direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Ruinerwold, deelplan Buddingewold
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1690.TAMOPH22gDijkRwld-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Aanleiding en doel

Op de percelen aan de Dijkhuizen 72 te Ruinerwold is een voormalige agrarische boerderij gevestigd. De achtergelegen gronden behorende tot de boerderij worden agrarisch verpacht door de eigenaar, die zelf geen agrarisch bedrijf meer heeft. Een collectief van inwoners uit Ruinerwold heeft als CPO het idee opgevat op deze achtergelegen gronden van ca. 7,1 hectare groot te herontwikkelen met woningbouw. De realisatie van woningbouw is strijdig met de agrarische bestemming op het perceel. Er zal daarom een wijziging van het omgevingsplan worden doorgevoerd.

1.1 Projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de Dijkhuizen te Ruinerwold. Het is hier gelegen achter de Dijkhuizen 72, aan de rand van de bebouwde kom. Het perceel staat kadastraal bekend als Ruinerwold, sectie M, nummer 1459.

Het projectgebied grenst aan de zuidzijde aan een ijsbaan, waarop ook evenementen worden georganiseerd. Ten westen van de locatie zijn de plaatselijke basisschool, dorpshuis en enkele sportverenigingen gevestigd. In afbeelding 1.1 is de ligging van de locatie ten opzichte van de kern van Ruinerwold aangeduid. Aan de Dijkhuizen zijn voornamelijk vrijstaande woonhuizen gelegen, waarvan een enkele met een bedrijf aan huis. Verder bestaat de omgeving voornamelijk uit agrarische gronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.TAMOPH22gDijkRwld-VG01_0001.png"

1.2 Het omgevingsplan

Ter plaatse van het projectgebied geldt het omgevingsplan van rechtswege onderdeel beheersverordening ‘Ruinerwold’, als vastgesteld d.d. 30 juni 2016, en voorbereidingsbesluit ‘Voorbereidingsbesluit hyperscale datacenters’. De beheersverordening ‘Ruinerwold’ is relevant voor de huidige planologische situatie. In de beheersverordening hebben de gronden de agrarische gebiedsbestemming. Verder geldt voor de gronden de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ ter bescherming van in de grond aanwezige archeologische waarden. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van de geldende beheersverordening opgenomen. Het projectgebied is indicatief met de rode contour aangegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.

In onderstaande afbeelding is de verbeelding van het vigerende omgevingsplan/beheersverordening opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.TAMOPH22gDijkRwld-VG01_0002.png"

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en voorgenomen activiteiten. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid en regelgeving. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. In hoofdstuk 5 worden de nieuwe regels beschreven. In hoofdstukken 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het project. Hoofdstuk 7 geeft de conclusie of er met de ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en voorgenomen activiteiten

2.1 Omschrijving van huidige situatie

In de twaalfde en dertiende eeuw worden de uitgestrekte veengebieden voor het eerst bewoond. Ontwikkelingen in landbouw- en ontginningentechnieken maakten het gebruik van sommige delen van de venen voor landbouw mogelijk, de bevolkingsdruk stimuleerde de uitbreidingen. Het eerst werden de laagvenen in het noorden en zuidwesten van Drenthe gekoloniseerd: de zogenaamde woldontginningen. De naam “wold” wijst op een bosachtige begroeiing. In een aantal gevallen namen kloosters het initiatief tot ontginningen, zoals in Ruinerwold.

Bebouwingspatroon

Met een duidelijk herkenbare lineaire structuur van de oorspronkelijke bebouwing is Ruinerwold duidelijk aan te merken als een wegdorp. Een belangrijk kenmerk van een wegdorp is de aanwezigheid van bebouwing aan één of twee zijden van de weg. Zo is bijvoorbeeld de bebouwing langs de Dr. Larijweg in Ruinerwold lang beperkt gebleven tot de hoge noordzijde van de weg. Naast dit onderscheid kunnen de wegdorpen in Zuidwest-Drenthe worden onderverdeeld in één- of twee-rijige wegdorpen. Voor Ruinerwold is een tweerijige structuur herkenbaar met de Dr. Larijweg en Dijkhuizen als structuurbepalende elementen. Verschillende panden kunnen hier door hun gave, typische dorpse bouwtrend als karakteristiek worden aangemerkt.

Van een echt centrum was rond de eeuwwisseling (1900) in de wegdorpen nog geen sprake. De voorzieningen lagen enigszins verspreid langs de linten. Ter plaatse van een dwarsverbinding trad er een verdichting in de bebouwing op. Het voormalig gemeentehuis (1903) van Ruinerwold is een voorbeeld van verdichting nabij een kruispunt. In de directe nabijheid vestigden zich destijds voorzieningen als winkels, ambachtsbedrijfjes, een school en een zuivelfabriekje.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft het dorp haar woonfunctie verstevigd door de ontwikkeling van enkele woonwijken. De woningbouw heeft zich eerst in verschillende fasen ten noorden van de Dijkhuizen ontwikkeld. Meer recentelijk is ook in het gebied ten zuiden van de Dijkhuizen woningbouw gerealiseerd. Verder is vanaf de jaren 70 aan de zuidwestzijde van het dorp het bedrijventerrein Hoge Akkers ontwikkeld.

Ligging projectgebied

Het projectgebied ligt aan de zuidzijde van de kern Ruinerwold. De ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving wordt bepaald door de van oorsprong agrarische bebouwingsstructuur langs de Dijkhuizen aan de noordzijde, agrarische cultuurgronden aan de oostzijde, de ijsbaan en eventemententerrein aan de zuidzijde en scholengemeenschap en sportverenigingen aan de westzijde.

De Dijkhuizen ten noorden, de aftakking van de Dijkhuizen in zuidelijke richting en de bestaande slotenstructuur zijn belangrijke ruimtelijke structuurdragers in de omgeving.

Het projectgebied zelf bestaat uit agrarische cultuurgronden met daar omheen enkele solitaire bomen en sloten. Hieronder wordt met een luchtfoto en een straatbeeld vanaf Dijkhuizen de huidige situatie in het projectgebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.TAMOPH22gDijkRwld-VG01_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.TAMOPH22gDijkRwld-VG01_0004.png"

2.2 Omschrijving van gewenste activiteiten

Zoals in hoofdstuk 1 reeds aangegeven is er vanuit een collectief van bewoners het initiatief ontstaan om woningbouw te realiseren op gronden achter de Dijkhuizen 72 te Ruinerwold. Zij hebben zich verenigd in een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). Gemeente De Wolden wil haar inwoners nu en in toekomst graag faciliteren in dergelijke woon initiatieven die passen binnen de woonvisie van de gemeente De Wolden.

In dit hoofdstuk worden de planuitgangspunten beschreven. Eerst wordt ingegaan op de ontwikkeling en vervolgens wordt aandacht besteed aan verkeersgeneratie, ontsluiting en parkeren.

Om te komen tot een definitief plan is er veelvuldig overleg geweest met de stedenbouwkundige van de gemeente De Wolden over de ruimtelijke inpassing van het plan. In een verdiepingsslag is hierbij gezocht naar een concept dat de nieuwbouw naadloos integreert in de bestaande context van Ruinerwold en past bij de traditionele bebouwingstypen. Typerend voor de agrarische bebouwing in Ruinerwold is bijvoorbeeld dat achter de statige boerderijen grotere schuurvolumes staan.

Het ontwerpend onderzoek heeft geleidt tot het voorliggende hoeveplan. De ruimtelijke opzet van het plan is gebaseerd op de massa van een agrarische schuur, die goed in het landschap is in te passen in aansluiting op de bestaande boerderij van de Dijkhuizen 72.

2.3 Toetsing (tijdelijk) omgevingsplan

De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

  • De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 11 woningen op gronden waar slechts de uitoefening van een agrarisch bedrijf is toegestaan.
  • Er is geen bouwvlak aanwezig die de realisatie van woonbebouwing toestaat.

2.4 Voorbereiding en participatie

Vanuit gemeente De Wolden is een projectteam ingericht om de planvorming en uitwerking van het plan te faciliteren. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Gelet op dat het plan onder deze nieuwe wetgeving in procedure wordt gebracht, heeft de gemeente De Wolden het project aangemerkt als pilot-project.

Participatie omgeving

Er hebben meerdere informatie- en inloopbijeekomsten plaatsgevonden waarbij omwonenden en geïntresseerden zijn geïnformeerd over de planvorming. Tevens is diverse malen gesproken met belanghebbenden als OBS De Dissel, bestuur van de ijsbaan en aangrenzende agrariër. De uitkomsten van deze bijeenkomsten en overleggen zijn integraal opgenomen in het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan. Zo is onder meer de positionering van de inrit afgestemd op de verkeerssituatie bij de school, zodat er sprake is van een veilige in- en uitrit. Tevens is besproken dat ten tijde van uitvoering leveranties van bijvoorbeeld bouwmaterialen en/of materieel plaatsvinden buiten haal- en brengtijden van de school.

Vooroverleg wettelijke overlegpartners

In het voortraject heeft reeds uitgebreid overleg plaatsgevonden met onder meer de Provincie Drenthe, Waterschap Drents Overijsselse Delta, Rendo. De uitkomsten van deze overleggen zijn integraal opgenomen in het stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan. Zo is de landschappelijke inpassing van het plan aangepast, de positionering en dimensionering van de duiker nader afgestemd en de herpositionering van de gasleiding in samenspraak met Rendo vormgegeven. Geconcludeerd wordt hiermee dat hiermee de belangen van de betreffende partijen zijn gediend en zijn enkele aanvullende voorwaarden meegenomen voor de verdere uitvoering van het plan.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt ingegaan op beleid van het Rijk, Provincie, Regio en gemeenten.

3.1 Rijksbeleid en regels

Nationale omgevingsvisie

Op 23 februari 2021 heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koningrijksrelaties de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. In de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;
  • Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio’s
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning of wijziging van het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels.

Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als:

  • a. De activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s;
  • b. De omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit);
  • c. De omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.

Hoofdonderwerpen waarvoor instructieregels gelden vanuit het Rijk. Let op! Per instructieregels is het toepassingsbereik bepaald. Daardoor kan het zijn dat een thema waarvoor het Bkl instructieregels bevat, niet geldt voor een specifieke activiteit.

  • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Conclusie

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 4 vrijstaande woonhuizen, 4 halfvrijstaande woningen en 3 rijwoningen. Het plan past binnen de uitgangspunten van de NOVI. Het plan voorziet in de actuele woonbehoefte, zie paragraaf 3.3.1 en 3.5.1. Bij het ontwerp van het plan is rekening gehouden met de kenmerken van het gebied en er is nadrukkelijk aandacht voor klimaatverandering.

Het plan is in overeenstemming met het Rijksbeleid.

3.2 Provinciaaal beleid en regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Drenthe is voor Drenthe is op 28 september 2022 vastgesteld door Provinciale Staten en vormt een centraal visiedocument. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein.

De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. In de komende jaren zullen er provinciaal een vijftal belangrijke ontwikkelingen gaan spelen:

  • de demografische ontwikkeling;
  • de klimaatverandering;
  • de afname van de biodiversiteit;
  • de transitie naar een kennis- en netwerkeconomie;
  • de transitie naar een duurzame energievoorziening.

De ruimtelijke kwaliteit van Drenthe is hoog en de ruimtelijke identiteit is herkenbaar en beleefbaar. Het tot dusver gevoerde ruimtelijk beleid heeft ertoe geleid dat ontwikkelingen altijd in samenhang met de ondergrond en met besef van de cultuurhistorie hebben plaatsgevonden. Er is evenwicht en onderscheid tussen stad en platteland, tussen rust en dynamiek, tussen historie en het heden. Het Drentsche landschap is rijk aan herinneringen aan vroegere bewoning, kent karakteristieke bebouwingspatronen, heeft hoge natuurwaarden en is beleefbaar. In Drenthe kan nog steeds openheid, rust, ruimte en duisternis worden ervaren. Deze aspecten worden in de rest van het land steeds zeldzamer en wordt door de samenleving steeds meer gewaardeerd.

Omdat niet alle kernkwaliteiten goed te duiden zijn in het fysiek-ruimtelijk domein, zijn ze vertaald naar indicatoren. Rust is vertaald naar stilte en duisternis. Ruimte staat voor de openheid van het landschap. De kernkwaliteit natuur is uitgewerkt in het kunnen beleven en benutten van de natuur die Drenthe rijk is en daarnaast het beschermen om de biodiversiteit in stand te houden en te versterken. Oorspronkelijkheid is concreet gemaakt in de kernkwaliteiten cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden. Veiligheid staat voor sociale, externe en verkeersveiligheid. De kernkwaliteiten naoberschap, menselijke maat en kleinschaligheid zijn lastig ruimtelijk te duiden, maar zijn meegenomen in de begrippen ‘leefbaarheid en ‘passend bij Drenthe’.

De verschillende kernkwaliteiten zijn de basis van de kernkwaliteit landschap. Er is immers een duidelijke relatie tussen de ondergrond, de historische ontwikkeling, leefbaarheid, ‘passend bij Drenthe’ en het landschap. Daar komt bij dat de gaafheid en de diversiteit van het Drentse landschap overal beleefbaar is binnen Drenthe. Daarmee vormt de kernkwaliteit landschap de kapstok voor de kernkwaliteiten.

Zorgvuldig ruimtegebruik

Ruimtelijke kwaliteit zit in het zorgvuldig gebruik maken van de ruimte en in het waarborgen van de kwaliteit van het milieu en de leefomgeving. Om zorgvuldig ruimtegebruik in Drenthe te stimuleren, wordt gestreefd naar het bundelen van wonen en werken. Verdichting gaat voor uitbreiding. Extra ruimte voor wonen is er in of aansluitend op het bestaande bebouwde gebied en gebundeld rond de regionale voorzieningen voor infrastructuur en openbaar vervoer. Uiteraard is het niet de bedoeling dat dit streven ten koste gaat van cultuurhistorisch waardevolle dorpskernen. In zulke situaties met de betrokken partijen gezocht naar een maatwerkoplossing.

Wonen

De woningnood in Nederland wordt ook gevoeld in Drenthe. De verschillen in bevolkingsontwikkeling tussen de stedelijke gebieden en het landelijk gebied worden groter, ondanks de stagnatie op de woningmarkt vanwege forse prijsstijgingen. Op basis van de huidige prognoses blijft de bevolking van Assen stabiel en profiteert de noordzijde van Drenthe van de groei van Groningen. De zuidelijke as laat in de prognoses een sterk verloop zien, van groei in de gemeente Meppel tot het doorzetten van de krimp die in de gemeente Emmen in 2014 is ingezet. De regio Oost-Drenthe is door het Rijk aangewezen als één van de regio’s waar de bevolkingskrimp in Nederland het sterkst is, maar deze laat zich vooralsnog niet vertalen in huishoudenskrimp. Lokaal laten, ook in Oost-Drenthe, sterke dorpen nog steeds bescheiden groeicijfers zien. Dit komt omdat huishoudens steeds kleiner worden, waardoor de krimp opgevangen wordt door de vraag naar woningen. Daarnaast is de inkomende migratie uit het buitenland hoger dan verwacht. Een steeds kleiner aanbod van woningen en de effecten van corona lijken de verwachte ontwikkeling te vertragen. Vraag en aanbod passen niet altijd goed meer bij elkaar, wat leidt tot een vraag naar nieuwe woningen. Dit terwijl een deel van de bestaande woningvoorraad in kwaliteit afneemt en huishoudens niet kunnen doorstromen naar passende woningen.

De autonome woningbouwopgave in Drenthe krijgt tot 2030 te maken met een daling van het aantal huishoudens, maar hier tegenover staat dat vanuit Groningen en Zwolle sprake is van een regionaal overkokende woningvraag die landt in de Drentse gemeenten. Per saldo betekent dit een woningbehoefte van ca. 10.000 tot 20.000 extra woningen tot en met 2030.

De ambities voor de woningmarkt zijn nader uitgewerkt in de Drentse Woonagenda. Daarnaast heeft de provincie subsidieregelingen om de bouw van meer woningen, wooninitiatieven en herstructurering van de woningvoorraad te stimuleren.

Ook biedt de provincie ruimte voor woningbouw ter vervanging van landschapsontsierende (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen met de ruimte-voor-ruimteregeling. Het beleid hiervoor is vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening. Bij eventuele aantasting van de kernkwaliteiten streeft men naar compensatie. In overleg met gemeenten en andere partners wordt hier verder invulling aan gegeven.

3.2.2 Instructieregels provincie (omgevingsverordening)

De Omgevingsverordening stelt in artikel 2.17 dat een ruimtelijk plan kan voorzien in nieuwe woningbouw mits de behoefte op basis van de gemeentelijke woonvisie kan worden aangetoond en aansluit bij bestaand stedelijk gebied. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad:

  • draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio’s;
  • benoemt tenminste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur;
  • schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad;
  • geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd;
  • geeft een lange termijn beeld.
3.2.3 Conclusie

Binnen het projectgebied wordt 11 grondgebonden woningen gerealiseerd. In paragraaf 4.1.3 (Toetsing Rijksbeleid/Ladder voor duurzame verstedelijking) is geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling is daarom in lijn met de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast is de realisatie van woningbouw op de beoogde plek een logische keuze gelet op de ligging grenzend aan het dorp, ontsluiting en stedenbouwkundige structuur. Middels een beeldkwaliteitsplan en landschappelijk inrichtingsplan wordt er gezorgd voor een passende overgang naar het omliggende landschap.

Er is dan ook geen sprake van strijd met provinciale belangen en/of kernkwaliteiten zoals genoemd in de Omgevingsvisie.

3.3 Regionaal beleid

De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang. Getoetst wordt daarom of het plan in overeenstemming is met regionaal beleid.

3.3.1 Regionale woonvisie Zuidwest Drenthe

In het kader van de regionale afstemming is met de buurgemeenten Hoogeveen, Westerveld en Meppel overleg gevoerd over het woningbouwprogramma. De uitkomst van de afstemming heeft geresulteerd in een regionale woonvisie. Het voorliggende woningbouwontwikkeling past in de regionale aantallen en het kwalitatieve programma tot 2026.

Op 30 oktober 2012 is de Regionale Woonvisie Zuidwest Drenthe, Groeimodel, deel I door het college van de gemeente de Wolden en de andere betrokken gemeenten vastgesteld. In het bestuurlijk afstemmingsoverleg RO/Wonen Zuidwest Drenthe van 21 december 2015 is de woningbehoefte voor Zuidwest Drenthe vastgesteld voor de periode 2016-2025. Deze woningbehoefte prognose is gebaseerd op de provinciale bevolkingsprognose 2015, vertaald naar de woningbehoefte in de regio Zuidwest Drenthe. De vastgestelde woningbehoefte geldt als kader voor de woningbouwontwikkeling in de regio en dient als uitgangspunt voor de actualisatie van het gemeentelijk woonbeleid voor de gemeenten binnen deze regio. Gelet op de aanwezige harde plancapaciteit in Zuidwest Drenthe, is de mogelijkheid aanwezig de woningbouwuitbreiding die dit omgevingsplan mogelijk maakt daaraan toe te voegen.

3.3.2 Conclusie

De realisatie van 11 woningen leidt niet tot verdringing of ongewenste concurrentie op regionale schaal. Het voornemen past binnen de regionale doelstellingen en het regionale beleid.

3.4 Beleid waterschap

3.4.1 Waterschapsverordening

Op grond van artikel 56 in combinatie met artikel 78 van de Waterschapswet stelt het waterschap verordeningen vast die het nodig oordeelt voor de behartiging van de opgedragen taken. De taken die aan waterschap worden opgedragen betreffen, volgens artikel 1 van de Waterschapswet, de zorg voor het watersysteem en zorg voor het zuiveren van afvalwater. Eventueel kunnen nog de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden worden opgedragen, bijvoorbeeld vaarwegbeheer.

Naast de Waterschapswet, die de organisatie van de waterschappen regelt, geven de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving allerlei bepalingen over de inhoud van het waterbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van doelstellingen en concrete normen.

Het projectgebied is gelegen binnen het beheergebied van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016 - 2021. Specifiek voor het gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in ‘Water Raakt!’. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten we in de samenwerking met de partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor onze primaire taakgebieden:

  • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water.
  • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water.
  • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water.
  • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater.

Bij ruimtelijke plannen adviseert het waterschap om te komen tot een duurzame ruimtelijke inrichting. Ruimtelijke aanpassingen kunnen bijdragen aan het voorkomen van een over-stroming of wateroverlast en het beperken van eventuele gevolgen.

Daarnaast gaat het ook om de bijdrage die inwoners, gemeenten, provincies en belangenorganisaties zelf kunnen leveren aan waterveiligheid. De betrokkenheid vanuit de samenleving bij de gewenste veiligheid is een belangrijk aandachtspunt in de planperiode.

Doelstellingen van het waterschap inzake ruimtelijke plannen is het beperken van de gevolgen van wateroverlast en overstromingen (overlast, schade en slachtoffers) en het vergroten van het bewustzijn van de (resterende) eigen verantwoordelijkheid van de inwoners, overheden en bedrijven.

Dit omgevingsplan zal geen negatieve gevolgen van wateroverlast en overstromingen veroorzaken. Voor dit plan is de digitale watertoets doorlopen en heeft vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. De uitkomst van deze toets en nadere uitwerking van het wateradvies, is aangegeven in paragraaf 4.10.

3.4.2 Conclusie

Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets en het voeren van vooroverleg. Zij geeft aan dat de waterhuishoudkundige belangen niet in het geding zijn. Wel merkt men op dat voor diverse (mogelijke) werkzaamheden met consequenties voor de waterhuishouding een vergunning nodig kan zijn. Dit zal worden meegenomen in het vervolgtraject.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Structuurvisie Samen aan zet! Toekomstvisie 2022-2040 van gemeente De Wolden

Gemeente De Wolden heeft op 27 oktober 2022 de “Samen aan zet! Toekomstvisie 2022-2040 van gemeente De Wolden” vastgesteld. Deze toekomstvisie verbindt het verleden, heden en de toekomst van De Wolden. Een van oorsprong jonge plattelandsgemeente, ontstaan uit een fusie van de gemeenten Ruinen, Ruinerwold, Zuidwolde en de Wijk. Deze structuurvisie is de opvolger van de structuurvisie die De Wolden in 2005 heeft gemaakt. De gemeenteraad heeft de opdracht gegeven om één integrale visie te maken, waarin de sociale en fysieke leefomgeving met elkaar verbonden zijn. Daarom wordt deze structuurvisie ook als omgevingsvisie gebruikt in het kader van de Omgevingswet.

De ambitie van de gemeente is dat in 2040 elke inwoner passende woonruimte kan vinden in De Wolden. Het groeiend aantal huishoudens draagt bij aan de draagkracht van voorzieningen en het sociale vangnet van oudere inwoners. We hebben invulling gegeven aan de opgaven om woningen energieneutraal, klimaatadaptief en levensloopbestendig te maken, zodat er ook in de toekomst kan worden voldaan aan de vraag naar passende woonruimte.

De Wolden is het groene hart van de regio waar het prettig en ruim wonen is. Deze kwaliteit wil men uitdragen in de regio en daarbuiten. Om de gevolgen van vergrijzing het hoofd te bieden en de kwaliteit en kwantiteit van het voorzieningenniveau te verhogen, wil de gemeente meer (jonge) mensen uit de regio aan de gemeente verbinden. In samenwerking met de Regio Zwolle wil de gemeente een bijdrage leveren aan de woningbouwopgave van de regio en zetten we in op groei van het aantal woningen. Hierbij ziet men nieuwbouw als een flexibele opgave die meebeweegt met de tijd. Daarbij zet men in op beheerste uitbreiding van de kleine dorpen en grootschalige uitbreiding (extra groei) van de kerndorpen.

Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende ambities van de gemeente De Wolden van belang:

  • In de kerndorpen (Zuidwolde, de Wijk, Ruinen, Ruinerwold en Koekange) en in Alteveer-Kerkenveld willen we uitbreiding toestaan (in de Woon(zorg)visie De Wolden is deze ambitie geactualiseerd en vastgelegd dat uitbreiding in alle kernen wenselijk is);
  • In de kerndorpen wordt uitbreiding actief gestimuleerd, ook als de behoefte niet uit het eigen dorp komt;
  • Bij uitbreiding bouwen we bij voorkeur aansluitend aan de bestaande dorpen;
  • Nieuwe ontwikkelingen passen binnen de aard en de schaal van het landschap en laten zich inspireren door de cultuurhistorie van het gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt;
  • Nieuwe woningbouwinitiatieven worden zoveel mogelijk klimaatadaptief ingericht.
  • We besteden hierbij aandacht aan het leefklimaat in en rond de woningen;
  • We stimuleren initiatieven die gebruik maken van circulaire bouwmaterialen;
  • Als gemeente stimuleren we woningbouwinitiatieven die vanuit de samenleving ontstaan. Denk hierbij ook aan collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO).
3.5.2 Woon(zorg)visie De Wolden

De woningmarkt is voortdurend in beweging. Veranderingen in wet- en regelgeving hebben invloed op vraag en aanbod op de woningmarkt. De Woon(zorg)visie 2023-2027 geeft een overzicht van de belangrijkste uitdagingen voor onze gemeente op het gebied van vergrijzing, woningbouw en duurzaamheid. Met dit woonbeleid werken we aan een veelzijdig woonaanbod in De Wolden voor onze huidige inwoners, nieuwe inwoners en andere doelgroepen.

De gemeente De Wolden werkt de komende vier jaar aan de woningbouwopgave middels de volgende zes ambities;

  • 1. Met nieuwbouw bijdragen aan de veranderende woningbehoefte
  • 2. Een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad
  • 3. Wonen en zorg
  • 4. Betaalbaar wonen
  • 5. Leefbare wijken en dorpen
  • 6. Huisvesting aandachtsgroepen op orde

De ambities 1, 2, 4 en 5 zijn daarbij relevant voor onderhavige ontwikkeling. Per ambitie wordt hieronder kort uitgelicht hoe deze ambities zich verhoudt tot voorgenomen ontwikkeling:

1) De gemeente wil ook ruimte creëren voor bijzondere en nieuwe woonvormen. Woonvormen waar jong en oud samenkomen worden gestimuleerd omdat ze bijdragen aan de ontmoeting en ook zorg voor elkaar, wat in deze vergrijzende en ontgroenende regio van belang is. Ook wil minimaal 100 woningen realiseren in bijzondere woonvormen, denk hierbij aan collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO). Onderhavige initiatief is opgepakt door een collectief van inwoners van Ruinerwold, dat zich heeft verenigd in een CPO. Dit past uitermate goed bij de ambitie van de gemeente De Wolden voor het faciliteren van initiatieven uit de samenleving. Doordat het merendeel van de initiatiefnemers woonachtig is in Ruinerwold, zorgt het initiatief ook voor de nodige doorstroming in de bestaande woningvoorraad.

Daarnaast dienen alle vrijstaande en dure koopwoningen die worden toegevoegd in de gemeente De Wolden levensloopbestendig zijn. Dit initiatief bevat 3 vrijstaande huizen, die hierin zullen voorzien.

2) Alle nieuwbouw moet voldoen aan de duurzaamheidsambities zoals we die in ons Actieplan Klimaat en Energie hebben geformuleerd. In 2040 is gemeente De Wolden volledig energieneutraal en klimaatadaptief ingericht. Dit heeft effect op de nog te bouwen woningen. De gemeente wil dat deze zoveel mogelijk circulair zijn en klimaatadaptief gebouwd worden. In het stedenbouwkundig plan is nauwgezet rekening gehouden duurzaamheid. Zo is de orientatie van de woningen onder meer gebaseerd op de richting van het dakvlak ten behoeve van zonnepanelen. Woningen met een minder gunstige orientatie zijn voorzien van een tegenliggend dakvlak, zodat ook deze woningen voorzien kunnen worden van zonnepanelen. Daarnaast wordt in de erfirnrichting een minimale oppervlakte aan verharding gerealiseerd. Vanzelfsprekend zullen de woningen zonder gasaansluiting worden gerealiseerd en voldoen ze aan de BENG-eisen, zoals is vastgelegd in het bouwbesluit.

4) De gemeente De Wolden streeft ernaar voor iedereen een betaalbaar en passend woningaanbod te realiseren, zodat het voor alle Woldenaren en nieuwkomers prettig wonen is in De Wolden. In de woon(zorg)visie is het volgende opgenomen over de gewenste aantallen:

In Ruinerwold kunnen 123 tot 164 woningen worden toegevoegd met de volgende verdeling:

  • minimaal 20 tot 25% sociale huurwoningen;
  • minimaal 20 tot 25% betaalbare koopwoningen tot € 275.000;
  • minimaal 20 tot 25% middeldure koopwoningen tussen € 275.000 en € 405.000;
  • maximaal 10 tot 14% dure koopwoningen vanaf € 405.000.

Dit programma is gemeente breed. Per project kan van deze programmering afgeweken worden, zolang het totale aantal nieuwbouwwoningen past binnen deze segmentering.

De planvorming van het voorliggende plan liep al ver voordat de nieuwe woonvisie is vastgesteld. Voor vaststelling van de Woon(zorg)visie waren daarom reeds afspraken gemaakt over het te realiseren programma voor 4 vrijstaande woningen, 4 halfvrijstaande woningen en 3 rijwoningen. Om het plan dichterbij de uitgangspunten van de woon(zorg)visie te brengen is ervoor gekozen om 3 vrijstaande woonhuizen aan het hogere segment, een vrijstaande woning en 4 twee-onder-een-kap woningen aan het middensegment en 3 rijwoningen voor het betaalbare/starters segment toe te kennen. Er ontstaat daarmee een exploitabel plan dat past bij de geest van de woon(zorg)visie van de gemeente De Wolden, waarbij er woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd voor elk segment.

5) Met woningbouw verspreid over de kerndorpen en kleine kernen wil men het draagvlak voor de voorzieningen richting de toekomst versterken. Voor meerdere doelgroepen waaronder ouderen is het prettig om nabij voorzieningen zoals een supermarkt, zorg- en welzijnsinstellingen en ontmoetingsplekken te wonen. Gezinnen hebben de behoefte om nabij kinderopvang en een school te wonen, maar vraag en aanbod moeten hiervoor op elkaar zijn afgestemd. Vanwege de ontgroening in de verschillende kernen vinden wij het belangrijk om aandacht te hebben voor de huisvesting van starters en gezinnen - lokaal én van buiten De Wolden - binnen alle kernen. Dankzij de mix van woningtypologiën die in het plan zijn opgenomen worden meerdere doelgroepen bedient. Daarnaast is het projectgebied gelegen nabij diverse voorzieningen, zoals een school, dorpshuis en sportverenigingen. De nieuwe bewoners zullen gebruik gaan maken van deze voorzieningen, zodat deze ook voor de toekomst behouden kunnen blijven.

3.5.3 Landschappelijk ontwikkelingskader

De gemeenteraad stelde op 2 november 2012 het Landschappelijk Ontwikkelingskader (LOK) voor de Wolden vast. De reden hiervoor is dat het landschap als één van de belangrijkste kwaliteiten van de gemeente wordt beschouwd. Nieuwe ontwikkelingen dienen zich in het landschap te voegen en hier waar mogelijk een bijdrage aan te leveren. Andersom bieden nieuwe ontwikkelingen ook kansen om landschappelijke kwaliteiten terug te brengen die zijn verdwenen. Uitgangspunten van het LOK zijn dan ook:

  • het behouden en versterken van de landschappelijke kenmerken binnen de gemeente en daarmee ook het versterken van de landschappelijke verschillen in de gemeente;
  • het verenigen van nieuwe ontwikkelingen en bestaande kwaliteiten op een landschappelijk verantwoorde manier, met als doel meerwaarde te creëren voor de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit;
  • het op een landschappelijk verantwoorde manier verankeren van de dorpen en de ontwikkelingen bij de dorpen in de omgeving.

Rondom de dorpen worden op landschappelijk gebied vooral kleinschalige veranderingen voorzien, zoals woningbouw op beperkte schaal. De meeste verandering wordt voorzien in het landelijk gebied in het licht van bedrijfsverbreding, vergroting of functieverandering.

Kenmerken laagveen ontginningen

Van oudsher hadden de laagveengebieden een besloten karakter door de vele elzensingels op de perceelsgrenzen. Door schaalvergroting in de landbouw en de wens om de gronden efficiënter te benutten zijn in de omgeving van Ruinerwold elzensingels weggehaald. Bovendien zijn door ruilverkavelingen gronden samengevoegd. De gemeente geeft in het LOK aan dat nieuwe ontwikkelingen de opstrekkende verkaveling weer dienen te accentueren.

Andere kenmerken rondom Ruinerwold zijn:

  • Wegdorpen als ontginningsas met Ruinerwold als bijzonder dubbellint
  • Langgerekte slagenverkaveling loodrecht op deze assen (opstrekkend, smal, recht)
  • Verkaveling tot aan de Woldse Aa
  • Sloten als perceelscheiding in regelmatig patroon
  • Deels verdwenen bosstroken en singelbeplanting op perceelsgrenzen (met els, eik, hulst), daar waar de beplanting nog aanwezig is is het landschap kleinschalig en besloten, daar waar zij verdwenen is, is het landschap open.
  • Dorp en landschap loopt in elkaar over, zachte randen
  • Uitzondering is de harde rand van bedrijventerrein Hoge Akkers.

Het plan voorziet in de realisatie van 11 woningen in een collectief particulier opdrachtgeversschap (CPO). De ontwikkeling van nieuwe woningen aan de rand van Ruinerwold was al voorzien in de Structuurvisie en in de toekomstvisie, zie hiervoor paragraaf 3.5.1 'Samen aan zet! Toekomstvisie 2022-2040, overgenomen. Met de stedenbouwkundige opzet van de wijk heeft een analyse van het landschap en de cultuurhistorie plaatsgevonden. De uitgebreide analyse is opgenomen in Bijlage 1 bij de regels.

Het uitgangspunt bij de ontwikkeling van een plan met het behoudt van de bestaande verkavelingsstructuur geweest. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de rechte lijnen die voorkomen in het landschap, evenals de bebouwingstypologieen. Langs de randen van het plangebied en langs de bestaande sloot ten oosten van het plangebied wordt opgaande inheemse beplanting aangebracht.

Hiermee ontstaat een groene afscherming, wat tevens zorgt voor een zachte overgang van bebouwing naar open buitengebied.

Het erf aan de Dijkhuizen 72 zal als zijnde een voormalige agrarisch erf worden herontwikkeld. Voor de landschappelijke inpassing van dit erf is een inrichtingsplan opgesteld. Dit plan is opgenomen in het beeldkwaliteitsplan onder Bijlage 1 bij de regels. Hierbij is veel aandacht voor de inpassing van het nieuwe erf in het landschap, de relatie met de omgeving en de context van het perceel. Groene inpassing en beplanting langs de erfranden zorgen voor een zachte overgang tussen erf en omliggend landschap.

Het voorgenomen plan legt een duidelijke relatie tussen dorp en landschap en bijbehorende bebouwingstypologie. Daarmee sluit het aan op het doel van het LOK om nieuwe ontwikkelingen onderdeel te laten worden van het landschap.

3.5.4 Welstandsnota

In de gemeente De Wolden bestaat de bestuurlijke wens tot deregulering en om meer verantwoordelijkheid bij de burger neer te leggen. Deze wens heeft er toe geleid dat in de raadsvergadering van 13 december 2012 de raad besloten heeft tot het welstandsvrij verklaren van grote gebieden van de gemeente. Daarmee heeft de gemeenteraad het vertrouwen in de burger uitgesproken dat hij/zij de verantwoordelijkheid aan kan om op een juiste wijze met de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente De Wolden om te gaan

Het projectgebied is op de kaart behorende bij de welstandnota 2013 aangewezen als welstandsvrij gebied. In de welstandsvrije gebieden wordt niet getoetst aan welstand en daarom is in deze gebieden ook geen excessenregeling van toepassing.

Vanwege de ligging van het projectgebied aan de rand van Ruinerwold en de bijbehorende cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, verdient het de voorkeur om voor deze nieuwe bebouwing specifieke eisen voor de beeldkwaliteit op te stellen. Voor de ontwikkeling is daarom door B+O Architectuur en Stedebouw een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Om de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe bebouwing goed op lokale karakteristiek aan te laten sluiten zijn de geldende welstandsnota en het Landschappelijke OntwikkelingsKader (LOK) als uitgangspunt genomen en daar waar nodig aangescherpt.

Het beeldkwaliteitsplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld als toevoeging op de welstandsnota en is tevens als Bijlage 1 bij voorliggend plan opgenomen.

In het beeldkwaliteitsplan zijn diverse ruimtelijk structurerende elementen van het plan beschreven. De situering van de gebouwen komt voort uit de functies en activiteiten die in het plan zijn vastgelegd. Daarnaast zijn in het beeldkwaliteitsplan uitgangspunten/criteria voor de vormgeving, detaillering, kleuren en materialen van de gebouwen en bijgebouwen geformuleerd. Tot slot gaat het plan in op de landschappelijke elementen en groenstructuur in het projectgebied.

3.5.5 Conclusie

Voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 11 grondgebonden woningen, middels een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). Het projectgebied grenst aan het bestaande dorp en valt binnen de contour van de beheersverordening Ruinerwold.

Met het vaststellen van de Toekomstvisie 2022-2040 ' Samen aan zet!' is de voormalige structuurvisie De Wolden (2011) komen te vervallen. Met de Toekomstvisie zijn de uitbreidingslocaties zoals waren opgenomen in de structuurvisie overgenomen.

De planmatige uitbreidingsrichtingen voor woningbouw in de vijf kerndorpen zijn op een visiekaart gezet. De visiekaart voor Ruinerwold is hieronder weergegeven in afbeelding 5. Hierop zijn vier uitbreidingsrichtingen te zien, waarbij duidelijk is dat ter plaatse van het plangebied een uitbreiding van de kern is voorzien (de middelste ster). De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de uitbreidingslocaties zoals opgenomen in de Toekomstvisie 2022-2040.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.TAMOPH22gDijkRwld-VG01_0005.png"

De ontwikkeling is opgezet naar de aard en schaal van het landschap en refereert naar de agrarische bebouwingstypologie die in het gebied van oudsher terug te vinden is. Het voorgenomen plan legt een duidelijke relatie tussen dorp en landschap en bijbehorende bebouwingstypologie. Daarmee sluit het aan op het doel van het LOK om nieuwe ontwikkelingen onderdeel te laten worden van het landschap. Tevens wordt het stedenbouwkundig plan, inrichtingsplan en de bijbehorende beeldkwaliteit vastgelegd in het Beeldkwaliteitsplan Buddingewold Ruinerwold, als Bijlage 1 van de regels.

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de ambities zoals door de gemeente De Wolden beschreven in de Toekomstvisie 2022-2040, Woon(zorg)visie, Welstandsnota en Landschaps Ontwikkelingskader.

Hoofdstuk 4 Fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving als bedoeld onder artikel 1.2 van de Omgevingswet en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

4.1 Stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische waarden

Stedenbouwkundige kwaliteit is de kwaliteit van de gebouwde omgeving en de openbare ruimte. Deze kwaliteit heeft onder andere invloed op de herkenbaarheid en het gebruik van een gebied. Hij wordt beïnvloed door (maatschappelijke) ontwikkelingen als de druk op de woningmarkt, verdichting van stedelijke gebieden en energietransitie.De beoordeling van de stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. De waardering van een stedenbouwkundige omgeving wordt onder andere bepaald door:

  • De maat en schaal van de bebouwing
  • Afwisseling tussen bebouwd en onbebouwd
  • Herkenbaarheid door duidelijke routes en herkenningspunten
  • Benutten van cultuurhistorische waarden
  • Voldoende groen
  • MateriaalgebruikAl deze elementen dragen bij aan de belevings- en gebruikswaarde, en daarmee de stedenbouwkundige kwaliteit van een gebied. Ook het voorkomen van leegstand en verloedering zorgt ervoor dat de kwaliteit van gebied behouden blijft. De stedenbouwkundige kwaliteit heeft een duidelijke relatie met andere omgevingsthema's zoals cultureel erfgoed en duurzame verstedelijking. Hieronder zal worden ingegaan op de verschillende thema’s.
4.1.1 Ruimtelijke kwaliteit/omgevingskwaliteit

Het plan is opgebouwd uit 1 hoofdvolume van een agrarische schuur, met een relatief lage goothoogte en een flauw hellend schilddak. Deze grote massa is vervolgens opgedeeld in kleinere eenheden, ter grootte van gezinswoningen. Door meer of minder massa uit het volume te ‘snijden’ ontstaat een afwisseling van kleinere en grotere massa’s aan bebouwing. Dit zijn de verschillende woningtypen van 5 vrijstaande woonhuizen, een twee-onder-een-kap volume en een rij van 3 woningen. Doordat alle woningen uit hetzelfde hoofdvolume zijn ‘gesneden’, delen de woningen hetzelfde dakvlak en buitenste rooilijn en ontstaat er eenvormingheid als ensemble.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.TAMOPH22gDijkRwld-VG01_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.TAMOPH22gDijkRwld-VG01_0007.png"

Om verfijning in het plan aan te brengen zijn aan- en bijgebouwen als onderdeel van de woonvolumes ontworpen, waarbij (zolang de buitenste rooilijn gerespecteerd wordt) verspringingen in de volumes mogelijk zijn. De goothoogte in de buitenste gevellijn is lager om een natuurlijke overgang en verschijningsvorm te bewerkstelligen. Om repetitieve vormen te vermijden en het bebouwingsbeeld te diversificeren, hebben sommige woningen een dakvlak in twee richtingen. Een in hoogte verspringende nok versterkt dit beeld. Ook dragen de tegenliggende dakvlakken bij aan een gunstige oriëntatie voor zonnepanelen.

Vanwege de eenduidige hoofdopzet ontstaat een sterk herkenbaar ensemble. Dankzij zorgvuldig nuances en afwijkingen toe te passen wordt het geheel architectonisch naar een hoger plan gebracht.

4.1.2 Beeldkwaliteit/architectuur/Welstand

Vanwege de ligging van het projectgebied aan de rand van Ruinerwold en de bijbehorende cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, verdient het de voorkeur om voor deze nieuwe bebouwing specifieke eisen voor de beeldkwaliteit op te stellen. Voor de ontwikkeling is daarom door B+O Architectuur en Stedenbouw een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Om de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe bebouwing goed op lokale karakteristiek aan te laten sluiten zijn de geldende welstandsnota en het Landschappelijke OntwikkelingsKader (LOK) als uitgangspunt genomen en daar waar nodig aangescherpt.

Het beeldkwaliteitsplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld als toevoeging op de welstandsnota en is tevens als Bijlage 1 bij voorliggend omgevingsplan opgenomen.

In het beeldkwaliteitsplan zijn diverse ruimtelijk structurerende elementen van het plan beschreven. De situering van de gebouwen komt voort uit de bestemmingen en bouwvlakken die in het plan zijn vastgelegd. Daarnaast zijn in het beeldkwaliteitsplan uitgangspunten/criteria voor de vormgeving, detaillering, kleuren en materialen van de gebouwen en bijgebouwen geformuleerd. Tot slot gaat het plan in op de landschappelijke elementen en groenstructuur in het projectgebied.

Het volledige beeldkwaliteitsplan is opgenomen in Bijlage 1 van de regels van dit Omgevingsplan.

4.1.3 Laddertoets

Onder de Omgevingswet is in het Bkl de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven:

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
  • 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
    • a. De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
    • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied nie gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
    • a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
    • b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
  • 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat het toevoegen van 12 of meer woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is.

Het voorliggende plan voorziet in de realisatie van 11 grondgebonden rijwoningen. Aangezien sprake is van de ontwikkeling van minder dan 12 woningen, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling is daarom niet ladderplichtig. Geconcludeerd wordt dat binnen het projectgebied nationale belangen geen rol spelen.

4.1.4 Cultureel erfgoed

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen.

Het projectgebied ligt aan de zuidzijde van de kern Ruinerwold. De ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving wordt bepaald door de van oorsprong agrarische bebouwingsstructuur langs de Dijkhuizen aan de noordzijde, agrarische cultuurgronden aan de oostzijde, de ijsbaan en eventemententerrein aan de zuidzijde en scholengemeenschap en sportverenigingen aan de westzijde.

De Dijkhuizen ten noorden, de aftakking van de Dijkhuizen in zuidelijke richting en de bestaande slotenstructuur zijn belangrijke ruimtelijke structuurdragers in de omgeving.

Het projectgebied zelf bestaat uit agrarische cultuurgronden met daar omheen enkele solitaire bomen en sloten. In de directe omgeving van het projectgebied ligt een aantal rijksmonumenten en cultuurhistorisch waardevolle panden. In het projectgebied zelf zijn geen waardevolle elementen of structuren en beschermde cultuurhistorische waarden aangegeven.

Zoals is opgenomen in paragraaf 4.1.1 en 4.1.2 is het stedenbouwkundig plan volledig gebaseerd op de cultuurhistorische agrarische kenmerken van de plek. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling passend bij de cultuurhistorische waarden in het gebied. Er is geen sprake van de aantasting van cultuurhistorische waarden.

4.1.5 Archeologie

Archeologische bescherming zorgt ervoor dat archeologische waarden van gronden worden behouden en beschermd. In de regels horende bij dit Omgevingsplan wordt de bescherming en het gebruik verder geregeld. Voor het grondgebied van onze gemeente is de archeologische beleidskaart van belang. In deze paragraaf dient beschreven te worden in welke mate sprake is van een archeologische verwachting en of er archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden.

In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudens waardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Op basis van het vigerende omgevingsplan/beheersverordening is door Laagland Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat eventueel aanwezige archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad door de geplande bouwactiviteiten.

Het projectgebied is momenteel in gebruik als grasland. Het terrein bevat voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse kunstwerken en er zijn geen historisch waardevolle bouwwerken in het projectgebied aanwezig. Er zullen meerdere woningen in het projectgebied worden gebouwd. In dit stadium is de exacte invulling van de plannen nog niet bekend. De milieutechnische condities, huidige en eventuele nieuwe waterpeil en of en zo ja wie de toekomstige gebruiker(s) wordt/worden zijn in dit stadium evenmin bekend. De ingrepen vinden plaats binnen het projectgebied. De diepte van de geplande verstoring reikt vermoedelijk overwegend niet dieper dan ongeveer 100 cm –mv. Rioleringsbuizen kunnen dieper aangelegd worden.

Op basis van de inventarisatie kan het volgende geconcludeerd worden. Het projectgebied ligt in het Drentse Zandgebied. Op de paleogeografische kaart is te zien dat het projectgebied en haar omgeving tussen 5500 voor Chr. en 3850 voor Chr. bedekt raakt met veen. Tussen 800 en 1500 na Chr. verdwijnt het veen in de noordwestzijde van het projectgebied. Tussen 1500 en 1850 na Chr. is al het veen in en rondom het projectgebied verdwenen. Op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart ligt het projectgebied in een dekzandvlakte, al dan niet vervlakt door veen en/of een overstromingsdal. Op het AHN, zie Bijlage 4 is te zien dat de bebouwing ten noorden van het projectgebied hoger ligt dan het projectgebied en haar directe omgeving. Verder is te zien dat het projectgebied iets lager ligt dan haar directe omgeving en dat er een verhoging is in het zuidwestelijke deel van het projectgebied en een verlaging in het oostelijke deel. Bodemkundig ligt het gebied in een zone met veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand. In de omgeving van het projectgebied zijn geen archeologische resten bekend. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein omschreven als weiland met in de zuidwestelijke hoek nog een perceeltje ‘hakbosch’. Tegen de zuidzijde van het projectgebied lag een woning met tuin. Rond 1935 is de woning tegen de zuidzijde van het projectgebied verdwenen en is een woning gebouwd ten noorden van het projectgebied. Rond 1975 wordt tegen de westzijde van het projectgebied een sportveld aangelegd en rond 2006 wordt ten zuiden van het projectgebied een (openlucht) ijsbaan aangelegd.

Aangezien de specifieke bodemopbouw in het projectgebied niet bekend is, is verkennend onderzoek in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode. Het veldonderzoek bestond uit het zetten van zes verkennende boringen. Verkennend booronderzoek is een snelle en kostenefficiënte onderzoeksmethode om de archeologische potentie van een projectgebied in kaart te brengen. In de meeste boringen is sprake van een tot in de C-horizont verstoord bodemprofiel. De E- en B-horizont zijn nergens waargenomen. In één boring is nog een deel van een BC-horizont aanwezig (boring 6) en in een andere boring (boring 1) is de top van de C-horizont vermoedelijke nog grotendeels intact. In de overige boringen reikt de verstoring tot in de C-horizont. Op grond van de aangetroffen bodemopbouw kan de archeologische verwachting voor alle perioden worden bijgesteld naar ‘laag’.

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het projectgebied archeologische sporen bevat. Eventuele resten van (diepere) grondsporen zijn niet uit te sluiten. De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Om deze reden wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het projectgebied vrij te geven. Daarnaast hoeft in het omgevingsplan geen aanduiding omtrent archeologie te worden opgenomen. Een en ander brengt met zich mee dat het aspect Archeologie geen belemmeringen geeft voor de uitvoerbaarheid dit plan.

4.1.6 Conclusie

Gelet op voorgaande kan worden geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening houdt met de omgevingskwaliteit, beeldkwaliteit, cultuurhistorie en archeologisch waarden en dat nationale belangen niet in het geding zijn.

4.2 Gezondheid

Binnen de Omgevingswet heeft het beschermen en bevorderen van de gezondheid een plek gekregen. Artikel 2.1 van de Omgevingswet geeft aan dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Hierdoor zal bij elke ruimtelijke keuze worden beoordeeld wat dit doet met de gezondheid van de mens. Afdeling 2.2 van het Bkl gaat over de omgevingswaarden beschermen van de gezondheid en het milieu. Milieueisen worden gesteld om de kwaliteit van het milieu te beschermen. Met het beschermen van de kwaliteit van milieu wordt tevens de gezonde leefomgeving beschermd.

De gemeente kan naast gezondheidsbescherming ook het belang gezondheidsbevordering meewegen. De fysieke leefomgeving kan positieve gezondheidseffecten hebben als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten.

Gemeente De Wolden in september 2021 de Nota Volksgezondheid vastgesteld. In de Nota Volksgezondheid 2022-2025 staan de speerpunten van de gemeente beschreven op het gebied van de volksgezondheid. De gemeente gaat sterker inzetten op Positieve Gezondheid, gezond opgroeien, gezond ouder worden en op een gezondere leefomgeving. Daar valt winst op te behalen. Het doel is gezondheidswinst voor alle inwoners van De Wolden, zodat iedereen in de gemeente gezond kan leven.

4.2.1 Conclusie

De omgeving waarin mensen wonen, werken en leven heeft invloed op hun gezondheid. Dit geldt voor zowel de sociale omgeving als de fysieke omgeving. Voor de ruimtelijke omgevingsaspecten wordt telkens de afweging gemaakt of er sprake is van een gezonde leefomgeving. Tevens is woongenot is een belangrijke factor als het gaat om de gezondheid en het welbevinden.

Met het oog op de fysieke leefomgeving is de beoogde ontwikkeling gesitueerd in een landelijke omgeving en gedeeltelijk gelegen binnen 50 meter van gronden met een agrarische bestemming. Om risico’s voor de gezondheid van omwonenden zoveel mogelijk te beperken en om te voorkomen dat de omliggende agrarische bedrijven beperkt worden in hun bedrijfsvoering, moet er op grond van rechterlijke uitspraken afstand aangehouden worden tussen percelen met gevoelige functies (zoals wonen) en agrarische percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Voor onderhavige situatie is het – vanwege de beperkte oppervlakte van het perceel - niet mogelijk een zone van 50 meter in het projectgebied vrij te houden van woningen en/of tuinen. Er zijn daarom concrete afspraken vastgelegd met het merendeel van de eigenaren van de aangrenzende agrarische gronden. Deze afspraken omvatten dat er een aanduiding ‘‘overige zone – spuitzone’ wordt opgenomen in het onderhavige omgevingsplan voor de strook van 50 meter breed direct grenzend aan het plangebied op gronden in hun eigendom. Met

één eigenaar zijn geen bindende afspraken gemaakt. Voor alle percelen geldt dat de spuitvrije zone publiekrechtelijk is verankerd in het omgevingsplan. Daarmee is uitgesloten dat de agrarische bedrijfsactiviteiten een risico vormen voor de gezondheid in het projectgebied.

Met het oog op de sociale binding vormt het Collectief Particulier Opdrachtgeversschap een unieke basis voor de 11 toekomstige huishoudens. Anders dan bij een traditionele ontwikkelaar vindt besluitvorming voor het merendeel plaats in gezamenlijkheid met alle huishoudens. Daarnaast wordt in het hart van het plan ruimte gereserveerd voor een gemeenschappelijk en groen woonerf, naast dat alle woningen worden voorzien van privetuinen. De sociale omgeving draagt in die zin bij aan een gezonde leefomgeving.

Geconcludeerd wordt dat het aspect gezondheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Geluid

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels waaraan de direct werkende regels in het omgevingsplan moeten voldoen. Deze regels zijn nodig voor het bereiken van de gewenste geluidkwaliteit. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. Hiermee wordt gestreefd naar een aanvaardbaar geluidniveau op geluidgevoelige gebouwen.

4.3.1 Wegverkeerlawaai

4.3.1.1 Onderzoek

Onderhavige onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van het wegverkeer over de Dijkhuizen. Wat betreft het wegverkeerslawaai ten gevolge van de hoofdweg Dijkhuizen, aan de voorzijde van Dijkhuizen 72, zal naar verwachting aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden worden voldaan. Ook gezien de afstand tot het achtererf van circa 90 meter. Voor de toegangsweg naar de onderwijs- en sportfaciliteiten is het zeer aannemelijk dat deze uitsluitend gebruikt wordt door verkeer van en naar de aanliggende onderwijs- en sportfaciliteiten. Derhalve zal het verkeersaanbod over deze weg laag zijn en voornamelijk in de dagperiode en deels in de avondperiode plaatsvinden.

4.3.1.2 Conclusie

Gezien de afstand van circa 10 tot 12 meter tussen de rand van de weg en het perceel, en uitgaande van tenminste 5 meter voortuin, hoeft geen extra afstand in acht te worden genomen om aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden te voldoen.

4.3.2 Industrielawaai

4.3.2.1 Onderzoek

Dorpshuis (functie ‘Maatschappelijk’)

Naar aanleiding van een bestemmingswijziging van het naastgelegen perceel aan de Dijkhuizen 66 naar gedeeltelijk wonen, is door in het verleden door het Noordelijk Akoestisch Adviesburo uit Assen een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierin zijn de muziekgeluidaspecten van het dorpshuis beoordeeld. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in rapport “Geluidsoverdracht dorpshuis Buddingehof aan de Dijkhuizen 66 in Ruinerwold, bepaling maximaal mogelijk muziekgeluidsniveau” met kenmerk 6234/NAA/ad/ft/2 d.d. 8 januari 2020. In de memo “Geluid bovenwoning Dijkhuizen 66a te Ruinerwold, gemeente De Wolden” met kenmerk Z2020-00001536 d.d. 4 maart 2020 is dit akoestisch onderzoek beoordeeld.

Met betrekking tot onderhavige situatie en woningbouw op het achtererf van Dijkhuizen 72 kan worden geconcludeerd dat de bestaande woningen op kortere afstand vanaf het dorpshuis zijn gelegen dan de beoogde nieuwe woningen op het perceel van Dijkhuizen 72. Hiermee zijn de rechten van het dorpshuis voldoende gewaarborgd en zullen de nieuwe woningen geen extra belemmeringen geven.

Sporthal met tennis- en sportpark (functie ‘Sport’)

Voor de sporthal met tennis- en sportpark, met verlichting, geldt de bestemming Sport. Voor sporthallen, tennisbanen en veldsportcomplexen (beide met verlichting) geldt volgens de VNG-publicatie voor geluid in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. Voor een sporthal zoals in onderhavige situatie is dit een overschatting. Ook omdat de aan de sporthal gerelateerde activiteiten deels al zijn opgenomen in de activiteiten van het dorpshuis. Derhalve is aansluiting gezocht bij de richtafstand voor sportscholen en gymnastiekzalen. Hiervoor geldt volgens de VNG-publicatie voor geluid in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Het projectgebied ligt op 25 meter van de sporthal en is daarmee buiten de invloedssfeer van de sporthal gelegen. Voor het tennis- en sportpark wordt een richtafstand van 30 meter aangehouden. Dichtstbijzijnde woonactiviteiten liggen op 70 meter van het tennispark en is daarmee buiten de invloedssfeer gelegen. Daarnaast ligt het projectgebied op 22 meter van het sportpark. Geconcludeerd wordt dat bestaande woningen op kortere afstand van het sportpark zijn gelegen, op ca. 10 meter. Hiermee zijn de rechten van het dorpshuis voldoende gewaarborgd en zullen de nieuwe woningen geen extra belemmeringen geven.

Onderwijsgebouw met kinderdagverblijf en basisschool (functie ‘Maatschappelijk’)

Voor het onderwijsgebouw met kinderdagverblijf en basisschool is de functie Maatschappelijk. Voor kinderopvang en scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs geldt volgens de VNG-publicatie voor geluid in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Het projectgebied ligt op 20 meter van de maatschappelijke activiteiten en is daarmee buiten de invloedssfeer gelegen.

IJsbaan (functie ‘Sport’)

Voor de ijsbaan, met verlichting, heeft de functie Sport. Voor openlucht ijsbanen geldt volgens de VNG-publicatie voor geluid in gemengd gebied een richtafstand van 200 meter. Voor een ijsbaan zoals in onderhavige situatie lijkt dit een overschatting. Derhalve is aansluiting gezocht bij de richtafstand voor tennisbanen en veldsportcomplexen (beide met verlichting). Hiervoor geldt volgens de VNG-publicatie voor geluid in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. De dichtstbijzijnde woonactiviteiten ligt op 55 meter van de ijsbaan en ligt daarmee buiten de invloedsfeer.

Evenemententerrein

De ijsbaan doet tevens dienst als evenementenlocatie. Volgens de ‘Beleidsregels evenementen gemeente De Wolden’ zijn maximaal 24 dagen per jaar evenementen toegestaan. Voor grote muziekevenementen, zoals concerten en muziekfestivals, geldt een geluidgrenswaarde van 85 dB(C). Er is een aanvullende berekening uitgevoerd met een uitwerking van een representatief evenement op deze locatie welke meer in detail wordt uitgewerkt en waarbij rekening wordt gehouden met een gunstige opstelling en richtingsafhankelijkheid van de geluidbronnen, de speakers. Als basis voor de aanvullende berekeningen is het akoestisch onderzoek (Bijlage 1).

Voor een representatief evenement is uitgegaan van een ‘middelgroot evenement’ zoals het jaarlijkse Zomerfeest Ruinerwold, een evenement met versterkte (live) muziek met een geluidvermogenniveau tot en met 125 dB(A). Van een ‘groot festival’ waarbij met een geluidvermogenniveau van 126 dB(A) en hoger wordt uitgegaan is op deze locatie geen sprake.

In de berekening is uitgegaan van een worstcase situatie, waarbij het podium zo dicht mogelijk bij de nieuw te bouwen woningen is opgesteld. De speakers zijn hierbij van de nieuw te bouwen woningen afgericht, dus richting het zuidoosten, zie onderstaande afbeelding.

Voor de berekening van de geluidbelasting, het LAeq en het LCeq, is uitgegaan van een geluidvermogenniveau van 125 dB(A) en 140 dB(C). Bij muziekgeluid met een laagfrequent beeld (veel basgeluid) kan het voorkomen dat veel meer overlast wordt ervaren dan met hetzelfde dB(A) niveau met minder bas. Dit kan worden gereguleerd door aan de grenswaarden een dB(C) norm toe te voegen. Dit zal er voor zorgen dat het totaal toegestane niveau ongewijzigd blijft maar dat het laagfrequente geluid, de bastonen, wordt gereduceerd. Voor deze situatie is dus uitgegaan van 15 dB verschil.

Uit de resulaten blijkt dat de hoogtse geluidbelasting optreedt bij de woning die het dichts bij het podium wordt gebouwd. De geluidbelasting bedraagt 70 dB(A) en 85 dB(C).

Met een geluidbelasting van 70 dB(A) en 85 dB(C) wordt voldaan aan de richtwaarden uit de publicatie van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg “Evenementen met een luidruchtig karakter” (augustus 1996). In deze publicatie wordt uitgegaan van een acceptabel geluidniveau van 70 dB(A). Zie hiervoor ook het akoestisch onderzoek (Bijlage 1). Ook wordt voldaan aan de grenswaarde van 85 dB(C) uit de ‘Beleidsregels evenementen gemeente De Wolden’. Hierbij wordt opgemerkt dat is uitgegaan van een worstcase situatie, waarbij het podium zo dicht mogelijk bij de nieuw te bouwen woningen is opgesteld. Indien de afstand tussen het podium met de speakers en de nieuw te bouwen groter is, zal de geluidbelasting ook lager zijn op de betreffende woning. In dat geval mag het geluidvermogenniveau ook hoger zijn.

4.3.3 Conclusie

Met betrekking tot het wegverkeerslawaai en industrielawaai zijn er geen belemmeringen te verwachten voor woningbouw op onderhavige onderzoekslocatie.

4.4 Lucht

De gemeente regelt in het omgevingsplan welke activiteiten waar mogen plaatsvinden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

4.4.1 Onderzoek

Projecten die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van ‘niet in betekenende mate’ ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van ‘niet in betekenende mate’ sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen.

Dit plan betreft een wijziging van de activiteit agrarisch naar wonen. Deze ontwikkeling is daarom een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of het initiatief voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is onderzocht door middel van de Atlas van de Leefomgeving. De representatieve waarden in het projectgebied zijn in onderstaande tabel afgezet tegen de daarvoor geldende wettelijke grenswaarden:

  Meetwaarden 2020   Wettelijke grenswaarde  
NOx   8.84 µg/m3   40 µg/m3  
PM10   13.64 µg/m3   40 µg/m3  
PM2,5   6.98 µg/m3   25 µg/m3  
4.4.2 Conclusie

Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met Wet Milieubeheer beschreven categorieën, kan worden aangenomen dat het project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. De grens van 1% zal dan ook niet worden overschreden. Daarnaast zijn de gemeten waarden aanzienlijk lager dan de daarvoor geldende wettelijke grenswaarden. Daarmee blijft ruim onder de wettelijke grenswaarden gebleven zoals opgenomen in de Wet luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Geur

De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het projectgebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelprojectgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelprojectgebied optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het projectgebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het projectgebied aanvaardbaar te laten zijn.

4.5.1 Conclusie

Het projectgebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een geurbron. Daarnaast brengt voorgenomen ontwikkeling geen externe geurhinder met zich mee. Een en ander brengt met zich mee dat het aspect geur geen belemmeringen en uitgangspunten geeft voor de uitvoering van het plan.

4.6 Bodem

Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten er in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan, om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. Een omgevingsplan kan deze bouwactiviteit toestaan als op een locatie deze grenswaarden worden overschreden, als daarbij wordt voorgeschreven dat sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden. Daarnaast moet in het omgevingsplan op zijn minst een meldingsplicht worden ingesteld voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Ook moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die het in stand houden van de sanerings- en andere beschermende maatregelen borgen.

Naast regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, moeten er op grond van de instructieregels regels aan het plan worden verbonden over het op of in de grond brengen van grond en baggerspecie. Zo kan er in het omgevingsplan een zogenoemd bodembeheergebied worden aangewezen en moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in bodemfunctieklassen.

4.6.1 Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een bestaand agrarisch perceel. Voor zover bekend hebben geen bodem-verontreinigende activiteiten plaatsgevonden op het betreffende perceel. Het is dus aannemelijk dat de bodem geschikt is voor de realisatie van woonhuizen. Ter toetsing van deze aanname is door EcoReest B.V. een verkennend en aanvullend bodemonderzoek verricht. Het gehele rapport is als Bijlage van dit plan bijgevoegd. Hier volgen enkel de conclusies met betrekking tot voorgenomen initiatief.

Verkennend bodemonderzoek

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden zijn aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee derhalve verworpen. Het gemeten verhoogde loodgehalte in het mengmonster van de bovengrond aan de zuidzijde van het terrein ligt boven de risicowaarde voor lood in bodem voor moestuinen en plaatsen waar kinderen spelen.

Verhoogde risico’s voor de volksgezondheid en/of het milieu zijn op basis van de overige resultaten van het onderzoek niet te verwachten. Deze resultaten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de toekomstige woonfunctie van het terrein.

Aanvullend bodemonderzoek

Ter plaatse van het zuidelijk deel van de locatie zijn in de bovengrond van de individuele meetpunten van het oorspronkelijke mengmonster van het verkennend onderzoek geen verhoogde gehalten aan lood gemeten boven de achtergrondwaarde en/of detectiegrens. Op basis van deze resultaten is ter plaatse van het zuidelijk deel van de locatie geen sprake van verhoogde gehalten aan lood in de bovengrond, en is het in eerste instantie gemeten verhoogde loodgehalte vermoedelijk te relateren aan een inhomogeniteit (deeltje) in het oorspronkelijke analysemonster.

Verhoogde risico’s voor de volksgezondheid en/of het milieu zijn op basis van deze resultaten niet te verwachten. Deze resultaten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de toekomstige woonfuctie van het terrein.

4.6.2 Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het aspect bodem geen belemmeringen en uitgangspunten geeft voor de uitvoering van het plan.

4.7 Omgevingsveiligheid

Het waarborgen van de veiligheid is één van de thema’s die op grond van artikel 2.1 (lid 3) van de Omgevingswet deel uitmaken van de fysieke leefomgeving. In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen met de minimale vereisten voor de uitwerking van dit thema in de motivering van de wijziging en regels van het omgevingsplan. In de artikelen 5.3 tot en met 5.35 van de instructieregels wordt vervolgens ingegaan op de uitwerking die voor externe veiligheid rond risicobronnen als het basisnet, hogedruk aardgasleidingen, vuurwerkopslagen, ontplofbare stoffen en Seveso-activiteiten in het omgevingsplan moet worden opgenomen. Hiervoor geldt dat op grond van de instructieregel de norm voor het plaatsgebonden risico in acht moet worden genomen en geldt daarnaast een motiveringsplicht voor het mogelijk maken van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen (en locaties) binnen het aandachtsgebieden of risicozones rond dergelijke bronnen.

4.7.1 Onderzoek

Aan hand van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de Atlas van de Leefomgeving blijkt dat in de omgeving van het projectgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over het water, het spoor of door buisleidingen plaatsvindt met een externe werking. Tevens zijn er in nabijheid van het projectgebied geen inrichtingen aanwezig die wonen op de locatie belemmerd.

Op ca. 500 meter ten zuiden van het projectgebied bevindt zich een windturbine bij een agrarisch bedrijf. Gelet op de ruimte afstand is het projectgebied ruim buiten de invloedsfeer van de windturbine gelegen.

4.7.2 Conclusie

Het perceel ligt niet binnen een veiligheidszone en ook niet binnen een invloedsgebied van een risicobron. Daarnaast brengt voorgenomen ontwikkeling geen externe veiligheidsfactoren met zich mee. Een en ander brengt met zich mee dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen en uitgangspunten geeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8 Verkeer, Vervoer en toegankelijkheid

Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. In dit hoofdstuk moet ook in worden gegaan op de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor personen. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd.

Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheids-kenmerken van de locatie.

4.8.1 Onderzoek

Het plangebied is gelet op de omgevingsadressendichtheid (CBS Statline) gelegen in een gebied met de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ in een deel van gemeente De Wolden dat behoort tot het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’.

Berekening verkeersgeneratie

In voorliggend geval gaat het om een woningbouwlocatie met maximaal 11 woningen, bestaande uit een mix van vrijstaande, 2-onder-1-kap en rijwoningen. Hiervoor geldt de volgende verkeersgeneratie per weekdagetmaal:

  • Vrijstaande woningen: 4 x 8,6 personenauto’s
  • 2-onder-1-kap woningen: 4 x 8,2 personenauto’s
  • Rijwoningen: 3 x 7,8 personenauto’s

In totaal resulteert voorgaande in 90,6 vervoersbewegingen per etmaal. Gelet op de omliggende functies en spreiding van verkeersbewegingen over de dag heeft de bestaande infrastructuur voldoende capaciteit om de toename in verkeersbewegingen op te vangen. Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een goede en verkeersveilige ontsluiting van het plangebied in meerdere richtingen.

Berekening parkeerbehoefte

Voor het beoogde programma geldt de volgende berekende parkeerbehoefte:

  • Vrijstaande woningen: 4 x 2,2 parkeerplaatsen
  • 2-onder-1-kap woningen: 4 x 2,0 parkeerplaatsen
  • Rijwoningen: 3 x 1,8 parkeerplaatsen

In totaal resulteert voorgaande in een parkeerbehoefte van 22,2 parkeerplaatsen.

De vrijstaande woningen en 2-onder-1-kap woningen worden allen voorzien van 2 parkeerplaatsen op eigen erf. Daarnaast zijn deze woningtypen voorzien van een garage. Op basis van de normen van de CROW kunnen deze worden meegerekend als 1,8 parkeerplaats. Op eigen terrein kunnen daarmee 14,4 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Er resteert daarom een parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen, welke niet op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd. In de openbare ruimte wordt daarom een parkeerkoffer van 8 parkeerplaatsen aangelegd in het groen.

4.8.2 Conclusie

De aspecten Verkeer, Vervoer en Toegankelijkheid geven geen belemmeringen en uitgangspunten geeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.9 Natuur

De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden; onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur.

De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op aangewezen beschermde soorten in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming in het kader van de Omgevingswet zich op het thema faunabeheer.

De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Bal opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het Omgevingsplan.

De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten. De gemeenten moeten dan bij het opstellen van het omgevingsplan deze instructieregels in acht nemen. Vooralsnog heeft de Provincie Drenthe geen instructieregels gesteld op dit onderwerp die bij de totstandkoming van dit plan moeten worden betrokken.

4.9.1 Onderzoek

4.9.1.1 Gebiedsbescherming

Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden.

Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel.

Om te beoordelen of het plan in relatie tot gebiedsbescherming uitvoerbaar is dienen onder andere de wettelijke consequenties op het gebied van gebiedsbescherming, specifiek Natura2000, in beeld gebracht te worden. Vanwege de regionale invloedsfeer van de emissie van NOx, is een beoordeling naar het effect van de emissie van NOx, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, noodzakelijk. Ten behoeve van deze beoordeling is de gewenste situatie gemodelleerd op basis van het stedenbouwkundig plan. De depositie op de omliggende Natura 2000-gebieden wordt berekend en getoetst of het plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. De volledige rapportage betreffende het stikstofdepositie-onderzoek wordt als Bijlage onderdeel van dit plan, hieronder zal enkel de conclusie worden opgenomen.

Resultaten ontwikkelfase

De activiteiten in de ontwikkelfase leiden gezamenlijk tot een NOx-emissie van 55,6 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,5 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de ontwikkelfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbeschermingvergunning aangevraagd te worden.

Resultaten gebruiksfase

De activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 2,2 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,2 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden.

Conclusie

Als gevolg van de gebruiks- en ontwikkelfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de gebruiks- en ontwikkelfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden.

4.9.1.2 Soortenbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied maar benutten het wel als foerageergebied. De aanwezige sloot vormt geen functioneel leefgebied van beschermde vissoorten.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

4.9.2 Conclusie

Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming.

4.10 Water

Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De belangrijkste consequentie van de Omgevingswet voor het (stedelijk) waterbeheer is dat de beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen verder toeneemt. Als gevolg van deregulering zal een deel van de nationale regelgeving via de zogenaamde Bruidsschat Omgevingswet naar gemeenten en waterschappen gaan. Het gaat daarbij onder andere om de regels voor lozingen in de riolering, op of in de bodem en op het oppervlaktewater en het aansluiten op de riolering. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze regels van rechtswege onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan (lozingen bodem en riolering en aansluiten riolering) en de waterschapsverordening (lozingen oppervlaktewater).

De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten. De waterschapsverordening is te raadplegen via het DSO. Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet twee verordeningen: de Waterschapsverordening (combinatie van de huidige Keur en Algemene regels, maar zonder bepalingen over onderhoudsplichten) en de Onderhoudsverordening (ontleend aan de Keur). In de waterschapsverordening zijn regels opgenomen over beperkingengebied activiteiten, wateronttrekkingsactiviteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuivering technisch werk.

De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. De regels die zijn vastgelegd in een verordening van de waterschappen worden 'de Keur' genoemd. De Waterwet kent één watervergunning, de voormalige Keurvergunning is hierin opgenomen. De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet wordt het beleid van de waterschappen omgezet naar de waterschapsverordening.

4.10.1 Onderzoek

Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Het waterschap is verantwoordelijk voor het watersysteem en het zuiveren van het aangeboden stedelijk afvalwater.

Relevant beleid

Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016 - 2021. Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in ‘Water Raakt!’. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

Bestaande waterhuishouding

Het plan ligt in het (deel)stroomgebied Wold Aa. Rond het plangebied A watergang (WWA-10-BB en WWa-10-BBB) die WDODelta beheert. Het peilgebied bevat één peilvak(ken) (WA102) en heeft een maximumpeil van NAP +1,15-0,78 m. Dit peil is de instelhoogte bij een peilscheidend kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil, afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte.

  • De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP +1,70-1,78m Maaiveldhoogte.
  • De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit podzolgronden.
  • De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op 20-40 en 40-60 cm onder het maaiveld. De grondwaterstand is tijdens het verrichte bodemonderzoek vastgesteld op 1,03 en 1,15 me-mv. Door de aanwezigheid van slecht doorlatende (klei) lagen kunnen schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen.
  • Bij extreme neerslag geen wordt wateroverlast in of bij het plangebied verwacht (zie Klimaatatlas WDODelta).

Watersysteem

Binnen het plangebied ligt (een beschermingszone van) een A-watergang en/of B-watergang van WDODelta. Het is noodzakelijk dat de functie van deze watergang(en) altijd is gegarandeerd, rekening houdend met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven en gevisualiseerd in de Legger. Voor deze watergang geldt de binnen de Keur opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Om het plan te verbinden met de bestaande straat zal ten behoeve van de inrit een duiker worden aangelegd in een A-watergang. Deze is vergunning plichtig en zal in voorbereiding op de aanvraag omgevingsvergunning aan WDODelta worden voorgelegd voor een technische controle.

A-watergangen (>25 L/s afvoer gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar) zijn watergangen waar het waterschap verantwoordelijk is voor de inrichting en het beheer en onderhoud ervan. Voor het waterschap is het daarom van belang dat rekening wordt gehouden met de obstakelvrije beschermingszone van de watergang deze is 5 meter vanaf de insteek. Voor de bestaande sloot geldt dat deze momenteel wordt onderhouden vanaf de bestaande weg Dijkhuizen, ofwel vanaf de westzijde van de sloot. In afstemming met het waterschap is besproken dat in de toekomstige situatie het onderhoud vanaf de Dijkhuizen zal blijven worden uitgevoerd. Er is daarom geen noodzaak om aan de woningzijde een beschermzone van 5 meter vanaf de insteek vrij te houden van obstakels. De zone tot aan de sluit kan daarom worden opgenomen in de uitgeefbare kavels van de woonhuizen.

Overbelasting watersysteem

Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt, worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. Het waterschap toetst het watersysteem op basis van een hoeveelheid neerslag die eens in de 100 jaar wordt overschreden. Hierbij houdt men rekening met een bui van 111 mm in 48 uur. De toegestane afvoer in deze neerslagsituatie is 1,6 L/s/ha. Het is belangrijk dat bij deze buien geen regenwater in woningen komen en belangrijke ontsluitingswegen blijven vrij van water. STOWA statistieken op basis van deze uitgangspunten leiden tot een bergingsopgave van 80 mm.

Het waterschap hanteert voor waterberging onderstaande uitgangspunten:

  • Open water heeft een toegestane stijging tot aan de debietbegrenzer (watergangen, vijvers, etc.). De berging beslaat het deel tussen gehanteerd max. waterpeil en insteek/overstorthoogte:
  • Een groot deel van het open water draagt bij aan berging van bestaand gebied.
  • Water in bergingsvoorzieningen, zoals wadi’s: Hierbij rekent men de bergings-/infiltratiecapaciteiten in de bodem (inclusief grondverbetering) niet mee. De hoogte van de berging is berekend vanaf de bodem wadi tot aan slokop/noodoverlaat.
  • Aanvullend hierop: een berging onder de grond - in de vorm van kratten of Rockflow - telt wel mee met de berging, mits deze niet gevuld zijn door infiltratie door hoge grondwaterstanden (GHG moet niet hoger zijn dan onder de onderkant van de kratten of Rockflow).
  • Berging in de bestaande gemengde riolering valt hier niet onder.
  • Let op: dat het oppervlak van de bovengrondse berging (bijvoorbeeld wadi of bergingsvijver) zelf ook meetelt bij het ‘afstromend oppervlak’ voor bepalen mm berging.

In de huidige situatie is het plangebied een weiland. In de omgeving van het plangebied wordt het hemelwater volledig afgevoerd via het rioleringsstelsel van de gemeente. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt zoals aangegeven echter dat hemelwater binnen het perceel moet worden geinfiltreerd. Voor grote plannen en uitbreidingslocaties (> 500m2) geldt als regel, dat voor het realiseren van verhard oppervlak een berging, ter compensatie voor de versnelde afvoer, van het afstromende hemelwater benodigd is. Compensatie volgt de volgende trap: vasthouden-bergen-afvoeren. In het plan wordt een verhard oppervlak van circa 1.800 m2 gerealiseerd. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van 1.800 m2 * 0.08m = 144 m3 [kuub] dient te worden aangelegd.

In het plangebied worden daarom een tweetal ingrepen gedaan om in de benodigde waterberging te kunnen voorzien. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt de sloot, die overigens geen onderdeel is van de A-watergangen, plaatselijk verbreed en voorzien van een natuurlijke oever. Naast dat dit ?voorziet in een waterbergende capaciteit van ca. 148 m3, levert de natuurlijke oever toegevoegde waarde op voor de biodiversiteit in het plangebied. Door de verbreding onderdeel te maken van de bestaande slotenstructuur wordt voorkomen dat een geïsoleerde watergang ontstaat. Daarnaast wordt onder de parkeerplaatsen een waterbergende fundering aangelegd met een bergingscapaciteit van ca. 10 m3. Van belang is dat dit systeem wordt toegepast op 1,03 en 1,15 me-mv, om te voorkomen dat het systeem zich door hoge grondwaterstanden vult door infiltratie. De totale bergingscapaciteit in het plan komt daarmee op ca. 158 m3.

Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte wordt volstaan met een geringere ontwateringsdiepte (verschil grondwaterstand en maaiveld). Om wateroverlast en schade in woningen wordt geadviseerd een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren.

Waterkwaliteit

Voor de borging van waterkwaliteit zijn maatregelen geldend. Voor bepaalde stoffen zijn Europese normen vastgesteld, bijvoorbeeld voor gevaarlijke stoffen zoals lood, cadmium, oplosmiddelen en bestrijdingsmiddelen. Het waterschap meet deze stoffen en zorgt ervoor dat ze binnen de normen blijven.

Schoon hemelwater wordt afgevoerd naar oppervlaktewater (dakoppervlakken). Voor overige afvoer en verwerking van hemelwater (vanaf verharding) is het gewenst om dit via een bodempassage te lozen op het oppervlaktewater. Hiervoor zullen in de aanleg van het wegprofiel de nodige maatregelen worden getroffen, waarbij hemelwater via molsgoten bovengronds met vertraagde afvoer worden begeleidt.

Conform het bouwstoffenbesluit zullen er geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt en zorgt duurzaam gebruik van de openbare ruimte voor een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater. Daarnaast wordt een stukje oeverbeschoeiing aangebracht. Om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen zal hiervoor verduurzaamd hout worden toegepast.

Riolering

Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te beschermen door onder andere een doelmatige werking van de rioolwaterzuivering na te streven en de vuillast vanuit riolering naar oppervlaktewater te beperken. Hiervoor is een goede afstemming over aanvoer naar de rioolwaterzuivering en een juiste werking van de riolering noodzakelijk. afvoer vanuit riolering. Dit willen we bereiken door aandacht te hebben voor de volgende onderwerpen.

Er wordt rekening gehouden met gescheiden waterstromen. Het afvalwater wordt, in overleg met de gemeente De Wolden, middels een nieuw gemaal aangesloten op het bestaande riool.

4.10.2 Conclusie

Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets en het voeren van vooroverleg. Zij geeft aan dat de waterhuishoudkundige belangen niet in het geding zijn. Wel merkt men op dat voor enkele (mogelijke) werkzaamheden met consequenties voor de waterhuishouding een vergunning nodig kan zijn. Dit zal worden meegenomen in het vervolgtraject.

4.11 Trillingen

Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen. In Nederland bestaat echter geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Om aan te kunnen tonen of er voor een beoogd plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk om mogelijke trillingshinder inzichtelijk te maken. Er is een aantal richtlijnen en beleidsregels die hiervoor worden gebruikt, namelijk:

  • SBR-richtlijn;
  • Beleidsregel trillingshinder spoor;
  • Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen;
  • Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening.De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn.
4.11.1 Onderzoek

Het projectgebied ligt niet binnen zone van 100 meter van een spoorlijn of industriegebied.

4.11.2 Conclusie

Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.12 Milieueffectrapportage

De Omgevingswet kent een algemene omschrijving van de plan-m.e.r.-plichtige plannen. Een Omgevingsplan is benoemd als in ieder geval plan-m.e.r.-plichtig (Afdeling 16.4 van de Omgevingswet). Dit is verplicht als een Omgevingsplan kaderstellend is voor m.e.r.-(beoordelings)-plichtige besluiten of als een Passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming. Hierop geldt een uitzondering wanneer het Omgevingsplan voor een klein gebied geldt of wanneer het een kleine wijziging betreft.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

Drempelwaarden Besluit m.e.r.

In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of;
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

In voorliggend geval is sprake van de realisatie van 8 rug-aan-rugwoningen en 2 halfvrijstaande woningen. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit plan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

4.12.1 Conclusie

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.

4.13 Slagschaduw

Op grond van artikel 5.89c van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Als met het wijzigen van het omgevingsplan het in werking hebben van een windturbine wordt toegelaten of in de omgeving van een windturbine de vestiging van een slagschaduwgevoelig gebouw wordt toegestaan, dan moet worden geborgd dat daarbij tevens wordt voldaan aan artikel 5.98f van het Bkl. Uit dit artikel blijkt dat in het omgevingsplan wordt opgenomen dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalf maal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden.

4.13.1 Conclusie

Onderhavig project wordt niet beïnvloed door en veroorzaakt geen slagschaduw. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.14 Dienstenrichtlijn

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient het omgevingsplan te voldoen aan artikel 14, aanhef en onder 5. van Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU 2006, L 376).

De Dienstenrichtlijn heeft betrekking op dienstverleners, wat verwijst naar natuurlijke personen of rechtspersonen die diensten aanbieden in de uitoefening van een economische activiteit. Het kan gaan om diverse soorten diensten, zoals zakelijke dienstverlening, toerisme, bouw, detailhandel, enzovoort.

Artikel 14 van de Dienstenrichtlijn bevat specifieke bepalingen met betrekking tot regels in omgevingsplannen. Onder artikel 14, aanhef en onder 5, wordt gesteld dat omgevingsplannen geen specifieke regels hoeven op te nemen die gericht zijn op dienstverleners.

4.14.1 Conclusie

Onderhavig project heeft geen betrekking op diensten. Het aspect Dienstenrichtlijn vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 5 Regels

In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de afzonderlijke activiteiten. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen. De in de regels opgenomen regelingen en/of beperkingen dienen te worden gemotiveerd.

Het omgevingsplan van gemeente De Wolden gaat uit van een activiteitgerichte benadering. Dit houdt in dat de regels zijn ingedeeld in de soort activiteiten die het betreft: gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten en milieubelastende activiteiten.

Per hoofdstuk zijn de regels opgenomen en onderverdeeld in of de betreffende activiteiten die zijn toegestaan (vergunningvrij), melding-, vergunningplichtig zijn of verboden zijn. In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het plan, zoals verwoord in Hoofdstuk 2, wordt uitgewerkt in de regels welke in het omgevingsplan worden opgenomen. Ook wordt in dit hoofdstuk de verhouding met de wet- en regelgeving aangegeven en wordt ingegaan op de werkingsgebieden van deze regels.

5.1 Gebruiksactiviteiten

Wonen

Op de voor ‘Wonen’ aangewezen locaties is de functie wonen toegestaan. In dit geval gaat het om de grondgebonden woningen. Het totaal aantal woonhuizen bedraagt ten hoogste 11 en de woonhuizen moeten binnen de daarvoor aangewezen kader voor bouwactiviteiten gebouwd worden. De goothoogte en bouwhoogte van een woonhuis mag niet meer bedragen dan de aangegeven goothoogte en bouwhoogte. De hoogtes zijn afgestemd op het stedenbouwkundig concept zoals beschreven in het beeldkwaliteitsplan.

Tuin

Delen die voor de naar aan de naar de openbare ruimte gekeerde zijde van de uitgeefbare percelen liggen is de functie ‘Tuin’ toegekend. Op deze gronden zijn geen bouwactiviteiten toegestaan. Wel zijn voor de voorgevel van het hoofdgebouw gelegen entreepartijen, of erkers toegelaten.

Ook zijn binnen de gronden ‘Tuin’ uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot maximaal 1 meter hoogte. Concreet wordt hiermee voorkomen dat aan de straatzijde van de woonbebouwing hoge schuttingen worden geplaatst die doorzichten en het ruimtelijke gevoel belemmeren.

Groen

Voor het openbare gedeelte van het gebied is de functie ‘Groen’ toegekend. Deze activiteit is gericht op de versterking en de bescherming van groene waarden en groene inrichting van het gebied. Het groen valt (tezamen met de functie ‘Verkeer’) samen met de begrenzing van het openbaar gebied in de beoogde ontwikkeling. Dit groen zorgt voor een groot deel voor de gemeenschappelijke groene kwaliteiten van het woonerf. Binnen gronden ‘Groen’ mogen geen bouwactiviteiten plaatsvinden, uitgezonderd noodzakelijke gebouwen voor de nutsvoorziening en bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Verkeer

Gronden voor de nieuwe wegen binnen het plan is de functie ‘Verkeer’ toegekend. Binnen deze gronden zijn geen bouwactiviteiten toegestaan. Wel zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan die noodzakelijk zijn voor de verkeersfunctie, zoals lichtarmaturen en bewegwijzering.

5.2 Bouwactiviteiten

Wonen

Het totaal aantal woonhuizen bedraagt ten hoogste 11 en de woonhuizen moeten binnen de daarvoor aangewezen kader voor bouwactiviteiten gebouwd worden. De goothoogte en bouwhoogte van een woonhuis mag niet meer bedragen dan de aangegeven goothoogte en bouwhoogte. De hoogtes zijn afgestemd op het stedenbouwkundig concept zoals beschreven in het beeldkwaliteitsplan.

Tuin

Op deze gronden zijn geen bouwactiviteiten toegestaan. Wel zijn voor de voorgevel van het hoofdgebouw gelegen entreepartijen, of erkers toegelaten.

Ook zijn binnen de gronden ‘Tuin’ uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot maximaal 1 meter hoogte.

Groen

Binnen gronden ‘Groen’ mogen geen bouwactiviteiten plaatsvinden, uitgezonderd noodzakelijke gebouwen voor de nutsvoorziening en bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Verkeer

Gronden voor de nieuwe wegen binnen het plan is de functie ‘Verkeer’ toegekend. Binnen deze gronden zijn geen bouwactiviteiten toegestaan. Wel zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan die noodzakelijk zijn voor de verkeersfunctie, zoals lichtarmaturen en bewegwijzering.

5.3 Aanlegactiviteiten

De aanleg van een duiker ten behoeve van de inrit naar het projectgebied is vergunningsplichtig.

5.4 Sloopactiviteiten

Niet van toepassing.

5.5 Milieubelastende activiteiten

Niet van toepassing.

5.6 Monumentenactiviteiten

Niet van toepassing.

5.7 Omgevingswaarden

Niet van toepassing.

Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor de afwijking van het omgevingsplan voor rekening komen van de initiatiefnemer.

6.1 Kostenverhaal

Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow).

De economische uitvoerbaarheid komt volledig voor de rekening van de initiatiefnemer. De gemeente De Wolden en de initiatiefnemers (het CPO) zullen een anterieure overeenkomst afsluiten, waarin het kostenverhaal en ook een regeling voor eventuele planschade is opgenomen, waardoor de gemeente planschadeclaims bij de initiatiefnemer kan verhalen. Voor de gemeente De Wolden zijn er geen financieel-economische gevolgen van de realisatie van 11 woningen op het perceel aan de Dijkhuizen te Ruinerwold.

6.2 Nadeelcompensatie

Voor iedere afwijking van het omgevingsplan, zoals ook voor onderhavig plan geldt, wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten met de initiatiefnemers van het plan op basis van art. 4.5 Awb. Nadeelcompensatie is hiermee voor de gemeente De Wolden geborgd.

Hoofdstuk 7 Conclusie

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt een algehele conclusie getrokken, waarbij gemotiveerd wordt of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7).

Voorgenomen ontwikkeling inzake de realisatie van 11 woningen voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Er is geen sprake van strijdigheid met de belangen van het Rijk, de provincie Drenthe en/of regio. Daarnaast levert de voorgenomen realisatie van de woningen geen onevenredige overlast op voor haar omgeving. Het initiatief leidt niet tot onevenredige toename van verkeer. Omliggende bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. De 11 woningen worden toegevoegd aan het woningbouwbestand van Ruinerwold en richten zich op een mix van starters, senioren en gezinnen; alle doelgroepen waarvoor grote behoefte aan woningen is. Ook zijn er geen overtredingen van de flora en faunawetgeving. Het voornemen is niet in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Het initiatief past binnen het beleid van de gemeente De Wolden en voorziet in een kwalitatieve toevoeging op het woningbouwbestand.