| Plan: | Mariagaarde 17, Katwijk |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1684.BPMariagaarde17-VA01 |
De eigenaar van het perceel aan de Mariagaarde 17 te Katwijk heeft het plan om de voormalige winkel en de bijbehorende bedrijfswoning om te zetten naar twee burgerwoningen.
Omdat deze ontwikkeling strijdig is met het geldende bestemmingsplan, maar wel past op de locatie en gewenst is, wordt medewerking verleend. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de Mariagaarde 17 te Katwijk (NB). Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Plangebied (rode cirkel) en de omgeving (OpenStreetMaps)
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Katwijk NB', vastgesteld op 17 mei 2010 door de gemeente Cuijk.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Katwijk NB'
Voor het plangebied geldt de enkelbestemming 'Detailhandel' met een bouwvlak. Tevens ligt over het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Tot slot ligt een deel van het plangebied binnen de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie'.
Op basis van de huidige bestemming 'Detailhandel' is de ontwikkeling van twee burgerwoningen niet toegestaan. Daarnaast staan ook de regels van de 'geluidzone - industrie' niet toe dat er binnen de aangewezen cirkel nieuwe woningen gebouwd worden.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief beschreven. In hoofdstuk 4 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 6 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
Het plangebied ligt in Katwijk (NB). Katwijk is een kleine kern, gelegen in het landelijk gebied van Noord-Brabant, ten noorden van Cuijk langs de Maas. Katwijk is vooral bekend geworden door het voormalige veer over de Maas. Kenmerkend element binnen de kern is de kerktoren H. Martinus.
De Mariagaarde, Everdineweerd en de Liefkeshoek zijn de drie belangrijkste straten van het dorp. De Mariagaarde en de Everdineweerd leiden beide naar de haven van Cuijk ten noordwesten van het dorp. De Liefkeshoek leidt richting het zuiden naar het dorp Cuijk. De drie wegen ontmoeten elkaar iets ten oosten van het plangebied. De bebouwing van Katwijk concentreert zich voornamelijk rondom deze wegen.
Het plangebied ligt op de hoek van de Mariagaarde en de Pastoor Suijsstraat. Het bestaande pand neemt het overgrote deel van het plangebied in beslag. Navolgende afbeelding toont een vooraanzicht van de bestaande bebouwing. De gronden aan de voorkant van het pand zijn volledig verhard.
Vooraanzicht van het plangebied
Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Katwijk. De kern Katwijk heeft overwegend een woonfunctie, met daarin enkele andere functies zoals bedrijven en horeca. De kern bevat met name vrijstaande en halfvrijstaande woningen. Aan de overzijde van de Mariagaarde ligt ten noorden van het plangebied de eerder genoemde H. Martinus Kerk.
luchtfoto van het plangebied
Het noordelijke deel van de bebouwing in het plangebied is een voormalige buurtsupermarkt. Het zuidelijke gedeelte van het pand is als bedrijfswoning in gebruik. De verharding aan de voorzijde van het plangebied wordt gebruikt als parkeerplaats.
De voormalige buurtsupermarkt is niet meer actief. De bebouwing in het plangebied heeft daarmee zijn hoofdfunctie verloren. Om het plangebied toekomstbestendig te maken is het voornemen om binnen de bestaande bebouwing een nieuwe burgerwoning te realiseren. De bestaande bedrijfswoning wijzigt in de toekomstige situatie ook naar een burgerwoning. Navolgende afbeelding toont de inrichting van het plangebied in de toekomstige situatie.
Toekomstige inrichting plangebied (Totstand Bouwkundige Service)
De nieuwe woning zal volledig worden gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing. Er worden enkel verbouwwerkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van de uitstraling van het pand. De voorzijde van het huidige pand heeft nu nog sterk de uitstraling van een winkelpand. Bij voorliggend plan is het van belang dat het pand in de toekomstige situatie de uitstraling gaat krijgen van een woning. Met betrekking tot het materiaalgebruik van onder andere het kozijnwerk wordt aansluiting gezocht bij omliggende woningen. Daarbij wordt het verharde oppervlak aan de voor- en zijkant van het bestaande pand voor een deel ingericht als tuin. Hierbij wordt nog wel ruimte vrijgehouden voor het parkeren van auto's. Bij beide woningen is ruimte voor het parkeren van minstens twee auto's op eigen terrein.
Door de planontwikkeling liggen er in de toekomstige situatie twee burgerwoningen in het plangebied. De huidige winkelfunctie komt daarbij te vervallen.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'acute regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro.
Ladder duurzame verstedelijking
Jurisprudentie heeft uitgewezen dat er bij ontwikkelingen waarbij de toename van het aantal woningen beperkt blijft tot 11 of minder, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voorliggend plan voorziet in 1 nieuwe woning. Het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking is voor dit plan niet nodig.
Het Rijksbeleid staat de uitvoer van het initiatief niet in de weg.
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord Brabant
De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) geeft het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040) van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant en vormt een belangrijke schakel tussen de structuurvisies van het Rijk en gemeenten op het vlak van ruimtelijke ordening. In de structuurvisie is de samenhang weergegeven tussen milieu, verkeer, vervoer en water. Daarnaast houdt de structuurvisie rekening met het provinciale economische-, sociaal-, cultureel-, en ecologisch beleid. De juridische vertaling van het beleid zoals gesteld in de SVRO is opgenomen in de Verordening ruimte.
De provincie kiest voor een duurzame ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die op de provincie af komen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. Daarnaast moeten de provinciale belangen en ruimtelijke keuzes bijdragen aan het vestigings- en leefklimaat van Noord-Brabant. De fysieke leefomgeving bepaalt mede de kwaliteit van leven. De leefomgevingskwaliteit en daarmee de gezondheid staat in delen van Noord-Brabant onder druk. Naast gezondheidsbescherming via milieubeleid en risicobeheersing is aandacht nodig voor gezondheidsbevordering via ruimtelijke planvorming en duurzame inrichting van steden, dorpen en het landelijke gebied.
Planspecifiek
De SVRO doet geen specifieke uitspraken die voor onderhavig initiatief van belang zijn. De beleidsdoelstellingen vanuit de SVRO zijn nader uitgewerkt in de Verordening ruimte (zie hierna).
Verordening ruimte
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn.
Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
Planspecifiek
Het plangebied is in de Vr aangeduid als 'Bestaand stedelijk gebied, kern in landelijk gebied'. Artikelen van de Vr die van toepassing zijn op het plangebied zijn artikel 3 Bevordering ruimtelijke kwaliteit en artikel 4.1 'Stedelijke Structuur'.
Artikel 3 Bevordering ruimtelijke kwaliteit
In de Vr benoemt de provincie dat ruimtelijke kwaliteit in het algemeen inhoudt dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie van het gebied. De voormalige hoofdfunctie in het plangebied is komen te vervallen, met leegstand als gevolg. Voorliggend plan voorziet in het toekennen van een nieuwe functie aan het plangebied die passend is in de omgeving. Door het toekennen van een woonfunctie wordt de planlocatie weer toekomst bestendig. Doordat er gebruik wordt gemaakt van een bestaand pand is er daarbij sprake van zorgvuldig ruimtegebruik binnen het bestaande stedelijke gebied.
Artikel 4.2 Stedelijke ontwikkeling
Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkelingen binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvinden. Dit is in onderhavige situatie het geval, de nieuwe woning ligt binnen het besluitvlak dat het bestaand stedelijk gebied aanduidt.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het provinciaal beleid.
Regionale detailhandelsvisie
De regionale detailhandelsvisie is een document afkomstig uit de Strategische Visie Land van Cuijk, waarin is opgenomen dat er een detailhandelsvisie zal worden opgesteld, zodat lokale consequenties van de veranderende winkelmarkt regionaal het hoofd wordt geboden. Met de regionale detailhandelsvisie willen de gemeenten in het Land van Cuijk beschikken over een helder beeld van de wijze waarop de winkelvoorzieningen in de toekomst voor alle inwoners in het land van Cuijk beschikbaar zijn en blijven. De regionale detailhandelsvise geeft aan wat de kansen en mogelijkheden zijn voor verdere profilering van de regio en de toekomstige positie van grote en kleine centra en winkelontwikkelingen in de kleine kernen en periferie.
Planspecifiek
Katwijk, waar voorliggende planlocatie in ligt, maakt in de regionale detailhandeslvisie geen onderdeel uit van de regionale detailhandelsstructuur. Door voorliggend plan wordt een huidige winkelfunctie getransformeerd naar een woonfunctie. In de detailhandelsvisie staat beschreven dat gemeenten ondersteuning bieden aan transformatie van bestaande verspreid (leegstand) winkelaanbod buiten de gewenste structuur door verbreding van de bestemming met bijvoorbeeld wonen, kleinschalige bedrijvigheid of zorgfuncties. Bij voorliggend initiatief is hier sprake van.
Het initiatief sluit aan op het regionale beleid.
Welstandsnota Land van Cuijk
In de welstandsnota van het Land van Cuijk uit 2013 zijn de welstandscriteria opgenomen waaraan nieuwe plannen aan getoetst kunnen worden.
Het doel hiervan is dat de gemeenten in het Land van Cuijk hun burgers een aantrekkelijk woon- en leefklimaat willen bieden. Zij hechten belang aan herkenbaarheid en identiteit, maar willen hun burgers ook de mogelijkheid bieden zich te ontplooien en bij te dragen aan een duurzame leefomgeving en een vitale gemeenschap.
Het welstandsbeleid, vastgelegd in de welstandsnota moet niet aleen ontwikkeling mogelijk maken, maar ook kwaliteit stimuleren, en bestaande waarden beschermen. Vrijheid waar het kan, sturing en bescherming waar het moet.
Planspecifiek:
De planlocatie ligt in een gebied dat in de welstandsnota de aanduiding 'dorpshart' heeft. Er zijn geen specifieke welstandscriteria ten aanzien van dit aandachtsgebied opgenomen in de welstandsnota.
Een toelichting van de wijze waarop de nieuwe woning wordt ingepast in de omgeving is te vinden in hoofdstuk 3.
Het initiatief past binnen het welstandsbeleid van de gemeente Cuijk.
Woonvisie gemeente Cuijk
De Woonvisie van de gemeente Cuijk bestaat uit een combinatie van het gemeentelijk woningbouwprogramma én de Regionale Woningmarktstrategie Land van Cuijk. Het woningbouwprogramma van de gemeente Cuijk past qua aantallen geplande woningbouw, binnen de woningbouwcijfers/-prognoses van de provincie Noord-Brabant en de Regionale Woningmarktstrategie Land van Cuijk. De regionale woningbouwafspraken worden jaarlijks neergelegd c.q. bevestigd in de Regionale Agenda Wonen, deel A, van het Regionaal Ruimtelijk Overleg Noordoost-Brabant
Planspecifiek
Het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is in het licht van 'toevoegen van een woning aan de woningvoorraad' niet relevant. De bedrijfswoning is al een woning die is opgenomen in de woningvoorraadstatistiek, en in die zin verandert er niks.
Door het plan wordt er wel een extra woning aan het plangebied toegevoegd. De nieuwe woning is niet opgenomen in het woningbouwprogramma. Om het plan alsnog in te passen in het woningbouwprogramma, dient een bouwvolumebijdrage te worden geleverd aan de gemeente Cuijk. Hieraan wordt voldaan.
Het initiatief past binnen de Woonvisie van de gemeente Cuijk.
Structuurvisie Cuijk 2030
In de Structuurvisie Cuijk is op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weergegeven.
De structuurvisie is opgedeeld in twee gebieden:
Het plangebied is gelegen in het gebied 'Dynamisch Cuijk'. De altijd al aanwezige dynamiek in 'Dynamisch Cuijk' dient behouden en versterkt te worden. Belangrijk is dat dit gebied zich blijft ontwikkelen, zowel in
landschappelijk als in economisch opzicht, om haar nieuwe identiteit en kwaliteit inhoud en vorm te
kunnen geven. Ten opzichte van Vitaal landelijk Cuijk biedt Dynamisch Cuijk meer mogelijkheden voor 'stedelijke' ontwikkelingen en/of grootschaligere c.q. bezoekersintensievere ontwikkelingen die bijdragen aan de gewenste ambitie om een aangename en veelzijdige leef- en werkomgeving te creëren met goede basisvoorzieningen en oog voor kwaliteit en duurzaamheid. Daar waar geen bestaande bebouwingslocatie aanwezig is, dient terughoudend te worden omgegaan met het faciliteren van ontwikkelingen.
De gemeente hanteert de volgende leidende principes om te komen tot het totaalbeeld van de toekomstige ruimtelijke structuur:
Op het gebied van wonen wil de gemeente blijven werken aan een aantrekkelijke, veilige en duurzame woon- en leefomgeving. Hier is het prettig wonen in gevarieerde woonmilieus; van stedelijk in de kern Cuijk tot zeer landelijk in de kleinere dorpskernen. De kwaliteit van het wonen kan aantrekkelijker worden gemaakt door ontwikkelingen te stimuleren en daarbij de leidende principes te hanteren.
Planspecifiek
Als gevolg van voorliggende planontwikkeling wordt er een nieuwe woning mogelijk gemaakt binnen het plangebied. In de structuuvisie Cuijk benoemt de gemeente het belang dat nieuwe woningbouwplannen inspelen op de bijdrage van de kwaliteit van de woonbuurt. Tevens dienen woningbouwplannen de woningvoorraad voor de kwetsbare doelgroepen te vergroten en versterken. Flexibel, duurzaam en levensloopbestendig bouwen geniet hierbij de voorkeur. Voorliggend plan voldoet hieraan. De kleinschaligheid van de nieuwe woning maakt dat geschikt is voor zowel starters als ouderen.
Het initiatief sluit aan op het beleid uit de Structuurvisie Cuijk.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
Door het toevoegen van een extra woning wordt er een nieuwe gevoelige bestemming aan het plangebied toegevoegd. In dat kader is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is als bijlage 1 toegevoegd. De belangrijkste conclusie is dat er milieuhygiënisch geen belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling en dat er geen aanleiding is voor verder bodemonderzoek.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' is het van belang te bepalen wat de bijdrage van het plan is aan die luchtkwaliteit.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in (paragraaf 5.2). De Wet kent onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten
dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Planspecifiek
Het initiatief voorziet in de toevoeging van 1 nieuwe woning in het plangebied. Dit aantal ligt ruim onder de grens van 1.500 huizen en draagt daarmee 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Voor voorliggend document is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. In het kader van de planontwikkeling is het van belang te kijken naar het wegverkeerlawaai en industrielawaai.
Wegverkeerlawaai:
Door de ontwikkeling wordt een geluidsgevoelig object aan het plangebied toegevoegd. De nieuwe woning ligt niet binnen een geluidzone van een weg. Om te bepalen of het woon- en leefklimaat gewaarborgd is door de omliggende wegen van het plangebied, is wel akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit rapport is als bijlage 2 toegevoegd. De belangrijkste conclusie is dat er geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats vindt. Met betrekking tot het wegverkeerlawaai zijn er geen beperkingen voor het initiatief.
Industrielawaai:
Bij voorliggend plan is het relevant te kijken naar de gevolgen van industrielawaai vanwege de ligging van een industrieterrein ten noordwesten van het plangebied. De locatie van de nieuwe woning aan de voorzijde van het plangebied ligt binnen de geluidzone van dit industrieterrein. De regels van het geldende bestemmingsplan staan nieuwe woningen binnen deze zone niet toe, tenzij aangetoond kan worden dat de geluidsbelasting van de gevels van de nieuwe woning niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde. In dat kader is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het gehele rapport is als bijlage 3 toegevoegd. De belangrijkste conclusie van het rapport is dat de geluidsbelasting niet hoger da 50 dB (A) zal zijn, waardoor er geen hogere grenswaarde hoeft te worden aangevraagd. Industrielawaai staat de uitvoering van het initiatief niet in de weg.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
| geurgevoelig object gelegen in: | maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) |
| concentratiegebied binnen bebouwde kom | 3,0 ouE/m3 |
| concentratiegebied buiten bebouwde kom | 14,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom | 2,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom | 8,0 ouE/m3 |
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen danwel buiten de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.
Planspecifiek
In onderhavige situatie is de bestaande melkveehouderij aan de Everdineweerd 27 van belang. Voor dit bedrijf is geen geuremissiefactor vastgelegd. Hierdoor geldt er een afstand van 100 meter tussen het melkveebedrijf en het plangebied, dat binnen de bebouwde kom ligt. De werkelijke afstand tussen het melkveebedrijf en het plangebied bedraagt circa 200 meter. In de directe omgeving van het melkveebedrijf zijn daarbij al woningen aanwezig. In het gemeentelijk geurbeleid is de omgeving van Everdineweerd 27 aangeduid als gebied met een goed woon- en leefklimaat. In die zin kan worden gesteld dat er geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat van de nieuwe woning door de aanwezigheid van het melkveebedrijf. De nieuw te bouwen woning in het plangebied hindert daarbij de bedrijfsvoering van het melkveebedrijf aan de Everdineweerd 27 niet.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
Planspecifiek
Aan de overkant van de Mariagaarde ligt ten noorden van het plangebied de H. Martinius Kerk. Aan de oostkant ligt een café. Vanuit het aspect milieuzonering is het van belang te kijken naar de wederzijdse gevolgen tussen deze functies en de nieuwe woning.
Kerk
De publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' hanteert voor de kerk een richtafstand van 30 meter met betrekking tot het aspect geluid. De daadwerkelijke afstand tussen de kerk en de woning bedraagt 45 meter. Daarmee kan worden gesteld dat de aanwezigheid van de kerk niet leidt tot aantasting van een goed woon- en leefklimaat, noch dat de kerk wordt beperkt in de bedrijfsvoering door de planontwikkeling.
Horeca
Aan de Mariagaarde 15 direct ten oosten van het plangebied ligt 'Café Van kempen'. De publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' hanteert voor horecabestemmingen een richtafstand van 10 meter met betrekking tot het aspect geluid. De daadwerkelijke afstand tussen het pand waarin het café is gevestigd en de woning bedraagt 11 meter. Daar komt bij dat tussen het café en de nieuwe woning tevens een bedrijfswoning is gevestigd in hetzelfde pand als het café. De regels die gelden op de locatie van het café staan ook geen andere bedrijven toe dan bedrijven die gericht zijn op het ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken. Deze functies vallen ook onder milieucategorie 1, waardoor toekomstige belemmering van de bedrijfsvoering kan worden uitgesloten. Aangezien aan de richtafstand wordt voldaan zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat in de woningen binnen het plangebied.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart waarbij het plangebied is aangegeven met de zwarte pijl
Op de risicokaart is te zien dat er zich in de directe omgeving van het plangebied enkele Bevi-inrichtingen bevinden. Deze inrichtingen liggen echter allemaal op voldoende afstand van het plangebied, zodat deze geen beperking vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Op de Maas is een transportroute aanwezig. De contour voor het plaatsgebonden risico ligt echter op de Maas zelf en levert geen beperkingen op voor onderhavig initiatief. De spoorlijn wordt niet gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen.
Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.
Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapporate (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:
M.e.r.-beoordeling
Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:
Planspecifiek
In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in deze toelichting ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten.
Bij een overweging van de kenmerken van het project zijn de volgende criteria van belang: de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering en risico's voor de menselijke gezondheid.
Toetsing
Voorliggend plan betreft een functiewijziging van het plangebied waarbij de komst van een extra woning mogelijk wordt gemaakt. Deze ontwikkeling zorgt niet voor belemmering wat betreft gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder. Ook is er gezien de aard van de ontwikkeling geen verhoogd risico voor de menselijke gezondheid door bijvoorbeeld rampen.
De mate van kwetsbaarheid van het milieu van gebieden waarop het project invloed heeft is afhankelijk van de volgende criteria: het bestaande grondgebruik, relatieve rijkdom aan de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opname vermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en wateraspecten. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied.
Toetsing
Het voormalige gebruik van het plangebied als buurtsupermarkt en de beperkte aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen in het plangebied zorgen ervoor dat het project zich niet in een qua milieu kwetsbaar gebied bevindt. Zoals beschreven in dit bestemmingsplan ligt het plangebied niet binnen gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en water aspecten.
De potentiële effecten van het project worden bepaald door de kenmerken en plaats van het project, in samenhang met de volgende criteria: de orde van grootte, het ruimtelijk bereik, de aard, het grensoverschrijdend karakter, de intensiteit en complexiteit, de waarschijnlijkheid en de verwachte duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten. Daarnaast kunnen ook de cumulatie van effecten met effecten van andere projecten en de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen in overweging worden genomen.
Toetsing
Gezien de beperkte omvang en de aard van de ontwikkeling van één extra woning, is er geen sprake van onevenredige effecten voor het milieu in de omgeving.
Conclusie
Uit het voorgaande is gebleken dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Planspecifiek
Er bevindt zich geen oppervlaktewater in of rondom het plangebied. In de huidige situatie is het gehele plangebied verhard. In de toekomstige situatie worden er tuinen gerealiseerd aan de voor- en zijkant van het plangebied. De hoeveelheid verhard oppervlak neemt dus af door de voorgenomen ontwikkeling. Het hemelwater wordt op eigen terrein gescheiden aangeboden en wordt afgevoerd naar het HWA riool in de Mariagaarde. Dit plan is voorgelegd aan het Waterschap Aa en Maas door middel van de digitale watertoets (zie Bijlage 4). Hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is op het gebied van water.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.
In onderhavige situatie wordt er één woning toegevoegd aan het geheel. Dit heeft nauwelijks effect op de verkeersdruk op de Mariagaarde en de rest van de bebouwde kom van Katwijk.
De gemeente Cuijk heeft, op basis van haar eigen Nota Parkeernormen 2016 - 2023, aangegeven dat beide woningen over minimaal twee parkeerplaatsen op eigen terreinen dienen te beschikken. Zoals uit de schets in paragraaf 3.1 zichtbaar is, voldoen beide woningen hieraan.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect Verkeer.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website synbiosys.alterra.nl/natura2000 geraadpleegd. Bijgevoegd een screenshot van die website waarbij alle raadpleegbare gebieden zijn 'aangevinkt'.
KaartNatura 2000-gebieden (geel gemarkeerd) met plangebied rood omlijnd
Voorgaande afbeelding toont dat het plangebied niet ligt in of nabij een Natura 2000 gebied. Door de omvang van de ontwikkeling en de afstand tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten uitgesloten worden.
Soortenbescherming
In het kader van voorliggende planontwikkeling worden geen gebouwen gesloopt en wordt geen bestaand groen verwijderd. Daarmee kan worden uitgesloten dat er negatieve effecten zijn voor beschermde soorten.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van de Wamz zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt niet binnen een cultuurhistorisch relevant gebied. Tevens zijn er geen cultuurhistorie waarden aanwezig die door de planontwikkeling mogelijk kunnen worden geschaad.
Archeologie
De 'Archeologische beleidskaart' van de gemeente Cuijk, waar navolgende afbeelding een uitsnede van weergeeft, toont dat ter plaatse van het plangebied de aanduiding 'Waarde - archeologie 5' geldt. Voor ingrepen dieper dan 0,5 meter en groter dan 2500 m2 is een archeologisch rapport nodig. Bij voorliggende planontwikkeling is daar geen sprake van.
Uitsnede Archeologische beleidskaart van de gemeente Cuijk
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie
Duurzaamheid is een integraal onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu. Gezondheids- en milieuaspecten zijn in alle fasen van de inrichting, de bouw en het gebruik van de gebouwde omgeving van belang. Er wordt gestreefd naar duurzame (stedelijke) ontwikkeling, lage milieubelasting, extensiever energieverbruik en behoud en versterking van de kwaliteit van de gebouwde omgeving.
Planspecifiek
Voorliggende planontwikkeling speelt in op duurzaam ruimtegebruik. De nieuwe woning wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing. Daarmee voorkomt het plan dat er (extra) leegstand ontstaat in Katwijk. Door een nieuwe functie aan bestaande bebouwing te geven blijft de kern Katwijk daarbij een levendige kern. In paragraaf 5.1 is onderbouwd dat de ontwikkeling voldoende rekening houdt met milieuaspecten. Het toepassen van duurzame voorzieningen is mogelijk, zoals zonnepanelen of het gebruik van passieve zonne-
energie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
In onderhavig plan hoeft geen exploitatieplan vastgesteld te worden, aangezien de kosten van het plan anderszins verzekerd zijn. Er is sprake van een particulier initiatief, waarbij nieuwe woningen en een appartementengebouw worden gerealiseerd. De kosten van de realisatie hiervan, alsmede de kosten voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. De afspraken zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer. In deze overeenkomst wordt ook de eventuele planschade geregeld. Deze overeenkomst vormt voldoende onderbouwing om af te zien van het opstellen van een exploitatieplan. Het initiatief wordt daarmee voldoende financieel haalbaar geacht.
De gemeente Cuijk heeft haar beleid ten aanzien van toezicht en controle op regelgeving vastgelegd in het 'Integraal Handhavingsbeleidsplan 2011-2014'. Het handhavingsbeleid moet leiden tot gemeentebrede, gestructureerde en integrale handhaving. Het betreft een beleidscyclus, waarbij de monitoring van de uitvoering van de handhaving kan leiden tot bijstelling van het beleid. Het beleidsplan initieert een lerende organisatie, waarbij de kwaliteit van de handhaving toeneemt en de uitvoering van de handhaving steeds efficiënter wordt.
Bij handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen preventieve en repressieve handhaving. Onder preventieve handhaving wordt in eerste instantie verstaan: het houden van toezicht. Daarnaast is ook goede informatievoorziening en gerichte voorlichting aan de burger van belang. De kwaliteit van verleende vergunningen staat voorop. Daarnaast dient ook aandacht besteed te worden aan de actualiteit en de handhaafbaarheid van verordeningen, vergunningen en bestemmingsplannen. Indien wordt afgeweken van geldende regelgeving en er dus sprake is van illegale activiteit(en) zal repressieve handhaving worden toegepast. Dit kan bestuursrechtelijk, strafrechtelijk of privaatrechtelijk van aard zijn.
In het geldende handhavingsbeleidsplan zijn, op basis van een uitgevoerde risicoanalyse, voor alle gemeentelijke handhavingstaken met betrekking tot de fysieke leefomgeving prioriteiten gesteld. In het handhavingsbeleidsplan wordt nader ingegaan op de verschillende vormen van handhaving (nalevingsstrategie, preventiestrategie). Er zijn ook beleidsregels ten aanzien van gedogen opgenomen in het plan. Dit bestemmingsplan biedt juridisch-planologische kaders waaraan kan worden getoetst.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Ingevolge de Inspraakverordening Cuijk 2005 is het verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan vier weken ter inzage te leggen voor inspraak.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de Provincie Noord-Brabant, Waterschap Aa en Maas en de Veiligheidsregio Brabant-Noord.
Gezien de beperkte aard en omvang van de ontwikkeling is er geen formele inspraakprocedure gehouden en is het bestemmingsplan direct als ontwerp ter inzage gelegd.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 5 juli 2018 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Hierop zijn geen zienswijzen ingediend.