direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Twenterand PH Hoofdweg 3 en 5
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor de locatie aan de Hoofdweg 3-5 in Westerhaar-Vriezenveensewijk is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemers willen de bedrijfsbestemming van het perceel omzetten naar een woonbestemming, vanwege het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse.

Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Ligging

Het plangebied bestaat uit de percelen aan de Hoofdweg 3 en 5 in Westerhaar-Vriezenveensewijk. Het plangebied ligt op ca. 1 kilometer ten zuiden van Westerhaar. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente gemeente Vriezenveen, sectie G, nummers 3394 en 3393. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven met rode marker.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Atlas van Overijssel)

Begrenzing

De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een luchtfoto weergegeven waarop Hoofdweg 3 en 5 in Westerhaar is weergegeven. De begrenzing komt overeen met de eigendomsgrenzen, tevens de grenzen van de bestemming Bedrijf. Aan de zuidzijde en noordzijde zijn agrarische gronden, afgewisseld met stroken bos gelegen. De westelijk grens van het plangebied wordt gevormd door de Hoofdweg gelegen. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0002.png" Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: Atlas van Overijssel)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor de Hoofdweg 3 en 5 geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Twenterand'. Dit is door de gemeenteraad van Twenterand op 13 maart 2018 vastgesteld en is gedeeltelijk onherroepelijk. Wat betreft het plangebied geldt dat deze onherroepelijk is.

In figuur 1.3 is een fragment uit de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0003.png" Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Twenterand' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Aan het plangebied is de bestemming 'Bedrijf' toegekend (met bouwvlak) met een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie lage verwachting' en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-laagvliegroute'.

De gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn bestemd voor het type bedrijfsactiviteit zoals opgenomen in de kolom 'type bedrijfsactiviteit' van Bijlage 5 van het bestemmingsplan Buitengebied Twenterand (autoschadebedrijf), het bestaande aantal bedrijfswoningen, een aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat per woning maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de begane grond van de woning en aangebouwde bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van een aan huis verbonden beroep met een maximum van 50 m2. Daarnaast is bestaande inwoning toegestaan.

De voor 'Waarde - Archeologie lage verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Voor bouwwerken die volledig worden gebouwd binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie lage verwachting' gelden geen regels aanvullend aan het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen;

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - laagvliegroute' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de laagvliegroutes voor militaire jacht- en transportvliegtuigen. Er is geen bebouwing hoger dan 40 meter toegestaan.

Het geldende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om de bedrijfsbestemming te wijzigen in een woonbestemming. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied Twenterand PH Hoofdweg 3 en 5' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1);
  • Bijlagen bij de toelichting;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is er aan de Hoofdweg 3-5 in Westerhaar-Vriezenveensewijk een (bedrijfs)woning met bedrijf aanwezig. Initiatiefnemer heeft ter plaatse een showroom voor een bedrijf in spanplafonds en spanwanden. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 2900 m2. Er zijn verschillende gebouwen (bedrijfsgebouwen zoals een showroom en bijgebouwen bij de woning) aanwezig.

De gezamenlijke oppervlakte van deze gebouwen bedraagt circa 355 m2. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Twenterand' is opgenomen dat 152 m2 bedrijfsgebouwen en overkappingen bij het bedrijf op dit adres bij recht is toegestaan (bijlage 5 bij de regels).

Het perceel is omgeven door hoogopgaand groen en bosschages. In de figuren 2.1 en 2.2 zijn de aanzichten van het perceel en de bebouwing gezien vanaf de Hoofdweg te zien. Aan de voorzijde van de bedrijfsgebouwen is verharding en parkeerruimte gelegen, evenals een aantal lantaarnpalen. Achterop het perceel zijn de bijgebouwen ten behoeve van de woonfunctie gelegen. De tuin bevindt zich aan de voorzijde en ten noorden (zijkant) van de woning. Het perceel wordt omzoomd door verschillende hagen van verschillende soorten.
Het erf is via één inrit ontsloten op de Hoofdweg. Deze inrit blijft gehandhaafd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0004.png" Figuur 2.1: huidige situatie Hoofdweg 3-5 (bron: Atlas van Overijssel, streetview)

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0005.png" Figuur 2.2: huidige situatie Hoofdweg 3-5 (bron: Atlas van Overijssel, streetview)

2.2 Toekomstige situatie

Vanwege het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten op het perceel zal de bedrijfsbestemming van het perceel worden verwijderd en worden omgezet in een woonbestemming. De bedrijfswoning wordt een reguliere woning.

Het bijgebouw en de overkapping zoals te zien in figuur 2.3 en 2.4 zullen worden gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0006.png" Figuur 2.3: te slopen bijgebouw en overkapping (rode belijning) en gebouw showroom (blauwe belijning) (bron: Atlas van Overijssel)

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0007.png" Figuur 2.4: aanzicht te slopen bijgebouw en overkapping

Voor het overige wordt er geen bebouwing gesloopt. De gebouwen zulllen worden gebruikt als huishoudelijk stalling en berging en als hobbyruimte. De reclame-uitingen worden verwijderd.

Op grond van een woonbestemming is een oppervlakte van 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een woning in het buitengebied toegestaan. In de huidige situatie is planologisch (bestemmingsplan Buitengebied) reeds meer toegestaan, namelijk 152 m2, op grond van de bestemming 'Bedrijf'. In de regels is opgenomen dat een oppervlakte van maximaal 100 m2 aan bijgebouwen en overkappingen is toegestaan, dan wel de bestaande oppervlakte indien dit meer bedraagt. 'Bestaand' is opgenomen in de begrippen. Voor de 152 m2 is het in het verleden (1985) een bouwvergunning verleend.

Inititatiefnemer is voornemens een kap op de showroom (zie figuur 2.3, in de toekomst bijgebouw bij de woning) te zetten. De schuifdeuren zullen daarbij vervangen worden voor andere deuren die meer passen bij de uitstraling van een woonperceel. De hoge lantaarnpalen worden verwijderd en worden vervangen voor reguliere tuinverlichting. De heg wordt vervangen voor een beukenhaag, overeenkomstig zoals deze ook voor de woning aanwezig is. Op deze wijze krijgt het perceel een woonuitstraling en wordt er meer samenhang en eenheid in de bebouwing op het perceel gecreerd.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het omzetten van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Met deze omzetting wordt de mogelijkheid voor bedrijfsactiviteiten op deze locatie in het buitengebied beëindigd en wordt een passende bestemming toegekend. De ontwikkeling past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI, waaronder een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

Middels dit bestemmingsplan wordt de bedrijfsbestemming omgezet in een woonbestemming, binnen de grenzen van een bestaand erf. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat er geen sprake is van toename van het ruimtebeslag. Er is wel sprake van een functiewijziging (van bedrijf naar wonen), maar deze functiewijziging is niet van invloed op het woon-, leef- en ondernemersklimaat elders.

Gelet op het feit dat in het onderhavige plan:

  • er geen sprake is van nieuw beslag op de ruimte;
  • er sprake is van een relatief kleinschalige ontwikkeling, gelieerd aan het buitengebied;
  • er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' aanvaardbaar is;

kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0008.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. In Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt.

artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

lid 1

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

lid 2

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Onderhavig bestemmingsplan maakt een ontwikkeling/herontwikkeling van een bestaand erf in de Groene Omgeving mogelijk. Hierbij wordt onder meer bebouwing gesloopt. Er wordt geen ruimte buiten het bestaande erf gebruikt. Er is sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

Doorwerking voor voorliggend plan:

Met uitvoering van het bestemmingsplan wordt een bedrijfsbestemming in het buitengebied beëindigd. Daarbij wordt bebouwing gesloopt en het perceel krijgt door verschillende ingrepen op het erf een uitstraling die past bij de toekomstige bestemming wonen en het landschap.

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het ontwikkelingsperspectief en de gebiedskenmerken. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0009.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Het plangebied is gelegen binnen het ontwikkelingsperspectief 'wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Direct aangrenzend aan het plangebied grenst het ontwikkelingsperspectief 'Natuurnetwerk Nederland' en de 'Zone Ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland'. Het plangebied valt niet binnen deze perspectieven.

Het ontwikkelingsperspectief 'wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, worden in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbonden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.

Het plan voor het omzetten van de bedrijfsbestemming in een woonbestemming op het perceel past binnen de uitgangspunten voor ontwikkelingsperspectief waarbij een mix van functies aanwezig is. Met de aanpassingen op het erf (onder meer sloop bebouwing, verwijderen bedrijfsnaam en reclame, aanpassing bebouwing) wordt een uitstraling aan het perceel gegeven die overeenkomt met de toekomstige functie van het perceel, namelijk wonen. Het plan om de woonbestemming toe te kennen doet geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en levert geen extra belemmeringen op voor functies in de omgeving.

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'hoogveengebieden' (zie figuur 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0010.png"

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Op waterhuishoudkundig geïsoleerde plekken (waar het regenwater wordt vastgehouden) ontwikkelde zich in het zandgebied op kleine en grote schaal hoogveen; onder invloed van regenwater ontstonden veenmoerassen. Deze groeiden als een dikke spons van veenmossen steeds verder omhoog, los van het grondwater. De extreme zure en voedselarme omstandigheden leidden tot natte, slecht toegankelijke moerasgebieden, waar vrijwel geen boom kon groeien.

De hoogveenrestanten krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van levend hoogveen, de waterkwaliteit, waterkwantiteit en de natuurkwaliteit. De overige delen van de hoogveengebieden krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op behoud van het nog resterende veenpakket; het waterpeil is hier op afgestemd.

Toets
Er is sprake van een ontwikkeling op een bestaand erf in het hoogveengebied. De gronden in en rondom het plangebied zijn in cultuur gebracht. Het plan brengt geen verandering in de kenmerken van de hoogveengebieden.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'hoogveenontginningen' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0011.png" Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

De hoogveenontginningslandschappen zijn te herkennen aan de opstrekkende verkavelingen, een min of meer grillig patroon van wegen en paden en de vele elzensingels. Reliëfrijk, vanwege het niet vergraven van delen, waar de veenpakketten dun waren. Het landschapstype is afwisselend meer of minder open.

De hoogveenontginningen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van kenmerkende afwisseling in de mate van openheid, elzensingels, reliëf, verkavelings- en slotenpatroon met een relatief grillig patroon van wegen en paden. Als ontwikkelingen plaats vinden in de hoogveenontginningen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van het kleinschalige karakter en de kenmerkende weg- en kavelgrensbeplanting en de diverse bebouwingslinten.

Toets
De ontwikkeling die onderliggend bestemmingsplan mogelijk maakt van een bedrijfs- naar een woonbestemming vinden plaats binnen het bestaande erf. De structuren in de omgeving blijven gehandhaafd en daarin vinden geen veranderingen plaats.

De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' hebben binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijven daarom verder buiten beschouwing.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Twenterand

Op 19 juli 2011 heeft de gemeenteraad van Twenterand de Structuurvisie Twenterand vastgesteld. De structuurvisie spreekt zich uit over de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkelingen van de gehele gemeente en geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor iedereen duidelijk is of nieuwe initiatieven daarbinnen passen. Doel is om verschillende belangen, bijvoorbeeld tussen uitbreiding en inbreiding of tussen verkeer en landschap, zorgvuldig af te wegen en een gezamenlijk beeld over de gewenste ontwikkeling te krijgen. De Structuurvisie biedt een geïntegreerde benadering van het sectorale beleid en een herijking van het bestaande (soms aan herziening toe zijnde) plannen.

De gemeente Twenterand heeft besloten om in te zetten op specifieke kernkwaliteiten van de verschillende kernen en landschappen die Twenterand rijk is. Geconcludeerd is dat er nog behoefte is aan beperkte extra woningbouw. De gemeente past de zogenaamde SER-ladder toe (tegenwoordig Ladder voor duurzame verstedelijking). Er wordt niet ongebreideld uitgebreid of ingebreid, maar er wordt zorgvuldig omgegaan met de bestaande kwaliteiten van zowel landschap als bebouwing. Het versterken van de landschapstypen is gewenst, zo ook voor het plangebied. Daarbij gaat het onder meer om het accentueren en herstellen van verschillende landschapstypen, het stimuleren van passende beplanting bij bebouwing op de erven en het landschap passend in het (cultuur)landschap.

Toets

Voor het onderhavig plan geldt dat een bedrijfsbestemming van een bestaand perceel wordt omgezet in een woonbestemming. Hierbij wordt bebouwing (bijgebouwen) gesloopt en de uitstraling van het perceel verandert op positieve wijze door de wijziging naar een woonbestemming. In het kader van de omvorming naar een woonperceel zullen verschillende ingrepen worden gedaan waardoor het perceel de uitstraling van een woonperceel krijgt. Zie paragraaf 2.2. voor de aanpassingen die gedaan worden.

Door de ontwikkeling zal de uitstraling van de percelen Hoofdweg 3-5 verbeterd worden. Het voornemen is daarmee passend binnen de structuurvisie Twenterand.

3.3.2 Woonvisie 'Visie op wonen 2022-2026''

In de Woonvisie Twenterand 2022 - 2026 beschijft de gemeente de opgaven en ambities voor de komende 5 jaar. Hiermee valt de gemeente ruim binnen de Primos prognose tot en met 2031. Ook zorgt de gemeente voor een visie waar initiatiefnemers op kunnen bouwen. Tevens sluit de gemeente aan bij de Woningwet 2022 waarin is opgenomen dat een woonvisie maximaal voor een periode van 5 jaar mag worden vastgesteld.

In de Woonvisie Twenterand 2022-2026 komt naar voren waar de gemeente het woonbeleid op richt, wat de ambities zijn van de gemeente en aan welke opgaven we de komende jaren gaan werken.

De belangrijkste ambities voor Twenterand zijn:

  • Het versnellen van de woningbouw: Twenterand heeft de ambitie om de woningbouw te versnellen en woningen toe te voegen voor het toenemende aantal huishoudens en starters. Twenterand wil 550 woningen toevoegen voor de loakel woningbehoefte tot 2021;
  • Inclusieve woningmarkt: Twenterand wil een gemeente zijn waar het voor al haar inwoners prettig en passend wonen is en waar mensen van buiten Twenterand graag komen wonen. Twenterand staat voor groen en dorps wonen in vitale kernen en ruim ‘landelijk wonen’ in het buitengebied. De gemeente Twenterand wil aandacht voor doelgroepen op de woningmarkt die moeite hebben een passende en betaalbare woning te vinden;
  • Vernieuwing en ruimte voor nieuwe woon(-zorg)concepten: Met de woningbouw in Twenterand wil de gemeente vernieuwen en nieuwe concepten toevoegen. Initiatieven zijn complementair aan de bestaande voorraad zodat er meer diversiteit komt in het totale woningaanbod in Twenterand;
  • Duurzame, groene en dorpse woonmilieus: De gemeente Twenterand vindt het belangrijk dat onze kernen niet verstedelijken en hun dorpse karakter behouden. Daarom realiseert de gemeente de woningbouwversnelling niet enkel met inbreiding;

Buitengebied
De opgave in het buitengebied ligt in de vrijkomende agrarische bebouwing wanneer de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. Het is de verwachting dat veel agrarische bedrijven de komende jaren zullen stoppen. Met de vrijkomende agrarische bebouwing kan nieuw woonaanbod worden gecreëerd, passend bij de leefomgeving. Hiermee worden enerzijds bedrijven ondersteund bij beëindiging van activiteiten op de locatie en anderzijds de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied behouden. Dit geeft mogelijkheden om ruim te wonen in het buitengebied.

In de regionale woonagenda staat het buiten wonen in landelijk gebied expliciet als woonmilieu benoemd. De kwaliteiten van het buiten wonen in landelijk gebied moeten worden behouden. Transformatie naar wonen kan hier aan bijdragen en de ruimtelijke kwaliteit en vitaliteit van het buitengebied verbeteren.

In de kleine kernen en het buitengebied kijkt de gemeente Twenterand naar de lokale behoefte en biedt het ruimte voor specifieke en unieke woningen en woonmilieus. Woonmilieus die passen bij de identiteit van het gebied en de kwaliteiten van het landschap. Denk aan natuurrijke woonmilieus en de transformatie van boerenerven (VAB’s) in het buitengebied.

Toets

Dit bestemmingsplan maakt de omzetten van een bedrijfsperceel naar een woonperceel mogelijk, waarbij de bedrijfswoning wordt omgezet in een reguliere woning. Er wordt derhalve geen woning toegevoegd in het buitengebied. Met uitvoering van dit bestemmingsplan wordt de kwaliteit van het buitengebied verbeterd en wordt bijgedragen aan een goed woonmilieu in het buitengebied. Het plan past binnen de uitgangspunten van de Woonvisie en deze visie vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan.

3.3.3 Landschapsontwikkelingsplan

Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Twenterand is vastgesteld op 6
november 2007 door de gemeenteraad van Twenterand. In het plan worden richtlijnen
geformuleerd voor de ontwikkelingsrichting voor het landschap voor de komende 10 jaar. In
het plan worden richtlijnen geformuleerd voor de inrichting van het landschap. Het plan mag daarmee geen belemmeringen voor de landbouw opleveren. Het landschapsontwikkelingsplan kan worden gezien als handreiking voor landschappelijke inpassing. Het plan is mede richtinggevend om te beoordelen of ontwikkelingen landschappelijk aanvaardbaar zijn.

De ontwikkelingsrichting in het LOP wordt bepaald door:

  • de verschillen tussen de landschapstypen;
  • de gaafheid, kenmerkendheid of potenties van de landschapstypen;
  • het reconstructiebeleid Noordoost Twente (streefbeeld 2015) en de zoneringen;
  • wel of geen onderdeel van de PEHS (inclusief ecologische verbindingszones);
  • de mate van verstedelijkingsdruk.


Toets

Het plangebied is gelegen in het gebied 'Veenschap'. In figuur 3.5 is de ligging van het perceel weergegeven. Dit is een landschappelijke eenheid die de omgeving van het natuurgebied 'Het Veenschap' bestrijkt. Het gebied vormt een uitloper van de Engbersdijkvenen in westelijke richting en maakt deel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Dit betekent dat ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden hier prioriteit heeft. Wat landschapsontwikkeling betreft ligt het accent hier op versterking van de gevarieerde kleinschalige landschapsstructuur. De ontwikkelingen moeten bijdragen aan de specifieke ecologische en hydrologische situatie van het gebied (groenblauwe dooradering). Het Veenschap vormt op deze wijze bovendien een belangrijk onderdeel van het beeksysteem dat via de Geestersche Molenbeek en de Linderbeek de Regge voedt.

Aandachtspunten en kansen zijn het stimuleren van het wegwerken van achterstallig onderhoud aan landschap door particulieren, de bijzondere cultuurhistorie, zichtbaar in de bijzondere kavelindeling en tenslotte het accent op natuurontwikkeling en verbetering van de hydrologische situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0012.png"

Figuur 3.5: beleid Landschapsontwikkelingsplan, plangebied ter hoogte van rode ster (bron: landschapsontwikkelingsplan Twenterand)

Toets
Onderhavig bestemmingsplan vindt plaats binnen de contouren van een bestaand erf. Het omzetten van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming biedt mogelijkheden voor versterken van de kleinschalige landschapsstructuur. Door het verdwijnen van de bedrijfsactiviteiten/bedrijfsbestemming en de verschillende ingrepen die op het erf gedaan worden neemt het verhard oppervlak af (waardoor de situatie op het gebied van water verbetert) en is er meer ruimte op het erf voor een inrichting met landschapselementen. De ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het landschapsontwikkelingsplan.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets

Er wordt middels dit bestemmingsplan de omzetting van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming mogelijk gemaakt. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Het huidige gebruik van het plangebied is voor bedrijfsactiviteiten, waarbij bedrijvigheid is toegestaan zoals is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Twenterand (autoschadebedrijf). Het aantal woningen blijft door uitvoering van dit bestemmingsplan gelijk.

“Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.”

Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant.

Als een project voorziet in een (gedeeltelijke) functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, lijkt gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) geen sprake te zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Op basis van deze uitspraak lijken de volgende aspecten voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject relevant: (een uitbreiding) van de bebouwde oppervlakte, de opzet en de vormgeving van de ontwikkeling. Ten aanzien van de relevante aspecten kan tevens een verwijzing worden gemaakt naar de uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1832).

Gelet op de toename van de bebouwde oppervlakte kan aansluiting worden gezocht bij de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879). In deze uitspraak heeft de Raad van State geoordeeld dat de realisatie van twee woningen op voorheen (hobbymatige) agrarische gronden niet wordt aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Hoewel het plan betrekking heeft op de toevoeging van (aantal woningen) op (bestemming/grond), kan gelet op de uitspraak van 12 juni 2019 worden geconcludeerd dat het plan niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte uitbreiding van de bebouwing op het perceel. Uit voorgaande volgt dat de bouw van één woning in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.

In dit geval is er slechts sprake van een functiewijziging van een bedrijfsfunctie naar wonen waarbij geen extra bouwmogelijkheden of ruimtebeslag worden gerealiseerd. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.


4.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0013.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

De bedrijfsbestemming wordt omgezet in een woonbestemming. De bedrijfswoning wordt een reguliere woning. De bestaande bedrijfswoning is reeds als een gevoelig object (bijv. voor geur en geluid) aan te merken. In die zin blijft de situatie hetzelfde nu de bedrijfswoning wordt omgezet naar een reguliere woning.

Volledigheidshalve wordt wel een toets verricht. In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied'. In de directe omgeving van het plangebied zijn er geen (agrarische) bedrijven gevestigd. Het meest nabijgelegen (agrarische) bedrijf ligt op circa 170 meter afstand.

De grootste richtafstand voor de categorie 'fokken en houden van rundvee' bedraagt 100 meter. Er is specifieke wetgeving, de Wet geurhinder en veehouderij, van toepassing (zie paragraaf 4.3), waarbij de richtafstand minder is. Aangezien ruim aan deze grootste richtafstand wordt voldaan hoeft geen nadere toets aan het aspect 'bedrijven en milieuzonering' te worden verricht.

In de huidige situatie is binnen het plangebied een autoschadebedrijf mogelijk. Deze valt op grond van de VNG-publicatie in milieucategorie 3.1 of 3.2. De grootste bijbehorende indicatieve richtafstanden daarbij bedragen respectievelijk 50 meter (autospuitinrichting, voor geur) en 100 meter (autoplaatwerkerij, geluid). Het dichtstbijzijnde woonperceel (Hoofdweg 1) ligt op circa 50 meter ten zuiden van het plangebied. Met de omzetting van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming verdwijnt een functie met milieubelasting op de omgeving en is de toekomstige situatie een verbetering voor de omliggende (woon)percelen.

4.3 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen;
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Toets

Met de omzetting van de bedrijfsbestemming naar woonbestemming zal de bestaande bedrijfswoning een reguliere woning worden. Zowel een bedrijfswoning als reguliere woning zijn geurgevoelig. In die zin zorgt het onderhavige bestemmingsplan niet voor een verandering.

De afstand tot het dichtsbijzijnde perceel waarop een agrarisch bedrijf is/kan zijn (rundveebedrijf Westerveenweg 3) bedraagt circa 170 meter. Aan de richtafstand van 50 meter op grond van de Wgv wordt ruimschoots voldaan. Deze afstand is richtinggevend en is van toepassing in plaats van een toetsing aan de richtafstanden van de VNG-publicatie zoals genoemd in paragraaf 4.2.

Er zijn geen agrarische bedrijven in de omgeving gevestigd waarvoor een geuremissie per dier is vastgesteld. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor uitvoering van het bestemmingsplan.

4.4 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

Kruse, rapport vooronderzoek conform NEN 5725 en verkennend en nader bodemonderzoek

Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend en nader bodemonderzoek om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. Het rapport is als bijlage 1 bij dit bestemmingsplan gevoegd.

Het gaat om het rapport met de kenmerken 'Kruse, rapport vooronderzoek conform NEN 5725 en verkennend en nader bodemonderzoek conform NEN 5740 en NTA5755 Hoofdweg 3-5 Westerhaar-Vriezenveensewijk, project 22025925, 5 juli 2022'.

De resultaten van het onderzoek zijn hieronder samengevat weergegeven.

Aan de zuidzijde van het pand zijn een voormalige tanklocatie aan een slibvangput met olie/benzine-afscheider aanwezig. Deze worden als verdachte locaties beschouwd. Aan de zuidzijde van het pand heeft in het verleden een bovengrond stookolietank gestaan met een inhoud van 1000 liter. Nabij de zuidoosthoek van het pand bevindt zich ook de slibvangput met olie/benzine-afscheider. Deze is tegenwoordig niet meer in gebruik.

Verder is er geen informatie waaruit blijkt dat de bodem mogelijk verontreinigd is. Het overige deel van het besluitvormingsgebied kan als onverdacht worden beschouwd. Voor de locatie van voormalige stookolietank en de slibvangput met olie/benzine-afscheider wordt de hypothese “verdacht” gebruikt. Een verkennend bodemonderzoek ter plekke van de verdachte deellocatie is noodzakelijk in het kader van de voorgenomen bestemmingplanherziening.

Op 13 mei 2022 zijn in totaal 4 boringen verricht met behulp van een Edelmanboor, waarvan er 2 zijn doorgezet tot 2.0 m-mv of tot het grondwaterniveau. Ten behoeve van het grondwateronderzoek is één diepe boring doorgezet in de diepere ondergrond en afgewerkt tot peilbuis (peilbuis 1). Vanwege het waarnemen van een brandstofgeur in de boringen, is op 20 mei 2022 één boring verricht naast peilbuis 1 (gecodeerd als boring 1A). Met behulp van een steekbus is de verdachte laag bemonsterd voor een analyse op vluchtige aromaten (BTEX) en naftaleen. De situering van de monsterpunten is weergegeven op het boorplan in bijlage V van het bodemonderzoek.

De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is globaal als volgt: tot circa 3.5 meter min maaiveld (m-mv) is met name zeer fijn tot matig fijn zand aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Zintuiglijk is olie waargenomen in de bodem (olie/waterreactie en brandstofgeur).

Op 20 mei 2022 is de peilbuis bemonsterd. In de mengmonsters van de boven- en ondergrond en het grondwatermonster zijn verhoogde gehalten aangetoond. In het steekbusmonster van boring 1A zijn geen verhoogde gehalten aan vluchtige aromaten (BTEX) of naftaleen aangetoond.
 
Boven- en ondergrond - PCB
De zeer licht verhoogde PCB-gehalten zijn op basis van de beschikbare gegevens niet direct verklaarbaar. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk.

Ondergrond en grondwater - Minerale olie, benzeen en xylenen
De licht tot sterk verhoogde gehalten aan minerale olie in de ondergrond en het grondwater en de licht verhoogde gehalten aan benzeen en xylenen in het grondwater zijn gerelateerd aan de zintuiglijk waargenomen verontreiniging in de bodem. Het gebruik van de slibvanput met olie/benzine-afscheider heeft een negatieve invloed gehad op de bodemkwaliteit. Een nader bodemonderzoek is noodzakelijke om de omvang van de verontreiniging in kaart te brengen. Het nader bodemonderzoek is beschreven in hoofdstuk 7 van het onderzoek.

Grondwater - Barium, nikkel en zink
De verhoogde gehalten aan barium, nikkel en zink in het grondwater zijn mogelijk te wijten aan plaatselijk (natuurlijk) verhoogde achtergrondwaarden. De sterk verhoogde gehalten aan barium en zink geven aanleiding voor een herbemonstering van de peilbuis. De resultaten van de herbemonstering zijn weergegeven in paragraaf 6.5 van het onderzoek.

Uit de resultaten van de analyses blijkt dat de voormalige bovengrondse stookolietank geen aantoonbare (negatieve) invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit. Naar aanleiding van de sterk verhoogde barium- en zinkgehalten in het grondwater is besloten een herbemonstering van het grondwater uit peilbuis 1 uit te voeren om eventuele meetfouten uit te sluiten. Het grondwatermonster wordt tevens geanalyseerd op minerale olie en vluchtige aromaten (BTEX).

De resultaten van de herbemonstering van de peilbuis zijn als volgt:

Het grondwatermonster is geanalyseerd op barium, zink, minerale olie en vluchtige aromaten (BTEX). In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium, zink, benzeen en xylenen aangetoond. De verhoogde gehalten zijn weergegeven in tabel 7. Het grondwatermonster is niet verontreinigd met minerale olie.
De zeer sterk verhoogde gehalten aan barium en zink zijn in het grondwater niet meer aangetoond. Doordat de peilbuis een langere rusttijd heeft gehad, worden de resultaten van de herbemonstering als maatgevend beschouwd. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

De licht verhoogde gehalten aan benzeen en xylenen in het grondwater worden door de herbemonstering bevestigd. De licht verhoogde gehalten zijn waarschijnlijk te wijten aan de aanwezige slibvangput met olie/benzine-afscheider.

Door de aanwezigheid van de slibvangput met olie/benzine-afscheider zijn de ondergrond en het grondwater verontreinigd geraakt met minerale olie, benzeen en xylenen. Naar aanleiding hiervan is een nader bodemonderzoek uitgevoerd.

Ten behoeve van de verticale afperking van de verontreiniging wordt één monster van de ondergrond van boring 1 geanalyseerd op minerale olie. Voor de horizontale afperking van de verontreiniging zijn in totaal 3 boringen verricht tot een diepte van circa 2.0 meter. De boringen zijn gecodeerd als boring 11, 12 en 13. Per boring wordt één monster van de ondergrond geanalyseerd op minerale olie.

Uit de resultaten van de chemische analyses blijkt dat de sterke verontreiniging in horizontale en verticale richting in voldoende mate is afgeperkt. In noordelijke richting is de omvang van de lichte verontreiniging nog niet volledig in kaart gebracht omdat in boring 11 nog een zeer licht verhoogd gehalte aan minerale olie is aangetoond.

Aangezien het gehalte aan minerale olie in boring 11 de achtergrondwaarde maar zeer licht overschrijdt, kan verder afperkend onderzoek achterwege blijven.

De omvang van de verontreiniging met minerale olie in de ondergrond wordt geschat op circa 25 m 2 x 2.0 meter = 50 m3, waarvan naar verwachting circa 10 m3 grond sterk verontreinigd is.

Het grondwater is door het gebruik van de SP+OBAS licht verontreinigd met benzeen en xylenen. De omvang van de lichte verontreiniging in het grondwater is niet in kaart gebracht. Omdat de verontreiniging (grotendeels) na 1987 is ontstaan, is er sprake van een geval van zorgplicht en is er derhalve een saneringsnoodzaak. Aangezien er minder dan 25 m 3 grond sterk verontreinigd is, is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging.

De verontreiniging is naast het te behouden bedrijfspand gelegen, waardoor het in de huidige situatie niet mogelijk is om de verontreinigde grond in voldoende mate te verwijderen. Vanwege het pand dient er onder een talud ontgraven te worden. Geadviseerd wordt om de sanering van de verontreiniging uit te voeren als het pand gesloopt wordt. Aangezien de slibvangput met olie/benzine-afscheider niet meer in gebruik is, kan aangenomen worden dat de omvang van de verontreiniging niet zal toenemen.

De sterke verontreiniging met minerale olie is niet volledig afgeperkt (zowel in de grond als in het grondwater). De verontreiniging dient te worden afgeperkt tot aan de terugsaneerwaarde (de lokale achtergrondwaarde). In het kader van de sanering dient een plan van aanpak ingediend te worden bij het bevoegd gezag. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen herziening van het bestemmingsplan, op voorwaarde dat het bevoegde gezag instemt met het resultaat van de sanering van de verontreiniging met minerale olie.

De verontreinigde grond mag niet verplaatst of verminderd worden zonder toestemming van het bevoegd gezag (gemeente Twenterand). Voorafgaand aan een sanering dient een plan van aanpak goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag. Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd.

Er wordt ten aanzien van de verontreiniging een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen (artikel 3.3.1). In de voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat, zo lang de verontreiniging aanwezig is, er geen graafwerkzaamheden of grondroerende werkzaamheden ter plaatse van de verontreiniging mogen worden uitgevoerd. Sanering van de verontreiniging kan plaatsvinden indien het gebouw gesloopt wordt.

De verontreiniging is aanwezig in de ondergrond en is deels afgedekt met een verharding (klinkers). Aangezien de situatie ter plekke van de verontreinigde grond niet wijzigt, is er vanuit milieukundig oogpunt geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanherziening. Het terrein wordt geschikt geacht voor het toekomstig gebruik (wonen).

Verkennend (asbest)bodemonderzoek
Vervolgens heeft verkennend (asbest)bodemonderzoek plaatsgevonden, vanwege het aantreffen van sporen puin.

Voorafgaand aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN 5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek (Kruse Milieu BV van 5 juli 2022 met projectnummer 22025925) is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht voor chemische componenten uit het NEN5740-standaardpakket en asbest kan worden beschouwd.

Hypothese
De hypothese "onverdacht" dient te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese "onverdacht" voor de aanwezigheid van asbest dient te worden verworpen, aangezien er asbest is aangetoond.

In de bovengrond (BG I en BG II), de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB 21) zijn lichte verontreinigingen gemeten. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, wordt het uitvoeren van nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01 en MM FF - 02 is geen asbest aangetoond. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 03 is asbest aangetoond, maar is het gewogen asbestgehalte ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.

In de ondergrond ter plekke van de SP+OBAS is een sterke verontreiniging met minerale olie aanwezig (zie bodemonderzoek Kruse Milieu BV van 5 juli 2022 met projectnummer 22025925, bijgevoegd als bijlage). Deze sterke verontreiniging vormt geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging (zie de tekst eerder in deze paragraaf).

Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de geplande bestemmingsplanwijziging, aangezien de overig vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

4.5 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Toets

Wegverkeerslawaai

Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

  • a. in stedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
  • b. in buitenstedelijk gebied:
      • voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
      • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
      • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

  • c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
  • e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

Het plangebied is gelegen aan de Hoofdweg 3-5 in Westerhaar. Dit betreft een weg in buitenstedelijk gebied, bestaande uit twee rijstroken en een maximumsnelheid van 80 km/u. Op basis van de Wet geluidhinder bevindt zich langs deze weg een geluidzone van 250 meter. Op grond van artikel 76, lid 3 van de Wet geluidhinder hoeft de geluidbelasting van een aanwezig weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. In dit geval is sprake van een bestaande woning, dus ten aanzien van geluid is geen nadere toets vereist.

Railverkeerslawaai en industrielawaai
Vanwege het ontbreken van spoorwegen en bedrijven nabij het plangebied is een nadere toets op deze onderdelen niet vereist.

4.6 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

Onderhavig bestemmingsplan maakt de omzetting van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming mogelijk. Door deze omzetting zal er geen sprake zijn van extra verkeersbewegingen, maar worden het aantal verkeersbewegingen juist verminderd doordat de vervoersbewegingen vanuit de bedrijfsactiviteiten niet meer plaatsvinden. Er is daarnaast geen sprake van de realisatie van een gevoelige bestemming. Luchtkwaliteit is geen belemmering voor uitvoering van het bestemmingsplan.

4.7 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

Er zijn in de omgeving van het plangebied enkele risicobronnen aanwezig.
Het betreft een gasleiding van de Gasunie (op 235 meter) en twee LPG-tankstations, waarvan de dichtstbijzijnde inrichtingsgrens van de LPG-tanktstations op circa 340 meter gelegen is. De ligging is hieronder weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0014.png" Figuur 4.2: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Wat betreft de gasleiding geldt een 1%-letaliteitsgrens van 120 meter. De afstand tussen het plangebied en de gasleiding bedraagt circa 235 meter. Nader onderzoek is daarom niet vereist. Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van de LPG-tankstations. In de huidige situatie is reeds een bedrijfswoning aanwezig, die middels dit bestemmingsplan wordt omgezet naar een reguliere woning. Aangezien een bedrijfswoning ook als (beperkt) kwetsbaar object dient te worden aangemerkt is een nadere toets op dit onderdeel in het kader van dit bestemmingsplan niet vereist.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.8 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Watervisie 2050

Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.

De drie belangrijkste opgaves zijn:

  • de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering;
  • de waterkwaliteit die onder druk staat:
  • de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen.

Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.

Waterbeheerplan 2016-2021

Watersysteem

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen

Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces

Op 21 april 2022 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage 3 van de toelichting. Uitkomst hiervan is dat de 'korte procedure' van toepassing is. Wateraspecten vormen geen belemmering voor uitvoering van het bestemmingsplan.

4.9 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Direct aangrenzend aan het plangebied, achter het perceel zijn wel gronden gelegen die tot de NNN behoren. Daarnaast ligt direct aangrenzend aan het plangebied de 'zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN'.

In figuur 4.3 is de ligging van het plangebied in relatie tot de NNN en zone 'ondernemen en water buiten de NNN' weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0015.png"

Figuur 4.3: ligging NNN en zone ondernemen met natuur en water buiten de NNN (bron: atlas van Overijssel)

De NNN grenst direct aan het perceel. De ontwikkeling heeft alleen betrekking op het plangebied zoals in figuur 4.3 met rode belijning is weergegeven. In de NNN worden geen ingrepen verricht. De NNN heeft geen externe werking. Vanuit de NNN zijn er geen belemmeringen voor uitvoering van het bestemmingsplan en is een nadere toetsing niet nodig.

Natura 2000-gebied
Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 3 km afstand (Engbersdijksvenen). Met het bestemmingsplan wordt een bedrijfsbestemming omgezet naar een woonbestemming. De bestaande bedrijfswoning wordt daarbij omgezet naar een reguliere woning. Het bestemmingsplan heeft geen effecten zoals meer verkeersbewegingen tot gevolg. Deze nemen juist af in de nieuwe situatie.

De voorgenomen activiteiten hebben geen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied. Er is geen nader (stikstof)onderzoek nodig in het kader van gebiedsbescherming en er hoeft geen ontheffing van de Omgevingsverordening Overijssel of Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Soortenbescherming
De gronden in het plangebied zijn in gebruik voor het bedrijf en voor wonen. Een bijgebouw en overkapping worden gesloopt. Voor het overige worden er geen ingrepen op het perceel verricht en zijn eventuele ingrepen zoals het verwijderen van verharding niet van invloed op flora en fauna.

De te slopen bebouwing is ongeschikt als nestplaats voor huismus, en de houten betimmering sluit nauw aan, zonder gaten of kieren waardoor vleermuizen geen verblijfplaats kunnen bezetten achter houtwerk. Ook ontbreken holle ruimtes achter gevelbetimmering, vensterluik, loodslab of windveer. Door ontbreken holle ruimte tussen dak en isolatie betreft het geen potentiële verblijfplaats voor steenmarter.

Op basis hiervan kan aangenomen worden dat van aantasting van leefgebied voor beschermde flora en fauna geen sprake is. Daarnaast is de invloedssfeer van de voorgenomen ontwikkeling lokaal. Op basis van deze gegevens wordt nader onderzoek op basis van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk geacht.

4.10 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

Het plangebied heeft op grond van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Twenterand een lage verwachting. In deze gebieden is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk mits:
- planlocatie geheel in een lage verwachtingszone ligt
- grenzend aan de planlocatie geen waardevol archeologisch terrein aanwezig is

In figuur 4.4 is een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidskaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.BPWHPHHOOFDWEG3en5-vas1_0016.png" Figuur uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Twenterand)

Toets

Er is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk aangezien het gehele plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde kent en niet grenst aan een waardevol agrarisch terrein.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er zich in het plangebied of omgeving geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle structuren. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11 Duurzaamheid

Nederland is van plan om minder energie te gebruiken en over te gaan van het gebruik van fossiele brandstoffen naar steeds meer duurzame energiebronnen, zoals zonne- en windenergie en dergelijke. Dit wordt ook wel de energietransitie genoemd.

Agenda Twenterand samen duurzaam doen

De gemeenteraad van Twenterand heeft de Agenda Duurzaamheid vastgesteld. Die agenda beschrijft de maatregelen en acties die de gemeente Twenterand de komende jaren gaat uitvoeren om de duurzaamheidsambities te realiseren. Vooral de hoofdstukken 'Energieneutraal' en 'Klimaatadapatie' zijn relevant.

Energieneutraal Twenterand

Energieneutraliteit is ten eerste te bereiken door het besparen van energie. Immers: wat je niet gebruikt hoeft ook niet opgewekt te worden. De gemeente Twenterand gaat uit van een besparingsopgave van ongeveer een derde van het huidige energiegebruik. Door het isoleren van gebouwen, zorgvuldig energiebeheer, zuinigere apparaten en efficiënter vervoer.

Energieneutraliteit is verder te bereiken door het aandeel duurzame energie (hernieuwbare energie) te vergroten. De ambitie is dat in 2020, 20 procent van het totale energieverbruik in Twenterand afkomstig is van hernieuwbare energie. De ambitie voor 2050 is 100 procent, dan is Twenterand energieneutraal. Deze ambitie is aangenomen door het huidige college.

Om te beginnen is de ambitie dat nieuwbouw energieneutraal en zoveel mogelijk gasloos is. Voor de lange termijn betekent een energie neutrale en aardgasvrije gebouwde omgeving dat de 13.609 bestaande woningen in Twenterand in 2050 geen fossiele brandstoffen meer gebruiken voor de warmtevoorziening.

Klimaatbestendig Twenterand

Het klimaat verandert door de mondiale opwarming van de aarde. De voorspelling is dat we in Nederland en dus ook in Twenterand steeds vaker te maken krijgen met zachte winters en warme zomers. Onze winters worden gemiddeld natter. Bovendien krijgen we met name in de zomer vaker te maken met extreme regenval (neerslagpieken). In de zomers krijgt de warmte steeds meer uitschieters met soms extreme hitte en droogte als gevolg.

Vooral in de zomer neemt de frequentie en de hevigheid van regenbuien toe, met gevolgen. De dorpen in Twenterand hebben meer bebouwing, met meer steen in de openbare ruimte en in de tuinen. Dit kan wateroverlast veroorzaken omdat regenwater niet goed weg kan stromen of in de bodem kan zakken. Of omdat het riool overbelast raakt door de afvoer van veel regenwater. Daarom zouden we de dorpen meer als ‘spons’ moeten inrichten, bijvoorbeeld door tuinen minder te verharden met steen. Landelijk staat de klimaatbestendigheid in stedelijke gebieden steeds prominenter op de agenda. Dat betekent dat we ons bewust zijn van mogelijke gevolgen van klimaatverandering, deze (leren) accepteren en er bij de inrichting van onze dorpen en wijken rekening mee houden.

De gemeente Twenterand wil klimaatbestendig zijn in 2050. Ofwel: op dat moment moeten de vervelende gevolgen van klimaatverandering geminimaliseerd zijn. Hiervoor worden de openbare ruimte en openbare gebouwen klimaatbestendig ingericht, gebouwd en beheerd. Het klimaatbestendig inrichten wordt daarmee gekoppeld aan het aantrekkelijk maken van de omgeving.

Toets en conclusie

Voorliggend bestemmingsplan maakt de omzetting van een bedrijfsbestemming in een woonbestemming mogelijk. Er wordt daarbij bebouwing gesloopt. De verharde oppervlakte in het buitengebied neemt hierdoor af. Hittestress, voorzover hier al sprake van is in het buitengebied, neemt hierdoor verder af. Ook kan water eenvoudiger worden afgevoerd en geinfiltreerd door de afname van verharding. Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met de uitgangspunten op het gebied van klimaatadaptatie en duurzaamheid. Dit aspect vormt dus geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.12 Verkeer / parkeren

Het perceel Hoofdweg 3-5 wordt ontsloten via de Hoofdweg. Dit betreft een weg in buitenstedelijk gebied, bestaande uit twee rijstroken en een maximumsnelheidsregime van 80 km/u. Door de omzetting van een bedrijfsbestemming in een woonbestemming zal het aantal verkeersbewegingen afnemen. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Het parkeren ten behoeve van de woonfunctie blijft plaatsvinden op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te blijven voorzien. Vanwege het beeindigen van de bedrijfsactiviteiten zal het aantal benodigde parkeerplaatsen ook verminderen (o.a. geen klantbezoek meer). Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels

5.2.1 Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

  • Begrippen

In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

  • Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;

  • wijzigingsregels

In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelregel:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene bouwregels:

In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene aanduidingsregels:

In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Overige regels:

Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel: 

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2.2 Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:

Bestemmingen

Wonen
Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor een woning, een aan huis verbonden beroep, bed and breakfast, paardenbakken voor hobbymatig gebruik, zonnepanelen voor eigen gebruik en tevens voor de daarbij behorende ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen, tuinen en erven, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

In het bestemmingsvlak is één woning toegestaan. De maximale inhoud van een woning bedraagt 750 m3. Voor de woning geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 en 9 meter.

Per woning geldt een maximum oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen van 100 m2, dan wel de bestaande oppervlakte. Dat is in dit geval 152 m2. De bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan op geen grotere afstand dan 25 meter van de woning. De maximale goot- en bouwhoogte voor ondergeschikte gebouwen bedraagt respectievelijk 3 en 6 meter.

Bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen worden gebouwd, een en ander met inachtneming van de opgenomen maatvoeringseisen.

Waarde - archeologie lage verwachting
De voor ‘Waarde – archeologie lage verwachting’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de bodem.

Vrijwaringszone-laagvliegroute
De Rijksoverheid heeft met de ministeriële regeling "Regeling algemene regels ruimtelijke ordening" (Rarro) begrenzingen vastgelegd van zones die van nationaal belang zijn. Een deel van het plangebied is bijvoorbeeld aangeduid als laagvliegroute voor militaire jacht- en transportvliegtuigen. Ter plaatse van deze zone mag niet hoger worden gebouwd dan 40 meter.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B. Het project is niet exact te scharen onder één van de genoemde categorieen. Gezien de lijn van projecten waarvoor geen vooroverleg nodig is en de geringe impact van de ontwikkeling die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt is vooroverleg voor dit bestemmingsplan niet nodig.

Waterschap Vechtstromen
Op 21 april 2022 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De uitkomst is dat de 'korte' procedure gevolgd kan worden. Het waterschap is akkoord met het plan, met inachtneming van de standaard waterparagraaf zoals door het Waterschap is aangegeven. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 26 oktober 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.