direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Torendijk 9 Kortgene
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1695.WPTorendijk9Kgn-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De eigenaar van de percelen, kadastraal bekend als Kortgene F 2379, 2380 en 2381, gelegen aan Torendijk 9, wil hier een nieuwe woning bouwen en de mogelijkheid hebben om daar ook een bedrijfsruimte bij te realiseren. Op de locatie geldt het bestemmingsplan Bebouwde kom Kortgene 2014, waarin de betreffende locatie is bestemd tot 'Recreatie'. In dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van de bestemming om woningen met bedrijfsruimte te realiseren (volgens artikel 24.3 van het bestemmingsplan). Dit wijzigingsplan voorziet in de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de hiervoor genoemde percelen. De locatie is afgebeeld in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.WPTorendijk9Kgn-VA01_0001.png"

Figuur 1: Ligging van het plangebied

1.2 Relatie bestemmingsplan en wijzigingsplan

Met dit plan wijzigen gedeeltelijk de juridisch-planologische kaders, zoals vastgelegd in het bestemmingsplan Bebouwde kom Kortgene 2014. Op dit moment is de regeling van toepassing die is vastgelegd in de planregels en op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan. Na het vaststellen van dit wijzigingsplan wordt de verbeelding aangepast ten behoeve van een nieuwe bestemming (zie hoofdstuk 6). Voor de regels, die horen bij de nieuwe bestemming, wordt verwezen naar het bestemmingsplan Bebouwde kom Kortgene 2014 en de regels van dit wijzigingsplan. Om na te gaan welke regeling geldt, zal dit wijzigingsplan steeds in samenhang met het voorgenoemde bestemmingsplan gelezen moeten worden.

Het plangebied heeft in het huidige bestemmingsplan de bestemming 'Recreatie'. In dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen (artikel 24.3) waarin is vastgelegd dat het bevoegd gezag het plan kan wijzigen ten behoeve van het realiseren van een woning met bedrijfsruimte. Hieraan is een aantal specifieke regels verbonden. In hoofdstuk 3 van dit wijzigingsplan wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan deze specifieke regels.

1.3 Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het zuid-westelijk deel van de kern Kortgene, gelegen in de gemeente Noord-Beveland. De noordkant van het plangebied wordt begrenst door de Torendijk. Aan de zuidoostzijde van het plangebied ligt een volkstuin met daarachter de woning van Torendijk 1. De noordwestzijde van het plangebied wordt begrenst door volkstuinen. Ten zuiden van het plangebied ligt een sloot, die een afscheiding vormt tussen het achtergelegen weiland en de percelen van het plangebied.

1.4 Leeswijzer

In dit wijzigingsplan komen de volgende aspecten aan de orde:

  • hoofdstuk 2 beschrijft de huidige en toekomstige situatie van het plangebied;
  • hoofdstuk 3 toetst de toekomstige situatie aan de wijzigingsregels in artikel 24.3 van het huidige bestemmingsplan;
  • hoofdstuk 4 toetst de toekomstige situatie aan het gemeentelijk beleid, provinciaal- en rijksbeleid;
  • hoofdstuk 5 toetst de toekomstige situatie aan de omgevingsaspecten;
  • hoofdstuk 6 geeft de juridische planbeschrijving;
  • en hoofdstuk 7 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 2 Beschrijving huidige en toekomstige situatie

2.1 Huidige situatie

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1200 m2. Het plangebied functioneert in de huidige situatie als volkstuin van de naastgelegen woning. Er staan, met uitzondering van een schuurtje, geen gebouwen op de percelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.WPTorendijk9Kgn-VA01_0002.png"

Figuur 2: Zicht op het plangebied vanaf de Torendijk (Bron: Cyclomedia, 2017).

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Algemeen

De beoogde ontwikkeling in het plangebied betreft de bouw van een woning met de mogelijkheid tot het bouwen van een bijbehorende bedrijfsruimte. De woning heeft een vloeroppervlakte van maximaal 150 m2. De oppervlakte van de bedrijfswoning mag maximaal 100 m2 bedragen. De woning met bijbehorende bedrijfsruimte krijgt een goothoogte van ten hoogste 4,50 meter en een bouwhoogte van ten hoogste 8,50 meter.

2.2.2 Toetsing aan de wijzigingsbevoegdheid

In figuur 3 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan Bebouwde kom Kortgene 2014 weergegeven waarop de grens van het plangebied is aangegeven (zie blauwe kader). Het plangebied ligt in de bestemming 'Recreatie' (lichtgroen vlak). Rondom deze bestemming is, naast de plangebiedgrens, een rood kader weergegeven waarmee de gebiedsaanduiding 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied - 1' is aangeduid. Op dit gebied is artikel 24.3 uit het bestemmingsplan van toepassing. Het plangebied van dit wijzigingsplan bestrijkt maar een gedeelte van dit wijzigingsgebied. Een deel van de wijzigingsbevoegdheid is al gebruikt voor de bouw van een woning met bedrijfsruimte aan Torendijk 41. Dit plan is vastgesteld op 19 september 2017.

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.WPTorendijk9Kgn-VA01_0003.png"

Figuur 3: Uitsnede van het bestemmingsplan Bebouwde kom Kortgene 2014 en de grens (blauw kader) van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl, oktober 2017).

Op de gronden van het plangebied van dit wijzigingsplan is in het bestemmingsplan geen bouwvlak gelegen. Bouwen wordt middels dit wijzigingsplan mogelijk gemaakt. Hiervoor zijn specifieke regels opgesteld. Hier wordt nader op ingegaan in hoofdstuk 3.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan de wijzigingsregels

Om de wijzigingsbevoegdheid te kunnen toepassen, zal ten minste aan de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan moeten worden voldaan. Daarnaast kunnen ook andere eisen of voorwaarden van belang zijn, bijvoorbeeld als er nieuw planologisch beleid of nieuwe wet- en regelgeving is vastgesteld. In hoofdstuk 4 wordt hier nader op ingegaan. In tabel 1 zijn de wijzigingsvoorwaarden vermeld en is de beoogde ontwikkeling aan de betreffende bepalingen getoetst. Een deel van de wijzigingsbevoegdheid is nog in stand en wordt gebruikt voor de beoogde ontwikkeling aan Torendijk 9. Omdat voor een deel van de wijzigingsgebied al een wijzigingsplan voor Torendijk 41 (d.d. 19 september 2017) is opgesteld wordt, waar nodig ook dat wijzigingsplan betrokken bij de toets.

Tabel 1: Toetsing aan de wijzigingsvoorwaarden uit artikel 24.3

  Criterium
Het bevoegd gezag kan de gronden met de
aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied - 1' wijzigen ten behoeve van de realisatie van woningen met bedrijfsruimte, met dien verstande dat:  
Toetsing  
a.   maximaal 2 woningen mogen worden gebouwd   De beoogde ontwikkeling bestaat uit één woning. In de wijzigingsbevoegdheid is, na het vaststellen van het wijzigingsplan aan Torendijk 41, nog één woning mogelijk. Aan deze voorwaarde wordt dus voldaan.  
b.   de goothoogte maximaal 4,50 meter en de
bouwhoogte maximaal 8,50 meter bedraagt  
Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Op de verbeelding zijn de maatvoeringen opgenomen. Daarmee is bepaald dat de goothoogte maximaal 4,50 meter en de bouwhoogte maximaal 8,50 meter mag bedragen.  
c.   de bouwhoogte van andere bouwwerken maximaal 2,00 meter bedraagt   Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Aan de gronden wordt de bestemming 'Wonen - 1' toegekend. Net als de bestemming 'Wonen' in het vigerende bestemmingsplan is de maximale bouwhoogte 2,00 meter voor andere bouwwerken.  
d.   de dakhelling minimaal 45° bedraagt   Aan deze voorwaarde wordt voldaan. In de regels van 'Wonen-1' en op de verbeelding is de dakhelling van 45° vastgelegd voor de bebouwing.  
e.   de bedrijfsruimte een kleinschalig karakter heeft en dient te passen in de woonomgeving   De oppervlakte van de bedrijfsactiviteiten is, in de bestemming 'Wonen - 1', beperkt tot 100 m2 en is daarmee kleinschalig te noemen. Verder is in de regels benoemd dat het ten hoogste bedrijfsactiviteiten uit de categorie 2 van
de Staat van Bedrijfsactiviteiten mogen betreffen.  
f.   het bedrijfsvloeroppervlak maximaal 100,00 m2 per perceel bedraagt   Het maximaal bedrijfsvloeroppervlak bedraagt 100 m2 en voldoet hiermee aan de wijzigingsvoorwaarde.  
g.   diegene die de activiteiten in de bedrijfsruimte
uitoefent tevens de gebruiker van de bijbehorende woning is  
De woning en de bedrijfsruimte worden op één perceel mogelijk gemaakt. Er is nog geen concreet plan voor de bedrijfsruimte.  
h.   er geen sprake is van onaanvaardbare verkeersaantrekkende activiteiten   Het betreft een kleinschalige bedrijfsactiviteit van maximaal 100 m2 en uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze combinatie draagt eraan bij dat het geen onaanvaardbare verkeersaantrekking oplevert.  
j.   parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden   De parkeerbehoefte wordt opgevangen op het eigen erf.  
k.   er voorzien wordt in een primaire
bluswatervoorziening  
De brandveiligheidsvoorzieningen worden vormgegeven in overleg met de brandweer.  
l.   de wijziging alleen is toegestaan indien de wijziging milieutechnisch verantwoord is gelet op omliggende bedrijfsactiviteiten en woningen   Er wordt een melding gedaan in het kader van de Wet milieubeheer voor de activiteit die plaatsvindt in de bedrijfsruimte. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de omgevingsaspecten.  
m.   het bepaalde in 24.9 in acht wordt genomen:
a. met een onderzoek is aangetoond dat de
aanwezige ecologische en natuurwaarden niet
onevenredig worden geschaad;
b. uit onderzoek blijkt dat een goed woon- en
leefklimaat is verzekerd;
c. voorafgaand aan de ontwikkeling in een
vroegtijdig stadium overleg zal worden gevoerd met het waterschap;
d. afstemming met het regionale
woningbouwprogramma heeft plaatsgevonden.  
In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de mogelijke aanwezigheid van en effecten op ecologische waarden en natuurwaarden en afstemming met het waterschap.

Een goed woon- en leefklimaat is geborgd met een melding in het kader van de wet milieubeheer.

Afstemming met het regionale woningbouwprogramma heeft plaatsgevonden. In de woningbouwmonitor van 2017 van de gemeente Noord-Beveland is het toevoegen van deze woning uit de wijzigingsbevoegdheid aan de Torendijk
opgenomen.  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte leidt ertoe dat provincies en gemeenten in het ruimtelijke beleid meer bevoegdheden krijgen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het opstellen van dit wijzigingsplan past in die lijn.

Ladder voor duurzame verstedelijking

De SVIR introduceert de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’, die op 1 oktober 2012 aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is toegevoegd en op 1 juli 2017 een aantal wijzigingen heeft ondergaan. Het doel van deze ladder is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Overheden dienen op grond van het Bro nieuwe stedelijke ontwikkeling standaard te motiveren met behulp van de Ladder.

In het artikel 3.1.6. lid 2 Bro (Besluit ruimtelijke ordening) staan stappen van de Ladder voor Duurzame verstedelijking als volgt beschreven:

  • 1. Is er een behoefte?
  • 2. Is (een deel van) de behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?

Aan de uitgangspunten uit de duurzaamheidsladder wordt op de volgende wijze voldaan:

  • 1. De wijziging voorziet in de vraag naar wonen in een van de kernen van Noord-Beveland. Weliswaar is de verwachte groei in de behoefte naar woningen beperkt, maar is er wel behoefte aan meer variatie en kwaliteitsverbetering van de bestaande voorraad. De woning is opgenomen in de woningbouwmonitor (2017) van de Gemeente Noord-Beveland. Daarnaast is de behoefte aan kleinschalige bedrijfsruimtes aangetoond in de structuurvisie Noord-Beveland 2008 (zie paragraaf 4.3).
  • 2. De behoefte wordt opgevangen in de kern van Kortgene, en daarmee binnen het bestaand stedelijk gebied.

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de duurzaamheidsladder geen beperking is voor de ontwikkeling die met het dit wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt.

4.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2012 - 2018

Het omgevingsplan geeft de provinciale visie op Zeeland en waar de komende jaren door de Provincie op wordt ingezet. Kort samengevat wordt er middels het omgevingsplan ingezet op ruimte voor economische ontwikkeling, een gezonde en veilige woonomgeving en goede kwaliteit van bodem, water, natuur en landschap. Voor wat betreft detailhandel en de voorzieningenstructuur wordt het vigerende beleidskader grotendeels gecontinueerd.

Verordening Ruimte

Bij de vaststelling van het omgevingsplan is besloten een select aantal provinciale belangen (onderdelen uit het omgevingsplan) te regelen in de Verordening ruimte van de Provincie Zeeland. Het betreft een aantal concreet geformuleerde provinciale beleidsdoelen waarvoor, met het oog op het gewicht dat vanuit het provinciaal belang daaraan wordt toegekend en met het oog op een goede ruimtelijke ordening, regeling bij verordening noodzakelijk wordt geacht (en niet de inzet van lichtere instrumenten). Op grond van de Wro dient een gemeentebestuur bij het vaststellen van een ruimtelijk plan de algemene regels van de Verordening Ruimte van de Provincie Zeeland in acht te nemen.

Op grond van de verordening ruimte wordt geconcludeerd dat er geen beperking is voor onderhavige ontwikkeling.

Conclusie

Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Noord-Beveland 2008

In de Structuurvisie Noord-Beveland 2008 is het te voeren ruimtelijk beleid voor Noord-Beveland voor middellange en lange termijn uiteengezet. De structuurvisie beschrijft het beleid voor de verschillende kernen in de gemeente. Het kernenbeleid is gericht op:

  • het behoud van de huidige woonfunctie en het daarbij behorende niveau van voorzieningen;
  • het in stand houden en daar waar nodig structureel verbeteren van de kwaliteit van het woon- en verblijfsklimaat;
  • het in stand houden en versterken van de stedenbouwkundige structuur.

Binnen de kern Kortgene is, op grond van de ruimtelijke en functionele structuur, onderscheid te maken tussen het centrumgebied, karakteristieke lintbebouwing, een strook kleinschalige bedrijvigheid aan de rand van de kern en de woongebieden. Ter plaatse van het plangebied is kleinschalige bedrijvigheid bestemd (zie figuur 4).

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.WPTorendijk9Kgn-VA01_0004.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1695.WPTorendijk9Kgn-VA01_0005.png"

Figuur 4: Beleidsvisiekaart Kortgene

Een centraal beleidsuitgangspunt is het faciliteren van kleinschalige bedrijven en bedrijvigheid die past bij het karakter van Noord-Beveland. Binnen de dorpskernen is kleinschalige bedrijvigheid toegestaan die geen milieubelastende en verkeersaantrekkende activiteiten heeft. Hier ligt de voorkeur bij een combinatie van wonen en werken.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling, die met dit wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt, is in lijn met het beleid uit de Structuurvisie Noord-Beveland 2008.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

In het kader van het moederplan (bestemmingsplan Bebouwde kom Kortgene 2014) zijn alle noodzakelijke gebiedsonderzoeken uitgevoerd. Voor het grootste deel zijn deze onderzoeken ook van toepassing op het onderhavige wijzigingsplan. Een uitzondering hierop vormen de aspecten bodem, water en ecologie. Met dit wijzigingsplan wordt een woning mogelijk gemaakt, waar het in het moederplan ging om de bestemming 'Recreatie'. Voor bovengenoemde aspecten zijn dus nieuwe onderzoeken uitgevoerd waar hieronder op wordt ingegaan.

5.1 Bodem

Kader

In het kader van dit wijzigingsplan dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de voorgenomen bestemming/functie. In het belang van de bescherming van het milieu zijn regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op ruimtelijke plannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken.

De gronden zijn sinds jaar en dag in gebruik als volkstuin. Op basis van dit gebruik is de verwachting dat de bodemkwaliteit voldoet aan de wettelijke vereisten en daarmee geschikt is voor wonen en bedrijfsactiviteiten. Bij het aanvragen van de vergunning wordt een volledig bodemonderzoek gevoegd die deze hypothese moet ondersteunen.

5.2 Ecologie

Kader

De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden (dit laatste is niet van toepassing op het plangebied). Vanuit de Wnb is bij ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied (zorgplicht).

Beschermde soorten

Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde soorten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het 'nee, tenzij' – principe). Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk (onder andere in bezit van een ontheffing). In de Wet natuurbescherming is tevens een zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren (ongeacht hun beschermingskader) niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.

In de Wnb is de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën van soorten. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën:

  • 1. soorten van de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn;
  • 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora').

Naast voorgenoemde categorieën wordt ook getoetst aan vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (LNV, 2009).

Beschermde gebieden

De Wnb regelt naast soorten ook de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de Natura 2000-gebieden zijn de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijn-gebied opgenomen.

Naast de Natura 2000-gebieden, geldt het Natuurnetwerk Nederland (NNN) als een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden die functioneren als leefgebieden van soorten. De begrenzing van de gebieden die tot het Natuurnetwerk Zeeland behoren is vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2012 – 2018 en nader uitgewerkt in het Natuurbeheerplan Zeeland.

De Provincie Zeeland draagt zorg voor planologische bescherming van alle bestaande natuurgebieden en de agrarische gebieden van ecologische betekenis. Rond natuurgebieden geldt een zone van 100 meter waar bij nieuwe ontwikkelingen wordt beoordeeld of er gevolgen zijn voor de natuur. Daarnaast stelt de Provincie dat in een bestemmingsplan geen bestemmingen aangewezen mogen worden of regels worden gesteld die mogelijk maken dat de wezenlijke kenmerken of waarden van NNN-gebieden per saldo significant worden aangetast (Verordening Ruimte, art. 2.16. Provincie Zeeland, 2016).

Inventarisatie

Vanwege de ontwikkeling is een bureauonderzoek uitgevoerd in het kader van de Natuurbeschermingswet voor flora- en fauna. De rapportage van dit bureauonderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Onderstaand zijn de uitkomsten en conclusies weergegeven.

Beschermde soorten

Uit de Nationale Databank Flora en Fauna komt naar voren dat de afgelopen vijf jaar geen waarnemingen van beschermde soorten zijn gedaan binnen het plangebied. In een straal van 1 kilometer rondom het plangebied zijn enkel waarnemingen gedaan van vier soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is (LNV, 2009) (boomvalk, buizerd, ransuil en de sperwer). Op basis van de aanwezige biotopen en de mate van verstoring worden deze soorten niet binnen het plangebied verwacht.

Er is opgaande beplanting aanwezig aan zowel de achterzijde als de voorzijde van het perceel. Aan de hand van de bureaustudie, op basis van luchtfoto's en de relatief verstoorde omstandigheden wordt de kans 'zeer klein' ingeschat dat in deze vegetatie beschermde soorten of jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Wel kunnen enkele algemeen voorkomende soorten van het stedelijk gebied, zoals de egel, konijn en de broedvogel, een geschikte biotoop vinden in het plangebied.

Beschermde gebieden

De afstand tot het dichtstbij gelegen Natuurnetwerk Nederland is circa 530 meter. Op circa 750 meter ligt het Natura 2000-gebied 'Veerse Meer'.

Beoordeling

Beschermde soorten

In het plangebied en de direct aangrenzende invloedszone kunnen mogelijk algemeen voorkomende broedvogels tot broeden komen in biotopen van opgaande beplanting. Voor overige beschermde soorten of soortgroepen vormt het plangebied geen uitzonderlijk of zeer geschikt leefgebied.

Op basis van de beperkte aanwezigheid van geschikte biotopen voor beschermde soorten, en onder voorwaarde van 'rekening houden met het vogelbroedseizoen', wordt geconcludeerd dat de kans te verwaarlozen is dat de realisatie van het wijzigingsplan leidt tot effecten op beschermde soorten en overtreding van verbodsbepalingen.

Beschermde gebieden

Gezien de afstanden tot beschermde gebieden (van 530 meter voor NNN en 750 meter voor Natura 2000) liggen deze buiten de invloedssfeer van de meeste storingsfactoren zoals verdroging of geluids- en lichtverstoring, die optreden tijdens de werkzaamheden. Daarnaast liggen de NNN-gebieden op een afstand van meer dan de beleidsmatige vastgelegde 100 meter (Verordening Ruimte, art. 2.16. Provincie Zeeland, 2016).

Ondanks dat de omvang van de ontwikkeling beperkt is, kan de voorliggende ontwikkeling een lokaal verkeersaantrekkende werking hebben. Tevens kan een werkplaats leiden tot stikstofdepositie. Gezien de beperkte afstand tot het Natura 2000-gebied en de stikstofgevoelige habitattypen in het gebied, is het op voorhand niet uitgesloten dat de ontwikkeling een bijdrage levert aan stikstofdepositie in dit gebied. Stikstofdepositie leidt tot verzuring en vermesting van Natura 2000-gebieden en draagt zo bij aan negatieve effecten. Negatieve effecten kunnen daarom niet worden uitgesloten.

Geadviseerd wordt om, in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), de bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitattypen te berekenen met het rekenprogramma AERIUS Calculator. Op basis van de uitkomst van deze berekening kunnen vervolgstappen bepaald worden.

Conclusie

Met betrekking tot beschermde soorten dient bij de realisatiefase rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels binnen het plangebied en de direct aangrenzende invloedszone. Met inachtneming van deze voorwaarde is geen sprake van belemmering van de uitvoerbaarheid van het plan in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde soorten. Het Wijzigingsplan leidt in de uitvoeringsfase mogelijk tot negatieve effecten (van de stikstofemissie die mogelijk vrijkomt) op beschermde gebieden in de nabijheid van het plangebied. Om hier uitsluitsel over te geven wordt geadviseerd AERIUS berekeningen uit te voeren.

5.3 Water

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling dient onderzocht te worden of er ook waterbelangen in het geding zijn. De watertoets heeft tot doel om te komen tot een goed functionerend en beheersbaar ontwerp van de waterhuishouding en riolering van het plangebied, aansluitend op het vigerende beleid van het Rijk, de provincie, het waterschap en de gemeente. Daarom worden de randvoorwaarden en uitgangspunten in het ontwerp vroegtijdig uitgewerkt en kunnen eventuele kansen of knelpunten worden gesignaleerd.

Beoordeling

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd. Het aanmeldformulier van deze toets is opgenomen in Bijlage 2. Het waterschap heeft een eerste reactie gegeven waarin met name aandacht wordt gevraagd voor de toename van de verharding van het terrein en de afkoppeling van regenwater. Omdat er nieuwe verharding wordt toegepast zullen er maatregelen genomen moeten worden om te voorkomen dat er wateroverlast ontstaat en dat het grondwater verontreinigd wordt.

Er moet voor 400 m2 nieuwverharding waterberging gemaakt worden met een oppervlak van 30 m2. Hiervoor is een watervergunning benodigd wanneer het als oppervlaktewater wordt aangelegd. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal samen met het Waterschap gekeken worden welke maatregelen het meest efficient en doelmatig zijn voor dit perceel.

Conclusie

Bij verdere uitwerking van de plannen dient met waterschap verdere afstemming plaats te vinden. Water is geen beperkende factor voor dit wijzigingsplan.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

Algemeen

De plangrens van het wijzigingsplan omvat een gedeelte van het gebied, zoals aangegeven in de verbeelding van het bestemmingsplan Bebouwde kom Kortgene 2014. Voor het wijzigingsgebied wordt een specifieke bestemming opgenomen om in de ontwikkeling te voorzien. De bestaande regeling voor 'Wonen' voldoet niet. De bedrijfsruimte past daar bijvoorbeeld niet in. Voor het overige wordt de regeling uit het vigerende plan aangehouden.

Uit de toetsing is gebleken dat de het plan voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan Bebouwde kom Kortgene 2014 van de gemeente Noord-Beveland (zie Hoofdstuk 3).

Toelichting verbeelding

Het uitgangspunt is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en bouwregels. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.

Toelichting regels

De regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan bestemmingsplan Bebouwde kom Kortgene 2014 zijn van overeenkomstige toepassing op het voorliggende wijzigingsplan. Ten behoeve van de wijziging is de bestemming 'Wonen - 1' opgenomen die de huidige bestemming 'Recreatie' ter plaatse vervangt. De regels van deze nieuwe bestemming zijn overeenkomstig de regels van de bestemming 'Wonen' uit het vigerende bestemmingsplan, met uitzondering van de volgende verschillen:

  • 1. er is een functieaanduiding 'bedrijf' opgenomen;
  • 2. er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • 3. de bebouwingsregeling is aangepast, zodat er tot op de perceelsgrens gebouwd mag worden.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is de Grondexploitatiewet opgenomen. In deze wet is het verplichte kostenverhaal van plankosten door de gemeente geregeld. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Kostenverhaal is aan de orde en dient te worden verzekerd indien op grond van een bestemmingsplan rechtstreeks nieuwe bouwplannen (als genoemd in artikel 6.2.1 Bro) mogelijk worden gemaakt (artikel 6.2.3 t/m 6.2.5 Bro). Voor een wijzigingsbevoegdheid wordt kostenverhaal pas verplicht bij het vaststellen van het wijzigingsplan. Een exploitatieplan hoeft niet te worden vastgesteld indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Bijvoorbeeld doordat met alle grondeigenaren hiertoe een overeenkomst is gesloten of als de gemeente volledig zelf het grondeigendom heeft. Met de eigenaren van de overige gronden is inmiddels een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is daardoor anderszins verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk.

De kosten voor de realisatie van de plannen komen voor kosten van de initiatiefnemer, die daarvoor de nodige budgetten heeft gereserveerd. Naar verwachting levert de voorgenomen planologische ontwikkeling geen planschade op, die op grond van artikel 6.1 Wro, voor tegemoetkoming in aanmerking dient te komen.