| Plan: | Wiedestraat 5 Sint Odiliënberg |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1669.BPODL2017WIEDSTR5-VG01 |
Wiedestraat 5 te Lerop (Sint Odiliënberg) was aanvankelijk in bezit van G. Hendrickx & Zn vof. De familie Hendrickx heeft de bedrijfsactiviteiten ter plaatse, bestaande uit het vervaardigen en repareren van stalinrichtingen en sierhekwerk, beëindigd en de gronden en opstallen in 2016 verkocht aan de heer R. van Schelven.
De heer R. van Schelven (initiatiefnemer) heeft het voornemen de bedrijfsmatige bestemming om te zetten naar woondoeleinden door de bestaande opstallen op het perceel te slopen voor de nieuwbouw van een grondgebonden burgerwoning met tuin/erf en bijbehorende gebouwen (vervolgfunctie wonen).
De beoogde woonfunctie past niet binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Roerdalen – 2e herziening'. Het vigerende bestemmingsplan (artikel 8.6.3) biedt echter de mogelijkheid om bij algehele beëindiging van de bedrijfsactiviteiten de ter plaatse vigerende bestemming te wijzigen in een woonbestemming (vervolgfunctie wonen). Daarbij dient wel aan de wijzigingsvoorwaarden te worden voldaan.
De gemeente Roerdalen heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het projectinitiatief met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. In onderhavige toelichting zal worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden.
De projectlocatie is gelegen in het buurschap Lerop behorende bij de kern Sint Odiliënberg deel uitmakend van de gemeente Roerdalen, plaatselijk bekend Wiedestraat 5 te Sint Odiliënberg. Kadastraal bekend Sint Odiliënberg, sectie A, nummers 931/932. Het plangebied betreft het grootste deel van perceel 931.
Het plangebied (rood gekleurd vlak afbeelding), een voormalig bedrijf met daarbij behorende gronden, is gelegen aan een doodlopende straat ten zuidwesten van het buurtschap Lerop in het buitengebied van Sint Odiliënberg (gemeente Roerdalen) nabij de stad Roermond. Het gebied kenmerkt zich door het agrarisch karakter en grondgebruik. Ten noordoosten van het projectgebied meandert de Roer door een glooiend landschap en ten zuidwesten ligt het natuurgebied Leropperveld, een open agrarische vlakte met op een aantal plaatsen bebossing. Dit voormalig stroomgebied van de rivier de Roer heeft grote ecologische waarde en vormt een groene buffer tussen Roermond en Roerdalen.
Het gebied maakt onderdeel uit van het landelijke gebied Maasvallei-West. Dit gebied is rijk aan archeologische, cultuurhistorische en natuurlijke waarden. Er is sprake van een afwisseling van diverse kleinschalige landschapstypen. De sociaal-culturele structuur in de overwegend kleine kernen is goed ontwikkeld, maar staat door de veranderingen in de landbouw onder druk. Het afwisselende en natuurlijke karakter van het gebied maakt het aantrekkelijk als woon-, werk- en recreatiegebied.
De op onderstaande afbeelding geel en blauw omlijnde perceelgedeelten behoren bij de in eigendom verworven gronden van initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet in dit wijzigingsplan meegenomen. De planologisch vigerende bestemmingen en de daarop van toepassing zijnde regels blijven van blijven op deze perceelgedeelten van kracht.
Het plangebied behorende bij dit wijzigingsplan betreft dus uitsluitend de voormalige agrarische bedrijfsbestemming.
Ter plaatse is het bestemmingsplan 'Buitengebied Roerdalen – 2e herziening' van kracht (vastgesteld d.d. 21 april 2016). Het betreft het zogenaamde moederplan.
Het plangebied behorende bij onderhavige planontwikkeling heeft de bestemming 'Bedrijf – Agrarisch aanverwant' (artikel 8).
Op het bedrijfsperceel is tevens de medebestemming 'Waarde – Archeologie 5' van toepassing en de gebiedsaanduiding 'Milieuzone-Roerdalslenk II'.
Tevens zijn ter plaatse bouwbepalingen van toepassing die aangegeven dat gebouwd dient te worden binnen het aangeduide bebouwingsvlak en dat de maximale goothoogte 6 meter en de maximale bouwhoogte 9 meter mag bedragen voor bedrijfswoningen.
Artikel 8.6.3 van het vigerende bestemmingsplan biedt evenwel de mogelijkheid om door middel van een wijzigingsplan bij algehele beëindiging van de bedrijfsactiviteiten (is hier het geval) de vervolgfunctie wonen en een hierop afgestemde bestemming 'Wonen – Buurtschappen' toe te staan op het perceel, als voldaan wordt aan een aantal voorwaarden.
Dit wijzigingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, met bijbehorende toelichting. Op de verbeelding is de bestemming weergegeven. In de regels staat de juridische regeling. In deze toelichting wordt ingegaan op de wijzigingsvoorwaarden. De verbeelding en regels vormen samen het juridisch bindende deel van het wijzigingsplan.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 eerst ingegaan op het planvoornemen zelf en de stedenbouwkundige en ruimtelijke inpasbaarheid van het bouwplan. In hoofdstuk 3 wordt het vigerende en relevante beleid ten aanzien van de ontwikkeling beschreven. De sectorale aspecten zoals eventueel aanwezige waarden en de milieuhygiënische toetsing vindt plaats in hoofdstuk 4. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de juridische aspecten. Tot slot wordt de te doorlopen procedure in hoofdstuk 6 weergegeven.
Volgens historisch kaartmateriaal uit de periode 1915 - heden was de locatie in het verleden reeds bebouwd met meerdere gebouwen. Tot 1980 was de projectlocatie in gebruik als varkenshouderij (bedrijfsmatige agrarische functie). Aan de zuidwestzijde was reeds een (half)verharde weg aanwezig (Wiedestraat). De locatie stond in het verleden bekend als 'Maartenshof' en het perceel Wiedestraat 5 met bebouwing maakte onderdeel uit van deze oorspronkelijke lintbebouwing. Ten noorden van de locatie stroomt de Roer.
De locatie is vanaf 1980 bekend onder de bedrijfsnaam G. Hendrickx & Zn vof. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het vervaardigen en repareren van stalinrichtingen en sierhekwerk. Op 24 februari 1987 is aan de heer G. Hendrickx een Hinderwetvergunning verleend voor het oprichten van een agrarisch hulpbedrijf waar onderhoud en reparatie van melkmachines, alsmede de vervaardiging van stalinrichting plaats vindt. Op 28 september 1994 is eveneens een Hinderwetvergunning verleend aan VOF G. Hendrickx en zn. voor het veranderen in een agrarisch hulpbedrijf. Een van de opstallen werd destijds gebruikt als smederij/werkplaats.
De exacte bedrijfsmatige activiteiten bestonden destijds uit metaalbewerking (lassen, zagen, boren en buigen). Dit productieproces heeft plaatsgevonden op een betonnen vloer. In de werkplaats was in het verleden een boormachine, buigmachine en afkortzaag aanwezig. Ook werden daar olieproducten opgeslagen (max. 280 liter) boven een lekbak, in een open loods.
De projectlocatie is momenteel bebouwd met een woonboerderij (hoofdgebouw) en enkele opstallen (o.a. werkplaats/showroom/kantoorruimte). Het hoofdgebouw met aanbouw is direct gesitueerd aan de weg en bestaat uit een bouwlaag met kapconstructie. De verhardingen rondom de bebouwing bestaan voornamelijk uit klinkers, split en beton. Het noordoostelijke deel van de locatie is in gebruik als tuin.
Op het plangebied is momenteel de bestemming 'Bedrijf – Agrarisch aanverwant' van toepassing.
Opdrachtgever heeft het voornemen om de bestaande bedrijfswoning met bijgebouwen ter plaatse te amoveren en één nieuwe moderne duurzame en levensloopbestendige burgerwoning met bijbehorende bouwwerken op het betreffende bouwperceel te realiseren (vervolgfunctie wonen).
De bestaande woning (hoofgebouw) met aangebouwde bijgebouwen zal worden gesloopt en vervangen door een nieuw hoofgebouw (woning) met bijgebouw(en). De nieuwe woning en bijbehorende bouwwerken worden binnen de grenzen van het aanwezige bouwvlak en met inachtneming van de van toepassing zijnde bebouwingsmaatvoeringen gebouwd. Er komt geen buitenopslag.
De vervangende nieuwbouw (hoofdgebouw) wordt centraler op het perceel gepositioneerd met inachtneming van enige afstand (3 meter) tot beide nieuwe zijdelingse perceelsgrenzen. Hierdoor komt het vrijstaande karakter van de woning op het perceel meer tot uitdrukking. Overtollige bebouwing wordt gesloopt en er komt geen buitenopslag.
Aan de achterzijde van de woning en deels ter weerszijden krijgt het perceel een meer tuinachtige uitstraling met bestratings-, terras- en tuinelementen. De aanwezige dichte asfaltverharding zal daarvoor verwijderd worden.
De wijzigingsvoorwaarden in het vigerende bestemmingsplan eisen een onderbouwing van de stedenbouwkundige en ruimtelijke inpasbaarheid van het planvoornemen.
De nieuw te bouwen levensloopbestendige burgerwoning met bijbehorende bouwwerken die worden opgericht passen qua massa, goot- en bouwhoogte en typologie, in het plaatselijke (landelijke) bebouwingskarakter.
De hoofdbebouwing wordt in lengte- en breedterichting op het voorste gedeelte aan de straatzijde van het perceel gepositioneerd, waardoor aan de achterzijde van het perceel de openheid naar het Roerdal wordt behouden. Het profiel van het straat- en bebouwingsbeeld blijft daarmee gehandhaafd.
De hoofdbebouwing bestaat uit twee met een kapconstructie naar de straatzijde (kopgevel) georiënteerde bouwvolumes. Het bouwvolume aan de linkerzijde bestaat uit een begane grondlaag (woonkamer) met een geïntegreerde verdieping (slaapgelegenheid) in de kapconstructie. Het bouwvolume aan de rechterzijde bestaat uit één bouwlaag (garage) met kapconstructie. De twee hoofdvolumes worden aan de straatzijde verbonden door een groene haag, waardoor er een privé-binnengebied (terras) ontstaat.
De twee hoofdbouwvolumes worden aan de achterzijde verbonden door bijbehorende bouwwerken (keuken/eetkamer en slaapkamer/badkamer) in één bouwlaag met een platte dakafdekking.
De buitenruimte van het perceel wordt aan de achterzijde ingericht met terrasfunctie en een representatieve tuin met een landschappelijk uitstraling met streekeigen beplanting passend in het gebied. Dit tuingedeelte sluit aan op het al aanwezig tuingedeelte op het perceel 932 (in eigendom van initiatiefnemer, maar niet behorend tot het plangebied) en zal in het geheel nieuw ingericht worden op basis van een erfbeplantingsplan in het kader van de landschappelijke inpassing (LKM).
In het ruimtelijk ontwerp is voorzien in voldoende parkeren op eigen terrein voor de bewoners door middel van een bebouwde garage en onbebouwde parkeerplekken aan de rechtervoorzijde van het perceel en voor bezoekers aan de linkervoorzijde van het perceel (3 parkeerplekken).
De bestaande infrastructuur ter plaatse is berekend op de verkeersaantrekkende werking van de vervolgfunctie wonen,
Gezien de situering, de bouwmassa's en de kwaliteitsverbetering ten opzichte van de bestaande situatie, kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen ter plaatse zowel stedenbouwkundig als ruimtelijk goed inpasbaar is.
De voorgenomen projectrealisatie wordt zowel ruimtelijk als landschappelijk optimaal ingepast in de omgeving met handhaving van de bestaande woonfunctie. De nieuwe woning met bijbehorende bouwwerken wordt aan de voorkant van het perceel (straatzijde) meer centraler gepositioneerd alsmede qua maatvoering en uitstraling afgestemd op de al aanwezig lintbebouwing. Overtollige bebouwing en gebouwen worden gesloopt. Ten opzichte van de bestaande situatie wordt het bouwvlak behorende bij de bestemming 'Bedrijf- Agrarisch aanverwant' voor meer dan 50% verkleind. Dit deel van het perceel krijgt een tuininrichting met een groeninvulling, aansluitend aan het tuingedeelte wat buiten de planherziening ligt, met streekeigen beplanting en wordt ingericht en afgestemd op de bestaande landschappelijke omgevingskwaliteiten. De bestaande bebouwing en verharding op dit perceelgedeelte wordt verwijderd en vervangen door een groeninrichting afgestemd op een inrichting passend bij de aansluitende bestaande gebiedssituatie (provinciale natuurzone/natura 2000-gebied Roerdal). Tevens biedt de locatie ruimte om het hemelwater van de nieuwbouw af te koppelen van de riolering en te begeleiden (ondergronds of bovengronds) naar het lager gelegen achterste gedeelte van het perceel.
De voorgestane realisatie van de woning op het perceel kan planologisch gerealiseerd worden met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Roerdalen – 2e herziening'. Het betreft de wijzigingsbevoegdheid (artikel 8.6.3) met in rood aangeduid de relevante toetsingscriteria/-voorwaarden (zie hierna).
Aan deze voorwaarden wordt voldaan in onderhavig wijzigingsplan. Voor de verantwoording hiervan wordt verwezen naar deze toelichting, de regels en de verbeelding van dit plan.
Burgemeester en wethouders kunnen het plan ter plaatse van gronden met de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch aanverwant' zodanig wijzigen dat – indien sprake is van een algehele beëindiging van de bedrijfsactiviteiten– de in tabel 8.4 genoemde vervolgfuncties zijn toegestaan, met inachtneming van het volgende:
Bij de realisatie van een burgerwoning in het buitengebied moet voldaan worden aan de voorwaarden zoals opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid (artikel 8.6.3) van het bestemmingsplan 'Buitengebied Roerdalen – 2e herziening'.
In het bestemmingsplan is reeds een beleidsmatige afweging gemaakt. Aangezien in de tussentijd geen nieuw beleid is geformuleerd dat van invloed is op deze afweging, wordt met betrekking tot het beleid verwezen naar het bestemmingsplan 'Buitengebied Roerdalen' en de daarop van toepassing zijnde 1e en 2e herziening.
In dit hoofdstuk wordt beknopt ingegaan op enkele relevante beleidsmatige aspecten ten aanzien van voorliggende planontwikkeling.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt onder andere de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) speelt in op de volgende ontwikkelingen en uitdagingen:
Het rijk geeft aan dat de provincies en gemeenten afspraken zullen maken over verstedelijking, groene ruimte en landschap. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.
Het Rijk geeft daarbij de provincie en de gemeente ruimte om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geeft ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling. Het Rijk geeft daarbij aan dat er ten alle tijde sprake moet zijn van een optimale inpassing en bereikbaarheid.
Realisatieparagraaf SVIR
Uitgangspunt bij het realiseren van de doelstellingen uit de SVIR is een integrale, regionaal-specifieke aanpak, waarmee investeringen en ander rijksinstrumentarium zo effectief en efficiënt mogelijk ingezet kunnen worden. Dat vraagt om een gedegen afweging van alle relevante belangen en goede afstemming en samenwerking tussen regio en Rijk. Over de rijksopgaven worden op basis van de MIRT-gebiedsagenda's afspraken gemaakt.
Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van aard (beleidsmatig versus procesmatig).
De ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor een goed ontwerp en aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Bro.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De SVIR bepaalt welke kader stellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kader stellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit Besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken.
De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend/beschermend karakter waardoor geformuleerde nationale belangen niet belemmerd worden door ontwikkelingen die middels bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt. Voor een aantal onderwerpen geeft het Barro de opdracht dan wel de mogelijkheid aan provincies om bij provinciale verordening regels te stellen.
Het Rijk geeft daarbij de provincie en de gemeente ruimte om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geeft ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling.
Voor het projectgebied zijn alleen de door het Rijk geformuleerde belangen inzake natuur (Ecologische Hoofdstructuur en Natura 2000-gebieden) en beperkingen en regels rondom (militaire) radarstations (artikel 2.6.9 van Barro) van belang, aangezien de projectlocatie binnen het radarverstoringsgebied van luchthaven Volkel is gelegen.
Natuur (Ecologische Hoofdstructuur en Natura 2000-gebieden)
Het perceelsgedeelte dat gewijzigd wordt in de bestemming wonen is buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied en de natuurzone (goudgroene natuurzone) van de provincie gelegen. Een klein gedeelte van de tuinzone van de familie van Schelven is wel gesitueerd binnen voornoemde zones. De geldende planologische bestemming van dit perceelsgedeelte en het daaraan verbonden gebruik blijft echter gehandhaafd. Naar de effecten van de te realiseren ontwikkelingen op het toekomstige woonperceel is onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie geen externe effecten op het Natura 2000-gebied Roerdal en de natuurzone van de provincie zullen plaatsvinden. Zie hiervoor tevens paragraaf 4.9.
Radarverstoringsgebied van luchthaven Volkel
De (beperkte) bebouwingshoogte binnen het planvoornemen levert geen belemmeringen voor de radarfunctie op Volkel.
De ladder voor duurzame verstedelijking (Bro)
Nationaal belang 13 vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder van duurzame verstedelijking worden onderbouwd (lees: 'Ladder'). Op 1 oktober 2012 is deze Ladder voor duurzame verstedelijking verankerd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, door een zorgvuldige afweging van de behoefte en locatiekeuze van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder vormt daarmee een bindend toetsingskader voor alle gemeentelijke bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen en provinciale ruimtelijke verordeningen.
In artikel 3.1.6 lid 2 Bro is vastgelegd dat “De toelichting bij een bestemmingsplan of andere plannen en een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:
Formele toepassing
Toetsing aan de ladder is formeel vereist bij een beleidsmatige afweging indien dit is opgenomen in een provinciale verordening (artikel 4.1 Wro) of in een gemeentelijke beleidsregel ten aanzien van de toepassing van planologische besluiten. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de beleidsmatige afweging van provincie en gemeente.
Materiele toepassing
De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een ruimtelijk besluit dat valt binnen het formele toepassingsbereik van de ladder en voorziet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1. lid 1 aanhef en onder i Bro.
Jurisprudentie
De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 18 december 2013 in zaak nr. 201302867/1/R4, aangegeven dat het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader is gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling.
Het vooraanstaande betekent, dat het begrip door middel van jurisprudentie nader wordt ingevuld. Uit de jurisprudentie volgt, dat enkele woningen (kleinschalige woningbouw) en functieveranderingen van beperkte omvang niet aan te merken zijn als stedelijke ontwikkeling gelet op het (nieuwe) beslag op de ruimte.
Onderhavig planvoornemen voorziet in een vervanging van bestaande bebouwing met een bedrijfswoning in een levensloopbestendige burgerwoning. Een dergelijke verandering wordt volgens jurisprudentie (18 december 2013 - 201302867/1/R4 en 18 november 2015 - 201500685/1 en 23 december 2015 - 201408383/1 en 10 februari 2016 - 201505424/1) niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling waarvoor beperkingen vanuit de Ladder/Bro gelden.
Conclusie
De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt doet op geen enkele wijze afbreuk aan het ruimtelijk beleid van het rijk. Het Rijksbeleid vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Dit houdt in, dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de SVIR, het Barro en vanuit het Bro gelden.
Provinciaal omgevingsplan Limburg (POL 2014)
Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (hierna: POL 2014) vastgesteld. Het POL 2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden. Het POL 2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).
In het POL 2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak van de rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren.
In het POL 2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn onder meer de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen alsmede de leefbaarheid van kernen en buurten. De Limburgse woningmarkt moet kwalitatief en kwantitatief de sprong maken naar een nieuwe werkelijkheid.
Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. Overal moet de programmering 'over de top heen kijken', ook in de regio's Noord en Midden, waar de woningbehoefte nog toeneemt. Dat vergt andere benaderingen, als inbreiding in plaats van uitleglocaties, planmatig verdichten en verdunnen. De opgave ligt vooral in het onttrekken van incourante (particuliere) woningen, het omvangrijk genoeg houden (c.q. maken) van het aanbod aan huurwoningen, en het planologisch niet meer uitbreiden van hetgeen er al in overvloed is.
Midden-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er is er sprake van een gedifferentieerd woongebied waarin de komende 10-15 jaar een demografische transitie zal plaats vinden. De woningmarkt heeft als opgave mee te bewegen in deze transitie. De regio is gestart met een regionale structuurvisie wonen, zorg en woonomgeving, waarin gezamenlijk invulling wordt gegeven aan het dynamisch voorraadbeheer. Dat omvat het werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad door kwaliteitsverbetering, herstructurering (transformatieopgave zorgvastgoed en huursector) en waar nodig sloop en nieuwkomers (waaronder arbeidsmigranten). Maar ook het terugdringen van nog niet gerealiseerde plannen die niet bijdragen aan de beoogde vernieuwing.
De kwalitatieve opgave is mogelijk nog uitdagender. Die vraagt om een omslag in denken. Allereerst gaat het daarbij om het toekomstbestendig houden en maken van de bestaande woningvoorraad.
Maatschappelijke trends (inclusief demografische) leveren een vraag op naar andere woningen dan de voorraad nu biedt. Bijvoorbeeld meer vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens, in plaats van de gezinswoningen, meer vraag naar aanpasbare en levensloopbestendige woningen en naar energiezuinige woningen.
Deze kwalitatieve opgave moet, gezien de afnemende kwantitatieve vraag, vooral gerealiseerd worden in de bestaande woningvoorraad, waarbij nieuwbouw (in de vorm van uitbreiding dan wel vervanging) vooral moet worden ingezet om te voorzien in de vraag naar datgene waaraan ook op langere termijn het meest behoefte bestaat.
Het POL 2014 zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. In de omgevingsverordening komt dit tot uiting in de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (artikel 2). Daarin wordt gesteld dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Daarbij worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3 van de omgevingsverordening onderzocht. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop hieraan invulling is gegeven.
Een van Limburgse 'principes' betreft het centraal stellen van “kwaliteit”. Een sterk punt van Limburg is de grote diversiteit in de aard en kenmerken van de omgeving. De provincie wil deze kwaliteit en de variatie erin koesteren.
Veel keuzes die samen de kwaliteit van Limburg bepalen, worden niet alleen in het POL 2014 gemaakt, maar vooral in afwegingsprocessen over concrete projecten of uitbreidingsplannen. Een goede kwaliteit van die processen is dan ook cruciaal. De provincie vindt dat in dat soort processen in een vroeg stadium, liefst nog voor de definitieve keuze voor een locatie, volwaardig rekening gehouden moet worden met:
Dit bovenop de zaken waarvoor wettelijke normen bestaan zoals natuur, water en milieu. Daarbij wordt ingezet op een kwaliteitsniveau dat past bij het gebied. Nieuwe initiatieven moeten per saldo leiden tot verbetering van de omgevingskwaliteit.
Kwaliteit centraal betekent dat zorgvuldig moet worden omgegaan met voorraden: ruimte (steden en dorpen, natuur, landschap), voorzieningen (gebouwde omgeving, infrastructuur, vervoersystemen), natuurlijke hulpbronnen, milieuruimte en ondergrond.
Dit wordt provinciaal vertaald in een aantal principes, die als uitgangspunt gelden bij de keuzes:
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL 2014 zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Binnen het bebouwd gebied treft men de volgende zones aan:
In het landelijk gebied gaat het om de zones:
Onderhavig plangebied is gesitueerd in het landelijk gebied met nadere aanduiding buitengebied.
Voor het buitengebied geldt, dat er ruimte wordt geboden voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Voor stedelijke ontwikkelingen in het buitengebied kan incidenteel ruimte geboden worden zoveel mogelijk passend in al aanwezige zijnde stedelijke bebouwing (burgerwoningen/lintbebouwing) en rekening houdende met de bestaande omgevingskwaliteiten c.q. het geven van een tegenprestatie voor het mogelijk verlies aan omgevingskwaliteiten (Limburgs kwaliteitsmenu) ten gevolge van het planinitiatief. Met dit principe in combinatie met het dynamisch voorraadbeheer, wordt zodoende invulling gegeven aan het principe van duurzame verstedelijking.
Met het planvoornemen is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling die naast het kwantitatieve aspect ook kwalitatief past binnen de voorgestane provinciale opgave omdat de stedelijke (vernieuwde bebouwing) zich voegt in het aanwezig bebouwingslint met woonbebouwing. Concreet wordt de bestaande (bedrijfs)bebouwing met bedrijfswoning vervangen door een nieuwbouwwoning (burgerwoning) met een verbeterde situering in het bebouwingslint.
Omgevingsverordening Limburg 2014
Bij het POL 2014 hoort de 'Omgevingsverordening Limburg 2014'. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels richting gemeenten zijn opgenomen.
De te maken regionale bestuursafspraken worden in de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' geborgd. De 'Omgevingsverordening Limburg 2014' is, net als het POL, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. De 'Omgevingsverordening Limburg 2014' is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening.
De basis 'Omgevingsverordening Limburg 2014' is op 1 januari 2011 in werking getreden. In 2014 is de Omgevingsverordening gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk "Ruimte" aan de omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk "Ruimte" is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen.
Wijzigingsverordeningen
Na vaststelling van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 zijn de gemeenten in regionaal verband (Noord/Midden/Zuid) aan de slag gegaan met de uitwerking van de volgende acht thema's: wonen, bedrijventerreinen, kantoren, detailhandel, landbouw, vrijetijdseconomie, energie en Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Dit proces heeft in elk van de drie regio's geresulteerd in regionale bestuurlijke afspraken over deze thema's. Deze worden vastgelegd in zogenaamde wijzigings-verordeningen die op dit moment in procedure zijn gebracht ter vaststelling.
Het is de bedoeling dat een aantal artikelen worden toegevoegd die als doel hebben om de regionale afspraken (door de gemeenten zelf gemaakt) te borgen. Paragraaf 2.4 wordt daartoe geheel vernieuwd, voorzien van 3 bijlagen en een nieuwe toelichting. Daarnaast worden ook enkele andere wijzigingen voorgesteld die eisen stellen aan de inhoud van ruimtelijke plannen (o.a. wijzigingsplan).
Voor onderhavig projectplan brengen deze wijzigingen geen aanvullende eisen c.q. verscherpingen aan ten aanzien van de al van toepassing zijnde regels.
Binnen het projectgebied zijn de provinciale regels ten aanzien van Roerdalslenk II van toepassing. In het wijzigingsplan is hiervoor een dubbelbestemming opgenomen.
Artikel 4.4.1 Roerdalslenk
1. Het is in het gebied Roerdalslenk verboden:
a. een boorput of een bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei;
b. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van . de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten.
2. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 20 meter beneden het maaiveld in zone I, 30 meter in zone II of 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei en ieder voornemen in zone IV, wordt vier weken tevoren schriftelijk gemeld aan gedeputeerde staten.
3. Bij het maken en sluiten van een boorput wordt de Beoordelingsrichtlijn Meachnisch boren BRL SIKB 2100, als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit in acht genomen.
Binnen het projectgebied zijn de provinciale regels ten aanzien van de Goudgroene natuurzone niet van toepassing aangezien het plangebied niet gesitueerd is binnen deze zone. Een deel van de tuin behorende bij het woonperceel is hier wel in gesitueerd maar maakt geen onderdeel uit van dit wijzigingsplan. De vigerende bestemmingsregeling en het daarop afgestemde gebruik is hier op van toepassing (zie tevens paragraaf 4.9).
Conclusie
Met het planvoornemen is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling die voldoet aan de regels zoals opgenomen in de 'Omgevingsverordening Limburg 2014'. In het wijzigingsplan is een dubbelbestemming opgenomen ten aanzien van de waarborging van de Roerdalslenk zone II.
Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving
De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) en de provincie Limburg hebben samen het initiatief genomen tot het opstellen van een Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving. De Structuurvisie is een uitwerking van het 'Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014(POL 2014)'.
De structuurvisie geeft richting aan de kwalitatieve en kwantitatieve opgave waar de gemeenten woningbouw de komende jaren wenselijk vindt en de wijze waarop het aantal woningbouwplannen wordt afgestemd op de behoefte. Dit betekent dat beleidsmatig is vastgelegd hoe de planvoorraad voor woningen wordt afgebouwd. Niet uit te sluiten is dat binnen de planperiode van de structuurvisie ook directe bouwmogelijkheden moeten komen te vervallen. De structuurvisie heeft overigens geen directe rechtsgevolgen, bestemmingsplannen (en wijzigingsplannen) hebben dat wel. Een integrale heroverweging vindt plaats in 2018, op basis van de werkelijke planrealisaties in de periode 2014 tot en met 2017 en de dan geldende prognoses.
Veel nieuwbouwplannen in kernen en dorpen zijn gesitueerd aan de randen ervan. Elke gemeente wordt de mogelijkheid geboden te bouwen in elke kern. Tegelijkertijd wordt per gemeente een grens aangegeven wat maximaal gebouwd mag worden, Dit moet echter wel binnen de planperiode van 10 jaar daadwerkelijk gebeuren of in productie zijn genomen. Tegelijkertijd ligt er de opgave - komend decennium - de plancapaciteit terug te brengen. Dit om mogelijke afzet- of exploitatierisico's verder te dempen. De komende 4 jaar dient 40% van de overcapaciteit in de planvoorraad te worden weggenomen. Voor de gemeente Roerdalen is het terugbrengen van de plancapaciteit (overcapaciteit in plannen) nadrukkelijke gewenst.
Voor wat betreft de kwantitatieve groeiopgaaf wordt richting gevend uitgegaan van 150 nieuw te realiseren woningen binnen de gemeente, waarvan 25 in de kern St. Odiliënberg.
Om meer kwalitatieve sturing te geven aan enerzijds nieuw- en verbouwplannen en anderzijds transformatie van de bestaande woningvoorraad, is per gemeente een zogenaamde kwaliteitsenvelop opgesteld. Deze envelop bestaat uit een aantal onderdelen.
Per onderdeel is 'lokaal', per kern of (cluster van) wijken richting gegeven. Richting in de zin van accenten zetten in de wenselijke richting. Zo is bekend hoeveel woningbouw additioneel mag of moet worden toegevoegd op korte termijn (2014 t/m 2017) en langere termijn (2018 t/m 2023) in welk marktsegment vooral gedacht moet worden, welke strategie wenselijk is in beheer van de sociale huurvoorraad, maar ook richting de particuliere verhuurders en eigenaar-bewoners. Duidelijk wordt ook waar ruimte is voor nichemarkten. Ook wordt duidelijk waar inzet op of behoud van wonen met zorg, met name voor ouderen, meer of minder kansrijk is.
Met name de doelgroep senioren en appartementen (koop/huur) is binnen de gemeente Roerdalen kansrijk. Het betreft dan met name woningen bestemd voor senioren (55-plus) waarvan het basis woonprogramma (woonkamer, keuken, slaapkamer, toilet en natte cel) op één woonlaag zonder trappen te bereiken is (verdieping met lift). Dit wordt ook wel de 0-tredenwoning of levensloopbestendige woning genoemd omdat het basisprogramma zonder trappen te bereiken is, met dien verstande dat een levensloopbestendige woning ook een aan te passen woning kan betreffen, er is sprake van scheiden van wonen en zorg.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er vanuit (regionaal) beleid (kwantitatief en kwalitatief) geen belemmeringen bestaan voor de beoogde ontwikkeling. Per saldo is er geen sprake van toevoeging van een woning aan de woningvoorraad.
In onderhavige planontwikkeling is sprake van een financieel uitvoerbaar plan, waarbij bestaande bebouwing (bedrijfswoning met bijgebouwen) wordt gesloopt en vervangen door een duurzaam en levensloopbestendige nieuwbouw burgerwoning met bijbehorende bouwwerken.
Strategische visie Roerdalen 2025
In 2008 heeft de gemeente Roerdalen de toekomstvisie Roerdalen 2020 opgesteld. Deze is tot stand gekomen met hulp van betrokken burgers en verenigingen. Begin 2011 was er behoefte aan het herijken van deze toekomstvisie, hetgeen heeft geleid tot de 'Strategische visie Roerdalen 2025'.
De 'Strategische visie Roerdalen 2025' bestaat uit drie delen. In het eerste deel worden enkele belangrijke ontwikkelingen aangegeven die gevolgen hebben voor de gewenste identiteit van Roerdalen. In het tweede deel wordt het strategisch beleid behandeld. In feite is dit een beschreven foto van Roerdalen in 2025 zoals we dat wensen met de kennis van nu. Het derde deel is een tabel waarin de diverse taakvelden zijn opgenomen met precies dezelfde beschrijving van het gewenste strategische beleid (wat willen we bereiken?), maar nu ook met een doorkijkje naar de realisatie, het tactische beleid (hoe gaan we dat doen?).
Het strategisch beleid is opgesteld vanuit drie thema's: wonen, werken en leven. Ten aanzien van wonen is in deze strategische visie het volgende opgenomen: "Het woningenbestand voldoet kwalitatief en kwantitatief aan de behoeften van onze inwoners. Daardoor en door nieuw ontwikkelde zorg-arrangementen kunnen zij tot op hoge leeftijd zelfstandig en in hun eigen omgeving blijven wonen. Jong en oud wonen door of bij elkaar. Zij ondersteunen elkaar. Eventuele vermindering van het aantal woningen zal zoveel mogelijk gepaard gaan met kwaliteitsverbetering.
Met de bouw van onderhavige woning met bijgebouwen, na sloop van de bestaande bedrijfswoning met bijgebouwen op het perceel, wordt rekening gehouden met het uitgangspunt zoals opgenomen in de Strategische visie Roerdalen 2025. De nieuwe woning wordt levensloopbestendig uitgevoerd in hoofdzakelijk een bouwlaag zodat het voldoet aan de gewenste kwalitatieve eisen voor de bewoners op dit moment en in de toekomst (meer op zorgelementen ingericht).
Structuurvisie Roerdalen 2030
De gemeente heeft een 'Nota van bouwstenen en voorkeurscenario Dynamisch Roerdalen' opgesteld. Deze nota is gebaseerd op de ruimtelijke inventarisatie en de inventarisatie van bestaand beleid en toekomstige wensen.
De volgende stap is geweest het opstellen van een conceptueel ruimtelijk raamwerk. Het ruimtelijk raamwerk biedt een kader waarbinnen (nieuwe) ontwikkelingen kunnen plaatshebben en vormt een belangrijke basis voor de op 20 december 2012 vastgestelde 'Structuurvisie Roerdalen 2030'. In de 'Structuurvisie Roerdalen 2030' wordt inzicht gegeven in de voorgestane ruimtelijke en functionele ontwikkeling binnen de gemeente.
Hierbij is ten doel gesteld de gemeente op de lange termijn aantrekkelijk, karakteristiek en levendig te houden. Wonen in leefbare kernen in een waardevol landschap is hierbij uitgangspunt.
Voor de kernen binnen de gemeente wordt nagestreefd om het eigen karakter van de dorpen te behouden. De inwoners voelen zich sterk betrokken bij hun eigen dorp en dat moet zo blijven. Daarnaast zullen de dorpen zich ontwikkelen op een manier die het beste past bij de specifieke kenmerken van het betreffende dorp.
Woningbehoefte
In een landelijke regio als Roerdalen geldt in het algemeen de regel dat zoveel woningen gebouwd mogen worden als nodig is voor de natuurlijke bevolkingsgroei. Dit is echter nog zeer beperkt en komt nagenoeg overeen met het aantal te bouwen woningen voor gelijkblijvend inwonertal. Het bestaande woningbouwprogramma omvat reeds meer woningen dan is benodigd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat uitgaande van migratiesaldo=0 het bestaande woningbouwprogramma ruim voldoende – en in theorie eigenlijk te groot – is.
Het is daarom van belang het woningbouwprogramma, mede gelet op de economische crisis, te temporiseren en de woningvraag nauwlettend in de gaten te houden (monitoring). Prioriteit krijgt herstructurering van de bestaande woon- en leefomgeving. Belangrijk is verder dat hergebruik van leegstaande woningen voor sloop en nieuwbouw gaat. Daarentegen is sloop en nieuwbouw niet altijd te voorkomen bij het streven naar kwalitatief goede woningen. Verder gaat inbreiding voor uitbreiding, waarbij het ook belangrijk is om voldoende groene ruimtes en 'lucht in het dorp' te waarborgen of te ontwikkelen als deze ontbreken. Indien het woningbouwprogramma uitgeput raakt en uit monitoring blijkt dat er wel een behoefte is aan nieuwe woningen, zal gekeken worden naar nieuwe uitbreidings- mogelijkheden buiten de kernen. Bij het zoeken naar deze nieuwe uitbreidingsmogelijkheden wordt o.a. rekening gehouden met het oplossen van (lelijke) achteraanzichten, de toekomstige behoefte van de verschillende kernen, een verantwoorde stedenbouwkundige afronding van de kernen, enz. Daartoe zijn een aantal spelregels opgesteld, ook wel de “Ladder van Roerdalen” genoemd. Onderstaand zijn de spelregels op een rij gezet:
Conclusie
Onderhavige planontwikkeling betreft een individueel geval gelegen binnen bestaande (lint)bebouwing, waarbij sprake is van een verantwoorde stedenbouwkundige vervangende nieuwbouw, waarbij kwaliteit boven hergebruik gaat. Ten behoeve van de nieuwbouw van de woning en bijgebouwen, wordt immers een bestaande niet duurzame bedrijfswoning met bijgebouwen gesloopt ten behoeve van de realisatie van een levensloopbestendige nieuwbouwwoning met bijbehorende bouwwerken. Tevens is er sprake van het bouwen voor de eigen woonbehoefte.
Welstandsnota Roerdalen 2016
De architectonische verschijning wordt gewaarborgd door middel van een welstandsnota. Met ingang van 1 juli 2004 is het voor elke gemeente in Nederland verplicht een (vastgestelde) welstandsnota te hebben. Is dit niet het geval, dan is de gemeente niet meer bevoegd een bouwplan op welstand te toetsen. Op 17 december 2015 is de 'Welstandsnota Roerdalen 2016' door de gemeente Roerdalen vastgesteld en in werking getreden.
In deze welstandsnota zijn de bestaande gebiedsbeschrijvingen en criteria gehandhaafd. De toetsing aan deze criteria vindt echter niet altijd meer plaats door een welstandcommissie. In bepaalde gevallen kan gebruik gemaakt worden van de zogenaamde 'Kan-bepaling' (artikel 6.2 Besluit omgevingsrecht), waardoor gemandateerde ambtenaren in bepaalde situaties bouwplannen toetsen aan de welstandscriteria. Door de gemeenteraad van Roerdalen is echter op 17 december 2015 impliciet besloten , in afwijking van het raadsvoorstel, geen gebruik te maken van de 'Kan-bepaling'.
Onderhavige planontwikkeling valt binnen welstandniveau 1 (waardevol welstandsgebied). Dit betekent dat de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van het woonhuis met bijbehorende bouwwerken voor advies zal worden voorgelegd bij de omgevingscommissie.
Conclusie
Met het planvoornemen kan voldaan worden aan de welstandeisen zoals opgenomen in de welstandsnota.
Limburgs kwaliteitsmenu (LKW)
Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is overgedragen aan de gemeenten. De Provincie gaat er vanuit dat gemeenten zelf invulling geven aan dit kwaliteitsbeleid (waaronder de handhaving). De Provincie faciliteert de gemeenten hierbij. Een goede invulling van het Limburgs Kwaliteitsmenu is immers mede een provinciaal belang. De Provincie heeft in overleg met de gemeenten ervoor gezorgd dat:
Het LKM heeft voorwaarden gesteld aan de gemeentelijke uitwerking van het LKM. Deze voorwaarden zijn:
Het Limburg Kwaliteitsmenu is in hoofdlijnen gebaseerd op de relatie met het buitengebied en de impact van de verschijningsvorm (visie of een bepaalde ontwikkeling functioneel en qua verschijningsvorm thuis hoort in een (buiten)gebied. Ontwikkelingen die functioneel niet gebiedseigen zijn aan het (buiten)-gebied of die qua verschijningsvorm of beleidsmatig niet zonder meer passen in het buitengebied krijgen in het kwaliteitsmenu te maken met de verplichting tot het leveren van een kwaliteitsbijdrage (= de waarde van het kwaliteitsverlies uitgedrukt in een kwaliteitsbijdrage). Als basis geldt voor elke ontwikkeling met betrekking tot bouwen, bouwwerken en verharding dat:
De gemeente Roerdalen heeft het LKM vertaald in een gemeentelijk kwaliteitsmenu dat verankerd is in de gemeentelijke structuurvisie, waardoor het beleid afgestemd is op de specifieke Roerdalense situatie, het zogenaamde LKM+.
Grondprincipe van het kwaliteitsmenu is, dat bepaalde ontwikkelingen in een (buiten)gebied, die een nieuw ruimtebeslag leggen met daaraan verbonden specifieke ruimtelijke invloeden op de omgeving, ter plaatse (kunnen) leiden tot een verlies aan omgevingskwaliteit, wat dient te worden gecompenseerd door een kwaliteit verbeterende maatregel of financiële bijdrage. De compensatie wordt ingezet om de omgevingskwaliteit te versterken met als ambitie per saldo de kwaliteit te laten toenemen.
Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ruimtelijke ontwikkelingen die via een projectbesluit, wijziging, herziening van of rechtstreeks door het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt
Voor onderhavig project is module 10b van toepassing van vanwege de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid (vervolgfunctie). Dat betekent, dat het gebruik van de bestaande woning mag worden voortgezet met een vermindering van het bouwvlak/bebouwing tot maximaal 500 m2. Hieraan kan worden voldaan, zodat er geen financiële compensatie vanuit het LKM+ nodig is. Wel dient er een landschapsinrichtingsplan opgesteld te worden.
Conclusie
In onderhavige planontwikkeling is rekening gehouden met het afgestemde Limburgs kwaliteitsmenu op de Roerdalense situatie door middel van een optimale ruimtelijke en landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 2).
Het betreffende Landschapsinrichtingsplan met bijbehorende beplantingslijst is als separate bijlage bij het wijzigingsplan gevoegd (bijlage 2 bij de regels).
Bij elke ruimtelijke ingreep is het noodzakelijk om in beeld te brengen wat de invloed van deze ruimtelijke ingreep is op een aantal omgevingsaspecten. Hieronder wordt ingegaan op enkele relevante omgevingsaspecten ten aanzien van de voorgestane planontwikkeling.
De gemeente Roerdalen heeft een archeologische beleidskaart opgesteld voor het totale grondgebied. Het archeologisch beleid zoals geregeld in de Archeologieverordening 2011 van de gemeente Roerdalen (vastgesteld op 10 november 2011) is gekoppeld aan de archeologische verwachtingskaart.
In deze verordening is opgenomen dat er een instandhoudingsbepaling/ onderzoekplicht is opgenomen voor gebieden met een archeologische verwachting, zoals weergegeven op de archeologische verwachtingswaardenkaart, wanneer de bodem verstoord wordt door werkzaamheden. Door middel van een tabel is aangegeven welke 'ondergrenzen' gelden (beiden dienen aan de orde te zijn).
Op de projectlocatie is de dubbelbestemming 'Waarde-archeologie 5' (WA-5) van toepassing. Voor de dubbelbestemming WA-5 geldt géén onderzoekverplichting indien de oppervlakte niet meer bedraagt dan 1.000 m² en de ondergrondse bouwdiepte niet meer bedraagt dan 40 centimeter.
Bovendien is de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bebouwing toegestaan, onder voorwaarde dat:
Bij de realisatie van de voorgenomen bouw wordt met deze regelgeving rekening gehouden. Het grondoppervlak van de te realiseren hoofdbebouwing met bijbehorende bouwwerken is kleiner dan de maatgevende 1.000 m2 en de verticale bouwdiepte van de bebouwing bedraagt geen 40 centimeter of meer.
Het voorafgaande betekent, dat er géén archeologisch onderzoek ten aanzien van het bouwvoornemen hoeft te worden uitgevoerd. Het aspect archeologie levert dientengevolge geen belemmering op voor de voorgestane planontwikkeling.
Cultuurhistorie
De gemeente Roerdalen onderscheidt de volgende typen cultuurhistorische waarden:
Het pand aan de Wiedestraat 5 betreft geen rijks- of gemeentelijk monument en is ook niet als beeldbepalend pand getypeerd. Binnen de directe invloedsfeer van het planvoornemen zijn bovendien geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten gesitueerd.
Wel dient rekening gehouden te worden met de bebouwing in het buurtschap Lerop, bestaande uit een kleinschalig bebouwingslint met cluster bebouwing aan wegen in een kleinschalig landschap langs de Roer. De bebouwing is gebaseerd op het historische wegenpatroon met bebouwing aan de wegen. Kenmerkend zijn de zichtlijnen over de straat en de werking van incidentele hoogteverschillen in het terrein die de beeldvorming sterk beïnvloeden.
Met deze cultuurhistorische structuren (wegen en lintbebouwing) is bij de uitvoering van het planinitiatief op bouwplanniveau rekening gehouden gezien de situering ten opzichte van de bestaande rooilijn in het gebied en de bebouwingshoogte van de omliggende bebouwingsobjecten. De inpassing van het planinitiatief is hieraan mede getoetst door de omgevingscommissie op basis van de van toepassing zijnde welstandscriteria behorende bij het welstandsniveau 1 voor het gebied Lerop, waar onderhavig planinitiatief toe behoort.
Daarbij waren onder meer de volgende aandachtspunten van belang:
Conclusie
Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch perspectief zijn er géén belemmeringen voor het voorliggende projectinitiatief te verwachten indien rekening wordt gehouden met de toetsingscriteria die behoren bij welstandniveau 1 voor het gebied Lerop.
Volgens artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek worden verricht naar de bodemgesteldheid in een plangebied.
Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden.
In opdracht van initiatiefnemer heeft Econsultancy een verkennend bodemonderzoek en een verkennend asbest bodemonderzoek uitgevoerd op de projectlocatie aan de Wiedestraat 5 te Sint Odilienberg. De onderzoeken zijn uitgevoerd in het kader van voorgenomen aankoop en bestemmingsplanwijziging van en nieuwbouw op de onderzoek locatie.
De betreffende onderzoeken zijn gebundeld in een rapportage als separate bijlage (2) bij het plan gevoegd.
Uit het verkennend bodemonderzoek is het volgende naar voren gekomen:
Uit het verkennend asbest bodemonderzoek is het volgende naar voren gekomen:
Conclusie
Uit het uitgevoerde bodemonderzoek en asbestonderzoek kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen (wijziging van bestemming tot wonen) planologisch op de projectlocatie uitvoerbaar is. Bovendien is er, gezien de onderzoeksresultaten, géén reden voor een nader onderzoek.
Voor werkzaamheden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop van toepassing. Een gespecialiseerd bedrijf zal daarom worden ingeschakeld voor de afvoer van grond en bouw- en sloopafval.
Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Dit betekent dat elke 'nieuwe' ontwikkeling getoetst moet worden aan de normen voor plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR).
Indien verwacht wordt dat nabij een 'nieuwe' ontwikkeling gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, verwerkt, bewerkt, gebruikt of getransporteerd, dan is een onderzoek naar de risico's noodzakelijk.
Ten aanzien van bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004) van toepassing. Ten aanzien van transport is het besluit externe veiligheid transport (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag in geen geval worden overschreden. In Nederland zijn weinig locaties waar conflicten zijn met het plaatsgebonden risico. Vooral rond LPG-tankstations zijn knelpunten.
Groepsrisico
Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep (tenminste 10 personen) tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Bij het GR zal, bij beoordeling van nieuwe ontwikkelingen, rekening moeten worden gehouden met een oriënterende waarde. Voor de oriënterende waarde geldt dat afwijken alleen mogelijk is met een degelijke motivering. Vooral in dichtbevolkte en intensief gebruikte gebieden zoals stadscentra kan er spanning zijn tussen de aanwezigheid van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en het GR.
Verder geldt de eis dat bij ontwikkelingen binnen de invloedsfeer van het GR-aandacht moet zijn voor de zelfredzaamheid van de mensen en de bereikbaarheid van hulpdiensten bij een eventuele calamiteit met gevaarlijke stoffen.
Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt binnen de invloedsfeer van een risicovolle activiteit, dan dient in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, art. 12) alsmede het Bevt en Bevb de betreffende regionale brandweer de gelegenheid te krijgen om advies aan het gemeentebestuur te geven.
Risicobronnen
De projectlocatie bevindt zich in aan de Wiedestraat 5. De externe veiligheid kan door verschillende activiteiten negatief worden beïnvloed. Er is in dit kader gekeken naar de relevante activiteiten, namelijk wegverkeer, buisleidingen, bedrijvigheid en spoorverkeer met gebruikmaking van de website risicokaart.nl ?
Bedrijven
Zowel binnen als nabij het projectgebied liggen geen inrichtingen die vanwege de aanwezigheid of het werken met gevaarlijke stoffen beperkingen opleveren voor de omgeving. De dichtstbijzijnde inrichting betreft Manege Dinissen (Leropperweg 15) op circa 315 meter. Hier is een bovengrondse propaantank aanwezig met een PR 10-6 risicocontour van 10 meter.
Transport: wegverkeer, railverkeer, waterwegen, buisleidingen en luchtverkeer
Zowel binnen als nabij het projectgebied liggen geen transportassen of invloedsferen die vanwege het transport met gevaarlijke stoffen beperkingen opleveren voor de omgeving.
De in de omgeving van het plangebied gelegen A73 bevindt zich op een afstand van meer dan 1 kilometer, dus ruimschoots van de in acht te nemen normafstand van 200 meter.
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen transportleidingen. Op een afstand van circa 130 meter ten zuiden van het plangebied zijn een tweetal ondergrondse leidingen aanwezig (een leiding van de gasunie en een DPO (Defensie Pijpleiding Organisatie) leiding.
Het plangebied is ruimschoots gesitueerd buiten de PR10-6 contour behorende bij deze leiding (= namelijk 0 meter). Bovendien levert de planontwikkeling geen effecten op ten aanzien van het groepsrisico. Het aantal potentiële slachtoffers binnen het invloed gebied neemt namelijk niet toe door de planontwikkeling (burgerwoning in plaats van bedrijfswoning) en de zelfredzaamheid binnen de projectlocatie is goed te noemen.
Conclusie
In de nabijheid van het plangebied zijn géén relevante inrichtingen dan wel transportassen of invloedsferen aanwezig. In deze situatie zijn bovendien geen veranderingen voorzien.
Nader onderzoek is niet aan de orde er zijn géén belemmeringen te verwachten voor de beoogde planontwikkeling.
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van gezoneerde industrieterreinen, luchthavens, spoorwegen en wegverkeer. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van voorgenoemde geluidsbronnen.
Aangezien de voorgenomen planontwikkeling een geluidsgevoelig object (woning) mogelijk maakt dient beoordeeld te worden aan de wet- en regelgeving of er belemmeringen aanwezig zijn c.q. akoestisch onderzoek dient plaats te vinden volgens de Wgh.
Industrielawaai
In de directe omgeving ligt géén gezoneerd industrieterrein met geluidsbelastende bedrijven die van invloed zijn op de planontwikkeling, waardoor het aspect industrielawaai buiten beschouwing kan blijven.
Railverkeerlawaai
De projectlocatie ligt niet binnen de geluidzone van de spoorlijn Sittard-Roermond die op circa 1 kilometer ten noordwesten van de planontwikkeling is gesitueerd, waardoor dit aspect buiten beschouwing kan blijven.
Wegverkeerslawaai
Bij het vastleggen van een woonbestemming (realisatie van een geluidgevoelig object) in een wijzigingsplan dient, op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder, een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar wegverkeerslawaai.
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een burgerwoning als vervangende nieuwbouw (sloop bestaande bedrijfswoning met bijgebouwen). Doordat de te realiseren woning is gesitueerd in een geluidzone behorende bij de Leropperweg (60 km regime) is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd om het juiste geluidsniveau te kunnen vaststellen. Het betreffende onderzoek is als separate bijlage (bijlage 1 van de toelichting) bij dit plan gevoegd.
De enige relevante weg met geluidzone betreft de Leropperweg. Deze weg is onderverdeeld in een gedeelte binnen de bebouwde kom (30 km-regime) en een gedeelte buiten de bebouwde kom. De zone van dat deel van de Leropperweg dat buiten de bebouwde kom is gelegen en waar de maximaal toegestane snelheid 60 km/uur bedraagt, reikt tot over het perceel waarop de planontwikkeling is voorzien. Overige lokale wegen in de directe omgeving van het plan zijn niet relevant voor het akoestisch onderzoek.
Uit de berekende geluidbelasting ten gevolge van de Leropperweg (60 km/uur) bedraagt de geluidsbelasting ten hoogste 41 dB inclusief de aftrek overeenkomstig artikel 110g Wet geluidhinder. Daarmee voldoet de berekende geluidsbelasting ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
De cumulatieve geluidsbelasting, exclusief aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder, ten gevolge van de Leropperweg gelegen binnen de bebouwde kom waar de maximumsnelheid 30 km/uur bedraagt en het gedeelte van de Leropperweg dat buiten de bebouwde kom is gesitueerd (60 km/uur) is ten hoogste 54 dB.
Hiermee is het woon- en leefklimaat te classificeren als “redelijk” overeenkomstig de methode Miedema en is er sprake van een goede ruimtelijke ordening en vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.
De geluidswaarde binnen de woning (binnenwaarde) dient te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB (in een enkel geval geldt een eis van 43 dB voor het binnenniveau, zie artikel 3.1 bouwbesluit).
Het akoestisch klimaat binnenshuis is aanvaardbaar, mits dit binnenwaardeniveau wordt gegarandeerd. Een standaardgevel dient in het kader van het bouwbesluit 20 dB te reduceren. De nieuwe woning zal voldoen aan het Bouwbesluit en daarmee een minimale gevelreductie kennen van 20 dB. Aangezien het een nieuw te bouwen woning betreft kan voor de woning zodanige maatregelen worden getroffen dat de geluidsbelasting in de woningen niet meer bedraagt dan 33 dB (conform het vereiste in het bouwbesluit). In dat geval kan er gesproken worden van een aanvaardbare akoestische situatie.
Op basis van deze Wet luchtkwaliteit gelden milieukwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels grenswaarden vastgelegd voor de luchtverontreinigingscomponenten stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (PM10 of fijnstof), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb), benzeen (C6H6) en koolmonoxide (CO). De grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen.
In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Voor projecten die de hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide in de lucht met maximaal 3% verhogen hoeven geen aanvullende maatregelen getroffen te worden. Het project draagt dan niet in betekende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
Voor kleinschalige projecten is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Ten aanzien van woningbouwlocaties is in de regeling gesteld dat de volgende situaties niet in betekenende mate bijdragen:
Het planvoornemen betreffende de nieuwbouw van een burgerwoning ter vervanging van een bestaande bedrijfswoning op een andere positie op het perceel is dusdanig kleinschalig van aard dat deze ontwikkeling in 'niet betekende mate bijdraagt (NIBM) aan de luchtkwaliteit en uit een oogpunt van luchtkwaliteit dientengevolge géén belemmeringen oplevert.
Toetsingskader
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings-praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 'Grenswaarden maatgevende stoffen Wm'
| Stof | Toetsing | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) 1) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) 2) |
jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ |
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 'grenswaarden maatgevende stoffen Wm'. De jaargemiddelde grenswaardes µg/m³, voor fijnstof (PM10) en voor fijnstof (PM2,5) alsmede voor stikstofdioxide (NO2) worden niet overschreden. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof ligt tevens onder de grenswaarde. In de volgende afbeelding zijn de rekenpunten in de omgeving gegeven (meest belastende wegen).
Direct langs deze wegen wordt aan de grenswaarden voldaan, dit zal ook ter plaatse van de te realiseren woning het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarnaast is er sprake van een trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondwaardes van deze stoffen (PM10, (PM2,5 en NO2) zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden te verwachten zijn.
Conclusie
De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig, In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan voldaan worden aan de heersende grenswaarden voor fijnstof (PM10) en voor fijnstof (PM2,5) alsmede voor stikstofdioxide (NO2).
Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve géén belemmering voor de vaststelling van het wijzigingsplan.
In het projectgebied liggen geen kabels en leidingen die planologische bescherming behoeven of anderzijds speciale aandacht vereisen. Het project kan op adequate wijze aangesloten worden op de diverse nutsvoorzieningen.
Conclusie
Er zijn geen belemmeringen te verwachten voor de beoogde ontwikkeling. Het bouwplan moet echter wel afgestemd worden met civieltechnische zaken binnen de gemeente. Overleg met de gemeente is in ieder geval nodig voor een rioolontsluiting, het opslaan van bouwmateriaal en het plaatsen van een bouwkeet. Bij de aanleg van kabels en leidingen moet initiatiefnemer een huisaansluiting regelen via de nutsbedrijven. Tevens dient de bouwer van de woning een Klic melding in te dienen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij (agrarische)bedrijven of visa versa:
Om in dit bestemmingsplan de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie. De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied.
Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. Indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied kan de richtafstand met eìeìn stap worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt.
De Wiedestraat e.o. maakt onderdeel uit van het buitengebied. Omdat er sprake is van wonen en (agrarische) bedrijvigheid (lintbebouwing) ter plaatse geldt het omgevingstype 'rustig buitengebied'.
De ontwikkeling in het plangebied zelf betreft het planologisch juridisch vastleggen van een burgerwoning. Deze ontwikkeling is getoetst op de omgeving.
In de directe nabijheid van het planvoornemen zijn geen bedrijven gesitueerd waarbij bijvoorbeeld een geurcontour (agrarische bedrijven) of milieuhinder (bedrijven) een rol spelen.
Het dichtstbijzijnde bedrijf, de Leroppertuin en Mooren Events aan de Wiedestraat 11 (op circa 40 meter afstand gesitueerd met daartussen nog de woonbestemmingen Wiedestraat 7 en Wiedestraat 9) heeft een winkel in bloemen, planten, zaden en tuinbenodigdheden met eigen kwekerij en plantenverkoop. Voor deze bedrijfsactiviteiten geldt een basis richtafstand van 30 meter ten aanzien van de omgevingsaspecten geluid en geur. Aan de milieuzoneringsafstand wordt derhalve voldaan.
De naastgelegen percelen ter weerszijden van Wiedestraat 5 hebben een woonbestemming (geen relevante milieuzoneringsafstand).
De bedrijfsactiviteiten in de directe omgeving zijn bovendien door middel van de milieuregelgeving en de verstrekte milieuvergunningen afgestemd op de milieugevoelige bestaande functies (wonen) in de omgeving en leveren dientengevolge géén belemmeringen op voor de voorgestane planontwikkeling. Er is geen sprake van relevante milieuhinder ter plaatse en omgekeerd de nieuwe woonfunctie werkt niet belemmerend voor de in de omgeving aanwezige bedrijvigheid.
Conclusie
De planlocatie is niet gelegen binnen de richtafstanden (voor geluidhinder) van andere bedrijven.
Het aspect milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkeling.
Ter plaatse van de te realiseren woning is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Er bestaan geen belemmeringen vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.
Verkeer
De realisatie van de nieuwe woning met bijbehorende bouwwerken heeft geen gevolgen voor de bestaande verkeersstructuur. Het woonperceel haakt aan op een doodlopende weg en de ontsluiting van het perceel vindt plaats aan deze Wiedestraat. De verkeersdrukte op deze weg en aanhakende ontsluitingswegen zal door de nieuwe ruimtelijke wooninvulling niet toenemen ten opzichte van de bestaande situatie.
Parkeren
Het parkeren zal met inachtneming van de gemeentelijke parkeernormen plaatsvinden op eigen terrein. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig voor meerdere parkeerplaatsen. Het betreft een bebouwde ruimte (garage) alsmede onbebouwde ruimte aan de voorzijde van het perceel voor bezoekers (2 parkeerplaatsen) en voor privé doeleinden (2 parkeerplekken). Van mogelijke (openbare) parkeerproblemen zal dan ook geen sprake zijn.
Conclusie
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de ontwikkeling.
Door voorafgaand aan een ruimtelijke ontwikkeling rekening te houden met het eventueel voorkomen van beschermde en/of zeldzame planten- en diersoorten kan effectief worden omgegaan met de aanwezigheid van een beschermde soort. Een dreigende overtreding van de Flora- en faunawet kan zo snel gesignaleerd en, in veel situaties, voorkomen worden. Vervolgens kan er accuraat actie ondernomen worden om zodoende de overlevingskansen en migratiemogelijkheden van een beschermde soort in het betreffende gebied geen blijvende schade toe te brengen.
Ten behoeve van de voorgenomen planontwikkeling (bestemmingsplan wijziging) is er een quickscan flora en fauna en een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd om te bepalen of er planten- en diersoorten aanwezig zijn of te verwachten zijn, die volgens de Flora- en faunawet een beschermde status hebben en die mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de planontwikkeling invloed kan hebben op gebieden die volgens de Natuurbeschermingswet 1998 (Sinds 1 januari 2017 de Wet Natuurbescherming) zijn beschermd, of die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (provinciale natuurzones).
Voornoemde onderzoeken zijn als separate bijlagen bij onderhavig plan gevoegd (bijlagen: 3-1 en 3-2 behorende bij de toelichting).
Gebiedsbescherming
Het plangebied zelf maakt geen deel uit van het Natura 2000-gebied Roerdal of een provinciale natuurzone maar grenst hier wel tegen aan.
Aangezien bestaande woningen inclusief tuinen en erven zijn geëxclaveerd van het beschermings- regime van de Natuurbeschermingswet 1988 en het Natuurnetwerk Nederland in de provincie Limburg zijn beide beschermingsregimes daarom niet van toepassing op de onderzoeklocatie (percelen 931/932) zelf. Onderzoek hoeft daarom alleen maar plaats te vinden ten aanzien van externe effecten op het Natura 2000-gebied Roerdal en de provinciale natuurzone.
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat als gevolg van de voorgenomen plannen (nieuwbouw van woning en bijhorende bouwwerken ter plaatse van de bestaande bebouwing) op de onderzoeklocatie geen externe effecten op het Natura 2000-gebied Roerdal en de natuurzone van de provincie zijn te verwachten vanwege de aard van de plannen, mits toename van verlichting op het Natura 2000-gebied/provinciale natuurzone wordt voorkomen. Tevens is geconcludeerd dat een vervolg- onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
Soortenbescherming
Er is een bureauonderzoek en er zijn veldonderzoeken uitgevoerd naar de aanwezigheid van of te verwachten planten- en diersoorten die volgens de Flora en Faunawet een beschermde status hebben en die mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen planontwikkeling (sloop bestaande bebouwing en nieuwbouwwoning met bijbehorende bouwwerken) binnen het plangebied.
Tijdens het veldbezoek is de gehele onderzoeklocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Daarbij is gedurende het veldbezoek gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van de aanwezige habitat. Tevens is op basis van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten kunnen voorkomen op de onderzoeklocatie op basis van de aanwezigheid van geschikt leefgebied en zijn tevens gegevens van de provincie Limburg geraadpleegd.
In de navolgende tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen (soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten). Tevens is aangegeven of er maatregelen nodig zijn om overtreding van de Flora- en Faunawet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Op basis van de resultaten van het onderzoek dient door middel van nader onderzoek duidelijkheid verkregen te worden omtrent de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen alsmede nestplaatsen van de gierzwaluw. Tevens dient het exacte aantal nestlocaties van de huismus vastgesteld te worden.
Overtredingen ten aanzien van broedvogels kunnen op voorhand worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen en de gevoelige periodes. Daarnaast dient de in de Flora- en faunawet opgenomen (algemene) zorgplicht in acht genomen te worden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor iedereen en voor alle planten en dieren, beschermd of niet.
Aanvullend ecologisch onderzoek
In de periode april-september 2016 is aanvullend ecologisch onderzoek verricht naar de huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat onder het dak van de bebouwing drie nestlocaties aanwezig waren van de huismus. Nestlocaties van gierzwaluw en of verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aangetroffen. Het betreffende aanvullende onderzoek is opgenomen als bijlage bij het plan (zie bijlage 3-2 bij de toelichting).
Inmiddels is de betreffende bebouwing gesloopt (periode 19 tot en met 23 september). Om verstoring van huismussen te minimaliseren en vernietiging van de nestlocaties te voorkomen zijn ten tijde van de sloop mitigerende maatregelen getroffen, bestaande uit het ophangen van vervangende tijdelijke verblijfplaatsen in de vorm van 6 huismuskasten en het ongeschikt maken van de bebouwing voor sloop door verwijdering van de dakpannen en het slopen van de bebouwing buiten het broedseizoen van huismus. Daarnaast zal de opdrachtgever in de nieuwbouw nieuwe nestgelegenheden voor de huismus realiseren.
Het huidige kale terrein zonder begroeiing of bebouwing behorende tot het plangebied heeft nu geen of nauwelijks natuurwaarden meer. Na realisatie van de natuurlijke inrichting van het woonperceel naast de op te richten bebouwing zal de natuurwaarde ter plaatse weer verhoogd worden.
Conclusie
Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling zijn de voorgenomen plannen uitvoerbaar, mits tijdens het uitvoeren van de plannen het bepaalde in de Flora- en Faunawet in acht wordt genomen. Na sloop van de bestaande opstallen is een nader aanvullend advies opgemaakt door de deskundige (zie bijlage 3-2) waaruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn.
Door middel van het treffen van de juiste maatregelen kan de voorgenomen planontwikkeling uitgevoerd worden.
Het plangebied is gesitueerd in het werkgebied van het voormalige Waterschap Roer en Overmaas. Per 1 januari 2017 is dit waterschap na een fusie opgegaan in het Waterschap Limburg.
Voor het plangebied is de leggerkaart Zuid Limburg en Keur van het waterschap van toepassing. De leggerkaart Zuid Limburg en de Keur betreffen de legger (27 november 2012) en Keur van het voormalige Waterschap Roer en Overmaas zoals die juridisch zijn vastgesteld
Waterschap Limburg werkt nog aan één nieuwe waterschapsverordening die van kracht wordt op het moment dat de nieuwe Omgevingswet in werking treedt.
Uit de leggerkaart Zuid Limburg (volgens de website van Waterschap Limburg) blijkt dat een gedeelte van het plangebied gelegen is binnen een aandachtsgebied (meanderzone van de Roer).
Een deel van het plangebied (het tuingedeelte) is gesitueerd binnen de meanderzone behorende bij de Roer. Het betreft gronden waarbinnen primaire wateren door natuurlijke verplaatsing hun bedding kunnen verleggen. Deze zone is ten behoeve van de keur aangewezen als waterstaatswerk en is in de legger opgenomen. Voor de in artikel 4.1, lid 4, onder a (gesitueerd binnen de meanderzone) op te richten bouwwerken en activiteiten binnen dit plangedeelte (waarop de meanderzone van toepassing is) is naast een eventuele (mogelijke) omgevingsvergunning ook een vergunning van de waterschapsbeheerder nodig.
In voorliggend wijzigingsplan is daarom op een gedeelte van het plangebied (tuingedeelte) een dubbelbestemming 'Waterstaat–Meanderzone' met regels opgenomen ter waarborging van de meandering van de Roer. De nieuwbouwwoning wordt buiten deze dubbelbestemming 'Waterstaat-Meanderzone' gerealiseerd.
Watertoets Waterschap
Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap.
Niet alle ruimtelijke plannen behoeven de watertoets te doorlopen. Daartoe heeft het waterschap een stroomschema, met daarbij behorende notitie ondergrens, opgesteld waaruit het toepassingsbereik van de watertoets blijkt.
Het watertoetsloket hanteert een ondergrens voor kleine plannen zonder waterbelang; deze hoeven niet aan het loket te worden voorgelegd voor advies. De voorwaarden voor deze ondergrens zijn dat het plangebied niet groter is dan 2.000 m2 en er geen directe waterbelangen zijn (er is bijvoorbeeld geen primair water in of nabij het plangebied en er vindt geen lozing of diepte-infiltratie plaats).
Onderhavige planontwikkeling omvat vervangende nieuwbouw, waarbij geen lozingen op het oppervlaktewater plaatsvinden en er geen sprake zal zijn van een toename van het verhard oppervlak (minder dan 2.000 m2).
Het bebouwde gedeelte van het plangebied (bestaande bebouwing en erfverharding bedraagt circa 1.075 m2). Na sloop, nieuwbouw en herinrichting van het perceel zal circa 575 m2 van het perceel verhard worden (met bebouwing en verharde tuininrichting).
Het totale verharde oppervlak neemt derhalve fors af door sloop van de bestaande gebouwen en de verwijdering van asfaltverharding op het erf ten opzichte van het huidig aanwezig bebouwd oppervlak/verharding.
Het resterende overgrote gedeelte van het woonperceel zal als tuin ingericht worden inclusief een wadi/vijver. Als verbinding van de woning naar het Roerdal wordt een waterloop aangelegd van de woning naar de wadi/vijver die meer richting het Roerdal komt te liggen. Via deze waterloop wordt het regenwater verplaatst van de woning naar de wadi, waar het regenwater kan bezinken in de ondergrond.
In het plangebied (bestaande situatie) is geen oppervlaktewater aanwezig. Op enige afstand van het perceel (in noord-noordoostelijke richting is de Roer gesitueerd). Het woonperceel neemt in hoogte af richting de Roer.
Het maaiveld ter plaatse bevindt zich op een hoogte van circa 23,5 meter +NAP. De gemiddelde stand van het freatische grondwater bedraagt circa 19 meter +NAP, waardoor het grondwater zich op circa 4,5 meter –mv bevindt. De bodem bestaat uit Roergronden en deels uit kalkloze ooivaaggronden (voornamelijk opgebouwd uit lichte zavel).
De planontwikkeling voldoet aan de basisprincipes van het waterbeleid op de diverse overheidslagen. Daarbij staan met de name de volgende twee tritsen centraal:
Om aan beide tritsen tegemoet te komen is het uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen om hemelwater af te koppelen van afvalwater en gescheiden af te voeren. Aan deze voorwaarde kan invulling gegeven worden in de planontwikkeling. Tevens zal bij de uitvoering van de plannen (nieuwbouwwoning met bijbehorende bouwwerken) rekening gehouden worden met de gemeentelijke uitgangspunten zoals opgenomen in het Gemeentelijk Rioleringsplan. Daarin is afkoppeling van hemelwater een uitgangspunt, mits technisch mogelijk en redelijkerwijs realiseerbaar.
Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet.
Afvalwater
Huishoudelijk afvalwater dat vrijkomt bij de toekomstige bebouwing zal, net als in de huidige situatie, afgevoerd worden naar het gemeentelijke (gemengde) vuilwaterstelsel op dezelfde locatie of in de directe nabijheid, waar thans geloosd wordt. Er zal geen sprake zijn van een buitengewone (afval)waterlozing. Vanuit milieuhygie¨nisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.
Eventuele wijzigingen in de aansluiting zullen overlegd worden met de rioolbeheerder (gemeente Roerdalen).
Hemelwater (dak)verhardingen
Als gevolg van voorliggende ontwikkeling worden minder nieuwe (dak)verharding gerealiseerd dan in de oorspronkelijke situatie. Wateroverlast als gevolg van hemelwater was in de bestaande situatie niet aan de orde en zal ook in de toekomstige situatie niet aan de orde zijn.
Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein
Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem.
Een gedeelte van de in eigendom zijnde achtertuin met vijver (binnen en buiten het plangebied gesitueerd) biedt voldoende mogelijkheden voor infiltratie en /of retentie. Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen (afgekoppeld van het riool) en via goten naar een plek op het achterterrein worden geleid.
Capaciteit hemelwatervoorziening
Bij nieuwbouw dient minimaal 80% van het verharde oppervlak afgekoppeld te worden. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient de hoeveelheid af te voeren hemelwater te worden berekend bij extreme buien van t=25 en t=100.
De hemelwatervoorzieningen voor de planontwikkeling worden gedimensioneerd op het nieuwe verhardingsoppervlak (bebouwing en erfverharding) binnen het bouwperceel. De infiltratie- voorzieningen worden zodanig gedimensioneerd dat ook bij extreme buien geen wateroverlast optreedt. Het achterste gedeelte van het tuinperceel biedt meer dan voldoende ruimte om de gewenste dimensionering op te vangen.
Opvang schoon hemelwater
In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen.
Voorkomen van wateroverlast
Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat water in de te realiseren opslagruimte kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn, gelet op de ruime infiltratievoorzieningen op het perceel en achterliggend (aflopend) gebied.
Conclusie
De voorgestane planontwikkeling zal geen belemmeringen opleveren ten aanzien van het aspect waterhuishouding. Eventuele noodzakelijk maatregelen zijn ter plaatse te treffen.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening bepaalt een aantal zaken de opzet en inrichting van de planregels, te weten:
- de digitale raadpleegbaarheid;
- de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012);
- het Besluit ruimtelijke ordening;
- de Woningwet.
Met voorliggend wijzigingsplan wordt uitvoering gegeven aan een wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Roerdalen – 2e herziening'.
Het betreft de hieronder beschreven wijzigingsbevoegdheid (artikel 8.6.3) met in rood aangeduid de relevante toetsingscriteria (wijzigingsvoorwaarden) waaraan in dit plan getoetst is en verantwoording in toelichting, regels en verbeelding heeft plaatsgevonden.
Artikel 8.6.3
Burgemeester en wethouders kunnen het plan ter plaatse van gronden met de bestemming Bedrijf - Agrarisch aanverwant zodanig wijzigen dat – indien sprake is van een algehele beëindiging van de bedrijfsactiviteiten – de in tabel 8.4 genoemde vervolgfuncties zijn toegestaan, met inachtneming van het volgende:
a. de bestemming wordt gewijzigd in een op de vervolgfunctie toegesneden bestemming;
b. na de bestemmingswijziging dient een aanduiding te worden opgenomen, waarmee wordt aangegeven dat het voormalige bedrijfsbebouwing betreft;
c. bij wijziging dient bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zoveel mogelijk overtollige bebouwing gesloopt te worden;
d. buitenopslag is niet toegestaan;
e. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van vervolgfuncties mag niet onevenredig groot zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit;
f. parkeren dient landschappelijk te worden ingepast en binnen het bouwvlak plaats te vinden;
g. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie die ten dienste staat van de nieuwe hoofdbestemming;
h. een camping is toegestaan tot ten hoogste 40 standplaatsen voor kampeermiddelen;
i. de vervolgfunctie dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn;
j. de bestaande bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;
k. de vervolgfunctie wonen is alleen toegestaan als al een bedrijfswoning aanwezig is;
l. het aantal woningen mag niet toenemen;
m. ten behoeve van de vervolgfunctie 'bedrijven behorende tot categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten' geldt tevens dat activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 niet zijn toegestaan in de gevallen zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage;
n. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en visueel-landschappelijke waarden zoals genoemd in de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1, Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 2 of Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden mits grenzend aan deze bestemming(en);
o. er dient voldaan te worden aan de eisen die zijn gesteld in de in bijlage 4 opgenomen uitwerking van het kwaliteitsmenu.
Bij het opstellen van de inhoud van de regels is aangesloten op het vigerende bestemmingsplan. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding (kaart) de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het wijzigingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels terug gelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan.
De verbeelding
Op de verbeelding zijn aangegeven:
- de grens van het plangebied;
- de bestemmingen van de binnen het plangebied gelegen gronden;
- het bouwvlak;
- de goothoogte, de bouwhoogte en het bebouwingspercentage;
- de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – voormalige bedrijfswoning'.
De regels
De regels zijn conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd:
- inleidende regels;
- bestemmingsregels;
- algemene regels;
- overgangs- en slotregels.
Bestemming
De gronden hebben de bestemming 'Wonen - Buurtschappen' overeenkomstig de bestemming in het moederplan. De gronden en gebouwen worden gebruikt voor een vrijstaande woning met bijbehorende bouwwerken. Naast bebouwing ten behoeve van wonen zijn de gronden tevens bestemd voor tuinen, erven, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en ontsluitingspaden/ brandgangen. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de hoofdbebouwing dient te worden gebouwd. Bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. De maximale toegestane hoogte van hoofdgebouwen is op de verbeelding aangegeven.
In de regels (algemene gebruiksregels – artikel 7.2) is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarin is bepaald dat de gronden alleen gebruikt mogen worden ten behoeve van de bestemming indien het erfinrichtingsplan (zoals vastgesteld - onderdeel van de regels als bijlage) 2 is gerealiseerd en in stand gehouden wordt binnen 3 jaar na inwerkingtreding van het wijzigingsplan.
Door herziening van het voor de gronden binnen het projectgebied geldende bestemmingsplanregime bestaat de kans dat, door eigenaren van de gronden in de directe omgeving van het projectgebied, bij de gemeente op grond van artikel 6.1 van de Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend. De kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in planschade, die mogelijkerwijs voortvloeit uit de realisering van voornoemd project, worden afgewenteld op de initiatiefnemer. Daartoe zal de gemeente een anterieure overeenkomst afsluiten met de initiatiefnemer.
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening moet bij nieuwe ontwikkelingen tegelijk met een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken een exploitatieplan worden vastgesteld. Een exploitatieplan hoeft niet te worden opgesteld als het kostenverhaal van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Dit is het geval wanneer de gemeente de grond in eigendom heeft of met grondeigenaren een overeenkomst heeft gesloten.
De gronden waarop de planontwikkeling wordt gerealiseerd zijn in eigendom van de initiatiefnemer.
De kosten voor uitvoering van het project worden gedragen door de initiatiefnemer die daarvoor voldoende middelen ter beschikking heeft.
Kosten ten behoeve van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte zijn er niet. Aangezien de projectgronden in particulier eigendom zijn, zijn er naast de bouwkosten, geen andere kosten dan eventuele planschade en legeskosten.
Het bepalen van fasering en het stellen van locatie-eisen is niet noodzakelijk.
Voor dit project zullen de initiatiefnemer en de gemeente Roerdalen een anterieure overeenkomst afsluiten, waarin de eventuele kosten anderszins zijn verzekerd. Daarom is het niet noodzakelijk een exploitatieplan op te stellen.
Voor het opstellen van een wijzigingsplan geldt de uniforme voorbereidingsprocedure van de Awb, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen 8 weken na afloop van de ter visie legging een besluit moeten nemen.
In het kader van de terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsplan is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de college van burgemeester en wethouders) kenbaar te maken. Na vaststelling van het wijzigingsplan kunnen belanghebbenden beroep aantekenen bij de Raad van State. Hiervoor dient in de fase van het ontwerp een zienswijze te zijn ingediend of dient het plan ten opzichte van het ontwerp te zijn gewijzigd. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan in zijn onherroepelijke vorm.
Het wijzigingsplan gaat deel uit maken van het bestemmingsplan (moederplan). Met de wijziging van de bestemming vervalt de onderliggende bestemming uit het moederplan.
Het wijzigingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk plan de volgende procedure:
Ontwerp:
- publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro;
- een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij het college
van burgemeester en wethouders.
Vaststelling:
- vaststelling door het college;
- publicatie en terinzagelegging vastgesteld wijzigingsplan gedurende de beroepstermijn
Beroep
- beroep bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State door belanghebbenden.
Inwerkingtreding
- na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om
voorlopige voorziening wordt gedaan).
Onderhavig wijzigingsplan is voorgelegd aan het waterschap in combinatie met het voorgenomen bouwplan binnen het plangebied.
Aangezien een deel van het plangebied (tuingedeelte) in de meanderzone van de Roer is gesitueerd dient de meanderzone in de regels en verbeelding opgenomen te worden. Tegen de voorgestane nieuwbouw, die buiten de meanderzone is gesitueerd heeft het waterschap geen bezwaar. De waterparagraaf dient overeenkomstig de richtlijnen van het waterschap beschreven te worden (watertoets).
Het plan is teven voorgelegd aan de provincie. De provincie heeft aangegeven dat het plan géén aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen, De conclusies uit de 'Ouickscan Flora en Fauna', in relatie tot de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet, worden onderschreven. De reactie van de provincie is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd.
Het ontwerpwijzigingsplan heeft vanaf 16 februari 2017 gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegen bij het Servicepunt Roerdalen. Tevens is het plan gepubliceerd en raadpleegbaar gemaakt op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. onder de codering NL.IMRO.1669.BPODL2017/WIEDESTR5-OW01.
Binnen de zienswijzentermijn zijn geen zienswijzen binnengekomen gericht tegen het ontwerpwijzigingsplan.
Het wijzigingsplan is op 18 april 2017 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen ongewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpwijzigingsplan.
Het vaststellingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders en het daarbij behorende plan is op www.ruimtelijkeplannen.nl gepubliceerd en raadpleegbaar.