direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Aanpassing Hoogspanningsstation Musselkanaal Zandberg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Aanleiding

TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT) is landelijke netbeheerder van het hoogspanningsnet. Aanpassingen en uitbreidingen van het hoogspanningsnet zijn noodzakelijk. Dit is nodig om de energietransitie mogelijk te maken en het sterk stijgende aanbod van duurzame elektriciteitsproductie, zoals zonne- en windenergie op het netwerk te kunnen aansluiten en te transporteren. Daarnaast is uitbreiding van het hoogspanningsnet noodzakelijk om op termijn te kunnen voldoen aan de verwachte groei van de vraag naar elektriciteit.

De groei van duurzame opwekking in Nederland overtreft ruimschoots de eerdere verwachtingen. In het noorden van Nederland, voornamelijk in de provincies Groningen en Drenthe, zijn er veel verkenningen / initiatieven op het gebied van nieuwe zonne-parken. De verwachte groei in deze gebieden is zo sterk, dat deze niet gefaciliteerd kan worden op het huidige 110kV net. Wanneer deze hoeveelheden zonne-energie vermogen op het huidige 110kV net worden aangesloten, zullen ernstige overbelastingen in het 110 kV net optreden. Om deze redenen dient het 110 kV net aangepast te worden, en dienen extra koppelingen met het 380 kV hoogspanningsnet gerealiseerd te worden.

Daarom gaat Tennet de volgende maatregelen treffen om het bestaande net te versterken:

  • De bouw van twee nieuwe hoogspanningsstations, Veenoord Boerdijk en Musselkanaal;
  • het opdelen van de 380kV lijn Zwolle-Meeden in drie afzonderlijke 380 kV lijnen, en;
  • het omvormen van het meerendeel van de 1-circuit 110 kV verbindingen in 2-circuit verbindingen.

Onderdeel van deze netversterking vormt het versterken van de bestaande 110kV verbinding 'Zwolle-Meeden' tussen masten 097 en 201. Dit om te zorgen voor een goede aan- en afvoer van elektriciteit van het (verstopte) onderliggende 110kV-hoogspanningsnet op het hoofdnet (380kV). Aanpassing en/of verzwaring van verschillende masten, opstijgpunten en verbindingen op dit deel van het tracé is daarom nodig.


Doel

Dit bestemmingsplan maakt de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding vanaf het station Musselkanaal Zandberg naar mast 181 mogelijk. Na realisatie zal de bovengrondse verbinding op dit stuk verdwijnen. Bij deze mast worden nieuwe opstijgpunten gebouwd. Deze ondergrondse verbinding zal als extra verbinding in noordelijke richting doorgetrokken worden (ook in de gemeente Westerwolde) zodat het net in dit gebied versterkt wordt. Daarnaast biedt het plan de mogelijkheid om het station Musselkanaal Zandberg dichter te bebouwen ten behoeve van de netversterking

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het hoogspanningsstation Musselkanaal Zandberg (MSKZ) en de hoogspanningsverbinding tot aan de gemeentegrens. De ligging van deze locatie is afgebeeld in figuur 1. Het gehele project bevindt zich in twee gemeentes, de gemeente Borger Odoorn en de gemeente Westerwolde. Dit bestemmingsplan heeft alleen betrekking op de gemeente Borger Odoorn.

De volgende werkzaamheden zijn binnen het plangebied voorzien:

  • Uitbreiden van station Musselkanaal- Zandberg 110kV (MSKZ110). In het vigerende bestemmingsplan opgenomen bebouwingspercentages is momenteel onvoldoende toereikend.
  • Amoveren van mast 1 (portaal).
  • Verkabeling van mast 181 naar station Musselkanaal - Zandberg (MSKZ110).
  • Aanpassen van mast 181.
  • Verkabelen mast 181 - station Musselkanaal (MSKZ 110) (tot aan de gemeentegrens).

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0001.png"

Figuur 1 : Ligging plangebied in Borger Odoorn (met in het paars de gemeentegrens)

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk twee wordt een beschrijving van het plan gegeven. Hierbij komen de huidige en de beoogde situatie aan bod. In hoofdstuk drie wordt het relevante ruimtelijke beleid van het Rijk, de provincie Drenthe en de gemeente beschreven. In hoofdstuk vier wordt ingegaan op de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk vijf wordt een toelichting gegeven op de planregels en de verbeelding. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

1.4 Overzicht verricht onderzoek

Ter voorbereiding van het bestemmingsplan Buitengebied, Aanpassing Hoogspanningsstation Musselkanaal Zandberg, zijn diverse onderzoeken verricht en adviezen gegeven. De conclusies uit de onderzoeken en adviezen zijn verwerkt in de toelichting.


Ter voorbereiding van het bestemmingsplan zijn de volgende onderzoeken verricht:

  • Ecologisch onderzoek
  • Archeologisch onderzoek
  • Onderzoek naar stikstofdepositie
  • Bodemonderzoek
  • Watertoets
  • Onderzoeken naar ontplofbare oorlogsresten
  • Aanmeldnotitie MER.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In het plangebied gelden een aantal bestemmingsplannen, deze zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 1: Overzicht bestemmingsplannen

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0002.png"

Hoogspanningsstation Musselkanaal Zandberg (MSKZ) wordt momenteel verbonden met mast 181 door middel van een bovengrondse lijnverbinding. Het hoogspanningsstation en bijbehorende ondergrondse verbindingen vallen binnen het plangebied van 'Inpassingsplan Windpark Drentse Monden - Oostermoer'. De bovengrondse lijnverbinding, mast 181 en toekomstige tracé vallen binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Borger-Odoorn. Hoogspanningsstation MSKZ valt binnen het Rijks inpassingsplan 'Windpark de Drentse Monden - Oostermoer en heeft momenteel de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' binnen de huidige bestemmingsgrenzen geldt een maximaal bebouwingspercentage van 20%.

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0003.png"
Figuur 2: Hoogspanningsstation Musselkanaal Zandberg


afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0004.png"

Figuur 3: Locatie mast 181 in het bestemmingsplan Buitengebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0005.png"

Figuur 4: Hoogspanningsstation Musselkanaal Zandberg (links) en mast 181 en mast 1 (portaal)

2.2 Beoogde situatie

Mast 181 (lijn Zwolle-Meeden) krijgt vier nieuwe opstijgpunten en het station MSKZ wordt uitgebreid t.b.v. de aanleg van een nieuwe ondergrondse kabelverbinding naar mast 181. Deze kabel komt in plaats van de bestaande bovengrondse lijnverbinding. Vanaf mast 181 zal een tweede kabel naar het noorden (richting nieuw hoogspanningsstation Musselkanaal) aangelegd worden, deze loopt verder buiten de gemeentegrenzen. Het maximale bebouwingspercentage van hoogspanningsstation MSKZ wordt tevens verhoogd naar 100%, het hele terrein wordt een bouwvlak wat volledig mag worden bebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0006.png"

Figuur 5: Toekomstige situatie ondergrondse kabelverbinding

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0007.png"

Figuur 6 : Uitsnede verbeelding

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan worden ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.


Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050, brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Het Rijk wil sturen op en richting geven aan nationale belangen. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • Sterke en gezonde steden en regio's.
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.


De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte.
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.


De NOVI benoemt 21 nationale belangen en opgaven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Eén van deze belangen is het 'realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. Hoogspanningsverbindingen vanaf 110kV behoren tot het landelijk hoogspanningsnet en zijn onderdeel van dit nationale belang.


Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities van de NOVI, omdat het plan op integrale wijze een kwalitatief hoogwaardige bijdrage levert aan het verbeteren van de energie-infrastructuur en energiezekerheid biedt. Daarmee sluit het aan bij het nationale belang 'realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het beleid dat in de SVIR is geformuleerd, is in het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (hierna: Barro) vastgelegd in regelgeving. In het Barro zijn nationale belangen vastgelegd waar provincies en gemeenten rekening mee moeten houden als zij inpassingsplannen en bestemmingsplannen opstellen. De elektriciteitsvoorziening is aangemerkt als een nationaal belang.


Voor hoogspanningsverbindingen, waaronder ook de hoogspanningsstations vallen, zijn de volgende regels opgenomen in het Barro:

  • Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een hoogspanningsverbinding bevat het tracé van die hoogspanningsverbinding en laat het gebruik als hoogspanningsverbinding toe.
  • Een bestemmingsplan wijst geen ander tracé van de hoogspanningsverbinding aan.
  • In afwijking van het tweede punt kan, na schriftelijk advies van de beheerder van het hoogspanningsnet, een ander tracé voor de hoogspanningsverbinding worden aangewezen, mits de hoogspanningsverbinding als zodanig in het bestemmingsplan wordt gehandhaafd, het bestemmingsplan het gebruik van dat gewijzigde tracé als hoogspanningsverbinding toelaat en het tracé aansluit op het tracé van de hoogspanningsverbinding in de naastliggende bestemmingsplannen.

Conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan is niet in strijd met de regels van het Barro.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening

Het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. Hierbij moet ten eerste de behoefte aan de ontwikkeling worden beschreven en ten tweede moet bij buitenstedelijke ontwikkelingen worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk plaats kan vinden.


Indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dan moet er getoetst worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien een project ziet op de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Bij de beoordeling of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt gekeken of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als een nieuw ruimtelijk besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of volgens het voorheen geldende planologische regime kon worden gerealiseerd. Indien de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is moet worden beschreven in hoeverre de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte.


Hoogspanningslijnen inclusief koppelpunten en stations worden niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling beschouwd. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan daarom achterwege blijven. Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in het uitbreiden en ondergronds verkabelen van hoogspanning verbindingen die al op de locatie bestaan.

Deze vernieuwing vindt plaats op gronden die in de bestaande situatie reeds bestemd zijn met de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' en 'Bedrijf - Nutvoorziening'.

3.1.4 Klimaatakkoord

Op 28 juni 2019 is het Klimaatakkoord gepresenteerd. Het centrale doel is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 49 % in 2030 ten opzichte van 1990. Het akkoord is opgesteld door het Klimaatberaad waarin voorzitters van de sectortafels en maatschappelijke organisaties, medeoverheden en niet-gouvernementele organisaties vertegenwoordigd zijn en bevat meer dan 600 afspraken om de doelstellingen te bereiken. Ook de nog lopende afspraken uit het Energieakkoord voor duurzame groei zijn integraal opgenomen in het Klimaatakkoord. Inmiddels is het Klimaatakkoord door een breed scala aan bedrijven en (branche)organisaties ondertekend. De afspraken in het Klimaatakkoord zijn opgesplitst in vijf pijlers zoals in de volgende tabel opgenomen.

Tabel 2 :Pijlers en ambities van het Klimaatakkoord

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0008.png"

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van een ondergrondse 110kV-kabelverbinding, opstijgpunten en uitbreiding van MSKZ. Deze netaanpassing is nodig om de transportcapaciteit te verhogen en aan de groeiende vraag naar en aanbod van elektriciteit te kunnen voldoen. Dit is het gevolg van een toename in elektriciteitsverbruik en de toegenomen opwekking van duurzame energie. De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied houdt op deze manier verband met in ieder geval drie pijlers. Elektrisch rijden uit de pijler 'Mobiliteit' en duurzame verwarming van woningen uit de pijler 'Gebouwde omgeving' leiden tot extra elektriciteitsverbruik. Verder wordt er in de pijler 'Elektriciteit' gesproken over toenemende opwekking van hernieuwbare energie. Dit zal in grote mate decentraal worden ingevoerd op het hoogspanningsnet waardoor op veel plaatsen een grotere transportcapaciteit van het net noodzakelijk is. Dit plan sluit goed aan bij het Klimaatakkoord.

3.1.5 Elektriciteitswet 1998

De Elektriciteitswet 1998 stelt gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en heeft betrekking op de productie, het transport en de levering van elektriciteit. De mogelijkheden voor opwekking, levering en in- en uitvoer van elektriciteit en voor het gebruik van leidinggebonden elektriciteitswerken zijn hierin opgenomen, met inachtneming van het belang van het betrouwbaar, duurzaam, doelmatig en milieuhygiënisch verantwoord functioneren van de elektriciteitsvoorziening. Voortkomend uit de Elektriciteitswet is de Netcode vastgesteld, waarin de voorwaarden voor de gedragingen van netbeheerders en afnemers staan. Op grond van de Netcode en de Elektriciteitswet 1998 is TenneT verantwoordelijk voor een veilig, betrouwbaar en doelmatig hoogspanningsnet in Nederland. Op basis van de Elektriciteitswet 1998 moet Enexis daarnaast onder andere de door haar beheerde netten in stand houden en aansluitingen aanbieden en realiseren voor degenen die daarom verzoeken.


Rijkscoördinatieregeling

De rijksoverheid kan bij projecten van nationaal belang de besluitvorming coördineren. Projecten op het gebied van energie-infrastructuur die van nationaal belang zijn, worden op grond van de Elektriciteitswet 1998 gecoördineerd door de minister van Economische Zaken en Klimaat. In de rijkscoördinatieregeling (RCR) worden de verschillende besluiten (vergunningen en ontheffingen) die voor een project nodig zijn tegelijkertijd en in onderling overleg genomen. Het gaat naast vergunningen en ontheffingen vaak ook om een rijksinpassingsplan. Voor hoogspanningsprojecten geldt dat projecten die bijdragen aan uitbreidingen en verzwaringen van het landelijk hoogspanningsnet op een spanningsniveau van 220 kilovolt (kV) of hoger onder de RCR vallen. Op het project dat door het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is de RCR niet van toepassing.


Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door middel van dit bestemmingsplan voorziet in de verantwoordelijkheden die voor TenneT zijn opgelegd in de Elektriciteitswet 1998 en de Netcode. De RCR niet van toepassing op dit planvoornemen.

3.1.6 Omgevingswet

De Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving (omgevingsrecht) beoogt, door tientallen op dit moment vigerende wetten en honderden regels te bundelen in 1 nieuwe wet. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt de verhouding tussen nieuwe en bestaande regelgeving. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de kerninstrumenten van de Ow: de Omgevingsvisie, programma's, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene rijksregels, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en instructieregels. De uitwerking van het overgangsrecht kan overigens nog wijzigen in de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet.


Procedure

Voor bestemmingsplannen geldt dat het oude recht van toepassing is op bestemmingsplannen waarvan de procedure van de terinzagelegging vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is gestart. Op dit bestemmingsplan is derhalve de Omgevingswet nog niet van toepassing, omdat de officiële procedure van de terinzagelegging van dit bestemmingsplan plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Ook is het overgangsrecht nu zo ingestoken dat alles wat in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen is geregeld in beginsel gewoon geldig blijft na 1 januari 2024 als onderdeel van het omgevingsplan.

Conclusie

Het huidige recht blijft van toepassing op de procedure voor het opstellen van dit bestemmingsplan, omdat het ontwerpbestemmingsplan vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage wordt gelegd. Bij de invoering van de Omgevingswet gaat dit bestemmingsplan over in het omgevingsplan. Hiermee vormt de Omgevingswet geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan.

3.1.7 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het Rijksbeleid.

3.2 Provinciaal Beleid

3.2.1 Omgevingsvisie provincie Drenthe

De Omgevingsvisie is hét strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein.

De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. Als in de tekst wordt gesproken over 'lange termijn', betreft het de periode na 2030.

De Omgevingsvisie heeft voor de provincie vooral een interne binding. Dit betekent dat de provincie bij de uitoefening van haar taken aan de Omgevingsvisie gebonden is.


Missie

De missie van de provincie is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten. Deze missie is ingegeven door wat inwoners, medeoverheden en maatschappelijke partners belangrijk vinden voor de toekomst van Drenthe. De kernkwaliteiten zijn samen met partners en de inwoners van Drenthe benoemd, te weten landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur.


Kernkwaliteiten

De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Samen met vertegenwoordigers van overheden, belangengroepen, marktpartijen en inwoners heeft de provincie de volgende kernkwaliteiten van Drenthe benoemd :

  • rust, ruimte, natuur en landschap;
  • oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen);
  • noaberschap;
  • kleinschaligheid (Drentse schaal);
  • menselijke maat;
  • veiligheid.


Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. In hoofdstuk 4 van de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar meer concrete indicatoren gemaakt, namelijk landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur.


Zorgvuldig Ruimtegebruik

In Drenthe kunnen mensen nog ruimte beleven. Dat wil de provincie bewaken, ook wanneer er nieuwe ontwikkelingen zijn. Zorgvuldig ruimtegebruik is van provinciaal belang.


Milieu- en leefomgevingskwaliteit

De provincie streeft naar een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plant en dier. Het beschermen van de kwaliteit van milieu en leefomgeving is veelal op Europees en nationaal niveau geregeld. Daarbij zijn diverse taken en verantwoordelijkheden bij de provincies neergelegd. Deze taken, gericht op het beschermen van de kwaliteit van lucht, water en bodem en het verbeteren van de verkeersveiligheid, waterveiligheid en externe veiligheid, zijn daarmee van provinciaal belang.


Kaarten en doelstellingen

Op kaarten behorende bij de Omgevingsvisie Drenthe zijn de kernkwaliteiten nader weergegeven. Op een aantal kaarten (wanneer relevant) is het plangebied als volgt aangeduid:


Aardkundige waarden

Aardkundige waarden die bijdragen aan het specifieke Drentse karakter wil de provincie behouden en, waar mogelijk, herstellen. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteit aardkundige waarden. De provincie wil inhoud geven aan ruimtelijke kwaliteit, om de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe te behouden en te versterken. Het doel is de archiefwaarde van de bodem te behouden en de landvormen, die karakteristiek zijn voor het Drentse landschap, te behouden en te versterken, als onderdeel van de kernkwaliteit oorspronkelijkheid.


Het plangebied heeft een generiek beschermingsniveau voor aardkundige waarden. In deze gebieden wil de provincie de lokale, aardkundige kenmerken voor de toekomst bewaren. De provincie verwacht dat gemeenten deze waarden beschermen in bestemmingsplannen en initiatieven hierop beoordelen.

Conclusie

Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor het plan voornemen.

3.2.2 Provinciale omgevingsverordening

Met de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe vertaalt de provincie haar Omgevingsvisie Drenthe 2018 door naar een verordening voor zover het planologisch relevante aspecten betreft. De verordening bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Drenthe.


De Omgevingsverordening 2018 bevat twee relevante bepalingen met betrekking tot energie-infrastructuur:

  • 1. het is verboden met leidingen voor het transport van elektriciteit die worden gekoeld met olie of chemicaliën een grondwaterbeschermingsgebied te doorkruisen;
  • 2. elektrische en elektronische apparatuur zendt, onbedoeld, radiogolven uit en kan ASTRON systemen storen. Deze soort storing valt in de categorie Elektro-Magnetische Compatibiliteit (EMC). Vanwege genoemd effect is er een veilige minimumafstand nodig tussen radiogolven uitzendende apparatuur en LOFAR. Een ruimtelijk plan dat een gebied bestrijkt dat valt binnen zone I en II van de radiotelescoop of LOFAR, dient te worden voorzien van een advies van ASTRON. Dit geldt eveneens voor ruimtelijke plannen die voorzien in ontwikkelingen binnen een straal van 2 kilometer rondom een LOFARbuitenstation.


De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in leidingen die worden gekoeld met olie of chemicaliën, en ligt niet in grondwaterbeschermingsgebied, zone I en II van een radiotelescoop of LOFAR en >2 km van LOFARbuitenstations. Het voornemen voldoet derhalve aan de relevante bepalingen met betrekking tot energieinfrastructuur.

Conclusie

Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor het plan voornemen.

3.2.3 Energietransitie-agenda 2020 - 2023

In mei 2020 is de energietransitie-agenda 2020 - 2023 vastgesteld door de Provinciale Staten van Drenthe. De agenda laat zien hoe de provincie Drenthe de energietransitie wil versnellen en waar Drenthe wil staan in 2030 en 2050. Drenthe wil in 2030 40 % van het energiegebruik hernieuwbaar produceren en in 2050 energieneutraal zijn. Dit houdt in dat net zoveel hernieuwbare energie wordt geproduceerd als wordt gebruikt om te wonen, leven en werken. In de agenda zijn vijf speerpunten opgenomen:

  • 1. het speerpunt 'Gebouwde omgeving' stelt centraal dat de energietransitie woonlastenneutraal verloopt. De focus ligt op het ondersteunen van dorps- en wijkinitiatieven met energiecoöperaties, het faciliteren en ondersteunen van gemeenten en de regie op een levendige netwerkorganisatie;
  • 2. het speerpunt 'Mkb en industrie' focust op het versnellen van de energietransitie via energieadvies en kennisontwikkeling en door het stimuleren van innovatieve projecten en verdienmodellen. Verder investeren we meer in energietoezicht;
  • 3. het speerpunt 'Hernieuwbare energie' wil met het ontwikkelfonds lokaal eigenaarschap bevorderen en de energiecoöperaties ondersteunen in het voortraject van projecten voor hernieuwbare energie. Dit speerpunt richt zich verder op het faciliteren en ondersteunen van grootschalige hernieuwbare energieproductie;
  • 4. het speerpunt 'Energiesysteem van Drenthe' richt zich op een adequaat elektriciteitsnet dat de groei van hernieuwbare energie aankan. Wij ondersteunen de ontwikkeling van het Drentse energiesysteem van de toekomst. Daarnaast richt het zich op de mogelijkheden van waterstof als nieuwe energiedrager, onder meer door het ondersteunen van innovaties;
  • 5. het speerpunt 'Communicatie' richt zich op het bieden van handelingsperspectief: inzicht geven in de mogelijkheden van burgers en ondernemers om bij te dragen aan de energietransitie, bij te dragen aan de doelstellingen van de Energietransitie-agenda en samen te werken met alle belanghebbende partijen.


Het vierde speerpunt 'Energiesysteem van Drenthe' heeft het meeste raakvlak met het planvoornemen. De provincie richt zich op de volgende drie punten:

  • adequaat netwerk;
  • het energiesysteem van de toekomst;
  • waterstof als nieuwe energiedrager.

De provincie wil voorbereid zijn op de uitdagingen van de toekomst. Zo wordt benoemd dat nieuwe hoogspanningsinfrastructuur nodig is.


Conclusie

De energietransitie-agenda 2020 - 2023 van de provincie Drenthe biedt ruimte voor het planvoornemen. De ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van aansluitende elektriciteitsinfrastructuur voor een stabiel en betrouwbaar netwerk, waarmee de doelstellingen van de provincie behaald kunnen worden.

3.2.4 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het provinciaal beleid.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 RES 1.0 regio Drenthe

In de Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 van regio Drenthe is de gezamenlijke energiestrategie van alle overheden in de regio Drenthe vastgelegd. In de RES 1.0 is het bod gedaan om in 2030 3,45 TWh elektriciteit op te wekken door windenergie en grootschalige zonne-energie.

De impact van de bijdrage van de RES-regio Drenthe op de energie-infrastructuur is doorgerekend door Enexis, RENDO en TenneT. Met de doorrekening hebben de netbeheerders een indicatie van de netimpact gegeven op:

  • de tijd die het kost om uitbreidingen van het netwerk te realiseren;
  • de ruimtelijke inpassing die nodig is voor nieuwe infrastructuur;
  • de maatschappelijke kosten die worden gemaakt om eventuele knelpunten op te lossen.


De netbeheerders hebben in de RES 1.0 aangegeven dat er stevig moet worden geïnvesteerd om de ambitie van de RES-regio Drenthe te kunnen realiseren. Om knelpunten op te lossen moeten er vier nieuwe hoogspanning- en middenspanningstations (HS/MS-stations) worden gerealiseerd en dienen 15 bestaande stations te worden uitgebreid.


Conclusie

De RES 1.0 vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling voorziet in het uitbreiden van de elektriciteitsnet van TenneT en vervult daarmee een essentiële rol in het behalen van de doelstelling voor duurzame elektriciteitsopwekking in de provincie Drenthe.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Buitengewoon Borger- Odoorn

Op 19 oktober 2023 is de omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie geeft het toekomstbeeld voor Borger-Odoorn en geeft aan waar kansen worden gezien en met welke opgaven de gemeente aan de slag willen. Het toekomstbeeld kijkt ver vooruit én beschrijft de kansen en opgaven als de eerste stappen om het toekomstbeeld te realiseren.


Deze visie stelt over energietransitie dat Borger-Odoorn met de aanwezige zonneparken en windturbines al een forse bijdrage levert aan de opwekking van duurzame energie in de regio. Dit maakt dat in ieder geval tot 2030 geen grootschalige wind- en zonneparken ontwikkeld worden binnen de gemeente. De aandacht gaat de komende periode uit naar isoleren en besparen. En naar lokale initiatieven vanuit de inwoners, energiecoöperaties en ondernemers voor duurzame opwek. Het liefst op daken en bouwwerken of aansluitend bij infrastructuur waar dat kan. Los van de omvang wordt er altijd ingezet op een eerlijke verdeling van de opbrengsten. Niet langer alleen de lasten maar zeker ook de lusten voor onze inwoners en ondernemers. Van groot belang is het verhogen van de netcapaciteit. Dat vormt nu niet alleen het obstakel voor nieuwe opwek maar ook voor verduurzaming van bestaande woningen en bedrijven en de realisatie van nieuwe, aardgasloze woningen en gebouwen.


Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met gemeentelijke omgevingsvisie.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan onderbouwd aan de hand van de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Per aspect wordt kort ingegaan op het relevante kader. Vervolgens wordt per aspect, mede op basis van uitgevoerde onderzoeken, de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond.

4.1 Archeologie

Kader

In de Erfgoedwet is de bescherming van het archeologisch erfgoed geregeld. Deze wet verplicht om bij de bestemming van de in het bestemmingsplan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, aangezien ze grotendeels verborgen liggen in de bodem. Hierdoor zijn ze niet eenvoudig te karteren. Voor de onbekende waarden heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentkaart (AMK) opgesteld. Bij bodemverstoringen dient getoetst te worden of de archeologische waarden niet verstoord of beschadigd worden.


Analyse

Op de locatie van het plangebied is een dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie 4' en gedeeltelijk 'Waarde - Archeologie 1'aanwezig. Met de geplande ingrepen zullen de vrijstellingsgrenzen worden overschreden, en geldt er voor de werkzaamheden een vergunningsplicht. In het plangebied kunnen archeologische resten worden verwacht uit de perioden laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Hierbij geldt de hoogste verwachting voor de prehistorie en de bronstijd. Deze resten zullen zich voornamelijk bevinden op de hoger gelegen dekzandruggen. Bij verscheidene archeologische onderzoeken in de (directe) nabijheid van het plangebied is gebleken dat de (dekzand)bodem mogelijk deels intact is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0009.png"

Figuur 7: Archeologische verwachtingskaart gemeente Borger-Odoorn

Selectie(advies)

Er is een archeologisch (bureau) onderzoek opgesteld door Antea Group. In het rapport 'Antea Group Archeologie, 2022/264, bureauonderzoek, Netversterking Noordoost Nederland 110kV, uitbreiding station MSKZ110 en amoveren mast 001 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn d.d. 6 april 2023' zijn de resultaten hiervan beschreven. Dit rapport is als bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand zijn de conclusies weergegeven van dit onderzoek.

Het uitgevoerde bureauonderzoek adviseert om een vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase, uit te voeren. Met het uitvoeren van een verkennend booronderzoek wordt de in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel getoetst en kan de bodemopbouw voor het gehele plangebied worden bepaald, inclusief de mate van verstoring. Daarnaast kan met het booronderzoek de diepteligging van het dekzand en de aard van eventuele bodemvorming hierin worden bepaald. Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend booronderzoek kan vervolgonderzoek in de vorm van bijvoorbeeld een proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding) worden geadviseerd. Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dezen Borger-Odoorn. De gemeente heeft het volgende gereageerd: Bureauonderzoeken akkoord en het advies voor vervolgonderzoek in de vorm van verkennende archeologische boringen wordt onderschreven'.

Archeologisch vervolgonderzoek

Naar aanleiding van het bureauonderzoek is er specifiek veldonderzoek uitgevoerd door middel van boringen. In het onderzoek 'Netversterking Noordoost Nederland 110kV, uitbreiding station MSKZ110 en amoveren mast 001 te Zandberg, gemeente Borger-Odoorn, d.d. 29 februari 2024' staan hiervan de resultaten beschreven. Dit onderzoek is als bijlage 2 in zijn geheel aan deze toelichting toegevoegd.

Libau heeft dit rapport namens de gemeente beoordeeld (d.d. 12 februari 2024) en constateert dat de deels intacte podzolprofielen in niet aaneensluitende boorlocaties zijn gevonden en dat er daarom geen aanleiding bestaat om de aanwezigheid van intacte vindplaatsen te vermoeden. In het selectiebesluit wordt het terrein daarom vrijgegeven ten gunste van het voorgenomen plan. Nader archeologisch onderzoek is niet nodig.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.2 Landschap en culturhistorie

Kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de manier waarop er rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, cultuurlandschap en archeologie). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren. Daarnaast dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de planvorming rekening te worden gehouden met het aspect landschap. Hierbij gaat het om kenmerkende ruimtelijke patronen/structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en natuurwaarden in de omgeving.

De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016 - 2023 een overgangsregeling opgenomen.

Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening is per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Daarmee zijn gemeenten verplicht in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dat betekent dat een analyse moet worden verricht naar de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en dat daar conclusies aan moeten worden verbonden die in een bestemmingsplan verankerd worden.


Cultuurhistorisch Kompas Drenthe (CHK)

In de Provinciale Omgevingsverordening heeft de provincie Drenthe kernkwaliteiten benoemd, die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het gaat om archeologie, aardkundige waarden, cultuurhistorie, landschap, rust en natuur. Een ruimtelijk plan kan in principe geen nieuwe activiteiten toestaan die kernkwaliteiten significant aantasten.

Wat 'significant' (een term uit artikel 2.6 lid 4 Omgevingsverordening) is, wordt bepaald door de contouren die de Omgevingsvisie voor de omgang met kernkwaliteiten stelt. Een ontwikkeling leidt dus niet tot significante aantasting, wanneer rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten conform de Omgevingsvisie en uitwerkingen als het Cultuurhistorisch Kompas.


Twee doelstellingen staan centraal in het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe:

  • herkenbaar houden van de cultuurhistorie;
  • versterken van de ruimtelijke identiteit. Dit doet de provincie door ruimtelijke ontwikkelingen te sturen vanuit samenhangende cultuurhistorische kwaliteiten, met respect en durf. Daarin is ruimte voor inspiratie en eigen afwegingen van partners.


Als kernkwaliteiten worden de thema's en gebieden aangewezen zoals die zijn neergelegd op de bij deze verordening behorende kaarten voor de kernkwaliteiten archeologie, aardkundige waarden, cultuurhistorie, landschap (en de beschermingszone radioastronomie en landbouwgebied), waarbij voor Kernkwaliteit landschap geldt dat van een provinciaal belang alleen sprake is in de situaties zoals in de Omgevingsvisie omschreven.


Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn:

  • wordt in het ruimtelijk plan uiteengezet dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de Omgevingsvisie;
  • maakt het desbetreffende ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die deze kernkwaliteiten significant aantasten.


Het plangebied is gelegen binnen deelgebied 4 'De Drentse Monden - de economie van de rechte lijn'. In dit deelgebied wil de provincie specifiek sturen op:

  • Het zichtbaar houden van de ordening en samenhang tussen de ontginningsassen, die tot uitdrukking komt in enkele en dubbele lintdorpen en bebouwde en onbebouwde ontginningsassen.
  • Het herkenbaar houden van de ordening en samenhang binnen een lintdorp, zoals boerderijen en woningen die elk aan een zijde van het kanaal staan.
  • Het beleefbaar houden van het verschoven lint van Roswinkel, mede door de open ruimte tussen de oude en de nieuwe weg te handhaven.
  • Het benadrukken van de oude veenloop tussen Valthermond en Nieuw-Weerdinge door de afwijkende onregelmatige verkaveling en de duidelijke begrenzingen.


Onderzoek

In het plangebied liggen geen Rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten en is geen sprake van beschermde stads- of dorpsgezichten.

Voor aardkundige waarden geldt een generieke bescherming vanuit de provinciale Omgevingsverordening. Het plangebied ligt niet binnen de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS), aangewezen in de provinciale Omgevingsverordening. De CHS verbindt alle elementen, structuren en gebieden die in hun onderlinge samenhang van provinciaal belang worden geacht. Voor dit gebied staan twee provinciale doelstellingen centraal:

  • herkenbaar houden van de cultuurhistorie;
  • versterken van de ruimtelijke identiteit.


Conclusie

Het plan voorziet niet in de wijziging of wezenlijke aantasting van beeldbepalende of belangrijke (cultuurhistorische) landschapselementen. De opstijgpunten worden gerealiseerd bij bestaande mast 181 en het bestaande station MSKZ, alle nieuw kabels komen ondergronds te liggen. De definitieve vormgeving van zowel de aanpassingen aan het bestaande hoogspanningsstation en bestaande hoogspanningsmast zijn nog niet bekend. Er kan wel worden gesteld dat de openheid van het gebied niet wordt aangetast door de voorgenomen ontwikkeling. Bovendien bestaat tenslotte de mogelijkheid voor het college om binnen de bedrijfsbestemmingen een nadere afweging te maken op grond van de nadere eisen regeling die is opgenomen in artikel 3 en 4. Hierom vormen de aspecten landschap en cultuurhistorie geen belemmering voor dit plan.

4.3 MER

Voor plannen en besluiten die ontwikkelingen bevatten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, geldt de verplichting om de procedure voor milieueffectrapportage te doorlopen of te beoordelen of het doorlopen van een dergelijke procedure noodzakelijk is (een m.e.r.-beoordeling). Op die manier krijgt milieu een volwaardige rol in de afweging van belangen. De milieueffectrapportage is geregeld in de Wet milieubeheer en nader uitgewerkt in de AMvB Besluit m.e.r. De categorieën van activiteiten waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en een bijlage. De activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, staan genoemd in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Het gaat om de C-lijst en de D-lijst waarin alle activiteiten staan genoemd waarvoor m.e.r.-verplichtingen kunnen gelden. De aard en omvang van de activiteit bepaalt in belangrijke mate welke verplichtingen gelden ten aanzien van de rapportages. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r.-plicht.


De gevallen waarvoor een milieueffectrapportage verplicht is, staan in onderdeel C. De gevallen waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is, staan in onderdeel D. De gevallen in onderdeel D zijn overigens indicatief. De verplichting voor een m.e.r.-beoordeling geldt ook wanneer op grond van de selectiecriteria in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Deze omstandigheden zijn:

  • 1. de kenmerken van de projecten (omvang project, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico en ongevallen en de cumulatie met andere projecten);
  • 2. de plaats van de projecten (bijzondere gebieden, bestaand grondgebruik, rijkdom/kwaliteit/regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het opnamevermogen van het natuurlijk milieu);
  • 3. de kenmerken van de potentiële effecten (in samenhang met de eerste twee criteria: bereik, grensoverschrijdende karakter van het effect, orde/grootte/complexiteit effect, waarschijnlijkheid effect, duur/frequentie/onomkeerbaarheid van het effect).


Gelet op de wetswijziging per 16 mei 2017 moet er voor de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsleiding op grond van het Besluit m.e.r. bijlage D een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling door de initiatiefnemer worden opgesteld, op basis waarvan de gemeente een besluit neemt over de m.e.r.-beoordelingsplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0010.png"

Onderzoek

Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld door Antea Group. In het rapport 'Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling, locatie 4 – gemeente Borger-Odoorn d.d. 22 november 2023 zijn de resultaten hiervan beschreven. Dit rapport is als bijlage 9 aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand zijn de conclusies weergegeven van dit onderzoek.

In het kader van deze notitie en de onderzoeken in het kader van de ruimtelijke onderbouwing (toelichting bestemmingsplan) is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige milieugevolgen'. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r. procedure.

Na dit besluit zijn er nog aanvullende onderzoeken uitgevoerd die aan deze toelichting zijn toegevoegd. Ook hieruit zijn geen nadelige milieugevolgen naar voren gekomen op basis waarvan er in het MER traject eventueel vervolgstappen nodig zouden kunnen zijn. Er is geen sprake van nadelige milieugevolgen.

Conclusie

Gelet op het voorstaande wordt voorgesteld om op basis van deze aanmeldnotitie te besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het zoveel mogelijk beperken of voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten.


Onderzoek

Bovengrondse en ondergrondse hoogspanningsverbindingen vallen niet onder de functies die milieuhinder veroorzaken en zijn daarom niet opgenomen in de handreiking van de VNG. Daarnaast zijn hoogspanningsverbindingen niet milieuhindergevoelig. Eventueel in de omgeving aanwezig zijnde milieuhinder veroorzakende bedrijven of functies vormen enerzijds geen belemmering voor de realisatie van de benodigde verbindingen en de ontwikkeling van deze bedrijven of functies wordt anderzijds niet belemmerd. Het totale transformatorvermogen wordt niet uitgebreid. Momenteel heeft station MSKZ een vermogen van 172 MVA (2x77 + 18). Transformatorstations met een vermogen tussen 100 en 200 MVA zijn volgens de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering een categorie 3.2 bedrijf. Hierbij geldt een richtafstand van 100 meter tot de dichtstbijzijnde woning in een 'rustige woonwijk' of een 'rustige buitengebied'. Het plangebied kan worden gezien als 'rustig buitengebied'. De dichtstbijzijnde woning ligt op ruim 275 meter afstand. Daarmee valt de woning buiten de richtafstanden voor geluid en gevaar. In dit plan worden overigens geen transformatoren gerealiseerd.


Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5 Bodem

Kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Is er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico's, ecologische risico's of verspreidingsrisico's op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.


Analyse

In het plangebied is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd door Antea Group. In het rapport 'Milieuhygiënisch vooronderzoek (NEN5725), Netversterking Noordoost Nederland 110 kV, locaties 1 t/m 5, d.d. 10 november 2022' zijn de resultaten hiervan beschreven. Dit rapport is als bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd.

Uit het historisch bodemonderzoek is voortgekomen dat er op het werkterrein van mast 181, het kabeltracé, bij mast 1 (portaal) en de uitbreiding van het hoogspanningsterrein van MSKZ110 diverse gedempte kavelsloten aanwezig zijn uit de jaren '50 tot jaren '90 en enkele voormalige kavelpaden. In de regel zijn deze paden verhard geweest met puin. Deze locaties zijn asbestverdacht, evenals de dempingen. Op het kabeltracé tussen mast 181 en nieuw te bouwen station Musselkanaal 110 zijn nabij de Schaapsbergweg 60 een voormalige kurkwarenfabriek, kavelpad met puin (nog aanwezig) en twee voormalige kavelpaden en een demping aanwezig. Deze locaties zijn verdacht op standaard parameters en op asbest.

Op de werkterreinen zijn verder diverse voormalige kavelpaden en dempingen uit de jaren '50 tot '80 aanwezig. Ook deze zijn potentieel asbestverdacht indien daar tijdens veldonderzoek puin wordt aangetroffen.


Aanbevelingen

  • Voor grondroerende werkzaamheden binnen de verdachte bodemlocaties zoals benoemd in het vooronderzoek dient verkennend bodemonderzoek op basis van de NEN 5740 of verkennend asbestonderzoek op basis van de NEN 5707/NEN 5897, te worden uitgevoerd om de milieuhygiënische bodemkwaliteit te bepalen.
  • Volgens het onderzoeksprotocol van TenneT TSO B.V. worden eveneens de onverdachte
    delen van voorgenoemde deellocaties onderzocht middels strategie ONV-L of ONV-NL.
  • Bij het aantreffen van (bijmengingen met) onvoorzien puin in het opgeboorde materiaal dient tevens een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707 of NEN 5897 uitgevoerd te worden.
  • Het uitgangspunt is dat de locaties onverdacht zijn op PFAS met uitzondering van de bodem nabij de voormalige boomgaard bij mast 146. Voor de afvoer van grond kunnen de gemiddelde gehalten uit de bodemkwaliteitskaarten PFAS van de Provincie Drenthe worden gehanteerd voor de PFAS-onverdachte gebieden.
  • Binnen de locaties zoals genoemd in dit rapport, dienen de te nemen veiligheidsmaatregelen voor het werken in of met verontreinigde grond conform CROW 400 bepaald te worden op basis van de hierboven genoemde onderzoeken.

Bovenstaande aanbevelingen worden betrokken bij het aanvullende bodemonderzoek dat op dit moment uitgevoerd wordt.

Verkennend bodemonderzoek

Naar aanleiding van het historisch bodemonderzoek is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In het rapport 'Verkennend bodemonderzoek, deellocatie 04 Netversterking Noordoost Nederland, Schaapsbergweg 58 Zandberg tot Jipsingboermussel 64 te Ter Apelkanaal, d.d. 22 februari 2024' zijn hiervan de resultaten beschreven. Dit rapport is als bijlage 4 toegevoegd aan deze toelichting.

Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van het werkgebied. Met het bodemonderzoek wordt vastgesteld of er sprake is van een bodemverontreiniging en zo ja, of deze een belemmering vormt voor de voorgenomen werkzaamheden. Het verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de richtlijnen uit de NEN 5740: 2023 (Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek).

Zintuigelijk waarnemingen

Er zijn binnen het gehele projectgebied ter plaatse van de vermeende dempingen bijmengingen met hout, plantenresten en in een enkele boring, resten slib waargenomen in de zandige ondergrond. Ter plaatse van de dammen en kavelpaden is aan de Jipsingboermussel 54, 64 en Schaapsbergweg 60, puin aangetroffen.

Grond

Er zijn geen verhoogde gehalten aangetoond boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in de boven- en de ondergrond met uitzondering van een sterk verhoogd gehalte aan PCB en asbest in de grond en het puin van het kavelpad aan de Jipsingboermussel 64.

Grondwater

In het grondwater zijn geen componenten in concentraties boven de signaalwaarden van de Provincie aangetoond.


Conclusie

De onderzoeksresultaten geven aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek ter plaatse van het kavelpad aan de Jipsingboermussel 54 en de baksteenhoudende ondergrond ter plaatse van boring 4-100A. Dit wordt uitsluitend aanbevolen wanneer daadwerkelijk gegraven gaat worden in de kavelpaden en dieper dan 0,5 m-mv ter plaatse van genoemd boorpunt 4-100A. Op dat moment is ook een melding MBA Graven noodzakelijk (vanwege het sterk verhoogde gehalte aan PCB) en een melding Besluit Asbestwegen noodzakelijk voor werkzaamheden in het kavelpad bij nummer 6.

Met onderhavig onderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van het overige werkgebied in voldoende mate vastgesteld.

4.6 Ecologie

Kader

Ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde natuurwaarden. Dit betreft potentiële effecten op vogel- en vleermuissoorten, maar ook effecten op beschermde natuurgebieden zijn mogelijk. De Wet natuurbescherming (Wnb) bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mogelijke effecten van het bestemmingsplan op de beschermde natuurwaarden.


Soortenbescherming

De bescherming van in het wild voorkomende planten- en diersoorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn voor Nederland geïmplementeerd in deze wet. Op grond van de Wet natuurbescherming gelden diverse verbodsbepalingen, zoals het doden van specifiek aangewezen vogel- en vleermuissoorten.


Natura 2000 gebieden

Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In Nederland zijn deze richtlijnen geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden, waaronder het IJsselmeer en de Waddenzee. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de soorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft. Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, of als een afweging heeft plaatsgevonden over alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en de inzet van compenserende maatregelen. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Daarbij dient ook een eventuele externe werking van een initiatief op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden bepaald. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn bieden een juridisch kader dat verzekert dat menselijke activiteiten worden ondernomen op een wijze die de integriteit van Natura 2000-gebieden niet negatief beïnvloeden.


Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Wanneer (kleine) natuurgebieden en de daarin voorkomende soorten geïsoleerd komen te liggen, bijvoorbeeld door bebouwing en infrastructuur, bestaat het risico dat soorten niet kunnen overleven en het natuurgebied zijn waarde verliest. Door het aaneenschakelen van natuurgebieden wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van deze achteruitgang van natuur en biodiversiteit (veelheid van soorten). Provincies wijzen de NNN-gebieden aan en deze worden op hun beurt vastgelegd in ruimtelijke plannen van de gemeenten. De ecologische hoofdstructuur is planologisch beschermd met het 'nee, tenzij'-principe. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan als deze het gebied aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en de ontwikkeling van groot openbaar belang is. Schadelijke effecten op de natuur dienen te worden gecompenseerd.


Onderzoek

In het plangebied is een natuurtoets uitgevoerd door Antea Group. In het rapport 'Natuurtoets, Netversterking Noordoost Nederland 110kV, locatie 4, d.d.13 maart 2023' zijn de resultaten hiervan beschreven. Dit rapport is als bijlage 5 aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand zijn de conclusies weergegeven van dit onderzoek.


In de omgeving van het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels, jaarrond beschermde broedvogels, vleermuizen en kleine marterachtigen (bunzing en hermelijn). In tabel 3.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van voorliggende natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht.


Tabel 3: Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0011.png"

In tabel 3 is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is indien maatregelen zoals beschreven in tabel 5 niet kunnen worden opgevolgd. Het gaat om vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen en zoogdieren (bunzing en hermelijn). De laatste soorten zijn in de provincie Drenthe vrijgesteld. De beschrijving van dit nader onderzoek wordt in tabel 4 uiteengezet.

Tabel 4: Beschrijving nader onderzoek

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0012.png"

In tabel 3 is aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 5 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.

Tabel 5: Beschrijving maatregelen om overtreding van de Wnb te voorkomen

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0013.png"

Tabel 6: Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0014.png"

Natura 2000

In tabel 7 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde Natura 2000-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.4 van voorliggende natuurtoets.

Tabel 7 Conclusies Natura 2000-gebieden

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0015.png"

NNN en natuur buiten NNN

In tabel 8 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde NNN-gebieden en natuur buiten NNN opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.5 van voorliggende natuurtoets.


Tabel 8: Conclusies NNN-gebieden en natuur buiten NNN

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0016.png"

Overig provinciaal beleid

Het plangebied is in de provincie Drenthe grotendeels gelegen binnen het zoekgebied voor open akkerland (zie figuur 1). Geadviseerd wordt om bij het agrarische collectief van Drenthe (Agrarische Natuur Drenthe) dan wel de eigenaren van de percelen waarin het plangebied is gelegen te verifiëren of ANLb op de betreffende percelen van toepassing is. In dat geval zijn mogelijk maatregelen benodigd.

Beschermde houtopstanden Wnb

In (de directe omgeving van) het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Beschermde houtopstanden Wnb zijn daarom niet relevant voor voorliggend planvoornemen.

Conclusie

Wanneer de genoemde maatregelen in het kader van soortenbescherming worden opgevolgd is geen nader onderzoek noodzakelijk. Het gaat hierom jaarrond beschermde nesten, indien er in het broedseizoen wordt gewerkt is nader onderzoek nodig. De planning van de werkzaamheden staat momenteel nog niet vast. Wanneer er buiten het broedseizoen wordt gewerkt is geen nader onderzoek nodig. De conclusies voor stikstofdepositie op gevoelige Natura-2000 gebieden wordt verder toelicht in paragraaf 4.7. Deze vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7 Stikstof

Gelet op de Wet natuurbescherming en de Beleidsregels natuurbescherming van de provincie Drenthe mag een plan alleen worden vastgesteld indien er geen significante gevolgen zijn voor een Natura 2000-gebied.

Stikstofemissie wordt veroorzaakt door verkeer, mobiele werktuigen, het houden van vee, mest, etc. Als gevolg daarvan kan stikstofdepositie plaatsvinden op grote afstand van de bron.

Projecten waarbij tijdens de uitvoering meer dan 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie plaatsvindt op een Natura 2000-gebied zijn natuurvergunningplichtig. Projecten waarbij het gebruik resulteert in een toename van meer dan 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet toegestaan. Om te bepalen wat de toename door het gebruik is, wordt het toekomstige plan vergeleken met de feitelijke, legale, planologische situatie van het huidige plan.


Onderzoek

Er is een stikstofdepositie onderzoek opgesteld door Antea Group. In het rapport 'Stikstofdepositie-onderzoek,gemeentes Borger-Odoorn en Westerwolde d.d. 21 februari 2024' zijn de resultaten hiervan beschreven. Dit rapport is als bijlage 6 aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand zijn de conclusies weergegeven van dit onderzoek.

Met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator (versie 2023.1) is de mogelijke toename van stikstofdepositie in beeld gebracht. Dit heeft de volgende resultaten opgeleverd: Realisatiefase: 0,01 mol/ha/jaar. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de voornemens leiden tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden "Lieftinghsbroek". In de gebruiksfase is er geen sprake van stikstofuitstoot. Er zijn geen machines aanwezig die uitstoot geven daarom is een berekening naar de gebruiksfase ook niet nodig.


Maatregelen

Na de berekening blijkt dat bij dit project sprake is van een geringe bijdrage tijdens de realisatiefase. Om deze bijdrage terug te brengen naar 0,00 worden tijdens de realisatie de rupskranen bij de open ontgraving van stage IIIB naar stage IV gezet en zijn een aantal werktuigen omgezet naar elektrisch. Het literverbruik per mobiele werktuig is bepaald aan de hand van een TNO document . Voor alle mobiele werktuigen is uitgegaan van een gemiddelde motorbelasting. De samenvatting van deze gegevens is te vinden in tabel 3 in Bijlage 2 van het stikstofrapport. De mobiele werktuigen zijn in AERIUS als vlak-, lijn- en puntbron gemodelleerd onder de sectorgroep "Mobiele werktuigen", en vervolgens onder de sector "Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning". De vorm en locatie komt overeen met het aangegeven projectgebied in figuur 8 (als zwarte lijn).

afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0017.png"

Figuur 8: Ligging van het projectgebied ten opzichte van haar directe omgeving. Zwarte lijnen betreffen het beoogde tracé, paarse lijnen zijn bestaande verbindingen.

Conclusie

Indien de bovenstaande verbeterpunten worden gevolgd leidt dit ook in de realisatiefase tot een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000- gebieden. De gemeente zal deze maatregelen borgen in de vergunningen die nodig zijn voor de realisatiefase. Ter controle zijn er rekenpunten geplaatst op Duitse Natura 2000-gebieden welke zich binnen een straal van 25 km van het projectgebied bevinden. In het doorgerekende model is er geen sprake van stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden.

4.8 Luchtkwaliteit

Kader

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). In titel 5.2 van de wet zijn de bepalingen ten behoeve van luchtkwaliteit opgenomen.

Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit dienen te worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur.

Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft overeenkomstig artikel 5.12 van de Wm het NSL vastgesteld. Op 1 augustus 2009 is het NSL vervolgens in werking getreden. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de hiervoor geldende grenswaarden. De beoordelingscriteria of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)". In dit Besluit is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma, een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.


Onderzoek

Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding en aanpassingen aan een bestaand hoogspanningsstation. In het plangebied liggen de huidige concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de wettelijke grenswaarden. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een substantiële toename van verkeer. De werkzaamheden ten behoeve van de aanleg genereren tijdelijk extra verkeer. In de gebruiksfase zijn bovengenoemde functies onbemand en vinden enkel beperkt verkeersbewegingen plaats voor toezicht en onderhoud. De hoogspanningsverbinding stoot zelf geen stoffen uit die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Het project beïnvloedt dan ook niet in betekenende mate de luchtkwaliteit in de zin van het besluit NIBM. Aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan.


Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9 Geluid

Kader

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds, en aan bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen.


Realisatiefase

Tijdens de realisatiefase van de voorgenomen ontwikkeling vinden de nodige werkzaamheden plaats. De werkzaamheden zelf en het materieel om de werkzaamheden uit te voeren veroorzaken een tijdelijke geluidsbelasting voor de omgeving. Het dichtstbijzijnde woonadres is voor de werklocaties in de gemeente is op ruim 100 meter. Dit betekent dat de effecten beperkt zullen zijn. De Wet geluidhinder bevat geen regels voor dergelijke tijdelijke situaties. Voor bouwen zijn regels voor deze tijdelijke situaties opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (art. 8.3) en voor overige activiteiten in de APV (art. 4:6). Tijdens de realisatie werkzaamheden dient aan deze regels voldaan te worden.


Gebruiksfase

De voorgenomen ontwikkeling is geen geluidgevoelige functie in de zin van de Wgh en veroorzaakt geen geluidhinder. Akoestisch onderzoek naar deze verbindingen is daarom niet noodzakelijk. Het totale transformatorvermogen wordt niet uitgebreid. Dit huidige situatie voldoet aan de geldende geluidsnormen.


Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.10 Water

Kader

Het opnemen van een waterparagraaf in een bestemmingsplan is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het overleg met het waterschap wordt gevoerd op basis van artikel 3.1.1 Bro. In die paragraaf dient te worden uiteengezet wat voor gevolgen het plan in kwestie heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater.

Het waterbeleid, zoals opgenomen in het Nationaal Waterplan 2016-2021 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet zet hiermee in op een robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.


Onderzoek

Er is een watertoets opgesteld door Antea Group. In het rapport 'Netversterking Noordoost Nederland 110kV, gemeente Borger-Odoorn, Watertoets, d.d. 23 juni 2023' zijn de resultaten hiervan beschreven. Dit rapport is als bijlage 8 aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand zijn de conclusies weergegeven van dit onderzoek.


Verhard oppervlak

In de huidige situatie is het plangebied grotendeels onverhard. Ter plaatse van de mastvoeten is een betonnen fundering aanwezig, verder is het in en rondom de mast onverhard. In de toekomstige situatie zal de hoeveelheid verharding toenemen door de te plaatsen opstijgpunten. Er zullen in totaal 4 opstijgpunten geplaatst worden met een betonnen fundering en mogelijk wat half-verharding er omheen. De opstijgpunten zullen een oppervlak krijgen wat ongeveer gelijk is aan het huidige mast oppervlak (circa 225 m2). Dit zal leiden tot een geschatte toename in verhard oppervlak van 900 m2.

Bij het hoogspanningsstation zal een bestaande mast verdwijnen waardoor de hoeveelheid verharding daar zal afnemen. Dit zal echter niet om een groot oppervlak gaan.

Aangezien het plangebied voor zover bekend niet in de bebouwde kom, binnen uitbreidingsplannen en in glastuinbouwgebied ligt en er minder dan 1.500 m2 verharding wordt gerealiseerd wordt waterberging niet noodzakelijk geacht.


Waterhuishouding

Er worden geen problemen met de waterhuishouding voorzien bij de aanleg van de opstijgpunten en hoogspanningskabels. De kabels zullen met een gestuurde boring geplaatst worden, hiervoor is dus geen bemaling nodig. Afhankelijk van de grondwaterstand moet er mogelijk wel bemalen worden voor de aanleg van de opstijgpunten. Hiervoor kan indien nodig een bemalingsadvies worden opgesteld.


Oppervlaktewater

Het geplande tracé zal een aantal sloten en een oppervlaktewatergang kruisen. Doordat de kabels op voldoende diepte onder de watergangen door worden gelegd worden geen negatieve effecten verwacht op het oppervlaktewater door de aanleg van de hoogspanningskabels.


Waterveiligheid

Het plangebied bevindt zich niet binnen een waterkering of de beschermingszone daarvan, hiermee worden dan ook geen problemen voorzien. Ook is er geen overstromingsgevaar in het gebied waar rekening mee moet worden gehouden.

Klimaatadaptatie

Bij het aanleggen van de opstijgpunten kan gekozen worden voor half verharding of onverhard oppervlak rondom het opstijgpunt. Door gebruik te maken van halfverharding, zoals grindpaden of poreuze materialen, kan water infiltreren in de bodem en de grondwaterstand verhogen. Dit helpt bij het voorkomen van overstromingen en zorgt voor een natuurlijke afvoer van regenwater. Onverharding, zoals graslanden of natuurlijke vegetatie, helpt ook bij waterabsorptie en draagt bij aan het verminderen van hitte-eilanden. Door slim gebruik te maken van deze technieken kunnen we de veerkracht van het buitengebied en de hoogspanningslocaties vergroten in het licht van klimaatverandering.


Conclusie

Gezien de kabelverbindingen met een gestuurde boring op voldoende diepte komen te liggen worden hierbij geen problemen voorzien. Verder zal de verharding toenemen met een geschat oppervlak van 900 m², hierbij wordt echter compensatie niet noodzakelijk geacht.

Bij het realiseren van de 4 opstijgpunten en het uitbreiden van het hoogspanningsstation kan waar mogelijk gekozen worden voor halfverhard of onverhard oppervlak, dit vergroot de infiltratie en waterbergingscapaciteit en kan daarmee bijdragen aan de klimaatadaptiviteit van de hoogspanningslocaties.


Juridische borging

Op de huidige plankaart wordt waterberging niet specifiek aangeduid als enkelbestemming water noch heeft het de dubbelbestemming waterkering. Omdat waterberging ook nu niet mogelijk gemaakt wordt is het niet nodig om een specifieke bestemming op te nemen in dit bestemmingsplan. Wel is het in zijn algemeenheid mogelijk op grond van artikel 4.1 onder h waterhuishoudkundige voorzieningen binnen de bestemming te realiseren waardoor het aspect water geen beperkingen vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.11 Externe veiligheid

Kader

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico's met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico's voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten1. Deze twee soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel extern veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico's, plaatsgebonden risico en groepsrisico.


Onderzoek

De aan te leggen ondergrondse hoogspanningsverbinding en aan te passen hoogspanningsstation vallen niet onder de werkingssfeer van wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. Het betreft geen risicovolle inrichting en geen (beperkt) kwetsbaar object. De ontwikkeling zorgt verder niet voor een toename van de kans op een incident bij risicobronnen (plaatsgebonden risico en groepsrisico) of een toename van de effecten van een mogelijk incident. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.


Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.12 Kabels en leidingen

Kader

De ongestoorde ligging van planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dient te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.


De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen:

  • 1. buisleidingen met een externe veiligheidszone;
  • 2. bovengrondse hoogspanningslijnen;
  • 3. overige leidingen.


De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepalen bevoegd gezag en leidingbeheerders of deze planologisch relevant zijn.

Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; - aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.


TenneT, initiatiefnemer van het voornemen waarvoor dit bestemmingsplan wordt opgesteld, beschouwt haar ondergrondse kabels als planologisch relevant. Gezien het groot maatschappelijk belang van de kabels en omdat er grote problemen ontstaan als de kabels niet meer werken of niet gerealiseerd kunnen worden, is het wenselijk/noodzakelijk deze in het bestemmingsplan op te nemen.


Onderzoek

TenneT draagt er zorg voor dat voor de realisatie van de opstijgpunten en de ondergrondse 110kV-kabelverbinding tijdig met relevante kabel- en leidingbeheerders wordt afgestemd over de uit te voeren werkzaamheden in het plangebied. De bestaande kabels en leidingen onder en nabij het plangebied worden daarbij tijdig geïnventariseerd. Ten behoeve van het project wordt (indien nodig) hierover tijdig afgestemd met de verantwoordelijke netbeheerders. De kabels en leidingen worden waar mogelijk gekruist door middel van een open ontgraving en waar nodig door middel van een persing of gestuurde boring. Alvorens de aanleg plaatsvindt wordt een KLIC-melding gedaan. Aangezien voorliggend bestemmingsplan komt te gelden in aanvulling op de onderliggende bestemmingsplannen is het niet noodzakelijk om bestaande planologisch relevante kabels en leidingen op te nemen in voorliggend bestemmingsplan.


De ondergrondse 110kV-kabelverbinding, geldt in aanvulling op de onderliggende bestemmingsplannen. Daarbij blijft de huidige planologische regeling van deze kabels en leidingen behouden, met als aanvulling dat de aanleg, het beheer en het onderhoud van de hoogspanningsverbindingen die onderdeel uitmaken van dit plan zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt mogelijk gemaakt. Daarnaast vinden er ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling werkzaamheden en/of kruisingen plaats ter hoogte van de bestaande planologisch beschermde bovengrondse hoogspanningsverbindingen Meeden-Zwolle.. TenneT TSO B.V. is zowel beheerder van deze verbindingen als mede-initiatiefnemer van voorliggend bestemmingsplan en draagt zorg voor tijdelijke passende maatregelen ten behoeve van het functioneren van de verbindingen tijdens de aanlegfase. Op deze manier worden effecten op het functioneren van deze verbindingen voorkomen.


Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling kruist meerdere kabels en leidingen. Eén hoogspanningsverbinding is planologisch vastgelegd. TenneT draagt zorg voor tijdige afstemming met relevante kabel- en leidingbeheerders. TenneT neemt daarnaast passende tijdelijke maatregelen ten behoeve van het functioneren van de eigen verbindingen tijdens de aanlegfase. Het aspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan. Daarnaast worden door middel van voorliggend plan de nieuwe ondergrondse 110kV-verbindingen van TenneT planologisch beschermd.

4.13 Magneetvelden

Kader

Bij transport van elektriciteit ontstaan magnetische velden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in microtesla (één miljoenste deel van een tesla).

Voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen heeft TenneT zich geconformeerd aan het beleidsadvies van de Minister voor Klimaat en Energie van 21 april 2023, kenmerk DGKE-DRE / 26746813; Voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen.


De sterkte van elektrische en magnetische velden is afhankelijk van de aanwezige spanning (elektrisch veld) of de stroomsterkte (magnetisch veld), maar is ook sterk afhankelijk van de afstand tot de bron. Net als bij een warmtebron geldt voor elektrische en magnetische velden dat de veldsterkte snel afneemt wanneer de afstand tot de bron groter is. Bij ondergrondse hoogspanningskabels spelen elektrische velden geen rol. Door de metalen beschermingsmantel om de kabel wordt het elektrisch veld volledig afgeschermd.
Voor wat betreft magneetvelden rond hoogspanningsinfrastructuur geldt een grenswaarde van maximaal 100 microtesla. Deze waarde komt voort uit aanbevelingen van de Europese Unie en geldt als norm voor de maximale blootstelling aan burgers. Het volledige hoogspanningsnet van TenneT voldoet aan deze norm op alle voor publiek toegankelijke plaatsen.


Onderzoek

Voor ondergrondse kabelverbindingen (en opstijgpunten) geldt dat bij de aanleg proportionele bronmaatregelen worden getroffen. Die bronmaatregelen zijn opgenomen in het herijkte voorzorgbeleid. Als bronmaatregel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het in driehoeksformatie leggen van kabels of het toepassen van driefasenkabels bij een nieuwe ondergrondse kabelverbinding. De bronmaatregelen zorgen er voor dat de magneetvelden in sterkte verminderen en de magneetveldcontour smaller wordt. Daarmee volgt TenneT het herijkte voorzorgbeleid. Overigens adviseert de Minister het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening om geen specifieke afstanden tot bestemmingen waarin mensen langdurig verblijven te berekenen bij ondergrondse kabelverbindingen en hoogspanningsstation. De Minister acht het voldoende om in deze gevallen enkel de bronmaatregelen te treffen.

Conclusie

Het planvoornemen voldoet aan het huidige beleidsadvies (beleidsadvies van de Minister voor Klimaat en Energie van 21 april 2023, kenmerk DGKE-DRE / 26746813; Voorzorgbeleid voor magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen). Het aspect magneetvelden vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

4.14 Niet gesprongen explosieven

Kader

Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten (verder OO genoemd) achtergebleven. Deze OO vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze OO uitgesloten te worden of dienen eventuele OO verwijderd te worden.

Onderzoek

Antea Group heeft in samenwerking met AVG en in opdracht van TenneT een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd voor het onderzoeksgebied TenneT Netversterking Noordoost Nederland 110 kV (bijlage). In het rapport 'Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten, netversterking Noordoost Nederland 110kV, locaties 1 en 3 t/m 5, d.d 29 maart 2023' zijn de resultaten hiervan beschreven. Dit rapport is als bijlage 7 aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand zijn de conclusies weergegeven van dit onderzoek.

Op basis van de beoordeelde feiten is geconcludeerd dat er onvoldoende, of te globale, indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Het plangebied is niet verdacht op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten.


Conclusie

Het aspect niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Inleiding

5.1.1 Bestemmingsplan

Een bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Alleen de regels en de verbeelding zijn juridisch bindend. De plantoelichting bevat de onderbouwing, achtergronden, onderzoeken en motieven van het plan. De toelichting is enerzijds voor de besluitvorming van belang en kan anderzijds van belang zijn bij het interpreteren van de regels of de verbeelding. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in deze toelichting, hebben in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen en aanduidingen met bijbehorende planregels. De juridische planopzet en de inhoud van de toegekende bestemmingen worden in dit hoofdstuk toegelicht. Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het plan is mede gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Op de verbeelding zijn bestemmingen toegekend. Bij het opstellen van de verbeelding is gebruik gemaakt van een kadastrale kaart en van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT).

5.2 Toelichting op de regels

5.2.1 Inleidende regels

In hoofdstuk 1 'Inleidende regels' bestaat uit twee artikelen:


Begrippen (artikel 1)

Artikel 1 van de planregels bevat beschrijvingen van begrippen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschil in interpretatie mogelijk is.

Wijze van meten (artikel 2)

In artikel 2 wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/percelen gemeten moet worden.

5.2.2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2: 'Bestemmingsregels' omvat regels die betrekking hebben op het gebruiksdoel van de gronden. Ten behoeve van een logische en eenduidige opbouw wordt conform de SVBP2012 het navolgende opbouw voor de bestemmingsregelingen aangehouden:

Bestemmingsomschrijving:

Hierin wordt een omschrijving van de bestemming gegeven, alsmede welk gebruik binnen deze bestemming is toegestaan.

Bouwregels:

Hierin wordt bepaald aan welke voorwaarden de gebouwen en bouwwerken moeten voldoen.


Enkelbestemmingen


Bedrijf- Nutsvoorziening

Deze bestemming is opgenomen op het bestaande 110V hoogspanningsstation Musselkanaal Zandberg (MZK110). De geldende regels van dit station zijn opgenomen en het bebouwingspercentage is verhoogd naar 100% zodat de netverzwaring mogelijk gemaakt wordt.

Ook de dubbelbestemming (Leiding-Kabeltrace) uit het geldende inpassingsplan 'Windpark De Drentse Monden - Oostermoer' is overgenomen op de verbeelding en in de regels.


Bedrijf- Opstijgpunt

Ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf - Opstijgpunt' wordt een opstijgpunt gerealiseerd. Deze bestemming is gelegd op de gronden die de overgang markeren van de bovengrondse lijnverbindingen naar de ondergrondse 110kV-kabelverbindingen. Gebouwen mogen maximaal 3 meter hoog zijn.


Dubbelbestemmingen


Leiding - Hoogspanning

Deze dubbelbestemming maakt de realisatie van een ondergrondse 110 kV-kabelverbinding mogelijk. Daarnaast zorgt deze dubbelbestemming ervoor dat deze, na aanleg, wordt beschermd. Om dit laatste doel te bewerkstelligen zijn bouw- en aanlegregels opgenomen. De bijbehorende belemmeringsstrook is vastgesteld op basis van het benodigde ruimtebeslag voor aanleg en instandhouding van de ondergrondse 110 kV-hoogspanningsverbinding. Dat ruimtebeslag wordt bij ondergrondse kabelverbindingen gevormd door de buitenste kabel plus een beschermingszone. Daarbij is rekening gehouden met veiligheidseisen, onder andere om veilig (onderhouds)werkzaamheden uit te kunnen voeren en ongestoord functioneren van de kabel te kunnen garanderen.


Leiding - Hoogspanningsverbinding

De dubbelbestemming ligt op een strook aan weerszijden van de hoogspanningsleidingen en hoogspanningsverbindingen. De regeling voorziet in de aanwezigheid van de leidingen en in de bescherming ervan. Binnen de in de planregels aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen is een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden opgenomen.


Bij de hoogspanningsleidingen is rekening gehouden met de richtlijnen van het Rijk ten aanzien van veiligheidsafstanden. In principe moet de zakelijk rechtstrook worden aangehouden. Deze zone bepaalt de omvang de bestemming. In verband met gezondheidsrisico's vanwege magneetvelden geldt een adviesnorm. De omvang van de zone wordt bepaald door de hoeveelheid stroom die door de leidingen wordt getransporteerd. Omdat de hoeveelheid stroom niet vastligt, ligt de omvang van de zone dus ook niet vast. Deze indicatieve zone is dan ook niet op de verbeelding vastgelegd.


Waarde - Archeologie 1 en 4

Het archeologiebeleid is vertaald in het bestemmingsplan. Er zijn dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van de bekende en verwachte archeologische waarden in het plangebied. Op grond van dubbelbestemmingen geldt een vergunnings- en/of onderzoeksplicht voor het bouwen vanaf een bepaalde omvang en voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden.


afbeelding "i_NL.IMRO.1681.00BP0081-VG01_0018.png"

5.2.3 Algemene regels

Hoofdstuk 3 van het bestemmingsplan bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan. Hieronder worden de algemene regels van dit bestemmingsplan toegelicht.

Anti-dubbeltelregel

Deze standaardbepaling strekt ertoe te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie mogelijk is gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt.


Overige regels

In de overige regels is de verhouding geregeld tussen dit bestemmingsplan en de onderliggende vigerende bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Ter plaatse van de enkelbestemmingen in dit bestemmingsplan komen de enkelbestemmingen uit de vigerende bestemmingsplannen dan wel beheersverordeningen te vervallen. Ter plaatse van de dubbelbestemmingen in dit bestemmingsplan prevaleren de dubbelbestemmingen en blijven de onderliggende bestemmingen op basis van de vigerende bestemmingsplannen dan wel beheersverordeningen van kracht voor zover zij niet strijdig zijn met de dubbelbestemmingen.


Overgangs- en Slotregels

In het bestemmingsplan is het overgangsrecht opgenomen ten aanzien van bouwwerken en gebruik. De formulering is overgenomen uit de standaardbepaling van het Besluit ruimtelijke ordening. Tevens is een slotregel opgenomen welke conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 is geformuleerd.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Kosten

De kosten van het gehele project, inclusief procedure, zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer TenneT. TenneT is zowel financieel als organisatorisch verantwoordelijk voor de aanleg en het beheer van de masten en kabelverbindingen. De leveringszekerheid is een wettelijke taak van TenneT op grond van de Elektriciteitswet 1998, waarin TenneT is aangewezen als netbeheerder van het hoogspanningsnet van Nederland. Dit betekent dat TenneT verantwoordelijk is voor de aanleg en het beheer van het transportnet, het transporteren van elektriciteit en het borgen van de energiebalans (het evenwicht tussen vraag en aanbod).


In dat kader stelt TenneT financiële middelen beschikbaar voor uitvoering van dit bestemmingsplan.


TenneT voert vrijwel uitsluitend gereguleerde taken uit. De kaders waarbinnen deze activiteiten uitgevoerd worden, zijn vastgelegd in de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Omdat TenneT zowel in Nederland als in een aantal regio's in Duitsland een monopolie heeft als netbeheerder, worden de kerntaken gereguleerd door onafhankelijke toezichthouders, namelijk de Nederlandse Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Duitse Bundesnetzagentur (BNetzA). Het is hun taak om de belangen van consumenten, bedrijven en netbeheerders af te wegen tegen de doelstellingen van betaalbaarheid, leveringszekerheid en duurzaamheid.

6.1.2 Zakelijk recht

Voor de aanleg, de instandhouding en het beheer en onderhoud van de 110 kV kabelverbinding en bijbehorende opstijgpunten en masten moet TenneT gebruik kunnen (blijven) maken van een strook grond ter plaatse van de hoogspanningsverbinding.

6.1.3 Grondexploitatie

Op grond van artikel 6.12 Wro, lid 1 (afdeling 6.4 grondexploitatie) stelt de gemeenteraad bij de vaststelling van (onder meer) een bestemmingsplan een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen, indien het kostenverhaal niet op een andere wijze is verzekerd. Aangezien de kosten volledig bij TenneT liggen hoeft er geen grondexploitatieplan te worden opgesteld.

6.1.4 Planschade

Door wijzigingen van de planologische bestemming en de bijbehorende regels, kan er voor belanghebbenden (eigenaren, overige zakelijke gerechtigden en persoonlijk gerechtigden) in de nabijheid van de hoogspanningsverbinding of het koppelpunt schade ontstaan. Deze schade wordt planschade genoemd. De grondslag voor de tegemoetkoming in planschade wordt gevormd door afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Tegemoetkoming is aan de orde indien schade ontstaat in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak door een wijziging van het planologisch regime, die leidt tot een planologisch nadeel voor een belanghebbende. Overigens leidt niet ieder planologisch nadeel tot (voor vergoeding in aanmerking komende) schade. Een tegemoetkoming wordt toegekend voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins verzekerd is. Dit laatste is bijvoorbeeld aan de orde bij de vestiging van zakelijke rechten en de verwerving van objecten. In deze gevallen is sprake van een volledige schadeloosstelling dus inclusief een tegemoetkoming in planschade. De planschade is op die manier anderszins verzekerd.
Met de gemeente wordt door TenneT een plankostenovereenkomst gesloten.

6.1.5 Handhaafbaarheid

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Borger-Odoorn vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning.

Uitvoering van bestemmingsplannen dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met het bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aangestuurd. Een recent bestemmingsplan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handhaving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is zijn eenduidige en eenvoudige bestemmingsplanbepalingen die goed werkbaar zijn. De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk. Een duidelijke uitleg in de toelichting van het bestemmingsplan van de voorkomende bestemmingen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden.

6.2.1 Overleg ex artikel 3.1.1. Bro

Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan provincie Drenthe, Veiligheidsregio Drenthe, Astron, GGD Drenthe, Gasunie en waterschap Hunze en Aa's. De provincie Drenthe, Brandweer Drenthe en de Veiligheidsregio Drenthe hebben gereageerd en aangegeven dat het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. De GGD heeft vanuit het aspect gezondheid nog inhoudelijk gereageerd op het voorontwerp bestemmingsplan. Hieronder wordt samengevat ingegaan op deze reactie die als bijlage 10 is opgenomen bij deze toelichting.

  • 1. Elektromagnetische velden: voorkom langdurige blootstelling aan magnetische veldsterkten van >0,4 µT.

Reactie gemeente:

TenneT gaat bij hoogspanningsverbindingen uit van proportionele technische maatregelen zoals vastgesteld in de bijlage bij de kamerbrief ´Magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen´. Hiermee krijgen alle nieuwe en gewijzigde netcomponenten een beperkter magneetveld. Zie kamerbrief ´Magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen´ voor het Rijksbeleid1 . Ook wordt verwezen naar het kennisplatform over Elektromagnetische velden en rijksbeleid waarin beschreven staat hoe TenneT omgaat met elektromagnetische velden2 .

TenneT volgt het advies van de GGD Drenthe op door, waar mogelijk, blootstelling aan magneetvelden van alle netcomponenten (hoogspanningslijnen, -kabels en -stations) naar verhouding beperkt te houden. Dit doet TenneT door: 

  • Het nemen van maatregelen bij de aanleg van bijvoorbeeld een nieuwe (boven- of ondergrondse) hoogspanningsverbinding, of (uitbreiding van) station.
  • Het wijzigen van bestaande netcomponenten (infrastructuur), waardoor de magneetvelden van deze onderdelen zo klein mogelijk worden gehouden of worden verminderd. Deze afname van het magneetveld wordt vooral bereikt doordat de 110kV hoogspanningslijn boven de grond wordt vervangen door een 110kV-kabel onder de grond over het gehele tracé binnen de gemeente. De civiele werkzaamheden op het station MSKZ zijn niet van invloed.

Tegelijk blijft het uitgangspunt om bij bovengrondse hoogspanningslijnen zo mogelijk afstand te houden tot de bestemming waarin mensen langdurig verblijven. Dit noemen we een gevoelige bestemming. Denk bijvoorbeeld aan woningen. Voor de andere onderdelen van het hoogspanningsnet geldt dit advies om afstand te houden niet en gaat het beleid ervan uit dat het voldoende is om alleen de (proportionele) bronmaatregelen te treffen. Deze bronmaatregelen volstaan dan ook bij deze ontwikkeling.

  • 2. Luchtkwaliteit: Beperk zoveel mogelijk de emissie van fijnstof.

Reactie gemeente:

Zoals ook uit de stikstofdepositieberekening blijkt werkt TenneT tijden de realisatiefase zoveel mogelijk met elektrische voertuigen om de emissies zoveel mogelijk te voorkomen.

  • 3. Geluid: Heb aandacht voor geluid en mogelijke hinder die kan ontstaan voor omwonenden.

Reactie gemeente:

Ter plaatse van de verkabeling zal sprake zijn van minder geluid omdat er geen lijnen meer zijn. Bovendien voldoet de situatie ook nu al aan de geluidseisen die er zijn.

  • 4. Communicatie en participatie: Blijf oog houden voor eventuele onrust die het plan met zich meebrengt. Draag zorg voor communicatie en participatie.

Reactie gemeente:

Communicatie en participatie zijn voor gemeente en TenneT een belangrijk onderdeel van de voorberiding en ook tijdens de realisatie. Omgevingsmanagers staan in contact met de omgeving en vanuit de omgeving kan direct contact opgenomen worden met deze omgevingsmanagers. Bovendien is uit de voorbereidingsfase gebleken dat er weinig weerstand is tegen deze plannen van TenneT vanuit de omgeving.

6.2.2 Participatie

De omgeving (eigenaren, gebruikers en direct aanwonenden) zijn belanghebbenden. De belanghebbenden voor het tracé in Borger-Odoorn en Westerwolde (ca. 40 mensen) zijn tijdens het proces betrokken en hebben fysieke post ontvangen met een uitnodiging voor een informatiebijeenkomst op 27 juni 2023 en een verwijzing naar de projectwebsite http://www.tennet.eu/nl/projecten/netversterking-noordoost-nederland. Ook de betrokken overheden waren uitgenodigd. Tijdens deze bijeenkomst in De Schaapsberg te Zandberg zijn een doorlopende presentatie en posters getoond. De individuele gesprekken waren informerend. Met een aantal direct omwonenden en grondeigenaren zijn gesprekken aan de keukentafel gevoerd. Het resultaat van deze gesprekken was niet invloed op de tracé keuze.

6.2.3 Communicatie

Bij het project worden omwonenden en belanghebbenden via diverse kanalen geïnformeerd en betrokken, waaronder via informatieavonden en de projectwebsite. Op de projectwebsite wordt ingegaan op het project, de beoogde planning en het laatste nieuws. Ook zijn er antwoorden op veelgestelde vragen te vinden. Daarnaast vinden 1-op-1 gesprekken plaats met eigenaren en bewoners met wie specifieke zaken af te stemmen zijn. Ten tijde van de bekendmaking van het ontwerpbestemmingsplan is dit breed aangekondigd.

6.2.4 Ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf donderdag 21 december 2023 voor de duur van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn kon iedereen een zienswijze indienen op de inhoud van het ontwerp bestemmingsplan. Binnen deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.

Ambtshalve aanpassingen

Ambtshalve zijn de volgende aanpassingen gedaan:

  • De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen de bestemming 'Bedrijf-Nutsvoorziening' is verhoogd van 5,5 meter naar 6,5 meter.
  • Artikel 10.1 van het ontwerp bestemmingsplan is verwijderd.
  • In artikel 10 is ook verwezen naar het rijksinpassingsplan als plan waar ook aan getoetst moet worden.