direct naar inhoud van Regels
Plan: Zuidwolderweg 38 en 40, Echten
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1690.BP00460-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze voorschriften wordt verstaan onder:

1.1 aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist;

1.2 aan huis verbonden beroep

een in Bijlage 1 Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen genoemd, dan wel een naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen beroep, dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten;

1.3 ander-bouwwerk

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.4 archeologische waarde

waarde die van belang zijn voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis;

1.5 bebouwing

één of meer gebouwen en/of andere-bouwwerken;

1.6 bebouwingsgrens

een op de kaart, blijkens de daarop voorkomende verklaring, als zodanig aangegeven lijn, welke door gebouwen niet mag worden overschreden, behoudens overschrijdingen die krachtens deze voorschriften zijn toegestaan;

1.7 bebouwingspercentage

de bebouwde oppervlakte van de gebouwen uitgedrukt in procenten van nader aangegeven gronden;

1.8 bebouwingsvlak

een door bebouwingsgrenzen op de kaart omgeven oppervlak, binnen hetwelk volgens deze voorschriften bepaalde gebouwen mogen worden opgericht, indien en voor zover twee bouwpercelen middels de aanduiding "één bouwblok vormend" met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bebouwingsvlak;

1.9 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bestemd voor de huisvesting van een persoon (en diens/haar gezin of naar de aard daarmee gelijk te stellen samenlevingsvorm) wiens huisvesting daar, met het oog op de bestemming van het gebouw of terrein, noodzakelijk is;

1.10 bewoning

het gebruiken van een gebouw of een gedeelte van een gebouw voor de huisvesting van een huishouden;

1.11 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1690.BP00460-0301 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen;

1.12 bijgebouw

een op zich zelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist, tenzij in de voorschriften anders is bepaald.

1.13 bouwperceel

een stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige bebouwing met één gebouw of bij elkaar behorende gebouwen is toegestaan; indien en voor zover twee bouwpercelen middels de aanduiding "één bouwblok vormend" met elkaar verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel;

1.14 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal welke, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.15 cultuurhistorische waarde

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik, dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;

1.16 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of (af)leveren van goederen aan diegenen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.17 erker

een plat afgedekte uitbouw aan de gevel van een woning;

1.18 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.19 hoofdgebouw

een gebouw, dat gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;

1.20 landschappelijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde, in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;

1.21 natuurlijke waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met geologische, bodemkundige en biologische elementen, voorkomend in dat gebied;

1.22 normale onderhoud

het onderhoud dat, gelet op de bestemming, regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming horen;

1.23 overkapping

een ander-bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, wandloze constructie vormt, welke hooguit aan twee zijden tegen gevels is aangebouwd en aan minimaal twee zijden tegen gevels is aangebouwd en aan minimaal twee zijden open is;

1.24 perceelgrens

een grens van een bouwperceel;

1.25 plan

het bestemmingsplan "Zuidwolderweg 38-40 te Echten" van de gemeente De Wolden;

1.26 praktijkruimte

een ruimte zijnde een zelfstandige eenheid van een gebouw of indien onderdeel uitmakende van een woning dan zijnde een ondergeschikt deel van de woning, dat dient voor de uitoefening van een beroep (dan wel het verlenen van diensten) op administratief, maatschappelijk, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of een daarmee gelijk te stellen gebied;

1.27 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding;

1.28 prostitutiebedrijf

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie wordt verricht. Onder een prostitutiebedrijf worden in elk geval verstaan: een erotische massagesalon, een sekstheater, een bordeel of een parenclub, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.29 uitbouw

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist;

1.30 voorgevel

de naar de weg, eventueel voetpad, vanwaar het gebouw hoofdzakelijk toegankelijk is, gekeerde gevel; indien een perceel met meerdere zijden aan de weg grenst, geldt de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel(s);

1.31 woning

een gebouw of een gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt of bestemd voor de huisvesting een huishouding;

1.32 woonhuis

een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

2.1 lengte, breedte en diepte van gebouwen

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren;

2.2 oppervlakte van bouwwerken

de buitenwerks gemeten oppervlakte van een gebouw of een ander-bouwwerk, met inbegrip van bovengrondse onderdelen, voor zover aanwezig op 1 meter of hoger boven peil, uitgezonderd de ondergeschikte bouwonderdelen zoals goten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen met een maximale oversteek van 40 cm;

2.3 inhoud van bouwwerken

tussen de buitenwerkse gevelvlakken, harten van scheidingsmuren en dakvlakken en boven begane grondvloeren;

2.4 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.5 goothoogte van bouwwerken

hoogte van bouwwerken: van het hoogste punt der gebouwen en/of andere-bouwwerken tot aan het van gemeentewege aangegeven peil;

Ondergeschikte bouwwerken zoals schoorstenen, ventilatiekappen, liftkokers, lichtkoepels en antennes zijn hieronder niet begrepen.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Horeca

3.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden voor "horeca" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. horecabedrijven, genoemd in de categorieën als aangegeven op de plankaart van de in bijlage A opgenomen lijst met horecabedrijven als ;
  • b. het wonen ten behoeve van de bedrijfsvoering, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, die zijn genoemd in de in bijlage B opgenomen Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen;
  • c. de instandhouding van de karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek';

met de daarbij behorende:

  • a. wegen en paden;
  • b. water;
  • c. tuinen, erven en terreinen;
  • d. bedrijfsgebouwen;
  • e. bedrijfswoningen;
  • f. aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een bedrijfswoning;
  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2 Bouwregels

Op de tot "horeca" bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat voor:

  • a. gebouwen geldt dat deze uitsluitend binnen de bebouwingsvlakken worden gebouwd, alsmede dat:
    • 1. de goothoogte ten hoogste 4 meter mag bedragen;
    • 2. de op de kaart gegeven aanwijzingen ten aanzien van de hoogte in acht genomen worden;
    • 3. de dakhelling minimaal 30° en maximaal 60° mag bedragen;
  • b. in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde onder 1 geldt indien gronden op de kaart zijn aangeduid met "karakteristiek" dat de hoofdvorm van de gebouwen, bepaald door de oppervlakte van het grondvlak, gevelbreedte, (goot)hoogte, dakhelling en nokrichting, zoals die bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan gehandhaafd dient te worden, met dien verstande dat een afwijking van de goot- en/of nokhoogte van ten hoogste 5% is toegestaan;
  • c. bedrijfswoningen bovendien geldt dat:
    • 1. per bestemmingsvlak ten hoogste 1 bedrijfswoning mag worden gebouwd met een oppervlakte van ten hoogste 150 m²
    • 2. de goothoogte ten hoogste bedraagt 4 meter
    • 3. de dakhelling ten minste bedraagt 30° en ten hoogste bedraagt 60°
  • d. aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning bovendien geldt dat:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte ten hoogste 100 m² bedraagt met dien verstande dat de oppervlakte van bijgebouwen op het aangrenzende perceel met de bestemming "tuinen" in mindering wordt gebracht.
    • 2. de goothoogte ten hoogste bedraagt 3 meter
    • 3. de dakhelling ten minste bedraagt 30° en ten hoogste bedraagt 60°
  • e. andere-bouwwerken geldt dat:
    • 1. de hoogte ten hoogste 2,90 meter bedraagt
    • 2. in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde onder a geldt voor erfafscheidingen (geen beplanting zijnde) een maximale hoogte van 2 meter
    • 3. in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde onder a geldt voor overkappingen bij bedrijfswoningen dat:
      • de hoogte ten hoogste 3,25 meter bedraagt
      • de afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen ten minste 1 meter bedraagt, tenzij de overkapping in de perceelgrens wordt gebouwd;
      • de afstand van een overkapping tot de voorgevel van het woonhuis en het verlengde daarvan ten minste 1 meter bedraagt
      • de oppervlakte ten hoogste 25 m² bedraagt.
3.3 Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Voorwaardelijke verplichting
  • a. De landschappelijke inpassing binnen 1 jaar, na realisering van een te bouwen nieuw hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen, is gerealiseerd en in stand wordt gehouden overeenkomstig het in Bijlage C opgenomen inrichtingsplan.
  • b. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder a indien in plaats van de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in het in Bijlage C andere landschapsmaatregelen worden getroffen, met dien verstande dat:
    • 1. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in Bijlage C opgenomen landschapsmaatregelen;
    • 2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.
3.4 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;

bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 3.1 en toestaan het plan te wijzigen ten behoeve van horecabedrijven als genoemd in de categorieën behorende bij de lijst met horecabedrijven met uitzondering van categorie VII;
  • b. artikel 3.1 en toestaan de bestemming ‘horeca’ te wijzigen in de bestemming ‘woonhuizen’, ‘tuinen’, met dien verstande dat per hoofdgebouw maximaal 1 woonhuis teruggebouwd mag worden.
3.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk gebouwen of delen daarvan te slopen, ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’.
  • b. Het onder sub a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
    • 1. het normale onderhoud betreffen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het kracht worden van dit bestemmingsplan.
  • c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het pand kan worden hersteld, de karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet is te handhaven, en/of het delen van het pand betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek zijn aan te merken en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm wordt veroorzaakt.

Artikel 4 Tuin

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuin behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen;

met daarbij behorende:

  • a. bijgebouwen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ' bijgebouwen';
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • c. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden;
  • d. voorzieningen, een inrit daar onder begrepen.
4.2 Bouwregels

Op de tot "tuin" bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bedrijfswoning (die is gesitueerd op de naastgelegen gronden met bestemming "horeca"), met dien verstande dat:

  • a. bijgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke vloeroppervlakte bijgebouwen bedraagt maximaal 100 m², met dien verstande dat de oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen behorende bij de bedrijfswoning op het aangrenzende perceel met de bestemming "horeca" in mindering wordt gebracht.
  • c. de goothoogte ten hoogste 3 meter bedraagt;
  • d. de afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen ten minste 1 meter bedraagt, tenzij het bijgebouw in de perceelgrens wordt gebouwd;
  • e. De afstand van een bijgebouw tot de voorgevel van het woonhuis en het verlengde daarvan ten minste 4 meter bedraagt.
  • f. indien de andere-bouwwerken vóór de voorgevel van het woonhuis en het verlengde daarvan worden gebouwd de hoogte ten hoogste 1 meter bedraagt.
  • g. in overige gevallen de hoogte ten hoogste 2,50 meter bedraagt, met uitzondering van erfafscheidingen (geen beplanting zijnde), waarvan de maximale hoogte bedraagt 2 meter.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede voor:

  • a. het behoud en herstel van de archeologische waarden.
5.2 Bouwregels

Op de tot 'Waarde - Archeologie' bestemde gronden mag niet worden gebouwd.

5.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde:

  • a. in artikel 5.1 en toestaan dat de in de basisbestemming genoemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits:
    • 1. op basis van een aanvullend en/of archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de activiteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
    • 2. bij een archeologisch deskundig advies is ingewonnen.
  • b. In aanvulling op en in afwijking van het bepaalde onder a is een afwijking niet vereist indien:
    • 1. op basis van een aanvullend en/of definitief onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
    • 2. ver-, nieuwbouw van bestaande gebouwen, waarbij de oppervlakte van het gebouw, gelegen op minder dan 1 meter boven peil, in generlei wordt vergroot of veranderd;
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. een bodembewerking dieper dan 0,30 meter
    • 2. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan 0,30 meter
    • 3. het vellen, rooien, zaaien en aanplanten van bomen en andere houtopstanden, voor zover het beplanting betreft die niet in de wet natuurbescherming is geregeld;
    • 4. het graven, vergraven, dan wel verbreden of dempen van watergangen en poelen;
    • 5. het aanbrengen van bovengrondse en ondergrondse transport-energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur, met uitzondering van het aanbrengen van leidingen ten behoeve van de aansluiting van percelen op het openbare voorzieningennet.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met dit plan wordt in elk geval wordt begrepen:

  • a. gronden en opstallen te gebruiken, dan wel te doen laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.
  • b. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor permanente bewoning.
  • c. het gebruik ten behoeve van een prostitutiebedrijf.
  • d. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  • e. het storten van puin en afvalstoffen;
  • f. de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen.

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

A. Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van::

  • a. ten aanzien van ondergeschikte punten met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen in het terrein en met dien verstande dat: de op de kaart aangegeven afstand tussen enige bebouwingsgrens en enige weggrens niet wordt verkleind, de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  • b. voor afwijkingen ten aanzien van de voorgeschreven afmetingen van de bebouwing, met dien verstande dat de afwijkingen niet meer dan 10% bedragen van de in deze voorschriften genoemde, dan wel op de kaart aangewezen of te herleiden maten;
  • c. ten aanzien van het bepaalde over het bouwen van (hoofd)gebouwen binnen het bebouwingsvlak en toe te staan dat de grenzen van het bebouwingsvlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
    • 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
    • 2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
    • 3. (hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, met dien verstande dat:
    • 4. de bebouwingsgrens met niet meer dan 1,50 meter wordt overschreden;
    • 5. de afstand van een erker tot de naar de weg gekeerde perceelgrens ten minste 3 meter bedraagt
    • 6. de gezamenlijke oppervlakte per erker ten hoogste 6 m² bedraagt
    • 7. de oppervlakte van een erker niet wordt meegerekend bij de toegestane oppervlakte aan aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen per woning, met dien verstande dat het maximale bebouwingspercentage van het bouwperceel onverminderd van toepassing blijft.
  • d. het bepaalde in het plan en toestaan dat een tijdelijke mantelzorgunit geplaatst wordt bij woningen, niet zijnde recreatiewoningen, ten behoeve van mantelzorg, met dien verstande dat:
    • 1. de te realiseren woonruimte en de bewoning ervan noodzakelijk zijn uit oogpunt van mantelzorg;
    • 2. door het gemeentelijke WMO/zorgloket of een deskundige (indicatiesteller) is aangetoond dat de extra bebouwing noodzakelijk is in verband met medische, psychische en/of sociale omstandigheden;
    • 3. de oppervlakte van units op een bouwperceel ten hoogste 100 m2 bedraagt;
    • 4. de bebouwing in een langdurige behoefte aan mantelzorg zal voorzien;
    • 5. de unit uitsluitend wordt gebruikt voor mantelzorg en deze wordt verwijderd na afloop van de mantelzorg voor de persoon waarvoor deze afwijking wordt toegepast. Het bevoegd gezag neemt hiertoe voorwaarden op in de omgevingsvergunning;
    • 6. de mantelzorgunit ten minste 4 m achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd/geplaatst;
  • e. het bepaalde in het plan en toestaan dat de plaatsing van mini-turbines tot 2 meter boven de nok op daken van bedrijfsgebouwen wordt toegestaan mits de totale hoogte van gebouw en turbine niet hoger wordt dan 15 m;
  • f. in het bepaalde in het plan en toestaan dat in welstandsgebieden miniwindturbines op daken worden geplaatst tot maximaal 1 m boven de nok van daken;
  • g. het bepaalde in het plan en toestaan dat zonnepanelen buiten het bouwblok worden geplaatst met dien verstande dat:
    • 1. aangetoond wordt dat deze panelen geplaatst worden ten behoeve van het eigen bedrijf en/of de eigen woning;
    • 2. de maximale toegestane oppervlakte bij een woonbestemming 50 m² bedraagt;
    • 3. de maximale toegestane oppervlakte bij overige bestemmingen max. 150 m² bedraagt dan wel een grotere oppervlakte indien onderbouwd is dat deze ten dienste van het eigen bedrijf nodig is;
    • 4. grootschalige zonnevelden buiten het bouwblok mogen worden geplaatst als aangetoond kan worden dat deze het doel hebben om meerdere huishoudens/bedrijven/LDE (Lokaal Duurzaamheids Energie-initiatief) binnen De Wolden van energie te voorzien;
    • 5. de maximale oppervlakte afhankelijk is van het landschap waarin de panelen worden aangelegd;
    • 6. voor de maatvoering wordt verwezen naar bijlage 7 Deel 4 Landschappelijk Ontwikkelingskader (LOK) .
  • h. het bepaalde in het plan en toestaan dat bedrijfswoningen na bedrijfsbeëindiging worden gebruikt als woning met dien verstande dat gebruik wordt gemaakt van de bestaande inrit.
  • i. het bepaalde in het plan en toestaan dat gronden gebruikt worden voor de aanleg van een fietspad.

B. Een omgevingsvergunning als bedoeld in dit artikel mag slechts worden verleend indien deze niet leidt tot een onevenredige aantasting van:

  • het bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
  • voor de plaatsing van windmolens en zonnepanelen dient bij de vergunningverlening rekening te worden gehouden met Deel 4 Landschappelijk Ontwikkelingskader (LOK).

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 9 Overgangsrecht

A. Overgangsrecht bouwwerken

  • 1. Bouwwerken, welke bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel in uitvoering zijn of mogen worden opgericht krachtens een bouwvergunning, waarvan de aanvraag voor het bovengenoemde tijdstip is ingediend en die afwijken van het plan, mogen:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijkingen naar hun aard niet worden vergroot;
    • b. gedeeltelijk worden uitgebreid, mits de oppervlakte met niet meer dan 10% wordt vergroot;
    • c. met inachtneming van de naar de weg gekeerde bestemmingsgrens, tenzij zulks onmogelijk is, geheel worden vernieuwd indien het bouwwerk door een calamiteit is verwoest, één en ander behoudens onteigening en mits de aanvraag om bouwvergunning binnen twee jaar na de calamiteit is ingediend.
  • 2. Het bepaalde onder 1 geldt niet voor bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, doch zonder bouwvergunning zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

B. Overgangsrecht gebruik

  • 1. Het gebruik van gronden en opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen daarvan, mag worden gehandhaafd.
  • 2. Het bepaalde onder 1 geldt niet voor het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • 3. Wijziging van het met het plan strijdige gebruik van gronden en opstallen is verboden, tenzij door deze wijziging van het gebruik de afwijking van het plan niet wordt vergroot.

Artikel 10 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Zuidwolderweg 38-40 Echten.

Aldus vastgesteld door de Raad in de vergadering te dato p.m.