| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Nieuw-Buinen, Noorderdiep 204 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1681.TAMH22f-VG01 |
Aan het Noorderdiep 204 in Nieuw-Buinen bevindt zich een woonperceel met omvangrijke tuin met garage. Initiatiefnemer is voornemens om op dit perceel een vrijstaande woning te realiseren. De nieuw te realiseren woning dient een open plek in de lintbebouwing aan het Noorderdiep op te vullen waar in 1975 de voorgaande woning werd afgebroken. Doordat het tijdelijk deel van het omgevingsplan het wonen enkel toestaat overeenkomstig de bestaande situatie, is het toevoegen van een woning conform het huidige omgevingsplan niet mogelijk.
Met voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan wordt het toevoegen van een woning mogelijk gemaakt. In dit TAM-IMRO omgevingsplan wordt aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het plangebied betreft het perceel met het huisnummer 204 aan het Noorderdiep, in Nieuw-Buinen. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Borger, sectie P, nummers 301 en 688. Rondom het plangebied bevindt zich lintbebouwing langs het Noorderdiep en het Zuiderdiep. In de lijn van bebouwing zijn voornamelijk woningen aanwezig met enkele agrarische bedrijven en andersoortige bedrijven. De omgeving van het plangebied is dan ook aan te merken als gemengd gebied.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het plangebied in Nieuw-Buinen en directe omgeving weergegeven. Het plangebied wordt respectievelijk aangemerkt met een rode ster en een rode omlijning. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
|
|
| Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: ruimtelijkeplannen.nl) |
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het 'Bestemmingsplan Nieuw Buinen – Buinerveen'. Dit bestemmingsplan is op 6 juli 2017 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Borger-Odoorn. De gronden hebben de bestemming 'Gemengd'. Ter plaatse van het plangebied is een bouwvlak aanwezig.
In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het geldende tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen. Het plangebied is indicatief met de rode contour aangegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit TAM-omgevingsplan.
|
| Afbeelding 1.2: Verbeelding geldend bestemmingsplan (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl) |
De gronden met de bestemming 'Gemengd' zijn bestemd voor uiteenlopende functies. Deze worden als volgt opgesomd:
Strijdigheid
Op basis van het geldende omgevingsplan is het niet mogelijk om een nieuwe woning te realiseren binnen het plangebied. Het wonen is enkel toegestaan overeenkomstig de bestaande situatie. Een nieuwe woning bouwen en gebruiken is momenteel niet mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt door middel van een wijziging van het omgevingsplan. In dit geval een TAM-omgevingsplan.
De ruimtelijke motivering is opgebouwd uit 7 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het voorgenomen plan. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het van toepassing zijnde rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Het voorgenomen plan wordt daarbij getoetst aan dit beleid. Hoofdstuk 4 bevat een waardentoets. Hieruit blijkt welke waarden er in het plangebied aanwezig zijn en of deze worden aangetast door de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieuaspecten aan bod. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële uitvoerbaarheid van het voornemen. Hoofdstuk 7 gaat ten slotte in op de voorbereiding en de participatie gedurende de planvoorbereiding.
Het plangebied betreft het perceel van het Noorderdiep 204, in het bebouwingslint van Nieuw-Buinen, gemeente Borger-Odoorn. In de omgeving zijn met name grondgebonden woningen en agrarische bedrijven gevestigd. Daarnaast zij in de omgeving enkele bedrijven aanwezig. In het verleden heeft op het terrein een woning gestaan. In 1975 is deze woning afgebroken.
Het plangebied zelf is in de huidige situatie ingericht als tuin met een bijgebouw. De gronden bestaan uit de kadastrale percelen: sectie P, nummers 301 en 688 van de gemeente Borger-Odoorn. Afbeelding 2.1 toont de huidige situatie, dat is aangeduid met een rode omlijning.
|
| Afbeelding 2.1 Luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied (bron: PDOK) |
Onderhavig plan betreft het realiseren van een nieuwe planologische situatie middels een wijziging van het omgevingsplan. Deze procedure is benodigd om ter plaatse van het plangebied een woning te bouwen. In voorliggend TAM-omgevingsplan wordt aangesloten op de bouw- en gebruiksregels behorende bij de functie 'gemengd' uit het geldige omgevingsplan. Daarbij worden enkele aanvullende regels opgenomen omtrent de omvang en de situering van de nieuwe woning op het perceel. Met het toevoegen van deze regels wordt aangesloten bij de situering en de omvang van de omliggende woningen, en past de nieuwe woning in het straatbeeld. Het bestaande bouwvlak blijft ongewijzigd in vergelijking met de oude situatie.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
Het betreft een plan waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen herziening van het omgevingsplan.
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).
Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders natuurlijk.
Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden:
Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van:
Toetsing
In voorliggend plan wordt ingegaan op de bovengenoemde instructieregels in de volgende paragrafen:
Geconcludeerd kan worden dat in de volgende paragrafen van deze motivering aangesloten wordt bij de uitgangspunten van het Bkl.
Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Daarbij gelden uiteraard grenzen:
Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, is het mogelijk dat er maatwerkregels kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan, bijvoorbeeld om cumulatie van de gevolgen van effecten van Bal-activiteiten te beperken. Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels of waarmee een nadere invulling of concretisering wordt gegeven van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan, zoals bij de eisen aan Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG). Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels.
De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer. Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken. Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden.
Toetsing
Wanneer de woning die voorliggend plan mogelijk maakt gebouwd wordt, zal getoetst worden op de uitgangspunten van het Bal en het Bbl. Tijdens het schrijven van dit plan is dit nog niet mogelijk gebleken, omdat het ontwerp van de toekomstige woning nog niet vaststaat.
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van het Rijksbeleid. Vanuit relevante beleidsdocumenten en regelgeving werken geen randvoorwaarden of uitgangspunten rechtstreeks door op het voorgenomen plan.
De Omgevingsvisie Drenthe 2022 (geactualiseerd d.d. 28 september 2022) is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de provincie Drenthe. Met deze visie zet de provincie in op "het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten." De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het gaat om: rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen); noaberschap; kleinschaligheid (Drentse schaal); menselijke maat; veiligheid. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. In de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar concrete indicatoren gemaakt, namelijk voor landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Aanvullend geeft de provincie aan dat 'zuinig ruimtegebruik' en het bewaken van een goede 'milieu- en leefomgevingskwaliteit' van provinciaal belang zijn.
Hieronder volgen de delen uit de omgevingsvisie die relevant zijn voor het voorliggende ruimtelijk initiatief op het gebied van de onderwerpen wonen, cultuurhistorie en landschap.
Wonen en demografie
In het beleidsstuk 'Wonen en demografie' zet de provincie uiteen dat binnen Drenthe wordt gestreefd naar aantrekkelijke, gevarieerde en leefbare woonmilieus, die inspelen op de woonvraag. Dit wordt door gemeenten verder doorvertaald in de gemeentelijke woonplannen. De huidige kernstructuren en woonbehoeften in gemeenten staan samen met de aandacht voor krimpgebieden centraal in het ontwikkelen van nieuw beleid.
Wegdorpen van de randveenontginning
Het karakter van en de sfeer van de wegdorpen, ontstaan door veenontginning, wordt grotendeels bepaald door bebouwing en wegbeplanting. Daarnaast zijn de doorkijken naar langgerekte stroken en slotenpatronen zichtbaar. De provincie zet zich in voor het behoud van het open weidegebied en de smalle verkaveling met het fijnmazige slotenpatroon en wenst dit open karakter te versterken.
Landschap van de veenkoloniën
Kenmerkend voor het landschap van de veenkoloniën zijn de lint- of dubbellintdorpen zoals Nieuw-Buinen. Kenmerkend voor deze gebieden is de strakke orthogonale verkaveling. Kenmerkend aan deze dorpen is dat het landschap het dorp diep binnen kan dringen. Het dorpssilhouet is een langgerekte strook waar zowel woningen als agrarische bedrijven het beeld bepalen. De provincie vind het van belang dat de orthogonale lijnen van het ontginningspatroon behouden en herkenbaar blijft, samen met de grootschalige openheid en bebouwingslinten.
Kernkwaliteit Aardkundige waarden
In gebieden, zoals het plangebied, waar het generieke beschermingsniveau voor het aardkundig erfgoed van kracht is, dienen de aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron bij ontwikkelingen te worden gebruikt. Van gemeenten wordt verwacht dat zij inventariseren welk aardkundig erfgoed aanwezig is en hier bescherming aan verlenen vanuit de gemeentelijke omgevingsvisie en bij het beoordelen van plannen en initiatieven.
Kernkwaliteit Cultuurhistorie
Het plangebied wordt in de omgevingsverordening aangeduid als liggend in deelgebied 'De Monden'. De Omgevingsvisie gaat in op de kenmerken en ambities voor deze deelgebieden. Enkele kenmerken die van toepassing zijn op het plangebied zijn:
De ambitie van de provincie is om de hiërarchie in de orthogonale opbouw van de veenkoloniën te accentueren. Hierbij stuurt de provincie op het zichtbaar houden van de ordening en samenhang tussen de ontginningsassen, die tot uitdrukking komen in enkele en dubbele lintdorpen en bebouwde en onbebouwde ontginningsassen. Tevens dient de ordening en samenhang. binnen een lintdorp, zoals boerderijen en woningen die elk aan een zijde van het kanaal staan.
Zorgvuldig ruimtegebruik
Ruimtelijke kwaliteit zit in het zorgvuldig gebruik maken van de ruimte en in het waarborgen van de kwaliteit van het milieu en de leefomgeving. Om zorgvuldig ruimtegebruik in Drenthe te stimuleren, wordt gestreefd naar het bundelen van wonen en werken. Verdichting gaat voor uitbreiding. Extra ruimte voor wonen en werken is er in of aansluitend op het bestaande bebouwde gebied en gebundeld rond de regionale voorzieningen voor infrastructuur en openbaar vervoer. Uiteraard is het niet de bedoeling dat dit streven ten koste gaat van cultuurhistorisch waardevolle dorpskernen. In zulke situaties met de betrokken partijen gezocht naar een maatwerkoplossing.
Conclusie
Middels deze wijziging van het omgevingsplan wordt de mogelijkheid gecreëerd om een woning toe te voegen aan het bestaande bebouwingslint aan het Noorderdiep. De woning kan worden gebouwd op een leegstaande kavel waar in het verleden reeds een woning heeft gestaan. Het toevoegen van de woning heeft geen gevolgen voor de doorkijken naar het omliggende landschap of voor de lintstructuur van Nieuw-Buinen. Met het plan wordt voorzien in inbreiding binnen het dorp en wordt het bebouwingslint versterkt. Met de geringe gevolgen voor het landschap en geen gevolgen voor de bestaande cultuurhistorische waarden en de plaatsing van de kavel tussen de bestaande bebouwing in het dorp voldoet het plan aan de voorwaarden benoemd in de omgevingsvisie van de provincie Drenthe.
In de Omgevingsverordening provincie Drenthe (gewijzigde versie d.d. 15 februari 2024) is het beleid uit de Omgevingsvisie Drenthe 2022 vertaald naar juridische regels. De provinciale omgevingsverordening is een instrument om het beleid uit de provinciale omgevingsvisie uit te kunnen voeren. In de verordening staan de regels die bij deze plannen en ideeën gelden. Gemeenten en waterschappen moeten aan de regels uit deze verordening voldoen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen.
In voorliggend geval gaat de omgevingsverordening niet specifiek in op dorpsvoorzieningen. Wel zijn in het algemeen regels opgesteld aangaande de ruimtelijke kwaliteit aan de hand van kernkwaliteiten. Hieronder zijn deze artikelen weergegeven.
Artikel 2.6 Werken met kernkwaliteiten
Als kernkwaliteiten worden aangewezen de thema's en gebieden zoals die zijn neergelegd op de bij deze verordening behorende kaart A (kaartlaag stilte), kaart D3 (kaartlaag Natuurnetwerk Nederland), kaarten D4 t/m D7 waarbij voor de kaart D7 (Kernkwaliteit Landschap) geldt dat van een provinciaal belang alleen sprake is in de situaties zoals in de omgevingsvisie (hoofdstuk 4) omschreven. Voor ontwikkelingen binnen bestaand stedelijke gebied ligt de verantwoording voor kernkwaliteiten bij de gemeente. Enkel op de onderwerpen archeologie en cultuurhistorie. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn:
Kernkwaliteit Aardkundige waarden
De provincie heeft haar beleid op de aardkundige waarden in de omgevingsvisie anders benoemd. In de omgevingsvisie worden deze waarden aangeduid als aardkundig erfgoed.
De provincie wenst de gebieden waar de landvormen en aardkundige processen die karakteristiek zijn voor het Drentse landschap behouden en versterken. Deze landschappelijke waarden moeten dienen als basis voor ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke diversiteit, biodiversiteit, klimaatrobuustheid en als belangrijke informatiebron over het verleden. De omgevingsvisie geeft aan dat het plangebied in het Aardkundig hoofdlandschap Hunzedal ligt. De nadere uitwerking van de toetsing Aardkundige waarden heeft de provincie uitgewerkt in de Strategie Bodem & Ondergrond.
Strategie Bodem & Ondergrond
In de Strategie Bodem & Ondergrond wordt beschreven dat bij de gronden die de aanduiding 'generiek' dragen samen met de initiatiefnemer bekeken wordt hoe de aardkundige waarden in het plangebied beschermd kunnen worden. De provincie gaat bij het niveau 'generiek' in gesprek met de initiatiefnemer over hoe rekening kan worden gehouden met de het plaatselijke aardkundig erfgoed. Over het algemeen wordt bij dit niveau uitgegaan van het 'ja, en' principe.
Kernkwaliteit Cultuurhistorie
Het plangebied ligt in de omgevingsverordening in het deelgebied 'De Monden'. Nieuwe initiatieven dienen rekening te houden met de alhier geldende kernkwaliteiten van het deelgebied. Voor het onderdeel cultuurhistorie verwijst de omgevingsverordening naar hetgeen wordt verwoord over cultuurhistorie ter plaatse van het plangebied in de omgevingsvisie. Dit is reeds uiteengezet in paragraaf 4.14 van deze motivering.
Artikel 2.17 Woningbouw
Met haar beleid op woningbouw wil de provincie dat gemeenten gelegen in eenzelfde woonregio plannen voor woningbouwontwikkelingen afstemmen. In de gemeentelijke woonvisies is uitgezet hoe deze afstemming plaatsvindt. Uit de woonvisies moet de vraag naar een dergelijke ontwikkeling zijn vastgelegd en dient de nieuwe ontwikkeling bij te dragen aan een gezond balans tussen vraag en aanbod in de Drentse woningvoorraad. Voor nieuwbouwwoningen geldt dat altijd een Ladderoverweging moet plaatsvinden op basis van het principe van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Tevens dient aangesloten te worden bij bestaand stedelijk gebied. De Ladderoverweging behorende bij deze motivering is reeds behandeld onder paragraaf 4.2.
Artikel 3.31 Radioastronomie
Voorliggend plan valt binnen de grenzen van een beschermingszone voor de radioastronomie. Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'Zonering radioastronomie 2'. Deze zone geldt als 'overlegzone'. De regels die de verordening voor dergelijke gebieden stelt worden als volgt beschreven:
Een ruimtelijk plan kan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij deze verordening behorende kaart D8 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone II', alleen voorzien in bedrijfsvestiging, uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.
In principe geldt daar eveneens het uitgangspunt dat elektromagnetische straling die de waarneming van de radiotelescopen verstoort, moet worden voorkomen. Er kan natuurlijk onduidelijkheid bestaan over de vraag wanneer van dergelijke verstoring sprake is. De provincie Drenthe verwacht dat wanneer er binnen deze zone nieuwe bebouwings- of gebruiksmogelijkheden worden toegevoegd, hier in een vroeg stadium overleg over gepleegd dient te worden met het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON). Een ruimtelijk plan dat binnen de zone valt dient te worden voorzien van een advies van ASTRON.
Voor het plangebied gelden 2 soorten kernkwaliteiten namelijk:
Toetsing Aardkundige waarden:
In voorliggend geval wordt het bouwen van een nieuwe woning mogelijk gemaakt op een onbebouwde kavel. Met het herbestemmen van de gronden worden geen mogelijk aardkundige waarden beschadigd. Wanneer het komt tot het bouwen van de woning dient het plan aan de provincie voorgelegd te worden om onder andere de aardkundige waarden van het plangebied vast te stellen en te beoordelen in hoeverre de toekomstige woning de aanwezige aardkundige waarden zal aantasten. Het plan is hiermee uitvoerbaar op het onderdeel Aardkundige waarden.
Toetsing Kernkwaliteit Cultuurhistorie:
Uit de toetsing van de kernkwaliteit Cultuurhistorie ter plaatse van het plangebied blijkt dat op het plangebied een aanduiding 'Eisen stellen' draagt. Bij grote ontwikkelingen wenst de provincie een sturende rol in de planvorming te hebben om de bestaande cultuurhistorie van het landschap en de dorpen te bewaren. Voorliggend plan past binnen de bestaande cultuurhistorische waarden en is van een dergelijk kleine schaal dat verdere invloed op de cultuurhistorie van het landschap of het dorp niet verwacht wordt. Het plan is hiermee uitvoerbaar op het onderdeel Kernkwaliteit Cultuurhistorie. De provincie is in in de voorbereidingsfase van voorliggend TAM-omgevingsplan om een reactie gevraagd op het voornemen. De provincie heeft wat het provinciaal belang betreft opgemerkt dat met het opvullen van een open plek in het bebouwingslint het provinciaal belang niet in het geding komt. De volledige reactie van de provincie is toegevoegd aan de motivering als onderdeel van bijlage 3.
Toetsing Zonering Radioastronomie II:
In voorliggend geval is telefonisch contact opgenomen met het ASTRON en is overeengekomen dat de bouwplannen voor de woning worden voorgelegd als onderdeel van de procedure voor de bouwvergunning. Het TAM-omgevingsplan, dat enkel toeziet in het planologisch mogelijk maken van de woning, wordt niet als belemmerend gezien in relatie tot de werkzaamheden omtrent de radioastronomie. Het plan is hiermee uitvoerbaar op het onderdeel zonering radioastronomie II.
Geconcludeerd wordt dat het TAM-omgevingsplan in overeenstemming is met de Provinciale omgevingsvisie en omgevingsverordening Drenthe. Relevante provinciale belangen zijn in voorliggend plan voldoende geborgd.
De Omgevingsvisie BuitenGewoon Borger-Odoorn (vastgesteld 19 oktober 2023) is de visie op de fysieke leefomgeving van de gemeente Borger-Odoorn. De visie bestaat uit de volgende vijf onderdelen:
Kwaliteit is het belangrijkste uitgangspunt bij het beoordelen van nieuwe initiatieven aan het onderwerp 'wonen' in de omgevingsvisie. Een passende woningvoorraad ondersteund zowel het jong kunnen zijn en oud worden. De visie zet om deze reden in op concentratie van lokale voorzieningen in zes hoofdkernen Borger, Exloo, Odoorn, Nieuw-Buinen, 2e Exloërmond en Valthermond. Dat betekent dat de verbindingen (auto, OV en fiets) tussen omliggende kleinere kernen en de hoofdkernen belangrijker worden
De visie beschrijft dat bij het onderwerp leefbaarheid gestreefd dient te worden naar kwaliteit in de dorpskernen om zo de leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare ruimte te behouden. Concluderend is nieuwe woningbouw mogelijk binnen bestaande structuren mits dit kleinschalig en kwalitatief van aard is. Met het toevoegen van één woning wordt in een bescheiden mate een bijdrage geleverd aan de sociale cohesie van Nieuw Buinen en het in stand houden van de voorzieningen.
Vooruitlopend op de Omgevingsvisie is met de Woonvisie 2022+ een programma ontwikkeld gericht op de woningvoorraad. De Woonvisie 2022+ bestaat uit drie hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk (context) is een beschouwing van de actuele stand van zaken en opgaven in de gemeente Borger-Odoorn, aan de hand van relevante gegevens. Het hoofdstuk kent vier thema's: ruimtelijk, woningen, bewoners en duurzaamheid, elk met vier subthema's. Hoofdstuk 2 benoemt ambities die daaruit voortvloeien. Op een hoger abstractieniveau en al meer toegespitst op de relevantie voor het wonen. Enerzijds passend bij Borger-Odoorn als plattelandsgemeente, en anderzijds bij de situatie en vraagstukken van de komende jaren. Hoofdstuk 3 tenslotte richt zich volledig op de actuele woonvraag, gesplitst in nieuwbouw en bestaande bouw.
Er is in Borger-Odoorn veel ruimte voor toevoeging door nieuwbouw. Ruimte in de prognoses, door te werken met onderbouwde optimistische scenario's. En ruimte in de dorpskernen, getuige het onderzoek naar potentiële inbreidingslocaties. Tot 2030 kunnen er wel 500 huishoudens bijkomen, mits tijdig aan de huidige woonvraag kan worden voldaan. Natuurlijk in Borger, maar ook in Exloo en Odoorn, ook in het veengebied. In de kleinste kernen is maatwerk geboden, maar de meeste dorpen hebben nog voldoende groeipotentie. De gemeente kan zelf het voortouw gaan nemen én ruimte bieden aan eigen initiatieven van bewoners. Flexibiliteit en kwaliteit van het aanbod zijn in deze tijd doorslaggevend. De nieuwbouw moet iets toevoegen aan het bestaande aanbod. Er is vooral vraag naar betaalbare en naar toekomstbestendige koopwoningen. Flexibel levensloopbestendige woningen bijvoorbeeld, met een bad- en slaapkamer beneden. Of beschutte woonvormen, voor ouderen of voor andere kwetsbare doelgroepen. Met deze toevoegingen is Borger-Odoorn klaar voor een gezonde toekomst op woongebied.
De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad in Borger-Odoorn is overwegend goed. Wel zijn er relatief veel huizen met slechte energielabels, vooral F en G. Dat is anno 2024 echt onnodig en niet meer uitlegbaar. De gemeente zou alles op alles moeten zetten om deze mensen te bereiken, te helpen en tot actie te bewegen. Voor een lagere energierekening, meer wooncomfort en minder CO2-uitstoot. Woningcorporaties kunnen als aanjager gaan dienen voor particulieren. Dankzij hun investeringen in woningverbetering en sloop-nieuwbouw gaan ook de wijken en de leefbaarheid vooruit. Dit is in het belang van alle bewoners én omwonenden en moet door de gemeente ten volle ondersteund worden, ook met investeringen in de openbare ruimte. Middelen uit het Volkshuisvestingsfonds kunnen hiervoor ingezet worden, zoals nu in 2e Exloërmond met Woonservice. Het inzetten van woningmarktinstrumenten vraagt in Borger-Odoorn om enige terughoudendheid. Juist in deze tijd van grote marktdruk kan de gemeente haar toekomst herschrijven. Niet te veel afremmen, maar gericht stimuleren en zorgen voor voldoende aanbod.
Ambitie Woningen vernieuwen
Deze ambitie zet in op het vernieuwen en moderniseren van de bestaande woningvoorraad en gerichte toevoeging. Nieuw-Buinen wordt in deze ambitie genoemd als kern met potentie voor (centrum) ontwikkeling. De visie beschrijft hier dat het toevoegen van nieuwbouw op maat kan plaatsvinden, met respect voor de bestaande structuur langs de linten. Hier is ook ruimte voor nieuwe accenten bij bestaande voorzieningen. Nieuwbouw vind met voorkeur plaats nabij voorzieningen en lintkruisingen.
Strategie Nieuwbouw
Hoewel voor de gemeente Borger-Odoorn een krimp scenario voorspeld wordt na 2035 wenst de gemeente de groei of krimp gedeeltelijk zelf te sturen door woningbouw te faciliteren en te stimuleren. De gemeente heeft voor dit scenario drie groeiscenario's beschreven: kleine groei met 100 nieuwe huishoudens, middelmatige groei van ongeveer 2% naar 250 nieuwe huishoudens en hoge groei van ongeveer 4% naar 500 nieuwe huishoudens in 2030. Borger-Odoorn heeft onderzocht dat de hoge groei plaats kan vinden door inbreiding in de bestaande kernen.
Rekening houdende met de gestelde doelen uit de Woonvisie die sturen op inbreiding en de drie groeiscenario's is te verwachten dat de woning goed op gaat in het bestaande straatbeeld en dat met deze inbreiding een kleine bijdrage wordt geleverd aan de wens van de gemeente om het woning aantal te laten groeien.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.
Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.
In voorliggend geval kan worden beoordeeld dat er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals wordt genoemd in onderdeel J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit en dat sprake is van 'aanleg, wijziging of uitbreiding' (kolom 3). Een m.e.r.-beoordeling is hierdoor noodzakelijk. De in voorliggend TAM-omgevingsplan beschreven wijziging van het omgevingsplan gaat uit van het toevoegen van een enkele woning op een perceel waar voorheen ook een woning heeft gestaan, als onderdeel van het bebouwingslint. Gelet op de locatie en op de aard en omvang van de ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat hier geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Omgevingsbesluit. Verder wordt in deze motivering reeds aangetoond dat het voornemen niet gepaard gaat met negatieve milieueffecten.
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van bijlage V van het Omgevingsbesluit.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."
Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:
Voorliggende ontwikkeling wordt niet gezien als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in de NOVI. Bij het realiseren van woningen is onder meer de uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 van belang. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van respectievelijk 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is er sprake van de realisatie van één woning. Er is dus geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van het Rijksbeleid omtrent de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Rijk
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft het Rijk 21 nationale belangen geformuleerd (zie ook 3.1.1). Dit zijn belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau ontstijgen en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. Eén van die belangen is het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Voor dit vestigingsklimaat is de radioastronomie van belang. De NOVI geeft hierover aan: "Nederland wil in verschillende vakgebieden (onder andere radio-astronomie) tot de wereldtop blijven behoren. De opgave in deze is om essentiële grootschalige wetenschappelijke infrastructuur, die voor haar functioneren afhankelijk is van een storingsvrije omgeving, te beschermen door een storingsvrije omgeving te waarborgen." Het Rijk ziet erop toe dat de kwaliteit van deze infrastructuur binnen de leefomgeving gewaarborgd blijft.
Provincie
De provincie wil garanderen dat de radioastronomie zich kan blijven ontwikkelen en dat verstoring van activiteiten die daarmee samenhangen wordt voorkomen. Om dat te bewerkstelligen, liggen er beschermingszones rondom de LOFAR-radiotelescoop, waar beperkingen gelden inzake de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden ter voorkoming van elektromagnetische straling. Een kernbegrip hierbij is het begrip 'verstoring'. Elektrische en elektronische apparatuur zendt, onbedoeld, radiogolven uit en kan de systemen van het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) storen. Deze soort storing valt in de categorie Elektro-Magnetische Compatibiliteit (EMC). Ook al voldoet de apparatuur aan de geldende EMC emissie normen, toch kunnen ze zwakke signalen uit het heelal storen. Echter, voor dit soort zwakke signalen heeft LOFAR nu juist zijn grote gevoeligheid gekregen. Deze zeer zwakke signalen uit het heelal worden dan als het ware overstemd door de, op aarde geaccepteerde, signalen. Vanwege genoemd effect is er een veilige minimumafstand nodig radiogolven uitzendende apparatuur en LOFAR. De mate van verstoring is dus gekoppeld aan elektromagnetische straling van een bron. Er is sprake van twee zones met elk een verschillend beschermingsniveau.
Voor een ruimtelijk plan die binnen zone I en II van de LOFAR-radiotelescoop ligt, is een advies van ASTRON nodig. Uit de Provinciale omgevingsverordening Drenthe volgt dat dit ook geldt voor een ruimtelijk plan die voorziet in ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer rondom een LOFAR-buitenstation. De locaties van deze buitenstations en de bijbehorende beschermingszones zijn aangegeven op de website van ASTRON.
ASTRON
ASTRON heeft op haar website tevens kaarten gepubliceerd met normen voor elektromagnetische straling (EMC). Deze zijn relevant voor windparken, zonneparken en kleine windmolens. Er wordt uitgegaan van groene, gele en rode zones. In de rode zones (Elektrische veldsterkte (flux) < 20 dBµV/m) moeten initiatiefnemers extra maatregelen treffen. Inmiddels is veel ervaring opgedaan met zonneparken in rode zones en is een radiostille windturbine ontwikkeld. Van kleine windmolens is bekend dat de meeste types in de rode zones kunnen worden geplaatst. In gele zones (Elektrische veldsterkte (flux) = 30-50 dBµV/m) zijn de maatregelen vaak beperkt. De meeste zonneparken kunnen aan de hier geldende norm voldoen. Voor een windturbine gaat het met name om het toepassen van een radiostille lamp voor de luchtvaartverlichting en eventueel extra afscherming van de sensoren in de nacelle. Van de kleine windmolens voldoen alle types reeds aan de gele norm en een enkele ook aan de rode norm. In de groene zones (Elektrische veldsterkte (flux) = 30-50 dBµV/m) zijn meestal geen of zeer beperkte maatregelen nodig. In alle gevallen geldt dat voor windparken, zonneparken en kleine windmolens een advies van ASTRON nodig is en dat het omgevingsplan moet voorzien in een beschermende regeling.
In voorliggend geval is telefonisch contact opgenomen met het ASTRON en is overeengekomen dat de bouwplannen voor de woning worden voorgelegd aan het ASTRON als onderdeel van de procedure voor de bouwvergunning. Voorliggend TAM-omgevingsplan, dat enkel toeziet in het planologisch mogelijk maken van de woning, wordt niet als belemmerend gezien in relatie tot de werkzaamheden omtrent de radioastronomie. Het plan is hiermee uitvoerbaar op het onderdeel zonering radioastronomie II.
Met het voorleggen van de bouwplannen ten tijde van het aanvragen van de bouwvergunning worden de belangen van de beschermingszone voor radioastronomie in voldoende mate afgewogen. Geconcludeerd kan worden dat hier sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan een locaties.
In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:
"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.
De regels omtrent duurzaamheid bij het bouwen van een nieuw bouwwerk staan in Hoofdstuk 4 van het Bbl. De initiatiefnemer is bij het bouwen van de woning zelf verantwoordelijk voor het naleven van de normen en voorschriften op het onderwerp duurzaamheid. Bij het bekend worden van het ontwerp van de te bouwen woning zal een check op basis van de duurzaamheidsnormen uit het Bbl dan ook onderdeel uitmaken van de afweging van de bouwvergunning.
In voorliggend plan is zoveel mogelijk aandacht besteed aan het aspect 'duurzaamheid'. Vanuit het aspect duurzaamheid is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.4.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren.
Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.
Ter plaatse van het plangebied zijn geen instructieregels of omgevingswaarden opgenomen ten behoeve van het beschermen of verbeteren van de gezondheid. Voor voorliggend initiatief is in deze onderbouwing zo goed mogelijk afgewogen op welke manieren de ontwikkeling invloed zal hebben en beïnvloed wordt door omliggende activiteiten zonder dat de gezondheid van de nieuwe bewoners of de omliggende bewoners negatief wordt beïnvloed. In deze onderbouwing is dit bereikt door te onderbouwen dat bij alle relevante milieuparagrafen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties plaatsvindt. Vanuit dit oogpunt kan geredeneerd worden dat de kwaliteit van de leefomgeving door de beoogde activiteit verbetert dan wel niet (onevenredig) verslechtert.
Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied. Het kader voor die beoordeling wordt gevormd door het Gemeentelijk verkeer- en vervoersplan Borger-Odoorn 2019-2029, de parkeernormen die in het omgevingsplan zijn opgenomen en/of de kencijfers van de CROW.
Parkeren
Wat betreft het onderdeel parkeren wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. In Borger-Odoorn wordt, gezien de auto-georiënteerdheid van de gemeente uitgegaan van het maximum. In dit geval is voor wat betreft de gemeente Borger-Odoorn uitgegaan van een stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' (bron: CBS Statline).
Op basis van het hiervoor genoemde uitgangspunten geldt voor een vrijstaande woning een minimale parkeerbehoefte van 1,9 auto's per woning en een maximale parkeerbehoefte van 2,7 auto's per woning. Bij het toepassen van de kerncijfers hanteert de gemeente de maximale waarde, aangezien de gemeente een zeer autoafhankelijke gemeente is. De parkeerbehoefte van de woning wordt daarmee vastgesteld op afgerond 3 parkeerplaatsen.
Overeenkomend met het tijdelijk deel van het omgevingsplan 'Bestemmingsplan Nieuw Buinen – Buinerveen' dienen parkeerplaatsen op het eigen terrein gerealiseerd te worden. Gelet op de omvang van het plangebied, wordt er vanuit gegaan dat de parkeerbehoefte op eigen terrein kan worden gerealiseerd.
Verkeer
Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het mogelijk maken van één vrijstaande woning. De CROW lijst gaat bij een vrijstaande koopwoning in de rest bebouwde kom uit van een minimale verkeersgeneratie van 7,8 auto's per etmaal en een maximale verkeersgeneratie van 8.6 auto's per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen is met het toevoegen van een enkele woning gering en kan zonder problemen worden afgewikkeld via de omliggende infrastructuur.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan
Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.
Stikstof
Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Soortenbescherming
Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Gebiedsbescherming
In voorliggend geval ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Drouwenerzand' op circa 6,8 kilometer afstand van het plangebied. In onderstaande afbeelding wordt dit weergegeven.
|
| Afbeelding 4.1 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS.nl) |
Vanwege de omvang van de ontwikkeling en grote afstand tot Natura 2000-gebied zijn direct negatieve effecten zoals geluid- en lichthinder en indirect negatieve effecten zoals stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten. Een stikstofberekening is in voorliggend geval niet noodzakelijk geacht.
Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale omgevingsvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. In afbeelding 4.2 is de afstand tussen NNN gebieden en het plangebied weergeven. Omdat het NNN geen externe werking heeft is er geen sprake van enige aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN.
|
| Afbeelding 4.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN. Plangebied is aangeduid met de rode punt (bron: ruimtelijkeplannen.nl) |
Soortenbescherming
In voorliggend geval vinden er geen sloopwerkzaamheden plaats voorgaande aan het bouwen van de woning. De huidige situatie van het plangebied bestaat uit een tuin met daarin een grasveld en enkele bomen. Vanwege het intensieve beheer en onderhoud van het grasveld in het plangebied, heeft het plangebied een lage ecologische waarde. Vanwege de lage ecologische waarde van het plangebied is geen quickscan uitgevoerd naar de aanwezige soorten die eventueel hinder zouden ondervinden van de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Verder onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
Gelet op de aard en omvang van dit voornemen, in verhouding tot de standaard gevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl), kan worden gesteld dat voorliggend voornemen 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Wegverkeerslawaai
Het plangebied ligt langs een weg bestaande uit twee rijstroken met een snelheidsregime van 30 km/u, waarvoor een wettelijk geluidsaandachtsgebied van 100 meter geldt. Omdat dit de enige weg is waarvan de wettelijke geluidszone over het plangebied ligt, en dit een zeer rustige weg betreft is voor voorliggende ontwikkeling geen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De verkeersintensiteit van het Noorderdiep is zeer laag en het bouwvlak van de woning ligt op circa 9 meter van de weg. Hierdoor kan aangenomen worden dat aan een binnenklimaat van 33 dB in de woning kan worden voldaan. Ten tijde van de bouwaanvraag zal op het binnenklimaat getoetst worden.
Railverkeerslawaai en indurstrielawaai
Een onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai kan noodzakelijk zijn als in de directe nabijheid van een geluidsgevoelig object een spoorlijn is gelegen of activiteiten plaatsvinden die akoestisch relevant zijn. Het plangebied is op een ruime afstand van circa 25 kilometer van de dichtstbijzijnde spoorlijn gelegen. In voorliggend geval liggen is in de directe omgeving van het plangebied ook geen geluidsgezoneerd bedrijventerrein. Een akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk.
Vanuit het aspect geluid door activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.
Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol:
Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. De locatiekeuze bepaalt welke regels moeten gelden.
Als in het omgevingsplan regels over geur vanwege rwzi's of agrarische activiteiten zijn opgenomen, dan moet er ook een bebouwingscontour geur worden vastgelegd. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming' (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het gaat hierbij om bebouwing voor:
Ook de openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur die bij deze bebouwing horen, vallen onder dit samenstel.
Zolang het tijdelijke omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat (BS) van toepassing. En dus ook de regels over de bebouwde kom (paragraaf 22.3.6 BS), in plaats van een bebouwingscontour geur. De Bruidsschat bevat regels over:
Bij voorliggende ontwikkeling moet uitgegaan worden van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij. De maximale geuremissie die hier is toegestaan bedraagt 2,0 ouE/m3. De minimale afstand die gehouden moet worden tussen het dierenverblijf en het geurgevoelige object is binnen de bebouwde kom 50 meter. In onderstaande tabel zijn de locaties en afstanden van de omliggende veehouderijen weergegeven:
| Locatie | Bedrijf | Afstand tot bouwvlak plangebied |
| Noorderdiep 65 | Grondgebonden veehouderij | 112 meter |
| Noorderdiep 67 | Grondgebonden veehouderij | 170 meter |
Aan de tabel valt af te lezen dat aan beide veehouderijen ruimschoots wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden.
Ten zuiden van het plangebied is een bedrijfsbestemming gelegen. Hier mogen bedrijven zich vestigen die vallen binnen milieucategorie 1 en 2. De maximale richtafstand die bij deze categorie wordt gehanteerd is 30 m. Het bouwvlak binnen het plangebied ligt op circa 40 meter van de bedrijfsbestemming van de bedrijfsbestemming, waardoor geen overlast door geur verwacht hoeft te worden ter plaatse van de toekomstige woning.
Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat binnen het aspect geur sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Aan hand van de EV-Signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Signaleringskaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de kaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Signaleringskaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
|
| Afbeelding 4.3 Uitsnede EV-Signaleringskaart (Bron: ev-signaleringskaart.nl) |
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die een aandachtsgebied over het plangebied veroorzaken.
Ten zuidoosten van het plangebied is een explosieaandachtsgebied en een brandaandachtsgebied opgenomen als gevolg van de aanwezigheid van een propaantank. Ten westen van het plangebied ligt een buisleiding van de NAM. Het betreft een leiding ten behoeve van het vervoeren van stikstof. Om deze reden zijn geen risicocontouren opgenomen en is er geen sp rake van enige aandachtsgebieden. Ten zuiden van het plangebied zijn de windturbines van het windmolenpark Drentse Monden gelegen. Het plangebied ligt op voldoende afstand van de windmolens om dat aangenomen kan worden dat binnen het plangebied geen risico bestaat op ongevallen zoals ijsafwerping, een mastbreuk of het afbreken van een turbineblad.
Geconcludeerd kan worden dat er geen opslag voor het bewerken en/of her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl) plaatsvindt. Ook is er geen sprake van het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). In de nabijheid van het projectgebied is ook geen sprake van het exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Ten slot ligt het projectgebied ook niet in de nabijheid van een inrichting voor het opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Er zijn geen (veiligheid) maatregelen nodig voor de realisatie van het project.
De Brandweer Drenthe heeft in de voorbereidingsfase van dit initiatief een advies gegeven. Het volledige advies is terug te lezen in Bijlage 3 van deze motivering.
Inrichting en ontwikkeling
Bluswatervoorzieningen
In beginsel is er in voldoende mate voorzien in bluswatervoorzieningen voor de toevoeging van 1 woning. Echter, de aanwezigheid van de lokale visvijver nabij het Zuiderdiep 114 is de moeite van waard om nader te onderzoeken of deze ook als waterwinlocatie voor de brandweer kan dienen. Afstemming hiermee gaarne met de Veiligheidsregio Drenthe door de gemeente Borger-Odoorn.
Waarschuwings- en alarmeringssysteem
Bij nadere inrichting van het gebied dient ter dekking van het Waarschuwingsalarmeringsstelsel in overleg met de AOV-er van de Gemeente Borger-Odoorn een extra sirenelocatie te worden gerealiseerd. Daarnaast zijn er nog overige communicatiemiddelen zoals NL-Alert, cell-broadcasting of omroepvoertuigen die personen kunnen attenderen bij een calamiteit.
Bereikbaarheid
Het gebied heeft 2 normale toeritten. Hiermee voldoet het gebied goed aan de uitgangspunten van bereikbaarheid.
Opkomsttijd
De Brandweer Drenthe adviseert de initiatiefnemer te informeren over brandveiligheidsmaatregelen. Denk hierbij aan de BIObiz factoren:
De GasUnie heeft gereageerd op het toezenden van het concept TAM-omgevingsplan met een positieve reactie ten opzichte van het voornemen. De GasUnie verklaart dat het plangebied buiten de 1% letaliteitsgrens van de dichtstbijzijnde leiding valt. De leiding heeft hiermee geen invloed op de voorgenomen planontwikkeling.
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. In artikel 22.88 van de BS, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
In de wijde omgeving van het projectgebied is geen spoorverbinding, vaarweg of snelweg gelegen. Het is hiermee onwaarschijnlijk dat trillingen zullen plaatsvinden binnen het projectgebied. Het uitvoeren van een onderzoek naar trillingshinder is voor voorliggende ontwikkeling niet noodzakelijk geacht.
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Denk hierbij aan vorm, kleur of gebruik van materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de Bruidsschat (BS) zijn regels opgenomen met betrekking tot repressief welstandstoezicht (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).
Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.
De excessenregeling ziet erop toe dat de gemeente een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Omgevingswet gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift (art. 22.4 BS).
Het plangebied behoort in de welstandsnota tot het veenkoloniaal landschap. Het beleid is gericht op behoud van de ruimtelijke en functionele karakteristiek van de dorpen. Langs de diepen is op een enkele plaats nog een nieuwbouwlocatie voorhanden. De heldere ruimtelijke en functionele hoofdstructuur van de dubbellinten is bijzonder. Met name de schaalverschillen tussen de dorpsbebouwing en de boerderijen zijn opvallend. De lintbebouwing kent door de verschillen in functie, leeftijd en bouwstijl een gevarieerd beeld. De voorgevelrooilijn van de bebouwing varieert. De bebouwing is vrijstaand, met een begane grond met forse kap. De gebouwen hebben een rechthoekige plattegrond met een eenduiding kapvorm. De nokrichting van de kap is haaks op de weg. De kapvorm is veelal een zadeldak met of zonder wolfseind. De gevels zijn opgetrokken in een rode tot bruine baksteen, de daken zijn afgedekt met een grijze tot donkergrijze dakpan. De bijgebouwen zijn achter de achtergevelrooilijn geplaatst.
Ten tijde van het behandelen van voorliggende aanpassing van het omgevingsplan is nog geen ontwerp van de nieuwe woning bekend. Wat betreft de ligging en situering van de woning kan worden opgemerkt dat door het bouwvlak de woning in ieder geval 9 meter afstand bewaart tot de straat, waardoor de woning in het straatbeeld van het Noorderdiep past. In de omgeving van het plangebied zijn geen openingen aanwezig in het bebouwingslint en er zijn geen woningen gesitueerd achter het perceel. Met het bebouwen van het plangebied worden daarom ook geen andere woningen het uitzicht naar het wijds landschap ontnomen.
Ten tijde van de bouwaanvraag wordt het bouwplan getoetst aan de welstandsnota.
Voorliggend initiatief voldoet aan de eisen die worden gesteld aan welstand. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Archeologie
Op basis van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Borger-Odoorn zijn de gronden binnen het plangebied vrijgegeven van archeologisch onderzoek. Archeologisch onderzoek is niet nodig. Wel geldt een meldingsplicht bij het vinden van archeologische vondsten.
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied bevinden zich een bijgebouw dat in gebruik is als opslagschuur. Aan het plangebied of de omgeving om het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden toegekend. Het landschap om het plangebied heen bestaat uit lintbebouwing waarbij de voorgevel van het hoofdgebouw een afwisselende afstand heeft tot de straat. Het bouwvlak dat toegevoegd wordt in onderhavig plan komt op dezelfde lijn te liggen als het bouwvlak van de woningen er naast. Het plan is hiermee uitvoerbaar op het onderdeel cultuurhistorie.
Vanuit het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:
Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
In voorliggend geval heeft het firma Klijn een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. De onderzoeksrapportage is bijgevoegd in Bijlage 1 van de motivering.
Onderzoeksresultaten
Het verkennend bodemonderzoek concludeert dat in de grond licht verhoogde gehalten lood, koper en kwik worden geconstateerd. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium en koper en een matig verhoogd gehalte aan zink is aangetroffen. Deze waarden bieden geen aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. In het kader van de bodemgesteldheid zijn op basis van het verkennend bodemonderzoek geen belemmeringen te noemen ten aanzien van het gebruik van het onderzoeksgebied als woonbestemming.
Vanuit het aspect bodemkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Het waterschap Hunze en Aa's is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van toepassing is. Het waterschap heeft daarop een Standaard wateradvies – korte procedure toegestuurd. Uit het formulier blijkt dat het waterschap voor onderhavig plan geen nader advies heeft. Het standaard wateradvies kan worden toegepast om de woonbestemming toe te laten. Het standaard wateradvies is bijgevoegd in Bijlage 2 van de motivering. Relevante aanwijzingen uit het wateradvies worden als volgt toegelicht:
Verhardingstoename / compenserende maatregelen
Neemt het verharde oppervlak toe van het ingediende plan boven de compensatiedrempel; voor stedelijk gebied of kassengebieden met meer dan 150 m2 of in het buitengebied met meer dan 1500 m2 (Keur Waterschap Hunze en Aa's), dan dienen compenserende maatregelen te worden getroffen. De verhardingstoename zorgt er voor dat hemelwater versneld tot afstroming komt en kan dit leiden tot overlast en schade in het plangebied en/of verderop in het watersysteem (peilgebied). Dit vergroot de kans op inundatie, zeker bij piekbuien, waardoor de landelijke werknormen (landbouwkundige afvoer) voor de inundatiekans overschreden kunnen worden. Compenserende waterberging is dan noodzakelijk om de kans op inundatie binnen plangebied en/of peilgebied niet te vergroten en de werknormen te kunnen waarborgen.
De gemeente dient hiervoor, in afstemming met de initiatiefnemer, in de waterparagraaf aan te geven op welke wijze de benodigde hoeveelheid compenserende waterberging (opgave) zal worden ingepast en onderdeel zal zijn van het plan. Het waterschap kan in het vooroverleg nader advies geven. Om de effectiviteit van de compenserende maatregel goed te kunnen beoordelen is het van belang om duidelijk aan te geven; welke maatregel waar wordt genomen (infiltreren, vasthouden/bergen, vertraagd afvoeren), de maatvoering van de maatregel (m1, m2, m3) en waar het hemelwater uiteindelijk op het oppervlaktewatersysteem zal afstromen (bv. sloot of vijver). Compenserende maatregelen kunnen op meerdere manieren en in combinatie met elkaar worden gerealiseerd. Naast uitbreiding van het bestaande oppervlaktewater (ruimte)kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vertraagde afvoer in/op het bouwoppervlak via infiltratie in de bodem, een groen dak, een waterdak en opvang hemelwater voor hergebruik. Indien de locatie hiervoor geschikt is kan infiltratie overwogen worden, zoals; een grindkoffer, infiltratiekratten, een infiltratieriool en/of een zaksloot. Indien infiltratie wordt overwogen, is in de meeste gevallen aanvullend onderzoek nodig over de toepasbaarheid en eventuele effecten naar de omgeving.
Hoofdwatergang
Aan weerszijden van alle hoofdwatergangen ligt een beschermingszone van 5 meter breed, gerekend vanaf de insteek talud. Een zone van 4 meter vanaf de insteek langs hoofdwatergangen moet vrij blijven (onderhoudspad/maaipad) van ieder obstakel, zoals: heggen, afrastering, bomen, schuttingen, opstallen en/of verharde paden. Zoals is vastgesteld in de Keur van het waterschap, geldt voor maatregelen binnen deze beschermingszone (en voor maatregelen in de hoofdwatergang zelf) een meldingsplicht (Algemene Regels) en is veelal een watervergunning vereist.
|
| Afbeelding 4.4: Verbeelding van de ligging van de beschermingszones langs hoofdwatergangen (bron: hunzeenaas.nl) |
Scheiden schoon hemelwater en vuilwater
In grote delen van het beheergebied zijn nog gemengde rioolsystemen aanwezig. In dergelijke systemen wordt het relatief schone hemelwater vermengd met vuilwater en wordt het vervolgens naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) van het waterschap gebracht. Na zuivering wordt het water geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Het transport van schoon hemelwater via het gemeentelijk rioolstelsel en het behandelen via een RWZI is niet duurzaam. Om deze reden zal hemelwater alleen op het vuilwaterriool kunnen worden geloosd als het hemelwater; niet kan worden hergebruikt (opvang) en/of kan afvoeren via de bodem, het openbaar regenwaterstelsel, een oppervlaktewaterlichaam zonder een specifieke functie, of via een kwetsbaar oppervlaktewaterlichaam. Wijzigingen in de behandeling van het hemelwater en vuilwater kunnen echter voor overlast zorgen als mogelijke ongewenste gevolgen onvoldoende bekend zijn en waar nodig zijn verholpen. Rechtstreekse afkoppeling van hemelwater (via een hemelwaterriool) naar het oppervlaktewater (vijvers en sloten) kan dit wateroverlast veroorzaken, als het ontvangende oppervlaktewater niet hiervoor de capaciteit heeft en/of aanwezige kunstwerken (o.a. duikers, stuwen en inlaatwerken) het aangeboden water niet kan verwerken.
Grondwaterstand en ontwateringsdiepte
Om grondwateroverlast te voorkomen is een minimale ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en de grondwaterstand) nodig. In het plangebied is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) (plaatselijk) relatief hoog, waardoor de kans op overlast toeneemt. De voor het plan noodzakelijke ontwateringsnorm wordt mogelijk niet in het hele plangebied gehaald. Voor primaire wegen is de ontwateringsnorm 1,0 m-mv, voor woningen met kruipruimtes, industrieterreinen en secundaire wegen is dit 0,7 m-mv, voor tuinen en plantsoenen is dit 0,5 m-mv, en voor woningen zonder kruipruimte is de norm 0,3 m-mv. Mocht de beoogde functie van het ingediende plan overlast kunnen ondervinden door onvoldoende ontwateringsdiepte, is het te adviseren om hier rekening mee te houden in het ontwerp en bij de inrichting.
Waterkwaliteit
Om de waterkwaliteit te waarborgen heeft het waterschap de zorg voor het realiseren van schoon en ecologisch gezond water, waarin systeem-specifieke dieren en planten voorkomen. In de eerste plaats is dit van belang voor de grotere beken, kanalen en meren waarvoor binnen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) doelen en maatregelen zijn opgesteld voor aangewezen waterlichamen. Daarnaast is een goede waterkwaliteit van belang voor het recreatief medegebruik als zwemmen en kanoën en voor het stelsel van kleinere watergangen voor water aan- en afvoer. In dit thema zijn, indien van toepassing, alle voor dit plan specifieke belangen beschreven die impact hebben op de waterkwaliteit. Vervuiling van het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Om deze reden vraagt het waterschap op de toepassing van uitlogende materialen zoveel mogelijk te beperken en om vervuiling door bedrijfsmatige activiteiten te voorkomen. Afstromend hemelwater dat vervuild is geraakt moet zo veel mogelijk gescheiden worden afgevoerd, of moet worden gezuiverd. Dit volgt de trits: ''schoonhouden, scheiden, zuiveren''.
Vanuit het aspect waterhuishouding is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Noorderdiep 204, in Nieuw Buinen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1681.TAMH22f-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn aangebracht:
Aan de standaard regels behorende bij de functie 'gemengd' is in het werkingsgebied van voorliggend TAM-omgevingsplan artikel 5.3.1 (Hoofdgebouwen) toegevoegd. Hierin is de mogelijkheid tot het bouwen van een woning binnen het bouwvlak mogelijk gemaakt. De inhoud van het toegevoegde artikel 5.3.1 is overeenkomstig met de reguliere bouwregels van de functie 'Wonen' die de gemeente Borger-Odoorn hanteert.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
Artikel 1en 2 Algemene begripsbepalingen en aanvullende begripsbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat al een artikel met begrippen die van toepassing zijn op Hoofdstuk 22. In dit artikel zijn alleen begrippen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 3 Toepassingsbereik
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld. De overige regelingen met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn niet buiten toepassing verklaard, waardoor deze onverkort van toepassing blijven op de locatie van het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.4 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
Artikel 5 Gemengd
De functie 'Gemengd' is in voorliggend TAM-omgevingsplan aangepast binnen de grenzen van het plangebied ten behoeve van het bouwen van een vrijstaand woonhuis. De woning mag enkel in het bouwvlak worden gebouwd en binnen het plangebied geldt een maximale bouwdiepte van 15 m. Tot de zijdelingse grens van het bouwperceel dient 3 m afstand te worden gehouden.
Artikel 6 Anti-dubbeltelbepaling
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 7 Algemene regels voor functies en activiteiten
In dit artikel zijn regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 8 Overige regels
In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen. Tevens bevat dit artikel een verwijzing naar de aanvraagvereisten uit paragraaf 22.5.2 van de Bruidsschat.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
Artikel 9 Overgangsrecht
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.
Artikel 10 Titel
In dit artikel wordt aangegeven onder welke titel het omgevingsplan wordt vastgelegd.
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).
Nadeelcompensatie
In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie. Voor de gemeente Borger-Odoorn is dit uitgewerkt in de Verordening nadeelcompensatie Borger-Odoorn 2024.
In het voorliggend geval is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Borger-Odoorn, waarin het kostenverhaal is geregeld. Hierin is tevens het risico van nadeelcompensatie opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd.
Het Rijk
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Bkl is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
Provincie Drenthe
Een conceptversie van het TAM-omgevingsplan is in het kader van vooroverleg naar de provincie Drenthe gestuurd. De provincie heeft positief op het initiatief gereageerd, en ziet geen bezwaren in het toevoegen van een woning conform voorliggend plan.
Waterschap Hunze en Aa's
Het waterschap Hunze en Aa's is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van toepassing is. Het waterschap heeft daarom een uitgangspuntennotitie korte procedure toegestuurd zonder verdere onderdelen die verwerkt moeten worden in de waterparagraaf van het TAM-omgevingsplan.
Brandweer Drenthe
Vanuit de veiligheidsregio Drenthe zijn enkele opmerkingen doorgegeven ten tijde van het vooroverleg door de Brandweer Drenthe. De Brandweer had enkele suggesties voor verduidelijking voor paragraaf 4.11 omgevingsveiligheid. Aan de oproep is gehoor gegeven en de wijzigingen zijn doorgevoerd in de motivering van het aspect omgevingsveiligheid.
GasUnie
De GasUnie heeft gereageerd op het toesturen van het concept TAM-omgevingsplan met een positieve houding tegenover het initiatief. De GasUnie meldt geen belemmeringen te zien voor de ontwikkeling van het voornemen.
Tijdens de voorbereidingsfase van het TAM-omgevingsplan is door de initiatiefnemer contact opgenomen met de direct aangrenzende buren van het plangebied. Zowel de bewoners van de adressen Noorderdiep 202 en 206 geven aan geen bezwaar te hebben tegen het bouwen van een nieuwe woning op het perceel van Noorderdiep 204 en staan positief tegenover het initiatief.