| Plan: | Buitengebied, deelplan Gedempte Hoofddiep 26, Kerkenveld |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1690.2022BP1002016-VG01 |
Initiatiefnemer is eigenaar van de paardenhouderij/manege aan de Gedempte Hoofddiep 26 te Kerkenveld en wil het bestaande bedrijf uitbreiden. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het vigerend bestemmingsplan omdat de bedrijfsactiviteiten niet meer aansluiten bij de vigerende agrarische bestemming. Om het plan alsnog mogelijk te maken is het noodzakelijk een juridisch-planologische procedure te volgen om de huidige bestemming te wijzigen in de bestemming 'Sport-Manege'. Ook zal in deze procedure het bouwvlak in zuidelijke richting worden vergroot.
Het onderhavige plan wordt juridisch-planologisch verankerd door het bestemmingsplan partieel te herzien. Voorliggend plan voorziet hier in. In deze toelichting wordt het plan toegelicht en wordt aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Kerkenveld aan de ontsluitingsweg Gedempte Hoofddiep. Het plangebied wordt omringd door agrarisch gebied en een aantal woonbestemmingen langs de Gedempte Hoofddiep.
Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Zuidwolde, sectie L, nummers 856 (gedeeltelijk), 857 en 211. De ligging van het plangebied is in figuur 1.1 weergegeven.
Figuur 1.1: ligging en begrenzing van het plangebied
Ter plaatse van het plangebied geldt de beheersverordening 'Buitengebied' dat is vastgesteld op 28 februari 2019. In deze beheersverordening heeft het plangebied de volgende (dubbel)bestemmingen en aanduidingen (zie figuur 1.2):
Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan "Buitengebied" (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
'Agrarisch - Aanverwante bedrijven'
Het overgrote gedeelte van het plangebied is als zodanig bestemd. Ter plaatse van deze bestemming mag het gezamenlijke bebouwde oppervlak maximaal 2.500 m2 bedragen. Initiatiefnemer heeft plannen om de manege uit te breiden met 2.475 m2 extra bebouwing. Dit is niet mogelijk binnen de huidige bestemming. Daarnaast bevat het bestemmingsplan geen afwijkings-, wijzigings- en/of uitwerkingsbevoegdheden om het plan alsnog mogelijk te maken. Herbestemming is derhalve noodzakelijk.
'Agrarisch'
Een deel van het plangebied is bestemd als 'Agrarisch'. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven. Een paardenhouderij/ manege valt hier niet onder en is derhalve niet toegestaan. Daarnaast bevat het bestemmingsplan geen afwijkings-, wijzigings- en/of uitwerkingsbevoegdheden om het plan alsnog mogelijk te maken. Herbestemming is derhalve noodzakelijk.
Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'
Deze dubbelbestemmingen beogen de bescherming van eventueel voorkomende archeologische resten in de bodem en bevat voorwaarden ten aanzien van deze bescherming voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit aspect is nader verantwoord in paragraaf 4.9.
Conclusie
Omdat onderhavig plan niet direct bij recht is toegestaan en vanwege het ontbreken van binnenplanse afwijkings-, wijzigings-, en/of uitwerkingsbevoegdheden is het noodzakelijk het vigerende bestemmingsplan te herzien. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het onderhavige plan juridisch-planologisch verankerd.
De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit acht hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe, etc.). Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie en de beoogde situatie. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond vanuit de relevante milieu- en omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water. Hoofdstuk 5 geeft een (juridische) toelichting op de regels. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 van dit plan ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, oftewel het (voor)overleg, de inspraak en de procedure.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten zuiden van Kerkenveld aan de Gedempte Hoofddiep. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een paardenhouderij / manege met circa 2.500 m2 bedrijfsbebouwing. De manege bestaat uit de volgende onderdelen:
Tussen de buiten rijbanen, stapmolen, longeercirkel en de paddox is het plangebied deels verhard met klinkers dat tevens plaats biedt aan parkeergelegenheid. Het plangebied wordt omsloten door een kleine sloot en het westelijke deel van het plangebied wordt omringd door struikgewas binnen de sloten. Ten zuiden van het plangebied liggen agrarisch gronden die worden gebruikt voor het weiden van de epaarden. Het plangebied wordt aan de oostzijde door een verharde op/-afrit ontsloten naar de Gedempte Hoofddiep.
Het huidige bouwvlak is gesitueerd op de helft van het perceel (zie figuur 1.2) en wordt in de huidige situatie nagenoeg volledig benut door de bestaande bouwwerken. Deze situering zorgt ervoor dat er weinig tot geen ruimte is voor ondernemingsruimte / uitbreiding.
Figuur 2.1: luchtfoto huidige situatie van het plangebied
In de beoogde situatie wordt de manege in de eerste plaats als zodanig juridisch-planologisch bestemd waardoor sprake is van een passende bestemming. Daarnaast wordt het bouwvlak vergroot. Met de bouwvlakvergroting kan het bedrijfsperceel beter worden benut ten behoeve van de bestemming ‘Sport-Manege’. Zoals in de toekomstplannen van de initiatiefnemer valt te zien (zie Bijlage 1 Uitbreidingsplan Vogelzang) zal dit niet betekenen dat het gehele perceel wordt volgebouwd met stallen.
Het zorgt echter wel voor meer uitbreidingsmogelijkheden en ook de mogelijkheid om te investeren in duurzaamheid en paarden welzijn. In de onderstaande figuur is een situatietekening en een 3D impressie weergegeven van de beoogde situatie.
Te realiseren plannen:
Privé
In totaal maakt het planvoornemen de bouw van 2.475 m2 bedrijfsbebouwing mogelijk aanvullend op de huidige toegestane hoeveelheid van 2.500 m2 waardoor er totaal 4.975 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig zal zijn.
Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het bedrijf blijven de bestaande singels en hagen gehandhaafd. Aan de zijde van de weg worden 4 eikenbomen aangeplant en langs de inrit 4 fruitbomen. Het erfplan is onderstaand weergegeven. Het erfplan op schaal is als bijlage 2 opgenomen bij deze toelichting.
Figuur 2.2 Erfplan
Onderstaand is per singel een omschrijving gegeven van de bestaande en te handhaven situatie.
Singel A
Deze singel is de oudste bestaande singel met daarin volwassen bomen zoals berk en eik. Daartussen zitten struiken als de meidoorn en lijsterbes. Het gaat hier om een smalle singel die in de breedte gesnoeid wordt om de bebouwing ernaast te beschermen en begroeiing in de sloot te voorkomen.
Singel B en C
Deze 2 singels zijn tegelijkertijd aangeplant. Om het bebouwingsvlak rondom te ontsluiten en ook om de zuidwesten wind die vooral vanuit de vlakte veel kracht heeft te breken. Vooral tijdens het voorjaar wanneer de akkers net ingezaaid zijn en de bodem relatief droog is, kan het behoorlijk stof doen op waaien. Hierdoor is er destijds voor een relatief dichte begroeiing gekozen in combinatie met een groen blijver in de winter.
De aangeplante soorten zijn onder andere laurier, amelanchier lamarckii en Cornus alba. In de Singel C zijn er om de +/- 10 meter eiken bomen geplant. De singels zijn inmiddels goed gegroeid naar een hoogte van ongeveer 3 meter. De eiken bomen steken hier boven uit. Inmiddels groeien er ook meidoorn, lijsterbes en andere soorten in deze singel. Het onderhoud in deze singels betreft nu vooral de breedte bij snoeien en verdunning voor het behoudt van lucht voor de eiken bomen.
Singel D
Deze singel is ook een combinatie van verschillende beplantingen die reeds op het terrein aanwezig waren. Deze beplanting is tijdens de bouw van de rijhal verplaatst rondom de stapmolen en voorzijde paddocks.Deze singel bevat ook meidoorn, lijsterbes, andere soorten en aantal jonge berken bomen. Onderhoud van deze singel bestaat vooral in het snoeien in de breedte en verdunning.
Singel E
Deze singel is ook een van oudere leeftijd. Hierin staan vooral populieren van hogere leeftijd. Tussen deze populieren staan een aantal eiken bomen van verschillende leeftijden. Komende jaren zullen er een aantal populieren plaats moeten maken om de eikenbomen meer lucht te geven. Tussen de bomen groeien verschillende soorten struiken zoals de meidoorn, lijsterbes en hazelaar.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
In dit geval is geen sprake van een lokale ontwikkeling waarmee Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit plan.
Algemeen
In de Omgevingsvisie 'Omgevingsvisie Drenthe 2018' (september 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Drenthe de Omgevingsverordening Drenthe vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.
Omgevingsvisie Drenthe 2018
Deze omgevingsvisie is het strategisch kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijk domein. De provincie heeft een aantal ambities en belangen opgesteld. De provincie ziet 5 belangrijke ontwikkelingen in de toekomst:
Provinciale omgevingsverordening Drenthe
De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Planspecifiek
Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Hoogeveen en valt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. Sluit aan bij het geldend beleid.
De gemeentelijke Structuurvisie 2010-2030 is een strategisch beleidsdocument met een uitvoeringsparagraaf. De structuurvisie is vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2011 en is alleen bindend voor de opsteller, in dit geval de gemeente.
In de structuurvisie De Wolden komen de ruimtelijke thema's voor de gemeente aan bod.
De visie kan in vier hoofdlijnen worden opgedeeld:
De gemeente De Wolden kiest in de structuurvisie ervoor om haar grootste kwaliteit, het zijn van een plattelandsgemeente, te behouden en te versterken. Het zijn van een plattelandsgemeente betekent in De Wolden dat het aanwezige landschap drager is voor de nieuwe ontwikkelingen.
De sector recreatie en toerisme is belangrijk voor de plattelandsgemeente. Gebieden in De Wolden zijn van oudsher bekend om de paardenfokkerijen. De hippische sector is goed vertegenwoordigd in de gemeente. De paardensector is een economische motor met potentie voor de gemeente. Daarom wil de gemeente De Wolden de hippische sector verder versterken. Dit houdt in dat in de regelgeving meer ruimte gegeven moet worden aan de paardenhouderij. De visie is positief over de paardenhouderij en wil deze in de gemeente verder uitbreiden.
Doorwerking in en conclusie voor het onderhavige plan
De gemeente De Wolden wil de hippische sector verder versterken en uitbreiden. De Wolden kenmerkt zich als een paardengemeente en wil hierom ook meer ruimte geven aan paardenhouderijen. De voorgenomen ontwikkeling betreft het uitbreiden van een paardenhouderij/ manege onder de kern Kerkenveld. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de structuurvisie.
Het plangebied is op de visiekaart aangeduid als 'landschap van de hoogveenontginningen'. De uitbreiding van de paardenhouderij/ manege bevindt zich binnen de bestaande verkaveling. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee geen nadelig effect op de karakteristieken van het bestaande landschap.
De gemeenteraad heeft op 29 november 2012 het Landschappelijk Ontwikkelingskader (LOK) vastgesteld. Het LOK is een instrument waarbij de samenhang tussen de verschillende landschappen, stedenbouwkundige aspecten, uitbreidingsplannen en functieveranderingen op elkaar worden afgestemd.
Er worden in het LOK randvoorwaarden aangegeven waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. Er worden 'rode' en 'groene' middelen aangereikt die gebruikt kunnen worden voor het creëren van bij het landschap en het dorp passende dorpsranden.
Doorwerking in en conclusie voor het onderhavige plan
Het plangebied is gelegen in het hoogveengebied. De bebouwing vormt een lang lint aan de hoofdontginningsas. Op de kruisingen van wegen liggen de dorpskommen van Alteveer en Kerkenveld. Het achterliggende gebied is relatief open, verspreid liggende bosjes en laagbeplanting zorgen echter toch voor enige beslotenheid. Een aandachtspunt is om het verkavelingspatroon te accentueren door de positionering van erfbeplanting. De huidige erfbeplanting wordt niet weggehaald, waardoor het verkavelingspatroon in stand blijft. Het voorliggend plan is in lijn met het LOK.
Verder dienen de paardenbakken op het achtererf gerealiseerd te worden en niet op het voorerf. Hier wordt in de bestaande en beoogde situatie aan voldaan.
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.
VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering”
Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'.
De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering (waaronder een onderzoek naar de feitelijke milieubelastende activiteiten) kan hiervan worden afgeweken.
Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).
Tabel 4.1: Richtafstanden en omgevingstype
Type gebied: buitengebied
Kijkend naar deze definitie omschrijving uit de VNG brochure moet de omgeving van de Gedempte Hoofddiep getypeerd worden als een 'buitengebied'. Langs de Gedempte Hoofddiep, nabij het plangebied, bevinden zich hoofdzakelijk agrarische bedrijven en woningen. De omgeving wordt derhalve beschouwd als 'buitengebied'. De richtafstanden kunnen niet met één stap worden verkleind.
Milieubelastende activiteit of milieuhinder gevoelige functie
De te realiseren uitbreiding betreft een milieubelastende activiteit. Er moet derhalve worden getoetst of omliggende milieugevoelige functies last ondervinden van de milieubelastende activiteit.
Nabijgelegen milieugevoelige functies
Om te kunnen beoordelen of omliggende milieugevoelige functies last ondervinden van het onderhavige plan als milieubelastende activiteit dient bepaald te worden wat de richtafstand is van het bedrijf, aan de hand daarvan kan gekeken worden of milieugevoelige activiteiten gelegen zijn binnen die afstand. In tabel 4.2 hieronder staat de bedrijfsactiviteit met richtafstand weergegeven van de milieubelastende activiteit gelegen in het plangebied.
Tabel 4.2: richtafstanden activiteiten in de omgeving
| Omschrijving cf. systematiek VNG-richtlijn | Richtafstand (m) | Milieu bepalend aspect | |||||
| Maneges | 50 | Geur | |||||
In het voorliggende geval betreft een bestemmingswijziging en vergroting van het bouwvlak.
In de nabijheid van het plangebied zijn 2 maatgevende woningen gelegen, hieronder in tabel 4.3 staat de afstand tussen de bedrijfsbestemming in het plangebied en het bestemmingsvlak van de woningen weergegeven. Hierbij wordt uitgegaan van de rand van het plangebied gezien bedrijfsactiviteiten uitgevoerd mogen worden op het gehele bedrijfsperceel.
Tabel 4.3: Afstanden omliggende woningen
| Adres | Feitelijke afstand (m) |
| Gedempte Hoofddiep 28 | 112 |
| Gedempte Hoofddiep 35 | 20 |
Op basis van bovenstaande tabel kan gesteld worden dat de Gedempte Hoofddiep 28 geen hinder zal ondervinden van de uitbreiding. Voor de Gedempte Hoofddiep 35 geldt het volgende:
In de bestaande situatie is het bouwvlak reeds gelegen op 20 meter van de woonbestemming. Bovendien is de afstand tussen deze woning en de plaats van het dichtstbijzijnde emissiepunt of locatie waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden groter dan 50 meter waardoor gesteld kan worden dat ter plaatse van deze woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Afbeelding 4.1: Afstand dichtstbijzijnde emissiepunt tot woonbestemming
Richtafstanden (tot emissiepunten) worden niet overschreden. Het aspect milieuzonering zorgt niet voor een belemmering voor de realisatie van voorliggend plan.
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
Wegverkeerslawaai
Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:
De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:
Spoorweglawaai
Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.
De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.
Industrielawaai
Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.
De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.
In het onderhavige plan worden geen geluidgevoelige objecten gerealiseerd. Andersom geeft het plan geen overlast aan omliggende woningen omdat aan de richtafstand van 30 meter voor geluid wordt voldaan. De afstand vanaf de meest in de nabijheid gelegen woning (Gedempte Hoofddiep 35) tot aan de inrichting in onderhavig plangebied waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden (de oprit) bedraagt circa 55 meter. In de nabijheid van het plangebied liggen geen spoorwegen. De VNG-richtafstand wordt niet overschreden waardoor voor het aspect geluid naar de omgeving geen belemmeringen zijn te verwachten.
Het aspect geluid vormt geen belemmering mits hogere toelaatbare waarden worden vastgesteld.
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.
Het bestemmingsplan maakt geen gevoeliger bestemming mogelijk. Ten behoeve van het gebruik hoeft de bodemkwaliteit niet in beeld te worden gebracht. Bij de realisatie van bebouwing zal het aspect bodem nogmaals getoetst worden bij de vergunningaanvraag.
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan.
In de wet- en regelgeving omtrent de luchtkwaliteit zijn de Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit uitgewerkt. Dit is uitgewerkt in de volgende stukken:
In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) is bepaald dat luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen indien:
NIBM
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Hierin worden de volgende categorieën genoemd:
Het voorliggende plan voorziet in de bestemmingswijziging en vergroting van het bouwvlak waarbij mogelijk sprake is van een geringe toename aan verkeer. De toename staat niet in verhouding tot het aantal verkeersbewegingen met bijbehorende uitstoot naar aanleiding van 1.500 woningen of een kantoorruimte van 100.000 m2. In vergelijking hiermee kan voorliggend project worden aangemerkt als NIBM.
Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.
Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg)
Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
Met behulp van de risicokaart is beoordeeld of er risicobronnen in en rond het plangebied aanwezig zijn. In figuur 4.2 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Fig
uur 4.2 uitsnede risicokaart
In de nabijheid van het plangebied zijn enkele risicobronnen gelegen. De meest nabij gelegen risicobron betreffen vijf gasleidingen, gelegen op circa 1 kilometer van het plangebied.
De voorgenomen ontwikkeling betreft geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object, om die reden vormt externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het voorliggende plan.
Op basis van bovenstaande valt te concluderen dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan.
Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.
Beleidskader
Nationaal Waterplan 2016-2021
In 2015 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke punten uit het nationaal waterplan zijn:
Nationaal Bestuursakkoord Water
Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot het aanscherpen van een aantal begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's. Ook is een nieuwe fase aangebroken in het samenwerkingsproces, waarbij het zwaartepunt verschuift van planvorming naar uitvoering. Het NBW is een uitwerking van de uitvoering van waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit.
Kaderrichtlijn Water (KRW)
Door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit en ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRWwaterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe, dit betekent dat de toestand van de wateren er niet op achteruit mag gaan. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen.
Het voorliggende plan voorziet in de bestemmingswijziging en vergroting van het bouwvlak waardoor bouwmogelijkheden ontstaan. Het planvoornemen ansich heeft geen impact op de waterhuishoudkundige situatie, de bouwmogelijkheden kunnen dat wel hebben. Ten behoeve van het voorliggende plan voorliggende plan is een digitale watertoets uitgevoerd, daaruit is onderstaande uitgekomen.
Digitale watertoets
Op 18 juli 2022 is de digitale watertoets uitgevoerd. Uit de beantwoording van de vragen blijkt dat de normale procedure van toepassing is. De informatie die het waterschap in augustus over deze normale procedure heeft overlegd, is in deze paragraaf verwerkt / gespecificeerd. De thema's die van voor het planvoornemen van belang zijn, betreffen:
Wateroverlast
Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot water-op-straat of wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. Er wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die gemeenten stellen aan:
Compensatie nieuwbouw kleine plannen >1500 - <5000m2
Voor kleine plannen geldt als regel dat 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet voor berging ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende hemelwater. De toekomstplannen van het bedrijf voorzien in een uitbreiding van de bebouwing met 2.475 m2. Deze plannen worden geleidelijk gerealiseerd.
Uitgaande van deze totale toename aan extra verharding zal een waterbergend oppervlak van circa 248 m2 aangelegd waarin maximaal 30 cm peilstijging is toegestaan. Het waterschap adviseert om de waterberging te ontwerpen op basis van bij voorkeur vertraagde afvoer anders infiltratiesituatie.
Plan specifiek
In de afgelopen jaren heeft initiatiefnemer flink geïnvesteerd in de waterhuishouding van de bedrijfslocatie. Rondom de bedrijfslocatie en op de scheiding van het land en de bebouwing zijn nieuwe sloten gegraven. Voor de bestaande sloten, die door de vorige eigenaar slecht waren onderhouden, heeft initiatiefnemer groot onderhoudt gepleegd. Hierbij is de natuurlijke loop van het waterverloop behouden. Dit wil zeggen dat de sloten in dit gebied richting de braamberg lopen.
Door de gedane investering in de waterhuishouding is het waterbergend oppervlak drastisch toegenomen. Het hemelwater van de extra bebouwing kan voldoende kunnen worden afgevoerd en opgevangen in de bestaande en de nieuw gegraven sloten
Waterkwaliteit
Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico's voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren.
Afvoer hemelwater
Kwaliteit afvoer hemelwater: Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afstromende hemelwater te garanderen. Licht vervuild hemelwater (bijvoorbeeld van een woonstraat) wordt via een bodempassage geloosd op het oppervlaktewater.
Inrichtingseisen oppervlaktewater
Doorspoeling oppervlaktewater: Geïsoleerde vijverpartijen of watergangen worden vermeden. Het watersysteem wordt ontworpen met aandacht voor doorspoeling.
Peilbeheersing: het waterschap kan sturen in de waterkwaliteit door bijvoorbeeld water in te laten of juist af te voeren. Vooral in gebieden net droogvallende sloten is het belangrijk hier rekening mee te houden.We adviseren om watergangen en vijvers een minimale waterdiepte te geven van 100 cm.
Verontreiniging
Microverontreinigingen: Er worden geen uitloogbare materialen gebruikt die tot een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen leiden.
Agrarische terrein: de inrichting van het agrarische terrein moet dusdanig zijn dat een overmatige toevoer van stikstof en/of fosfaat naar het watersysteem wordt voorkomen. Er wordt onder andere rekening gehouden met bemestings- en spuitvrije zones langs watergangen.
Schoonmaakmiddelen en waterkwaliteit: Alle toegelaten schoonmaakmiddelen zijn milieuvriendelijk, maar mogen niet zonder meer rechtstreeks in oppervlaktewater worden geloosd. Formeel is daar een vergunning op basis van Art. 6.2 lid 1 van de Waterwet (het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam) voor nodig. Een watervergunning wordt niet verleend wanneer een riolering in de buurt aanwezig is.
De voorkeursvolgorde voor afvalwaterstromen is als volgt:
Planspecifiek
Bij de bouw van de bedrijfsgebouwen worden alleen niet-uitlogende materialen toegepast teneinde de kwaliteit van het afstromend water te garanderen. Schoon hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater.
Bij de uitwerking van de watercompensatie worden de genoemde inrichtingseisen voor het oppervlaktewater in acht genomen om de waterkwaliteit te garanderen. De mest van de paarden wordt via containers van het bedrijf afgevoerd. Het erf, de rijbakken en de paddocks worden schoongehouden. Dat betekent dat de paardenmest dagelijks wordt opgeruimd. De uitspoeling van nutriënten naar het grondwater wordt hierdoor geminimaliseerd.
De paarden worden gewassen op een speciaal ingerichte wasplaats. Deze is aangesloten op het gemeente riool. Het wasmiddel dat voor de paarden gebruikt wordt is groene zeep.
Riolering
Optimaliseren aanvoeren afvalwater naar de rioolwaterzuivering. Verminderen van hydraulische belasting van de rioolwaterzuivering en beperken van riooloverstorten op het oppervlaktewater.
Beleid en regelgeving
Gemeentelijk rioleringsbeleid: de gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. In het plan wordt rekening gehouden met het gemeentelijke rioleringsbeleid. Afvalwater en hemelwater worden op de perceelgrens gescheiden aangeboden. Eventueel geldt er een bergingseis (zie wateroverlast).
Voorkeursvolgorde afvoer hemelwater: Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat het afstromend hemelwater ter plaatse in het milieu worden teruggebracht (afkoppelen). Dat kan door infiltratie in de bodem of door berging in het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de voorkeur om daar waar mogelijk, het hemelwater oppervlakkig af te voeren en te infiltreren in de bodem. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater.
Lozing afvalwater: Voor de lozing van afvalwater (al het water waarvan de initiatiefnemer zich moet ontdoen) op oppervlaktewater vanuit een woning of een (agrarisch) bedrijf gelden de volgende regels:
Rioolcapaciteit
Rioolcapaciteit: De capaciteit van het huidige rioolstelsel kan een aandachtspunt vormen. Bij uitbreiding van het rioolstelsel wordt rekening gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Planspecifiek
Het bedrijfsmatige riool is afzonderlijk van het riool van het huis. Voor het bedrijf zit er een verzamelput in de kapschuur. Welke met een persleiding naar het gemeente riool gaat. Op het bedrijfsmatige deel zit; de wasplaats, de wc's van de kantine en de afvoer van de gootsteen in de kantine.
Al het schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de omliggende sloten. Dit door middel van hemelwaterafvoeren en straatkolken.
Beheer en onderhoud
Het beheer en onderhoud is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden. Het betreft zowel waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterbeleving. De inrichting van het gebied dient zodanig te zijn, dat het beheer en onderhoud van het watersysteem op efficiënte en effectieve wijze mogelijk is. Bij nieuw aan te leggen water vindt overleg met het waterschap plaats.
Wijze van onderhoud watersysteem: Er wordt rekening gehouden met de wijze van onderhoud (varend of vanaf de kant) en de daarbij geldende voorwaarden. Voor werkzaamheden binnen de aangegeven zones van het waterschap is een vergunning op grond van de Waterwet noodzakelijk.
Rijdend onderhoud vanaf de kant: Bij onderhoud vanaf de kant geldt een obstakelvrije zone van 5m vanaf de boveninsteek van de watergang.
Toegankelijkheid van water: alle wateren die een functie hebben in de waterhuishouding (afvoer, aanvoer of berging) liggen in openbaar gebied.
Planspecifiek
Initiatiefnemer heeft in de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in de waterhuishouding van de bedrijfslocatie. Slecht onderhouden sloten zijn inmiddels geschoond. Ook zijn er nieuwe sloten gegraven om de afwatering van de bedrijfslocatie te verbeteren. Het onderhoud van de sloten is derhalve op orde.
Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
Wet natuurbescherming
De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken.
Natura 2000
De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend.
Soortbescherming
De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming':
De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden.
Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.
Het voorgenomen plan betreft een bestemmingswijziging en bouwvlak vergroting. Hierdoor ontstaan er nieuwe bouwmogelijkheden. Het aspect flora en fauna zal geen directe belemmeringen ondervinden van het voornemen, indien naar aanleiding van het plan bouwwerken gerealiseerd worden en of uitgebreid worden zal beoordeeld moeten worden of er sprake is van aantasting van flora en/of fauna.
De locatie valt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en is niet binnen 5 km van een Natura 2000 gebied gelegen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significante toename aan vervoersbewegingen en zal om die reden in combinatie met de afstand tot een N2000-gebied de stikstofdepositie naar verwachting geen belemmering vormen.
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van de Wet Natuurbescherming.
Algemeen
Wet op de archeologische monumentenzorg
In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven.
Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
Onderzoek
Het plangebied heeft, volgens de vigerende bestemmingsplan, geen (verhoogde) verwachtingswaarde betreffende de aanwezigheid van archeologisch materiaal. Conform het vigerende bestemmingsplan geldt voor graafwerkzaamheden met een oppervlak groter dan 30.000 m² en die over dit gehele oppervlak dieper in de bodem reiken dan 30 cm geen onderzoeksplicht. Voorliggend plan betreft een herbestemming waarbij gronden niet worden geroerd. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
Conclusie
Op basis van bovenstaande valt te concluderen dat het aspect archeologie geen belemmering oplevert voor de realisatie van het onderhavige plan.
Ook voor het plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Algemeen
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn archeologische monumenten kaarten en gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaarten opgesteld.
De Archeologische Monumenten Kaart (AMK) bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. In het plangebied zijn geen archeologische monumenten aanwezig waarmee rekening gehouden dient te worden.
De gemeente De Wolden heeft de 'Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente De Wolden' opgesteld. Hierin worden waardevolle gebieden op basis van de combinatie van historische (steden)bouwkunst en historisch cultuurlandschap. .
Onderzoek
Het plangebied heeft een lage archeologische en cultuurhistorische verwachtingswaarde op basis van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Tevens zijn er op basis IKAW geen (rijk)monumenten gelegen binnen het plangebied en/of in de directe omgeving.
Daarnaast geldt voor het plangebied geen cultuurhistorische waarden op basis van het vigerend bestemmingsplan.
Op basis van de Cultuurhistorische waarden kaart van de gemeente De Wolden bevindt zich een waardevol gebied nabij het plangebied aan de Braambergerweg te Kerkenveld. Dit gebied wordt gekenmerkt door bebouwing van vroeg 20e-eeuwse ontginningsboerderijen. De Braambergerweg ligt parallel aan de Gedempte Hoofddiep. Het plangebied valt echter buiten dit waardevolle gebied zoals te zien is op afbeelding 4.3
Afbeelding 4.3: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart De Wolden
Conclusie
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. De bebouwing in het plangebied zijn niet aangewezen als (rijks)monument en het betreffen geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. In de (directe) omgeving van het plangebied is het cultuurhistorisch waardevolle gebied van de Braambergerweg gelegen. Het voorliggend plan vormt geen belemmering voor dit gebied. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Het aspect erfgoed vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat. In dit geval wordt voor wat betreft de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie aangesloten bij publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW deze publicatie opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte.
Voor het plangebied worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Verkeer
Het planvoornemen heeft mogelijk een vergroting van het bedrijf tot gevolg en de daarmee gepaarde verkeersbewegingen. De in- en uitrit aan de Gedempte Hoofddiep zal gelijk blijven aan de bestaande situatie.
Beoordeeld dient te worden of de verkeerswegenstructuur berekend is op de toename die met het planvoornemen zal ontstaan. Onderstaand zijn de berekeningen op basis van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' weergegeven.
| Buitengebied, weinig stedelijke gemeente | |||||
| verkeersgeneratie per bezette box | aantal eenheden | Totaal | |||
| Manege - bestaand | 4 | 44 | 176 | ||
| Manege - Nieuw | 4 | 23 | 92 | ||
| Totaal | 268 | ||||
Door het toevoegen van 23 extra paardenboxen worden 92 extra verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd. Dit betreffen dusdanig lage aantallen waar het omliggende wegennetwerk geen moeite zal ondervinden om het te verwerken.
Op basis van bovenstaand kan worden geconstateerd dat het plangebied goed bereikbaar is en het omliggende wegennetwerk de relatief beperkte toename aan verkeersbewegingen eenvoudig kan opvangen.
Parkeren
| Buitengebied, weinig stedelijke gemeente | |||||
| aantal eenheden | parkeernorm | benodigde parkeerplaatsen | |||
| Manege - bestaand | 44 | 0,4 | 17,6 | ||
| Manege - Nieuw | 23 | 0,4 | 9.2 | ||
| Totaal | 26.8 | ||||
Uit de parkeernormennota volgt dat met het planvoornemen 27 parkeerplaatsen op eigen terrein nodig zijn om aan de parkeernormennota te kunnen voldoen.
Op het eigen terrein zijn 25 vaste parkeerplekken aanwezig (zie figuur 4.3). Per lesuur zijn maximaal 7 klanten aanwezig waardoor de berekende parkeerbehoefte van 27 parkeerplaatsen niet altijd nodig is. Ten zuiden van de oprit, in het weiland, is ook ruimte om te parkeren. Deze ruimte is altijd beschikbaar en wordt bijvoorbeeld ten tijde van piekmomenten (zoals wedstrijden) gebruikt als aanvulling op de vaste parkeerplaatsen.
Figuur 4.3 weergave parkeervoorzieningen
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
Aardgastransportleidingen
In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen.
Hoogspanningsleidingen
In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen.
Rioolleidingen
De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering.
Watertransportleidingen
In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen.
Straalverbindingen
In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen.
Kabels en niet planologisch relevante leidingen
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.
In en nabij het plangebied van dit plan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen:
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.
Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:
Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.
Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets.
Op basis van deze vormvrije m.e.r.-toets neemt de gemeente een formeel besluit dat een mer-procedure niet doorlopen hoeft te worden. Het aspect MER vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Het bestemmingsplan is vervat in planregels, een verbeelding en een toelichting.
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn conform de RO-standaarden 2012 onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan.
De toelichting heeft géén bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
In de volgende paragrafen is een toelichting opgenomen van de in de regels opgenomen bestemmingen.
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
Artikel 1: Begrippen
In dit artikel worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn.
Artikel 2: Wijze van meten
In dit artikel wordt beschreven op welke wijze de in de regels voorgeschreven maatvoeringen gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2: De bestemmingsregels
In het bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor:
Artikel 3 Agrarisch
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarisch grondgebruik. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. Er zijn enkel andere bouwwerken toegestaan.
Artikel 4 Sport-manege
Binnen deze bestemming zijn de gronden onder andere bestemd voor sport doeleinden in de vorm van een manege.
Artikel 5 Waarde - Archeologie
Binnen deze dubbelbestemming zijn gronden eveneens bestemd ter bescherming van mogelijke archeologische waarden.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan.
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het overgangsrecht voor bouwwerken dient ter vergroting van de rechtszekerheid voor bouwwerken die bestonden of mochten worden gebouwd op het moment waarop dit plan in werking treedt en die afwijken van dit plan. Het opnemen van deze regel en de redactie daarvan is wettelijk voorgeschreven. Bouwwerken die al met het eerder geldende plan in strijd waren, vallen niet onder het overgangsrecht van het nu voorliggende plan.
Het overgangsrecht voor het gebruik van gronden en bouwwerken dient ter vergroting van de rechtszekerheid voor gebruik dat bestond op het moment waarop dit plan in werking treedt en die afwijken van dit plan. Het opnemen van deze regel en de redactie daarvan is wettelijk voorgeschreven. Vormen van gebruik die al met het eerder geldende plan in strijd waren, vallen niet onder het overgangsrecht van het nu voorliggende plan.
Slotregels
Tenslotte geeft de slotregel aan onder welke naam de regels dienen te worden aangehaald.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van een manege/ paardenhouderij. Deze ontwikkeling maakt daarmee een bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.
De gemeente heeft met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten over grondexploitatie (een anterieure overeenkomst). Hierin zijn afspraken gemaakt over de betaling van de gemeentelijke kosten. De kosten van grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden zijn hiermee anderszins verzekerd. Het maken van een exploitatieplan is niet nodig.
De procedures voor de vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
In het Bro is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
Vanuit het Waterschap Drents Overijsselse Delta is aangegeven dat de waterparagraaf aangevuld dient te worden met de informatie van het waterschap zelf. Hierop is paragraaf 4.7 aangevuld.
De provincie Drenthe heeft aangegeven dat het plan gepaard dient te gaan met een erfinrichtingsplan dat inzicht geeft op de impact op de zichtbaarheid van het achterliggende gebied. In bijlage 2 bij de toelichting is het inrichtingsplan bijgevoegd. Tevens is paragraaf 2.3 van de toelichting hierop aangevuld en is het inrichtingsplan vastgelegd in de regels. De provincie heeft aangegeven in te kunnen stemmen met toegevoegd inrichtingsplan.
Met de buren, in een straal van 250 meter rondom de locatie, is gesproken over het planvoornemen. Van deze gesprekken is een verslag gemaakt. Deze is bijgevoegd als bijlage 3 aan deze toelichting.
De reacties van de buren zijn positief. De buren geven aan dat ze momenteel geen hinder van het bedrijf ervaren. En dat ze vonden dat het bedrijf er netjes bij ligt. Het plan kan rekenen op goedkeuring van de buren.
De procedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens de artikelen 3.7 en 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan heeft in dit kader, voor een periode van zes weken, ter inzage gelegen. Gedurende deze zes weken zijn geen zienswijzen bij de gemeenteraad naar voren gebracht.
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.