. De parkeerplaats op de huidige camping zal dienen als parkeermogelijkheid voor bezoekers of kort parkeren tijdens het inchecken.
De sfeer van de houtwal met onderbeplanting (9) wordt verlengd/doorgezet richting de afwateringssloot. Door de houtwal wordt tevens het zicht richting het open landschap benadrukt. De sfeer van het vroegere kamp ''Het Noordenveld'' wordt benadrukt door een singel van inheemse struiken (10) tussen het bestaande en nieuw te realiseren terrein. Ook tussen de kampeerplaatsen wordt deze singel ingepast. Dit benadrukt de vergezichten en zorgt voor privacy op het nieuwe terrein. De kapschuur wordt ook aangekleed door een groene singel met struikvormers. Aan de noordwestzijde van de camping zal een bomenrij van eiken (11) worden ingepast langs het voormalige kavelpad. De eiken worden geplant op een licht glooiende wal. De bomenrij wordt begeleid door een singel met struik- en boomvormers die de kampeermiddelen en parkeerplaats afschermt (10).
Verspreid op het nieuwe terrein worden solitaire of bomengroepen van moeraseik (12) geplant. Deze kenmerkende groene elementen op de camping zorgen voor hoogte en afwisseling. De dubbele rij fruitbomen (13) wordt doorgezet welke een kenmerkend element van de camping zal zijn. Tussen deze dubbele rij is zicht over de camping vanaf de entree tot aan de vijver. Ook vanaf andere plekken op de camping wordt het zicht richting het open landschap benadrukt. De nieuwe campingplaatsen worden ingericht en afgeschermd door haagbeukhagen (14). Het verschil met de beukenhagen op het huidige terrein is dat deze hagen niet wintergroen zijn. Het voordeel is dat de haagbeukhagen eerder in het seizoen in het blad komen. Aan de achterzijde van de camping wordt een natuurlijke vijver (15) gegraven. Deze wordt gerealiseerd op het lage deel van het voormalige land. De oevers van de vijver worden voorzien van oeverbeplanting (16).
De aanleg van onderdelen 9 tot en met 16 is van wezenlijk belang voor de landschappelijke inpassing van het perceel. De aanleg en instandhouding hiervan is daarom in de regels van dit bestemmingsplan gewaarborgd.
Aan de zuidwestzijde van de vijver komt een vlonder (17) van eikenhout wat de mogelijkheid biedt om te vissen. In het verlengde van de dubbele rij fruitbomen komt een brug (18) over de vijver. Vanaf hier is zicht over de vijver en richting het landschap. Aan de campingzijde wordt de oever van de afwateringssloot omgevormd naar
plas-draszone. De vijver en de plas-draszone kan fungeren als waterberging bij hoge waterstanden. Op een aantal plekken in de groene singel op het nieuwe terrein wordt privé sanitair (19) ingepast. Dit is een nieuwe vorm van kamperen (glamping), waarmee de campinghouder zich wil onderscheiden. Op diverse locaties komen een bbq- en/of vuurplaatsen (20) met een houten overkapping en rieten dak. Dit biedt de mogelijkheid om ook met slecht weer of in de avond recreëren. Aan de zuidzijde van de vijver worden een zestal luxe trekkershutten (woodlodges, 21) ingericht met zicht op de vijver en het open landschap. Het toegangspad (22) naar het nieuwe terrein kan worden bereikt vanaf zowel de nieuwe als voormalige parkeerplaats. Tussen de fruitbomen door, rondom de vijver en langs de plas-draszone zal een wandelpad (23) van halfverharding worden aangelegd.
Inleiding
Het landschap aan de noordwestzijde van het dorp Wapse is karakteristiek en kenmerkend is in zijn omgeving. Het ''Wapser- en Noorderveld'' heeft een rijke historie. Rond 1850 werd de omgeving gekenmerkt door zijn openheid en weidse landschap. Na 1930 is er gestart met het verkavelen en het ontginnen van de velden. Dit zijn resulteerde in langgerekte smalle kavels, de typerende slagenverkaveling. Dit bestond grotendeels uit heidevelden in de jaren '50. De smalle verkaveling en omvorming van heidevelden naar weiland, dichte bosjes en houtsingels vond plaats vanaf 1950 anno nu. Hierdoor is het open weidse landschap in korte tijd veranderd naar een meer besloten karakter met minder vergezichten. De ontwikkeling van het landschap is hieronder op kaart weergegeven in figuur 2.4.
Figuur 2.4 Ontwikkeling van het landschap 1850 tot heden
Motivatie Camping Het Noordenveld
De familie Moes heeft in het startgesprek met Twan Flokstra op 11 maart 2016 aangegeven zich te willen onderscheiden in de recreatieve markt, door zich te richten op de oudere doelgroep (50-plus categorie). De basis hiervoor is naar hun idee ruim opgezette kampeerplaatsen met veel privacy en luxe (privé) sanitair voorzieningen in een landelijke setting. Verder heeft de Familie Moes aangeven dat ze de camping autovrij willen houden en het idee hebben hun huidige voormalige erf om te vormen voor voldoende parkeercapaciteit. De campinghouders hebben een grote wens om in de uitbreiding een natuurlijke visvijver in te passen voor de campinggasten. Tevens willen ze graag de sfeer van de bestaande camping met zijn groene karakter gelieve doorzetten in de uitbreiding en waar mogelijk proberen te versterken.
Uitbreidingsplan i.r.t. landschap
Er zijn diverse redenen waarom gekozen is voor een uitbreiding in de noordwestelijke richting.
De bestaande camping ligt verscholen achter de dubbele oude bomenrij van eiken met onder beplanting aan de Smitstede. Deze singel van boom- en struikvormers zorgt voor een groene afschermende wand en een besloten karakter, waardoor de huidige camping niet of nauwelijks waarneembaar is. In het Figuur 2.5 hieronder is weergegeven welke landschappelijke elementen zijn ontstaan in de afgelopen jaren. Dat zijn een tweetal dichte bosjes. Dit waren vroeger heidevelden. Deze zijn aangeduid met het groene vlak op de kaart. Tevens is er een brede singel met boom- en struikvormers ontstaan aan de zuidwestzijdezijde van de camping. Deze tweetal elementen zijn beeldbepalend voor het hedendaagse landschap.
Figuur 2.5 Ontwikkelde beeldbepalende landschapselementen
Tussen de Nijlandweg (zandpad) en het woonhuis van de fam. Moes is een kenmerkend doorzicht richting het open karakteristieke landschap (Figuur 2.6). Vervolgens gaat dit over in de beslotenheid van de dubbele bomenrij met onder beplanting. Na voorbijgang aan de camping gaat deze bomenrij verder als enkele bomenrij aan de zuidoostzijde van de Smidstede. Vanaf hier is weer dit typerende vergezicht te ervaren richting de afwateringsloot en het achterliggende landschap (Figuur 2.7).
Figuur 2.6 Kenmerkend beeld richting het open landschap (zuidwestzijde van de camping)
Figuur 2.7 Kenmerkend beeld richting het open landschap (zuidoostzijde van de camping)
Vanwege het feit dat aan beide zijden zowel aan de west- (vanaf de Nijlandweg/zandpad) als aan de oostzijde (langs de bestaande houtwal richting de afwateringsloot) van de bestaande camping kenmerkende openheid is richting het landschap is er gekozen om de uitbreiding van de camping te oriënteren aan de achterzijde (zuidoostzijde) van de bestaande camping.
Door keuze van deze uitbreidingsrichting ondervind zijn omgeving minimaal hinder en blijven de kenmerkende vergezichten waarneembaar. Door de wens van de ruim opgezette kampeerplaatsen en het idee voor een grote zelfvoorzienende visvijver is gekozen om het bestaande weiland tot aan de afwateringsloot om te vormen om aan deze wens te kunnen voldoen en het onderscheidend karakter met zijn ruime opzet te kunnen waarborgen. Er is gekozen om de natuurlijke vijver aan de achterzijde van de camping te realiseren. Met de reden omdat dit het laagste punt van het weiland is. Dit is dus van nature de meeste geschikte locatie i.r.t. tot de vijver. Als meerwaarde wordt de vijver gekoppeld d.m.v. een overloopduiker aan de afwateringsloot, zodat de vijver bij hoge waterstanden als extra waterberging kan fungeren. Tevens wordt een deel van de oever afgegraven en zal het talud in de nieuwe situatie flauwer afhellen. Dit zal een meerwaarde opleveren voor de flora en fauna rondom de bestaande sloot. De locatie en de verbinding tussen de afwateringsloot is gecommuniceerd met het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Zij stonden positief tegenover de locatie van de natuurlijke vijver met de bijbehorende plas-dras zone (flauwe over). De vijver vergroot het waterbergend vermogen in zijn omgeving en is een meerwaarde voor de ecologie.
De bestaande houtwal aan de noordoostzijde van de camping zal met 100 meter verlengt worden richting de afwateringssloot. De totale lengte van de te verlengen houtwal zal dan 250 meter zijn. Aan de andere zijde van de camping (noordwestzijde) zal ook een afschermende singel met streekeigen soorten en een minimale breedte van 5 meter gerealiseerd worden. Dit vormt een groene afschermende wand. De inpassingen zijn gecommuniceerd met de vereniging van eigenaren van het park Nieuwland en in goed overleg met de bewoners van Nieuwland nr. 20. De singel met zijn afschermend karakter is dan ook één van de wensen welke doorgevoerd is in het herziende plan.
Haaks op de bestaande houtwal zal een singel van struikvormers aangeplant worden direct achter de bestaande camping. Hiermee zal de kleinschalige intieme sfeer van het voormalige kamp benadrukt worden. Achter deze nieuw aan te planten singel start het nieuwe gedeelte van de te realiseren camping. Dit deel zal bestaan uit ruim opgezette plaatsen met veel privacy en privé sanitair in een groene omgeving. De vergezichten richting het achterliggende landschap blijven behouden en worden door verschillende toe te voegen (landschaps)elementen versterkt.
Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de belangrijkste beleidskaders van het rijk, de provincie en de gemeente. Daarnaast beschrijft dit hoofdstuk de uitgangspunten vanuit het beleid waarmee in dit bestemmingsplan rekening gehouden is.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Duurzame verstedelijking
In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Het artikel is op 12 mei 2017 gewijzigd. Deze wijziging treedt op 1 juli 2017 in werking. Voor dit plan wordt getoetst aan deze nieuwe regeling, die inhoudt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Recreatie valt onder de leisurevoorzieningen, hetgeen is aangewezen als een stedelijke functie. De omvang van de stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de mate waarop bouwmogelijkheden worden geboden voor een stedelijk functie. Dat is in dit bestemmingsplan zeer beperkt. Het gaat om enkele trekkershutten en kleinschalige gebouwen die ondersteunend zijn voor de camping. De behoefte voor de uitbreiding van de camping volgt uit een bij de initiatiefnemer kenbaar gemaakte vraag, waarin deze niet kon voorzien. Een belangrijke trend in de recreatiesector is een groter wordende vraag naar meer luxe en comfort. Camping Het Noordenveld onderscheidt zich hierin door de ruime campingplaatsen met aansluiting voor water en elektra en de luxe voorzieningen op het terrein. Ook de luxe trekkershutten spelen in op deze trend. Op deze manier speelt de camping in op de vraag van de recreant.
De behoefte aan een kampeerterrein kan niet in het bestaand stedelijk gebied worden opgevangen. Voor recreatiefuncties is ligging buiten bestaand stedelijk gebied namelijk een voor de hand liggende keuze, vanwege de landschappelijke kwaliteiten en de uitloopmogelijkheden in de omgeving. De vraag richt zich niet op stedelijke locaties, maar juist op landelijke locaties. De locatie ligt nabij een bungalowpark en een hotel-restaurant. Het kampeerterrein, gericht op een luxe vorm van kamperen, is niet concurrerend, maar aanvullend op het bestaande aanbod en vormt qua doelgroep een passende aanvulling op de bestaande recreatieve voorzieningen in het landelijk gebied. Binnen de dorpen in de omgeving zijn geen binnenstedelijke ontwikkellocaties voor het voorgestelde aanbod.
De ontwikkeling speelt in op een trend in de recreatiemarkt, mede door een onderscheidend aanbod. Het is niet mogelijk om binnen bestaand stedelijk gebied in deze vraag te voorzien. Er is sprake van een kleine stedelijke ontwikkeling die past in de principes van duurzame verstedelijking.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt niet alleen regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen. Er zijn met dit plan geen rijksbelangen in het geding.
Omgevingsvisie Drenthe (2014)
De omgevingsvisie, die is vastgesteld op 2 juli 2014, is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein.
Het provinciaal belang ligt in het behouden en waar mogelijk ontwikkelen van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Samen met vertegenwoordigers van overheden, belangengroepen, marktpartijen en inwoners hebben we de volgende kwaliteiten van Drenthe benoemd:
Naast de kernkwaliteiten van Drenthe is er de dynamiek van de bedrijvigheid. Bedrijvigheid in Drenthe is van grote maatschappelijke en economische betekenis vanwege de werkgelegenheid en de vitaliteit van het platteland en de steden. Vrijetijdseconomie is een belangrijke economische pijler voor Drenthe. Drenthe moet aantrekkelijk blijven voor recreanten en toeristen. Van provinciaal belang is het verbeteren en vernieuwen van het bestaande aanbod van verblijfs- en dagrecreatie en van de toeristisch-recreatieve infrastructuur. Verder is het van belang zorgvuldig met de ruimte om te gaan.
Uit de kaarten van de Omgevingsvisie blijkt dat het plangebied in een landbouwgebied ligt. Hier wordt vooral ruimte geboden voor agrarische bedrijfsvoering. Andere functies, zoals recreatie, mogen zich hier wel ontwikkelen. Voorwaarde daarbij is dat dit geen belemmeringen vormt voor de agrarische bedrijven in de omgeving. Hiervan is geen sprake.
Volgens de kernkwaliteitenkaarten ligt het plangebied in een esdorpenlandschap en in een aardkundig waardevol gebied (middel beschermingsniveau). Met deze waarden is bij het ontwerp van de uitbreiding rekening gehouden.
Verordening Ruimtelijk Omgevingsbeleid
De provinciale belangen zoals genoemd in de Omgevingsvisie zijn in de verordening Ruimtelijke Omgevingsbeleid vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen. De actuele verordening is op 17 oktober 2015 in werking getreden. Voor dit plan zijn de volgende artikelen van belang:
3.15 Toepassen ladder voor duurzame verstedelijking
Voor ruimtevragende ontwikkelingen op het gebied van onder andere verblijfsrecreatie moet onderbouwd worden dat dit op basis van de ladder voor duurzame verstedelijking gerechtvaardigd is. Hierop wordt in paragraaf 3.1 ingegaan. Omdat de verordening verwijst naar lid 3.1.6 Bro, kan gerbuik worden gemaakt van de geactualiseerde ladder.
3.27 Verblijfsrecreatie
Er kan alleen worden voorzien in nieuwe verblijfsrecreatie voor zover deze niet wordt gesitueerd binnen de Ecologische Hoofdstructuur en in een gebied dat als "Landbouwgebied plus” is aangeduid. Hiervan is geen sprake.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat dit bestemmingsplan past binnen het provinciaal beleid. De provincie bevestigd dit in haar overlegreactie, die is opgenomen in Bijlage 4.
Structuurvisie Westerveld
Een gemeentelijke (ruimtelijke) structuurvisie beschrijft 'de stip aan de horizon' voor Westerveld, de ambities voor de gemeente. Het geeft daarmee richting aan de ruimtelijke ontwikkelingen. De structuurvisie vormt zowel een afwegingskader voor initiatieven van derden, als ook een inspiratiebron en uitnodiging richting bewoners, ondernemers en andere partijen uit de samenleving om initiatieven te ontplooien die bijdragen aan het bereiken van die 'stip'. De basis voor dit kader vormen de kernkwaliteiten van de gemeente (sociaal, toeristisch/landschappelijk en cultuurhistorisch).
De belangrijkste bronnen van werkgelegenheid zijn de agrarische sector, recreatie en toerisme. Voor de eerstgenoemde sector is met name de schaalvergroting (en de daarbij horende transformatie van boerenerven) van belang. Recreatie en toerisme moeten een transformatie ondergaan naar een meer gevarieerd en een kwalitatief hoger aanbod. Toerisme betreft een van de belangrijkste economische pijlers van de gemeente; een gemeente die rijk is aan Nationale Parken, de vele beschermde dorpsgezichten en de Kolonie van Weldadigheid als belangrijk 'unique selling points'.
De gemeente Westerveld heeft een uitgebreid instrumentarium voor het dichterbij brengen van de doelstellingen op het gebied van ruimtelijk karakter, ruimtelijke kwaliteit en belevingswaarde van het landschap. In het algemeen geldt, dat randvoorwaarden voor de (ontwikkelings)mogelijkheden voor functies in het buitengebied, in belangrijke mate voortvloeien uit het landschap: de waardevolle kenmerken en landschappelijke verscheidenheid die behouden en waar mogelijk versterkt moet worden. Met inachtneming van deze randvoorwaarden krijgen de landbouw en de natuur de ruimte om zich verder te ontwikkelen. Tevens zal de recreatie en het toerisme, die in economisch opzicht een belangrijke plaats inneemt binnen de gemeente en binnen de regio, de nodige ruimte krijgen.
Het plangebied ligt volgens de kaart bij de structuurvisie in een gebied van landbouw- en recreatie. In dit ontwikkelingsgebied wordt gestreefd naar een ontwikkeling waarbij de grondgebonden landbouw de nodige schaalvergroting kan doormaken. Het gebied behoort tot de agrarische hoofdstructuur en blijft of wordt hiervoor zo optimaal mogelijk ingericht. Nieuwe functies zijn mogelijk, mits de agrarische hoofdstructuur in hoofdzaak in stand blijft. Dit betekent dat ontwikkeling van niet agrarische functies die ruimtebeslag vragen, bij voorkeur langs de randen van het gebied plaatsvinden. Hierbij wordt met name gedacht aan recreatieve ontwikkelingen, waaronder bijvoorbeeld de vestiging van grootschalige verblijfsrecreatieterreinen.
De ontwikkeling is gericht op het bieden van een kwalitatief hoogwaardig aanbod in verblijfsrecreatie en sluit daarmee aan op de ambities van de gemeente. De uitbreiding van het verblijfsrecreatieterrein ligt vrijwel aansluitend op een bestaand recreatiegebied en vormt geen belemmering voor het ontwikkelen van de agrarische hoofdstructuur. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de visie van de gemeente.
Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Westerveld
Nieuwe ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij bestaande structuren. Om deze ontwikkelingen ook landschappelijk in te kunnen passen, is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld die de landschappelijke waarden van de gemeente in beeld brengt. Zo zorgen de welstandsnota en het beeldkwaliteitsplan samen voor een goede inpassing van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeente Westerveld. Het beeldkwaliteitsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 21 september 2010.
Het beeldkwaliteitsplan gaat over de kenmerken en essenties van de zes verschillende landschapstypen en de verschillen in bebouwingstypologieën binnen de gemeente Westerveld. Aan de hand van de verschillende landschapstypen, overeenkomstig de Kadernota beschreven, zijn de kenmerken van de landschappen weergegeven. Het plangebied ligt in het 'Veldontginningslandschap'.
Het beeldkwaliteitsplan is gericht op de inpassing van erven. Hiervan is in dit geval geen sprake. Wel zijn er een aantal kernkwaliteiten geformuleerd. Voor een veldontginningsgebied zijn dit:
Ten aanzien van recreatieterreinen geldt als uitgangspunt dat deze verscholen liggen in het groen. Dit groen is streekeigen met eik, lijsterbes, berk en struiken. de recreatieterreinen zijn aan vier zijden met streekeigen bomen en struiken beplant. Hier en daar is er wel, vanaf het terrein gezien, uitzicht mogelijk op het landschap buiten het terrein. In het uitbreidingsplan zijn deze kwaliteiten gerespecteerd en worden deze, waar mogelijk, versterkt.
Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën.
Kampeerterreinen en vakantiecentra met keuken (SBI5511) zijn ingedeeld in milieucategorie 3.1, waarbij een richtafstand van 50 meter hoort. Binnen een afstand van 50 meter vanaf het plangebied zijn geen milieugevoelige functies aanwezig.
Het plangebied ligt ook niet binnen de richtafstanden van bedrijven in de omgeving. De dichtstbijzijnde bedrijven zijn een terrein met recreatiewoningen en een horecaonderneming ten zuiden van het plangebied. Deze functies zijn goed verenigbaar met het recreatieterrein. Agrarische bedrijven liggen op ruime afstand en worden zodoende niet in hun bedrijfsvoering belemmerd door de uitbreiding van het recreatieterrein.
Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een verantwoorde milieuzonering.
Ten aanzien van geluidshinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidshinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is alleen geluidshinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. In de wet is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft, waar aandacht aan geluidshinder moet worden besteed. De Wgh onderscheidt geluidsgevoelige objecten enerzijds en niet-geluidsgevoelige objecten anderzijds.
Het recreatieterrein is op grond van de Wgh geen geluidsgevoelig terrein. Het is daarom niet noodzakelijk om te toetsen aan de Wgh. De Smitstede, waaraan het terrein ligt, is geen drukke doorgaande verkeersroute. Ter plaatse van de verblijfsrecreatie zal dan ook geen sprake zijn van onaanvaardbare geluidhinder door wegverkeerslawaai.
In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd.
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2025) geldt in de directe omgeving van het projectgebied een gemiddelde fijn stof concentratie (PM10) van 16 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 8 µg/m3. De norm voor beide stoffen ligt op 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus zeer goed.
Plannen die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging zijn op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan voldoet hieraan als het een toename van minder dan 3% van de grenswaarden tot gevolg heeft.
Een kampeerterrein kan invloed hebben op de luchtkwaliteit door de verkeersgeneratie. Op basis van de kencijfers parkeren en verkeersgeneratie van het CROW (publicatie 317) kan worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van 0,4 verkeersbewegingen met etmaal per standplaats. Dit is exclusief 11% verkeersbewegingen als gevolg van gasten van de recreanten. De uitbreiding omvat 39 standplaatsen. Dit betekent een toename van het aantal verkeersbewegingen met 17 per etmaal. Met de NIBM-tool is bepaald dat het plan hiermee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er zijn er geen belemmeringen voor het plan vanuit dit aspect. De uitvoer van de NIBM-tool is weergegeven in figuur 4.1.
Figuur 4.1 Uitvoer NIBM-tool
Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd.
De gronden waarop de uitbreiding plaatsvindt zijn in gebruik als agrarische grond. Op deze plek hebben in het verleden geen activiteiten plaatsgevonden die mogelijk hebben geleid tot bodemverontreiniging. Daarom kan worden aangenomen dat de gronden geschikt zijn voor het voorgenomen gebruik als recreatieterrein. Er is geen sprake van een verdachte locatie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet nodig.
Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit.
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap (kenmerk: 20170206-35-14576). Dit plan heeft mogelijk invloed op de waterhuishouding. Dit komt door de ligging in een keurzone wateren (langs de noordzijde) en nabij een persleiding (langs de Smitstede), de ingrepen in de waterhuishouding (toename verharding, aanbrengen waterpartijen) en de potentiële toename van afvalwater.
Het waterschap heeft naar aanleiding van de ingediende gegevens een watertoetsdocument opgesteld. Dit is opgenomen in Bijlage 3. Dit document geeft inzicht in de bestaande waterhuishouding, uitgangspunten voor het plan en een beschrijving van het vervolg van de watertoets.
Waterhuishouding
Wateroverlast
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Het plangebied ligt op ongeveer 6,50 meter boven NAP en het ingestelde waterpeil is 5,6 meter boven NAP. Lokaal kunnen door slecht doorlatende lagen, schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen.
Door de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak met circa 3.000 m2 toe. Door deze verharding kan hemelwater niet meer infiltreren en wordt het versneld afgevoerd op de omliggende watergangen. Om dit water op te vangen is extra waterberging nodig (watercompensatie). Het waterschap stelt als eis dan 10% van de verharding wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of anders waterbergingsvoorzieningen. Achterop het terrein wordt voorzien in waterberging. Hier wordt een waterpartij met een oppervlakte van circa 2.400 m2 gegraven. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de compensatie-eis.
Hoofdwatergang
Langs de achterzijde van het plangebied ligt een watergang die een belangrijke functie voor de waterhuishouding heeft. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de watervoerende werking van deze watergang. Langs de zuidzijde wordt voorzien in een natuurlijke oever. De watergang blijft bereikbaar voor onderhoud.
Persleiding
Langs de Smitstede ligt een rioolpersleiding. In de zone langs deze leiding vinden geen wijzigingen plaats. Afvalwater vanuit het plangebied wordt afgevoerd op deze leiding.
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
In het plan wordt gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Schoon hemelwater wordt afgevoerd op de watergangen in de omgeving. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.
Er worden geen bedrijfsmatige activiteiten uitgevoerd die mogelijk leiden tot schadelijke lozingen op het oppervlaktewater. Er is slechts sprake van lozing niet-verontreinigd hemelwater. Verder moet het bedrijf zich houden aan de voorwaarden voor lozingen uit het Activiteitenbesluit, om te voorkomen dat bijvoorbeeld meststoffen in het water terecht komen. Indien uitlogende bouwmaterialen, zoals zink, worden toegepast, wordt dit voorzien van een coating.
Oppervlaktewater
Er wordt rekening gehouden met de wijze van onderhoud (varend of vanaf de kant) en de daarbij geldende voorwaarden. Voor werkzaamheden binnen de aangegeven zones van het waterschap is een vergunning op grond van de Waterwet noodzakelijk. Aan de noordzijde van het perceel ligt een watergang van het waterschap. De beschermingszone behorende bij deze watergang bedraagt hier 5 meter gerekend vanuit de insteek van de watergang.
Het gebruik van materialen
Het waterschap is verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit van het regionale watersysteem. Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen adviseert het waterschap om materialen zoals lood, koper en zink niet te gebruiken als het hemelwater vrij afstroomt naar het watersysteem.
Aanleghoogte van de bebouwing
Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.
Wetgeving lozen in oppervlaktewater
In het plan vindt een lozing plaats van water in oppervlaktewater. Hemelwater van schone oppervlakken (zoals daken en tuinen) mag rechtstreeks geloosd worden. Hemelwater dat van een parkeerterrein afstroomt (of anderszins) vervuild raakt, dient via een bodempassage af te wateren. Indien er sprake is van het onttrekken van grondwater tijdens de aanleg, gelden specifieke regels voor het lozen in oppervlaktewater. Wanneer hier sprake van is, moet nader advies bij het waterschap worden ingewonnen.
Watervergunningen
Voor de ingrepen in het watersysteem is een watervergunning nodig. Dit geldt onder andere voor de inrichting aan de noordzijde van het perceel, vanwege mogelijke invloed van de toepassing van de plasdras zone.
Watertoetsproces
Het waterschap is geïnformeerd over het plan. Dit bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan het waterschap voor een definitief wateradvies.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van natuurgebieden. Dit gaat om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. In de provinciale verordening worden gebieden die van belang zijn voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nu Natuurnetwerk Nederland (NNN) beschermd. De bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Flora- en faunawet.
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden
Het plangebied maakt zelf geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld ligt op ruim 800 meter ten noordwesten van het plangebied. De ligging van deze gebieden ten opzichte van het plangebied is weergegeven in figuur 4.2.
Figuur 4.2 Ligging Natura 2000-gebieden nabij het plangebied
Voor de beoordeling van de effecten van een ontwikkeling op Natura 2000-gebieden wordt onderscheidt gemaakt tussen directe verstoring als gevolg van geluid, licht, trillingen en verontreiniging enerzijds en vermesting en verzuring als gevolg van een toename in stikstofdepositie anderzijds. Gelet op de afstand van het recreatieterrein en het natuurgebied en het huidige intensieve gebruik van het plangebied en de directe omgeving, is uit te sluiten dat direct verstoring als gevolg van dit plan significant negatieve gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied.
Verkeer van en naar de camping rijdt vrijwel direct en niet door een Natura 2000-gebied de provinciale weg N855 op. Hier voegt het zich bij het heersende verkeersbeeld. Een eventuele toename van stikstofdepositie als gevolg van de circa 17 verkeersbewegingen per dag als gevolg van de uitbreiding wordt teniet gedaan door de afwaardering van de veehouderij van circa 75 koeien naar 15 stuks vleesvee. De stikstofemissie van dit bedrijf, dat nu op één punt nabij het Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld ligt, verdwijnt. De kleine hoeveelhied verkeer rijdt vrijwel direct de doorgaande wegen op, waar de stikstofemissie van 17 voertuigbewegingen per dag verwaarloosbaar te noemen is. Geconcludeerd wordt dat het plan per saldo een gunstig effect op de stikstofdepositie op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Significant negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Drents-Friese Wold & Leggelderveld zijn derhalve in het geheel uitgesloten. Er geldt dus met betrekking tot het Natura2000-gebied geen vergunningplicht in relatie tot de Natuurbeschermingswet.
Ecologische Hoofdstructuur / Nederlands Natuurnetwerk
Het plangebied ligt niet binnen de EHS. De dichtstbijzijnde gebieden die hier wel deel van uitmaken zijn het hiervoor genoemde Natura 2000-gebied en het beekdal ten westen van het plangebied. Een plan mag geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van de EHS. Voor de EHS wordt niet uitgegaan van een externe werking. Gelet op de afstand van het plangebied tot de EHS kan overigens worden uitgesloten dat het plan afbreuk doet aan de kenmerken en waarden van de EHS.
Soortenbescherming
Om de effecten van de ontwikkeling op in en rondom het plangebied aanwezige beschermde soorten in beeld te brengen is een ecologische quickscan uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in Bijlage 2. Tijdens het uitgevoerde veldonderzoek is vastgesteld dat er algemene kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën kunnen voorkomen. Voor deze soorten bestaat een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet. Daarnaast vliegen en foerageren er in lage dichtheid vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Er komen daarnaast algemene broedvogels voor. In verband met het voorkomen van deze algemene broedvogels wordt aangeraden om te werken buiten het broedseizoen of op een manier dat de vogels niet tot broeden komen (verjagen vogels voor aanvang broedseizoen). Op de boerderij komen daarnaast de vermeldenswaardige huismus en boerenzwaluw voor. Op basis van de zorgplicht van de Flora- en faunawet wordt geadviseerd om voor zowel boerenzwaluw als huismus 10 extra nestplaatsen aan te bieden. Overige beschermde soorten komen niet voor. Op de voorbeschreven wijze worden effecten op matig en zwaar beschermde planten- en diersoorten uitgesloten.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt uitvoerbaar is binnen de kaders van de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet.
In de Monumentenwet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Op grond van de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Westerveld is in het plangebied sprake van een lage verwachtingswaarde. In dit gebied is geen onderzoek vereist bij bodemingrepen. Indien bij de bodemingrepen toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van de Monumentenwet een meldingsplicht.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.
De historische waarden van Drenthe zijn in belangrijke mate bepalend voor de identiteit en de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe. Ze vormen de basis die Drenthe tot Drenthe maakt. De provincie Drenthe heeft in haar Omgevingsvisie de cultuurhistorische kernkwaliteiten in kaart gebracht. Voor het plangebied en de direct aangrenzende agrarische gronden gelden geen specifieke kernkwaliteiten. Wel geldt het algemene uitgangspunt van het respecteren van de cultuurhistorische kwaliteiten. Het gaat in dit geval om landschappelijke kenmerken die zijn benoemd in het beeldkwaliteitsplan (zie paragraaf 3.3). De uitbreiding is met respect voor deze kenmerken ontworpen. Er wordt op deze manier adequaat met de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied omgegaan.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen.
In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart van de provincie Drenthe bekeken. Hieruit blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde risicobron betreft een gasstation dat op ongeveer een kilometer afstand ligt. Het plangebied ligt buiten de invloedsfeer van dit station. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan daarom geen belemmeringen voor het plan.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels die voorzien moeten worden van een planologische regeling. Wel ligt het plangebied in een zone waar laag gevlogen mag worden. Gebouwen mogen hier niet hoger dan 30 meter worden. Dergelijk hoge gebouwen worden niet voorgesteld. Ter bescherming van deze zone is een vrijwaringszone opgenomen.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet alge-mene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Bos
De voor de uitvoering van het plan belangrijkste onderdelen van de landschappelijke inpassing zijn geregeld in de bestemming 'Bos'. De voorwaardelijke verplichting tot realisatie en instandhouding van de betreffende beplantingsstroken is gekoppeld aan deze bestemming.
Recreatie - 1
Het plangebied is overeenkomstig de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied onder de bestemming 'Recreatie - 1' gebracht. Hieronder vallen kampeerterreinen die uitsluitend zijn bedoeld voor het plaatsen van tenten, toercaravans en trekkershutten alsmede de gemengde kampeerterreinen (waar zowel tenten en toercaravans als stacaravans/chalets zijn toegestaan). Echter zijn voor de onderhavige camping stacaravans en chalets niet toegestaan, gelet op de ongewenste uitstraling in dit gebied. De trekkershutten zijn vastgelegd op de voorgestelde plaats binnen de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - trekkershutten'.
Binnen deze bestemming zijn gebouwen ten dienste van het kampeerterrein, zoals toiletgebouwen, onderhouds- en beheersgebouwtjes, dienstverlenin g, sportvoorzieningen, recreatieve voorzieningen, ondergeschikte lichte horeca en één bedrijfswoning, toegestaan.
Aanvullend op de bestemming zoals deze is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied wordt de mogelijkheid geboden voor een caravanstalling. Deze is ter plaatse aangeduid. Ook wordt in ondergeschikte mate de mogelijkheid geboden voor het kleinschalig houden van vee. dit is het houden van ten hoogste 25 groothoevige dieren (zoals paarden/runderen) of 50 kleinhoevige dieren (zoals schapen/geiten) dan wel een combinatie daarvan waarbij nooit meer dan 50 hoevige dieren aanwezig zijn.
Vrijwaringszone - laagvlieggebied
Binnen de vrijwaringszone van een laagvlieggebied voor helicopters is het bestemmingsplan terughoudend in het voorzien van bouwmogelijkheden voor masten, windmolens en andere hoge objecten. Binnen het laagvlieggebied voor helicopters wordt bebouwing uitgesloten dat hoger is dan 30 meter.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
De bestemmingsplanprocedure geeft inzicht in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Voorafgaand aan deze procedure zijn de plannen al kenbaar gemaakt aan direct omwonenden, die om inzage van de plannen hebben gevraagd. Naar aanleiding hiervan zijn aanpassingen gedaan aan het ontwerp van de bomenrij langs de zuidwestzijde van het plangebied.
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure-stappen:
Inspraak
Op basis van de gemeentelijke inspraakverordening wordt de mogelijkheid gegeven in te spreken op het voorontwerpbestemmingsplan. Er zijn vijf inspraakreacties ingediend. Deze zijn door de gemeente samengevat en voorzien van een antwoord in de reactienota inspraak en vooroverleg. Deze is opgenomen in Bijlage 5.
Naar aanleiding van de inspraakreacties zijn enkele inhoudelijke aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan doorgevoerd:
Vooroverleg
Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan heeft tevens het overleg plaatsgevonden met diensten van Rijk en Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties (artikel 3.1.1 Bro). Van provincie Drenthe en Waterschap Drents Overijsselse Delta zijn overlegreacties ontvangen. De overlegreactie van de provincie is opgenomen in Bijlage 4. Het waterschap heeft per mail gereageerd. Een samenvatting en beantwoording van de overlegreacties is eveneens opgenomen in de reactienota in Bijlage 5.
De overlegreacties geven geen aanleiding tot het inhoudelijk wijzigen van het bestemmingsplan.
Zienswijzen
Vervolgens heeft het ontwerpbestemmingsplan met ingang van 13 juli 2017 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen tegen het bestemmingsplan kenbaar te maken (artikel 3.8 Wro). Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Vaststelling
Op 31 oktober 2017 is het bestemmingsplan ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het van belang te weten of het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
De ontwikkeling is een particulier initiatief. Het perceel is eigendom van de aanvrager. De plan- en procedurekosten en de kosten voor de uitvoering van het plan worden verhaald uit de exploitatie van de extra standplaatsen. Het door de initiatiefnemers opgestelde bedrijfsplan toont aan dat de financiële haalbaarheid van het plan niet in het geding is. Op basis hiervan wordt ook geconcludeerd dat de ontwikkeling te financieren is.
Grondexploitatie
Doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.
Dit bestemmingsplan maakt geen bouwplannen in de zin van het Bro mogelijk. Daarom is de grondexploitatieregeling niet van toepassing. Overigens is het relevante kostenverhaal in dit plan geregeld in een exploitatieovereenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Hierin is onder andere het planschadeverhaal geregeld. Verder worden de plankosten via leges op de initiatiefnemer verhaald. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en wordt van het vaststellen van een exploitatieplan afgezien.