direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Ruimte voor ruimte woning Katse Groeneweg 3
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1695.BPRozentuin-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Doel van het bestemmingsplan

De eigenaren van de in het buitengebied van Kats gelegen Zeeuwse Rozentuin (Katse Groeneweg 3) willen graag een woning aan hun perceel toevoegen. Om een dergelijke ontwikkeling mogelijk te maken wordt gebruik gemaakt van de zogenoemde ruimte voor ruimte regeling. Aan de ruimte voor ruimte regeling voor deze ontwikkeling wordt invulling gegeven door het saneren van schuren met asbest daken op het adres Zuidlangeweg 3, deze schuren waren voorheen in gebruik voor intensieve veehouderij.

De Rozentuin is een landschapstuin met ondersteunende horeca waar ook plantenverkoop plaats vindt en kleinschalige evenementen en cursussen worden gehouden. Om beheerstechnische redenen zal een deel van de Rozentuin worden afgestoten. Daarom zal een tweede woning worden toegevoegd, waarna één van de woningen zal worden verkocht. Omdat in dit stadium nog niet duidelijk welk deel van het perceel met bijbehorende woning verkocht zal worden, wordt een nieuw bestemmingsplan gemaakt voor de gehele locatie waar de nodige flexibiliteit in zit.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het oosten van de gemeente Noord-Beveland, ten westen van Kats en ten noorden van de Veerhavenweg. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Kortgene, sectie O, perceelnummers 234, 402, 403, 459, 495 en 496, met een gezamenlijke oppervlakte van ruim 50.000 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.BPRozentuin-VA01_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging plangebied (bron: Luchtfoto Kadaster Nederland)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 2013', vastgesteld op 29 augustus 2013.

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.BPRozentuin-VA01_0002.png"

Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen)

Op het perceel aan de Katse Groeneweg 3 geldt de bestemming 'Cultuur en ontspanning' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - landschapstuin'. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor een kwekerij en landschapstuin, ook de verkoop van planten en ondersteunende horeca is toegestaan. Op de gronden mogen gebouwen, één bedrijfswoning en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Aan de noordoostzijde van het plangebied ligt de bestemming 'Agrarisch'. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor de bedrijfsvoering van grondgebonden agrarische bedrijven. Op deze gronden mogen bedrijfsgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

In het hele plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Op gronden met deze dubbelbestemming geldt dat bij een bodemverstoring groter is dan 250 m2 door middel van archeologisch onderzoek dient te worden aangetoond dat er geen behoudenswaardige archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn of zullen worden geschaad door de ontwikkeling. Dit geldt niet als de bodem niet dieper dan 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

De beoogde ontwikkeling past wat betreft bestemming en bebouwing niet binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan.

1.4 Leeswijzer

De opbouw van de toelichting op dit bestemmingsplan is als volgt.

  • In hoofdstuk 2 worden de huidige en beoogde situatie beschreven.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader en daarmee op de planologische inpasbaarheid van de ontwikkeling.
  • Hoofdstuk 4 omvat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan de ruimtelijke en milieuaspecten.
  • In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de bestemmingsregeling (verbeelding en regels).
  • In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van het project.

Hoofdstuk 2 Huidige en toekomstige situatie

2.1 Beschrijving huidige situatie

Directe omgeving

De gronden ten noorden en ten westen van het plangebied zijn in gebruik als akkerland.

Aan de voorzijde ligt de Katse Groeneweg. Deze verharde weg heeft een smal profiel en wordt aan beide zijden begeleid met een berm/sloot. Aan de overzijde van de Katse Groeneweg op nr. 2, staat een woning welke volledig ingepast is met groen. Ten zuiden van de locatie ligt de Zuidlangeweg. De voormalige agrarische bebouwing aan de Zuidlangeweg 3 is in gebruik als caravanstalling.

Plangebied

De Zeeuwse Rozentuin is gelegen aan de Katse Groeneweg 3. Dit is een landschapstuin met ondersteunende horeca waar ook plantenverkoop plaats vindt en kleinschalige evenementen en cursussen worden gehouden. De rozentuin is ingericht als siertuin en delen waar bloemen voor de verkoop worden geteeld.

Op deze gronden staat verspreid bebouwing. Dit betreft onder andere een woning met bijgebouwen en bebouwing ten behoeve van de rozentuin. Hier zijn onder andere een kas, een winkeltje en een restaurant met terras te vinden.

Het noordelijk deel van het plangebied was in gebruik als agrarisch akkerland, maar is nu volledig in gebruik als grasland. Daarnaast is deze locatie volledig onbebouwd.

De rozentuin inclusief de uitbreiding is volledig omzoomd met een groene zone bestaande uit bomen, houtwallen en deels een groene aarden wal. Aan de voor- en achterzijde ligt een watergang met een groen talud. Binnen de rozentuin is eveneens oppervlaktewater aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.BPRozentuin-VA01_0003.png"Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied (Bron: Rho.basisviewer)

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.BPRozentuin-VA01_0004.png"

Figuur 2.2 Huidig gebruik Rozentuin (Bron: gemeente Noord-Beveland)

2.2 Toekomstige situatie

Planologische wijziging

De locatie van de Zeeuwse Rozentuin aan de Katse Groeneweg 3 wordt met circa 10.000 m2 vergroot. De ontwikkeling bestaat uit het realiseren van een tweede woning op het perceel. Deze woning wordt voorzien op het noordelijke deel van het plangebied, daar waar de uitbreiding ligt. De nieuwe woning wordt mogelijk gemaakt middels de 'ruimte voor ruimte'-regeling en krijgt een maximum inhoud van 1.350 m3. Daarnaast worden op dit deel bijbehorende bouwwerken tot een maximum gezamenlijk oppervlakte van 200 m2 mogelijk gemaakt.

Tevens wordt de mogelijkheid geboden om de huidige bedrijfswoning te gebruiken als particuliere woning. De rozentuin blijft in zijn functie en gebruik ongewijzigd, maar hier wordt middels een afwijking de mogelijkheid van de benoemde functies van Nieuwe Economische Dragers toegevoegd.

Landschappelijke inpassing

De rozentuin inclusief de uitbreiding is momenteel volledig omzoomd met een groene zone bestaande uit bomen, houtwallen en deels een groene aarden wal.

Tijdens de verdere ontwikkeling van de locatie voor de nieuwe woning wordt het perceel, waar nodig, nog verder ingepast.

Verkeer en parkeren

De nieuwe woning wordt ontsloten via de Katse Groeneweg. Hiervoor wordt een nieuwe in-/uitrit gerealiseerd. De inritten aan de Katse Groeneweg 3 en 3a blijven ongewijzigd.

Het parkeren vindt volledig plaats op eigen terrein. Gezien de grootte van het nieuwe deel (10.000 m2) is hier voldoende ruimte om de parkeerbehoefte van de extra woning op te vangen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.BPRozentuin-VA01_0005.png"

Figuur 2.3 Luchtfoto toe te voegen deel (Bron: Rho.basisviewer)

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening zoveel mogelijk over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent een aantal nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Dit plan raakt geen rijksbelangen uit het Barro.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De ladder is per 1 juli 2017 aangepast waarmee de ladderbenadering is losgelaten. Wel dient nog te worden aangetoond dat er behoefte is aan de betreffende ontwikkeling en, indien de ontwikkeling plaatsvindt buiten bestaande stedelijke gebied, waarom de betreffende locatie het meest geschikt is.

Toetsing

Deze ontwikkeling maakt de realisatie van één ruimte voor ruimtewoning mogelijk in ruil voor de sloop van schuren. Gelet op het feit dat slechts één woning is beoogd en de hoeveelheid bebouwing afneemt, is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (recente jurisprudentie). Toetsing aan de ladder is niet noodzakelijk, maar het project voldoet wel aan de uitgangspunten. Het project geeft invulling aan de behoefte aan kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Noord-Beveland. Het toestaan van één ruimte voor ruimtewoning op een ruimtelijk ingepaste locatie maakt deze kwaliteitsverbetering financieel mogelijk. Ook is de locatie passend ontsloten.

Conclusie

De mogelijkheden die het project biedt, passen binnen de beleidskeuzes en de leidende principes uit de

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Barro.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2018 en Provinciale Omgevingsverordening Zeeland 2018

Het relevante ruimtelijk provinciaal beleid is vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2018 (OPZ) en de Provinciale Omgevingsverordening 2018 (POV). Het Omgevingsplan 2018 bevat slechts beperkt nieuw beleid ten opzichte van het Omgevingsplan 2012-2018. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 beoogd naast een concrete invulling voor de vier grote strategische opgaven (duurzame en concurrerende economie, klimaatbestendige en neutrale samenleving, waardevolle leefomgeving en toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving) ook een eerste aanzet voor te geven voor de lange termijn strategische doelen. De verantwoordelijkheid voor het ruimtelijk beleid wordt primair bij de samenwerkende gemeenten gelegd. De provincie beperkt zich tot het bevorderen van de regionale samenwerking en het bewaken van een aantal eigen belangen.

Ruimte voor Ruimte

Het provinciaal beleid biedt mogelijkheden voor nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied. In artikel 2.7 van de POV, Bijlage C is bepaald dat in de toelichting bij een bestemmingsplan waarin dit mogelijk wordt gemaakt, dan wel aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een van de hierna genoemde situaties:

  • 1. het benutten van bestaande bebouwing; 'rood voor rood';
  • 2. ruimte voor ruimte.
  • 3. nieuwe bebouwing; rood voor groen: nieuwe landgoederen en buitenplaatsen.

Relevant is punt 2, de 'ruimte voor ruimte'-regeling. Deze regeling maakt het mogelijk om ongewenste of in onbruik geraakte en niet-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in het buitengebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een woon- of recreatieve functie. In tabel 3.1 zijn de voorwaarden voor toepassing van de 'ruimte voor ruimte'-regeling opgenomen en is de ontwikkeling hieraan getoetst.

Tabel 3.1 Randvoorwaarden ruimte voor ruimte

randvoorwaarde ruimte voor ruimte   beoordeling  
Er kunnen maximaal 3 (compensatie)woningen worden gerealiseerd. Voor de realisatie van een woning/ bouwkavel wordt uitgegaan van een te slopen oppervlak van 500 m2 schuur of 0,5 ha glas of andere (bedrijfs)bebouwing van een vergelijkbare grootte. Hiervan kan worden afgeweken indien:   Er wordt één woning gerealiseerd. De te slopen schuren hebben een gezamenlijke oppervlakte van 500 m2.  
- Uit een financiële onderbouwing blijkt dat onvoldoende kostendragers kunnen worden gegenereerd voor de sloop van het betreffende object.   In een privaatrechtelijke overeenkomst wordt de aanleg, het beheer en het onderhoud van de ruimtelijke kwaliteitswinst vastgelegd. De locatie is bovendien reeds in eigendom van de ontwikkelaar.  
- Dit aantoonbare meerwaarde oplevert voor het landschap.   De nieuwe locatie is reeds landschappelijk ingepast. Naast sloop vindt asbest sanering plaats.  
Het dient te gaan om niet-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.   De te slopen bebouwing heeft geen cultuurhistorisch belang.  
Sloop en het voorkomen van heroprichting dienen te worden gewaarborgd.   De bestemming van de te slopen bebouwing is inmiddels gewijzigd. Heroprichting is zodoende ter plaatse niet meer mogelijk.  

Bufferzones

Artikel 2.17 legt het bufferbeleid zoals beschreven in het Omgevingsplan vast. Het betreft planologische kwaliteitsnormen. De regels zijn van toepassing op nieuwe situaties. De regels hebben betekenis voor het agrarisch gebied (het buitengebied) in relatie tot woonwijken en verblijfsrecreatieterreinen. Op diverse plaatsen in de provincie is nog sprake van agrarische bedrijvigheid binnen de bebouwde kom. In veel van die situaties bevinden zich ook reeds bestaande woningen op korte afstand van agrarische bedrijven. Het bufferbeleid zoals neergelegd in dit artikel is daarop niet van toepassing. De regels zijn ook niet bedoeld voor het houden van afstand tot een individuele woning in het buitengebied. In die situaties zal maatwerk moeten worden geleverd waarbij per geval, vanuit het beginsel van een goede ruimtelijke ordening en na weging van de betrokken belangen, een keuze moet worden bepaald. Indien in dat geval geen of nagenoeg geen sprake is van hinder voor de woonfunctie en de nieuw te bouwen woning niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van het bedoelde agrarische bedrijf kan de kleinere afstand in de toelichting bij het bestemmingsplan worden beargumenteerd. In principe dient een bufferzone van 100 meter aangehouden te worden. Tussen (glas)tuinbouw- en fruitteeltpercelen en wonen en recreatiegebieden dient een afstand van minimaal 50 meter aangehouden te worden. Een kleinere afstand tot 50 meter kan gehanteerd worden, indien daarvoor geen noemenswaardige hinder bij gevoelige bestemmingen optreedt en dit niet leidt tot onevenredige beperkingen voor de betrokken agrarische bedrijven.

Toetsing

Op de voormalige agrarische bedrijfslocatie Zuidlangeweg 3, Kats, gemeente Noord-Beveland, staan schuren en stallen met asbestdaken. Deze bebouwing wordt gesaneerd. De locatie heeft inmiddels een woonbestemming, waardoor de realisatie van nieuwe agrarische bebouwing ter plaatse niet meer mogelijk is.

De nieuwe locatie is in eigendom van de ontwikkelaar en al volledig ruimtelijk ingepast. Vanwege de hoge en dichte begroeiing om de locatie, wordt deze volledig uit het zicht onttrokken. Deze begroeiing zorgt bovendien voor een buffer met naastgelegen agrarische percelen. Op de nieuwe locatie wordt een compensatiewoning mogelijk gemaakt met een maximum inhoudsmaat van 1.350 m3.

Conclusie

De woning is mogelijk op basis van de eisen gesteld in de ruimte voor ruimte regeling. Daarnaast wordt voldoende afstand/maatregelen gecreëerd voor naburige agrarische bedrijfsvoering.

3.3 Gemeentelijk beleid

Agenda wonen in de Bevelanden 2025

In de Agenda wonen in de Bevelanden hebben de vijf gemeenten binnen het samenwerkingsverband De Bevelanden afspraken vastgelegd over woningbouw en inhoudelijke zaken ten aanzien van het wonen, zoals herstructurering, wonen en zorg, huisvesting van arbeidsmigranten en prestatieafspraken met de corporaties. De gemeentelijke woningbouwplanning van gemeente Noord-Beveland wordt ingebracht in deze agenda. Van de totale woningbouwbehoefte is er 15-20% behoefte is aan woningen in landelijke woonmilieus. Voor de gemeente Noord-Beveland geldt dat deze alleen landelijke woonmilieus kent.

Één van de beleidsmatige doelstellingen van de Agenda Wonen in de Bevelanden is kwaliteit voor kwantiteit. Het gaat om de combinatie woningtype, type locatie, milieu en productmarktcombinatie. Het moet gaan om kwaliteit die op lange termijn wat toevoegt aan de bestaande voorraad. De regio is voornemens om de restcapaciteit voornamelijk in te zetten voor projecten in (centrum) dorpse woonmilieus.

Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling bevat slechts 1 woning voor permanente bewoning. De woning betreft een vrijstaande woning op een groot perceel, die middels de ruimte-voor ruimteregeling mogelijk wordt gemaakt. Daarmee is sprake van een toevoeging van kwaliteit aan de bestaande voorraad.

Structuurvisie Noord-Beveland 2008

In de Structuurvisie "Noord-Beveland 2008" is het te voeren ruimtelijk beleid voor Noord-Beveland voor de middellange en lange termijn uiteengezet. Noord-Beveland wil haar identiteit versterken op basis van de basiskwaliteiten ruimte, schaal, openheid en rust. Behoud van de basiskwaliteiten betekent dat het beleid gericht dient te zijn op het stimuleren van kwalitatieve en het beheersen van de kwantitatieve ontwikkelingen.

Strategie openheid en optimale ontwikkelingsmogelijkheden voor landbouw

Op basis van de structuurvisiekaart is het plangebied gelegen in de strategie ‘openheid en optimale ontwikkelingsmogelijkheden voor landbouw’. De strategie is erop gericht om de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw primair te stellen en op een goede wijze te borgen. Het

bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ is hiertoe het in te zetten instrument. Daarnaast zijn nevenactiviteiten (waaronder Nieuwe Economische Dragers) die aan de landbouw zijn gelieerd of ten

dienste staan van een versterking van de relatie extensieve recreatie – landbouw toelaatbaar.

In landschappelijke zin is de strategie gericht op behoud van de openheid. Gebruiksvormen anders dan landbouw worden in principe niet voorgestaan.

Natuur, landschap en cultuurhistorie

Natuur en landschap vormen onverminderd de belangrijkste dragers voor de beleving van het eiland en zijn leidend voor toekomstige ontwikkelingen. Op structuurvisieniveau is met name de Oud-Noord-Bevelandpolder relevant als cultuurhistorisch waardevol gebied. Deze polder kenmerkt zich door een rationele en planmatig ingerichte eind 16e-eeuwse polder met de dorpen Colijnsplaat en Kats.

Toetsing en conclusie

De nieuwe woning wordt gerealiseerd binnen de grenzen van een bestaand perceel. Dit perceel maakt reeds onderdeel uit van de locatie 'Rozentuin' en is landschappelijk ingepast. Zodoende wordt geen extra inbreuk gedaan om het omliggende open landschap. De ontwikkeling past binnen de bestaande structuren en maten van het landschap. De vergroting van de 'landschapstuin' draagt bij aan de versterking van de landschappelijke en ecologische waarden van de rozentuin. Daarnaast is deze locatie geschikt voor Nieuwe Economische Dragers in het landelijk gebied.

Mobiliteitsplan Noord-Beveland 2015

In de Planwet verkeer & vervoer is opgenomen dat gemeenten een wettelijke zorgplicht hebben voor het zichtbaar voeren van een samenhangend en uitvoeringsgericht verkeers- en vervoerbeleid, wat richting geeft aan de door het gemeentebestuur te nemen beslissingen inzake verkeer en vervoer. Een GVVP of Mobiliteitsplan is hiervoor het aangewezen beleidsdocument. Samenhangend, richtinggevend en uitvoeringsgericht zijn kernwoorden die ook op het mobiliteitsplan van Noord-Beveland van toepassing zijn:

  • Samenhangend: het plan staat niet op zichzelf, maar sluit aan op andere relevante beleidsvelden zoals ruimtelijke ordening, toerisme en economie. Daarnaast wordt het gehele spectrum van mobiliteit in samenhang bekeken;
  • Richtinggevend: het mobiliteitsplan is geen blauwdruk, het geeft de richting aan op welke wijze we denken over verkeer en vervoer en op welke wijze we kansen en knelpunten moeten benaderen;
  • Uitvoeringsgericht: enerzijds betreft het een beleidsplan, anderzijds omvat het concrete acties om tot uitvoering over te gaan, passend binnen het geformuleerde beleid.

De functie van het Mobiliteitsplan is dan ook het bieden van een duidelijk beleidskader. Geen blauwdruk waarin exact alles vast ligt, maar een richtlijn hoe er met verkeers- en vervoervraagstukken in Noord-Beveland omgegaan moet worden.

Toetsing en conclusie

De locatie is reeds ontsloten middels een bestaande weg. Uit het beleidsstuk blijkt dat in de omgeving geen knelpunten aanwezig zijn. De toevoeging van één woning past dan ook binnen de uitgangspunten van het mobiliteitsplan.

Hoofdstuk 4 Sectorale toetsen

4.1 M.e.r.-beoordeling

Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Deze wijziging geldt voor alle aanvragen na 16 mei 2017, omdat er een directe werking van het Europese recht geldt. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvormíng omtrent en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:

  • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten;
  • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uitvoeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten er toch een MER moet worden opgesteld. In artikel 7.16, tweede tot en met vierde lid van de Wet milieubeheer, staat welke informatie over de voorgenomen activiteit in de mededeling van de initiatiefnemer moet zijn opgenomen. Bij het opstellen van deze informatie moet ook rekening worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de Europese mer-richtlijn.

Conclusie

De ontwikkeling is van dusdanige van omvang (1 extra woning) dat niet gesproken kan worden van een stedelijke ontwikkeling. Er hoeft geen m.e.r.-beoordeling plaats te vinden.

4.2 Verkeer

Toetsingskader

Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). De parkeerbehoefte wordt formeel berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen. Het CROW is echter van 2012, onder 'parkeren' is daarom onderbouwd dat de meest recente kencijfers van het CROW een beter beeld geven in de parkeerbehoefte dan de gemeentelijke parkeernormen. Voor het kencijfer / parkeernorm is een ligging in het 'buitengebied' van toepassing, de locatie heeft daarnaast een 'niet stedelijk' karakter op basis van de adressendichtheid.

Ontsluiting

Gemotoriseerd verkeer

In de huidige situatie wordt de locatie ontsloten door de Katse Groeneweg. Deze erftoegangsweg loopt langs het plangebied.

Het deel wat aan het plangebied wordt toegevoegd wordt in de toekomstige situatie eveneens ontsloten op de Katse Groeneweg. Via de Katse Groeneweg loopt in noordelijke richting naar de Oosterschelde en in zuidelijke richting sluit deze aan op de Veerhavenweg. De Veerhavenweg verbindt het dorp Kats met de provinciale wegen N255 en N256. Dit alles maakt het plangebied goed bereikbaar voor gemotoriseerd verkeer.

Openbaar vervoer

Over de provinciale weg N256 lopen diverse busroutes. Deze halteren echter niet nabij het plangebied. In het dorp Kats zelf haltert een buurtbus aan de Dorpsstraat.

Langzaam verkeer

Ook per fiets is de locatie goed bereikbaar. Langs de Veerhavenweg ligt een vrijliggend fietspad.

Parkeerbehoefte

De parkeerbehoefte van de ontwikkeling is berekend met kencijfers van het CROW en opgenomen in tabel 4.1. Deze kencijfers zijn actueler dan het gemeentelijk beleid en bieden meer differentiatie in functies. Hierdoor geeft het een beter inzicht op de werkelijke parkeerbehoefte.

Tabel 4.1 Parkeerbehoefte ontwikkeling

Functietype   Functie CROW   Norm (minimaal)   Norm (maximaal)   Gemiddelde parkeerbehoefte  
woning   Koop, huis, vrijstaand   2,0   2,8   2,4  

Op basis van tabel 4.1 heeft de toevoeging van één woning een naar boven afgeronde parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen. Op het eigen terrein is ruim voldoende ruimte om te voldoende aan deze parkeerbehoefte.

Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling

Bij de berekening van de toekomstige verkeersgeneratie is de beoogde woning opgenomen, zie tabel 4.2.

Tabel 4.2 Verkeersgeneratie ontwikkeling

Functietype   Functie CROW   Norm (minimaal)   Norm (maximaal)   Gemiddelde verkeersgeneratie  
woning   Koop, huis, vrijstaand   7,8   8,6   8,2 mvt/etmal  

Als gevolg van de toevoeging van één woning ontstaat er een theoretische toename aan verkeer van circa 9 mvt/etmaal. Dit is de merkbare toename op de bestaande kruispunten en wegen. Echter wordt deze snel op de ontsluitende wegen afgewikkeld. Deze wegen hebben een relatief hoge capaciteit waardoor deze toename niet zal leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Als gevolg van deze ontwikkeling blijft de verkeersafwikkeling in de toekomst dan ook gewaarborgd.

Met het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een particuliere woning vindt geen wijziging plaatst van de verkeersgeneratie van deze woning. Deze zijn voor beide gelijk. In dit geval is echter wel sprake van een verkleining van de bestaande bedrijfsactiviteiten van de Rozentuin en zodoende mogelijk sprake van een (minimale) afname van de verkeersgeneratie. De toename van de verkeersgeneratie van deze ontwikkeling valt mogelijk dus lager uit dat dan de berekende 9 mvt/etmaal. Dit heeft echter geen merkbare gevolgen voor de verkeerssituatie ter plaatse.

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied is goed voor de verschillende vervoerswijzen. De ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename, maar geen dusdanige toename die zal leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte is berekend voor de ontwikkeling en zal op eigen terrein worden voorzien. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling niet in de weg.

4.3 Water

Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets uitgevoerd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf is overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Bij het Waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een watertoetstabel gebruikt. In deze tabel zijn de hiervoor genoemde aspecten verwerkt. De tabel in bijlage 1 is ingevuld voor het project Katse Groeneweg 3. De tabel is voorgelegd aan het Waterschap. Het waterschap Scheldestromen heeft een positief advies gegeven, zie bijlage 2.

4.4 Bodem

Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd

op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid

van de gebruikers of het milieu.

Een woning betreft een gevoelige functie. Een bodemonderzoek is derhalve noodzakelijk. Dit bodemonderzoek is op 29 maart 2019 uitgevoerd door Econsultancy, zie bijlage 3.

Onderzoek

Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.

De bodem bestaat voornamelijk uit sterk zandig, klei. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond bestaat plaatselijk uit matig siltig, matig fijn zand en zwak kleiig, matig fijn zand. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.

De bovengrond is licht verontreinigd met DDD, DDE, DDT en OCB. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

Op basis van het vooronderzoek, de terreininspectie, veldwerkzaamheden en de analyseresultaten kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén verontreinigingen verwacht welke belemmeringen vormen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie.

Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

Conclusie

Het aspect bodem staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.5 Cultuurhistorie

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is vastgelegd dat de ruimtelijke ordening een samenhangende afweging van alle belangen bevat. Tot die belangen wordt ook het cultureel erfgoed gerekend. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is daarom de verplichting vastgelegd om in de ruimtelijke ordening “rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten”.

Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet. In lijn met die wet neemt de gemeente Noord-Beveland in haar bestemmingsplannen een integrale paragraaf Cultuurhistorie op. Hierin wordt voor het plangebied van het betreffende bestemmingsplan een inventarisatie en een analyse van de aanwezige cultuurhistorische waarden gepresenteerd. Aan deze inventarisatie zullen/ kunnen consequenties ten opzichte van het vaststellen van een dubbelbestemming cultuurhistorie en / of archeologie verbonden worden.

4.5.1 Landschap en bouwhistorie

Bij cultuurhistorische waarden aangaande gebouwd erfgoed gaat het over de positieve waardering van bouwsporen, objecten, patronen, structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken.

Onderzoek

De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.1 is te zien dat er binnen het plangebied geen bouwhistorische objecten aanwezig zijn. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig in de vorm van monumentale boerderijen. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze objecten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.BPRozentuin-VA01_0006.png"

Figuur 4.1 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart, in blauw globaal het plangebied (bron: provincie Zeeland)

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.5.2 Archeologie

Toetsingskader

Om op gemeentelijk niveau weloverwogen keuzes te kunnen maken heeft de gemeente Noord-Beveland een gemeentelijk archeologiebeleid ontwikkeld, dat op 26 januari 2012 is vastgesteld. Hiermee voldoet de gemeente niet alleen aan de wettelijke verplichtingen omtrent archeologie maar heeft het ook een formeel afwegingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Het beleid, dat gebaseerd is op een analyse van de plaatselijke situatie, geeft aan wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het rapport “Archeologiebeleid gemeente Noord-Beveland (d.d. 30 juni 2011) bestaat uit een “Deel A: Beleidsnota archeologie” en een “Deel B: Toelichting beleidskaart”. Deel B is een (ruimtelijke) uitwerking van het archeologiebeleid (deel A). Op basis van de beleidskaart, die bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, kan worden bepaald of voor een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op een specifieke locatie al dan niet archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in 8 categorieën, waarvan enkele categorieën bekende archeologische waardevolle gebieden omvatten en andere een bepaalde verwachtingswaarde op archeologische vondsten weergeven. Aan elke categorie, uitgezonderd Categorie 1, is een, aan oppervlakte van grondverstoring gebonden, vrijstelling voor archeologisch onderzoek gekoppeld. Bij alle categorieën, wederom uitgezonderd categorie 1, geldt in ieder geval dat geen onderzoek hoeft plaats te vinden indien de bodem niet dieper dan 40 cm wordt verstoord. De gehanteerde categorieën zijn:

  • Categorie 1: archeologisch rijksmonument; hiervoor is altijd een monumentenvergunning nodig;
  • Categorie 2: terrein van archeologische waarde; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 3: stads- en dorpskernen van een specifieke archeologische verwachting; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 4: hoge verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 250 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 5: matige verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 500 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 6: lage verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht;
  • Categorie 7: verwachting van maritieme vondsten; hiervoor is altijd overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig;
  • Categorie 8: archeologische vondsten worden niet verwacht; geen onderzoeksplicht.

Toetsing

Binnen het archeologiebeleid van de gemeente Noord-Beveland ligt het bestemmingsplangebied in een zone met een beleidscategorie 4 op maatregelenkaart 1. Dit houdt in bij verstoringen groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm beneden het maaiveld, de archeologische verwachting dient te worden getoetst door middel van aanvullend archeologisch onderzoek. Het plangebied is weliswaar groter dan 250 m2. Ten behoeve van de bestemmingswijzigingen vinden geen bodemingrepen plaats. Daarnaast is de bodemverstoring ten behoeve van de te realiseren woning niet groter dan 250 m2. Indien ten tijde van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor bouwen blijkt dat dit oppervlakte groter is, dient als nog een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.BPRozentuin-VA01_0007.png"

Figuur 4.2 Uitsnede Archeologiebeleid gemeente Noord-Beveland

Conclusie

Op basis van het archeologiebeleid van de gemeente Noord-Beveland is geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk.

4.6 Luchtkwaliteit

Beleid en Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.

NIBM

In het Besluit niet in betekenende mate (hierna: NIBM) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg.

Onderzoek

De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt 9 mvt/etmaal. Voor de toename van 9 mvt/etmaal geldt dat de bijdrage 'niet in betekende mate' bijdraagt, zie tabel 4.3.

Tabel 4.3 NIBM-tool op basis van de verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.BPRozentuin-VA01_0008.png"

Op basis van de NIBM-tool (tabel 4.6) is de maximale bijdrage van het extra verkeer op de luchtkwaliteit 0,01 µg/m³ NO2 en 0,00 µg/m³ PM10. Op basis van de maximale bijdrage van het extra verkeer en de huidige concentraties luchtverontreinigende stoffen kan een overschrijding van de grenswaarden luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer (tabel 4.1) uitgesloten worden. Voldaan wordt aan de luchtkwaliteitswetgeving.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

4.7 Milieuhinder

4.7.1 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat:

  • een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de bedrijven/inrichtingen.

Om voor deze ontwikkeling de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt.

Onderzoek 

De ontwikkeling van een woning betreft een milieugevoelige functie. Ten gevolge van omliggende bedrijfsactiviteiten kan de ontwikkeling hinder ondervinden.

Ten noordoosten van het plangebied is de industriehaven van Kats gelegen, waarbij is aspect geluid maatgevend. Dit gezoneerde industrieterrein heeft daarom een geluidszone. Het plangebied is gelegen buiten deze geluidszone. De afstand tot de beoogde woning bedraagt circa 750 meter, aan de richtafstand wordt dan ook voldaan.

In de omgeving van het plangebied zijn verder permanent bewoonde woningen aanwezig. Ter plaatse van de omliggende woningen is sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast zijn er geen bedrijven die in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7.2 Spuitzones

Beleid en normstelling

Emissie van bestrijdingsmiddelen zoals toegepast in de akkerbouw, fruitteelt en de glastuinbouw kan milieuproblemen veroorzaken (diffuse verspreiding via lucht, bodem en water). Ook speelt de aanwezigheid van gevoelige functies een rol.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zin, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag.

Toetsing

Rondom het plangebied zijn agrarische gronden gelegen die mogelijk worden bespoten. Het is aan te bevelen om bij de inrichting van het terrein rekening te houden met een zo groot mogelijke bufferzone vanaf het nieuwe woonperceel tot omliggende agrarische gronden. De bufferzone kan bijvoorbeeld bestaan uit een sloot en haag/groenstrook. In de huidige situatie is al een rij bomen met daarnaast dichte begroeiing aanwezig. Met de invulling van de locatie wordt deze groenstrook verder verbreed en verdicht. Bovendien wordt de woning op gepaste afstand uit de perceelsgrens gerealiseerd. Hiermee wordt een dusdanig buffer gerecreëerd tussen de nieuwe woning en de gronden waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden. De haag/groenstrook wordt in het kader van de landschappelijke inpassing middels een voorwaardelijke verplichting geborgd in dit bestemmingsplan. Daarnaast zijn de regels in de Algemene Plaatselijke Verordening voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in open teelten aangescherpt. Ter bescherming van het gebruik van omliggende gronden dient op het moment van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangetoond te worden op welke wijze gebruik gemaakt wordt van driftarme technieken.

Conclusie

Gedetailleerd (kwantitatief) onderzoek naar de gevolgen van het gebruik van de omliggende agrarische gronden op de locatie is niet noodzakelijk.

4.8 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. 

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Toetsing

Het planvoornemen betreft de realisatie van één woning. De effecten van de ontwikkeling op het PR en het GR worden hieronder beschouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1695.BPRozentuin-VA01_0009.png"

Figuur 4.3 plangebied en risicobronnen (uitsnede risicokaart)

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en risicorelevante transport-assen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd.

Risicovolle inrichtingen

Binnen het plangebied zijn geen Bevi Inrichtingen gelegen. Binnen het plangebied zelf worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. De meest nabij gelegen risicovolle inrichtingen zijn het Shell tankstation De Zandkreek Oost aan de 1e Deltaweg 13 en de propaantank M.J. Breure aan de Oost-Zeedijk 14.

Het vulpunt van de Shell tankstation heeft een 10-6 risicocontour van 40 meter. De ondergrondse LPG container heeft een risicocontour 10-6 van 25 meter en de afleveringsinstallatie voor LPG heeft een risicocontour 10-6 van 15 meter. Deze contouren vallen voor het grootste deel over de inrichting zelf.

De propaantank aan de Oost-Zeedijk 14 heeft een risicocontour 10-6 van 15 meter. Deze contour valt binnen de inrichtingsgrenzen van de inrichting.

De inrichtingen gelegen op respectievelijk 900 en 1.200 meter van het plangebied. Daarmee is het plangebied gelegen op ruime afstand van deze inrichting. Een nadere verantwoording voor he GR is niet noodzakelijk.

Het plangebied ligt binnen de 20 km zone van de kerncentrale Borssele. Dit is de zogenaamde

schuilzone, een zone waarbinnen geschuild moet worden in geval van een kernongeval. Dit heeft

geen ruimtelijke invloed op het bestemmingsplan.

Transport bronnen

In de nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes over spoor, water of in buisleidingen aanwezig waarover grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Nabij het plangebied zijn geen wegverkeersroutes aangewezen in het kader van de Regeling Basisnet. Het plangebied is daarnaast op meer dan 900 meter gelegen vanaf de 1e Deltaweg (N256). Een ruimtelijke ontwikkeling op een afstand groter dan 200 meter levert slechts een geringe bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico. Vanwege de grote afstand vormt deze verkeersroute dan ook geen belemmering voor de boogde ontwikkeling.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Ecologie

Toetsingskader

Wet natuurbescherming

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.


Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.


Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden:

  • Natuurnetwerk Nederland (NNN) en,
  • Natura 2000-gebieden.


De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.


Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in provincie Zeeland uitgewerkt in het Natuurnetwerk Zeeland. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.


Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb.


In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de "overig" beschermde soorten. Het betreft de soorten aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd.

Onderzoek

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Oosterschelde, is gelegen op ruim 1,2 km van het plangebied. Gezien de grote afstand en het feit dat slechts één woning mogelijk wordt gemaakt, heeft de ontwikkeling geen nadelige gevolgen voor het Natura 2000-gebied.

Ten behoeve van de ontwikkeling wordt geen bebouwing gesloopt en worden geen bomen gerooid. De gronden waarop de woning mogelijk wordt gemaakt zijn agrarisch en ongeschikt als verblijfsplaats voor beschermde soorten. De ontwikkeling heeft dan ook geen nadelige gevolgen voor beschermde soorten.

Vanwege de (mogelijke) aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om te werken buiten het broedseizoen. Op deze manier wordt overtreding van de Wnb voorkomen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.10 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Een nieuwe woning is volgens de Wet geluidhinder (Wgh) een nieuwe geluidgevoelige functie. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wgh geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden.

Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is noodzakelijk volgens de Wet geluidhinder (Wgh) indien de nieuwe woning binnen de geluidzone van een weg worden gerealiseerd. De woning is gelegen binnen de geluidzone van de Katse Groeneweg, de Veerhavenweg en de Zuidlangeweg.

Onderzoek

Gezien de ligging ten opzichte van deze wegen is akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. Als gevolg van het wegverkeer op de Veerhavenweg en op de Zuidlangeweg wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Dit geldt voor alle hoogtes.

Als gevolg van het wegverkeer op de Katse Groeneweg wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde licht

overschreden. De afstand tussen bouwgrens en de Lden = 48 dB contour bedraagt 1 meter op een hoogte van +1,5 meter (representatieve waarneemhoogte). Deze overschrijding speelt geen rol op het akoestisch woon- en leefklimaat, omdat de overschrijding tot 1 meter van de weg plaats vindt. In deze zone zal niet worden gebouwd. Bovendien is in de regels een beperking opgenomen dat woningen binnen een afstand van 5 meter tot de perceelgrens niet zijn toegestaan.

De woning kan worden gerealiseerd binnen de grenswaarden van de Wet geluidhinder. Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde Lden = 48 dB. Op basis hiervan is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Kabels en leidingen

Er zijn geen planologisch relevante hoogspanningsverbindingen of buisleidingen, aanwezig in en in de nabijheid van het plangebied. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.12 Verevening

Vereveningsopgave

Voor ruimte voor ruimtewoningen stelt de provincie eisen aan de noodzakelijke investering in omgevingskwaliteiten. Aan deze eisen dient te worden voldaan binnen het terrein van de woning dan wel binnen de gronden van de gemeente.

In paragraaf 3.2 wordt aan de randvoorwaarden getoetst.

Conclusie

In het plan als geheel wordt voldaan aan de vereveningsopgave, hier is in voorgaande hoofdstukken reeds op ingegaan.

4.13 Landschappelijke inpassing

Beleid

De provinciale richtlijn voor een goede landschappelijke inpassing betreft een zone met een breedte van 10 meter rond het terrein. Deze maat staat los van de eventuele bijdrage in verevening en waterberging.

Toetsing

De landschappelijke inpassing van de locatie is omschreven in 2.2.

Conclusie

De landschappelijke inpassing voldoet aan de randvoorwaarden.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de juridische regeling

5.1 Wettelijk kader

In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar.

Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.

5.2 Opzet van de bestemmingsregeling

Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) is het volgende van

belang.

5.2.1 Verbeelding

Uitgangspunt is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en bouwregels. De verbeelding is gekoppeld aan de regels van het bestemmingsplan, waarin regels worden gesteld ten aanzien van de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Bestemmingsvlak

Een bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan.

5.2.2 Regels

De regels zijn opgedeeld in hoofdstukken, volgens de bepalingen uit SBVP2012:

  • hoofdstuk 1 (inleidende regels): hierin worden de in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald;
  • hoofdstuk 2 (bestemmingsregels): hierin worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven;
  • hoofdstuk 3 (algemene regels): dit hoofdstuk bevat regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals algemene afwijkingsregels of wijzigingsbevoegdheden, de anti-dubbeltelbepaling etcetera;
  • hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregel): dit hoofdstuk geeft het overgangsrecht weer voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Tevens is de titel van het plan opgenomen.

De artikelen in hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn als volgt opgebouwd:

  • bestemmingsomschrijving: hier wordt aangegeven welk gebruik binnen de bestemming is toegestaan;
  • bouwregels: deze zijn onderverdeeld in de toelaatbaarheid van bouwwerken, bouwhoogte, oppervlakte en inhoud;
  • afwijken van de gebruiksregels: onder voorwaarden is ander gebruik, dan in de bestemmingsomschrijving is bedoeld, toegestaan;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden: beschreven wordt of voor het uitvoeren van specifieke werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning benodigd is. Het gaat dan bijvoorbeeld om het afgraven of ophogen van grond, werkzaamheden aan beschermde stoepen.

Niet ieder bestemmingsartikel hoeft al deze elementen te bevatten. Dat is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingsartikelen bevatten in ieder geval een bestemmingsomschrijving en bouwregels.

5.3 Gehanteerde bestemmingen

In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de gehanteerde bestemmingen en wat binnen deze bestemmingen is toegestaan met betrekking tot bouwen en gebruik.

Gemengd

De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor woningen en een landschapstuin, ook de verkoop van planten en ondersteunende horeca is toegestaan. Op de gronden mogen gebouwen, woningen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Waarde - Archeologie 2

Het gemeentelijk archeologiebeleid is geheel vertaald in het bestemmingsplan. Indien het oprichten van een bouwwerk kan leiden tot een onevenredige verstoring van archeologische waarden, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning. Daarnaast is een vergunningstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden die de grond roeren.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is bepaald dat in de toelichting op het bestemmingsplan in ieder geval 'de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan' moeten zijn opgenomen. Dit volgt uit artikel 3.1.6 Bro. Het gaat daarbij over de financiële uitvoerbaarheid, waaronder de vraag of voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om het plan te realiseren. De kosten voor de realisatie van de plannen komen voor rekening van de initiatiefnemer, die daarvoor de nodige middelen heeft gereserveerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro.

Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening worden ingezetenen van de gemeente en in de gemeente belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan betrokken.

Overleg ex artikel 3.1.1. Bro

Tijdens de termijn van ter inzagelegging wordt het ontwerpbestemmingsplan verstuurd voor het overleg ex artikel 3.1.1. Bro. Het bestemmingsplan wordt verstuurd naar:

  • provincie Zeeland;
  • Waterschap Scheldestromen;
  • Veiligheidsregio Zeeland.

Voorafgaand aan de terinzagelegging is de ontwikkeling reeds met de provincie Zeeland besproken.

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan 'Ruimte voor ruimte woning Katse Groeneweg 3' heeft met ingang van 9 april 2019 tot en met 22 mei 2019 voor iedereeen 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen op het ontwerpbestemmingsplan.

  • Het waterschap Scheldestromen heeft advies gegeven. Dit advies is toegevoegd aan dit bestemmingsplan, zie bijlage 2.

Vaststelling

Het bestemmingsplan 'Ruimte voor ruimte woning Katse Groeneweg 3' is in de raadvergadering van 4 juli 2019 vastgesteld. Het raadsbesluit inclusief raadsvoorstel is als bijlage bij het plan bijgevoegd.