direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Borger, Koesteeglocatie
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1681.TAMH22m-VG01

Regels

Preambule

Dit plan beoogt woningbouw mogelijk te maken op de locatie Koesteeg.

Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Borger-Odoorn. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22[m] van het omgevingsplan van de gemeente Borger-Odoorn.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22[m]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22[m]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna hiervan is afgeweken;

1.1 plan:

het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn;

1.2 TAM-omgevingsplan:

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Borger, Koesteeglocatie met identificatienummer NL.IMRO.1681.TAMH22m-VG01 van de gemeente Borger-Odoorn;

1.3 aan woning gebonden beroep of bedrijf:

het uitoefenen van een beroep of het verlenen van diensten op juridisch, medisch, therapeutisch, administratief, kunstzinnig of daaraan verwant gebied, als ondergeschikt onderdeel in een woning, waarbij de woonfunctie centraal staat.

Commerciële dienstverlening als bankfilialen, uitzendbureaus, makelaardij en reisbureaus, alsmede detailhandel en horeca worden niet gerekend onder een aan een woning gebonden beroep;

1.4 aaneengebouwde woning:

grondgebonden woning die deel uitmaakt van een blok van meerdere woningen, waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd;

1.5 aanduiding;

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.6 aanduidingsgrens;

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.7 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.8 bebouwde oppervlakte:

de som van de oppervlakte van alle gebouwen op een bouwperceel;

1.9 bestaand:
  • 1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit van het Omgevingsplan Borger-Odoorn aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;
  • 2. het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende plan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening, of een andere planologische toestemming;
1.10 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.11 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.12 bouwperceel:

een aaneengesloten terrein waarop krachtens het omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.13 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.14 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.15 carport:

een geheel of gedeeltelijk overdekte opstelplaats voor een auto welke ten minste aan twee zijden open is, geen gebouw zijnde;

1.16 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.17 gevellijn:

de lijn waarin de voorgevel van en bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan;

1.18 groenvoorzieningen:

een (openbaar) gebied, dat is ingericht als berm, park, groenstrook, beplantingsstrook, grasveld, plantsoen en dergelijke welke voor het gehele jaar of een groot deel van het jaar voor het publiek algemeen toegankelijk moet zijn;

1.19 huishouden:

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voer(t)(en) of wil(len) voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan (kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen);

1.20 kantoor:

ruimte om te worden gebruikt voor het op commerciële basis verlenen van diensten, zonder een baliefunctie;

1.21 maatschappelijke voorzieningen:

voorzieningen op het gebied van educatie, waaronder begrepen peuterspeelzaal, kinderopvang en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen, religieuze, museale, sociaal-culturele en sociaal-medische en publieksgerichte dienstverlening;

1.22 nutsvoorziening:

voorzieningen ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

1.23 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat functioneert als overdekking en dat met een of twee wanden is omgeven; hieronder wordt in elk geval een carport verstaan;

1.24 peil:
  • 1. peil gebouw: de hoogte van de afgewerkte vloer ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • 2. peil ander bouwwerk: de hoogte ter plaatse van het gemiddelde afgewerkte terrein;
1.25 permanente bewoning:

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;

1.26 publieksgerichte dienstverlening

dienst door een bedrijf of instelling dat in hoofdzaak baliewerkzaamheden verricht of andere diensten verleent gericht op het publiek, zoals stomerijen, wasserettes, kappers, pedicures, makelaars, reis- en uitzendbureaus, ateliers en dergelijke;

1.27 voorgevel:

de naar de weg, het voetpad of andere openbare ontsluiting toegekeerde gevel van een gebouw, met dien verstande dat slechts één gevel als zodanig kan worden aangemerkt;

1.28 wadi (Water Afvoer door Drainage en Infiltratie):

laagte waarin het regenwater zich kan verzamelen en in de bodem kan infiltreren;

1.29 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer en waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit;

1.30 weg:

alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten, met dien verstande dat zelfstandige fiets- en voetpaden, brandgangen en naar de aard daarmee gelijk te stellen voor openbaar verkeer openstaande paden hier niet onder worden begrepen;

1.31 wonen:

het huisvesten in een woning van één afzonderlijk huishouden;

1.32 woning:

en complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.33 woongebouw:

een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

1.34 zorgwonen:

het huisvesten van personen die niet zelfstandig kunnen wonen en die voortdurend of nagenoeg voortdurend geestelijke en of lichamelijke verzorging behoeven;

1.35 zorgwoning:

een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw dat is bedoeld is voor zorgwonen.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit TAM-omgevingsplan vervangen de regels van het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn, op de locatie als bedoeld onder d, zoals opgenomen in artikel 3 (Agrarisch), artikel 4 (Bedrijf), artikel 18 (Recreatie - Dagrecreatie), artikel 21 (Verkeer), artikel 22 (Verkeer - Verblijf), artikel 24 (Wonen), artikel 29 (Waarde - Archeologie 1), artikel 30 (Waarde - Archeologie 3) van het bestemmingsplan 'Borger, Borger dorp' (zoals dat op 18 juli 2024 is vastgesteld).
  • b. De regels van het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn blijven onverminderd van toepassing op de locatie zoals bedoeld onder d, voorzover de regels in dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd.
  • c. De regels van het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn, met daarbij inbegrepen afdeling 22.2 en afdeling 22.3, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 blijven buiten toepassing, indien er sprake is van strijdigheid met de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • d. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Borger, Koesteeglocatie', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1681.TAMH22m-VG01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.2 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.3 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.4 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.5 afstand tot de zijdelingse (bouw)perceelgrens:

de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) bouwperceelgrens;

3.6 oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.7 ondergeschikte bouwdelen:
  • 1. bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en toegangsportalen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de buitenzijde van de gevel niet meer dan 1,5 m bedraagt;
  • 2. bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van bouwen worden wolfseinden niet meegerekend.

Artikel 4 Algemeen verbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die niet zijn toegestaan op grond van dit TAM-omgevingsplan zijn verboden tenzij sprake is van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, met uitzondering van bestaande functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Groen

5.1 Gebruiksregels

In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. sport- en speelvoorzieningen;
  • c. voet- en rijwielpaden;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. geluidswerende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal';
  • f. wadi's;

met de daarbij behorende:

  • g. (overige) openbare nutsvoorzieningen;
  • h. waterlopen en waterpartijen en overige voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 2 m.

Artikel 6 Maatschappelijk

6.1 Gebruiksregels

In het voor 'Maatschappelijk' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. zorgwonen;

met daarbij behorend en ondergeschikt:

  • b. maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend in de vorm van sociaal-culturele en sociaal-medische voorzieningen;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. tuinen, erven en terreinen;
  • f. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • g. wandelpaden, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen
6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. een gebouw en overkapping zal binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het aantal zorgwoningen bedraagt niet meer dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal;
  • c. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goot- en bouwhoogte;
  • d. het maximum bebouwingspercentage bedraagt niet meer dan het ter plaatse van de aanduiding aangegeven 'maximum bebouwingspercentage (%);
  • e. de dakhelling bedraagt minimaal 10° en maximaal 50°.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen bedraagt niet meer dan 1 m indien deze voor de naar de weg gekeerde gevel en voor de naar het openbaar groen gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde hiervan worden opgericht;
  • b. de bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen bedraagt in overige gevallen niet meer dan 2 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 8 m.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Gebruiksregels

In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen, bestaande uit ten hoogste twee rijstroken, met daarbij inbegrepen paden, bermen, rotondes, bushaltes, parkeervoorzieningen en dergelijke;

met de daarbij behorende:

  • b. groenvoorzieningen;
  • c. openbare nutsvoorzieningen;
  • d. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 8 m.

Artikel 8 Verkeer - Verblijf

8.1 Gebruiksregels

In het voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden, bestaande uit ten hoogste twee rijstroken, met daarbij inbegrepen paden, bermen, bushaltes, parkeervoorzieningen en dergelijke;

met de daarbij behorende:

  • b. groenvoorzieningen;
  • c. openbare nutsvoorzieningen;
  • d. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 8 m.

Artikel 9 Wonen - Woongebouw

9.1 Gebruiksregels

De voor 'Wonen - Woongebouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. een aan woning gebonden beroep, mits:
    • 1. deze niet meer bedraagt dan 30% van de (begane) vloeroppervlakte van de woning met een maximum van 50 m2; en
    • 2. de verkoop van producten beperkt blijft tot producten die een directe relatie hebben met het beroep.

en tevens voor:

  • c. maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van educatieve voorzieningen en religieuze voorzieningen, op de eerste bouwlaag ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk';
  • d. kantoren op de eerste bouwlaag, ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';
  • e. de maximum gezamenlijke oppervlakte van kantoren en maatschappelijke voorzieningen zoals bedoeld onder c en d mag niet meer bedragen dan 150 m²;

met de daarbij behorende:

  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. tuinen en erven;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. speelvoorzieningen;
  • k. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen zullen binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de naar de provinciale weg (N34) gekeerde gevel van het gebouw dient te worden uitgevoerd als niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen als bedoeld in artikel 5.78.y. Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij kan worden aangetoond dat met maatregelen aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB kan worden voldaan;
  • c. het aantal woningen bedraagt per bestemmingsvlak niet meer dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal;
  • d. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' en 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goot- en bouwhoogte;
  • e. de dakhelling bedraagt niet minder dan te ter plaatse van de aanduiding 'minimum dakhelling (graden)' en niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum dakhelling (graden)'.

9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen bedraagt niet meer dan 1 m indien zij voor de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde hiervan worden opgericht;
  • b. de bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen bedraagt in overige gevallen niet meer dan 2 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 8 m.

Artikel 10 Woongebied

10.1 Gebruiksregels

In het voor 'Woongebied' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen;

met daarbij behorend en ondergeschikt:

  • b. een aan de woning gebonden beroep of bedrijf, mits:
    • 1. deze niet meer bedraagt dan 30% van de begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel met een maximum van 50 m2; en
    • 2. er mogen geen verkeersaantrekkende activiteiten ontstaan, waardoor extra verkeersmaatregelen nodig zouden zijn; en
    • 3. detailhandel en uitsluitend, voor zover dit in rechtstreekse relatie staat tot het aan de woning gebonden beroep of bedrijf; en
    • 4. het parkeren dient op eigen erf plaats te vinden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. paden;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. speelvoorzieningen;
  • h. tuinen en erven;
  • i. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het aantal woningen bedraagt per bestemmingsvlak niet meer dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal;
  • c. de maximum oppervlakte van een hoofdgebouw bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m²)' niet meer dan de aangegeven oppervlakte;
  • d. indien de hoofdgebouwen aaneen worden gebouwd dan mag het aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen niet meer dan 6 bedragen;
  • e. de hoofdgebouwen worden vrijstaand gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand';
  • f. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' en 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goot- en bouwhoogte;
  • g. de dakhelling van het hoofdgebouw bedraagt tenminste 35°, met uitzondering van hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' waar de dakhelling tenminste 15° en maximaal 35° bedraagt;
  • h. de afstand van de zijgevels van het hoofdgebouw, niet zijnde de aangebouwde zijgevels of geschakelde zijden van het hoofdgebouw, tot de zijdelingse grens van het bouwperceel, bedraagt niet minder dan 3 m.

10.2.2 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. bijbehorende bouwwerken worden niet minder dan 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde hiervan gebouwd.
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken, exclusief overkappingen, bedraagt niet meer dan 60 m2 met dien verstande dat:
  • 1. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken ten hoogste 100% van de oppervlakte van het hoofdgebouw zal bedragen;
  • 2. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw ten hoogste 50% van het erf zal bedragen;
  • c. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk zal ten hoogste gelijk zijn aan de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd, plus 0,25 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer mag bedragen dan 4,00 m;
  • d. de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk zal ten hoogste 3,00 m bedragen;
  • e. de bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag ten hoogste 75% van de maximaal toegestane bouwhoogte van het hoofdgebouw bedragen zoals bedoeld onder 10.2.1 onder f;
  • f. de totale oppervlakte van overkappingen bedraagt niet meer dan 35 m2, waarbij de bouwhoogte van een overkapping niet meer dan 3,5 m bedraagt;
  • g. de bouw van vrijstaande en aaneengebouwde vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken is ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' niet toegestaan, met uitzondering van maximaal twee gezamenlijke bergingen met een oppervlakte van maximaal 25 m² per berging en een totale oppervlakte van maximaal 50 m².

10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen bedraagt niet meer dan 1 m indien deze voor de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde hiervan worden opgericht;
  • b. de bouwhoogte van perceel- en erfafscheidingen bedraagt in overige gevallen niet meer dan 2 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 8 m.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning, uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de te gebruiken materialen;
  • b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
  • c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

Artikel 12 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 13 Algemene bouwregels

13.1 Regels over het uiterlijk van bouwwerken
  • a. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt alleen verleend indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregel opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Borger, Koesteeg, zoals vastgesteld op 21 mei 2026.
  • b. Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in lid a wordt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit om advies gevraagd.
  • c. Bij de advisering over de aanvraag als bedoeld in lid b. en bij de interpretatie van de beoordelingsregels als bedoeld in lid a. betrekt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit de regels over het uiterlijk van bouwwerken zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Borger, Koesteeg, zoals vastgesteld op
  • d. De omgevingsvergunning wordt ook verleend indien niet voldaan wordt aan lid a en Burgemeester en Wethouders van oordeel zijn dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

Artikel 14 Bodemgevoelig gebouw bouwen

14.1 Meldingplicht bodemgevoelig gebouw

Voor de volgende gebouwen, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist, geldt een meldingplicht voor:

  • a. het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.
14.2 Indieningvereisten melding
  • a. Indien sprake is van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl, op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Bkl, dan moet dit ten minste vier weken voor het begin van de bouw worden gemeld bij het bevoegd gezag.
  • b. De melding als bedoeld onder a wordt ondertekend en bevat ten minste;
  • 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • 2. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
  • 3. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
  • 4. de dagtekening; en
  • 5. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen;
  • 6. 1 en 5 zijn niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl redelijkerwijs is uit te sluiten.

Artikel 15 Algemene beoordelingsregels

15.1 10%-regeling

Van de in de beoordelingsregels in hoofdstuk 2 genoemde maten en afmetingen, met uitzondering van de oppervlaktematen, is het mogelijk om tot ten hoogste 10% van die maten en afmetingen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 16 Overige regels

16.1 Parkeerregels
  • a. een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;
  • b. bij een omgevingsvergunning voor bouwen of wijzigen van gebruik wordt beoordeeld of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld onder a, op basis van de normen die zijn opgenomen in de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering';
  • c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
16.2 Voorwaardelijke verplichting: groenwal

De realisatie en ingebruikneming van de woningen binnen de bestemming 'Woongebied', 'Wonen - Woongebouw en 'Maatschappelijk' is uitsluitend toegestaan indien en voor zover binnen de bestemming 'Groen' een groene wal gerealiseerd en in stand gehouden wordt, met een breedte van ten minste 3 m en een hoogte van ten minste 0,80 m en dat voldoet aan de uitgangspunten zoals opgenomen in bijlage 1 bij de planregels.

16.3 Voorwaardelijke verplichting geluidswal

De realisatie en ingebruikneming van de woningen binnen de bestemming 'Woongebied', 'Wonen - Woongebouw en 'Maatschappelijk' is uitsluitend toegestaan indien en voor zover binnen de bestemming 'Groen' een geluidswal gerealiseerd en in stand gehouden wordt ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal', met een hoogte van de aarden wal van ten minste 3,0 m met daarop een schanskorf van 1,5 m.

16.4 Gezamenlijk geluid

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - gezamenlijk geluid' geldt dat het gezamenlijk geluid op de gevels van een geluidgevoelig gebouw ten hoogste de geluidsnorm bedraagt zoals is opgenomen in tabel J.1 in bijlage 10 bij de toelichting.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 17 Overgangsrecht

17.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan.
17.2 Overgangsrecht gebruik
  • Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan bestaand gebruik, zijn de volgende overgangsregels van toepassing voor gebruik:
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.