direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kernen Maasdonk, herziening Kerkstraat 16-18 Nuland
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voorliggende bestemmingsplan betreft het mogelijk maken van de bouw van een 5-tal patiowoningen op het achtergebied behorende bij de woningen gelegen aan de Kerkstraat 16-18 te Nuland. Gemeente Maasdonk heeft op basis van eerder afspraken besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de voorliggende ontwikkeling.

Een van de voorwaarden is het aanleveren van een goede ruimtelijke onderbouwing waarin de juridisch- planologische haalbaarheid van het initiatief wordt aangetoond.

Ook zal voor de onderhavige ontwikkeling een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer worden gesloten.

1.2 Wettelijk en formeel kader

Een bestemmingsplan moet evenals een omgevingsvergunning met planologische afwijking gebaseerd zijn op een goede ruimtelijke onderbouwing waarin alle relevante ruimtelijke, milieukundige en economische aspecten worden belicht. De onderhavige toelichting voorziet hierin.

1.3 Leeswijzer

Na het inleidende hoofdstuk 1 wordt in hoofdstuk 2 de voorgestane ontwikkeling toegelicht. Hoofdstuk 3 geeft het relevante beleid op rijks- , provinciaal en gemeentelijk nivo weer. In hoofdstuk 4 komen alle relevante ruimtelijke en milieuhygiënische deelaspecten aan bod zoals archeologie, geluid, lucht, flora en fauna etc. In hoofdstuk 5 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 2 Gebieds- en projectprofiel

2.1 Gebiedsprofiel

Het plangebied ligt in Nuland, gemeente Maasdonk, aan de Kerkstraat 16-18. De gemeente Maasdonk heeft een oppervlakte van 36,37 km2 en heeft ongeveer 11.200 inwoners. Maasdonk ligt in het noorden van Noord-Brabant tussen ’s-Hertogenbosch en Oss in. De kern Nuland ligt aan de noordwestelijke kant van het grondgebied van de gemeente Maasdonk.

Ontstaansgeschiedenis

De verschillende dorpen uit de gemeente Maasdonk bestaan sinds de periode tussen 1200 en 1300. Op 1 januari 1993 is de gemeente ontstaan doordat de dorpen Geffen, Nuland en uiteindelijk geheel Vinkel werden samengevoegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0001.png"

Luchtfoto Nuland (bron Google-earth)

Omgeving  

Het plangebied ligt aan de Kerkstraat. De Kerkstraat is één van de oude dorpslinten van Nuland en wordt gekarakteriseerd door vrijstaande bebouwing (overwegend bestaande uit woningen met één en twee lagen met kap en een dorpse uitstraling), op groene percelen en groene voortuinen. De locatie is gelegen in het hart van de oorspronkelijke dorpskern en kan als zodanig aangemerkt worden als een gewilde woonplek, vlakbij de belangrijkste winkelvoorziening (supermarkt). Het plangebied is gelegen tussen de kerk ten noorden van het plangebied en het dorpsplein ten zuiden van het plangebied.

Plangebied

De huidige bebouwing in het plangebied is karakteristiek te noemen: twee vrijstaande woningen met flinke oranje kappen, haaks gesitueerd op de straat. Met name de achterbouw van Kerkstraat 18 verkeert in zeer slechte staat, waardoor tot sloop van dit gedeelte zal worden overgegaan. Ook de schuur achter Kerkstraat 16 zal worden gesloopt. De beide woonhuizen aan de Kerkstraat blijven gehandhaafd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0002.png"

Bestaande woningen Kerkstraat 16 en 18 (bron: google-earth)

2.2 Projectprofiel

Ruimtelijk

Door het slopen van de aangebouwde (hoge) schuur achter de woning Kerkstraat 18 en het verwijderen van het bijgebouw achter woning Kerkstraat 16 ontstaat er een achterterrein waarop een 5-tal patiowoningen kunnen worden gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0003.png"

Invulling plangebied

De woningen zijn in massa ondergeschikt aan de bebouwing aan de Kerkstraat, maximaal 1 bouwlaag met kleine kap. Het woonprogramma bevindt zich op de begane grond, waardoor deze woningtypes bijzonder geschikt zijn voor senioren, een doelgroep die binnen het woonbeleid van de gemeente Maasdonk prioriteit geniet.

In stedenbouwkundig opzicht is een voorgesteld hofje in de luwte van woningen aan de Kerkstraat goed inpasbaar en versterkt het beschutte karakter van de patiowoningen. Door het spel van de kaprichtingen, haaks en langs, wordt een hofvorm gewaarborgd.

Functioneel

Het plan voorziet in een 5-tal patiowoningen, waarbij het woonprogramma volledig op de begane grond is gesitueerd. In de kaplaag kan nog een extra slaapruimte, hobbyzolder etc. worden gemaakt. De woningen zijn hierdoor bijzonder geschikt voor senioren (nultreden woning).

Verkeer en parkeren

Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Kerkstraat door middel van een in-/uitrit tussen Kerkstraat 16 en Kerkstraat 18 in. De wegbreedte bedraagt minimaal 5m. Het parkeren voor de woningen wordt volledig op eigen terrein opgelost (2 parkeerplaatsen per woning),waarbij uiteraard rekening wordt gehouden met benodigde draaicirkels en bochtstralen. Gelet op het erfkarakter van het binnengebied zal een ongeleed profiel worden toegepast. De auto is te gast. Ten aanzien van verlichting van het binnengebied is het uitgangspunt dat men personen op minimaal 4 meter kan herkennen. In het binnengebied zal worden voorzien in minimaal 4 lichtarmaturen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0004.png"

Globaal inrichtingsplan en profiel

Omdat het een zeer kleinschalige ontwikkeling betreft met name gericht op senioren, zal het aantal verkeersbewegingen van en naar het hof zeer gering zijn en met name ook overdag plaatsvinden. Eventuele hinder door autoverlichting (koplampen) op de tegenover de uitrit gelegen bebouwing kan dan ook in dat kader als aanvaardbaar beschouwd worden. Op deze wijze wordt een bijzonder en nieuw woonmilieu toegevoegd aan de kern van Nuland.

2.3 Beeldkwaliteit

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0005.png"

Beoogde beeldkwaliteit

De voorliggende locatie is gelegen aan de Kerkstraat, een oud lint, waaraan, zoals reeds in paragraaf 2.1 vermeld, een grote diversiteit aan bebouwingselementen zijn gesitueerd. De Kerkstraat is in de welstandsnota van de gemeente Maasdonk aangeduid als niveau 1, historisch dorpsgebied.

Voor een nadere omschrijving van de welstandseisen behorende bij het centrale dorpslint van Nuland wordt volstaan met een verwijzing naar de welstandsnota (2004). Het ontwerp en de uitstraling van de woningen kan betiteld worden als eenvoudig en helder. In materiaalgebruik wordt aangesloten bij de karakteristiek van het oude lint, traditioneel en herkenbaar, baksteen, gebakken pan en houten kozijnen. In kleurgebruik wordt een lichte sfeer voorgestaan, zodat het hofje uitnodigt om te verblijven. De positionering van de gevelopeningen is zodanig dat steeds contact wordt gemaakt met het hofje en de Kerkstraat.

Het plan is beoordeeld door welstand en akkoord bevonden.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 SVIR

De SVIR geeft de hoofdlijnen aan van het nationaal ruimtelijke beleid voor de komende decennia. Uitgegaan wordt van een dynamisch, op ontwikkeling gericht ruimtelijk beleid en een heldere verdeling van verantwoordelijkheden tussen het Rijk en de decentrale overheden. Hiermee keert het beleid terug naar de eigenlijke uitgangspunten van het ruimtelijk rijksbeleid en verschuift het accent van ordening naar ontwikkeling.

De SVIR is een integrale nota en brengt zo veel mogelijk rijksbeleid voor ruimtelijke onderwerpen in één nota en vervangt hiermee diverse Planologische Kernbeslissingen (PKB) en ruimtelijk relevante rijksnota's. De hierin vervatte ruimtelijke strategie wordt wat betreft verkeer en vervoer uitgewerkt in de separate PKB NotaMobiliteit. De economische, ecologische en sociaal-culturele aspecten worden nader uitgewerkt in respectievelijk de Gebiedsgerichte Economische Perspectieven en het Actieplan Bedrijventerreinen, het actieprogramma voor ruimte en cultuur en de Agenda Vitaal Platteland en het daarbij behorende Meerjarenprogramma Groene Ruimte.

In het nationaal ruimtelijk beleid richt het kabinet zich op:

  • Versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland;
  • Bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland;
  • Borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden;
  • Borging van de veiligheid.

In de SVIR wordt meer verantwoordelijkheid gegeven aan de decentrale overheden. Voor geheel Nederland is een basiskwaliteit geformuleerd waaraan voldaan moet worden. Een verdere verfijning wordt overgelaten aan de decentrale bestuurslagen. De gebieden en netwerken die het kabinet van nationaal belang acht zijn bestemd als Ruimtelijke Hoofdstructuur. In deze gebieden wil het Rijk een nadrukkelijke rol vervullen. De gebieden en netwerken uit de Ruimtelijke Hoofdstructuur zijn voor de ruimtelijke structuur en het functioneren van Nederland van grote betekenis. Voor deze gebieden draagt het Rijk dan ook in het algemeen een grotere verantwoordelijkheid. Het plangebied valt volgens de SVIR in het gebiedsgericht beleid.

Conclusie

Het project voorziet in de bouw van 5 patiowoningen op een binnenterrein. Hierdoor wordt een vitaal platteland bevordert. Dit past binnen de kaders van het SVIR.

3.1.2 Waterwet

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet zijn 8 wetten samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussenwaterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet van de waterschappen bestaan. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning.

Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wm bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het gezag van de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de rijkswateren).

Conclusie 

Op het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Het plan betreft weliswaar een toename in verharding, maar er zullen geen directe lozingen plaatsvinden. Onderhavig plan is daarmee niet in strijd met de Waterwet. In paragraaf 4.9 wordt dit nader toegelicht.

3.1.3 Natuurbeschermingswet (1998)

Nederland heeft sinds 1998 een nieuwe natuurbeschermingswet, die zich alleen richt op de bescherming van gebieden. De verplichtingen die voortkomen uit Europese regelgeving ten aanzien van de bescherming van soorten zijn opgenomen in de Flora- en faunawet. De gebieden die door de wet worden beschermd zijn de Habitat- en Vogelrichtlijn gebieden, aangevuld met de vroegere Beschermde- en Staatsnatuurmonumenten.

Conclusie

Het voorliggende plangebied valt niet onder de Habitat- en Vogelrichtlijn gebieden, of de vroegere beschermde- en natuurmonumenten. De Natuurbeschermingswet vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige project (zie ook paragraaf 4.3).

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ontwikkeling Noord- Brabant

De provincie heeft in 2010 de Structuurvisie Ruimtelijke Ontwikkeling Noord- Brabant vastgesteld. Deze komt in de plaats van de interim–structuurvisie, de paraplunota, de uitwerkingsplannen en het ruimtelijk beleidsdeel van de reconstructieplannen. In paragraaf 3.8 van de structuurvisie is het beleid met betrekking tot de concentratie van verstedelijking geformuleerd:

De provincie vindt het belangrijk dat er in Noord-Brabant verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied. De provincie wil dat er verschillende kwaliteiten worden ontwikkeld voor wonen en werken rond de steden en in het landelijk gebied. Om zo bij te dragen aan een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat ter versterking van de kenniseconomie in Brabant. De fysieke leefomgeving levert eenbijdrage aan de gezondheid, bijvoorbeeld door goed toegankelijke voorzieningen, een groene leefomgeving, water, een veilige infrastructuur en biedt ruimte voor vrijetijdsbesteding.

In het landelijk gebied bieden vitale kernen landelijke en meer kleinschalige woon- en werkmilieus. Ontwikkelingen voor wonen, werken en voorzieningen zijn gericht op de eigen behoefte. Voor de opvang van de woningbouwbehoefte geldt het principe van bouwen voor migratiesaldo-nul. Om de leefomgeving aantrekkelijk te houden,verplaatsen bedrijven die hier qua aard, schaal en functie niet meer bij passen naar werklocaties rond de steden. Leefbaarheid is een belangrijk aandachtspunt. Samen met de bewoners wordt gezocht naar mogelijkheden om gemeenschappelijke voorzieningen voor de kernen te behouden.

Conclusie Structuurvisie ruimtelijke ontwikkeling Noord- Brabant

Voorliggende ontwikkeling past in de provinciale visie ten aanzien van verstedelijking in het landelijk gebied. Het plan voorziet in de woningbouwbehoefte van Maasdonk en zorgt voor versterking van de leefbaarheid van de kern Nuland.

3.2.2 Partiële herziening structuurvisie ruimtelijke ontwikkeling Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft in februari 2014 de 'Structuurvisie Ruimtelijke ontwikkeling, Partiële herziening' vastgesteld. Deze partiële herziening richt zich alleen op het verwerken van besluitvorming die op provinciaal niveau al heeft plaatsgehad. De grootste wijzigingen ten opzichte van de vigerende provinciale structuurvisie hebben te maken met ‘De transitie van stad en platteland, een nieuwe koers’ en met ‘Brabant als onderdeel van de top van de Europese kennis- en innovatieregio’. De provincie wil, meer dan voorheen, het denken en handelen van burgers en ondernemers vertrekpunt laten zijn voor ontwikkelingen. De overheid stuurt daarbij vanuit een heldere visie op randvoorwaarden, die burgers, ondernemers en hun organisaties invullen en realiseren. Maatschappelijke participatie wordt de focus, de overheid neemt het oplossen van maatschappelijke problemen niet over, maar ondersteunt deze. De provincie daagt burgers en ondernemers uit om bij te dragen aan een vitaal Brabant. Een onderdeel hiervan is de transitie naar een zorgvuldige veehouderij. Voor een top kennis- en innovatieregio op Europees niveau is onder andere een sterke agglomeratiekracht nodig. De provincie wil zich daarom meer gaan richten op het versterken van het stedelijk netwerk in Brabant (samen met alle overige betrokken partijen).

Conclusie structuurvisie ruimtelijke ontwikkeling, partiële herziening Noord-Brabant

De aanpassingen aan de vigerende provinciale structuurvisie hebben geen invloed op voorliggende ontwikkeling. De conclusie die gesteld is op basis van de vigerende provinciale structuurvisie blijft ook bij inwerkingtreding van de provinciale structuurvisie onverkort van toepassing.

3.2.3 Verordening ruimte 2012

Met ingang van 1 juni 2012 is de Verordening Ruimte 2012 in werking getreden. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:

  • ruimtelijke kwaliteit;
  • stedelijke ontwikkelingen;
  • natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
  • agrarische ontwikkelingen, waaronder de intensieve veehouderij;
  • overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.

Op de kaartlaag Stedelijke Ontwikkeling die bij deze verordening hoort, is het bestaand stedelijk gebied aangegeven. Zie onderstaande uitsnede van de verbeelding met daarop een gedeelte Nuland. De projectlocatie is gelegen in het stedelijk concentratiegebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0006.png"

Kaartlaag stedelijke ontwikkeling. Verordening Ruimte 2012

Binnen het als zodanig aangewezen stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij – binnen de grenzen van andere wetgeving – om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. Wel bevat de Verordening ruimte specifieke regels voor nieuwbouw van woningen (artikel 3.5) en aan te leggen of uit te breiden bedrijventerreinen en kantorenlocaties (artikel 3.6), regels voor bestaande bedrijventerreinen en kantorenlocaties (artikel 3.7) en regels voor bestaande en nieuw te vestigen bedrijven in kernen in landelijk gebied (artikel 3.8).

Op de kaartlaag Water is te zien dat het plangebied valt onder beschermingszone waterwingebied , 100 jaarszone-zeer kwetsbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0007.png"

Kaartlaag Water. Verordening Ruimte 2012 

De 25- en 100-jaarszone ligt als een ‘schil’ om het waterwingebied heen. Voor de 25- en 100-jaarszone is de bescherming afhankelijk van de kwetsbaarheid (kwetsbaar of zeer kwetsbaar) van de winning. In de zeer kwetsbare 25-jaarszones en in de zeer kwetsbare 100-jaarszones geldt dat stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijke gebied, zoals nieuwe woonwijken of bedrijventerreinen, is uitgesloten. Dit is ook het geval voor die gebieden waar deze verordening een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling of een gebied integratie stad – land aanwijst. Vooralsnog wordt het aan de gemeente overgelaten op welke wijze zij vorm geeft aan het vereiste van voorrangvoor de grondwaterbescherming. Daarnaast zijn er diverse ruimtelijke ontwikkelingen uitgesloten zoals die ten behoeve van intensieve veehouderij, glastuinbouw, nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf en recreatiecomplexen.

Tenslotte geldt als vangnetbepaling voor alle 25- en 100-jaarszones een verantwoordingsplicht: uit de verantwoording bij het bestemmingsplan moet blijken dat er een zorgvuldige afweging heeft plaatsgevonden en dat de risico’s voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen.

Conclusie Verordening Ruimte 2012

Uit het voorgaande blijkt dat het provinciaal beleid conform artikel 3.5 ruimte laat voor de bouw van 5 patiowoningen specifiek gericht op senioren op een binnengebied. Ten aanzien van het aspect water geldt dat de voorgestane ontwikkeling geen uitbreiding buiten het bestaand stedelijk gebied betreft. Voorts wordt verwezen naar paragraaf 4.10.

3.2.4 Verordening Ruimte 2014

De provincie Noord-Brabant heeft net als voor de structuurvisie ruimtelijke ontwikkeling Noord-Brabant een herziene versie van de Verordening Ruimte 2012 vastgesteld. De Verordening Ruimte 2014 is een verscherpte versie van de vigerende Verordening Ruimte 2012. Zo is met name de structuur/opbouw van de regels aangepast (gebruiksvriendelijker), is er een integrale kaartlaag van toepassing en zijn er veranderingen doorgevoerd met betrekking tot veehouderijen en mestverwerking. Verder zijn de regels m.b.t. water minder strikt opgenomen, dit betekent echter niet dat hiermee geen rekening meer gehouden hoeft te worden. De Provinciale Milieu Verordening die doorvertaald was in de Verordening Ruimte 2012 is nog steeds onverkort van toepassing.

Uit onderstaande uitsnede (www.ruimtelijkeplannen.nl) blijkt dat de locatie voor voorgestane ontwikkeling nog steeds binnen het bestaand stedelijk gebied valt. De regels m.b.t. nieuwbouw van woningen in het bestaand stedelijk gebied zijn ongewijzigd ten opzichte van de regels zoals in de Verordening Ruimte 2012. Gewijzigd is wel de regeling met betrekking tot bevordering van ruimtelijke kwaliteit. Dit geldt niet alleen meer voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving en laat zien dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt voor ruimtelijke ontwikkelingen in ieder geval in dat uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag slechts is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden en ingeval van stedelijke ontwikkeling moet aangegeven worden dat toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Ten behoeve van het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de toelichting bij een bestemmingsplan een verantwoording waaruit blijkt dat:

  • in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden;
  • de omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, de omvang van de bebouwing en de beoogde functie, past in de omgeving gelet op de bestaande en toekomstige functies in de omgeving en de effecten die de ontwikkeling op die functies heeft;
  • een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer is verzekerd, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, inclusief openbaar vervoer, een en ander onder onverminderd hetgeen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en elders in deze verordening is bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0008.png"

Integrale kaartlaag: Verordening Ruimte 2014

Conclusie Verordening Ruimte 2014

Geconcludeerd kan worden dat de hierboven gestelde conclusie inzake de Verordening Ruimte 2012 in relatie tot onderhavige ontwikkeling, zij het op basis van andere artikelen, nog steeds van toepassing is. Daarnaast wordt bij deze ontwikkeling alsmede in dit bestemmingsplan ook gevolg gegeven aan de in de VerordeningRuimte 2014 aanvullend opgenomen regels met betrekking tot bevordering van de ruimtelijke kwaliteit.

3.2.5 Provinciaal waterplan Noord-Brabant 2010-2015

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0009.png"

Waterhuishoudkundige functie (provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015)

In het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015 heeft het plangebied een waterhuishoudkundige functie. De ruimtelijke begrenzing van deze functie komt overeen met de aanduidingen 'Stedelijk concentratiegebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het waterbeheer in deze gebieden richt zich op zodanige realisatie van de gewenste woon- en werkomstandigheden dat de waterhuishouding zoveel mogelijk bijdraagt aan de instandhouding en mogelijk verbetering van de grotere watersystemen waarvan het betreffende bebouwde gebied deel uitmaakt. Dit betekent, dat:

  • Ontkoppeling van de afvoer van neerslag en afvalwater zodanig wordt uitgevoerd dat wateroverlast de veiligheid en het wooncomfort niet bedreigt, dus: maximaal afkoppelen en niet aankoppelen, zowel voor nieuwbouw als voor bestaand bebouwd gebied, uiteraard binnen de grenzen van doelmatigheid.
  • Inrichting van het lokale watersysteem bijdraagt aan synergie tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit, beleving van water in de stad, duurzaamheid en klimaatbestendigheid.

Conclusie

Voorliggende planontwikkeling betreft het oprichten van een 5-tal patiowoningen op een binnengebied. Voor de uitwerking van de waterhuishouding wordt verwezen naar paragraaf 4.10.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Geldend bestemmingsplan

Het plangebied valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan Kernen Maasdonk-Nuland (goedgekeurd 26 april 2006) en heeft de bestemming wonen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0011.png"

Uitsnede en legenda vigerend bestemmingsplan Maasdonk, kernen-Nuland

Conclusie

Het voorliggende plan betreft het bouwen van een 5-tal wooneenheden, gedeeltelijk buiten het bouwvlak en past derhalve niet binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan.

3.3.2 Volkshuisvestelijk beleid

Ten aanzien van het volkshuisvestelijk beleid dient het voorliggende initiatief met name in relatie gebracht te worden met de notitie meerjarenprogramma woningbouw voor gemeente Maasdonk. In deze notitie worden een 5-tal uitgangspunten vermeld op basis waarvan het woningprogramma in Maasdonk de komende jaren moet worden uitgewerkt en gerealiseerd.

In de uitgangspunten wordt onder andere het navolgende gesteld:

  • Ook de huisvesting van senioren moet aandacht blijven krijgen. Dit geldt op dit moment met name voor Nuland en Vinkel. Het gaat om de bouw van zgn. nultredenwoningen.
  • Beleid moet blijven dat nieuw te bouwen woningen zoveel als mogelijk geschikt zijn voor de huisvesting van senioren, dan wel daarvoor gemakkelijk geschikt gemaakt kunnen worden. Seniorenwoningen kunnen dicht bij de voorzieningen in het dorp gebouwd worden, maar kunnen ook elders gebouwd worden.
  • Woningen kunnen niet alleen in de Pelgrimsche Hoeve en Vinkelse Slagen, maar zeer zeker ook in het centrumgebied gebouwd worden.

In deze notitie wordt met een seniorenwoning een woning bedoeld voor mensen van 55 jaar en ouder met meerwaarde voor zelfstandig wonen in geval van (toekomstige) hulpbehoevendheid. Een nultredenwoning is een woning die zonder trappen van buiten af bereikbaar is en waarbij de zogenoemde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden.

Conclusie volkshuisvestelijk beleid

Voorliggende ontwikkeling betreft een 5-tal patiowoningen in het centrum van Nuland. In dit woningtype zijn alle woonfuncties op de begane grond gesitueerd (zogenaamde nultreden woning) en maakt deze woning dus uitermate geschikt voor de oudere doelgroep. Bovendien is de ligging van de locatie bijzonder gunstig, namelijk in de nabijheid van centrumvoorzieningen (supermarkt, zorg). Tot slot is de beschermde en besloten ligging van de nieuwe wooneenheden een positief aspect in de wijze waarop ouderen willen wonen.

Geconcludeerd kan worden dat de voorliggende ontwikkeling past binnen de door de gemeente Maasdonk gehanteerde uitgangspunten ten aanzien van het meerjaren woningbouwprogramma. Omdat het een ontwikkeling betreft van hele beperkte omvang zal er geen concurrentie ontstaan met de grotere woningbouwlocatie(s) in Nuland.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten

4.1 Inleiding

Hoewel onderhavige ontwikkeling ogenschijnlijk kleinschalig is, is het bij elke ruimtelijke ingreep noodzakelijk om in beeld te brengen hoe deze van invloed is op een aantal omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt per (relevant) aspect bezien wat deze invloed is en in hoeverre dat acceptabel is dan wel binnen de daarvoor bepaalde wet- en regelgeving past.

De volgende omgevingsaspecten worden achtereenvolgens behandeld:

  • archeologie en cultuurhistorie;
  • flora en fauna;
  • bodem;
  • geluid;
  • luchtkwaliteit;
  • kabels en leidingen;
  • bedrijven en milieuzonering;
  • externe veiligheid;
  • water.

Per omgevingsaspect zal geconcludeerd worden wat de impact van het thema is op de voorgestane ontwikkeling.

4.2 Cultuurhistorie en archeologie

4.2.1 Cultuurhistorie

Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied archeologische en cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is.

Conclusie

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2006 van de provincie Noord-Brabant staat de Kerkstraat aangeduid als geografische lijn met een hoge cultuurhistorische waarde. Het realiseren van een 5-tal woningen achter bestaande bebouwing aan de Kerkstraat doet geen afbreuk aan de waarde van de Kerkstraat als belangrijke geografische lijn.

4.2.2 Archeologie

De Wet op de Archeologische Monumentenzorg beoogt het culturele en archeologische erfgoed te beschermen. In deze wet wordt de eigen rol van de overheden officieel bekrachtigd. Gemeenten moeten rekening houden met archeologie bij nieuwe bestemmingsplannen. De uitgangspunten van de wet zijn:

  • Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is;
  • De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren;
  • Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen.

De kosten voor noodzakelijke archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer.

Door de gemeente Maasdonk is een waarden- en verwachtingenkaart gemaakt ten aanzien van de archeologische waarden. Voor het onderhavige plangebied is de verwachting onbekend. De gemeentelijke erfgoedverordening stelt vervolgens in hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische terreinen, artikel 16, lid 2 sub a. dat indien het om een gebied gaat met onbekende archeologische verwachtingswaarde, waarbij de bodem dieper wordt verstoord dan 50 cm onder de oppervlakte en het te verstoren gebied groter is dan 250 m², het gebied niet verstoort mag worden.

Voorliggende ontwikkeling betreft een plangebied waarvan de oppervlakte groter is dan de toegestane 250 m², waardoor aanvullend archeologisch onderzoek is derhalve noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1671.BPKM2014DN000096-01VA_0012.png"

Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart gemeente Maasdonk

Door Econsultancy.nl is een archeologisch buro-onderzoek gedaan en een verkennend booronderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de bouw van 5 patiowoningen. Het plangebied is gelegen aan de Kerkstraat 16 en 18 te Nuland in de gemeente Maasdonk. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren.

Doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden, om daarmee een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen, en is erop gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Tevens is het bedoeld om kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek en kansarme zones ervan uit te sluiten. Ook wordt gelet op het voorkomen van (diepe) verstoringen van het bodemprofiel. Indien de ondergrond tot grote diepte verstoord is, zullen eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk verdwenen zijn. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek en/of planaanpassing noodzakelijk is.

Gespecificeerde archeologische verwachting

De archeologische verwachting voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum is laag, voor het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd middelhoog en voor de periode Middeleeuwen - Nieuwe tijd hoog.

Resultaten inventariserend veldonderzoek 

Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat over het algemeen de bodemopbouw bestaat uit een ophogingslaag van 20-50 cm dikte, bestaande uit donker grijsbruin, zwak humeus, zwak baksteenhoudend zand. Hieronder bevindt zich een gemiddeld 80 cm dik esdek, bestaande uit donker grijsbruin, zwak humeus zand. Onder het esdek ligt de C-horizont bestaande uit matig fijn, zwak siltig, geel zand.

Conclusie 

Onder de ophogingslaag ligt in het grootste deel van het plangebied een intact esdek. De aangetroffen verstoringen zijn van dien aard dat de archeologische verwachting zoals deze in het bureauonderzoek is opgesteld gehandhaafd blijft.

Selectieadvies 

Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P) of de graafwerkzaamheden archeologisch te laten begeleiden, volgens protocol opgraven. Bij de sloop van de bestaande opstallen wordt geadviseerd de funderingen met zo min mogelijk bodemverstoringen te verwijderen.

Het selectie-advies zal worden overgenomen en voor de locatie wordt een programma van eisen opgesteld ten behoeve van nader onderzoek. Het volledige Archeologishe bureau- en verkennend booronderzoek is als Bijlage 1 bijgevoegd.

Samenvatting Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Ter plaatse van het plangebied is een proefsleuvenonderzoek met doorstart naar een opgraving uitgevoerd voor de Kerkstraat 16 en 18 te Nuland in de gemeente Maasdonk. In het plangebied zullen 5 patiowoningen worden gerealiseerd. Het archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om te bepalen of er een gerede kans is dat archeologische waarden wel of niet aanwezig (kunnen) zijn in de ondergrond, die door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast/verloren kunnen gaan. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische MonumentenZorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren. Doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals vermeld in het bureau- en booronderzoek (Bijlage 1). Het gaat om gebied- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en /of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het resultaat van een proefsleuvenonderzoek is een rapport met een waardering en een inhoudelijk (selectie-)advies (buiten normen van tijd en geld), aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (een selectiebesluit) kan worden genomen. Dit betekent dat de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop deze beslissing gefundeerd genomen kan worden, dat wil zeggen dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vast-

gesteld.

 

De archeologische verwachting voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum is laag, voor het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd middelhoog en voor de periode Middeleeuwen - Nieuwe tijd hoog.

 

Tijdens het veldwerk was er geen reden om van de onderzoeksmethodiek af te wijken zoals beschreven in het PvE. In totaal zijn er twee proefsleuven gegraven van 20 x 4 m met een totale oppervlakte van circa 160 m². Beide proefsleuven zijn in de top van de C-horizont aangelegd.

 

In de twee proefsleuven zijn voornamelijk kuilen aangetroffen die in verband met zandwinning kunnen worden gebracht. Na de zandwinning zijn enkele kuilen gebruikt als afvalkuil. In deze afvalkuilen is materiaal aangetroffen, waarvan het jongste materiaal 19e-eeuws is. De zandwinningskuilen kunnen daarom grofweg gedateerd worden in de 19e eeuw.

 

Uit de waardering volgens door de KNA voorgeschreven wijze blijkt dat de vindplaats die is aangetroffen qua fysieke kwaliteit behoudenswaardig is, maar dat de inhoudelijke kwaliteit dusdanig laag is dat vervolgonderzoek niet zinvol is. Geadviseert wordt derhalve om het plangebied vrij te geven voor de verdere ontwikkeling. Tijdens het veldwerk is contact gezocht met de adviseur van de bevoegde overheid, drs. A.M. Visser van Monumentenhuis Brabant. Besloten is om geen doorstart naar een opgraving uit te voeren en het plangebied vrij te geven.

 

Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 53 van de monumentenwet 1988. Melding van archeologische waarden kan plaatsvinden bij het Ministerie van OCW (Infodesk van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, telefoonnummer 033-4217456), de gemeente Maasdonk of de provincie Noord-Brabant.

De rapportage van het Archeologisch proefsleuvenonderzoek is opgenomen als Bijlage 2 bij deze toelichting.

4.3 Flora en fauna

Om de Europese biodiversiteit te behouden en te herstellen wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een groot Europees netwerk van beschermde natuurgebieden (‘Natura 2000’). Om dit te bereiken zijn onder meer de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) opgesteld. Op basis van deze Europese richtlijnen zijn alle lidstaten, dus ook Nederland, verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen. Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van een Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of andere aan deze richtlijn onderhevige gebieden en is daarom niet van een nadelige invloed hierop.

Flora- en faunawet 

Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn moet tevens een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantsoorten worden beschermd. Deze soortenbescherming is in Nederland geïmplementeerd in de Flora- enfaunawet. Als gevolg van het in werking treden van de Flora- en faunawet heeft de natuurtoets een zwaarder karakter gekregen in de ruimtelijke ordening. De Flora- en faunawet schrijft voor dat bij ruimtelijke ingrepen geen schade toegebracht mag worden aan beschermde dier- en plantensoorten.

Planten

Beschermde planten worden niet aangetroffen. Het huidige bouwblok is geen geschikte leefomgeving voor (strikter) beschermde soorten. Geschikte habitats zoals oude vochtige muren, of andere specifieke standplaatsen zijn er niet, zodat de aanwezigheid van beschermde planten kan worden uitgesloten.

Grondgebonden zoogdieren 

Het bestaande woonhuis is ontoegankelijk voor grondgebonden zoogdieren. De verhardingen en het gazon is géén leefomgeving voor strikter beschermde grondgebonden zoogdieren, zodat deze met zekerheid uitgesloten kunnen worden.

Vleermuizen 

De te slopen gedeelten van het woonhuis is voor vleermuizen ontoegankelijk en ongeschikt. Spouwmuren zijn niet voorzien van geschikte openingen. Timmerwerk van het dak sluit nauw aan op de gevel, zodat dit eveneens ontoegankelijk was. De dakpannen sluiten goed op elkaar aan en zijn eveneens ontoegankelijk. De aanwezigheid van vleermuizen in het achterste schuurgedeelte van het woonhuis kan met zekerheid worden uitgesloten. De nieuwbouw heeft daarnaast géén effect op eventueel aanwezige foeragerende dieren in deomgeving.

Vogels 

Ook voor vogels zijn de te slopen panden ontoegankelijk en dus ongeschikt. De aanwezigheid van vogels in de bebouwing kan met zekerheid worden uitgesloten. In de randbeplantingen/ jonge bomen worden algemene broedvogels verwacht van tuinen en parken zoals merel, zanglijster en roodborst. Het betreft allen uiterst algemene soorten uit categorie 5. Van deze soorten zijn in gebruik zijnde nesten in het broedseizoen beschermd. Alléén in specifieke omstandigheden, waarbij geen alternatieven kunnen worden gevonden zijn deze soorten jaarrond beschermd. Op het plangebied / de plannen is dit niet aan de orde.

Overige soortgroepen 

Voor de overige door de Flora- en faunawet beschermde soortgroepen ontbreekt geschikt leefgebied.

Conclusie 

De te slopen delen van beide woonhuizen zijn ontoegankelijk voor beschermde soorten. Door dit gegeven kan de aanwezigheid van strikter beschermde soorten in de bebouwing met zekerheid worden uitgesloten. Overige delen van het toekomstige bouwblok zijn eveneens geen leefomgeving voor strikter beschermde soorten. In randbeplantingen in de nabijheid van het toekomstige bouwblok worden algemene broedvogels verwacht van parken en tuinen.

Op basis van deze toetsing wordt aanbevolen tijdens de sloopwerkzaamheden en de bouwwerkzaamheden rekening te houden met eventueel broedende vogels. Door te werken buiten het broedseizoen is dit eenvoudig te voorkomen: periode augustus t/m half maart. Werken in het broedseizoen is mogelijk als men voorkomt dat vogels in de nabijheid van de werkzaamheden tot broeden komen. Door te starten vóór het broedseizoen en de werkzaamheden met een maximale tussenpoos van één week uit te voeren zullen vogels de directe omgeving mijden.

4.4 Bodem

Voor de voorliggende locatie is door Terra Milieu een bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5725. Voor de uitvoer van het bodemonderzoek is een vooronderzoekconform NEN 5725 uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek is de onderzoeksstrategie bepaald. De locatie heeft een oppervlakte van ca. 1.500 m² en is in gebruik voor woondoeleinden.

Naar aanleiding van de geplande nieuwbouw is de locatie onderzocht. Het doel van het onderzoek is om aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. Tijdens het verkennend bodemonderzoek is de volgende onderzoeksstrategie gehanteerd; Strategie voor een onverdachte locatie (ONV).

Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de grond een verhoogde waarde aan minerale olie en in het grondwater een verhoogde waarde aan koper wordt aangetroffen. De locatie kan daarom niet meer als onverdacht worden beschouwd, de resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren.

Op de onderzoekslocatie wordt sterk puinhoudende grond aangetroffen. Ook is er asbestverdacht materiaal op het dak van het schuurtje achter huisnummer 16 aanwezig. Op basis van deze gegevens is aanvullend onderzoek uitgevoerd door Terra Milieu conform de NEN 5707 ‘Bodem – Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem’. Het doel van het onderzoek was het inzichtelijk maken of er asbest in de bodem wordt aangetroffen.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat er geen asbest wordt aangetroffen. Conform het uitgevoerde onderzoek zijn er geen bezwaren voor de geplande werkzaamheden op de locatie.

Het verkennend bodemonderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Het onderzoek naar asbest in de bodem is opgenomen als Bijlage 4.

Conclusie 

Nader onderzoek ten aanzien van de bodem heeft aangetoond dat het plan gerealiseerd kan worden. Aanvullend onderzoek ten aanzien van asbest in de bodem zal worden uitgevoerd en te zijner tijd worden bijgevoegd. Tevens zal een asbestinventarisatie worden gedaan ten behoeve van de sloop van de schuur achter huisnummer 16.

4.5 Geluid

4.5.1 Woon- en leefklimaat

De voorgestane woningen worden in de luwte van de bestaande woningen aan de Kerkstraat gebouwd. De Kerkstraat heeft een verkeersintensiteit van meer dan 1000 motorvoertuigen per etmaal. Volgens de gemeentelijke geluidsniveaukaart is de hoogste geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied 53 dB. Conform de Wet geluidhinder kan voor de nieuwe woningen in het stedelijke gebied een hogere waarde tot maximaal 58 dB worden vastgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie 

Een goed woon- en leefklimaat op de nieuw te bouwen woningen kan derhalve gegarandeerd worden.

4.5.2 Industrielawaai

Er is een onderzoek uitgevoerd naar de geluidemissie ter plaatse van de nieuwbouw van de 5 patiowoningen ten gevolge van de nabijgelegen supermarkt aan de Kerkstraat 8. Het Akoestisch onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. In paragraaf 4.8 wordt hier nader op in gegaan.

4.6 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden ter vervanging van het Besluit luchtkwaliteit 2005. De nieuwe Wet luchtkwaliteit ziet op een actualisatie van de luchtkwaliteitseisen, zoals opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer.

Het project zelf biedt geen mogelijkheden om overschrijdingen teniet te doen, noch staat het project het bereiken van de algemene doelstelling voor luchtkwaliteit in de weg. Voor projecten van geringe omvang geldt bovendien op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en op grond van het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) dat hiervoor geen afzonderlijke luchtkwaliteitstoets nodig is. Dit is het geval als aannemelijk is dat een project een toename van de concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof.

In de ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) van 31 oktober 2007 worden enkele concrete projecten of activiteiten genoemd waarbij het voorgaande in ieder geval van toepassing is en waarvoor dus geen specifieke luchtkwaliteitstoets hoeft te worden uitgevoerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor kantoorlocaties met een brutovloeroppervlak van minder dan 100.000 m² of woningbouwprojecten van niet meer dan 1500 woningen.

Conclusie 

Het onderhavige project betreft het realiseren van 5 wooneenheden zodat duidelijk is dat het niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging zodat nader onderzoek niet noodzakelijk is.

4.7 Kabels en leidingen

Binnen de projectlocatie zijn geen planologische kabels en/of leidingen (gas of brandstof) aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de uitvoering van het bouwplan. Er is wel sprake van leidingen die planologisch niet relevant zijn zoals de riolering en leidingen / kabels ten behoeve van nutsvoorzieningen. Bij de feitelijke uitvoering van de bouwwerkzaamheden zal hiermee, voor zover nodig rekening worden gehouden en zal in overleg met de nutsbedrijven de toe te passen erfverharding dienen te worden afgestemd.

Conclusie

Voorliggende planontwikkeling kent geen belemmeringen in het kader van aanwezige planologische kabels en/of leidingen.

4.8 Bedrijven en milieuzonering

Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) diverse omgevingstypen. In de brochure zijn de in acht te nemen afstanden gekoppeld aan de hinder (stank, stof, geluid en gevaar) die een bepaalde activiteit met zich meebrengt.

In de directe nabijheid van de plangebied bevindt zich een supermarkt. Op Kerkstraat 8 is supermarkt AH gelegen. Laden en lossen ten behoeve van de supermarkt, alsmede het parkeren vindt plaats aan de zijde van de geplande patiowoningen. Door Nipa milieutechniek is een akoestisch onderzoek verricht. (Akoestisch onderzoek woningbouw Kerkstraat 16-18 te Nuland, projectnr. 13930,16 januari 2014). Het betreffende onderzoek is opgenomen als Bijlage 5 bij deze toelichting.

In de situatie zoals beschreven in deze rapportage, kan worden gesteld dat het aspect industrielawaai geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Tevens is hiermee aangetoond dat de supermarkt aan de Kerkstraat 8 niet beperkt wordt in de vergunde c.q. toegestane milieuruimte (geluidruimte) als gevolg van het te ontwikkelen bouwplan. Opgemerkt dient te worden dat bij de berekeningen rekening is gehouden met de aanwezigheid van een muur van 3,20 meter hoog tussen de twee meest zuidelijke woningen. Deze muur dient dan ook gehandhaafd te worden om de berekende geluidniveaus te kunnen garanderen. In de regels en de verbeelding van dit bestemmingsplan wordt de betreffende muur dan ook specifiek aangeduid en vastgelegd.

Op Kerkstraat 35 bevindt zich tweewielerhuis met verkoop en herstel van tweewielers. VNG-brochure geeft niet specifiek daarvoor een grootste afstand aan, maar te vergelijken met SBI-code 2008 451, 452 en 454 met een grootste afstand van 30 meter voor geluid. Aan die afstand tot de nieuw te bouwen woningen wordt voldaan.

Ten aanzien van het aspect geur zijn er geen bedrijven in de directe nabijheid van het plangebied die een belemmering kunnen vormen.

Conclusie 

Gelet op het bovenstaand kan geconcludeerd worden dat een goed woon- en leefklimaat in het plangebied gewaarborgd kan worden.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen.

Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

Conclusie 

De projectlocatie is niet gelegen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, van transportroutes en van leidingen. Op het gebied van externe veiligheid zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Water

De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro.

De procesmatige invulling van de watertoets is geregeld in de Handreiking Watertoets 2 (december 2003) en de aanvulling uit 2007 van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden de beleidsuitgangspunten, zoals deze ook door het Waterschap Aa en Maas met betrekking tot het duurzaam omgaan met water worden gehanteerd en door de gemeente Maasdonk worden onderschreven. Nieuwe plannen dienen in ieder geval te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Bovendien voorziet de bij het plan toegevoegde watertoets in een invulling op de voorwaarde van de Verordening ruimte (bescherming 100-jaarszone zeer kwetsbaar) dat de risico`s voor de kwaliteit van het grondwater geheel of nagenoeg geheel gelijk moeten blijven.

Conclusie

Door Terra Milieu is een watertoets uitgevoerd voor de ruimtelijke ontwikkeling op de locatie Kerkstraat 16-18 te Nuland. De locatie is momenteel in gebruik voor woondoeleinden met tuin. De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1 van de watertoets. De geplande ruimtelijke ontwikkeling is weergegeven in bijlage 2 van de watertoets.

De onderzoekslocatie is kadastraal bekend als Gemeente Maasdonk, sectie B, nr. 2469. De locatie is onbebouwd en onverhard. De omgeving van de locatie is in gebruik voor woondoeleinden. De locatie is gelegen in de gemeente Maasdonk. De onderzoekslocatie is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. De initiatiefnemer dient contact met de provincie (en eventueel Brabant Water) op te nemen om nader af te stemmen over te treffen (voorzorgs)maatregelen.

Op basis van de uitgevoerde watertoets kan worden geconcludeerd dat voor berging bij een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 10 of 100 jaar (gevolg van klimaatverandering) bij een herhalingstijd van 10 jaar: 17 m³ (T=10+10%) bedraagt en bij een herhalingstijd van 100 jaar: 23 m³ (T=100+10%) bedraagt. Terra Milieu beveelt aan om een infiltratievoorziening van minstens 23 m³ (bij een T=100) aan te brengen tijdens de ontwikkeling van het projectgebied. Dit zal geschieden middels infiltratiekratten. Schone (dak)vlakken mogen rechtstreeks infiltreren middels deze infiltratiekratten. Verhardingen waar motorvoertuigen toegang hebben (wegen, parkeerplaatsen, opritten) mogen alleen infiltreren via gecontroleerde voorzieningen (bijvoorbeeld wadisystemen) of dienen deze waterstromen via een rioolstelsel te worden afgevoerd.

Daarnaast doet het waterschap in dit soort situaties de aanbeveling om terrassen aan de achterzijde van een woning aan te sluiten op het vuilwaterstelsel ('schrobput') en bij aanwezigheid van een garage hier een aansluitpunt te maken voor water en een afvoer op het vuilwatersysteem (bv. t.b.v. uitstortgootsteen/ aanrecht). Dit om te voorkomen dat er onoordeelkundig gebruik wordt gemaakt van het infiltratiesysteem (rechtstreeks lozen van verontreinigde (vloei-)stoffen).

Bij de realisatie van een infiltratievoorziening moet deze voorziening volledig boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van 1,0-MV worden gerealiseerd. Het volledige rapport is als Bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd.

Hoofdstuk 5 Juridische opzet

5.1 Algemeen

Op basis van de Wet ruimtelijke ordening bepaalt een viertal zaken de opzet en inrichting van de planregels, te weten:

  • de digitale raadpleegbaarheid;
  • de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012);
  • de Woningwet;
  • de regels van het vigerende bestemmingsplan.

Bij het opstellen van de inhoud van de regels wordt zoveel mogelijk aangesloten op het vigerende bestemmingsplan 'Kernen Maasdonk (Nuland)'. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels terug gelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan.

5.2 De verbeelding

Op de verbeelding zijn aangegeven:

  • de grens van het plangebied;
  • de bestemming van de binnen het plangebied gelegen gronden: 'Wonen';
  • de aanduiding 'bouwvlak';
  • de maatvoeringsaanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'.

5.3 De regels

De regels zijn conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd:

  • inleidende regels;
  • bestemmingsregels;
  • algemene regels;
  • overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan en de bijbehorende ruimtelijk-juridische procedure zullen door middel van leges worden verrekend met de initiatiefnemer.

De initiatiefnemer en de gemeente zijn een anterieure overeenkomst aangegaan waarin de economische uitvoerbaarheid is vastgelegd. Hierin zijn tevens zaken zoals groenaanleg opgenomen. De gemeenteraad zal derhalve bij vaststelling van het bestemmingsplan tevens besluiten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld omdat het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

Degene die meent schade te lijden door het vaststellen van een bestemmingsplan, kan een verzoek indienen om een tegemoetkoming van de schade (Artikel 6.1 Wro). Eventuele kosten voortkomend uit de planschade zijn in eerdergenoemde overeenkomst meegenomen.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan zal voor een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. In het kader van het vooroverleg zal het bestemmingsplan worden voorgelegd aan de provincie en het waterschap.

6.3 Handhaving

De gemeente beschikt over handhavingsbeleid, vastgelegd in het Handhavingsplan 2009 – 2012. Integraliteit, veiligheid en gezondheid zijn de drie belangrijke speerpunten van dit Handhavingsplan. Deze speerpunten vertalen een tweetal belangrijke beleidsuitgangspunten, namelijk:

  • (1) de omgevingsvergunning (integrale vergunningsverlening/handhaving) en
  • (2) veiligheid en gezondheid.

De belangrijkste redenen voor het voeren van een handhavingsbeleid zijn:

  • door een goede en effectieve handhaving zal de gemeente uiteindelijk in steeds grotere mate het door haar beoogde doel bereiken;
  • de rechtszekerheid en de gelijke behandeling van burgers dienen te worden gewaarborgd;
  • het geloof en vertrouwen in de overheid wordt vergroot;
  • het beter en consequenter handhaven van de regelgeving heeft zijn weerslag op het maatschappelijk draagvlak en daarmee op de naleving van deze regels;
  • handhaven in alle fasen van het beleidsproces komt de gemeentelijke organisatie en de direct beschikbare middelen ten goede omdat goed handhaven tijdwinst oplevert en kan schadeclaims voorkomen;
  • handhaving levert een bijdrage aan het voorkomen of beperken van schade, overlast, hinder en verhoogt de veiligheid door het verlagen van risico's voor rampen en ongevallen met ernstige gevolgen.

In de gemeente heeft de handhaving van bestemmingsplannen (ruimtelijke ordening) hoge prioriteit. Doelstelling van het beleid is het tegengaan van ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen en de daarbij mogelijk ontstane hinder en oneerlijke concurrentie. Aan de controle wordt binnen de interne organisatie inhoud gegeven door een groep ambtenaren die zich met handhaving bezighoudt. Er is sprake van een continu handhavingsproces.

Het plan is digitaal beschikbaar voor alle belanghebbenden en betrokkenen. Op deze wijze is de inhoud van het bestemmingsplan voor iedereen toegankelijk en kan iedereen kennis nemen van de keuzes en inhoud van het plan. Pas als bekend is welke regels er gelden kan het bestemmingsplan nageleefd en gehandhaafd worden. Met de toelichting op dit bestemmingsplan beoogt de gemeente de regelgeving helder te formuleren om op deze wijze duidelijk te maken wat wel en niet toelaatbaar is.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 De te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk plan de volgende procedure:

  • a. Ontwerp:
  • publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro
  • een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de raad.
  • b. Vaststelling:
  • vaststelling door de raad
  • mogelijkheid reactieve aanwijzing
  • publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn
  • c. Beroep:
  • beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
  • a. Inwerkingtreding:
  • na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan).

In het kader van het ontwerp is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze kenbaar te maken. Na vaststelling van het bestemmingsplan kunnen belanghebbenden beroep aantekenen bij de Raad van State. Hiervoor dient in de fase van het ontwerp een zienswijze te zijn ingediend of dient het plan ten opzichte van het ontwerp te zijn gewijzigd. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan in zijn onherroepelijke vorm.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van artikel 3.8 van de Wro en afdeling 3.4 van de Awb voor een ieder gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegen. De bekendmaking voor de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan stond op 8 augustus 2014 in de Staatscourant, de Streekwijzer en op de website van de gemeente. De stukken lagen vanaf 11 augustus 2014 gedurende 6 weken in de publieksruimte ter inzage en waren in te zien via de gemeentelijke website en de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Er zijn binnen de termijn twee zienswijzen ingediend ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan. De inhoud van de zienswijzen en de beantwoording daarop staan in het verslag vooroverleg en zienswijzen dat als Bijlage 7 is toegevoegd.