direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Boogaardweg 2 Zonnemaire
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Schouwen-Duiveland ten behoeve van het wijzigen van het agrarisch bouwvlak aan de Boogaardweg 2 te Zonnemaire om de gewenste verplaatsing van de bestaande legale tweede bedrijfswoning mogelijk te maken.

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer voert ter plaatse samen met zijn zoon momenteel een grootschalig akkerbouwbedrijf uit. Het is de wens om de bedrijfsvoering op (korte) termijn uit te breiden naar een totale teelt van ongeveer 340 hectare. Omdat vader en zoon beiden in het bedrijf actief zijn is het noodzakelijk dat beiden op het bedrijf woonachtig zijn om een zo efficiënt mogelijke bedrijfsvoering te borgen en om snel te kunnen schakelen bij eventuele calamiteiten. Derhalve zijn momenteel twee bestaande en legale bedrijfswoningen aanwezig op het bedrijf.

De huidige tweede bedrijfswoning is echter sterk verouderd en dient te worden vervangen. Daarom is de sloop en herbouw van de tweede bedrijfswoning noodzakelijk om deze bewoonbaar te houden. Daarnaast is de huidige plaats van de tweede bedrijfswoning midden op het erf niet wenselijk. Deze staat in de weg van een optimale routing op het bedrijf en zorgt voor veel hinder ten aanzien van de bedrijfsvoering. Het is daarom noodzakelijk deze bedrijfswoning te verplaatsen naar een meer geschikte locatie.

Eerder is met de gemeente gesproken over een verplaatsing van de tweede bedrijfswoning naar de overzijde van de Boogaardweg. De gemeente heeft destijds aangegeven dat deze locatie niet wenselijk is voor het realiseren van een tweede bedrijfswoning. Ook de eerder met de gemeente besproken locatie aan de kruising van de Boogaardweg en de Stapelweg bleek vanuit gemeentelijk oogpunt niet wenselijk. De initiatiefnemer heeft in overleg met de gemeente bekeken waar de tweede bedrijfswoning naar toe kan worden verplaatst. Uit het overleg, waarin zowel de belangen van de gemeente als van de initiatiefnemer zijn geuit, is de achterzijde van het huidige erf, op de plaats waar momenteel de waterbassins zijn gelegen, een geschikte plaats gebleken.

Een deel van de aanwezige waterbassins zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden behouden. Dit omdat in het gebouw aansluitend aan dit deel van het bassin en erf gebruikt wordt als wasplaats voor de geteelde goederen. Verplaatsing van het bassin dat hiervoor nodig is zou betekenen dat ook het gebouw met de wasplaats moet worden verplaatst. Daarvoor zou het huidige gebouw moeten worden gesloopt en moeten worden herbouwd. Dit is vanuit zowel ruimtelijk als financieel oogpunt niet wenselijk.

Het huidige bouwvlak biedt onvoldoende ruimte om de gewenste verplaatsing van de tweede bedrijfswoning mogelijk te maken. Daarom is een vormverandering van het huidige bouwvlak noodzakelijk. Aan de noordzijde van het huidige bouwvlak zal een deel van ongeveer 1.000 m² worden verwijderd van het bouwvlak. Aan de zuidzijde van het erf, op de plaats van een deel van de huidige waterbassins, zal een vlak van ongeveer 1.000 m² worden toegevoegd om daar de tweede bedrijfswoning te kunnen plaatsen.

De gewenste ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan vanuit het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is, in artikel 3.7.1, een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor een wijziging van de bouwstede en/of het bouwvlak. Echter heeft deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend betrekking op het vergroten van het bouwvlak. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een wijziging van het bouwvlak, waarbij de oppervlakte niet toeneemt. Omdat de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend betrekking heeft op vergroting van het bouwvlak kan deze niet worden toegepast voor de voorgenomen ontwikkeling. Derhalve is een nieuw bestemmingsplan op verzoek nodig conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt dit nader aangetoond en gemotiveerd.

1.2 Planlocatie

De planlocatie is gelegen aan de Boogaardweg 2 te Zonnemaire en ligt aan de westkant van Zonnemaire in het landelijk gebied van gemeente Schouwen-Duiveland. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Brouwershaven, sectie F, nummer 118. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied" van de gemeente Schouwen-Duiveland, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 26 maart 2009, onverkort van toepassing.

Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak' en 'maximum aantal woningen, dienst- of bedrijfswoningen - 2' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0002.png"

Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

Bij besluit van 11 juni 2013 is voor de locatie een omgevingsvergunning voor het gebruik van de gronden ter plaatse als bouwvlak met een totale oppervlakte van 2,5 hectare verkregen (nummer 2012 0944). Middels deze omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is daarmee feitelijk een bouwvlak van 2,5 hectare verkregen. De huidige bedrijfsvoering past binnen deze maximale oppervlakte.

Vanuit het geldende bestemmingsplan zijn ter plaatse reeds twee bedrijfswoningen toegestaan. Tevens is de huidige agrarische bedrijfsvoering mogelijk vanuit de agrarische bestemming.

De gewenste ontwikkeling kan niet mogelijk worden gemaakt met een wijzigingsbevoegdheid of een afwijkingsmogelijkheid. Daarom is voor de voorgenomen ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan op verzoek (postzegelbestemmingsplan) nodig, volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het voorliggende document dient als toelichting bij de herziening.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
  • Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Schouwen-Duiveland.

De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouwgronden. De verkavelingsstructuur betreft een blokverkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.

In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. Op grotere afstand van de locatie zijn enkele burgerwoningen en de kern Zonnemaire gelegen.

2.1.2 Ruimtelijke structuur

Op de locatie is momenteel een akkerbouw gevestigd. Ter plaatse zijn, naast de noodzakelijke bedrijfsgebouwen en bassins voor de opslag van water, twee bedrijfswoningen aanwezig.

De huidige tweede bedrijfswoning is midden op het erf gelegen en is sterk verouderd. De tweede bedrijfswoning dient daarom te worden gesloopt en te worden herbouwd. De huidige locatie staat echter in de weg van een optimale routing op het bedrijf en leidt tot een beperking van de efficiëntie van de bedrijfsvoering. Verplaatsing van de tweede bedrijfswoning is daarmee noodzakelijk.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak, zoals is opgenomen in het geldende bestemmingsplan, is ongeveer 2 hectare groot. Echter is in het verleden (bij besluit van 11 juni 2013) een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening verkregen voor het gebruik van de gronden als bouwvlak met een oppervlakte van in totaal 2,5 hectare. De huidige bedrijfsvoering past binnen deze oppervlakte.

In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0003.png"

Luchtfoto huidige situatie ter plaatse.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse de tweede bedrijfswoning te vervangen en te verplaatsen naar een meer geschikte plaats op het erf.

Na uitvoerig overleg met de gemeente is besloten de tweede bedrijfswoning te verplaatsen naar een plaats achter op het erf waar momenteel (een deel van) de waterbassins zijn gelegen. De betreffende waterbassins zullen daarbij worden ontmanteld en worden verplaatst naar een plaats aan de westzijde van het huidige erf. Een deel van de waterbassins dient echter behouden te blijven voor het water dat noodzakelijk is aan de naastgelegen wasplaats van geteelde goederen.

Ten behoeve van de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning zal een deel van ongeveer 1.000 m² aan de voorzijde van het bouwvlak worden verwijderd en zal een deel van ongeveer 1.000 m² (ongeveer 31 x 32 m²) aan de zuidzijde van het erf worden toegekend voor het oprichten van de vervangende woning. De huidige tweede bedrijfswoning zal worden gesloopt zodat geen sprake is van het oprichten van een extra (derde) bedrijfswoning.

In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatieschets weergegeven. De volledige situatietekening is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0004.png"

situatieschets gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.

Het bouwvlak ter plaatse is niet toereikend om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak ter plaatse te wijzigen. De omvang van het bouwvlak zal daarbij niet toenemen.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0005.png"

Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: DLV Advies.

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Tevens zijn de uitgangspunten uit het Landschappelijk Raamwerk van de gemeente hierin als uitgangspunt genomen. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.

Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven.

Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking

Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:

"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018

De provincie Zeeland heeft op 21 september 2018 het Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018 vastgesteld. Het omgevingsplan bevat de visie van de provincie op het ruimtelijk beleid in hoofdlijnen en biedt de kaders voor de verdere beleidsontwikkelingen.

Landbouw is in Zeeland een belangrijke economische sector en draagt in belangrijke mate bij aan de kwaliteiten rust en ruimte in het landelijk gebied en daarmee aan de recreatieve aantrekkingskracht.

De provincie streeft, vanuit de rol en verantwoordelijkheden voor het landelijk gebied en het belang van een vitale landbouw als economische drager van dit landelijk gebied, naar het bijdragen aan het realiseren van een transitie naar een meer duurzame natuurinclusieve landbouw. In overleg met de sector en overige maatschappelijke partners wil de provincie de komende jaren deze opgave nader concretiseren, waarbij de aandacht zich in eerste instantie richt op het verbeteren van de bodemvruchtbaarheid, de beschikbaarheid van voldoende zoet water en het versterken van de landschappelijke diversiteit.

De provincie zet in op grondgebonden landbouw, biologische landbouw en aquacultuur. Voor deze vormen van landbouw worden ruime ontwikkelingsmogelijkheden geboden. Voor de niet-grondgebonden landbouw (intensieve veehouderij en glastuinbouw) zijn de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van grondgebonden landbouw. Aan deze vorm van landbouw worden voldoende ontwikkelingsmogelijkheden geboden.

De inzet op vitaliteit en innovatie vraagt echter om een invulling door ondernemers. Daarvoor wordt in algemene zin ruimte geboden. Ditzelfde geldt voor nieuwvestiging of uitbreiding van grondgebonden veehouderij, mits wordt voldaan aan de regelgeving ter bescherming van kwetsbare gebieden. In kwetsbare gebieden met stikstofgevoelige natuur, wordt nieuwvestiging van grondgebonden veehouderij niet toegestaan. Dit geldt ook voor nieuwe hoofdtakken veehouderij en nieuwe neventakken grondgebonden veehouderij bij bestaande bedrijven.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van nieuwvestiging en/of van het uitvoeren van veehouderij als hoofdtak of als neventak. Tevens is de locatie niet in een kwetsbaar gebied met voor stikstof gevoelige natuur gelegen.

Het Zeeuwse landschap kenmerkt zich door openheid. Deze openheid wil de provincie behouden; mede door bundeling van bebouwing binnen het agrarische bouwvlak. Een integrale afweging, nadere invulling en maatwerk wordt aan de gemeenten gelaten, waarbij zij rekening houden met het voorkomen van verstening van het landschap, versnippering van de agrarische gronden en zorg dragen voor een zorgvuldige landschappelijke afweging.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal worden voorzien in een goede, bij het landschap en het gebied passende landschappelijke inpassing. Ten behoeve daarvan is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Hiermee wordt in voldoende mate rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten en de openheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarnaast sprake zijn van een het concentreren van bebouwing op een reeds bestaand erf. Er wordt daarbij gekozen voor een zo compact mogelijke situering van bebouwing en voorzieningen op het erf, waarmee de impact op de openheid van het landschap wordt geminimaliseerd.

Ten slotte zal de voorgenomen ontwikkeling de maximale omvang voor een agrarisch bedrijf uit zowel het provinciaal als gemeentelijk beleid niet overschrijden.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in het Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018 van de provincie Zeeland.

3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018

Op 21 september 2018 heeft de provincie Zeeland de Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018 vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit het Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018 naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd.

Op basis van artikel 2.6.1 van de omgevingsverordening dient alle bebouwing bij agrarische bedrijven geconcentreerd te worden binnen een agrarisch bouwvlak. Als uitzondering daarop geldt dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde als sleufsilo's en kuilvoerplaten aansluitend aan een bouwvlak, tijdelijke mestopslag op veldkavels en als onderdeel van een agrarisch bedrijf, teelt ondersteunende voorzieningen en bassins toelaatbaar zijn buiten een bouwvlak.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het bouwvlak zodanig gewijzigd (niet vergroot) dat alle bebouwing, uitgezonderd een deel van de waterbassins, hierbinnen komt te liggen. Voor de waterbassins geldt dat deze kunnen worden toegelaten buiten het bouwvlak.

Er is daarmee sprake van een concentratie van de bebouwing binnen een bouwvlak.

Daarnaast geldt op basis van artikel 2.28 een zorgplicht voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in een gebied. De locatie is gelegen in een gebied dat in de omgevingsverordening niet specifiek is aangemerkt met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden. Wel dienen de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten zoveel mogelijk behouden worden en waar mogelijk te worden versterkt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiervoor is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is onderbouwd en is uitgewerkt. Er is daarmee sprake van een goede landschappelijke inpassing ter plaatse die aansluit bij de kenmerken en waarden van het landschap in de omgeving. Er is daarmee sprake van een bijdrage aan de landschappelijke kwaliteit van het gebied.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018 van de provincie Zeeland.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Buitengebied in beweging: ontwikkelen met kwaliteit

De gemeente Schouwen-Duiveland heeft op 26 maart 2009 de structuurvisie Buitengebied in beweging: ontwikkelen met kwaliteit vastgesteld. In 2018 is de gemeente bezig geweest met het opstellen van een nieuwe omgevingsvisie voor het landelijk gebied, maar deze is wegens omstandigheden niet vastgesteld en daarmee niet van toepassing, waarmee het beleid uit de structuurvisie Buitengebied in beweging: ontwikkelen met kwaliteit nog steeds het geldende beleidskader biedt voor ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente. De visie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen. De visie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd.

Na een analyse van het buitengebied blijkt dat zowel inwoners als belangenorganisaties trots zijn op het buitengebied van de gemeente. Een belangrijk uitgangspunt in de visie is dan ook respect voor het bestaande landschap met al haar kwaliteiten. Dit betekent echter niet dat alles moet blijven zoals het is, want het buitengebied is immers een gebied waarin gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt en deze functies vragen om een ontwikkeling van het buitengebied. Trefwoorden in het ruimtelijke beleid vanuit de visie zijn dan ook ontwikkelen met kwaliteit en het benutten van kansen voor het verfraaien van het landschap en voor economische ontwikkeling.

Het beleid met betrekking tot de landbouw is met name gericht op een duurzame grondgebonden landbouw met goede economische perspectieven in evenwicht met het landschap, waarbij ondernemers zo veel mogelijk ruimte hebben om zelf de ontwikkelingsstrategie van het bedrijf te bepalen. Daarbij wordt gestreefd naar een verdere verduurzaming van de landbouw en een landbouw die in evenwicht is met een zo natuurlijk mogelijk watersysteem.

De grondgebonden landbouw zal de grootste drager zijn en blijven in het buitengebied en is beeldbepalend voor het landschap. Gezien het grote belang van de grondgebonden landbouw voor het bestaande landschap en de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het buitengebied is het beleid er met name op gericht om de grondgebonden landbouw te versterken. De grondgebonden landbouw is namelijk de belangrijkste beheerder van het landschap. Om een duurzaam landschapsbeheer door de grondgebonden landbouw in stand te houden wordt daarom de nodige ontwikkelingsruimte geboden aan de grondgebonden landbouw. Daartegenover staat dat de mogelijkheden voor de niet-grondgebonden landbouw, zoals bijvoorbeeld de intensieve veehouderij en glastuinbouw, beperkt zijn.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een ontwikkeling van en bij een grondgebonden agrarisch bedrijf. De voorgenomen ontwikkeling is nodig om het bedrijf, ook op langere termijn in stand te kunnen houden en om een bedrijfsopvolging te borgen. Hiermee wordt het duurzame landschapsbeheer dat het bedrijf van de initiatiefnemer verzorgt voor langere termijn geborgd. Daarnaast leidt de voorgenomen ontwikkeling tot een verdere optimalisatie van de routing en efficiëntie op het bedrijf. Daarmee wordt het bedrijfsproces verbeterd en kan meer rendement worden behaald uit hetzelfde geteelde goed. Dit betekent dat het grondgebruik niet toeneemt en daarmee de impact op het landschap zeer beperkt is. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed binnen de uitgangspunten uit de visie.

De ontwikkeling van de grondgebonden landbouw dient echter te worden afgestemd op het landschap. Daarom is bij nieuwe ontwikkelingen een goede landschappelijke inpassing van belang, zodat ook de grondgebonden ontwikkelingen goed in het landschap passen.

Zoals nader omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing, waarbij de uitgangspunten uit het Landschappelijk Raamwerk van de gemeente Schouwen-Duiveland in acht worden genomen. Daarmee is sprake van een goede landschappelijke inpassing van de ontwikkeling en is de impact op het landschap zeer beperkt. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee in de omgeving.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de structuurvisie Buitengebied in beweging: ontwikkelen met kwaliteit van de gemeente Schouwen-Duiveland.

3.3.2 Energie agenda Schouwen-Duiveland

in 2012 heeft het eiland Schouwen-Duiveland om willen gaan met de mondiale energie transitie die plaats vindt en bereidt zich mede op basis van de strategische visie ''Tij van de Toekomst'' voor op een toekomst waarin zij niet meer afhankelijk is van het gebruik van fossiele brandstoffen. Het doel is dan ook in 2040 energie neutraal te zijn. Energie uit de wind, water, zon en ook andere duurzame bronnen is in de plaats gekomen van energie uit gas en olie.

De energie-agenda Schouwen-Duiveland is opgesteld met de volgende vier hoofddoelstellingen:

  • In de energieagenda worden onze ambities op het gebied van energie, energiegebruik, energiebesparing en de omschakeling op duurzame energie vastgelegd.
  • Abstracte ambities worden concreet vertaalt in doelen, projecten en acties voor de komende vijf jaar. Werk maken van de ambities de zie hebben.
  • De verkenning uit 2016 leert ze dat toekomst van de energie zich moeilijk laat voorspellen. Doel van de agenda is daarom dat deze vooral dynamisch en flexibel is. Nieuwe ontwikkelingen en initiatieven houden we in de gaten en zijn inpasbaar. Dit zonder de stip op de horizon, energieneutraal in 2040 te verliezen.
  • De energieagenda inspireert en verbindt en vormt de basis om gezamenlijk (nog meer) werk te maken van de energietransitie op Schouwen-Duivenland. De energieagenda is een document door, voor en van de samenleving. De agenda levert een bijdrage aan de verdere bewustwording dat de energietransitie gevolgen zal hebben voor ons allemaal.

De volgende acties en activiteiten gericht op samenwerking en draagvlak verbreding worden in de periode 2018-2023 opgepakt.

  • Verbreden bekendheid bestaan en werkzaamheden coöperatie Energie Werkt.
  • Organiseren jaarlijkse energiemarkt
  • Opstellen plan van aanpak en communicatiestrategie gericht op het vergroten van de betrokkenheid van inwoners bij de energietransitie
  • Benaderen dorpsraden en inzetten op dorpsagenda's energie
  • Uitwerken thema recreatie, energiebesparing en duurzame energie. Betrekken van de sector.
  • Organiseren bijeenkomst denktank 3 maal per jaar.
  • Periodiek overleg Energiecoöperatie Schouwen-Duiveland Werkt
  • Organiseren eilandelijk debat over Ruimte en Energie in de periode 2018-2023

De gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar deze energieneutrale omgeving door deel energie te besparen, dit wordt gedaan door gebruik te maken van goede isolatie zoals het gebruik van vloer isolatie, dakisolatie, gevelisolatie en isolatie glas. Op deze manier wordt energie verbruik bespaard, tevens zal er een gasloos systeem worden geïmplementeerd wat past binnen de energie agenda van de gemeente. Daarnaast wordt er besproken over de mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen);
  • 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een wijziging van het bouwvlak bij een akkerbouwbedrijf. Ten aanzien van akkerbouwbedrijven zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 10 meter.
  • Stof: 10 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 10 meter.

Het dichtstbijzijnd gevoelig object, zijnde de burgerwoning aan de Stapelsweg 5, bevindt zich op een afstand van ongeveer 165 meter (gemeten van bouwvlak van de initiatiefnemer tot bestemmingsgrens van de woning). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving.

Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de verplaatsing van een bedrijfswoning. Een bedrijfswoning is een gevoelig object. Met de verplaatsing van de betreffende bedrijfswoning is sprake van het verplaatsen van een gevoelig object, waarbij dit gevoelig object mogelijk dichterbij mogelijk hinder veroorzakende functies komt te liggen. Het is daarbij van belang dat de te verplaatsen bedrijfswoning de omliggende bestemmingen en functies niet in de (ontwikkelings)mogelijkheden zal beperken.

Nabij de locatie (binnen 500 meter) zijn de volgende inrichtingen/functies gelegen:

  • Blooisedijk 21: Recreatieterrein (verblijfsrecreatie);
  • Blooisedijk 24: Agrarisch bedrijf (land- en tuinbouwbedrijf);
  • Stapelsweg 7: Agrarisch bedrijf (woonfunctie met mogelijkheden voor grondgebonden agrarisch bedrijf/paardenhouderij);
  • Stapelsweg 5: Burgerwoning;
  • Stapelsweg 1: Burgerwoning;
  • Stapelsweg 3: Agrarisch bedrijf met minicamping (land- en tuinbouwbedrijf met verblijfsrecreatie).

Blooisedijk 21:

Aan de Blooisedijk 21 te Zonnemaire is een recreatieterrein met mogelijkheden voor verblijfsrecreatie gelegen. Voor een dergelijke inrichting zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 30 meter.
  • Stof: 0 meter.
  • Geluid: 50 meter.
  • Gevaar: 30 meter.

De betreffende inrichting is gelegen op een afstand van ongeveer 330 meter (gemeten van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot de bestemmingsgrens van de betreffende inrichting). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal de betreffende inrichting niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

Blooisedijk 24:

Aan de Blooisedijk 24 te Zonnemaire is een land- en tuinbouwbedrijf gelegen. Ten aanzien van een dergelijke inrichting zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 10 meter.
  • Stof: 10 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 10 meter.

De betreffende inrichting is op een afstand van ongeveer 415 meter van de locatie gelegen (gemeten van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan de bouwstede van de betreffende inrichting). Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal de betreffende inrichting niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

Stapelsweg 7:

Aan de Stapelsweg 7 te Zonnemaire is een grondgebonden agrarisch bedrijf gevestigd. Echter is de locatie inmiddels als gebruik als woning met mogelijkheden voor grondgebonden agrarische activiteiten en mogelijk voor paardenhouderij. Er dient sprake te zijn van een grondgebonden bedrijfsvoering. Als wordt uitgegaan van de worst-case situatie dan kan deze inrichting voorzien in grondgebonden veehouderij. Voor een grondgebonden veehouderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 100 meter.
  • Stof: 30 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 0 meter.

De betreffende inrichting is gelegen op een afstand van ongeveer 360 meter van de locatie (gemeten van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot de bouwstede van de betreffende inrichting). Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal de betreffende inrichting niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

Stapelsweg 1 en 5:

Aan de Stapelsweg 1 en de Stapelsweg 5 te Zonnemaire zijn burgerwoningen gelegen. Burgerwoningen veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving en worden daarmee niet nadelig beperkt door het oprichten van gevoelige objecten. Daarnaast is de afstand tot de locatie van de initiatiefnemer dusdanig groot (ongeveer 165 meter van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot de bestemmingsgrens van de woning aan de Stapelsweg 5 en ongeveer 285 tot aan de bestemmingsgrens van de woning aan de Stapelsweg 1) dat de voorgenomen ontwikkeling geen invloed zal hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van de betreffende woningen.

Stapelsweg 3:

Aan de Stapelsweg 3 te Zonnemaire is een grondgebonden land- en tuinbouwbedrijf met daarbij een minicamping gelegen. Voor een land- en tuinbouwbedrijf zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 10 meter.
  • Stof: 10 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 10 meter.

Ten aanzien van een minicamping (verblijfsrecreatie) gelden vanuit de handreiking de volgende richtafstanden:

  • Geur: 30 meter.
  • Stof: 0 meter.
  • Geluid: 50 meter.
  • Gevaar: 30 meter.

De grootste richtafstand is daarmee 50 meter. De betreffende inrichting is (gemeten van het bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan de bouwstede van de betreffende inrichting) gelegen op een afstand van ongeveer 330 meter van de locatie. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee de betreffende inrichting niet in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden beperkt.

4.1.2 Geur

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.

De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een land- en tuinbouwbedrijf en de verplaatsing van een bedrijfswoning. Een land- en tuinbouwbedrijf en een bedrijfswoning veroorzaken geen onevenredige geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving.

Naast het feit dat een ontwikkeling geen onevenredige geurhinder aan de omgeving mag veroorzaken dient, wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten, te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfswoning verplaatst. Dit wordt milieutechnisch gezien als het oprichten van een (nieuw) gevoelig object.

In de ruime omgeving van de locatie (binnen 500 meter) zijn geen inrichtingen gelegen die een onevenredige geurhinder aan de omgeving veroorzaken. Er zijn immers geen (grote) veehouderijbedrijven gelegen in de omgeving. Het is daarmee aannemelijk dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur.

4.1.3 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting

In de ministeriële regeling wordt de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) NIBM verder uitgewerkt. Waar mogelijk worden getalsmatige grenzen gesteld aan de omvang van nieuwe projecten. Het gaat bijvoorbeeld om een maximum aantal nieuwe woningen, kantooroppervlakte en grootte van landbouwbedrijven. Een nieuw project dat binnen deze grenzen blijft, is per definitie NIBM. Als een nieuwe ontwikkeling buiten de grenzen van de ministeriële regeling valt, kan het bevoegde gezag berekeningen maken om alsnog aannemelijk te maken dat het project minder dan 1,2 µg/m³ bijdraagt aan de luchtvervuiling.

De regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen:

" Voorschrift 1B.1 (Landbouwinrichtingen)

Aangewezen ingevolge artikel 2, tweede lid, worden:

  • a. akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt;*
  • b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw;*
  • c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen;*
  • d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 0,7 hectare;
  • e. kinderboerderijen.

* al deze inrichtingen zijn NIBM, ongeacht de omvang van het bedrijf."

Een land- en tuinbouwbedrijf is in elk geval als 'niet in betekenende mate' (NIBM) aangemerkt. Hier valt onderhavig land- en tuinbouwbedrijf dus ook onder. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen

Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

4.1.3.3 Luchtkwaliteit ten aanzien van de locatie

Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage van de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden dient, wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten, te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfswoning verplaatst. Dit wordt op milieutechnisch gebied gezien als het oprichten van een gevoelig object.

Vanuit de landelijke wetgeving ten aanzien van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer de achtergrondconcentratie aan fijnstof en stikstofoxiden beiden niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedragen.

Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksintituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin ook de resultaten uit de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) zijn opgenomen, bedraagt de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse, zoals is weergegeven in de volgende figuren, ongeveer 16,1 µg/m³ en ongeveer 13,2 µg/m³. Dit is ruimschoots onder de norm van 40 µg/m³, waarmee ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0006.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof.
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0007.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof.
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

4.1.4 Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc..

Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:

  • Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg.
  • Woonwagenstandplaatsen.

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai

Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfswoning verplaatst. Op milieutechnisch vlak is daarmee sprake van het oprichten van een gevoelig object. Om aan te tonen of de geluidbelasting op de gevel de wettelijke norm zal overschrijden is een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woonbestemming zal voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Er zijn geen verdere procedures in het kader van de Wet geluidhinder nodig.

Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.

4.1.4.2 Industrielawaai

Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen.

Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.5 Woon- en leefklimaat

Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

4.1.5.1 Woon- en leefklimaat op de locatie

Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Hierbij dient te worden aangetoond of ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Op gebied van geur, fijnstof en geluid dient onderzocht te worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Geur" (paragraaf 4.1.2), "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) en "Geluid" (paragraaf 4.1.4) zal ten aanzien van de aspecten geur, luchtkwaliteit en geluid sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

4.1.5.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving

Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving.

Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

4.1.6 Externe veiligheid

Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.

In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.

4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen

Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0008.png"

Uitsnede Risicokaart.
Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO).

In de omgeving van de locatie zijn een aantal mogelijk risicovolle inrichtingen gelegen. Het betreft echter in alle gevallen bedrijven waarop een opslagtank voor propaan aanwezig is. Voor opslagtanks van propaan is geen invloedsgebied vastgesteld, maar geldt uitsluitend een plaatsgebonden risicocontour. Voor tank voor de opslag van propaan geldt, afhankelijk van de inhoud en grootte van de tank, een plaatsgebonden risicocontour van maximaal 25 meter.

De te verplaatsen bedrijfswoning zal niet binnen 25 meter van een van de propaantanks worden opgericht. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's ten aanzien van het plaatsgebonden risico.

4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water en/of buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.

De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen.

4.1.6.3 Groepsrisico

Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.

De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.

4.1.7 Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.

Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5740 (verkennend onderzoek) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat ter plaatse licht verhoogde waarden van verontreinigende stoffen zijn aangetroffen, maar dat deze niet boven het criterium voor vervolgonderzoek liggen en geen bedreiging vormen. Voor wat betreft asbest zijn geen verontreinigingen aangetroffen, waarmee het aannemelijk is dat de locatie niet verontreinigd is met asbest.

Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting.

Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.

4.1.8 Voortoets MER-beoordeling

Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:

  • 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten;
    of
  • 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

4.1.8.1 Omvang van het project

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in vormverandering van een bouwvlak bij een land- en tuinbouwbedrijf en de verplaatsing van een bedrijfswoning. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 2.000 woningen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen toename van het aantal woningen. Ook als de verplaatsing van een woning wordt gezien als een nieuwe woning dan is nog steeds geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarde. Tevens is een ontwikkeling, wanneer sprake is van nieuwe woningen, alleen m.e.r.-beoordelingsplichtig als sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht voor het verplaatsen van de bedrijfswoning.

Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.

De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Het aantal woningen zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.

Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.

4.1.8.2 Plaats van het project

De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.

4.1.8.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project

De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

4.2 Ecologie

Wet natuurbescherming kent soorten en gebiedsbescherming. Soorten gaat voor dier-en plantensoorten. gebiedsbescherming gaat over beschermende gebieden in berband met het behoud of versterken van bepaalde habitats. verlening van vergunning is hierbij mogelijk als de ontwikkeling effecten heeft op de beschermende natuurwaarden.

4.2.1 Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.

De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.

Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

4.2.1.1 Gebiedsbescherming

Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Grevelingen) is gelegen op een afstand van ongeveer 2,7 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0009.png"

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een activiteit die een uitstoot van ammoniak tot gevolg heeft. Er is immers geen sprake van een veehouderij. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2), niet in onevenredige mate toenemen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogde uitstoot van stikstof als gevolg van de bedrijfsvoering en/of de verkeersbewegingen.

Mogelijk komen tijdens de sloop en herbouw van de te verplaatsen bedrijfswoning stikstofoxiden vrij als gevolg van de gebruikte machines en materialen tijdens de werkzaamheden. Om te bepalen of deze werkzaamheden mogelijk tot nadelige effecten leiden op de betreffende gebieden is met het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening gemaakt van de te verwachten effecten van de werkzaamheden op de betreffende gebieden. Hierbij is uitgegaan van de worst-case situatie. De daadwerkelijke effecten in de praktijk zullen daarmee kleiner zijn dan de berekende effecten. Zoals blijkt uit de uitgevoerde berekening, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting, zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de betreffende gebieden.

Naast de uitstoot van ammoniak en/of stikstofoxiden zijn effecten als licht, geluid en/of trillingen mogelijk van invloed op de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen bedrijfsvoering vinden geen activiteiten plaats die structureel leiden tot lichthinder, geluidshinder en/of trillingen naar de omgeving. Mogelijk vinden tijdens de sloop en herbouw van de te verplaatsen bedrijfswoningen incidenteel situaties plaats met tijdelijke uitstraling van licht, geluid en/of trillingen. Echter zullen deze effecten op een afstand van ongeveer 2,7 kilometer niet merkbaar zijn in het betreffende gebied.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

4.2.1.2 Houtopstanden

Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

  • buiten de bebouwde kom-boswet liggen;
  • een oppervlakte hebben van 10 are of meer;
  • rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen;

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1.3 Soortenbescherming

De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.

  • Vogelrichtlijn:
    Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort).
  • Habitarichtlijn:
    Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Nationaal beschermde soorten:
    Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Zorplicht:
    Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren.

Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de verplaatsing van een bedrijfswoning. Daarbij wordt een nieuwe woning gebouwd en wordt de huidige, verouderde bedrijfswoning aan het gebruik als bedrijfswonig onttrokken. Op termijn zal deze eveneens worden gesloopt.

De nieuwe bedrijfswoning zal worden gebouwd op het huidige bestaande erf ter plaatse van de huidge waterbassins. Gezien het gebruik van de gronden ter plaatse voor agrarische activiteiten en voor de opslag van water dat regelmatig wordt gebruikt is het niet aannemelijk dat zich ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning beschermde soorten hebben gevestigd.

Vooralsnog is geen sprake van sloop van bebouwing waarin zich beschermde soorten hebben kunnen vestigen. Wanneer de verouderde huidige bedrijfswoning zal worden gesloopt zal voorafgaand aan de sloop van het pand een onderzoek naar mogelijk voorkomende soorten worden uitgevoerd.

Hiermee is het niet aannemelijk dat met de voorgenomen ontwikkeling (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten worden aangetast.

Om echter degelijk onderzocht te hebben of er sprake is van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten is door een ecologisch deskundige een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierbij is onderzocht of ter plaatse mogelijk beschermde soorten aanwezig zijn of kunnen zijn. Uit de uitgevoerde quickscan, waarvan de resultaten zijn opgenomen in het rapport dat als bijlage ... bij deze toelichting is gevoegd, blijkt het volgende:

"Op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten worden er van de (niet vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde planten- en/of diersoorten geen aantasting van groeiplaatsen, verblijfplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied verwacht op de ingreeplocatie. Bij de werkzaamheden geldt altijd de zorgplicht, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. De sloop van het huisje en de bouw van een nieuwe woning kan dan ook zonder gevolgen voor de Wet natuurbescherming plaats vinden."

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten worden aangetast.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies, die regels opnemen in het ruimtelijk beleid ter bescherming van het NNN. De provincie Zeeland heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). In het provinciale ruimtelijk beleid zijn regels opgenomen ter bescherming van het NNZ.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNZ gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNZ-gebied is direct aangrenzend aan het bouwvlak gelegen. De Blooisedijk is aangemerkt als NNN/NNZ-gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0010.png"

Uitsnede kaart NNN/NNZ.
Bron: Provincie Zeeland.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten. Met de voorgenomen ontwikkeling zal het bouwvlak aan de zijde van het NNN/NNZ-gebied worden verkleind. Aan de achterzijde, juist op grotere afstand van het NNN/NNZ-gebied, wordt het bouwvlak vervolgens uitgebreid. Deze wijziging van het bouwvlak is ten behoeve van de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning. Deze komt op een grotere afstand van het betreffende gebied te liggen. Daarmee zal de mogelijke invloed van het bedrijf op het betreffende gebied alleen maar afnemen.

Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van natuurlijke waarden van het NNN.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij

Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van de uitstoot van ammoniak. Er is immers geen sprake van een veehouderij. Omdat de uitstoot van ammoniak niet zal toenemen zal ook geen sprake zijn van een verhoogde ammoniakdepositie op de betreffende gebieden. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van Wav-gebieden in de omgeving.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Schouwen-Duiveland voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

De gemeente heeft de gebeiden waarin mogelijk archeologische waarden voorkomen opgenomen ni het geldende bestemmingsplan door middel van het toekennen van dubbelbestemmingen ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische resten. Ter plaatse van de locatie is geen dubbelbestemming voor archeologie toegekend, waarmee geen sprake is van een mogelijk archeologisch waardevol gebied. Nader onderzoek wordt daarmee niet noodzakelijk geacht.

Hiermee zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten worden geschaad.

4.3.2 Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00324BphZO404596-VA01_0011.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Zeeland.

De eerste bedrijfswoning van het bedrijf is aangemerkt als historisch pand, zijnde een MIP object (Monumenten Inventarisatie Project). Voor dergelijke panden gelden aanvullende regels voor het behoud van de historische waarden ervan. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen wijzigingen plaats aan het betreffende pand. De tweede bedrijfswoning wordt verplaatst. Deze is niet aangemerkt als waardevol of historisch pand. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op het betreffende waardevolle pand.

De Blooisedijk is aangemerkt als waardevolle infrastructuur. Dit omdat het een waardevolle dijk en een voormalige trambaan betreft. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen wijzigingen plaats aan de Blooisedijk. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling een deel van het bouwvlak aan de Blooisedijk worden verwijderd en worden verplaatst naar de achterzijde van het perceel. Tevens zal de te verplaatsen bedrijfswoning verder van de Blooisedijk worden geplaatst, waarmee de voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een verkleining van de eventuele invloed op de Blooisedijk. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige aantasting van de historische infrastructuur.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.3.3 Aardkundig waardevolle gebieden

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.

De locatie is niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.

4.4 Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Boogaardweg. De locatie is voorzien van inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een wijziging van het bouwvlak van het agrarisch bedrijf ten behoeve van de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning. Er is geen sprake van een wijziging in de bedrijfsvoering en er zal geen sprake zijn van een uitbreiding van het bedrijf. Het aantal verkeersbewegingen neemt daarmee niet toe in vergelijking met de huidige situatie. De activiteiten blijven immers gelijk, alleen zullen deze op een andere plek binnen het erf plaatsvinden.

Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.

4.5 Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.

De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Scheldestromen (hierna: het waterschap). Het waterschap stelt zichzelf de volgende taken:

  • Beheer van de buitenwegen in Zeeland;
  • De zorg voor schoon water in sloten en kreken; De zorg voor veiligheid van dijken;
  • Zorg voor voldoende water in sloten en kreken.

Bij het toetsen aan het aspect water hanteert het waterschap de volgende thema's:

  • Veiligheid waterkering: waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte;
  • Wateroverlast: bij de bouw dient voldoende hoog te worden gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen en het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden/bergen/afvoeren van water;
  • Riolering/RWZI: waarborging van optimale werking van RWZI's en gemeentelijke rioleringen en het afkoppelen van (schone) verharde oppervlakten in verband met de hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten;
  • Waterschapsobjecten: ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet beperken;
  • Volksgezondheid: minimaliseren van het risico op watergerelateerde ziekten en/of plagen en het voorkomen van verdrinkingsgevaar;
  • Bodemdaling: voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken;
  • Grondwateroverlast: het voorkomen en/of tegengaan van grondwateroverlast;
  • Oppervlaktewaterkwaliteit: het behoud en/of de realisatie van oppervlaktewaterkwaliteit en het vergroten van de veerkracht van het watersysteem;
  • Grondwaterkwaliteit: het behoud en/of de realisatie van de grondwaterkwaliteit;
  • Verdroging: bescherming van karakteristieke grondwater afhankelijke ecologische waarden;
  • Natte natuur: ontwikkeling en/of bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur;
  • Onderhoud waterlopen: het adequaat onderhouden van oppervlaktewateren;
  • Waterschapswegen: in stand houden van een goede bereikbaarheid en van wegen in onderhoud en beheer bij het waterschap.
4.5.1 Veiligheid waterkering

Een van de uitgangspunten uit het beleid van het waterschap ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen is dat waterkeringen niet mogen worden belemmerd om het veiligheidsniveau tegen water te waarborgen. Hierbij is het van belang of nabij het plangebied waterkeringen gelegen zijn die mogelijk nadelig beïnvloed kunnen worden met de voorgenomen ontwikkeling.

De Blooisedijk is een dijk met een waterkerende functie. Deze mag met de voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig worden belemmerd. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het ter plaatse toegekende agrarische bouwvlak gewijzigd om de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning naar de achterzijde van het erf mogelijk te maken. Daarbij wordt een deel van het agrarisch bouwvlak dat aan de Blooisedijk grenst verplaatst naar de achterzijde van het erf. Daarnaast zal de te verplaatsen bedrijfswoning verder van de Blooisedijk komen te liggen. Hiermee zal de invloed die het bedrijf mogelijk heeft op de waterkering alleen maar afnemen. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige aantasting van de betreffende waterkering.

4.5.2 Wateroverlast

Om wateroverlast te voorkomen dient bij de bouw voldoende hoog te worden gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Tevens dient voldoende ruimte te worden gereserveerd voor het vasthouden, het bergen en/of het afvoeren van water. Hierbij is de voorkeursvolgorde van het waterschap vasthouden - bergen - afvoeren. Om te bepalen of voldoende ruimte gereserveerd kan worden voor het vasthouden en/of bergen van water dient het plan nader bekeken te worden.

4.5.3 Voorgenomen activiteit

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een wijziging van het agrarisch bouwvlak ten behoeve van de verplaatsing van de tweede bedrijfswoning naar de achterzijde van het perceel. Er is daarbij geen sprake van een uitbreiding van het bedrijf.

De te verplaatsen woning zal op een vergelijkbare wijze worden teruggebouwd dan de huidige woning. Er zal daarbij nagenoeg geen sprake zijn van een toename van het verharde oppervlak.

Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap een buffer van 75 millimeter. Dat betekent dat de toename van het verhard oppervlak moet worden vermenigvuldigd met 0,075 om het aantal kubieke meter aan compenserende waterberging te berekenen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het nieuwe verhard oppervlak een totale grote van 250m³ bevatten, 0,0075mm*250m² = 18,75m³. Hier wordt extra waterberging gerealiseerd door de sloot voor het huis te voorzien van een natuurvriendelijke oever. de bestaande woning wordt gesloopt en wordt erf, dus daar is geen afname. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:

  • zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen;
  • duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast;

De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd.

Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

4.5.4 Compenserende waterberging

Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.3) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.

4.6 Duurzaamheid/Energie

Nederland werkt aan een energiesysteem waarbij nauwelijks nog CO2 vrij komt. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam en CO2-neutraal zijn. De regeringsleiders van de Europese Unie (EU) hebben in december 2020 afgesproken te streven naar een Europees CO2-reductiedoel van 55%. Een overgang naar een duurzame energievoorziening is belangrijk om klimaatverandering tegen te gaan. Ook zijn er in Nederland steeds minder fossiele brandstoffen, vooral aardgas, beschikbaar. En wil Nederland niet volledig afhankelijk zijn energie uit andere landen.

Zoals uitgewerkt in paragraaf 3.3 wil de initiatiefnemer een bijdrage leveren aan de gestelde doelen van de energie agenda die aansluit op de energie ambities van zowel Schouwen-Duivenland als Nederland.

Daarom wenst de initiatiefnemer gebruik te maken van goede isolatie zoals het gebruik van vloer isolatie, dakisolatie, gevelisolatie en isolatie glas. Op deze manier wordt energie verbruik bespaard, tevens zal er een gasloos systeem worden geïmplementeerd wat past binnen de energie agenda van de gemeente. Daarnaast wordt er besproken over de mogelijkheden voor het plaatsen van zonnepanelen.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.

Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:

" Artikel 6.2.1

Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:

  • a. de bouw van een of meer woningen;
  • b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
  • d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Schouwen-Duiveland. Verder zal ook eventuele planschade in een separate overeenkomst worden geregeld.

Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een partiële herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied" van gemeente Schouwen-Duiveland en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.3 Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen

6.1 Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:

  • 1. goede ruimtelijke ordening;
  • 2. uitvoerbaarheid.

Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.

Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en;
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:

  • 1. het bebouwen van de gronden;
  • 2. het verrichten van werken (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting

De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).

Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.

Bijlagen bij de toelichting:

Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.

Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels:
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald;
  • 2. Bestemmingsregels:
    In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
  • 3. Algemene regels:
    In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;
  • 4. Overgangs- en slotregels:
    In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

Bijlagen bij de planregels:

Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3 Voorliggend plan

Voorliggend wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming:

  • 'Agrarisch', waarbij de functie voor het uitvoeren van een agrarisch bedrijf wordt neergelegd.

Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden:

  • Het bouwvlak ter plaatse is van vorm veranderd. De oppervlakte neemt daarbij niet toe. Een en ander is weergegeven op de bij dit plan behorende verbeelding.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).