| Plan: | Buitengebied 2010, Natuurpoort de Bungelaar |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1684.BPBuBungelaar-VA01 |
De boerderij De Bungelaar, gelegen aan de zuidkant van de Kraaijenbergse plassen, zal worden getransformeerd tot Natuurpoort. Deze Natuurpoort zal verschillende voorzieningen voor dagrecreatie en een sociaal maatschappelijk centrum herbergen.
Deze ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de zuidkant van de Kraaijenbergse Plassen in het buitengebied van Beers in de gemeente Cuijk. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging van het plangebied in de omgeving (bron: openstreetmap.nl)
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Beerse Overlaat van de gemeente Beers (uit 1991).
De locatie heeft de bestemmingen:
en de dubbelbestemming:
Binnen de bestemmingen is het oprichten van een restaurant en verblijfsrecreatieve voorzieningen niet toegestaan. Op de afbeelding is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan te zien.
Uitsnede van het vigerend bestemmingsplan met plangebied rood omcirkeld
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied ligt aan de zuidkant van de Kraaijenbergse plassen, ten noorden van de kern Beers. Het omliggende gebied heeft in de afgelopen jaren een grote transformatie ondergaan door recente zandwinning.
Het plangebied in zijn omgeving voor de ontzandingen in 1980 (links) en daarna in 2015 (rechts)
De Kraaijenbergse Plassen maken deel uit van de Beerse Overlaat, wat gezien kan worden als een nieuw recreatiegebied voor water en natuur in het Land van Cuijk. De Kraaijenbergse plassen zijn ontstaan na grootschalige zandwinning in dit gebied. Dit is mede mogelijk gemaakt via het nu nog geldende bestemmingsplan 'Beerse overlaat'( 1991). De zandwinning is inmiddels beëindigd ter hoogte van het voorliggende plangebied. Ten westen van het plangebied ligt een natuurontwikkelingsgebied en ten oosten van de plassen is intensieve recreatie voorzien. In de omgeving zijn plannen - deels al gerealiseerd - voor een groot chalet park, een Aqua-hotel, een jachthaven en uitbreiding van de bestaande camping. Het plangebied ligt tussen het natuur- en het intensieve recreatiegebied in. Voor het plangebied is een nieuw planologisch regiem nodig, aansluitend op het beoogde gebruik en ontwikkelingen van het plassengebied.
Het plangebied betreft de voormalige boerderij De Bungelaar en de directe omgeving daarvan, gelegen aan de gelijknamige weg en direct gelegen aan de plas. Bijgevoegde afbeelding geeft dit globaal aan. In de omgeving bevinden zich op enige afstand een agrarisch bedrijf en meerdere woningen. Voorliggende initiatief geeft invulling aan de afronding van de voormalige zandwinning en de nieuw ontstane inrichting van de omgeving aan de zuidoever van de Kraaijenbergse plassen. De bestaande bebouwing heeft vanwege het karakteristieke volume en de verschijningsvorm van een voormalige boerderij cultuurhistorische waarde.
Luchtfoto van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Hoofdopzet
De voormalige boerderij De Bungelaar zal worden herontwikkeld tot een natuurpoort. Het gebouw met het omliggende terrein krijgt een brede recreatieve en sociaal culturele functie. De accommodatie richt zich op de dagrecreant, maar biedt ook een plek voor lokale verenigingen, zoals de duikverenigingen, de reddingsbrigade, de archeologenclub en IVN. Deze verenigingen krijgen de beschikking over een multifunctionele ruimte in de oorspronkelijke schuur.
Dit bestemmingsplan maakt het realiseren van een restaurant, verblijfsrecreatieve functies en een bedrijfswoning mogelijk. Het terrein rondom het gebouw wordt zodanig ingericht dat er verschillende sferen ontstaan, die aansluiten de bij de verschillende functies. De functie als natuurpoort betekent ook dat er parkeergelegenheid wordt gerealiseerd voor fietsen en auto's van mensen die gaan wandelen of fietsen in het westelijk gelegen natuurontwikkelingsgebied. De omvang van dat gebied is beperkt. Mede gezien de al aanwezige parkeergelegenheid voor wandelaars en fietsers bij het oostelijk gelegen strandje aan de Kraaijenbergse Plassen en de parkeerplaatsen in het centrum van Beers, zal het aantal mensen dat bij de nieuwe natuurpoort gaat parkeren om in de omgeving te wandelen of fietsen beperkt zijn.
Bebouwing
Het noordelijke deel van de schuur zal worden gesloopt, waardoor de boerderij wordt teruggebracht in zijn oorspronkelijke vorm. De begane grond van het woonhuis zal worden verbouwd tot restaurant met aan de oost- en zuidzijde een terras met overdekte serre/veranda. De bedrijfswoning wordt in de nok van het oude woonhuis gerealiseerd. Daarnaast zijn vergaderzalen in het woonhuis toegestaan. De schuur wordt verbouwd en ingericht ten behoeve van sociaal maatschappelijke functies en verblijfsrecreatieve functies.
Voor de duikverenigingen en/of reddingsbrigade is een gebouw voor de opslag en stalling van boten voorzien aan noordzijde van het terrein, vlakbij het water.
Terreininrichting
De noord- en oostkant van het terrein, de waterzijde, is een meer wijds gebied met een levendige sfeer. Hier is een terras met ruim uitzicht over het water voorzien, evenals een activiteiten-/ speelveld. Aan de oostzijde ligt een aanlegsteiger voor passanten. Aan de noordzijde ligt een de kleinere aanlegsteiger en er is ook een botenhelling. Hier staat een drietal grote transparante bomen, waardoor de boerderij-omgeving ook vanaf de plas gezien een groene uitstraling heeft.
De zuidkant van het terrein, de tuinzijde, heeft een meer rustieke sfeer met intieme ruimtes. Een mogelijke invulling is een rozen en/of theetuin en een moes-/natuurtuin. Deze worden omzoomd door geschoren hagen. De bestaande rij peren, de leilindes en de essen zijn opgenomen in het ontwerp voor de buitenruimte bij de parkeerplaatsen en de bloementuin. Op het hele terrein worden de bestaande bomen zoveel als mogelijk gehandhaafd. Voor de landschappelijke inpassing is een beplantingsplan opgesteld (zie bijlage 2 bij de regels), waarvan de realisatie en instandhouding als voorwaardelijke verplichting zijn opgenomen in de regels.
Verkeer en parkeren
Het terrein wordt direct vanaf de weg De Bungelaar ontsloten. Aan de zuidkant van het terrein ligt een parkeerterrein met 60 plaatsen (de moestuin uit onderstaande schets wordt vervangen voor parkeerplaatsen, zie het beplantingsplan in bijlage 2 bij de regel) en is een grasstrook naast de ontsluitingsweg ingericht met 10 parkeerplaatsen. Vanaf daar lopen verharde paden richting het gebouw en de terrassen. Rondom het complex loopt een struinpad. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op verkeer en parkeren.
Onderstaande tekening toont het schetsidee waarop dit bestemmingsplan is gebaseerd.
Schetsidee toekomstige situatie plangebied (bron: BuroSRO)
Met het plan wordt een invulling gegeven aan de lang bestaande visies voor dit gebied, zoals de Visie Kraaijenbergse Plassen.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.
Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro.
Ladder duurzame verstedelijking
Het herontwikkelen van de boerderij tot natuurpoort is een stedelijke ontwikkeling die voorziet in een regionale behoefte aan extensieve dagrecreatie. Het plan ondersteunt de ontwikkeling van De Beerse Overlaat tot kwalitatief hoogwaardig recreatiegebied voor het regio en sluit aan bij de ambities voor het gebied zoals benoemd in de gemeentelijke structuurvisie en de Ruimtelijke gebiedsvisie Bungelaar en omgeving. Het gebied is op basis van deze visies aangewezen om de behoefte aan recreatie in de omgeving in te vullen. Het plan voldoet daarmee aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Gezien de hiervoor beschreven aspecten staat het Rijksbeleid de ontwikkeling van de locatie niet in de weg.
Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie welke in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen. Een deel van het provinciale beleid uit de vigerende beleidsstukken is nog steeds actueel en blijft ongewijzigd. De provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren.
De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn: groenblauwe structuur, agrarische structuur, stedelijke structuur en infrastructuur.
Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen.
Planspecifiek
Het plangebied heeft in de structuurvisie de aanduiding 'gemengd landelijk gebied'. Binnen het 'gemengd landelijk gebied' is ontwikkeling van woon-, recreatie- en werkfuncties mogelijk. Het plan past binnen de structuurvisie.
Een van de voorlopers van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening was het Reconstructieplan Peel en Maas. In het kader van de revitalisering van het landelijk gebied in Noord-Brabant zijn in het reconstructieplan Peel en Maas een aantal gebieden aangeduid als recreatieve poort of natuurpoort. Deze specifieke functie heeft tot doel de bezoekersstromen naar een natuurgebied te reguleren. Ten noorden van Beers is het gebied aangeduid als zoekgebied, dit vormt de poort naar het westelijk gelegen natuurgebied.
Planspecifiek
Het plangebied ligt in het zoekgebied voor een recreatieve of natuurpoort, dat in het reconstructieplan Peel en Maas is aangeduid. Vanuit de provincie bestaat daarmee al langer de ambitie om in het plangebied een natuurpoort te realiseren. Het voorgestelde plan past daarmee binnen de provinciale ambitie voor het gebied.
In de Verordening ruimte 2014 staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn.
Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte 2014 zijn:
Belangrijk bij de beoordeling van nieuwe plannen is de inpasbaarheid in het provinciaal beleid. De Verordening ruimte 2014 is daarbij het document wat de meest concrete regels biedt voor nieuwe ontwikkelingen.
Uitsnede Verordening ruimte 2014 met plangebied rood omlijnd
Planspecifiek
Op bovenstaande figuur zijn de structuren en aanduidingen uit de Verordening ruimte 2014 weergegeven. Binnen het plangebied zijn de volgende artikelen uit de Verordening ruimte 2014 van toepassing:
Het plan heeft geen betrekking op een veehouderij, derhalve zijn de regels van artikelen 25, 26, 34, 35 en 37 uit de Verordening ruimte 2014 niet relevant voor deze ontwikkeling.
Het plan voorziet hoofdzakelijk in een functionele aanpassing van het bestemmingsplan voor de vestiging van een horecafunctie en enkele sociaal-maatschappelijke functies. Mede ten dienste van het aangrenzende gebied, educatie en bevordering van de omgevingskwaliteit. De ontwikkeling kan ook alleen onder voorwaarde van kwaliteitsverbetering worden toegelaten. Verderop in de toelichting wordt daar nog nader op ingegaan.
Bevordering ruimtelijke kwaliteit
In artikel 3 is bepaald dat elke ontwikkeling moet bijdragen aan de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 3.1 gaat in op de Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Artikel 3.2 geeft aan dat bepaalde ontwikkelingen een (extra) bijdrage moeten leveren aan de verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit zijn voorwaardelijke regelingen die in het algemeen gelden.
Verderop in deze toelichting wordt aangetoond dat voorliggende plan voldoet aan deze regels. Hierbij wordt uitgegaan van een reguliere Voormalige agrarische bedrijfslocatie die wordt ontwikkeld tot horecafunctie, waarbij tevens invulling wordt gegeven aan de gebiedsontwikkelingen rondom de Kraaijenbergse plassen zoals destijds al in het Reconstructieplan Peel en Maas en de Visie Kraaijenbergse plassen was vastgelegd.
Gemengd landelijk gebied
Artikel 7.12 van de Verordening ruimte 2014 bepaalt dat in een gebied met de aanduiding 'gemengd landelijk gebied' vestiging van een recreatiebedrijf mogelijk is, mits de ontwikkeling niet leidt tot een recreatiebedrijf behorende tot milieucategorie 4 of hoger. In de toelichting van een dergelijk bestemmingsplan moeten de volgende punten worden verantwoord:
Ad.
Integratie stad-land
In artikel 9 is opgenomen dat in gebieden met de aanduiding 'integratie stad-land' stedelijke ontwikkeling mogelijk is, mits de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat.
Aangezien de vestiging geen betrekking heeft op een (grootschalige) stedelijke ontwikkeling en de ontwikkeling op grond van de structuur 'Gemengd landelijk gebied' reeds mogelijk is, is de aanduiding integratie stad-land hier verder niet meer van belang. De ontwikkeling is al mogelijk en veroorzaakt ook geen strijd met de regels van artikel 9 uit de Verordening ruimte 2014.
Aardkundige waarden
Tot slot zijn de regels uit artikel 21 van de Verordening ruimte 2014 nog van belang. Hierin is bepaald dat een bestemmingsplan binnen de aanduiding 'Aardkundig waardevol' mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
Het plangebied ligt in het aardkundig waardevolle gebied Maasterrrassen Land van Cuijk. Reliëfverschillen die samenhangen met dit gebied mogen niet worden ver- of afgegraven of op een andere manier aangetast (door middel van ontgrondingen of ophogingen). De locatie bevat geen duidelijke reliëfverschillen, terwijl op andere locaties in het gebied het reliëf meer uitgesproken is. De ontwikkeling zorgt er daarmee niet voor dat het reliëf wordt aangetast. De aanwezige aardkundige waarden blijven behouden.
Conclusie
Gezien de hiervoor beschreven aspecten staat de Verordening ruimte 2014 de ontwikkeling van de locatie niet in de weg.
In de Structuurvisie Cuijk is op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weergegeven. De structuurvisie is opgedeeld in twee gebieden:
Het plangebied is gelegen in het gebied 'Dynamisch Cuijk', waar de altijd al aanwezige dynamiek dient behouden en versterkt te worden. Er zijn in dit gebied relatief meer mogelijkheden voor 'stedelijke' ontwikkelingen en/of grootschalige cq. bezoekersintensievere ontwikkelingen. De ambitie is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het creëren van een aangename en veelzijdige leef- en werkomgeving met goede voorzieningen en oog voor kwaliteit en duurzaamheid.
Het gebied Kraaijenbergse Plassen kan zich ontwikkelen tot bovenregionaal, attractief watersport- en natuurgebied, met daarin Natuurpoort Bungelaar. Om de omgeving Bungelaar tot een 'recreatieve poort' (met horecagelegenheid) te kunnen laten ontwikkelen voor de Kraaijenbergse Plassen en omgeving zal de locatie goed ontsloten dienen te worden voor auto's en fietsers, inclusief voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers en recreanten. De ontwikkelingen dienen te passen binnen het toeristisch recreatieve profiel van de Kraaijenbergse Plassen. Bovendien dient er aandacht te zijn voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
Planpecifiek
De Bungelaar wordt een natuurpoort en zal daarmee aanvullend zijn op de bestaande recreatieve functies in de omgeving. Het plangebied wordt goed ontsloten voor auto's en fietsers en er wordt voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd (zie par. 4.3). De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast aan de hand van een beplantingsplan dat als voorwaardelijke verplichting in de regels is opgenomen. Het initiatief is de concrete invulling voor de Natuurpoort Bungelaar zoals deze in de Structuurvisie Cuijk is beschreven. Het initiatief sluit daarmee aan bij de Structuurvisie Cuijk.
De Ruimtelijke gebiedsvisie Bungelaar en omgeving (vastgesteld op 10 juni 2013) schetst de kaders voor de herinrichting van het gebied Bungelaar, als uitwerking van de Structuurvisie Cuijk. Het gebied tussen de intensieve recreatie Dommelsvoort en de natuur westelijk van de Kraaijenbergse Plassen dient als overgangsgebied te worden aangemerkt met een afnemende recreatieve intensiteit in westelijke richting.
De ambitie is om het gebied rondom De Bungelaar te ontwikkelen tot recreatieve poort of natuurpoort, waarbij de volgende onderdelen een plek krijgen:
De huidige gebruikers van de locatie zullen bij de nadere uitwerking van de plannen worden betrokken.
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling worden delen van de ambitie zoals genoemd in de gebiedsvisie gerealiseerd. De boerderij De Bungelaar wordt ingevuld als een natuurpoort met horeca voorzieningen, ruimtes voor sociaal-culturele verenigingen en dagrecreatieve voorzieningen zoals boten- en fietsverhuur (onderdeel 1). Daarbij worden in ieder geval parkeervoorzieningen (onderdeel 2) en aanlegsteigers gerealiseerd (onderdeel 3), passend bij de ambitie uit de gebiedsvisie. De overige onderdelen (4 t/m 8) zoals genoemd in de gebiedsvisie worden niet in het plangebied gerealiseerd.
Dit sluit aan bij de ambitie voor het gebied zoals deze in nauwe samenspraak met gemeente en belanghebbenden tot stand is gekomen. Het initiatief is passend binnen de gebiedsvisie.
Om kwaliteit van het landelijk gebied in de gemeente Cuijk te behouden of versterken is in 2011 het Landschapsontwikkelingsplan Cuijk 2011 - 2021 vastgesteld. Dit plan vormt een afwegingskader voor ontwikkelingen in het landelijk gebied. Daarbij is de kwaliteit van een plan toetsbaar geworden.
Gezien de huidige ontwikkelingen in de landbouw zullen naar verwachting in het kader van 'Rood voor groen' en functieverandering (ruimte-voor-ruimte) huidige agrarische erven worden omgevormd tot burgererf. Erven maken een belangrijk deel uit van de landschappelijke kwaliteit van het plangebied. Het stimuleren van de aanleg van erfbeplanting bij bestaande erven en het verplicht stellen van aanleg van erfbeplanting bij nieuwe erven draagt op lokaal schaalniveau bij aan de versterking van de landschappelijke kwaliteit. Daarbij moet aandacht worden besteed aan de architectuur van woningen en bedrijfsgebouwen.
Naast erfbeplanting is het voor ontwikkelingen in het landelijk gebied van Beers van belang dat een beeldkwaliteitsplan wordt opgesteld en de aanleg, herstel en beheer van kleine landschapselementen wordt gestimuleerd.
In het LOP waar het plangebied deel uitmaakt van 'stad en water aan de Maas' worden langs de Kraaijenbergse plassen afwisselende randen en behoud, herstel en aanplant van heggen nagestreefd.
Planspecifiek
Het plangebied ligt ter plaatse van de landschappelijke overgang tussen Kraaijenbergse plassen (meer open gebied) en het halfopen landschap ten zuiden hiervan, richting en rondom Beers. Om het zicht op de plassen te behouden, is het niet wenselijk om alles een hoge dichtheid aan beplanting op perceelsniveau te realiseren. Er worden daarom geen grote gesloten groenstructuren aangebracht, maar kleine landschapselementen zoals hagen, solitaire bomen van gebiedseigen en lokale soorten.
Voor de realisatie van het plan is een beplantingsplan voorwaardelijk verplicht gesteld. Het LOP heeft als uitgangspunt gediend voor dit beplantingsplan, dat is opgenomen als bijlage 2 bij de regels. De boerderij De Bungelaar wordt met streekeigen beplanting ingepast in de omgeving. Deze landelijke inpassing zorgt voor een versterking van de landschappelijke kwaliteit.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
Op de locatie is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Uit dit onderzoek volgt dat de grond uit de bovenlaag plaatselijk sterk verontreinigd is met PAK’s en licht verontreinigd is met minerale olie en/of metalen. Verder zijn in de grond geen verontreinigingen aangetroffen.
De aanwezigheid van asbesthoudende bebouwing (buitentoepassing zonder dakgoot) en de aanwezigheid van matig veel puinresten in de oprit vormen aanleiding tot het instellen van een aanvullend onderzoek naar asbest en PAK's. Uit dit aanvullende onderzoek (zie bijlage 2) is niet gebleken dat er sprake is van bodemverontreiniging met asbest. Ter plaatse van de oprit is een nader onderzoek naar de verontreiniging met PAK’s uitgevoerd. De bovengrond blijkt bij dit nauwkeuriger uitgevoerde onderzoek licht verontreinigd met PAK’s, in alle gevallen ligt de concentratie onder de helft van de Interventiewaarde. De bodem onder het funderingsmateriaal van de oprit voldoet aan de klasse wonen.
Op basis van de onderzoeksresultaten is verder onderzoek of sanering niet noodzakelijk. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor beide stoffen bedraagt de grenswaarde 40 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het meest nabijgelegen rekenpunt 15857026 (aan de Provincialeweg (N321)) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) | PM10 (Fijn stof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2016 (µg/m3) | 20,1 µg/m3 | 18,8 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het ontwikkelen van de natuurpoort, gezien de extra verkeersaantrekkende werking van circa 200 verkeersbewegingen per etmaal van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). De ontwikkeling is in vergelijking met een ontwikkeling van 1.500 woningen van beperkte omvang. Daarom is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Voor voorliggend document is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Er is in het plangebied in de huidige situatie een bedrijfswoning aanwezig en deze zal worden behouden. Daarmee is er geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. De functies voor een restaurant, sociaal-culturele voorzieningen, bed & breakfast en groepsaccommodatie zijn geen geluidsgevoelige functies. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Wel leveren de nieuwe functies een extra verkeersaantrekkende werking op van circa 200 verkeersbewegingen per dag (zie paragraaf 4.3), wat effect kan hebben op het wegverkeerslawaai dat in de nabijgelegen woningen wordt beleefd. Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd (zie bijlage 3) om te bepalen wat het effect van de extra verkeersaantrekkende werking van de nieuwe functies is op de woningen aan De Bungelaar 3 en 5 en Kerkeveld 6.
Hierin is geconcludeerd dat voor wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) uit de "schrikkelcirculaire". Daarnaast wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) voor een rustig buitengebied uit stap 3 van "Bedrijven en Milieuzonering". Inpassing in stap 3 is mogelijk mits het bevoegd gezag kan motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. Wanneer er gerekend zou worden volgens de systematiek van de Wgh, bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 39 dB na wettelijke aftrek van 5 dB. Dat ligt ruim beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB van de Wgh. Daarmee is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. In dit geval is de geluidbelasting daarom acceptabel.
Op geluidseffecten vanwege deze nieuwe functies zelf op de omgeving in het kader van milieuzonering wordt ingegaan in paragraaf 4.1.5.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:
| geurgevoelig object gelegen in: | maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) |
| concentratiegebied binnen bebouwde kom | 3,0 ouE/m3 |
| concentratiegebied buiten bebouwde kom | 14,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom | 2,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom | 8,0 ouE/m3 |
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen danwel buiten de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.
Planspecifiek
Voorgrondbelasting
Op basis van de geurgebiedsvisie gemeente Cuijk, vastgesteld op 9 september 2013 ligt het plangebied binnen 'Recreatiegebied'. In deze gebieden is de geurnorm voor agrarische bedrijven een geuremissie van 5 ouE/m³. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderijen zijn gelegen op 345 m en 420 m afstand. Tussen de aanwezige intensieve veehouderijen en het plangebied zijn meerdere woningen gevestigd. Deze woningen zijn bepalend voor de bedrijfsvoering en de uitbreidingsmogelijkheden van de betreffende veehouderijen. Onderhavig plan vormt dus geen belemmering voor de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderijen in de omgeving.
Achtergrondbelasting
In de geurgebiedsvisie gemeente Cuijk, vastgesteld op 9 september 2013, blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied (rode cirkel) 6 - 10 ouE/m³ is. Met deze constatering wordt het plangebied als optimaal+ beoordeeld. Op bijgevoegde kaart is deze waarneming weergegeven. Sinds de vaststelling van de geurgebiedsvisie en –verordening hebben zich in Cuijk niet of nauwelijks agrarische ontwikkelingen voorgedaan in de directe omgeving van het plangebied. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van veehouderijen en andere gevoelige functies, is het aannemelijk dat de achtergrondbelasting nog steeds aanvaardbaar is, zo niet optimaal. Er zal in het plangebied daarmee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.
Achtergrondbelasting gemeente Cuijk (bron: Geurgebiedsvisie gemeente Cuijk)
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
De natuurpoort wordt gezien als een horeca-inrichting, waarvoor in de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG een afstand van 10 m geldt. De meest nabij gelegen milieugevoelige functie (woning) ligt op 115 m.
In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven gevestigd. Het meest dichtbij gelegen bedrijf (een geitenhouderij) ligt op 345 m. Het aspect geur is al in de voorgaande paragraaf beschreven. Voor de overige aspecten is de hoogste richtafstand uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG 100 m. Bij het wijzigen naar een ander type moet er rekening gehouden worden met het woon- en leefklimaat van omliggende functies en mag de hinder niet toenemen.
De locatie van het plangebied ligt niet binnen een milieucontour van de omliggende milieubelastende functies. Tevens zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat in het plangebied.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
De (volks)gezondheid is de laatste jaren steeds prominenter een toetsingsaspect voor 'een goede ruimtelijke ordening' geworden. Ruimtelijke plannen moeten dus ook op dit aspect getoetst worden. Het ontbreekt echter nog altijd aan een duidelijk toetsingskader hiervoor. Veelal moet worden volstaan met toetsing aan milieuaspecten die gevolgen voor de (volks)gezondheid kunnen hebben, maar waar nog geen onomstotelijk wetenschappelijk verband voor is bewezen. Echter, recente onderzoeken maken wel inzichtelijk gemaakt dat er verhoogde gezondheidsrisico's kunnen zitten aan bepaalde activiteiten. Hieronder begrepen de veehouderij en specifiek veehouderijen waarbij endotoxinen vrijkomen, zoals pluimveehouderijen. Ook wordt door onderzoeken een relatie gelegd tussen geitenhouderijen en de Q-koorts.
Het college van Cuijk heeft op 1 februari 2018 een besluit genomen hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Bij ontwikkelingen binnen een afstand van 2 km van een geitenhouderij dient het risico op longontstekingen afgewogen te worden. Met ontwikkelingen die te maken hebben met het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen wordt terughoudend omgegaan. Voor overige ontwikkelingen weegt de gemeente de verschillende belangen af en neemt een zorgvuldig besluit op basis van maatwerk.
Planspecifiek
Op 345 m afstand ligt een geitenhouderij. De ontwikkeling in het plangebied is niet gericht op kwetsbare personen of groepen. Het is daarmee aan de gemeente om af te wegen of een verhoogd gezondheidsrisico aanvaardbaar is en of dat concreet onderzocht moet worden.
Het gaat bij de voorgenomen ontwikkeling niet om nieuwe functies voor langdurig en permanent verblijf. Er is in de huidige situatie al een bedrijfswoning toegestaan en deze blijft behouden. De overige functies zijn allen gericht op kort verblijf van mensen. Het realiseren van deze functies binnen 2 km van de geitenhouderij vormt daardoor geen belemmering op het gebied van gezondheid.
Bovendien zit de betreffende geitenhouderij al 'op slot', doordat er direct grenzend aan het bedrijf al een woonfunctie met de bestemming 'Wonen' aanwezig is. Deze woonfunctie is bepalend voor de eventuele ontwikkeling van het bedrijf op basis van het gezondheidsaspect.
Hiermee vormt het plan geen belemmering voor de huidige bedrijfsvoering of mogelijke bedrijfsvoering van de betreffende inrichtingen.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door de productie, opslag, vervoer en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op:
Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het ruimtelijk beleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd.
Toetsingskaders vanuit wet- en regelgeving zijn onder andere het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 (dat betekent dat de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof niet groter mag zijn dan 1 op een miljoen). Deze 10-6 contour geldt als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Beperkt kwetsbare objecten zijn in principe niet toegestaan, maar mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
Bij het groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde. Hierbij is de 1% letaliteit belangrijk (i.c. de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen komt te overlijden). Zolang deze oriëntatiewaarde niet overschreden wordt is er geen specifieke motivatie noodzakelijk. Indien de 1% letaliteit wel overschreden wordt kan het bevoegd gezag dit risico bewust accepteren met daarbij de motivatie waarom dat acceptabel gevonden wordt. Via inrichtingsmaatregelen (op basis van de gebruiksvergunning en de bouwverordening) en rampenplannen e.a. kan het effect bij een calamiteit beperkt worden.
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbare objecten zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
(Bevi-)inrichtingen
De regelgeving omtrent externe veiligheid bij inrichtingen (bedrijven) is geregeld in het Bevi. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen worden blootgesteld te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. Het Bevb gaat uit van grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoordingsplicht van het groepsrisico (GR).
De regeling voor buisleidingen is hiermee vergelijkbaar met de regeling voor inrichtingen. Het ministerie heeft het Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen gepubliceerd, waarin praktische informatie en voorbeelden staan voor het opnemen van buisleidingen met gevaarlijke stoffen in bestemmingsplannen.
De aanpak richt zich op veiligheidsafstanden rond buisleidingen, het beheer en toezicht en de registratie van de ligging van buisleidingen. In de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) wordt de regelgeving verder uitgewerkt en worden regels gesteld ten aanzien van risico's en zonering langs buisleidingen, het opnemen van regels in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Als categorieën buisleidingen waarvoor het Bevb geldt zijn voorlopig alleen buisleidingen met een druk vanaf 16 bar en een uitwendige diameter van respectievelijk 50 en 70 mm voor het transport van aardgas en vloeibare brandstoffen aangewezen.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart van de omgeving van het plangebied (bron: risicokaart.nl)
Hieruit is op te maken dat op 120 meter van de locatie een buisleiding (hoofdtransportroute aardgasleiding) loopt. Deze buisleiding heeft een werkdruk van 40 bar en een uitwendige diameter van 219 mm. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 is 0 meter. Op basis van de werkdruk en uitwendige diameter is bepaald dat het invloedsgebied 95 meter is. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied en de buisleiding vormt daarmee geen belemmering voor dit plan. Verder ligt en plangebied niet binnen een invloedsgebied van risicovolle objecten of transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Op het gebied van externe veiligheid is het plan uitvoerbaar.
Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:
M.e.r.-beoordeling
Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:
Planspecifiek
Het ontwikkelen van een natuurpoort en bijbehorende functies komt niet voor in bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage. Daarmee geldt er geen m.e.r.-plicht voor dit plan.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Keur Waterschap Aa en Maas (2015)
De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. Maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. agrariërs en tuinders).
De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Hieronder vallen activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug. Medewerkers van het waterschap controleren de naleving van de Keur en overtredingen worden bestraft.
Beleid Waterschap Aa en Maas
Voor dit plan is het beleid van Waterschap Aa en Maas mede van belang. De volgende drie principes zijn richtinggevend bij de advisering over ruimtelijke plannen:
Het Waterschap hanteert geen verplichting tot hemelwaterberging bij een toename van het verhard oppervlakte van minder dan 2.000 m².
Planspecifiek
Voor dit plan is de digitale watertoets uitgevoerd, welke in bijlage 4 is opgenomen.
Het plangebied is gelegen aan de Kraaijenbergse Plassen, welke in beheer zijn bij Rijkswaterstaat. Er zijn geen primaire waterlopen in of grenzend aan het plangebied. Er zijn geen waterschapsbelangen of belangen van Rijkswaterstaat in het geding.
Bij de herontwikkeling van de boerderij wordt circa 300 m2 aan bebouwing gesloopt. Op het terrein wordt circa 200 m² terug gebouwd in de vorm van een terrasoverkapping en een bijgebouw. Rondom de boerderij worden de parkeerplaatsen en het terras halfverhard aangelegd. De halfverharding heeft een oppervlakte van circa 3.000 m². Deze wordt voor het bepalen van de toename aan verharding voor 50% meegerekend. In totaal is de toename van verharding daarmee circa (200 + 1.500 - 300) = 1.400 m². Deze toename past binnen de vrijstelling van 2.000 m² die het waterschap hanteert. Vanuit het waterschap geldt daarom geen verplichting tot hemelwaterberging. De gemeente Cuijk hanteert wel de eis dat 60 mm per m² nieuw verhard oppervlak dient te worden geborgen op eigen terrein. Door deze eis in de regels als voorwaardelijke verplichting op te nemen is juridisch geborgd dat hieraan wordt voldaan.
Realisatie van het initiatief past daarom binnen de uitgangspunten en regelgeving van het Waterschap Aa en Maas.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte en de extra verkeersaantrekkende werking is een memo opgesteld, welke is opgenomen in bijlage 5. Hierin wordt geconcludeerd dat de maximale parkeerbehoefte 63 parkeerplaatsen betreft. In het plangebied worden 70 parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee worden er meer parkeerplaatsen gerealiseerd dan volgens de berekening nodig zijn. Zo kunnen ook onverwachte pieken in de parkeerbehoefte worden opgevangen. Er zijn hiermee voldoende parkeervoorzieningen in het plangebied om de parkeerbehoefte op te vangen. Het realiseren en in stand houden van 70 parkeerplaatsen is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Er is op eigen terrein rondom het gebouw voldoende ruimte om fietsen te stallen.
In de memo is berekend dat er rekening gehouden moet worden met een verkeersaantrekkende werking van 178 verkeersbewegingen per etmaal. Om ook rekening te houden met onverwachte pieken, wordt uitgegaan van circa 200 verkeersbewegingen van en naar het plangebied per etmaal. De natuurpoort wordt voor auto's en fietsers ontsloten via de bestaande ontsluitingsweg die uitkomt op De Bungelaar, een 60 km weg. In de huidige situatie is het aantal verkeersbewegingen over De Bungelaar zeer beperkt. Het aandeel in het totaal aan verkeersbewegingen van de nieuwe functies is groot, maar er blijft sprake van een relatief laag aantal verkeersbewegingen per dag. De capaciteit van De Bungelaar en aansluitende wegen is voldoende om het extra verkeer af te wikkelen.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor verkeer is hiermee aangetoond.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd in bijlage 6. Hierin is geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen, uilen en marterachtigen. Omdat naar verwachting, zo nodig, ontheffing voor deze soorten kan worden verleend, is het bestemmingsplan uitvoerbaar. Tijdens de werkzaamheden dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten op vleermuizen, algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels te voorkomen. De te nemen maatregelen zijn opgenomen in het onderzoeksrapport.
Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op het gebied van ecologie.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
De boerderij De Bungelaar heeft cultuurhistorische waarden. Bij de herontwikkeling wordt de boerderij grotendeels in de oude vorm teruggebracht. De plannen hebben tot doel de boerderij te behouden. In de directe omgeving bevinden zich geen cultuurhistorische waarden waar het plan effect op kan hebben.
Archeologie
De westelijk helft van het plangebied heeft geen archeologische verwachtingswaarde (lichtbruin). De oostelijke deel van het plangebied heeft een archeologische verwachtingswaarde categorie 5 (donkerbruin). Dit is op bijgevoegde uitsnede van de archeologische beleidskaart gemeente Cuijk weergegeven.
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Cuijk. (bron: gemeente Cuijk)
Volgens het vigerend bestemmingsplan geldt voor categorie 5 een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en een verstoringsoppervlakte van minimaal 2.500 m². In het deel van het plangebied met een archeologische verwachtingswaarde vinden geen grondwerkzaamheden plaats met een oppervlakte groter dan 2.500 m². Voor het gebied waar categorie 5 geldt wordt een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen.
Op het gebied van cultuurhistorie en archeologie is het initiatief uitvoerbaar.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De beoogde ontwikkeling is geen bouwplan, zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Afdeling 6.4 Grondexploitatie van de Wet ruimtelijke ordening is daarom niet van toepassing. De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de fysieke realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure worden in rekening gebracht bij de initiatiefnemer op grond van de legesverordening. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer.
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Dit plan voorziet in een vrij specifieke regeling ten behoeve van een horecafunctie met bijhorende sociaal-maatschappelijke voorzieningen en omgevingskwaliteiten. Hierdoor is er sprake van een afwijkende regeling ten opzicht van het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
In de algemene regels is verder met een voorwaardelijke verplichting bepaald dat op eigen terrein voldaan moet worden aan de geldende parkeernorm.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Het voorontwerp bestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd voor inspraak. Een ieder kan zijn reactie op het plan geven. Deze reacties worden betrokken bij de besluitvorming over het ontwerp van het bestemmingsplan.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
Het bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan de belanghebbende instanties. In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de resultaten van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro opgenomen.
Het voorontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 20 februari 2019 voor een periode van 4 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een inloopbijeenkomst gehouden, waarbij de reacties overwegend positief waren. Gedurende de inzageperiode is een inspraakreactie van Rijkswaterstaat ontvangen, waarin zij aangeeft beheerder te zijn van de Kraaijenbergse plassen. Deze reactie is verwerkt in het bestemmingsplan. Als gevolg van overleg met sociaal maatschappelijke verenigingen die geïnteresseerd zijn in het innemen van ruimtes van het gebouw, is het bouwvalk voor het kleine opslaggebouw verplaatst. Daarnaast is er een mogelijkheid togevoegd om af te wijken van het landschappelijk inpassingsplan.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 22 mei 2019 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Er zijn gedurende deze periode geen zienswijzen ingediend.