direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Linden, Steegstraat 8a
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1684.WPLISteegstr8a-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voornemen bestaat om aan de Steegstraat te Linden een nieuwbouwwoning te realiseren. Deze ontwikkeling is op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Kern Linden 2006' niet rechtstreeks toegestaan. Wel is in het vigerende bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt. In het kader daarvan is dit wijzigingsplan opgesteld.

1.2 Ligging en grens plangebied

Het plangebied ligt aan de Steegstraat te Linden, tussen de huisnummers 8 en 10, aan de zuidzijde van de kern Linden. Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied weergegeven in een bredere context.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.WPLISteegstr8a-VA01_0001.png"

Afbeelding 1. Ligging plangebied in groter verband (bron: PDOK viewer).

Op afbeelding 2 is de grens van het plangebied geprojecteerd op een kadastrale ondergrond. Het plangebied betreft het perceel kadastraal bekend als Cuijk, sectie M, nummer 192 en heeft een oppervlakte van 685m².

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.WPLISteegstr8a-VA01_0002.png"

Afbeelding 2. Plangebied (blauw omlijnd) op een kadastrale ondergrond (bron: PDOK viewer).

1.3 Vigerend bestemmingsplan

1.3.1 Kern Linden 2006

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kern Linden 2006'. Ter hoogte van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Woondoeleinden W1'. De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van vrijstaande woningen, met dien verstande dat hoofdgebouwen gebouwd dienen te worden binnen een bouwvlak. Binnen het plangebied is echter geen bouwvlak opgenomen, waardoor de realisatie van de beoogde woning niet is toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.WPLISteegstr8a-VA01_0003.png" Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).

Wel is in het bestemmingsplan binnen de bestemming 'Woondoeleinden W1' een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee ter hoogte van het plangebied onder voorwaarden een woning mogelijk kan worden gemaakt. De voorwaarden luiden als volgt:

  • a. Binnen het bouwvlak mag maximaal 1 woning worden gebouwd.
  • b. De woning dient te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma en het provinciaal volkshuisvestingsbeleid.
  • c. Door voorafgaand onderzoek dient te zijn aangetoond dat er geen belemmeringen
    zijn met betrekking tot de volgende uitvoeringsaspecten: water, bodemverontreiniging, geluidhinder, milieuzonering, flora en fauna, luchtkwaliteit, archeologie en financieel-economische uitvoerbaarheid.
  • d. De woning dient te worden gebouwd met de voorgevel gekeerd naar de openbare
    weg.
  • e. De voorgevel dient evenwijdig dan wel nagenoeg evenwijdig aan die openbare weg te worden gebouwd.
  • f. Aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per vrijstaande woning en 1,8 parkeerplaatsen per halfvrijstaande woning.

Aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Er wordt middels dit wijzigingsplan maximaal 1 woning mogelijk gemaakt en deze past binnen het provinciaal en regionaal volkshuisvestelijk beleid en het gemeentelijk woningbouwprogramma. Verder is in hoofdstuk 4 de onderzoekstechnische inpasbaarheid aangetoond en is in hoofdstuk 6 de financieel-economische uitvoerbaarheid aangetoond. Tot slot wordt de voorgevel nagenoeg evenwijdig aan de openbare weg gerealiseerd en wordt voorzien in 2 parkeerplaatsen op eigen terrein.

1.3.2 Paraplubestemmingsplan Parkeren

Op 3 februari 2020 is het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' vastgesteld door de gemeenteraad van Cuijk en met ingang van 26 maart 2020 is het bestemmingsplan onherroepelijk in werking getreden. In dit bestemmingsplan zijn de gemeentelijke parkeernormen verankerd, waarbij in het betreffende plan is verwezen naar de 'Nota Parkeernormen 2016-2023' of diens opvolger.

Op basis van de momenteel geldende 'Nota Parkeernormen 2016-2023' valt het plangebied binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Voor een vrijstaande woning geldt een parkeernormen van 2,3 parkeerplaatsen per woning, waarvan het aandeel voor bezoekers 0,3 per woning bedraagt.

Afgerond betekent dit 2 parkeerplaatsen per woning. Op de voorzijde van het perceel wordt voorzien in 2 parkeerplaatsen, waarmee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. De ontwikkeling past kortom binnen de kader van het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren'.

1.4 Leeswijzer

In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het beleidskader dat van toepassing is op de beoogde ontwikkeling. Hoofdstuk 4 gaat in op diverse, voor het plan relevante, planologische en milieutechnische aspecten. De juridische aspecten en de haalbaarheid van het plan staan achtereenvolgens beschreven in de hoofdstukken 5 en 6. Deze toelichting wordt afgesloten met hoofdstuk 7 waarin de wijzigingsplanprocedure wordt beschreven.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plan

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is sprake van een tuin behorende bij de Steegstraat 10, te midden van bestaande woonbebouwing. Het perceel vormt daarmee bij uitstek een geschikte inbreidingslocatie. Aan de zuid- en noordzijde grenst het plangebied aan bestaande woningen. Aan de westzijde grenst het aan een agrarisch perceel en aan de oostzijde ligt de Steegstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.WPLISteegstr8a-VA01_0004.png"

Afbeelding 4. Luchtfoto bestaande situatie met het plangebied rood omlijnd (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl).

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Planbeschrijving

In de toekomstige situatie wordt binnen het plangebied een vrijstaande woning gerealiseerd. Op afbeelding 5 is een impressie weergegeven van de beoogde toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.WPLISteegstr8a-VA01_0005.png"

Afbeelding 5. Impressie toekomstige situatie binnen het plangebied.

Op basis van de regels gelden voor de woning de volgende voorwaarden:

  • De goothoogte van een hoofdgebouw moet minimaal 2,50 meter en maximaal 6,50 meter bedragen.
  • De bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer dan 9,00 meter bedragen.
  • De breedte van een hoofdgebouw moet minimaal 5,00 meter bedragen.
  • De afstand tussen hoofdgebouw en zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 2,50
    meter bedragen.

In het kader van de omgevingsvergunning aanvraag zal hieraan getoetst worden.

Het parkeren zal overeenkomstig de gemeentelijke parkeernormen plaatsvinden op eigen terrein. Er is voorzien in twee parkeerplaatsen. Hiervoor is op het perceel voldoende ruimte aanwezig.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

In de op 13 maart 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028 en is aangegeven welke nationale belangen daarbij aan de orde zijn. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Voor het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de SVIR in het geding zijn.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Per 1 juli 2017 luidt het tweede lid van art. 3.1.6 als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”

In het voorliggende geval is slechts sprake van de realisatie van één vrijstaande woning. De Raad van State (201302867/1/R4 ) beschouwt dergelijke kleine initiatieven niet als stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op het voorliggende initiatief.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Met uitzondering van enkele onderdelen is het Barro eind december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele aanvullingen/wijzigingen in werking getreden.

In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het gaat om de volgende nationale belangen:

  • Rijksvaarwegen.
  • Project Mainportontwikkeling Rotterdam.
  • Kustfundament.
  • Grote rivieren.
  • Waddenzee en waddengebied.
  • Defensie.
  • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen.
  • Elektriciteitsvoorziening.
  • Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament.
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).
  • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde
  • Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

In het voorliggende geval is in relatie tot de bovengenoemde nationale belangen uitsluitend sprake van ligging binnen het radarverstoringsgebied van de vliegbasis Volkel, hetgeen onderdeel uitmaakt van het nationale belang 'Defensie'. Op basis van het Barro gelden in een radarverstoringsgebied bouwhoogtebeperkingen voor bouwwerken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Voor het plangebied geldt een maximale hoogte van 65 +NAP. Binnen het plangebied is het realiseren van bebouwing met een dergelijke hoogte niet toegestaan.

Geen van de bovengenoemde belangen zijn kortom bij het voorliggende initiatief in het geding. Er is kortom geen sprake van strijdigheid met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De omgevingsvisie bevat de ambities voor de Brabantse leefomgeving tot 2050. Daarnaast zijn mobiliserende tussendoelen opgesteld voor de periode tot 2030.

De basisopgave van de omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn de volgende vier hoofdopgaven geformuleerd:

  • a. Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • b. Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • c. Werken aan de slimme netwerkstad;
  • d. Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één woning. De ontwikkeling is niet in strijd met de algemene beleidskaders zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Noord-Brabant. De nadere toetsing aan het provinciale beleid vindt plaats in relatie tot de 'Interim omgevingsverordening Noord-Brabant' zoals opgenomen in paragraaf 3.2.2.

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 25 oktober 2019 is de 'Interim omgevingsverordening Noord-Brabant' vastgesteld. In deze verordening zijn alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving opgenomen. Hiermee vervangt deze verordening de voorheen afzonderlijk van toepassing zijnde Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De interim omgevingsverordening zal op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, worden opgevolgd door de definitieve omgevingsverordening.

De verordening bestaat uit tekst en kaartmateriaal. De tekst bevat regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het nemen van ruimtelijke besluiten. Aan de hand van de kaart kan vastgesteld worden waar welke regels van toepassing zijn.

In de omgevingsverordening zijn voorwaarden opgenomen met betrekking tot stedelijke ontwikkelingen in z'n algemeenheid en de nieuwbouw van woningen in het bijzonder. Stedelijke ontwikkelingen, waaronder de nieuwbouw van woningen, dienen in principe binnen de bestaande stedelijke gebieden plaats te vinden. Dit in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik. Het plangebied valt binnen het besluitvlak 'Structuur - Bestaand stedelijk gebied, kern in landelijk gebied', waarmee wordt voldaan aan deze voorwaarde. De begrenzing hiervan is weergegeven op de navolgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.WPLISteegstr8a-VA01_0006.png"

Afbeelding 6. Uitsnede kaart 3: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoedImpressie. 

Verder verwacht de provincie van gemeenten dat zij bij de bouw van woningen en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor, rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. In het voorliggende geval wordt hieraan voldaan. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 3.3.

Het voorliggende wijzigingsplan past kortom binnen de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3 Regionaal en gemeentelijk beleid

3.3.1 Regionaal en gemeentelijk woningbouwbeleid

Regionale woningbouwafspraken

In mei 2017 heeft de provincie Noord-Brabant haar bevolkings- en behoefteprognose geactualiseerd. De prognose is een belangrijk richtinggevend kwantitatief instrument voor het volkshuisvestelijke beleid van de gemeente. In de provinciale prognose wordt gewerkt met een 'hoog scenario' (1.255) en een 'laag scenario' (1.040). Het verschil tussen beide scenario's zit in het al dan niet inlopen van het in 2017 becijferde woningtekort (215).


In relatie tot de nieuwe prognose heeft de gemeenteraad in zijn vergadering van 18 december 2017 een nieuw woningbouwprogramma voor de periode 2018-2030 vastgesteld. In het programma is toen rekening gehouden met de toevoeging van 128 woningen verdeeld over de verschillende kernen, waaronder Linden.


Regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk

In 2018 hebben de vijf gemeenten in het Land van Cuijk een nieuwe gezamenlijke regionale woningmarktstrategie vastgesteld. Uitgangspunt is dat in de periode tot en met 2029 de gemeenten streven naar de realisatie van 3.000 tot 4.000 woningen. De gemeenten geven hierbij samen sturing aan de regionale woningmarkt Land van Cuijk. Gemeentelijke autonomie is belangrijk en blijf daarin geborgd. Er is voor alle gemeenten volop ruimte voor een eigen woningbouwprogramma. Jaarlijks maken de gemeenten afspraken over programma en samenwerking. Deze regionale woningmarktstrategie bevat hiervoor de kaders die lokaal om een nadere uitwerking vragen in gemeentelijke (jaar)programma's.


Gemeentelijk programma

Op basis van de prognose en de uitgangspunten van de regionale woningmarktstrategie, wordt jaarlijks het woningbouwprogramma geactualiseerd, waarbij de nieuwste inzichten telkens richtinggevend zijn. Dit programma is ook een jaarlijkse actualisering van het in 2017 vastgestelde woningbouwprogramma.


De groei van het aantal woningen in de kern Linden is in grote lijnen beperkt tot een aantal inbreidingslocaties - voorzien van de bevoegdheid tot wijziging van het bestemmingsplan - waarmee invulling gegeven wordt aan kleine en individuele ontwikkelingen. Het voorliggende plan is daarvan een voorbeeld en is als zodanig ook opgenomen in het gemeentelijk programma.

3.3.2 Structuurvisie Cuijk 2030 - De Koers van Cuijk

Op 25 september 2017 heeft de gemeenteraad van Cuijk de Structuurvisie Cuijk 2030 “De Koers van Cuijk” vastgesteld. De Structuurvisie Cuijk 2030 geeft op hoofdlijnen invulling aan de toekomstige ruimtelijke inrichting van het Cuijkse grondgebied voor de beleidsthema’s uit de Strategische Visie Cuijk 2030: Recreatie & Toerisme, Wonen & Leefbaarheid en Werken & Economie. Het grondgebied van de gemeente is in de structuurvisie opgedeeld in twee gebieden:

  • a. het op de hogere gronden gelegen Dynamisch Cuijk;
  • b. vitaal landelijk Cuijk, het lager gelegen gebied.

In beide gebieden blijven ontwikkelingen mogelijk. Uitgangspunten daarbij zijn: water (als kans), innovatie en duurzaamheid (als ambitie) en samenwerking (als middel).

Het plangebied is gelegen in het gebied 'Dynamisch Cuijk', en betreft een 'Landelijk dorp'. De altijd al aanwezige dynamiek in 'Dynamisch Cuijk' dient behouden en versterkt te worden. Belangrijk is dat dit gebied zich blijft ontwikkelen, zowel in landschappelijk als in economisch opzicht, om haar nieuwe identiteit en kwaliteit inhoud en vorm te kunnen geven. Ten opzichte van Vitaal landelijk Cuijk, biedt Dynamisch Cuijk meer mogelijkheden voor 'stedelijke' ontwikkelingen en/of grootschaligere c.q. bezoekersintensievere ontwikkelingen die bijdragen aan de gewenste ambitie om een aangename en veelzijdige leef- en werkomgeving te creëren met goede basisvoorzieningen en oog voor kwaliteit en duurzaamheid. Daar waar geen bestaande bebouwingslocatie aanwezig is, dient terughoudend te worden omgegaan met het faciliteren van ontwikkelingen.

 

Op het gebied van wonen wil de gemeente blijven werken aan een aantrekkelijke, veilige en duurzame woon- en leefomgeving. In Cuijk is het prettig wonen in gevarieerde woonmilieus; van stedelijk in de kern Cuijk tot zeer landelijk in de kleinere dorpskernen. De kwaliteit van het wonen kan aantrekkelijker worden gemaakt door ontwikkelingen te stimuleren en daarbij de leidende principes te hanteren. In de kern Cuijk moeten daartoe de woon- en centrumfuncties versterkt worden, onder meer door meer diversiteit in aanbod. Voor de gemeente Cuijk ligt er tot en met 2030 nog een bouwopgave van circa 1.500 woningen.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de ontwikkeling van één woning binnen de kern Linden, een kleine landelijke kern binnen de gemeente Cuijk. Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'Landelijk dorp'. Er wordt ingezet op het inbreiden en transformeren binnen het bestaand stedelijk gebied. Hierbij dient er rekening gehouden te worden met het vergroenen en het realiseren van toekomstbestendige woningen.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de invulling van een tuin binnen bestaand stedeleijk gebied, waarvoor in het vigerende bestemmingsplan reeds een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen waarmee ter plaatse de realisatie van een woning mogelijk kan worden gemaakt. Binnen het plangebied wordt één duurzame woning gerealiseerd. Het initiatief sluit daarmee aan bij de Structuurvisie Cuijk.

3.3.3 Nota Parkeernormen 2016-2023

Op 6 juni 2016 heeft de gemeente Cuijk de ‘Nota Parkeernormen Auto en fiets Gemeente Cuijk '2016-2023’ vastgesteld, als opvolger van de Nota Parkeernormen 2009-2015. Het parkeernormenbeleid van de gemeente is erop gericht dat bij ontwikkelingen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor auto’s en fietsen, zodat een goede parkeersituatie is geborgd. Het uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein wordt opgelost.

De parkeernormen zijn vastgelegd in het op 3 februari 2020 door de gemeenteraad van Cuijk vastgestelde en per 26 maart 2020 onherroepelijk in werking getreden 'Paraplubestemmingsplan Parkeren'. In dit bestemmingsplan is verwezen naar de 'Nota Parkeernormen 2016-2023' of diens opvolger.

Op basis van de momenteel geldende 'Nota Parkeernormen 2016-2023' valt het plangebied binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Voor een vrijstaande woning geldt een parkeernormen van 2,3 parkeerplaatsen per woning, waarvan het aandeel voor bezoekers 0,3 per woning bedraagt.

Afgerond betekent dit 2 parkeerplaatsen per woning. Op de voorzijde van het perceel wordt voorzien in 2 parkeerplaatsen, waarmee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

Hoofdstuk 4 Onderzoeksaspecten

4.1 Akoestiek wegverkeer

In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn voorwaarden opgenomen ten aanzien van de toelaatbare geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai op geluidgevoelige functies. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woning. Een woning wordt in het kader van de Wet geluidhinder gezien als een geluidgevoelige functie.

Voor het toevoegen van een dergelijke functie binnen de onderzoekszone van een weg, spoorlijn of geluidgezoneerd industrieterrein moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. Het plangebied is echter niet gelegen in de buurt van het spoor of een geluidsgezoneerd industrieterrein. Op ongeveer 635 m van de projectlocatie ligt de snelweg A73, welke een onderzoekszone van 250 m heeft. De aangrenzende Steegstraat betreft een 30 km/uur weg. Een 30 km/uur weg is op grond van de Wet geluidhinder niet onderzoeksplichtig, een dergelijke weg heeft geen geluidzone. Een akoestisch onderzoek wegverkeer is daarmee op grond van de Wet geluidhinder niet vereist. Desondanks kan het wenselijk om in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer over een 30 km/uur weg inzichtelijk te maken.

Omdat de verkeersintensiteiten ter plaatse beperkt zijn doordat de hoofdontsluiting van Linden richting het oosten loopt en niet langs het plangebied, wordt het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter evenmin noodzakelijk geacht. Vanuit geluid als gevolg van wegverkeerslawaai kan er redelijkerwijs van uitgegaan worden dat sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai of industrielawaai geen belemmering vormt voor het plan.

4.2 Milieuzonering en bedrijvigheid

Woningen vormen geen milieubelastende functie. Medewerking aan de realisatie van nieuwe woningen is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woning kan worden gegarandeerd en dat daarnaast bedrijven in de omgeving als gevolg van de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd.

Er dient daarom getoetst te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen woonfunctie en of de nieuwe woonfunctie een belemmering kan vormen voor in de omgeving gelegen bedrijvigheid. Toetsing vindt over het algemeen plaats met behulp van de richtafstanden zoals deze voor functies zijn opgenomen in brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

Rondom het plangebied is met name sprake van woonpercelen. Op circa 115 meter ten noorden is er een horecagelegenheid gevestigd (Herbeghe de pannecoecke). Op circa 165 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een nog een horecagelegenheid (Koffieschenkerij Frappe). Voor beide inrichtingen geldt milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.

Geconcludeerd wordt dat de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten in de omgeving geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woning. Daarnaast worden milieubelastende activiteiten in de omgeving als gevolg van het plan niet beperkt in hun mogelijkheden.

Op basis van het bovenstaande kan kortom worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen bestaan. In de toekomstige woning zal naar verwachting sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

4.3 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten:

  • Het plaatsgebonden risico.
  • Het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Het groepsrisico

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans op overleven. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.WPLISteegstr8a-VA01_0007.png" Afbeelding 6: Uitsnede risicokaart omgeving plangebied, met het plangebied rood gemarkeerd (bron: www.risicokaart.nl).

Inrichtingen

Het externe veiligheidsbeleid voor handelingen met en opslag van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), welke in 2004 in werking zijn getreden.

Aan de noordzijde van het plangebied ligt op ca. 580 m een propaantank, behorende bij de jachthaven ter plaatse. Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 of binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er geen risicovolle bedrijven of activiteiten binnen of nabij het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Evenmin worden door het plan risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.

Buisleidingen

Uit de risicokaart blijkt dat binnen of nabij het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied ligt verder niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten.

Transportroutes

Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen over onder meer wegen, spoorlijnen en vaarwegen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Transportroutes over de weg

Op meer dan 600 meter ten oosten van het plangebied ligt de A73. De A73 is een hoofdtransportroute, waar ook gevaarlijke stoffen over worden vervoerd. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de A73. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de A73 voor wat betreft toxische gassen.

Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Vanwege de ligging op meer dan 200 meter van de transportroute kan op basis van artikel 8, lid 1 worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bij een beperkte verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items:

  • De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.
  • De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). Hieraan wordt onderstaand invulling gegeven.


Voor wat betreft de mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval geldt dat de kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied gelet op de tussenliggende afstand zeer klein is. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit wijzigingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.


Ten aanzien van de zelfredzaamheid geldt dat bij blootstelling aan een toxische gaswolk (het maatgevende scenario) schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid vormt. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.


Van belang hierbij is dat een gebouw waarin personen schuilen geen buitenlucht naar binnen blaast via ventilatiesystemen. Om dit te voorkomen kan een centraal geschakelde mechanische ventilatievoorziening worden aangebracht. In het kader van veiligheid en zelfredzaamheid wordt daarom geadviseerd om bij de toekomstige nieuwbouw te voorzien in een dergelijke voorziening. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Dit mede vanwege het feit dat met ingang van 1 januari 2018 het streven erop is gericht om het WAS uit te faseren.


Tot slot dient te worden opgemerkt dat het wijzigingsplan formeel ter advies dient te worden voorgelegd aan de veiligheidsregio.

Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour 10-6 of het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding, spoorweg of vaarweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Wel is sprake van ligging binnen het invloedsgebied van de A73. Gelet op de afstand en de beperkte omvang van het initiatief dient formeel invulling te worden gegeven aan de verantwoording van het groepsrisico.

Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er verder geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied.

4.4 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen. Indien met een ruimtelijk besluit ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dienen de effecten daarvan op de luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt te worden. Als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan dan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering:

  • a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • c. Een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM

In het 'Besluit niet in betekende mate bijdragen' (Besluit NIBM) is opgenomen wanneer plannen 'NIBM' zijn en niet verder hoeven te worden onderzocht ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Dit is het geval indien de concentratietoename van bepaalde stoffen minder is dan 3%. De belangrijkste bron van stoffen die van invloed zijn op de luchtkwaliteit is verkeer. Hierbij zijn de belangrijkste stoffen fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2).

Voor woningen geldt dat indien sprake is van maximaal 1.500 woningen met minimaal één ontsluitingsweg, dat een project altijd niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dergelijke projecten zijn dus vrijgesteld van nadere toetsing. Aangezien in dit geval slechts sprake is van de toevoeging van één woning, draagt het project kortom niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit . Er hoeft voor de luchtkwaliteit geen nadere toets aan de Wet milieubeheer plaats te vinden.

Achtergrondwaarden

In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. De luchtkwaliteit wordt in Nederland gemonitord door middel van het NSL. Volgens de monitoringstool uit het NSL bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse minder dan 35 µg/m³, de concentratie PM2,5 µg/m³ minder dan 20 µg/m³ en de concentratie NO2 minder dan 35 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. De luchtkwaliteit ter plaatse is in de huidige situatie daarom voldoende voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Kabels en leidingen

Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen relevante kabels en leidingen aanwezig waarmee rekening dient te worden gehouden.

4.6 Bodemonderzoek

Ten behoeve van de bestemmingswijziging naar een woonbestemming is een bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 1 bij deze toelichting is opgenomen.

Uit het verkennend bodemonderzoek is naar voren gekomen dat de onderzoeksresultaten geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen woningbouw.

4.7 Water

In deze paragraaf wordt ingegaan op de wijze waarop bij de voorgenomen ontwikkeling wordt omgegaan met water. Allereerst wordt kort ingegaan op beleidsmatige aspecten, waarna vervolgens wordt ingegaan op waterhuishoudkundige aspecten in relatie tot de beoogde ontwikkeling.

Beleid

Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021

Het Waterschap Aa en Maas heeft een waterbeheersplan en een watertoets opgesteld. Hierin wordt beschreven welke doelstellingen het waterschap wil halen in de periode van 2016 tot 2021. De Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant zijn verwerkt in dit plan. Ook wordt er rekening gehouden met de Europese Kaderrichtlijn Water, waarin voor leden van de Europese Unie doelstellingen zijn opgenomen om de waterkwaliteit in Europa veilig stellen en de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte af te zwakken. De kaderrichtlijn Water verplicht de lidstaten om duurzaam met water om te springen .

 

In de watertoets omschrijft het waterschap haar doelen:

  • Voorkomen van vervuiling;
  • Wateroverlastvrij bestemmen;
  • Hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  • Vuil water en hemelwater scheide;
  • Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer;
  • Waterschapsbelangen;
  • Meervoudige ruimtegebruik;
  • Water als kans.

Het Waterschap Aa en Maas streeft ernaar om verontreiniging zoveel mogelijk te voorkomen. Het reguliere gebruik van de gebouwen en gronden brengt geen verontreiniging van het water met zich mee.

 

Brabant Keur

Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. Deze bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Op basis van de Keur geldt dat bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 2.000 m², het waterschap geen nader eisen stelt aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid.

Beleid gemeente Cuijk

De gemeente gaat uit van het principe dat al het verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Dat wil zeggen dan voor elke vierkante meter toekomstig verhard of bebouwd oppervlak 60 mm berging dient te worden aangelegd. Ook dient 50% van de tuinen meegeteld te worden.

Hemelwater

In de huidige situatie is sprake van een tuin. Voor zowel de woning als de overige verhardingen, geldt dus dat sprake is van een toename van het verhard oppervlak, waarvoor de gemeentelijke eisen ten aanzien van de te realiseren infiltratiecapaciteit gelden.

De afvoer van hemelwater vindt plaats via infiltratie in de bodem binnen het plangebied. Bij de bouw van de woning wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Dit om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen.

De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, zullen hierbij in acht worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen overeenkomstig de daarvoor geldende gemeentelijke richtlijnen, voldoende capaciteit hebben om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem.

Afvalwater

Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel.

Conclusie

Als gevolg van het voornemen tot realisatie van de vrijstaande woning ontstaan er naar verwachting geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemming of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer. Hierdoor zijn er geen negatieve consequenties te verwachten ten aanzien van de waterhuishouding.

4.8 Archeologie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken.

Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de bepalingen over omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving van de Erfgoedwet overgaan naar de Omgevingswet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan.

De gemeente Cuijk heeft haar eigen archeologisch beleid vastgesteld in de vorm van het 'Archeologisch Beleidsplan Gemeente Cuijk'. Op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Cuijk, als onderdeel van het beleidsplan, heeft het plangebied het beschermingsregime 'Waarde – Archeologie 5'. Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm archeologisch onderzoek nodig is. Aangezien geen sprake is van een ingreep met een oppervlakte van 2.500 m² in combinatie met een diepteverstoring van 50 cm, kan archeologisch onderzoek achterwege blijven.

Wel geldt te allen tijde de verplichting, dat mocht men bij de werkzaamheden stuiten op archeologische resten en/of sporen, dit moet worden gemeld aan het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Cuijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.WPLISteegstr8a-VA01_0008.png"

Afbeelding 7: Uitsnede beleidskaart archeologie gemeente Cuijk 2009, projectlocatie rood omkaderd

4.9 Cultuurhistorie

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.

 

Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Zoals is te zien op de navolgende afbeelding ligt het plangebied binnen de cultuurhistorische landschappen, zoals aangeduid door de provincie Noord-Brabant. De provincie wil deze waarden graag behouden, en hier dient rekening mee te worden gehouden in het geval van eventuele ontwikkelingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.WPLISteegstr8a-VA01_0009.png"

Afbeelding 8: Uitsnede cultuurhistorischewaardenkaart provincie Noord-Brabant 2016 , projectlocatie rood omkaderd

Aangezien in het voorliggende geval slechts sprake is van de ontwikkeling van een woning te midden van reeds bestaande woningen, wordt geen negatieve invloed uitgeoefend op in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden.

4.10 Ecologie

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.

Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • a. vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • b. verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • c. verbeteren: de omgeving zo beïnvloed en dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, 'Sint Jansberg', bevindt zich op circa 5,5 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van licht en geluid uitgesloten. Gezien de zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen ten gevolge van één woning en de zeer beperkte effecten van de aanleg van één woning in combinatie met de afstand, is een significante toename van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied eveneens redelijkerwijs uit te sluiten. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is daarmee niet aan de orde.


Het plangebied is verder niet gelegen binnen of in de directe nabijheid van het Natuur Netwerk Brabant. Het dichtsbijzijnde gebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuur Netwerk Brabant ligt op meer dan 700 meter van het plangebied. De wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het Natuur Netwerk Brabant zullen daarom niet worden aangetast. Nader onderzoek wordt kortom niet noodzakelijk geacht.

Soortenbescherming

In de Wet natuurbescherming is soortenbescherming geregeld ten aanzien van alle beschermde in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.


Voor het plangebied geldt dat slechts sprake is van een tuin zonder noemenswaardige begroeiing. Beschermde soorten zijn binnen het plangebied kortom niet te verwachten en eventuele gevolgen voor beschermde soorten zijn, gelet op de aard van het plangebied en de beperkte omvang en impact van het initiatief, redelijkerwijs uit te sluiten.

Conclusie

Gezien de aard van het plangebied en de beperkte omvang van de ontwikkeling, kunnen gevolgen voor beschermde soorten redelijkerwijs worden uitgesloten. Verder geldt gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling dat geen significant negatieve invloed wordt uitgevoerd op omliggende natuurgebieden zoals Natura 2000-gebieden. Vanuit het aspect ecologie bestaan er kortom geen belemmeringen.

4.11 M.e.r.-beoordeling

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden, waarin een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen is. Deze procedure geldt voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt.

Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.”

In het voorliggende geval is echter slechts sprake van de realisatie van één woning op een tuin te midden van reeds bestaande woonbebouwing. Een dergelijk kleinschalig initiatief op een relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden, betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Verder is in de overige paragrafen in dit hoofdstuk aangetoond dat de ontwikkeling geen significante invloed heeft op de omgeving. In het kader van de ontwikkeling hoeft daarom geen milieueffectrapport te worden opgesteld en hoeft ook geen verdere m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Algemeen

Bij het opstellen van dit wijzigingsplan is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit wijzigingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het wijzigingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan.

5.2 Wijzigingsplan

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden uiteengezet.

Hieronder volgt per toegepaste bestemming en gebiedsaanduiding een korte toelichting:

Wonen

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor een vrijstaande woning. Het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. De goothoogte van de woningen bedraagt minimaal 2,5 m en maximaal 6,5 m. De bouwhoogte mag niet meer dan 9 m bedragen. Verder moet de breedte van de woning minimaal 5 m bedragen en moet het hoofdgebouw minimaal 2,5 m van de zijdelingse perceelgrens worden gesitueerd. Deze uitgangspunten zijn overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan 'Kern Linden 2006'.

Tevens zijn binnen de bestemming 'Wonen' bijgebouwen, overkapingen, tuinen, erven, verhardingen en voorzieningen voor de opvang en infiltratie van hemelwater toegestaan.

Waarde - Archeologie 5 

In verband met de voor het plangebied geldende hoge archeologische verwachtingswaarde is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. Bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² met een diepte van maar dan 50 cm is archeologisch onderzoek nodig. Voor de voorgenomen ontwikkeling vormt deze dubbelbestemming geen belemmering.

Vrijwaringszone - radar

In verband met de ligging binnen het radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel, is voor het plangebied de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' opgenomen. Er geldt ter plaatse een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, met een hogere bebouwing dan 65 m boven NAP. Dit in verband met het obstakelvrij kunnen functioneren van een radarinstallatie voor vliegbewegingen.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12.1) verplicht gemeenten gelijktijdig met een ruimtelijk besluit, zoals een bestemmingsplan of wijzigingsplan een exploitatieplan vast te stellen, indien er sprake is van een bij wet aangewezen bouwplan. De gemeente kan hiervan afwijken door het sluiten van een anterieure overeenkomst met de ontwikkelende partij, op basis waarvan het kostenverhaal anderszins verzekerd is.


Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten. Daarmee is het kostenverhaal anderszins verzekerd.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Procedure wijzigingsplan

7.1.1 Vooroverleg

Bij de voorbereiding van een wijzigingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het voorliggende geval zijn geen belangen van het Rijk, de provincie Noord-Brabant of Waterschap Aa en Maas in het geding. Van vooroverleg met deze instanties kan kortom worden afgezien. Wel dient het wijzigingsplan voor advies te worden voorgelegd aan de veleidheidsregio.

7.1.2 Terinzagelegging ontwerp wijzigingsplan

Overeenkomstig artikel 3.9a, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerp wijzigingsplan met ingang van woensdag 20 mei 2020 tot en met dinsdag 30 juni 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon eenieder zowel schriftelijk als mondeling zijn of haar zienswijze omtrent het ontwerp wijzigingsplan kenbaar kan maken bij burgemeester en wethouders.

Op het ontwerp wijzigingsplan zijn geen zienswijzen ingediend. Voor meer informatie wordt verwezen naar de als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen Zienswijzennota.

7.1.3 Vaststelling en beroepsprocedure

Na vaststelling door het college van burgemeester en wethouders zal het vaststellingsbesluit bekend gemaakt worden. Het wijzigingsplan ligt na bekendmaking dan 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.